20230009349 4 Bijlage 3: Notitie regelgeving onderwijshuisvesting in Nederland en Haarlem
Tekst van het document
Notitie regelgeving onderwijshuisvesting in Nederland en Haarlem 1. Onderwijslandschap bekostigd onderwijs in Nederland en Haarlem Sinds de financiële gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs in 1917 (einde van de schoolstrijd, grondwetsartikel 23), is de rijksoverheid verantwoordelijk voor de bekostiging van zowel openbaar als bijzonder onderwijs. Openbaar onderwijs Openbaar onderwijs was het onderwijs dat van oudsher door de overheid in stand gehouden werd. Tot zo’n 15 jaar geleden vormden de meeste gemeenten het schoolbestuur van het openbaar onderwijs. Sindsdien is het openbaar onderwijs op afstand gezet door het oprichten van schoolbesturen. Voor de gemeenteraad rest een externe toezichthoudende rol met beperkte wettelijke bevoegdheden. In Haarlem wordt het openbaar onderwijs gevormd door de schoolbesturen Spaarnesant, Dunamare en Onderwijsstichting Zelfstandige Gymnasia (OSZG). Dunamare en OSZG hebben overigens naast openbare scholen ook scholen voor bijzonder onderwijs (conform artikel 53c van de wet op het Voortgezet Onderwijs, WVO). Bijzonder onderwijs Onder het bijzonder onderwijs vallen scholen die les geven vanuit een bepaalde richting, godsdienstig of levensbeschouwelijk. Van oudsher ging het om christelijk en katholiek onderwijs, maar ook andere religieuze stromingen, zoals hindoeïstisch, islamitisch en joods vallen hieronder.
Daarnaast zijn er de algemeen bijzondere scholen. Deze scholen geven les vanuit hun visie op onderwijs of opvoeding. Hieronder vallen scholen als vrije scholen, montessorischolen, daltonscholen etc. Echter, ook scholen voor openbaar en confessioneel onderwijs kunnen lesgeven vanuit een bepaald pedagogisch concept. Zowel primair als voortgezet en speciaal onderwijs kunnen openbaar of bijzonder zijn en verschillende concepten toepassen. In Haarlem is openbaar, christelijk, katholiek, islamitisch, montessori en Rudolf Steiner/vrije school basisonderwijs aanwezig. Binnen het voortgezet onderwijs is profilering van de richting minder vanzelfsprekend. In Haarlem is binnen het voortgezet onderwijs zowel openbaar als bijzonder (christelijk/katholiek) onderwijs aanwezig maar ook Rudolf Steiner/vrije schoolonderwijs. Speciaal basisonderwijs Binnen het primair onderwijs vallen ook de scholen voor speciaal basisonderwijs (sbo). Deze scholen vallen onder de schoolbesturen voor primair onderwijs, waardoor samenwerking tussen regulier basis- en speciaal basisonderwijs gerealiseerd wordt. Scholen in het sbo hebben dezelfde kerndoelen als gewone basisscholen. De leerlingen in het sbo krijgen meer tijd om die te halen en behalen over het algemeen een lager referentieniveau. Referentieniveaus omschrijven duidelijk welke vaardigheden leerlingen op bepaalde momenten moeten hebben.
De groepen in het speciaal basisonderwijs zijn kleiner en er zijn meer deskundigen die werken in multidisciplinaire teams. Leerlingen kunnen tot hun 14e jaar op een school voor speciaal basisonderwijs terecht. In Haarlem werken sbo’s samen met het speciaal onderwijs (so) omdat de doelgroepen veel kenmerken gemeenschappelijk hebben en omdat op die manier ondersteuning en expertise gebundeld en versterkt kan worden. De sbo’s in Haarlem zijn IKC Zuid Kennemerland (Focus en Satelliet/Dumont), Hildebrand en De Trapeze. Speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs Scholen voor speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs zijn er voor kinderen met lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke beperkingen en voor leerlingen die psychische problemen of gedragsproblemen hebben. Deze scholen zijn verdeeld in vier clusters: • Cluster 1: blinde, slechtziende kinderen;
Cluster 2: dove, slechthorende kinderen en kinderen met een taalspraakontwikkelingsstoornis; • Cluster 3: motorisch gehandicapte, verstandelijk gehandicapte en langdurig zieke kinderen; • Cluster 4: kinderen met psychische stoornissen en gedragsproblemen. In Haarlem zijn geen Cluster 1 scholen aanwezig, omdat dit onderwijstype zeer gespecialiseerd onderwijs betreft en de leerlingenaantallen gering zijn. Dit is interregionaal georganiseerd. Cluster 2 is met de Prof. Van Gilseschool vertegenwoordigd. Cluster 3 scholen in Haarlem zijn de Schelp, de Parel en de Van Voorthuijsen school en de Cluster 4 scholen zijn de Prof. Dr. Gunningschool (so en vso) en vso Daaf Geluk. •
Praktijkonderwijs Binnen het voortgezet onderwijs is er ook het praktijkonderwijs. Praktijkonderwijs valt binnen het reguliere onderwijs en is bedoeld voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. Onderwijs op een praktijkschool bereidt leerlingen voor op uitvoerend werk en deelname aan de maatschappij. In Haarlem zijn Oost ter Hout en De Schakel praktijkscholen. Onderwijs voor anderstaligen Tot slot zijn er nog verschillende vormen van onderwijs voor anderstaligen. Zo zijn er in Haarlem de Internationale Taalklas (ITK) en Internationale Schakelklas (ISK). In deze voorzieningen voor resp. basisschoolleeftijd en voortgezet onderwijsleeftijd wordt aan anderstalige leerlingen die onderwijs op een reguliere Nederlandstalige school willen volgen intensief taalonderwijs gegeven naast het reguliere programma en de extra ondersteuning die met name vluchtelingen hard nodig hebben. In deze voorzieningen gaat het in de eerste plaats om kinderen die van plan zijn om in Nederland te blijven. Sinds 2017 is hier een voorziening bij gekomen: The International School Haarlem (ISH). Deze school richt zich op anderstalige kinderen van internationals die maximaal drie jaar in Nederland blijven en op Nederlandse kinderen wiens ouders binnen drie jaar naar het buitenland vertrekken.
2. Wettelijke taken gemeente Sinds 1997 zijn gemeenten verantwoordelijk voor onderwijshuisvesting van rijksbekostigd primair, voortgezet en (voortgezet) speciaal onderwijs. Deze verantwoordelijkheid geldt dus niet voor MBO, HBO, universiteiten en particulier onderwijs. Voor de eerstgenoemde scholen heeft de gemeente een zorgplicht ten aanzien van de huisvesting van de scholen die zich op het grondgebied van de gemeente bevinden. De gemeente moet ervoor zorgdragen dat de scholen kunnen beschikken over voldoende capaciteit in relatie tot het leerlingenaantal. De voorzieningen moeten ‘adequaat’ zijn, oftewel ze moeten voldoen aan de geldende regelgeving. Op rijksniveau is dit geregeld in de: • Wet op het primair onderwijs (WPO), meer specifiek de artikelen 91 tot en met 112; • Wet op het voortgezet onderwijs (WVO), meer specifiek de artikelen 76a tot en met 76w; • Wet op de expertisecentra (WEC, over het speciaal onderwijs), meer specifiek de artikelen 89 tot en met 110. De schoolgebouwen moeten aan huisvestingseisen voldoen die in de Arbowet en het Bouwbesluit staan. Scholen hebben ook te maken met de eisen uit het Gebruiksbesluit (brandveiligheid) en de bouwverordening van de gemeente. In de wet is opgenomen dat de gemeente een lokale regeling vaststelt.
De lokale basis voor deze regelgeving in Haarlem is de Verordening Voorzieningen Onderwijs gemeente Haarlem 2015 (hierna: De Verordening). 2.1 Wettelijke zorgplicht gemeente: huisvesting Onder de voorzieningen in de huisvesting die de gemeente moet bekostigen (zoals beschreven in de hierboven genoemde verordening) vallen de volgende onderwerpen: a. Voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen, bestaande uit:
1. Nieuwbouw voor een school die voor het eerst door het rijk voor bekostiging in aanmerking is gebracht, of nieuwbouw om het gebouw waarin een school is gehuisvest geheel of gedeeltelijk te vervangen, al dan niet op dezelfde locatie; 2. Het uitbreiden van een gebouw waarin een school is gehuisvest; 3. Het geheel of gedeeltelijk in gebruik nemen van een bestaand gebouw voor het huisvesten van een school; 4. Het verplaatsen van een of meer bestaande tijdelijke of semi-permanente lokalen voor het huisvesten van een school; 5. Kosten van het terrein om een van de onder a sub 1° tot en met 4° omschreven voorzieningen te realiseren; 6. Inrichting met onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen en meubilair voor zover deze nog niet eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd; 7. Medegebruik in een gebouw van een ruimte voor het onderwijs, een lokaal bewegingsonderwijs, een bad voor watergewenning of bewegingstherapie, dat al bij een andere school in gebruik is. b. Herstel van constructiefouten bestaande uit schade van een gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf en uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie; c.
Herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw, onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen en meubilair die ontstaan is door bijzondere omstandigheden (zoals vandalisme, brand, storm, waterschade etc); d. Huur van een sportterrein voor een school voor voortgezet onderwijs dat geen sportveld in eigendom heeft voor het geven van bewegingsonderwijs. De Verordening kent criteria waarop aanvragen voor bovenstaande voorzieningen worden getoetst om te kunnen besluiten de aanvragen al dan niet toe te kennen. 2.2 Wettelijke zorgplicht gemeente: overige zaken Eigendom Het eigendom van schoolgebouwen is wettelijk geregeld. Uitgangspunt is dat het schoolbestuur juridisch eigenaar is van het schoolgebouw en de gemeente heeft het economisch claimrecht. Het juridisch eigendom houdt in dat het schoolbestuur eigenaar is van het terrein en de opstallen voor zolang het schoolgebouw de functie van school heeft. Gebouw en terrein zijn daarom dan ook overgedragen aan het schoolbestuur. Zodra de onderwijsfunctie komt te vervallen, komen opstallen en terrein weer terug bij de gemeente. Dat is het economisch claimrecht. De achterliggende gedachte van deze constructie is dat de gemeente de realisering van schoolgebouwen financiert. Bij terug levering van gebouw en opstallen worden afspraken gemaakt over de staat hiervan.
De gewenste staat van het gebouw is anders wanneer het gebouw een herbestemming krijgt dan wanneer het gesloopt wordt. Het economisch eigendom van de gemeente beperkt het juridisch eigendom van het schoolbestuur in die zin dat het schoolbestuur het gebouw niet mag vervreemden of zonder toestemming van de gemeente het gebouw mag bezwaren met een zakelijk recht. Bouwheerschap Het is verder gebruikelijk dat de (toekomstig) juridisch eigenaar van het schoolgebouw ook optreedt als bouwheer bij nieuwbouw of uitbreiding. De gemeente neemt als financier in de regel wel deel aan het projectteam. Het schoolbestuur kan, op haar verzoek, afzien van het bouwheerschap. Dat komt dan bij de gemeente te liggen. Na oplevering van het gebouw wordt het eigendom aan het schoolbestuur overgedragen. Overige taken Bovenstaande rolverdeling leidt tot de volgende aanvullende taken voor de gemeente op het gebied van onderwijshuisvesting: 1. De gemeente verzekert gebouw en inboedel en draagt de daarbij horende premie; 2. De gemeente is verantwoordelijk voor betaling van de OZB voor zowel het eigenaars- als
gebruikersdeel; 3. De gemeente is verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van voldoende gymaccommodatie. 2.3 Systematiek van aanvragen In de verordening is ook opgenomen op welke manier het schoolbestuur jaarlijks haar aanvragen kan indienen: 1. Ieder jaar voor een bepaalde datum mogen schoolbesturen de aanvragen indienen. Deze aanvragen moeten vallen binnen een van de categorieën die bij 2.1 onder a t/m d zijn genoemd. 2. De gemeente beoordeelt deze aanvragen op inhoudelijke gronden. Deze gronden zijn verder uitgewerkt in de Verordening. Zo wordt er bijvoorbeeld rekening gehouden met het leerlingenaantal en de prognose daarvan. De aanvragen worden inhoudelijk goedgekeurd of afgekeurd. 3. Daarnaast worden de aanvragen financieel getoetst: is er voldoende geld om alles wat inhoudelijk goedgekeurd wordt, toe te kennen? Als het antwoord nee is, dan kunnen aanvragen om financiële redenen worden afgewezen. De gemeente mag overigens niet jaar na jaar een inhoudelijk goedgekeurde aanvraag om financiële redenen blijven afwijzen. 4. Voor het einde van het jaar moet de gemeente, het college van B&W, een besluit hebben genomen op de aanvragen van dat jaar. Dat heet het Programma en overzicht. Op het programma staan de aanvragen die worden toegekend, op het overzicht de aanvragen die zijn afgewezen. In Haarlem staat dit bekend als het Jaarlijks Onderwijshuisvestingsprogramma (JOP).
Buiten de reguliere aanvraagprocedure om kunnen schoolbesturen een spoedaanvraag indienen. Dat kan alleen bij onvoorziene omstandigheden waarbij het onderwijsproces in het geding komt. Hierop moet binnen 8 weken door het college een besluit genomen worden. Het is goed om te weten dat de jaarlijkse aanvragen een wettelijke basis hebben in de WPO/WEC/WVO en de Verordening. Het Strategisch Huisvestingsplan (SHO, in de meeste gemeenten Integraal Huisvestingsplan, IHP geheten) heeft (nog) geen wettelijke basis (zie 4.1). Het op- en vaststellen van een SHO/IHP is dus geen verplichting. Het vaststellen van een JOP is wel een verplichting en moet daadwerkelijk voor het einde van ieder jaar gebeuren. 2.4 Wijzigingen sinds 1 januari 2005 en 2015 Overheveling buitenonderhoud Bij de overheveling van de rijkstaken naar de gemeente in 1997 was de gemeente ook verantwoordelijk voor het (buiten)onderhoud van schoolgebouwen. Het schoolbestuur dat een bepaalde vorm van onderhoud wenste uit te voeren, vroeg dit aan bij de gemeente. De gemeente beoordeelde deze aanvraag en kende de aanvraag al dan niet goed. Het schoolbestuur zorgde vervolgens voor uitvoering van het onderhoud. Vanaf 1 januari 2005 is de verantwoordelijkheid voor het buitenonderhoud en aanpassing overgeheveld naar de schoolbesturen voor voortgezet onderwijs. Zij worden hiervoor ook bekostigd door de rijksoverheid.
Sinds 1 januari 2015 geldt hetzelfde voor het primair en speciaal onderwijs. Beide overhevelingen gingen uit van een ‘koude overdracht’: er was geen sprake van het meegeven van geld van gemeenten aan schoolbesturen voor mogelijk achterstallig onderhoud. Sinds 2015 zijn schoolbesturen daarmee verantwoordelijk voor alle vorm van onderhoud en aanpassing aan een schoolgebouw, zowel binnenzijde (waarvoor ze al verantwoordelijk waren) als buitenzijde. Hiervan uitgezonderd zijn constructiefouten, waaronder bijvoorbeeld ook de noodzakelijke verwijdering van asbest valt. Motie van Haersma-Buma Het kabinet heeft met ingang van 2015 € 256 miljoen uit het Gemeentefonds genomen als korting op het budget onderwijshuisvesting. Aanleiding hiervoor is de veronderstelde onderbesteding van gemeenten voor onderwijshuisvesting (motie van Kamerlid Haersma-Buma). Het kabinet heeft dit geld toegevoegd aan de lumpsum van het funderend onderwijs (primair en voortgezet onderwijs).
De VNG heeft geprotesteerd tegen deze korting maar heeft daarbij niet haar gelijk gehaald. Deze korting heeft negatieve gevolgen voor de huisvestingsplannen van gemeenten. Het overgehevelde geld kan namelijk binnen de lumpsum van de schoolbesturen niet geoormerkt worden en schoolbesturen mogen, binnen de huidige wetgeving, niet investeren in nieuwbouw (het zogenaamde investeringsverbod primair onderwijs, zie 3.4). Deze overheveling betekent dus dat dit geld verloren is gegaan voor nieuwbouw van scholen in het primair onderwijs.
3. Enkele onderwerpen uitgelicht 3.1 Doordecentralisatie In de onderwijswetten is de mogelijkheid opgenomen om (een deel van) de verantwoordelijkheid voor de onderwijshuisvesting te verleggen van de gemeente naar het schoolbestuur. Dit verleggen wordt aangeduid met de term doordecentralisatie. De mogelijkheid tot doordecentralisatie is als volgt in de wet vastgelegd (Artikelen 109 WEC, 111 WPO en 76v WVO): “De gemeenteraad kan met het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school, onder door de gemeenteraad te stellen voorwaarden, overeenkomen dat de gemeenteraad aan het bevoegd gezag ten behoeve van de door het bevoegd gezag op het grondgebied van die gemeente in stand gehouden school een jaarlijks bedrag voor huisvestingskosten verschaft. De gemeenteraad neemt een besluit in overeenstemming met het bevoegd gezag”. Als gemeenteraad en bevoegd gezag overeenstemming bereiken, zijn de bepalingen uit de wet niet meer van toepassing. Het schoolbestuur neemt taken en verantwoordelijkheden van de gemeente over. In de wet zijn geen bepalingen opgenomen waaraan een doordecentralisatieovereenkomst moet voldoen. Dus over de voorwaarden en de hoogte van de vergoeding kunnen gemeente en schoolbesturen eigen afspraken maken. Het maken van (onderbouwd) onderscheid, is dus toegestaan.
Doordecentraliseren kan op vele verschillende manieren, maar het belangrijkste is dat de te kiezen manier past bij de lokale situatie. Beide partijen, zowel schoolbestuur als gemeente, moeten zich in de resultaten kunnen vinden. Je kunt ervoor kiezen onderscheid te maken tussen basisonderwijs, voortgezet onderwijs en speciaal onderwijs. Je kunt er ook voor kiezen doordecentralisatie regionaal op te pakken. Ook is het mogelijk per schoolbestuur door te decentraliseren of juist één organisatie in het leven te roepen die de doordecentralisatiemiddelen ontvangt. In Haarlem zijn de middelen voor onderwijshuisvesting in 1997, toen deze taak naar de gemeente werd gedecentraliseerd, meteen doorgedecentraliseerd naar de scholen. Het bleek voor de schoolbesturen lastig om de taak ten aanzien van voldoende huisvesting en het onderhoud ervan goed uit te voeren. Het hielp niet mee dat de Haarlemse onderwijsgebouwen relatief oud (gemiddeld zo’n 40 jaar) waren. De gemeenteraad heeft daarom in 2003 besloten de doordecentralisatie terug te draaien en weer zelf te zorgen voor voldoende en goed onderhouden schoolgebouwen. Op dit moment is doordecentralisatie geen onderwerp van gesprek tussen gemeente en schoolbesturen. 3.2 Asbest In 1993 werd het gebruik van asbest verboden. Dit betekent dat in ieder geval in schoolgebouwen die na deze datum zijn gerealiseerd geen asbest aanwezig is.
In 1999 zijn alle schoolgebouwen in Haarlem geïnventariseerd op de aanwezigheid van asbest. De aanwezigheid van asbest op zich is geen reden om de asbest te verwijderen. De noodzaak tot het verwijderen van asbest doet zich voor op het moment dat de schoolbesturen onderhoudswerkzaamheden uitvoeren of besloten wordt tot een renovatie van het schoolgebouw. De noodzaak ontstaat ook wanneer de gemeente een gebouw van voor 1993 beschikbaar stelt aan een school waarbij het gebouw geschikt gemaakt moet worden voor het onderwijs. De kosten die te maken hebben met het verwijderen van het asbest komen op dat moment volledig voor rekening van de gemeente, de aanwezigheid van asbest wordt namelijk gezien als een constructiefout. Wil het schoolbestuur het asbest als voorzorgsmaatregel verwijderen, dan komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking. Het schoolbestuur als juridisch eigenaar is verantwoordelijk voor: • Opstellen asbestinventarisatie;
• Opstellen plan van aanpak asbestverwijdering; • Uitvoeren van de asbestsanering; • Opstellen van asbestbeheersplan. De kosten voor de inventarisatie en het beheersplan zijn voor rekening van het schoolbestuur. Wie de kosten voor herstelwerkzaamheden als gevolg van het verwijderen van asbest op zich neemt, zoals het vervangen van plafonds, vensterbanken en dorpels, is punt van overleg. Formeel kan het schoolbestuur aanspraak maken op volledige bekostiging van de verwijdering en het herstel door de gemeente. Een vergoeding voor het vervangen van dergelijke zaken maakt echter ook onderdeel uit van de lumpsumbekostiging die het schoolbestuur van het rijk ontvangt. Het schoolbestuur en het college kunnen daarom ook overeenkomen dat de kosten van en gerelateerd aan de sanering volledig voor rekening van de gemeente komen en dat het bestuur een nader overeen te komen financiële bijdrage levert aan het herstel. In opdracht van VNG, PO-raad en VO-raad is een handreiking over asbest opgesteld.
3.3 Investeringsverbod In artikel 148, lid 1 van de WPO en artikel 143, lid 1 van de WEC is het volgende opgenomen: “Het bevoegd gezag wendt het totaal van de in de artikelen 129, 134 en 137 bedoelde bedragen voor de kosten voor de materiële instandhouding en de personeelskosten uitsluitend aan voor kosten voor materiële instandhouding, personeelskosten van de school of personeelskosten in verband met benoeming of tewerkstelling zonder benoeming van personeel, bedoeld in artikel 29, vijfde lid, dan wel mede voor die kosten van een van de andere scholen van dat bevoegd gezag”. Bovenstaand artikel betekent dat schoolbesturen in het primair en speciaal onderwijs het geld dat zij van het rijk ontvangen niet mogen inzetten voor andere taken dan die genoemd worden. Zij mogen dus niet investeren in het schoolgebouw. Echter, voormalig staatssecretaris Dekker heeft in de Kamer aangegeven dat “investeren” in duurzaamheid wat hem betreft mogelijk is, mits het gaat om een redelijk bedrag dat zich in redelijke termijn laat terugverdienen. Wat redelijk is, heeft hij er niet bij verteld. Deze uitspraak is door OCW niet verwerkt in de regelgeving. Het is bekend dat accountants hier verschillend mee om gaan. Sommigen kijken puur formeel naar de letter van de wet. Wat de PO-Raad betreft is dat een te enge benadering.
Tot nu toe hanteert de Inspectie een terughoudend sanctiebeleid voor dit soort initiatieven. Wanneer de gemeente middelen beschikbaar stelt, voldoende om een schoolgebouw te realiseren dat voldoet aan de eisen van het bouwbesluit, dan kan een bestuur dus wel extra investeren. Een redelijke terugverdientermijn volgens de PO-Raad is tussen de 10 en 15 jaar. Waarschijnlijk zal de accountant in dergelijke gevallen een aantekening maken bij de controle van de jaarrekening. Het is aan het bestuur om een afweging te maken. Het VO kent een dergelijk investeringsverbod niet. In de WPO is het volgende opgenomen in artikel 99, lid 3: “Het voor personeels- en exploitatiekosten betaalde bedrag wordt aangewend voor de kosten van personeel, zoals onderscheiden in de artikelen 32 en 32a, voor voorzieningen in de exploitatie. In geval van een overschot op die bedragen, kan dat overschot worden aangewend voor voorzieningen in de huisvesting”. Renovatie is op dit moment nog geen voorziening in de onderwijshuisvesting, maar dit zal binnenkort wel wettelijk geregeld gaan worden. Gemeente Haarlem loopt hierop vooruit door renovatie in het voorliggende SHO al als optie mee te nemen. Immers, er zijn veel monumentale schoolgebouwen in Haarlem die niet gesloopt kunnen worden en vervangen door nieuwbouw. Daardoor is renovatie vaak de enige optie.
In een aantal gevallen kan aan schoolbesturen wel gevraagd worden mee te financieren bij onderwijsprojecten, zoals: 1. Wanneer renovatie of vervangende nieuwbouw is gepland, kan het onderhoud daarop worden afgestemd. De middelen die niet meer besteed worden aan onderhoud, worden door het schoolbestuur gereserveerd om mee te investeren in het nieuwe of gerenoveerde gebouw. De gemeente zorgt voor de wettelijke basis, het schoolbestuur bekostigt een eventuele plus. 2. Investeringen die een duidelijk terugverdieneffect hebben. Investeringen waarvan duidelijk is dat deze zich binnen 10 – 20 jaar laten terugverdienen, kunnen voor rekening van het schoolbestuur komen omdat dit voordelen biedt in de exploitatie. In de praktijk zien we dat de eigen bijdrage bij nieuwbouw- of renovatieprojecten tot ca. 10% van het totaalbudget bedragen. Hierover zullen per project afspraken gemaakt worden met de schoolbesturen.
3.4 Medegebruik en verhuur Bij leegstand in een schoolgebouw dat in eigendom is van het schoolbestuur kan het schoolbestuur overgaan tot het in gebruik geven van lokalen. Het kan gaan om volgtijdelijke leegstand: het niet gebruiken van ruimten na lestijd, of om ruimtelijke leegstand: een overschot aan ruimten vanwege een lager leerlingenaantal dan waarop het gebouw gebaseerd is. Bij het in gebruik geven van lokalen wordt onderscheid gemaakt tussen verhuur en medegebruik. Van medegebruik is sprake als het lokaal in gebruik gegeven wordt aan een organisatie met culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Ook kan een lokaal in gebruik gegeven worden aan een andere school. Als hier niet aan voldaan is dan is sprake van verhuur. Voor medegebruik is geen toestemming nodig van het college. Wel moet de in medegebruik gegeven ruimte altijd beschikbaar zijn voor het huisvesten van een school mocht dit nodig zijn. Het huisvesten van een school gaat vóór medegebruik door een niet-school. Bij medegebruik wordt geen huurvergoeding in rekening gebracht door de gemeente. Wel kan het schoolbestuur een gebruiksvergoeding vragen als dekking van de exploitatiekosten. Voor verhuur is wel toestemming van het college nodig. Het college bekijkt daarbij of de ruimte niet nodig is voor het onderwijs.
Het college kan toestemming weigeren als het college van mening is dat de ruimte nodig is voor het huisvesten van een andere school, de ruimte gebruikt gaat worden als woon- of bedrijfsruimte of als het gebruik van de ruimte zich niet verdraagt met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school. Als er sprake is van verhuur mag het college een vergoeding vragen voor de investeringslasten. De investeringslasten hebben betrekking op de jaarlijkse lasten die het gevolg zijn van het realiseren van de voorziening. Dit wordt ook wel de kapitaallasten genoemd, bestaande uit rente en afschrijving. In Haarlem zijn al sinds 2009 afspraken gemaakt tussen gemeente, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties over het verhuren van onderwijsruimten aan laatstgenoemde partijen. Alle partijen hadden voor ogen dat door het maken van deze afspraken een meerwaarde voor iedere partij gecreëerd kon worden. Op deze manier wordt bestaande onderwijsruimte optimaal ingezet, wordt huisvesting van kinderopvangorganisaties bij scholen bevorderd en wordt samenwerking gestimuleerd. Bovendien zijn hierover goede financiële afspraken met elkaar gemaakt. Naast een gebruiksvergoeding wordt bij verhuur van een gedeelte van een schoolgebouw aan een niet-onderwijsgebruiker een huur in rekening gebracht.
Deze huurvergoeding is een vergoeding aan de gemeente als compensatie voor het financieren van de investering in de schoolgebouwen, waarvan de investeringslasten voor rekening van de gemeente komen. Door een bestaande ruimte (in een schoolgebouw) te huren kan de niet-onderwijsorganisatie afzien van het investeren in een eigen accommodatie, of het huren van een accommodatie op de vrije markt. De huurvergoeding wordt zodoende gevraagd als bijdrage in de investeringskosten van de gemeente. Omdat de huurvergoeding een compensatie is in de investeringslasten van de gemeente, moet deze huur worden doorbetaald aan de gemeente. In ruil hiervoor kan de hurende organisatie bij groei van de school niet uit het gebouw gezet worden; er worden afspraken voor 10 jaar gemaakt. Dit betekent dat de gemeente in dat geval extra ruimte moet financieren (tijdelijk of permanent). In het verleden werd deze huuropbrengst gestort in een aparte voorziening waaruit eventuele aanvullende uitbreidingen betaald moeten worden. Deze voorziening is echter opgeheven. De opbrengsten maken nu deel uit van de exploitatie. E.e.a. is vastgelegd in de Regeling medegebruik en verhuur. 3.5 Oude eigendomsscholen ‘Oude eigendomsscholen’ zijn schoolgebouwen die in het verleden niet met overheidsgelden tot stand zijn gebracht, maar met eigen middelen van het schoolbestuur.
Bij de eigendomsscholen is het schoolbestuur volledig eigenaar van het schoolgebouw. Op het moment dat het bevoegd gezag het onderwijsgebruik beëindigt, gelden de bepalingen die zijn vastgelegd in het Besluit oude eigendomsen huurscholen WPO. Dit betekent dat de gemeente geen economisch claimrecht heeft op gebouwen en gronden waarin deze scholen zijn gevestigd. Vaak zal zijn bepaald dat deze weer terugvallen aan de oorspronkelijke eigenaar, zoals een kerkbestuur. In Haarlem geldt op dit moment dat alleen van het gebouw van de Werkschuit bekend is dat dit een
eigendomsschool is. De gemeente betaalt het schoolbestuur een vergoeding voor het gebruik van dit gebouw.
4. Actualiteit 4.1 Interdepartementaal Beleidsonderzoek Onderwijshuisvesting fundering onderwijs “Een vak apart” In 2021 is in opdracht van het Rijk een beleidsonderzoek uitgevoerd naar het stelsel onderwijshuisvesting en hoe dit verbeterd zou kunnen worden. De volgende aanbevelingen worden gedaan: 1. Basis op orde: optimalisatie huidig stelsel met zes maatregelen: a. Breng de beleidsdoelstellingen en wettelijke eisen eenduidig en integraal in beeld; b. Breng het huidige schoolgebouwenbestand in kaart; c. Gebruik het IHP voor een meer total-cost-of-ownership-benadering en leg daar een minimumvariant- en proces in vast; d. Monitor en houd toezicht op de gebouwenvoorraad; e. Versterk de kennisfunctie en bied mogelijkheid tot verregaande ondersteuning f. Laat het budget meebewegen met nieuwe eisen schoolgebouwen. 2. Aanpak verouderde voorraad: stappenplan voor financiële impuls. 3. Budgetten stroomlijnen: oormerken en eenduidige verantwoordelijkheden. 4. Centrale bouwcatalogus: verstevigen kwaliteitsborging en versnellen bouw. Het Rijk is op dit moment bezig met de eerste stap (basis op orde). Het uitvoeren van de volgende stappen is nog niet in beeld. Een groot deel van de voorstellen wordt min of meer gesteund door de gemeenten, maar het belangrijkste blijft boven de markt hangen: er is behoefte aan een hogere financiering van onderwijshuisvesting door het Rijk.
De eisen op allerlei gebieden zijn enorm toegenomen, de kosten stijgen vanwege personeels- en materiaaltekorten en er is een inhaalslag nodig. Zonder toename van de rijksbekostiging is dat niet haalbaar. Het sleutelen aan het stelsel leidt alleen maar af van dit probleem. Berekend is dat er zeker ruim 20 miljard euro nodig is om de gebouwenvoorraad op peil te brengen. Ondanks een lobby vanuit VNG, VOraad en POraad is het Rijk tot op heden niet over de brug gekomen met extra middelen. 4.2 BENG, ENG en aardgasvrij Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat aanvragen van de omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). In Nederland leggen we vanaf 1 januari 2021 de energieprestatie voor bijna energieneutrale gebouwen vast aan de hand van 3 eisen: 1. De maximale energiebehoefte in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar; 2. Het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar; 3. Het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten. Aangezien nieuwbouw ook al aardgasvrij gerealiseerd moet worden, is het de vraag of BENG leidt tot een nog verdere kostenstijging van nieuwbouwprojecten. In feite worden nieuwe gebouwen al Energieneutraal (ENG) en/of Nul op de meter gerealiseerd.
Met ingang van 1 juli 2018 is het de netbeheerder verboden om gasaansluitingen te realiseren voor nieuwbouwwoningen en nieuwe bouwwerken voor kleinverbruikers met een aansluiting van minder dan 40m³ gas per uur. Het verbod geldt óók op inbreidingslocaties waar al een gasnet ligt. Het college van burgemeester en wethouders kan besluiten tot aanwijzing van het gebied als een gebied waar de aansluitplicht wel geldt. Dit kan alleen bij zwaarwegende redenen van algemeen belang, die een uitzondering strikt noodzakelijk maken. Uit bovenstaande volgt dat nieuwe schoolgebouwen niet meer op het gasnet worden aangesloten, want nieuwe schoolgebouwen moeten immers aan het Bouwbesluit voldoen. Bovenstaande geldt echter niet voor scholen die gerenoveerd of uitgebreid worden. In Haarlem is het uitgangspunt dat nieuw te bouwen scholen volledig aardgasvrij zijn. Voor te renoveren scholen is dit ook het
uitgangspunt mits dit technisch en financieel haalbaar is. In sommige gevallen is het bijvoorbeeld slimmer om voorbereid te zijn op aardgasvrij maar deze stap pas te zetten wanneer er bijvoorbeeld een warmtenet beschikbaar is. 4.3 Alternatieve financieringsbronnen Traditioneel en wettelijk gezien stelt de gemeente investeringsbedragen beschikbaar aan schoolbesturen om voorzieningen in de onderwijshuisvesting te realiseren. Deze taak ligt bij de gemeenten en kan niet op de schoolbesturen afgeschoven worden. Aangezien de investeringsbudgetten onder druk staan, kan gekeken worden of de financiering op een andere manier tot stand kan komen. Tot op heden is hier in Haarlem nog geen gebruik van gemaakt, maar andere gemeenten in het land hebben hier al wel ervaring mee opgedaan. Intern is geconcludeerd dat alternatieve financieringsvormen vooralsnog niet voldoende voordelen bieden ten opzichte van financiering door de gemeente zelf. De volgende alternatieve financieringsvormen kunnen denkbaar zijn: 1. Geld lenen 2. Geld van derden: a. Subsidies van overheden, bijvoorbeeld Schooldakrevolutie of een Revolverend fonds b. Sponsoring door bedrijven, ouders en/of leerlingen c. Crowdfunding d. Gezamenlijke projectontwikkeling en financiering met bijvoorbeeld projectontwikkelaar, woningcorporatie e. Voorfinanciering door uitvoerende partijen 3. Nieuwe contractvormen a.
Levensduurbenadering TCO b. Innovatieve aanbesteding c. Geïntegreerde contracten d. Prestatie-afspraken 4. Eigendom installaties afstaan: lease, huren, huren/kopen en outsourcen van installaties 5. Eigendom vastgoed afstaan: verkopen/ sell en lease back van vastgoed, zoals bijvoorbeeld via Bewust investeren of Stichting maatschappelijk vastgoed
5. Haarlem 5.1 Om hoeveel schoolgebouwen gaat het per schoolbestuur Schoolbestuur PO/VO/SO Aantal scholen Aantal locaties Aantal leerlingen Spaarnesant PO & SO 25 27 6.200 TWijs PO & SO 24 28 5.500 Ithaka PO 4 5 1.000 El Amal PO 1 1 375 Vereniging Haarlemse Montessorischool PO 1 2 300 Muziekinstituut St. Bavo PO 1 1 55 Dunamare VO & SO 8 9 5.200 Gymnasia VO 1 2 850 Iris VO 1 2 1.300 Mendel VO 1 1 1.850 Sancta Maria VO 1 1 1.500 St. Vrije Scholen VO NH VO 1 2 980 Aloysius Stichting SO 2 2 250 Auris SO 1 1 120 Kolom VO 1 1 130 TWijs/IRIS (ISH) IGBO/IGVO 1 3 180 Totaal 74 88 25.790 5.2 Wat is de staat van onderhoud van schoolgebouwen in Haarlem? Afgelopen jaren is er gewerkt aan een goed totaaloverzicht van de staat van de schoolgebouwen in Haarlem:
1. Energielabels: In 2019/2020 is in opdracht van afdeling Vastgoed van alle schoolgebouwen een energielabel opgesteld; 2. Technische nulmeting: Alle schoolgebouwen ouder dan tien jaar zijn onderzocht in het kader van de technische nulmeting. Op basis van deze nulmeting is zicht op de gehele portefeuille van onderwijsgebouwen ontstaan. Van daaruit is een prioritering opgesteld voor aanpassingen aan en verbeteringen van schoolgebouwen. De nulmeting geeft inzicht in: a. De huidige technische staat van het schoolgebouw aan de hand van een genormeerde methodiek (op basis van de onderdelen functionaliteit, technische kwaliteit, energie en binnenmilieu); b. De stand van zaken op portefeuilleniveau van alle Haarlemse scholen om onderlinge vergelijking mogelijk te maken; c. Waardevolle en bruikbare informatie om een zorgvuldige afweging tussen renovatie en nieuwbouw te kunnen maken; d. Inzicht bieden in de mogelijke prioritering van renovatie of vervangende nieuwbouw van schoolgebouwen op basis van een objectieve standaard. 3. Oppervlaktemeting (NEN 2580): Alle schoolgebouwen zijn ingemeten. De meting is voorzien van duidelijk onderscheid tussen verschillende gebruikers zoals onderwijs, gymnastiek, kinderopvang, tijdelijk en permanent gebruik van ruimten.