20231211022 4 Bijlagen 5 en 6 Adviezen bezwaarschriftencommissie en procesdossiers (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Inhoud adviezen en dossiers
Advies van de Adviescommissie voor bezwaarschriften inzake bezwaarden 1 Advies van de Adviescommissie voor bezwaarschriften inzake bezwaarde 2 Advies van de Adviescommissie voor bezwaarschriften inzake bezwaarde 3
Procesdossier I (bezwaarden 1: heren G & K en bezwaarde 2: mevrouw M) Procesdossier II (bezwaarde 3: de heer M.)
Advies van de Adviescommissie voor bezwaarschriften inzake bezwaarden 1
Kenmerk: 2023/604141 Advies van de commissie belast met de behandeling van bezwaarschriften en Bezwaarde : de heer Gemachtigde : Kalbfleisch Advocaten Datum bestreden besluit : 30 maart 2023 Datum bezwaarschrift : 28 april 2023 Inhoud bestreden besluit : Raadsbesluit van 30 maart waarbij het verzoek van de heer om een referendum te houden over de Nota uitwerking Parkeerregulering is afgewezen
en
De samenstelling van de commissie is: Voorzitter : mevrouw E. Bouma Commissieleden : de heer mr. G.A.A.M. Boot mevrouw mr. E.M. van Bennekom De commissie wordt ambtelijk ondersteund door de secretaris. Secretaris : mevrouw B.C. Kanne-van Tongeren I. Hoorzitting De commissie heeft op 28 juni 2023 een hoorzitting gehouden waarvoor bezwaarden en namens de raad gemachtigde en de behandelende ambtenaren zijn uitgenodigd. Op de hoorzitting zijn verschenen: Van de kant van de commissie: mevrouw Bouma, de heer Boot en mevrouw van Bennekom ondersteund door de secretaris mevrouw Kanne- van Tongeren Van de kant van bezwaarde: De heer en de heer met gemachtigde de heer Wernik van Kalbfleisch Advocaten. Van de kant van de raad: De heer mr. J.C. Binnerts van Pot Jonker Advocaten, mevrouw Boele en mevrouw Sweering. Tevens is aanwezig een 30 tal belangstellende toehoorders. Verslag: Van de kant van bezwaarde wordt aangegeven dat de ingestelde commissie om te adviseren over een referendum een positief advies heeft gegeven. De voorzieningenrechter zegt hetzelfde. Gemachtigde sluit zich geheel aan bij de uitspraak van de voorzieningenrechter. Bezwaarde geeft aan dat deze procedure niet nodig was geweest als de raad besloten zou hebben om het referendum te houden.
Verweerder geeft aan dat de uitspraak van de voorzieningenrechter voorlopig is en dat de raad niet gebonden is aan de uitspraak en dat de nota inmiddels is vastgesteld. Een referendum over een ontwerp besluit waarom bezwaarden hebben verzocht kan dus niet meer plaatsvinden. De verordening kent geen correctiefreferendum waarbij een genomen raadsbesluit opzij kan worden gezet alleen een raadgevend referendum. Dat is een formeel punt van belang. Verweerder geeft voorts aan dat er sprake is van een besluit over belastingen. De voorzieningenrechter heeft hier anders over geoordeeld maar daar kan verweerder zich niet in vinden en geeft mee dat er ruimte is voor de raad om hier anders over te denken. Betaald parkeren is een belastingmaatregel. Het besluit raakt wel degelijk aan belasting. Het klopt volgens verweerder wel dat aan elk besluit financiële consequenties hangen maar dat maakt nog niet dat dit besluit niet onder de weigeringsgrond zou kunnen vallen. De Nota vindt volgens verweerder zijn grondslag wel in eerdere besluiten. De Nota is niet een exacte herhaling van eerdere besluiten en dus niet identiek maar een uitwerking van eerdere besluiten. Verweerder verwijst naar een uitspraak (ECLI:2013.3613) over wezenlijke verschillen.
2023/604141 2 Verweerder geeft aan dat het besluit om betaald parkeren in te voeren als de parkeerdruk hoog is geen nieuw punt is. Hetgeen dat wel nieuw is, is wanneer de parkeerdruk hoog is en dat is geen wezenlijk verschil. Het plafond is niet nieuw en staat ook al sinds 2016 in de verordening. De grenzen stonden al in het mobiliteitsbeleid. Verweerder geeft voorts aan dat er dringende reden naar mening van de raad zijn en dat die een grote discretionaire bevoegdheid heeft en verwijst naar een uitspraak van de Raad van State.1 De commissie vraagt naar reactie bezwaarde op het belang: Van de kant van bezwaarde wordt aangegeven dat het belang is dat het besluit nu is afgewezen en dat de voorzieningenrechter heeft bepaald dat de besluitvorming over betaald parkeren on hold wordt gezet voor 2 weken na de beslissing op bezwaar. En dat indien het besluit gegrond wordt verklaard het referendum traject verder wordt voortgezet. Als het bezwaar ongegrond wordt verklaard zijn er twee weken voor bezwaarden om weer een vovo in te dienen tegen de beslissing op bezwaar. Het gaat erom of de raad naar de mening van de bevolking wil luisteren. Het belang is dat de Haarlemmers in de gelegenheid worden gesteld om een mening te uiten over het parkeerbeleid. Verweerder geeft aan dat er dan een raadgevend referendum wordt gehouden over een genomen besluit.
De verordening biedt die mogelijkheid niet. Er is behoefte om mee te spreken over het beleid en dat is ook gebeurd in de inspraakperiode. De nota van inspraak kan nog nagezonden worden aan de commissie. De commissie vraagt naar het tijdverloop: oktober 2022 ontwerpbesluit ter inzage tot 30 november. Daarna zijn de reacties verwerkt en dingen aangepast. Daarna is het definitieve besluit genomen. Het verzoek is ingediend. Bezwaarde geeft aan dat de voorzieningenrechter hierover heeft bepaald dat tot twee weken na de beslissing op bezwaar er geen uitvoeringshandelingengenomen mogen worden. Bezwaarde verwacht eenzelfde voorziening na een uitspraak in een bodemprocedure. Bezwaarde geeft aan dat in de commissie beheer o.a. CDA en PvdA hebben gesteld dat er altijd draagonderzoeken gehouden zouden worden en dat er na de verkiezingen ineens anders over gedacht werd. De commissie vraagt naar de uitzonderingsbepaling belastingplicht. Bezwaarde citeert wat de voorzieningenrechter stelt. In de marge heeft het financiële consequenties en het ziet meer toe op besluiten over legestarieven. Verweerder geeft aan dat de voorzieningenrechter iets anders zegt namelijk dat de Nota maar voor een klein deel over betaald parkeren gaat en dat bestrijdt verweerder. Verweerder geeft aan dat vergunningen ook fiscaal zijn.
De commissie vraagt wat de reden was om af te wijken van het advies van de Referendumcommissie. De commissie vraagt wat de belangrijkste reden was om het verzoek af te wijzen. Verweerder verwijst naar het bestreden besluit. De commissie vraagt wat de belangrijkste reden was. Verweerder geeft aan dat alle argumenten gelijkwaardig belangrijk zijn. Bezwaarde geeft aan dat hij in 2014 toen hij voor het eerst zich bezig ging houden met betaald parkeren er door een wethouder is toegezegd dat als een deel van de wijk geen betaald parkeren zou willen dat 1
ECLI:NL:RVS:2005:AS2168
2023/604141 3 het er ook niet zou komen. Die toezegging is zomaar van tafel geveegd en daarna is ook het referendum afgewezen. De commissie geeft aan dat er binnen 6 tot 8 weken een advies wordt uitgebracht aan de raad en dat naar verwachting dit eind september aan de raad wordt voorgelegd. Bezwaren, kort samengevat - De raad doet ten onrechte een beroep op de weigeringsgrond het vaststellen van gemeentelijk tarieven (artikel 2 lid 2 onder g). Er is geen sprake van een besluit over de vaststelling van gemeentelijke tarieven en belastingen; - Bezwaarden betwisten dat de Nota vaststelling parkeerregulering zijn grondslag vindt in eerder genomen besluiten en verwijst naar het advies van Referendumcommissie waarin staat dat de Nota drie nieuwe beleidswijzigingen bevat. - Er is geen sprake van uitvoering van een hoger bestuursorgaan of wetgever waarin de raad geen beleidsvrijheid heeft. - Er is geen sprake van dringende redenen. De aangevoerde argumenten over de belangen van minderheden houden geen stand en een beroep op snelle besluitvorming kan niet slagen. II. Juridisch kader: Zie bijlage I III Overwegingen van de commissie procesverloop De raad heeft in oktober 2022 de ontwerpnota Uitwerking Parkeerregulering ter inzage gelegd. Na de inzage zijn alle reacties verwerkt en is deze nota aangepast.
Vervolgens is de nota Uitwerking Parkeerregulering voorgelegd ter vaststelling aan de raad. Ongeveer een week voordat het voorstel tot vaststellen van de nota voorlag is er een inleidend verzoek ingediend om een referendum te houden. Op 22 maart heeft de Referendumcommissie een positief advies gegeven en voorgesteld verzoekers in de gelegenheid te stellen een definitief verzoek in te dienen. Voorafgaand aan de raadsvergadering van 30 maart is er een positief ontwerpbesluit opgesteld maar ten gevolge van een aangenomen amendement is het verzoek tot het houden van een referendum als nog op 30 maart afgewezen omdat de raad van oordeel was dat de Nota gelet op artikel 2, tweede lid, van de Referendumverordening is uitgezonderd als onderwerp waarover een referendum kan worden gehouden. Tegen het besluit tot afwijzen van het verzoek tot het houden van een referendum is bezwaar ingediend en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft op 22 juni een uitspraak gedaan. De voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen omdat de voorzieningenrechter een spoedeisend belang aanwezig acht en het bezwaar naar voorlopig oordeel een redelijke kans van slagen heeft.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat verweerder alle nadere uitvoerende besluitvorming, die zijn grondslag vindt in de Nota, aanhoudt, tot twee weken nadat op het bezwaar van verzoekers is beslist. Dit betekent dat verweerder geen besluiten neemt die voortvloeien uit de Nota, zolang nog niet op het bezwaar van verzoekers is beslist.
2023/604141 4 De commissie overweegt het volgende: De voorzieningenrechter heeft een voorlopige uitspraak gedaan en acht dat het bezwaar naar voorlopig oordeel een redelijke kans van slagen heeft. De commissie neemt hetgeen de voorzieningenrechter heeft bepaald en geoordeeld mee in haar overwegingen maar is hier niet aan gebonden. De commissie ziet zich voor de vraag gesteld of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan de orde zijnde Nota niet referendabel was. De raad heeft met het weigeren van het verzoek tot het houden van een referendum een beroep gedaan op de weigeringsgronden uit de artikel 2 lid 2 sub g (vaststelling van gemeentelijke tarieven en belastingen, sub h (ter uitvoering van een besluit van een hoger bestuursorgaan), sub i ( besluiten die naar oordeel van de raad grondslag vinden in een eerder genomen besluit waarover een referendum gehouden kon worden en j (dringende redenen naar mening van de raad om geen referendum te houden). Uit artikel 5 van de verordening volgt dat de raad het verzoek alleen kan afwijzen indien een van de weigeringsgronden van artikel 2 van de verordening van toepassing zijn. Er is alleen beoordelingsruimte in de weigeringsronden artikel 2 lid 2 sub i (naar oordeel van de Raad) en j (naar mening van de raad).
Uitvoeren van besluit hoger bestuursorgaan of wetgever waarover de raad geen beleidsvrijheid heeft (weigeringsgrond artikel 2 sub h). De raad stelt dat met de Nota uitwerking parkeerregulering uitvoering wordt gegeven aan VNVerdrag Handicap. De commissie is van oordeel dat een beroep op deze weigeringsgrond geen kans van slagen heeft. Verweerder heeft niet voldoende gemotiveerd waarom er geen beleidsvrijheid is. Verweerder stelt alleen dat gegeven de feitelijke situatie, waarin geparkeerde auto’s een disproportioneel deel van de vrije ruimte innemen, een beleid gericht op het terugwinnen daarvan de enige denkbare weg is om de toegankelijkheid voor mindervaliden te verbeteren. Hieruit blijkt niet dat de Nota is opgesteld ter uitvoering van een besluit van een hoger bestuursorgaan of de wetgever waarover de raad geen beleidsvrijheid heeft. Vaststellen van gemeentelijke tarieven en belastingen (weigeringsgrond artikel 2 lid 2 sub g): Bezwaarden voeren aan dat verweerder ten onrechte stelt dat sprake is van een besluit over de vaststelling van gemeentelijke tarieven en belastingen en dat in feite alle besluiten van de gemeenteraad financiële consequenties hebben. Bezwaarden wijzen op dat wat de Referendumcommissie over dit punt heeft geadviseerd in het advies van 22 maart 2023. Het staat niet ter discussie dat de Nota uitwerking parkeerregulering tarieven bevat.
Het grootste deel van de Nota gaat echter om onderdelen die daar niet op toe zien. In het advies van de Referendumcommissie staat dat (parkeer)tarieven niet het kernpunt of de doelstelling van de Nota is. Het doel van de Nota is het parkeren in de gemeente te reguleren door (nieuw) beleid vast te stellen. Bovendien dienen de tarieven alsnog vastgesteld te worden in een gemeentelijke verordening. De commissie is van oordeel dat het vaststellen van de Nota niet als doel heeft om gemeentelijke tarieven en belastingen vast te leggen. De commissie is van mening dat het doel van onderhavige wijzigingsgrond is om te voorkomen dat er over elke leges/belastingverordening een referendum kan worden gehouden. Dit beleid heeft financiële consequenties, zoals vrijwel elk raadsbesluit financiële consequenties geeft maar is daarmee niet een besluit dat te kwalificeren valt
2023/604141 5 als besluit tot het vaststellen van gemeentelijke tarieven en belastingen. Een beroep op de weigeringsgrond over het vaststellen van gemeentelijke tarieven en belastingen kan dan ook niet slagen. Grondslag in eerder besluit (weigeringsgrond artikel 2 lid 2 sub i) Verweerder heeft aangevoerd dat in de Referendumverordening is bepaald dat besluiten die naar het oordeel van de raad hun grondslag vinden in een eerder genomen beslissing waarover een referendum is gehouden of kon worden gehouden vallen onder de uitzonderingsgronden uit de verordening. Verweerder verwijst naar raadsbesluiten die naar het oordeel van de raad aan het besluit waarover een verzoek om referendum is ingediend ten grondslag liggen. Bezwaarden geven aan dat de Nota Uitwerking Parkeerregulering op drie punten anders een wijziging bevat van eerder vastgesteld beleid namelijk: - De eindgrenzen van parkeerregulering worden opgeschoven. - Er wordt afgestapt van een draagvlakmeting als de parkeerdruk meer dan 85% is. - Er wordt een vergunningenplafond ingesteld. Verweerder betoogt dat het volgens bezwaarde referendabele besluit niet een exacte herhaling is van het eerdere besluit dus niet identiek is maar een uitwerking betreft van de eerdere besluiten en daarmee de grondslag vindt in eerdere besluiten.
Verweerder betoogt dat het opnieuw vaststellen van een exact hetzelfde besluit ook niet een logische stap zou zijn en dat het daarom ook logisch is dat de besluiten wel van elkaar verschillen. Er zijn dus wel verschillen maar geen wezenlijke verschillen. Verweerder verwijst naar de uitspraak van de Rechtbank midden Nederland van 28 augustus 2013.2 Verweerder betoogt dat in eerdere besluitvorming al is bepaald dat stadsbreed gereguleerd parkeren wordt ingevoerd op plekken waar de parkeerdruk hoog is. Dus ook als er geen draagvlakonderzoek is gedaan. Nieuw is volgens verweerder de invulling van wanneer de parkeerdruk hoog is. Dit acht verweerder geen wezenlijk verschil. Het aanpasbare vergunningenplafond stond ook in eerdere besluitvorming en in de parkeerverordening. In de Nota mobiliteitsbeleid wordt de ambitie uitgesproken om in 2030 in heel Haarlem gereguleerd parkeren in te voeren, waar nodig voorzien van een vergunningenplafond. De parkeerverordening regelt dat het college een vergunningenplafond kan vaststellen voor het maximum aantal vergunningen dat in een vergunningengebied kan worden afgegeven. De parkeerverordening regelt niets over wanneer een vergunningenplafond kan worden ingesteld.
De commissie is daarom van oordeel dat de besluitvorming over het instellen van een vergunningenplafond in de Nota uitwerking Parkeerregulering wezenlijk verschilt van eerdere besluitvorming over het vergunningenplafond. De commissie is van oordeel dat door het vaststellen in de Nota dat er gereguleerd parkeren wordt ingevoerd bij een parkeerdruk van meer dan 85% en het daarbij afstappen van de inspraakmogelijkheid om alleen gereguleerd parkeren in te voeren als meer dan de helft van de respondenten van de enquête hier voorstander een niet insignificante beleidswijziging bevat.
2
ECLI:NL:RBMNE:2013:3613
2023/604141 6 De commissie is van oordeel dat hoewel er heel veel raakvlakken zijn tussen de eerder vastgestelde besluiten en de Nota gereguleerd parkeren waar een referendum verzoek over is aangevraagd er daarnaast ook wezenlijke verschillen zitten tussen de besluiten en de Nota. Gelet op voorgaande kan een beroep op het artikel in de ogen van de commissie niet meer slagen. Nu de verordening bepaalt dat naar oordeel van de raad er sprake moet zijn van een weigeringsgrond, is de commissie van mening dat de raad niet heeft gemotiveerd waarom zij gelet op voorgaande in redelijkheid heeft kunnen besluiten het referendumverzoek op grond van artikel 2 lid 2 sub i van de referendum verordening te weigeren. Dringende redenen (weigeringsgrond artikel 2 lid 2 sub j) Het Referendum is een democratisch instrument en de eventuele uitkomst van een referendum kan geen dringende reden opleveren om een referendum niet te houden aangezien het een raadgevend referendum betreft, het niet vaststellen van een referendabel besluit kan geen rechtstreeks gevolg zijn van het houden van een referendum. De raad is immers niet gebonden aan de uitkomst van een referendum. 3 De raad stelt dat op plaatsen in de stad waar de parkeerdruk hoger is dan 85% de leefbaarheid van de buurt en de toegankelijkheid van de openbare ruimte (bijvoorbeeld voor kwetsbaren) ernstig in het geding komt.
Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de raad een grote discretionaire bevoegdheid heeft. Verweerder verwijst naar een uitspraak4 waarin een gemeenteraad betoogt dat verder uitstel van een besluit door het houden van een referendum tot onaanvaardbare situaties leidt. De situaties in die uitspraak zien toe op hygiëne en de mogelijke financiële onhaalbaarheid van een project door uitstel. Het is de commissie niet gebleken dat de consequenties van het uitstel van de invoering van de Nota Parkeerregulering vergelijkbaar zouden zijn met de ernst van consequenties in de aangehaalde zaak. Voorgaande neemt niet weg dat de raad een grote discretionaire bevoegdheid heeft maar dringende redenen en omstandigheden moeten wel aantoonbaar zijn. De commissie sluit gelet op de jurisprudentie niet uit dat een beroep op onaanvaardbare vertraging door het houden van een referendum een beroep op de weigeringsgrond dringende reden zou kunnen rechtvaardigen maar is van oordeel dat de raad dit noch in het bestreden besluit noch in het verweer voldoende heeft gemotiveerd waarom daar in dit geval sprake van zou zijn.
Ter zitting heeft de commissie nogmaals gevraagd of er een belangrijke reden is waarom de raad besloten heeft om in tegenstelling tot de inhoud van het advies van de Referendumcommissie en de inhoud van het raadvoorstel tot toewijzen van het referendumverzoek toch het verzoek om het houden van een referendum heeft afgewezen. Hierop heeft verweerder verwezen naar de inhoud van het bestreden besluit en aangegeven dat alle weigeringsgronden even belangrijk worden geacht. De commissie is hiermee van oordeel dat verweerder niet voldoende heeft gemotiveerd waarom er sprake is van dringende redenen om geen referendum te houden en verweerder heeft daarmee niet in redelijkheid kunnen besluiten om het referendumverzoek op grond van artikel 2 lid 2 sub j van de referendum verordening te weigeren. 3 4
ECLI:NL:RBNHO:2017:11154 CLI:NL:RVS:2005:AS2168
2023/604141 7 Belang: Verweerder stelt ter zitting dat bezwaarde geen belang meer hebben bij het houden van een referendum. Een referendum over een ontwerpbesluit waarom bezwaarden hebben verzocht kan volgens verweerder dus niet meer plaatsvinden. De verordening kent geen correctief referendum waarbij een genomen raadsbesluit opzij kan worden gezet alleen een raadgevend referendum. De voorzieningenrechter overweegt dat het feit dat de Nota inmiddels is vastgesteld dus niet vooraf al leidt tot de conclusie dat een referendum geen nut meer kan hebben. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat het moment in de procedure van besluitvorming waarop het nog (het meest) zinvol is een referendum als instrument in te zetten nu is, dat wil zeggen, wanneer nog niet alle nadere besluitvorming heeft plaatsgevonden. De commissie overweegt dat gelet op artikel 2 lid 2 van de verordening een referendum alleen gehouden kan worden over een ontwerpbesluit. Daarom regelt artikel 5 lid 7 dat als het verzoek wordt ingewilligd, de raad de behandeling van het ontwerp raadsbesluit waarop het verzoek zich richt aanhoudt tot de eerstvolgende vergadering na de dag waarop de uitslag van het referendum wordt bekendgemaakt. Het doel van de tekst ‘’ontwerpbesluit’’ is dat het niet de bedoeling is dat er referenda gehouden worden over besluiten die al zijn vastgesteld.
Het doel van de tekst ‘’ontwerpbesluit” kan niet zijn het voorkomen dat er een referendum kan worden gehouden omdat een verzoek daartoe op foutieve gronden is afgewezen en bij een beslissing op bezwaar een referendum niet meer mogelijk blijkt. Gelet op voorgaande en het doel van de bepaling is de commissie van oordeel dat een beroep op het ontbreken van een belang niet kan slagen. Het is de commissie gelet op voorgaande niet gebleken dat er afwijzingsgronden van toepassing zijn en daarom adviseert de commissie het verzoek om het houden van een referendum alsnog in te willigen. III. Advies De commissie adviseert: - Het bestreden besluit te herroepen het verzoek tot het houden van een referendum toe te wijzen; - Het verzoek om vergoeding van proceskosten toe te kennen. Haarlem, 28 juli 2023
2023/604141 8
De voorzitter, mevrouw E. Bouma
De secretaris, mevrouw B.C. Kanne-van Tongeren
2023/604141 9 Bijlage I juridisch kader Referendumverordening gemeente Haarlem 2022 Artikel 2 Referendum, initiatief, onderwerpen 1.Er kan een referendum worden gehouden op initiatief van kiesgerechtigden en de raad. 2.Onderwerp van een referendum is een ontwerp raadsbesluit, met uitzondering van besluiten: a.over individuele kwesties, zoals benoemingen, ontslagen, schorsingen, kwijtscheldingen en schenkingen; b.over de hoogte van geldelijke voorzieningen voor ambtsdragers, gewezen ambtsdragers en hun nabestaanden; c.over de vaststelling, wijziging of intrekking van de arbeidsvoorwaardenregeling en daaruit voortvloeiende besluiten met betrekking tot de griffier en de medewerkers van de griffie; d. over het voor kennisgeving aannemen van notities en rapporten; e.in het kader van deze verordening; f. over de vaststelling van de gemeentelijke begroting en de rekening; g.over de vaststelling van gemeentelijke tarieven en belastingen; h.ter uitvoering van een besluit van een hoger bestuursorgaan of de wetgever waaromtrent de raad geen beleidsvrijheid heeft; i.die naar het oordeel van de raad hun grondslag vinden in een eerder genomen besluit waarover een referendum is gehouden of kon worden gehouden; j.waarvan de raad van mening is dat dringende redenen aanleiding zijn om geen referendum te houden.
Er is dus alleen beoordelingsruimte bij de onderdelen i en j van artikel 2.Alleen bij die onderdelen heeft de raad dus beoordelingsvrijheid. Artikel 5 Initiatief van kiesgerechtigden, stap 1: inleidend verzoek 1.(…) 2.Een inleidend verzoek wordt schriftelijk ingediend bij de voorzitter van de raad, uiterlijk 5 werkdagen voor de raadsvergadering waarin het ontwerp raadsbesluit wordt besproken. 3.(…) 4.(…) 5.(…) 6.De raad wijst het inleidend verzoek alleen af indien niet wordt voldaan aan het gestelde in artikel 2, tweede lid en artikel 5, eerste, tweede en derde lid. 7.Als het verzoek wordt ingewilligd, behandelt de raad het ontwerp raadsbesluit waarop het verzoek zich richt. Het ontwerp raadsbesluit zoals dat luidt na verwerking van eventuele aangenomen amendementen, wordt vervolgens aangehouden tot de eerstvolgende vergadering na de dag waarop de uitslag van het referendum wordt bekendgemaakt.
Advies van de Adviescommissie voor bezwaarschriften inzake bezwaarde 2
Kenmerk: 2023/565847 Advies van de commissie bezwaarschriften belast met de behandeling van bezwaarschriften Bezwaarde : mevrouw Datum bestreden besluit : 30 maart 2023 Datum bezwaarschrift : 21 april 2023 Inhoud bestreden besluit : Raadsbesluit van 30 maart waarbij het verzoek van de heer en om een referendum te houden over de Nota uitwerking Parkeerregulering is afgewezen. De samenstelling van de commissie is: Voorzitter : mevrouw E. Bouma Commissieleden : de heer mr. G.A.A.M. Boot mevrouw mr. E.M. van Bennekom De commissie wordt ambtelijk ondersteund door de secretaris. Secretaris : mevrouw B.C. Kanne-van Tongeren I. Aanleiding Mevrouw l (hierna bezwaarde) heeft bij brief van 21 april 2023 bezwaar gemaakt tegen het besluit van de raad (hierna verweerder) van 30 maart 2023 tot afwijzen van het verzoek tot het houden van een en de heer Referendum ingediend door de heer II. Overwegingen Op 28 juni zijn tijdens de hoorzitting en in de Raadkamer alle bezwaarschriften tegen het afwijzen van het verzoek tot het houden van een referendum (het bestreden besluit) behandelend. Bezwaarde heeft zich voorafgaande aan de hoorzitting afgemeld omdat zij niet aanwezig kon zijn en heeft nog een aanvullende reactie gestuurd. Aan bezwaarde is eveneens het verweerschrift gestuurd met de mogelijkheid daarop te reageren.
Bezwaarde heeft geen schriftelijke reactie ingediend en alleen telefonisch aangegeven dat ze ontstelt is dat ze niet als belanghebbende zou worden aangemerkt. Bezwaarde is niet een verzoeker van het referendum. Verweerder geeft aan dat het de gemeente evenmin bekend is dat zij één van degenen is die een ondersteuningsverklaring heeft getekend, die bij het verzoek is overgelegd. Verweerder geeft aan dat bezwaarde zich niet onderscheidt ten opzichte van een willekeurige andere inwoner van Haarlem wat ertoe leidt dat niet als belanghebbende kan worden aangemerkt omdat haar belang niet rechtstreeks geraakt is met het bestreden besluit. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Een louter gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is niet voldoende om belanghebbende te kunnen zijn.
Een belang dat zich onvoldoende onderscheidt van de belangen van willekeurige anderen, is geen persoonlijk belang.1 De commissie is het met verweerder eens dat bezwaarde zich niet onderscheidt ten opzichte van een willekeurige andere inwoner van Haarlem. Het is dan ook niet gebleken dat bezwaarde rechtstreeks in haar belang is geraakt met het bestreden besluit en is daarmee geen belanghebbende is in de zin 1
ECLI:NL:RVS:2022:1716
2023/565847 2 van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Gelet op voorgaande acht de commissie het bezwaar niet ontvankelijk. III. Advies De commissie adviseert: het bezwaar niet ontvankelijk te verklaren. Dit betekent dat het bezwaarschrift niet inhoudelijk wordt behandeld. Haarlem, 28 juli 2023
De voorzitter, mevrouw E. Bouma
De secretaris, mevrouw B.C. Kanne-van Tongeren
Advies van de Adviescommissie voor bezwaarschriften inzake bezwaarde 3
Kenmerk: 2023/565847 Advies van de commissie bezwaarschriften belast met de behandeling van bezwaarschriften Bezwaarde : de heer Datum bestreden besluit : 30 maart 2023 Datum bezwaarschrift : 30 maart 2023 Inhoud bestreden besluit : Het besluit van de raad van 30 maart 2023 tot afwijzen van het verzoek tot het houden van een Referendum ingediend door de heer en de heer
De samenstelling van de commissie is: Voorzitter : mevrouw E. Bouma Commissieleden : de heer mr. G.A.A.M. Boot mevrouw mr. E.M. van Bennekom De commissie wordt ambtelijk ondersteund door de secretaris Secretaris : mevrouw B.C. Kanne-van Tongeren I. Procesverloop De heer heeft bij webformulier van 30 maart 2023 een klacht ingediend tegen het niet uitschrijven van een referendum. De heer geeft aan dat de fractievoorzitters van de vijf coalitiepartijen (PvdA, GroenLinks, D66, CDA en Actiepartij) een volksraadpleging blokkeren en zich beroepen op dringende redenen in het kader van een mogelijk referendum over de invoering van betaald parkeren. De heer stelt vervolgens dat het gemeentebestuur de burger en de wet niet serieus neemt. Bij brief van 13 april heeft de raadsgriffier de heer bericht dat het webformulier met de klacht niet in behandeling wordt genomen omdat het een besluit betreft waartegen bezwaar gemaakt kan worden. Tevens wordt gesteld dat zijn bericht als bezwaarschrift in behandeling wordt genomen. II. Ontvankelijkheid Per mail van 14 april is aan de heer gestuurd dat het bezwaarschrift niet voldoet aan de wettelijke eisen en dat het schriftelijk (per brief) òf via het webformulier op de website van de gemeente Haarlem moet worden ingediend en ondertekend moet zijn (met een handtekening).
De heer is op grond van artikel 6:6, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de verzenddatum van dit bericht het verzuim te herstellen. Per e-mail van 28 april is er een herinneringsmail gestuurd. Omdat het emailadres een andere spelling bevat van de naam van bezwaarde/klager is er door de gemeente ook nog twee keer telefonisch contact opgenomen en de voicemail ingesproken. Op de e-mails en het voicemailbericht is geen reactie ontvangen. Bezwaarde heeft hiermee niet binnen de gestelde termijn het verzuim hersteld. Naar het oordeel van de commissie moet het bezwaarschrift daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Hieruit volgt dat de commissie niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de bezwaren. Horen Artikel 7:2 Awb bepaalt dat de indiener van een bezwaarschrift de gelegenheid moet krijgen om te worden gehoord. Artikel 7:3 Awb geeft aan dat van het horen kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Aangezien de commissie hiervoor heeft geoordeeld dat het bezwaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard, ziet de commissie af van het houden van een hoorzitting.
2023/565847 2 III Advies De commissie adviseert: het bezwaar niet ontvankelijk te verklaren. Dit betekent dat het bezwaarschrift niet inhoudelijk wordt behandeld. Haarlem, 28 juli 2023
De voorzitter, mevrouw E. Bouma
De secretaris, mevrouw B.C. Kanne-van Tongeren
Procesdossier I (Bezwaarden 1: heren G & K en bezwaarde 2: mevrouw M)
Gemeente Haarlem / Referendumverzoek parkeerbeleid D107885
Hoor- en adviescommissie gemeente Haarlem
Verweerschrift namens de raad van de gemeente Haarlem gemachtigde: mr. J.C. Binnerts
inzake de bezwaarschriften van: 1. wonende te Haarlem 2.
wonende te Haarlem
tegen het besluit van de raad van 30 maart 2023, waarbij het verzoek om een referendum te houden over de Nota uitwerking Parkeerregulering is afgewezen
Inhoud
Voorgeschiedenis
Referendumverzoek 2023
Bespreking bezwaargronden
Voorgeschiedenis 1. Haarlem kent al heel lang het fenomeen parkeerregulering. De reikwijdte daarvan
is in de loop der jaren uitgebreid tot steeds meer delen van de stad als gevolg van de steeds oplopende parkeerdruk.
2. Een eerdere uitbreiding – in 2017 – is zelfs al voorwerp van een referendumverzoek
geweest. Het ging toen om de nota Maatregelen Modernisering parkeren (2016/502227). O.m. voorzag die nota in beperking van het aantal vergunningen en invoering van wachtlijsten en het uitbreiden van het gebied, waar parkeerregulering kan worden ingevoerd, onderwerpen die ook nu weer aan de orde zijn (maatregelen 10 en 14).
3. Dat referendumverzoek is toen gehonoreerd, tot ongenoegen van diegene die van
dat aangescherpte beleid veel heil verwachtten. Zij zijn in rechte opgekomen tegen het besluit tot een referendum, omdat dit de gewenste maatregel zou vertragen. Dat heeft geen succes gehad (Rechtbank Noord-Holland 15 juni 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:4966).
4. Het referendum zelf werd evenmin een succes: de opkomstdrempel van 30% werd
niet gehaald; die bleef steken op 17%.
5. Op 23 september 2021 heeft de gemeenteraad de Nota Mobiliteitsbeleid 2040
vastgesteld. Die beschrijft nauwkeurig dat parkeerregulering zal worden uitgebreid naar stadsbreed en dat een vergunningenplafond daar onderdeel van zal worden.
6. Dit past in het grotere plaatje, als geschetst in de Omgevingsvisie Haarlem 2045,
door de raad vastgesteld in januari 2022.
7. Met deze nota en visie is de verdere koers al in hoge mate bepaald. Voor wat
betreft parkeren is die verder uitgewerkt in de Nota uitwerking Parkeerregulering (hierna: de Nota). Het gaat hier letterlijk om een uitwerking, dus een detaillering van de reeds eerder genomen beleidsbesluiten.
8. In dezelfde vergadering waarin het referendumverzoek is afgewezen is door de
gemeenteraad de Nota vastgesteld. Over dat laatste besluit handelt deze bezwaarprocedure niet.
2
II.
Referendumverzoek 2023
9. Het verzoek is tijdig ingediend, geldig gedaan en voorzien van de vereiste
steunbetuigingen. De Referendumcommissie heeft overeenkomstig de verordening daarover een advies gegeven. Vervolgens heeft de raad besloten het verzoek af te wijzen. Dat besluit berust op meerdere gronden, die ik hierna zal bespreken aan de hand van de bezwaarschriften.
Ontvankelijkheid 10.
is niet een verzoeker van het referendum. Voor zover de gemeente bekend is zij evenmin één van degenen die een ondersteuningsverklaring heeft getekend, die bij het verzoek is overgelegd. De vraag rijst daarom wat haar relatie is tot het besluit waarvan bezwaar. Zij onderscheidt zich in dit opzicht niet van willekeurig welke andere inwoner van Haarlem. Dat betekent dat zij niet als belanghebbende kan gelden, t.w. iemand wiens belang rechtstreeks bij dat besluit berokken is. Dat leidt ertoe dat haar bezwaar niet-ontvankelijk verklaard moet worden.
Bezwaar Artikel 2, lid 2 onder g – besluiten “over de vaststelling van gemeentelijke tarieven en belastingen” 11. Het verzoek is onder meer geweigerd op de grond dat de Nota een besluit bevat
over de vaststelling van een belasting. Het gaat hier uiteraard niet om een besluit in de zin van de Awb, dat wil zeggen een besluit met externe rechtsgevolgen, maar dat vereist artikel 2 Referendumverordeing (RV) ook niet. Ook beleidsbesluiten, die uiteindelijk moeten gaan resulteren in algemeen verbindende voorschriften of Awb-besluiten, zijn in beginsel referendabel. Het begrip besluit in artikel 2, lid 2 aanhef en onder g van de Referendumverordening moet dus breder worden gelezen dan als besluit met externe rechtsgevolgen.
12. Parkeerregulering zoals die in Haarlem plaatsvindt en die de Nota beoogt uit te
breiden is voor een belangrijk deel fiscaal beleid: het begint met het invoeren van parkeerbelasting, terwijl de betaling voor een bewonersvergunning die kan worden verkregen geldt als een wijze van voldoening van die belasting; zie artikel 2 Verordening parkeerbelasting 2023 Haarlem: Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam 'parkeerbelastingen' worden de volgende belastingen geheven: A een belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze; B een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor
3
het parkeren van een motorvoertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze. 13. In de Nota is bepaald dat dit tarief voor de tariefzones C en D nieuw wordt
vastgesteld en op welk niveau (p. 14/15 van de Nota).
14. De overweging van de referendumcommissie dat nu eenmaal elk besluit financiële
consequenties heeft, welke overweging bezwaarmakers aanhalen, gaat hier ten onrechte aan voorbij. De Nota geeft specifiek tarieven aan die voor parkeervergunningen zullen worden geheven. Dat is zonder twijfel een besluit over de vaststelling van een gemeentelijke belasting in de zin van artikel 2 van de Referendumverordening. Dat dit besluit later nog moet worden vervat in de Verordening parkeerbelasting om op die basis daadwerkelijk te kunnen heffen, doet daar niet aan af.
15. Deze bezwaargrond treft dus geen doel.
Artikel 2, lid 2, onder I - besluiten “die naar het oordeel van de raad hun grondslag vinden in een eerder genomen besluit waarover een referendum is gehouden of kon worden gehouden” 16. In het algemeen geldt dat beoordeling van beslissingen op een
referendumverzoek met terughoudendheid dient plaats te vinden, gelet op de beoordelingsvrijheid die de raad toekomt (zie bijvoorbeeld AbRS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1402). Bij de beoordeling van een besluit op de grond van het gestelde in art. 2, lid 2 onder l RV geldt dat te meer, vanwege de prominente plaats die de woorden “naar het oordeel van de raad” daarin hebben. De raad heeft zich dus bij het opstellen van de verordening op dit punt een ruime discretionaire bevoegdheid voorbehouden.
17. In de schets van de voorgeschiedenis bleek al dat sprake is van een continu beleid,
waarin uitbreiding van vergunningparkeren en beperking van het aantal vergunningen een hoofdrol spelen. Dat is niets nieuws en dus ook niet dat dit nu naar andere delen van de stad wordt uitgerold. De drie punten waar de bezwaarmakers in het kielzog van de Referendumcommissie als nieuw beleid zien, zijn dat niet : -
De eindgrenzen van parkeerregulering zijn opgeschoven. Dat is juist. Dat vindt zijn grondslag in het reeds genomen besluit om de parkeerregulering uit te breiden. En dat was al eerder genomen;
-
Het afstappen van een draagvlakmeting als de parkeerdruk meer dan 85% is, is een logische consequentie van stadsbrede invoering;
-
Het instellen van een vergunningenplafond; zie wederom de Mobiliteitsnota, waarin daartoe al besloten was. Dit vormde bovendien al een onderdeel van de Nota Modernisering parkeren, die in 2016 reeds voorwerp van een referendum is geweest (zie maatregel 14).
4
Wezenlijk nieuwe beslissingen bevat de Nota immers niet. Een vergelijking kan worden getrokken met de weigering van een referendumverzoek in Bloemendaal over een beslissing om een ontwerp-opdracht voor een nieuw raadhuis te geven, die werd genomen na een eerder besluit om een nieuw raadhuis te bouwen. Ook daarvan oordeelde de raad dat sprake was van een besluit dat zijn grondslag vond in dat eerdere besluit, dat referendabel was, zodat de opdracht en het kredietbesluit dat niet meer waren. Het feit dat het tweede besluit wel iets nieuws bracht, t.w. een aanvaarding van kostenstijging, deed daar niet aan af. Dat oordeel bleef in twee instanties overeind (AbRS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1402, m.nt. L. Hoegee in Gemeentestem). 18. Niet ter discussie staat dat de Nota Mobiliteitsbeleid zich leende voor een
referendum en dat geldt zeker ook voor de Nota Modernisering parkeren, waar een referendum over is gehouden
19. Mevrouw
merkt terecht op dat de Nota Mobiliteitsbeleid bij vaststelling is geamendeerd. Het amendement citeert zij echter niet volledig en ook de geamendeerde nota spreekt onverminderd op p. 6 en 28 klare taal over de wijze waarop parkeerregulering zal worden uitgebreid. De Nota die de raad op 30 maart jl. vaststelde, is daarmee volledig in lijn. Bovendien gaat dit argument voorbij aan het feit dat de Nota Mobiliteit mét de oorspronkelijke tekst als ontwerp-besluit voorlag, toen daarover een referendum gevraagd had kunnen worden; dat is echter niet gebeurd.
20. Kortom: ook het oordeel van de raad dat de weigeringsgrond van artikel 2, lid 2
onder i RV aan de orde is, is begrijpelijk en juist.
Artikel 2, lid 2, onder h - besluiten “ter uitvoering van een besluit van een hoger bestuursorgaan of de wetgever waaromtrent de raad geen beleidsvrijheid heeft”. 21. Bezwaarmakers kan worden toegegeven dat de raad geen aandacht heeft
geschonken aan de vraag in hoeverre zij beleidsvrijheid heeft om aan de ingeroepen Verdragsverplichting te voldoen. Echter gegeven de feitelijke situatie, waarin geparkeerde auto’s een disproportioneel deel van de vrije ruimte innemen, is een beleid gericht op het terugwinnen daarvan de enige denkbare weg om de toegankelijkheid voor mindervaliden te verbeteren. Artikel 2, lid 2, onder j – besluiten “waarvan de raad van mening is dat dringende redenen aanleiding zijn om geen referendum te houden”.
22. Ook bij deze weigeringsgrond geldt dat de raad zichzelf een ruime
beoordelingsvrijheid heeft voorgehouden, hetgeen noopt tot een terughoudende beoordeling. Het bezwaar van de e.a. komt er niet zozeer op neer dat de kwestie een dringend karakter zou ontberen, maar dat de wijzigingen dan maar eerder voorgesteld hadden moeten worden. Het bezwaar miskent dat er tussentijds raadsverkiezingen zijn geweest en dat wat er zij van de voorgeschiedenis, het argument niet afdoet aan het oordeel dat de zaak in elk geval nu een dringend karakter heeft gekregen. En dan met name voor de door de raad genoemde inwonersgroepen.
5
23. Het is juist dat parkeerregulering in de eerste helft van 2024 niet in alle wijken
tegelijk wordt ingevoerd. Maar dat doet niet af aan het feit dat verder uitstel van de start van de implementatie - uitstel dat het gevolg van het honoreren van het referendumverzoek zou zijn geweest - alle betrokken wijken zou hebben geraakt. Bezwaarmakers hebben een andere mening over de noodzaak van de parkeerregulering dan de raad en de urgentie ervan . Dat mag uiteraard maar dat neemt niet weg dat het bij toepassing van deze weigeringsgrond gaat om de mening van de raad inzake de urgentie om maatregelen te nemen ter bevordering van de leefbaarheid.
24. Voor de toepassing van vergelijkbare weigeringsgronden in
referendumverordeningen in andere gemeenten wijs ik onder meer op de uitspraken van de rechtbank Leeuwarden van 26 april 2001, ECLI:NL:RBLEE:2001:AB1341 en de rechtbank Zwolle van 13 februari 2004, ECLI:NL:RBZWO:2004:AO4339, bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 januari 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AS2168, waarin steeds erkend wordt dat de raad grote beoordelingsvrijheid heeft in deze.
Advocaat/gemachtigde
Deze zaak wordt behandeld door: mr. J.C. Binnerts BARnummer: A6276 Pot Jonker Advocaten N.V. Postbus 280 2000 AG Haarlem T: 023-5530230 E: binnerts@potjonker.nl
6
Bezwaardossier Referendum Parkeren I. II. III. IV. V. VI. VII. VIII. IX. X. XI. XII. XIII. XIV.
Bezwaar: Kalbfleisch Advocaten namens (met bijlage VOVO) en 11 producties Bezwaar: Raadsstuk: afwijzend besluit inzake inleidend verzoek tot het houden van een referendum over de Nota Uitwerking Parkeerregulering Haarlem (gewijzigd besluit) Raadstuk: voorgesteld maar niet genomen besluit inzake inleidend verzoek tot het houden van een referendum over de Nota Uitwerking Parkeerregulering Haarlem Bijlage bij raadsbesluit: Brief van de burgemeester aan de gemeenteraad: Toetsing van de het inleidend verzoek en de steunbetuigingen Bijlage bij raadsbesluit: Advies inleidend referendumverzoek over de Nota uitwerking parkeerregulering Amendement niet honoreren van het houden van een referendum inzake de Nota Uitwerking Parkeerregulering. Motie: Trots Haarlem Het inleidend verzoek tot het houden van een referendum Beantwoording technische vragen Technische vragen referendumverzoek Toesturen formulieren steunbetuiging referendum en formulier voor inleidend verzoek Raadsstuk maatregeling modernisering parkeren Bijlage 1 Raadsstuk maatregeling modernisering parkeren (de rood gearceerde tekst betreft de verwerking van amendementen)
Digitaal beschikbare stukken: Mobiliteitsbeleid Haarlem 2040 Voor parkeerregulering zie p 6, 26, 44 en 59 https://gemeentebestuur.haarlem.nl/bestuurlijke-stukken/20210313959-4-Bijlage-3Mobiliteitsbeleid-2.pdf
Omgevingsvisie Haarlem 2045.pdf mn p 130 is relevant https://haarlem.nl/sites/default/files/2022-06/Omgevingsvisie Haarlem 2045.pdf
I