20230009349 2 Bijlage 1: Strategisch Huisvestingsplan Onderwijs (SHO) 2023 - 2038
Tekst van het document
Strategisch Huisvestingsplan Onderwijs (SHO) 2023 – 2038
6 juni 2023 Krijno van Vugt Jeugd, onderwijs en sport
Inhoudsopgave
Voorwoord
4
Samenvatting
5
1.
Inleiding
8
2.
Verantwoordelijkheidsverdeling onderwijshuisvesting
9
3.
Terugblik SHO 2018-2022, update 2018-2022 & 2019-2022
10
4.
Actuele ontwikkelingen
12
4.1 Coalitieakkoord
12
4.2 VO in Schalkwijk
12
4.3 IKC-vorming
14
4.4 Actuele wettelijke ontwikkelingen; renovatie
16
4.5 Overige ontwikkelingen
18
4.6 Duisenbergonderzoek en artikel 213a onderzoek
20
Relatie met andere vakgebieden
21
5.1
Duurzaamheid
21
5.1.1
Klimaatakkoord
21
5.1.2
Transitievisie warmte
21
5.1.3
Energie
22
5.1.4
Natuurinclusief, biodiversiteit, klimaatadaptatie
23
5.1.5
Circulariteit
23
5.1.6
Ventilatie en binnenklimaat
23
5.
5.2
Toegankelijkheid
24
5.3
Bewegingsonderwijs
25
5.4
Bredere maatschappelijke opgave
25
5.5
Omgevingsvisie
25
5.6
Financiële en ruimtelijke gevolgen Rijks- en gemeentelijk beleid
26
2
6.
Groei Haarlem; leerlingenprognoses & capaciteit
27
7.
Resultaten technische nulmeting & kwaliteitskader
33
8.
Nieuwe projecten 2023-2038 & investeringsagenda
36
9.
Risicoanalyse, voortgang en actualisatie
42
9.1
Risicoanalyse
42
9.2
Nieuwe technische nulmeting
42
9.3
Evaluatie en actualisatie
42
3
Voorwoord Voor u ligt het Strategisch Huisvestingsplan Onderwijs (SHO) 2023 - 2038. Onderwijs is essentieel om kansengelijkheid te vergroten. Goed onderwijs zorgt ervoor dat iedereen meer kansen krijgt om de eigen dromen na te jagen. Als gemeente dragen we hieraan bij met voldoende, kwalitatieve en gezonde huisvesting voor Haarlemse scholen. Dit SHO is het resultaat van een proces gericht op samenwerking tussen gemeente en schoolbesturen. Het is duidelijk dat de komende jaren veel moet gebeuren om zowel de kwaliteit als de kwantiteit van de schoolgebouwen in Haarlem op peil te brengen en te houden. Het inwoneraantal van Haarlem neemt de komende jaren toe. De schoolgebouwen moeten op tijd meegroeien. Een aantal schoolgebouwen wordt daarom de komende jaren uitgebreid. Ook werken we met de schoolbesturen in het voortgezet onderwijs aan het uitbreiden van het HAVO-aanbod in Schalkwijk. Het plan is om HAVO toe te voegen aan het Haarlem College en mogelijk kan dit in schooljaar 2024 - 2025 van start gaan. Daarnaast zijn er veel oude schoolgebouwen in Haarlem. Vaak zijn dit monumenten die niet gesloopt kunnen worden. Als alternatief voor nieuwbouw moet een groot aantal van deze scholen gerenoveerd worden om weer zoveel als mogelijk te voldoen aan de eisen van deze tijd. Voor al deze zaken zijn projecten opgenomen in dit SHO.
Bovendien zorgen deze projecten voor een flinke verduurzamingsslag. Nieuwe schoolgebouwen zijn per definitie goed geïsoleerd, wekken zonne-energie op en gaan van het gas af. En de schoolbesturen weten welke schoolgebouwen niet in het SHO zitten en waarmee zij dus de komende jaren zelf aan de slag kunnen op het gebied van duurzaamheid. Voor al deze projecten is veel geld nodig. Op dit moment is er al veel geld beschikbaar en met de vaststelling van de Kadernota 2024 kunnen we nog meer investeringen doen zodat we de komende jaren de projecten kunnen realiseren die het meeste prioriteit hebben. Het college heeft immers besloten een groot deel van de vrije investeringsruimte - € 20 miljoen van de € 30 miljoen - in te zetten voor onderwijshuisvesting. Ook blijven we ons inzetten in een lobby richting het Rijk om de bekostiging voor onderwijshuisvesting aan de gemeenten eindelijk aan te passen aan de eisen van deze tijd. Keer op keer is berekend dat er jaarlijks landelijk honderden miljoenen extra nodig zijn om de bestaande gebouwenvoorraad op peil te krijgen. De gemeente kan dit niet alleen en heeft het Rijk hierbij hard nodig. Het voorliggende SHO biedt een stevige basis om de komende jaren een aantal goede projecten uit te voeren. Hoe goed is het om over een aantal jaren te zien hoe de schoolgebouwen zijn meegegroeid met de stad.
In alle wijken van de stad staat er veel te gebeuren. Gemeente en schoolbesturen staan te trappelen om snel na het vaststellen van dit uitvoeringsplan aan de slag te gaan om kwalitatieve goede nieuwe en gezonde schoolgebouwen te realiseren voor de kinderen en jongeren van Haarlem.
Bas van Leeuwen Wethouder onderwijs
4
Samenvatting In dit Strategisch Huisvestingsplan Onderwijs 2023 – 2038 zijn de volgende onderdelen opgenomen: Terugblik SHO 2019 – 2023: Van de 15 projecten uit het SHO 2019 – 2023 zijn de resultaten als volgt: 5 projecten zijn uitgevoerd; 3 projecten zijn in uitvoering; 3 projecten zijn in voorbereiding, uitvoering in 2023 - 2026; 3 projecten zijn nog niet gestart omdat de middelen nog niet beschikbaar zijn en omdat de betreffende gebiedsontwikkeling nog niet van start is gegaan; 1 project is geschrapt. Actuele ontwikkelingen: Coalitieakkoord 2022 – 2026 Vergroenen en verduurzamen bestaande bouw; Toevoegen HAVO in Schalkwijk bij het Haarlem College; Vergroenen van schoolpleinen; IKC-Vorming Voorstel: De gemeente faciliteert IKC-vorming door te investeren in extra vierkante meters. Deze investering is budgetneutraal omdat de kapitaallasten van de investering terugkomen in de huur van deze extra ruimten. Actuele (wettelijke) ontwikkelingen Mogelijk maken van renovatie en verplichte IHP-opstelling Achterblijven rijksbekostiging VNG-norm is ca.
€ 2.840/m² bruto vloeroppervlakte (BVO) SHO Haarlem 2023: € 3.371/m² BVO Advies HEVO & Ruimte-OK: € 3.419/m² BVO, dat is inclusief een bijdrage van het schoolbestuur De VNG-normering is al jaren te laag en de lokale omstandigheden in Haarlem werken kostenverhogend Total cost of ownership Voorstel: De TCO-benadering zal een uitgangspunt worden bij de realisatie van projecten uit het SHO. Op deze manier kan beter bepaald worden welke keuzes vooraan het bouwproces gemaakt moeten worden en welke partij daarbij welke financiële bijdrage doet. Gebundelde aanbesteding/innovatiepartnerschap Risicodragend projectmanagement Voorstel: Met de schoolbesturen zal gekeken worden welk project in de eerste vierjaarsperiode van het SHO in aanmerking kan komen om ervaring op te doen met risicodragend projectmanagement. Duisenbergonderzoek en artikel 213a onderzoek Relatie met andere vakgebieden Duurzaamheid Wanneer het SHO volledig wordt uitgevoerd, zullen in de periode 2023 – 2038 via renovatie of nieuwbouw 30 locaties (bijna) aardgasvrij worden. Op dit moment zijn al 11 locaties (bijna) aardgasvrij. Voor 45 locaties geldt dat er nog geen plannen in dit SHO zijn opgenomen.
5
-
Van alle locaties hebben op dit moment 14 energielabel A, 4 energielabel B, 5 energielabel C, 8 energielabel D, 7 energielabel E, 9 energielabel F en 36 energielabel G.
Groei van de stad Basisonderwijs: Tot 2026 een toename van 400 leerlingen, tot 2030 van 1.250 en tot 2041 met 2.500 (alles t.o.v. 2022). Een toename van ca. 20%. Voortgezet onderwijs: Tot 2030 een toename van ca. 670 leerlingen op mavo/havo/vwo en een toename met ca. 250 op het vmbo en 75 op het praktijkonderwijs ten opzichte van 2022. Speciaal onderwijs: hiervoor zijn geen prognoses beschikbaar, maar verwacht mag worden een procentueel gelijke groei aan het basis- en voortgezet onderwijs, resp. 20% en 8%. Conclusies: de capaciteit in het basisonderwijs is op de meeste plaatsen voldoende. De capaciteit op met name havo onderwijs is onvoldoende. Verder is specifiek de capaciteit van de Daaf Gelukschool onvoldoende. Technische nulmeting en kwaliteitskader 4 schoolgebouwen een zeer onvoldoende totaalscore tussen 4,0 en 4,9. 36 schoolgebouwen een onvoldoende totaalscore tussen 5,0 en 5,9. 30 schoolgebouwen een voldoende totaalscore tussen 6,0 en 6,9. 14 schoolgebouwen een goede totaalscore tussen 7,0 en 7,9. 2 schoolgebouwen een uitstekende totaalscore tussen 8,0 en 8,9. Nieuwe projecten en benodigde investeringen Afspraak: dit SHO is leidend.
Dit betekent dat schoolbesturen geen aanvragen kunnen indienen bij de gemeente voor projecten die niet genoemd staan in het SHO, met uitzondering van: Aanvragen eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair; Aanvragen voor tijdelijke huisvesting die een relatie hebben met de in het SHO opgenomen projecten; Aanvragen voor vergoedingen als gevolg van schade en vandalisme; Spoedaanvragen. Beoogde projecten in de eerste vierjaarsperiode: Coornhert: vervangende nieuwbouw gebouwdeel Coornhert, levensduur verlengende renovatie VO in Schalkwijk, aanpassing Haarlem College Oost ter Hout, uitbreiding Rudolf Steiner College, uitbreiding HMS, levensduur verlengende renovatie De Globe, vervangende nieuwbouw De Kring 2, levensduur verlengende renovatie EKC Schalkwijk, vervangende nieuwbouw De Talenten, vervangende nieuwbouw incl. gymzaal Don Boscoschool, vervangende nieuwbouw Wadden Boerhaave, vervangende nieuwbouw Gymzalen Floris van Adrichemlaan Liduina Timorstraat, levensduur verlengende renovatie Vrije School Wouwermanstraat, levensduur verlengende renovatie Al Ikhlaas, uitbreiding Prof. Dr. Van Gilseschool, vervangende nieuwbouw Focus, aankoop semipermanent gebouw ITK, vervangende nieuwbouw ISK, vervangende nieuwbouw
6
Om de diverse projecten uit te voeren is reeds € 55 miljoen beschikbaar. Met de aanvullend in de Kadernota 2024 voorgestelde middelen ter hoogte van € 7,3 miljoen en € 20 miljoen, zodat in totaal circa € 82,5 miljoen beschikbaar is, kan de komende periode een forse kwaliteitsslag worden gemaakt. Met de schoolbesturen wordt overlegd over de verdere prioritering en fasering binnen de na de vaststelling van de Kadernota 2024 beschikbare middelen. De grootste knelpunten leveren uitstel van de vervangende nieuwbouw van het gebouwdeel van het Coornhert, de eerste fase van de levensduur verlengende renovatie van het Coornhert, vervangende nieuwbouw EKC Schalkwijk en renovatie De Kring op.
Risicoanalyse, voortgang, evaluatie en actualisatie Er zijn op dit moment onvoldoende middelen beschikbaar om het gehele SHO uit te voeren; Hoewel er rekening is gehouden met een zekere prijsstijging per jaar, is er op dit moment een grote mate van onzekerheid over de prijsontwikkeling de komende jaren; In 2024 wordt een nieuwe technische nulmeting uitgevoerd voor de schoolgebouwen die zijn vernieuwd sinds het opstellen van de vorige technische nulmeting; Iedere twee jaar wordt het SHO geactualiseerd. De eerste actualisatie zal eind 2024/begin 2025 plaatsvinden en daarbij zullen de jaren 2027 en 2028 concreet worden gemaakt wat betreft investeringen en de jaren 2039 en 2040 worden toegevoegd.
7
1.
Inleiding De afgelopen jaren zijn er veel projecten onderwijshuisvesting gerealiseerd. Er zijn grote projecten gerealiseerd, zoals nieuwbouw en renovatie voor het Rudolf Steiner College (€ 16 miljoen), maar ook renovaties van monumentale gebouwen zoals de Argonauten en de Cruquiusschool (totaal € 7 miljoen). Er zijn ook nieuwe gymzalen gerealiseerd bij de Phoenixstraat en IKBC Wijzer (totaal € 3,7 miljoen). Al deze projecten zijn uiteraard aardgasvrij uitgevoerd. Op het moment is nog een aantal projecten in uitvoering, zoals de renovatie van het Stedelijk Gymnasium (€ 9 miljoen), de uitbreiding van het Schoter (€ 8 miljoen) en de vernieuwbouw van de Wijde Wereld (€ 6 miljoen). Kortom, er zijn de afgelopen jaren vele nodige projecten gerealiseerd voor de scholen en de leerlingen die in Haarlem naar school gaan. In dit nieuwe SHO is voor de komende 16 jaar opgenomen welke projecten op de planning staan. Voor de periode tot en met 2027 is dit concreter uitgewerkt, waarbij er weliswaar een grote kwaliteitsslag wordt gemaakt, maar er toch ook nog steeds keuzes zullen moeten worden gemaakt. Met de extra middelen die in de Kadernota voor onderwijshuisvesting worden voorgesteld, is er naast de reeds beschikbare € 55 miljoen aanvullend nog € 22,5 miljoen opgenomen voor de vernieuwing van de onderwijshuisvesting.
Met deze forse investeringsimpuls kunnen we samen met het onderwijsveld een verdergaande kwaliteitsslag maken in de onderwijshuisvesting in Haarlem. Dit SHO is op initiatief van de gemeente en samen met de schoolbesturen tot stand gekomen. Aan de hand van de technische nulmeting, de groei van de stad, de verduurzaming en andere wensen en eisen is een inventarisatie gemaakt van de benodigde projecten voor de komende 16 jaar. Daarnaast is geïnventariseerd welke beleidsonderwerpen in dit SHO behandeld moeten worden en in hoeverre daarbij standpunten ingenomen moeten worden. Daarnaast zijn ook de ambities uit het coalitieakkoord 2022 – 2026 betrokken bij het opstellen van dit plan. Het SHO is besproken met alle schoolbesturen afzonderlijk, met de medewerkers huisvesting van ieder schoolbestuur in de werkgroep huisvesting & financiën en in het schoolbestuurlijk overleg (BOPOH/BOVOH) van 15 december 2022. De looptijd van 16 jaar van dit SHO is uniek en voor het eerst voor Haarlem. Voorheen was de looptijd van een SHO 4 jaar. Hiermee geven we meer inzicht in de noodzakelijke investeringen voor de komende jaren en lopen we bovendien vooruit op landelijke wetgeving die waarschijnlijk in 2024 ingevoerd wordt waarin een 16-jarig SHO verplicht wordt gesteld.
8
2.
Verantwoordelijkheidsverdeling onderwijshuisvesting Voor iemand die zich voor het eerst bezighoudt met onderwijshuisvesting, kan het er op lijken dat we dit in Nederland ingewikkeld hebben georganiseerd. En misschien is dat ook wel zo. De verantwoordelijkheid voor onderwijshuisvesting is verdeeld tussen Rijk, gemeenten en schoolbesturen. Het Rijk bekostigt zowel gemeente (in het gemeentefonds) als schoolbesturen (de lumpsumbekostiging) en verstrekt incidentele subsidies (zoals SUVIS). Het onderwijs is ten aanzien van de gebouwen verantwoordelijk voor het onderhoud (zowel groot als klein), aanpassingen en de exploitatie. In het kort is de gemeentelijk verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van geld voor de bouw van scholen, het uitbreiden er van en in bepaalde gevallen het renoveren van scholen. Daarnaast moet de gemeente zorgen voor het beschikbaar stellen van voldoende ruimten voor bewegingsonderwijs en betaalt de gemeente de kosten voor de 1ste inrichting van een school, de OZB en verzekering van gebouw en inventaris. De gemeente stelt samen met de schoolbesturen een Integraal of Strategisch Huisvestingsplan op waarin de plannen met de schoolgebouwen voor de komende jaren zijn opgenomen. Bovenstaande geldt overigens alleen voor het primair, voortgezet onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs.
De gemeente heeft geen rol in de huisvesting van het middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs (HBO en WO) of van particuliere scholen. Het uitgangspunt is, conform de wet, dat schoolbesturen bouwheer zijn voor hun eigen projecten. De gemeente financiert het betreffende project, al dan niet met een schoolbestuurlijke bijdrage of aanvullende subsidies. De gemeente stemt in met het voorlopig en definitief ontwerp en met de aanbesteding. Indien nodig geeft de gemeente opdracht voor het uitvoeren van een second opinion op het voorlopig of definitief ontwerp of bij de aanbesteding. Na aanbesteding wordt het krediet verstrekt aan het schoolbestuur. Dit betreft een taakstellend krediet. Overschrijdingen van dit krediet zijn niet toegestaan, tenzij deze gemeld zijn, onvermijdelijk leiden tot meerkosten en de gemeente hiermee akkoord is gegaan. Wijzigingen en tegenvallers tijdens het bouwproces moeten worden gemeld bij de gemeente. De gemeente maakt dan de afweging om extra middelen beschikbaar te stellen. Overschrijdingen die pas bij verantwoording van het project gemeld worden, komen niet in aanmerking voor vergoeding. In principe worden geen gemeentelijke procesmanagers gekoppeld aan de in dit SHO opgenomen projecten.
Wel moet op een vroeg moment in het project alle input vanuit de verschillende gemeentelijke beleidsafdelingen worden verzameld en worden meegegeven als input aan het schoolbestuur. In bijgevoegd ‘informatiedocument onderwijshuisvesting’ wordt uitgebreid ingegaan op het onderwijslandschap in Nederland en in Haarlem.
9
3.
Terugblik SHO 2018-2022, update 2018-2022 & 2019-2022 • Strategisch Huisvestingsplan Onderwijs 2018 – 2022 • Update strategisch huisvestingsplan 2018 – 2022 • Strategisch huisvestingsplan onderwijs 2019 – 2022 • Verdeling aanvullende middelen (€ 17 miljoen) onderwijshuisvesting Een belangrijke aanleiding voor het opstellen van het SHO 2018-2022 was, naast het aflopen van het oude SHO, de groei van de stad. Het was voorzien dat er tot 2030 circa 10.000 nieuwe woningen zouden bijkomen. Op basis daarvan werd in twee scenario’s berekend hoeveel extra onderwijsruimte er nodig zou zijn. Deze scenario’s gingen uit van een aanwas van 0,35 of 0,5 kind per nieuwe woning. Vervolgens werd inzichtelijk gemaakt tot hoeveel extra benodigde onderwijshuisvesting dit zou leiden en welke investering daarvoor benodigd was. Daarna werd per stadsdeel in kaart gebracht welke scholen daar aanwezig zijn en welke acties er nodig zijn. Deze plannen leidden tot een gewenste investeringsagenda van circa € 26 miljoen in de periode 2018 – 2022. Begin 2018 is de Update SHO 2018-2022 vastgesteld. In deze update werd, op basis van het scenario van 0,5 kind per woning en een investering van € 2.000/m² BVO een concreet overzicht gegeven van de benodigde projecten tot 2022 en van 2022 tot 2030.
Dat leidde tot een investeringsagenda van circa € 30 miljoen in de eerste 4 jaar en circa € 35 miljoen in de 8 jaren daarna. In 2020 is een SHO 2019-2022 vastgesteld, dat in feite een update was van het vorige SHO. Dit SHO behandelde een aantal inhoudelijke thema’s, zoals de International School Haarlem (ISH), het tiener- of juniorcollege, het realiseren van een VO-school in Schalkwijk en alternatieve financiering. Maar bovenal was deze update tot stand gekomen omdat: a. Er minder geld beschikbaar kwam dan gewenst in het SHO 2018-2022 en er dus geprioriteerd moest worden; b. De prijzen harder waren gestegen dan gedacht, waardoor voortaan van € 2.500/m² BVO uit werd gegaan en dit bedrag jaarlijks wordt geïndexeerd; c. De groei van de stad minder hard ging dan verwacht en de extra woningen bovendien tot minder extra leerlingen leidde dan gedacht. Dit alles leidde tot een nieuwe aangepaste investeringsagenda. Begin 2021 is hierop een aanvulling vastgesteld omdat er € 17 miljoen extra investeringsbudget beschikbaar kwam voor onderwijshuisvesting. Deze extra middelen zijn verdeeld over de projecten die wel in het SHO waren opgenomen, maar waarvoor nog geen middelen beschikbaar waren.
10
Onderstaande tabel geeft een overzicht van alle projecten uit de hiervoor genoemde SHO’s waarvan uitvoering beoogd was in de periode 2018 - 2022.
Onderstaande tabel geeft een overzicht van alle projecten uit de hiervoor genoemde SHO’s waarvan de uitvoering beoogd was in de periode na 2022.
De projecten die nog niet uitgevoerd zijn, maken deel uit van het voorliggende nieuwe SHO 2023 – 2038.
11
4.
Actuele ontwikkelingen 4.1 Coalitieakkoord In het coalitieakkoord 2022 – 2026 “Actie! Aan de slag voor een sociale, groene en leefbare stad” van PvdA, GroenLinks, D66, CDA en Actiepartij is het volgende opgenomen over onderwijshuisvesting: • We investeren stevig in onderwijshuisvesting. Daarbij houden we rekening met demografische ontwikkelingen. We vergroenen en verduurzamen de bestaande bouw. • Binnen vier jaar voegen we meer onderwijs op HAVO-niveau toe in Schalkwijk, bij het Haarlem College. Op langere termijn streven we naar uitbreiding van dit college met VWO-onderwijs. • We gaan door met het vergroenen van schoolpleinen. In het coalitieakkoord is voor € 10 miljoen aan extra middelen opgenomen voor onderwijshuisvesting. Dat betekent dat totaal op dit moment € 49 miljoen beschikbaar is ter besteding aan in dit SHO opgenomen projecten onderwijshuisvesting. Daarnaast is voor de realisatie van HAVO bij het Haarlem College (maximaal) € 5 miljoen opgenomen voor de verbouwing van deze school. Ook is € 1,5 miljoen opgenomen ter dekking van (eventuele) aanloopverliezen bij de start van deze nieuwe HAVO-afdeling. Bekeken zal moeten worden hoe dit juridisch verankerd kan worden, omdat het niet zonder meer is toegestaan één school een bijdrage te verlenen waarvoor geen wettelijke basis is in de onderwijswetgeving.
Een juridisch middel om dit wel te regelen is de Verordening financiële en materiele gelijkstelling. Het onderwerp vergroenen van schoolpleinen is financieel nog niet nader uitgewerkt in het coalitieakkoord en maakt geen deel uit van het SHO.
4.2 VO in Schalkwijk In opdracht van de raad is er in 2021 onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden om een school voor VO in Schalkwijk te realiseren. De resultaten van het onderzoek zijn begin 2022 met de commissie Samenleving gedeeld. De conclusies luidden als volgt: 1. Er is voldoende VO-capaciteit voor het leerlingenaantal, nu en in de toekomst. Echter, de ruimtebehoefte kruipt wel steeds dichter naar de beschikbare ruimte en bovendien is er sprake van scheefgroei in vraag en aanbod (veel vmbo-aanbod en weinig havo en vwo aanbod ten opzichte van de vraag); 2. Alle kinderen van 12 – 18 jaar kunnen binnen een afstand van 5 kilometer een school voor voortgezet onderwijs bereiken in alle schoolniveaus; 3. Op basis van een enquête uitgezet onder ouders en leerlingen in Schalkwijk gaven zij aan behoefte te hebben aan een nieuwe school voor voortgezet onderwijs met de onderwijssoorten VMBO-TL, HAVO en VWO; 4. De wetgeving ‘Meer ruimte voor nieuwe scholen’ biedt de mogelijkheid een nieuwe school te realiseren. Dit is echter een relatief lange en ook complexe procedure. Bovendien neemt het leerlingenaantal niet zodanig toe dat een volledig nieuwe brede VO-school gevuld kan worden; 5. De kosten van het bouwen van een nieuwe VO-school zijn hoog. Bovendien is een geschikte locatie nodig. Zowel financiën als locatie zijn op dit moment niet beschikbaar.
12
Uit het onderzoek blijkt dat ouders in Schalkwijk, die de enquête hebben ingevuld én een deel van de raadsleden behoefte hebben aan een school voor voortgezet onderwijs met een breed aanbod in schoolniveaus in Schalkwijk. In het onderzoek zijn drie manieren benoemd om deze school te realiseren: 1. Het stichten van een nieuwe school: dit lijkt een te complexe weg. Het traject duurt lang en de leerlingenprognose laat zien dat er onvoldoende nieuwe leerlingen komen om een volledig nieuwe school met vmbo-t, havo en vwo te stichten en levensvatbaar te exploiteren. Bovendien is dit een kostbaar traject: een locatie is nodig (en momenteel niet beschikbaar) en het vereist een investering van tenminste € 35 miljoen. Dit, terwijl er nog grote investeringen nodig zijn in de bestaande onderwijsgebouwen waarvoor dekking nog niet beschikbaar is. 2. Het verplaatsen van een bestaande school (binnen 3 kilometer). Er zijn echter binnen 10 jaar geen plannen om een bestaande school volledig te slopen en te vervangen voor nieuwbouw. Bovendien is ook deze optie een langdurig traject waarvoor net als bij de eerste optie een locatie nodig is en een vergelijkbare investering. 3. Het verbreden en/of uitbreiden van een bestaande school. Het Haarlem College in Schalkwijk biedt de mogelijkheid van verbreding. Het gebouw heeft voldoende ruimte om een aanvullend onderwijsniveau - HAVO - aan te bieden.
Dunamare, waaronder het Haarlem College valt, beschikt bovendien over de juiste licenties om het Haarlem College uit te breiden met een HAVO- en eventueel een VWO-afdeling. Om dit mogelijk te maken zijn vermoedelijk wel gebouwelijke aanpassingen nodig. De kosten hiervan komen voor rekening van de gemeente en zullen, indien hiervoor gekozen wordt, inzichtelijk gemaakt moeten worden. Ook onderwijsinhoudelijk zal dit kosten met zich meebrengen. Schoolbestuur Dunamare, maar ook de andere VO-schoolbesturen in Haarlem staan er voor open deze optie verder te onderzoeken. Daarbij dient wel opgemerkt te worden dat het uitbreiden van het Haarlem College met een HAVO- en eventueel VWO-afdeling niet zonder meer een succes zal zijn. Er zal een haalbaar en aantrekkelijk profiel moeten komen waardoor ouders uit heel Haarlem en de regio kiezen voor deze school. Er is daarom nog het nodige verkennend werk en afstemming nodig. Bovendien zal deze uitbreiding van het onderwijsaanbod gepaard moeten gaan met afspraken tussen schoolbesturen over het toelatings- en aannamebeleid. Een bijkomend voordeel is dat het toevoegen van HAVO en mogelijk VWO aan deze school de druk op de bestaande HAVO- en VWO-afdelingen in Haarlem en omgeving vermindert. Bovendien is deze optie relatief snel te realiseren, al blijft instemming van alle schoolbesturen in Haarlem en de regio hiervoor noodzakelijk.
Daarnaast biedt het Rudolf Steiner College (RSC) de mogelijkheid om het aantal plaatsen uit te breiden. Enkele jaren geleden besloot de school twee groepen meer aan te nemen dan de capaciteit toelaat. Dat betekent dat de school de komende jaren tot 1.200 – 1.400 leerlingen kan uitgroeien en daarmee aanvullende huisvesting nodig heeft. De commissie Samenleving heeft de voorkeur uitgesproken voor het verbreden van het Haarlem College én het treffen van voorbereidingen voor een nieuwe VO-school in Schalkwijk. De commissie gaf geen voorkeur aan het uitbreiden van het Rudolf Steiner College. Echter, gegeven de toename van het leerlingenaantal zal het RSC op grond van de wetgeving in beginsel in aanmerking komen voor uitbreiding. In het nieuwe coalitieakkoord is het verbreden van het Haarlem College met HAVO en mogelijk VWO als een van de speerpunten opgenomen. Voor de gebouwelijke aanpassingen is vooralsnog € 5 miljoen opgenomen in de Kadernota. Dit is een eerste inschatting waaraan nog geen begroting of plan ten grondslag ligt. Daarnaast is aangegeven dat de aanloopverliezen ingeschat worden op circa € 1,5 miljoen. Ook hier ligt nog geen begroting aan ten grondslag. Er zullen afspraken gemaakt moeten worden tussen schoolbestuur Dunamare, de gemeente en de andere schoolbesturen over de dekking van deze aanloopverliezen.
13
Dunamare heeft de eerste stappen gezet om te kunnen komen tot een HAVO-afdeling op het Haarlem College. Een van de eerste stappen is het intern met het Haarlem College bespreken van de opties en mogelijkheden en het creëren van draagvlak voor het eventueel toevoegen van nieuwe onderwijsvormen op deze school. Hieruit is een mogelijke planning voortgekomen die er als volgt uit ziet:
4.3 IKC-vorming Een integraal kindcentrum (IKC) is een middel om ervoor te zorgen dat de ontwikkeling van het kind centraal staat en niet het aanbod van een of meerdere organisaties. Een IKC is dan ook niet alleen een gebouw, maar juist ook een netwerk van samenwerkende organisaties met de school als (centrale) partner. Het gevolg is dat in het IKC wordt gewerkt met specialisten in multidisciplinaire teams. Deze ontwikkelingen hebben ook consequenties voor de huisvesting. Het IKC is in zekere zin de opvolger van de brede school. Uitgangspunt is dat er een integrale aansturing is van zowel onderwijs als andere partijen in het gebouw en dat zo mogelijk opvang en onderwijs onder één organisatie vallen. In Nederland zijn er nog weinig IKC’s die daadwerkelijk onder één organisatie vallen. Wel zijn er veel locaties, ook in Haarlem, waar scholen en opvang samenwerken. In nog meer gevallen zitten scholen en opvang weliswaar onder een dak, maar is de samenwerking nog niet optimaal benut. Gemeente Haarlem laat scholen en opvang vrij in de keuze of zij een IKC willen worden en zo ja, met welke partner en in welke mate van samenwerking. Maar de gemeente staat met het omarmen van de kansencirkel achter de beweging om een integraal aanbod voor de ontwikkeling van kinderen in één gebouw plaats te laten vinden De gemeente kan hierin faciliteren en doet dat dan ook, zoals hieronder aangegeven.
In Haarlem zijn al diverse scholen die zich een IKC noemen. Er is zelfs een IKBC: Een Integraal Kind en Buurtcentrum. Het kan gaan om een combinatie van zorg en onderwijs, maar ook om onderwijs en kinder-/peuteropvang of onderwijs en buitenschoolse activiteiten. In Haarlem zijn er ook enkele ‘zorg IKC’s’ of EKC (Educatief Kindcentrum). Dat zijn samenwerkingsverbanden tussen het speciaal basisonderwijs (SBO), speciaal onderwijs (SO) en jeugdzorgpartners. Deze samenwerkingsverbanden zijn verdeeld over de stad: • IKC Zuid Kennemerland, locatie Focus (Zuidwest). • IKC Zuid Kennemerland, locatie Schalkwijk (Dumont & Satelliet). • In ontwikkeling: IKC SBO Trapeze en Gunningschool SO (Noord). De gemeente heeft de wettelijke plicht om voldoende aanbod te realiseren van voorschoolse educatie. De gemeente subsidieert daarom organisaties c.q. locaties voor peuteropvang voor het aanbieden van voorschoolse educatie. Deze zijn veelal gehuisvest bij basisscholen die aangemerkt worden als onderwijskansenscholen. Wanneer gesproken wordt over IKC-vorming en over vormen van kinderopvang bij basisscholen, valt hieronder ook de peuteropvang voor voorschoolse educatie. Deze vorm van opvang kan op dezelfde manier gefaciliteerd worden als andere vormen van kinderopvang bij basisscholen, zoals hieronder omschreven.
14
Faciliteren gebouwen Voor de bekostiging van IKC’s bestaat geen sluitende regeling of een eenduidig wettelijk stelsel. Onderwijs, lokale overheid, kinderopvang, zorgpartijen en eventuele andere partners hebben elk de beschikking over hun eigen geldstromen en zullen tot nadere afspraken moeten komen om de onderlinge rolverdeling en financiële bijdragen vast te leggen. De gemeente faciliteert bij het realiseren van IKC’s via de al vastgestelde regeling medegebruik en verhuur en door te investeren in extra vierkante meters in schoolgebouwen. Ook is het in het verleden voorgekomen dat de gemeente een stuk grond heeft verkocht aan een kinderopvangorganisatie, maar 1 op 1 verkoop is nu niet meer toegestaan. • Voor bestaande schoolgebouwen geldt de vastgestelde nota ‘Medegebruik en verhuur van schoolgebouwen Haarlem 2020’. Hierin is bepaald dat wanneer in een bestaand schoolgebouw leegstand ontstaat, deze leegstand onder voorwaarden verhuurd mag worden aan een derde. De gemeente ontvangt hiervan huurinkomsten, gebaseerd op nieuwbouwtarief. Afgesproken is dat wanneer de school weer groeit, de hurende organisatie niet uit het schoolgebouw gezet wordt, maar dat de gemeente dan een extra lokaal aanbouwt. De opbrengsten van de huur dienen in principe als dekking voor deze kosten.
• Wanneer in een bestaand, gerenoveerd of nieuw schoolgebouw geen ruimte over is voor derden, dan is er de mogelijkheid om in bepaalde gevallen extra ruimten aan te bouwen waarvan de gemeente de investering voor haar rekening neemt. De investeringskosten komen via de huur terug waardoor dit een budgettair neutrale financiering is. De hoogte van de huur wordt bepaald aan de hand van de regels die zijn opgenomen in de nota ‘Medegebruik en verhuur van schoolgebouwen Haarlem 2020’. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij de vernieuwbouw van de Wijde Wereld. Daar worden meer ruimten dan voor de school noodzakelijk zijn gebouwd. Weliswaar loopt de gemeente een leegstandsrisico, maar voorkomen wordt dat er sprake is van een gesplitst eigendom van een schoolgebouw met als consequentie het moeten oprichten van een VVE. Hierbij moet bovendien rekening gehouden worden met het Didam-arrest. Daarin is door de Hoge Raad bepaald dat overheden onroerende zaken niet mogen aanbieden aan één partij, wanneer je kunt verwachten dat er meer gegadigden zijn. Verkoop, verhuur en erfpacht vallen hieronder (Vragen en antwoorden over het Didam-arrest | Bouwstenen).
Voorgesteld wordt om bovenstaande manieren om een IKC te faciliteren te continueren en met name de mogelijkheid om te investeren in extra vierkante meters expliciet in dit SHO op te nemen als financieringsmogelijkheid voor die scholen die bij vernieuwbouw of nieuwbouw van de school een IKC wensen te worden. Als voorwaarde wordt dan wel tussen de gemeente, het schoolbestuur, de kinderopvangorganisatie, zorgpartij of andere organisatie een (langdurige) vaststellingsovereenkomst eigendom en beheer van het kindcentrum afgesloten. In het algemeen is het uitgangspunt dat bij renovatie of nieuwbouw multifunctionaliteit een van de uitgangspunten moet zijn. Op deze manier wordt het gemakkelijker een schoolgebouw ook (na schooltijd) door andere partijen te laten gebruiken. In het vorige SHO was bij ieder nieuwbouwproject standaard een investering voor 1 of 2 groepen kinderopvang meegenomen. Dat is in deze versie van het SHO niet gedaan omdat dit een te inflexibel vast stramien is gebleken. Voorgesteld wordt om wanneer dit zich voordoet, de gemeenteraad te adviseren aanvullende middelen beschikbaar te stellen voor het realiseren van een IKC. Dit betekent wel dat een school en kinderopvangorganisatie aan het begin van het project aan de gemeente duidelijk moeten maken dat zij de wens hebben samen te werken in een IKC en in hoeverre daarvoor een extra investering nodig is.
15
4.4 Actuele wettelijke ontwikkelingen; renovatie Mogelijk maken renovatie en verplicht IHP De VNG, PO-Raad en VO-Raad hebben gezamenlijk een voorstel gemaakt om de wetgeving rond onderwijshuisvesting aan te passen. Een van de aanleidingen was dat het begrip ‘renovatie’ onduidelijkheid oproept wie hiervoor verantwoordelijk is; gemeente of schoolbestuur. De vier belangrijkste wetswijzigingen die de PO-Raad, VO-raad en VNG voorstellen, zijn: • Elke gemeente in Nederland moet voor minimaal de eerstkomende zestien jaar een plan op papier hebben ten aanzien van haar schoolgebouwen (Een IHP). Voor de eerste vier jaar is dit plan concreet en zijn er investeringskredieten aan verbonden. De volgende 12 jaar hebben het karakter van een beleidsvoornemen. De eerste vier jaar moeten binnen twee raadsperiodes vallen. Dit plan komt in de plaats van de bestaande jaarcyclus. • Renovatie die de levensduur van het gebouw met ten minste 25 jaar verlengt komt, net als nieuwbouw, onder verantwoordelijkheid van de gemeente te vallen. • Schoolbesturen stellen verplicht een meerjaren onderhoudsplan op waarin onderhoudswerkzaamheden en de te besteden middelen zijn aangegeven. • Schoolbesturen mogen zelf investeren in gebouwen. Het voorstel is om de tekst zoals opgenomen in artikel 99 lid 3 van de WVO (zie 3.4) ook in de WPO en WEC op te nemen.
Volgens het voorstel zouden schoolbesturen mogen investeren in extra kwaliteit boven de norm van het bouwbesluit, bij investeringen die leiden tot een lagere exploitatie of bij het vervroegd realiseren van een voorziening. In het voorstel is altijd sprake van een vrijwillige bijdrage, geen verplichting. Het Rijk werkt op dit moment aan de beoogde wetswijziging. Het is op dit moment nog niet bekend wanneer deze in werking treedt, mogelijk in 2024. Inmiddels is het wetsvoorstel voor consultatie opengesteld. In dit SHO is levensduurverlengende renovatie al opgenomen als mogelijkheid omdat het een vergelijkbaar en goed alternatief is voor vervangende nieuwbouw. Dit geldt zeker voor een compacte stad als Haarlem waar weinig locaties zijn voor nieuwe schoolgebouwen en de gemeentelijke zorgplicht vooral gestalte krijgt of moet krijgen door het instandhouden en de optimalisering c.q. vernieuwing van de bestaande huisvestingsportefeuille. Wij gaan dan echter uit van een levensduurverlenging van 40 jaar (i.p.v. 25 jaar) omdat het een alternatief vormt voor nieuwbouw (waarvoor ook uitgegaan wordt van een 40 jarige financieringsperiode). Het kwaliteitsniveau dat nagestreefd wordt bij levensduurverlengende renovaties is dan ook minimaal het op dat moment geldende Bouwbesluit of zoveel als financieel of technisch mogelijk.
Veel schoolgebouwen in Haarlem hebben een beschermde en/of monumentale status. De scholen in deze gebouwen hebben veelal recht op vervangende nieuwbouw, maar dat is vanwege de status niet mogelijk. En zoals hierboven al aangegeven, is er veelal ook geen alternatieve locatie om elders nieuwbouw te realiseren. Om die reden wordt levensduurverlengende renovatie als alternatief aangeboden om op die wijze te kunnen voldoen aan de wettelijke zorgplicht voor de gemeente om scholen te voorzien van vervangende nieuwbouw. Daarbij past het bij de gemeentelijke doelstelling om meer circulair en duurzaam om te gaan met bestaande bouwmaterialen. De meeste schoolgebouwen waarvoor levensduurverlengende renovatie is opgenomen in dit SHO, zijn gemeentelijke of rijksmonumenten of zogenaamde orde 2 panden. Een orde 2 pand zijn panden ouder dan vijftig jaar en die op grond van hun hoge architectonische kwaliteit, hun plaats in de stedenbouwkundige structuur en/of als toonaangevend element in de gevelwand een belangrijke bijdrage leveren aan het stadsbeeld. Voor schoolgebouwen die geen monument of orde 2 pand zijn en waarvoor levensduurverlengende renovatie in dit SHO is opgenomen, kan ook gekozen worden voor vervangende nieuwbouw.
16
Achterblijven Rijksbekostiging De meeste gemeenten maken gebruik van de modelverordening van de VNG voor onderwijshuisvesting. Haarlem heeft de VNG-verordening wel als basis genomen, maar heeft de verordening aangepast aan de lokale situatie. In de Verordening zijn normbedragen opgenomen die gehanteerd worden om te berekenen wat een schoolgebouw mag kosten. De VNG berekent als service jaarlijks voor de gemeenten wat de indexatie van die normbedragen zou moeten zijn. De laatste jaren is steeds meer duidelijk geworden dat de normbedragen achterlopen bij de werkelijke prijsontwikkeling in de bouw. Uit een analyse van het Kennisinstituut voor Bouwkostenontwikkeling BDB in 2016 blijkt dat de VNG-norm sinds 2009 achterblijft bij de feitelijke prijsontwikkeling. Per 2017 was dit verschil opgelopen tot 48 % ten opzichte van het niveau van het Bouwbesluit. Ook uit de praktijk kwamen signalen dat het normbedrag niet meer voldeed. De VNG heeft daarom voorgesteld om de normbedragen in 2019 eenmalig met 40% te verhogen. Daar bovenop kwam de ‘reguliere’ indexatie van 6,63 % op de bouwkosten. In 2021/2022 zijn de kosten bovendien nog verder gestegen als gevolg van de onderbroken ketens vanwege corona, de oorlog in Oekraïne en materiaal- en personeelsschaarste in het algemeen.
In 2021 heeft de VNG vanwege de wettelijke verplichting bij nieuwbouw uit te gaan van bijna energieneutraal (BENG) de normering verhoogd met 9,6 % naast de reguliere indexatie van 6,38 %. Voor 2022 is de index 4,92 % en voor 2023 is dat 5,49 %. De Gemeente Haarlem houdt al langere tijd rekening met hogere normbedragen. De VNG ging voor de extra verhoging uit van een totale investering van circa € 1.250/m² BVO. In Haarlem gingen we al uit van € 1.750/m² BVO. Inmiddels gaat de VNG in 2023 uit van een normbedrag van € 2.840/m² BVO voor een gemiddelde basisschool met 8 groepen en 225 leerlingen. In dit SHO wordt uitgegaan van een bedrag van € 3.371/m² BVO in 2023. Voor 2024 en 2025 gaan we vooralsnog uit van een verhoging van 3 % en de jaren daarna van het langjarig gemiddelde van 2 %. Indien nodig, worden deze normbudgetten tussentijds bijgesteld. De in Haarlem gehanteerde kosten per m² BVO liggen zodoende € 531 of 19 % boven het advies van de VNG. Bij het SHO van 2018 - 2022 was het verschil ook € 500 of 40 %. Het verschil tussen de Haarlemse kosten en het VNG-advies is dus relatief gezien teruggelopen. Ter vergelijking: in Velsen wordt voor 2023 gerekend met € 3.393/m² BVO. En het prijsniveau dat Ruimte-OK en LVO (landelijke vereniging voor onderwijshuisvestingsadviseurs) hanteren is € 3.419.
Daarvoor zou een gebouw gebouwd moeten kunnen worden dat voldoet aan zaken op het gebied van Bouwbesluit, (bijna) energieneutraliteit, duurzaamheid, frisse scholen en houdt in enige mate rekening met overige kwaliteitseisen, zoals bijvoorbeeld de buitenruimte. Ook onder meer Bouwstenen voor Sociaal onderstreept deze conclusie (Bouwkosten flink gestegen | Bouwstenen).
17
Uit bovenstaande blijkt dat het al sinds jaren nodig is in Haarlem, maar ook elders in het land, een hoger normbedrag te hanteren dan de VNG voorstelt. De vraag is dan ook of de VNG-norm te laag is of Haarlem ‘te duur’. Beide aspecten spelen mee. De praktijk heeft de laatste jaren uitgewezen dat genoemd bedrag per vierkante meter nodig is om onderwijshuisvesting te realiseren. De plannen die door de schoolbesturen worden gemaakt, worden getoetst waarbij voorlopig en definitief ontwerp en de kostenraming aan de gemeente beschikbaar worden gesteld. De conclusie daarbij is dat er geen sprake is van door schoolbesturen gekozen extra’s die het project duurder maken. Wat wel meespeelt zijn de volgende elementen: • De VNG norm is een landelijke norm, projecten in de Randstad zijn over het algemeen duurder dan in de rest van het land. • Projecten in een druk bebouwde stad als Haarlem zijn duurder dan wanneer er veel ruimte is. Zo zijn bouwplaatskosten veelal hoger. • Met name de afgelopen jaren oversteeg de vraag aan aannemers en bouwmaterialen het aanbod, wat leidde tot hogere inschrijvingen bij aanbestedingen. In die zin bepaalt de markt de prijs. • Specifiek in Haarlem zijn er beleidskeuzes die leiden tot kostenverhogingen.
Te denken valt aan: De verplichting parkeren op eigen terrein op te lossen; Ambities op het gebied van duurzaamheid, vergroenen, vernatten en circulariteit; Stedenbouwkundige visies waar een project aan moet voldoen, bijvoorbeeld vastgestelde visies voor de ontwikkelzones; Verplichtingen om bij het herinrichten van het schoolplein het schoolplein groen en blauw in te richten; De vele monumentale panden; De verordening hemelwaterafvoer waarbij eigenaren verplicht worden water op eigen terrein af te voeren. De verhoging van de normkosten is niet hand in hand gegaan met een verhoging van de maatstaven die de component onderwijshuisvesting vormen in de Algemene Uitkering van het Gemeentefonds. Ondanks een steeds luidere roep om deze maatstaven aan te passen, geeft het Rijk hieraan nog geen gehoor. Dat betekent dat de gemeenten op dit moment nog steeds, al is het geen doeluitkering, bekostigd worden op basis van de kwaliteitsnormen die in 1997 golden, terwijl de gemeenten wel wettelijk verantwoordelijk zijn voor het realiseren van voldoende en kwalitatief goede onderwijshuisvesting die voldoet aan de wetgeving. Weliswaar zijn er incidentele (Rijks)subsidies, zoals voor het verbeteren van de ventilatie en voor de verduurzaming van maatschappelijk vastgoed, maar incidentele subsidies leiden tot een hoge uitvoeringslast, versnippering en werken integraal beleid en planning tegen.
Deze subsidies zijn daarom niet kosteneffectief. Het verhogen van de bekostiging voor onderwijshuisvesting in het Gemeentefonds heeft een gunstiger resultaat.
4.5 Overige ontwikkelingen Total Cost of Ownership Total Cost of Ownership (TCO) wordt soms ook Total Cost of Usage (TCU) genoemd, omdat het over de gebruiksperiode gaat. Bij deze benadering wordt niet alleen naar de initiële investering, maar ook naar de kosten tijdens de levensduur gekeken. Denk dan aan kosten voor onderhoud, energie en schoonmaak. De praktijk leert dat het aantrekkelijk kan zijn om in een hogere kwaliteit te investeren om zo de exploitatielasten lager te houden. Dit vraagstuk speelt ook bij de ‘splitincentive’ tussen scholen en gemeenten. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de investering, maar de onderhouds- en energielasten liggen bij het schoolbestuur. Het kan relevant zijn om voorafgaand aan het maken van investeringskeuzes deze belangen bij elkaar te brengen. Dit kan 18
door te gaan rekenen vanuit de totale levensduurkosten van een project. In deze berekening worden dan zowel investering als exploitatie meegenomen. Zo kan het bijvoorbeeld aantrekkelijker zijn om te kiezen voor duurdere materialen die in de exploitatie juist goedkoper zijn. Hierdoor wordt het mogelijk voor het schoolbestuur om aan deze hogere kosten bij te dragen en kun je een kwalitatief hoogstaander resultaat bereiken. De TCO-benadering is nadrukkelijk niet bedoeld om eventuele tekorten in budgetten voor onderwijshuisvesting bij de gemeente te dekken door bijdragen van schoolbesturen. De gemeente is en blijft verantwoordelijk voor de wettelijke taken op het gebied van onderwijshuisvesting. Het is een slimme wijze bestaande geldstromen te bundelen om zo tot een beter en/of financieel voordeliger resultaat te komen. Wanneer de TCOberekening positief uitvalt, kan dit helpen bij de benodigde onderbouwing om als schoolbestuur tot een bepaald bedrag mee te investeren. De TCO- benadering is interessant voor: • Het Energie Neutraal (ENG) of Energie Leverend (Nul op de Meter) maken van een gebouw; • Het aardgasvrij maken van een gebouw; • De onderhoudswerkzaamheden van een gebouw; • Het circulair maken van een gebouw. Bovenstaande ontwikkelingen maken het steeds belangrijker om vroegtijdig rekening te houden met toekomstige kosten voor onderhoud en energie.
De keuzes die worden gemaakt aan het begin van ieder bouw- of onderhoudstraject hebben zodoende een directe impact op de exploitatiekosten. Door prijsontwikkeling van energie- en onderhoudskosten is het nooit een exacte berekening. Desondanks kan het besturen helpen meer grip te krijgen op de exploitatie- en onderhoudskosten De TCO-benadering zal een uitgangspunt worden bij de realisatie van projecten uit het SHO. Op deze manier kan beter bepaald worden welke keuzes vooraan het bouwproces gemaakt moeten worden en welke partij daarbij welke financiële bijdrage doet. Gebundelde aanbesteding/innovatiepartnerschap Gemeente Amsterdam heeft de nieuwbouw van negen scholen via een nieuwe aanbestedingsmethode, innovatiepartnerschap, aanbesteed. Deze aanbestedingsmethode geeft marktpartijen de ruimte om innovaties (door) te ontwikkelen. Beoogd wordt een duurzaam, flexibel en kwalitatief resultaat te bereiken binnen het budget. Amsterdam zag verschillende moeizame aanbestedingen (weinig interesse vanuit de markt, hoge prijzen) als aanleiding om onderzoek te doen naar een andere aanpak. Het is de bedoeling dat innovatiepartnerschap de kloof overbrugt tussen de bouwcapaciteit en de bouwopgave die er ligt. Samenwerking, schaalvergroting en innovatie in het proces en de aanbesteding moeten hier aan bijdragen.
Innovatiepartnerschap is een aanbestedingsmethode die intensieve samenwerking tussen aanbestedende en inschrijvende partijen mogelijk maakt. Deze samenwerking en het perspectief van een raamcontract voor meerdere bouwprojecten maken het voor marktpartijen mogelijk om te investeren in innovaties. De ontwikkelingen en ervaringen in Amsterdam worden gevolgd. Ook wordt gekeken of andere gemeenten ook experimenteren met vormen van gebundelde aanbesteding. Bij bewezen succes kan overwogen worden of een dergelijk traject ook voor Haarlem interessant kan zijn. Risicodragend projectmanagement Risicodragend projectmanagement is een bouwmanagementvorm waarmee opdrachtgevers financiële risico’s kunnen afdekken. Risicodragend projectmanagement geeft zekerheid op prijs, planning en kwaliteit van het project.
19
Bij risicodragend projectmanagement gaat het om een combinatie van een vaste prijs, een flexibel proces en gegarandeerd gebruikscomfort. Het uitgangspunt is de hoogste kwaliteit bereiken voor het beschikbare budget. Het totaalbudget is een gegarandeerde vaste prijs. Voor de afdekking van de risico’s wordt een vergoeding aan het projectmanagement afgedragen, die wordt gedekt uit de post onvoorzien van een project. Het project als geheel wordt dus niet duurder. De aanbestedingsrisico’s zijn dan voor het projectmanagement. Eventuele meevallers worden gedeeld tussen opdrachtgever en projectmanagement. De aanbestedingen worden samen uitgevoerd. De opdrachtgever maakt de keuze voor architect, adviseur en aannemer. Het projectmanagement bewaakt het proces zodat de planningen worden gehaald. Het projectmanagement blijft bovendien twee jaar na oplevering betrokken bij het gebouw zodat zij belang hebben bij een goede oplevering en een goed gebruik van het gebouw. Met de schoolbesturen zal gekeken worden welk project in de eerste vierjaarsperiode van het SHO in aanmerking kan komen om ervaring op te doen met risicodragend projectmanagement.
4.6 Duisenbergonderzoek en artikel 213a onderzoek In 2019 heeft de Raad besloten in eigen beheer aanvullend onderzoek te doen naar de jaarstukken en begroting met behulp van de methode Duisenberg. Een van de onderwerpen die onderzocht zijn, is onderwijshuisvesting en meer specifiek de doelstelling ‘voldoende goed onderhouden van onderwijsvoorzieningen’. Geconstateerd was dat de gestelde effecten en prestaties behaald worden maar dat het doel dat de gemeente wil behalen, onduidelijk is. De prestaties die geformuleerd zijn (start en afronden projecten) zijn nuttige indicatoren, maar vertellen niet het hele verhaal. Daarbij zijn de volgende aanbevelingen opgesteld: • Formuleer in de begroting en het jaarverslag, kort en krachtig een onderbouwde doelstelling voor het onderdeel onderwijs bij beleidsveld 1.1 en geef daarbij aan wat de prestaties zijn die daaruit volgen en wat dit mag kosten. • Neem in de begroting en het jaarverslag hyperlinks op naar het SHO en het JOP. Neem in de begroting en het jaarverslag voor dat boekjaar de staatjes op uit het JOP met daarin de projecten en (begrote en gerealiseerde) kosten. • Maak van het beleidsveld sport en onderwijs twee separate beleidsvelden in de begroting en het jaarverslag.
Het College heeft wat betreft de eerste aanbeveling aangegeven dat in de P&C-documenten wordt verwezen naar de beleidsdocumenten (zoals het SHO) waarin specifieke missie, visie en acties op doelniveau zijn benoemd. Wat betreft de tweede aanbeveling is aangegeven dat deze hyperlinks reeds zijn opgenomen en dat een bijlage bij het JOP zal worden gemaakt met een overzicht van de projecten en de stand van zaken hiervan. Voor wat betreft de derde aanbeveling heeft het College afgeraden deze splitsing aan te brengen. In 2022 is besloten een artikel 213a onderzoek uit te voeren naar onderwijshuisvesting. Een dergelijk onderzoek kijkt naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van de projecten. De precieze onderzoeksopdracht is bij het schrijven van dit SHO nog niet bekend. In 2013 is ook een dergelijk onderzoek uitgevoerd naar onderwijshuisvesting.
20
5.
Relatie met andere vakgebieden 5.1
Duurzaamheid
In alle projecten die zijn opgenomen in het SHO is duurzaamheid integraal verweven. Het is geen onderwerp meer dat ‘apart’ behandeld wordt, maar integraal deel uitmaakt van de plannen. De Haarlemse Richtlijn duurzaam bouwen is en wordt aan de schoolbesturen ter beschikking gesteld zodat al deze onderdelen betrokken kunnen worden bij de planvorming. Verder wordt in dit hoofdstuk apart in gegaan op een aantal onderwerpen op het gebied van duurzaamheid.
5.1.1 Klimaatakkoord In het Klimaatakkoord is een pakket van maatregelen en afspraken tussen bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden opgenomen om gezamenlijk de uitstoot van broeikasgassen in Nederland in 2030 ongeveer te halveren (vergeleken met 1990). Gemeente Haarlem heeft er in haar routekaart zelfs voor gekozen om in 2030 klimaatneutraal en in 2040 aardgasvrij te zijn. Door het uitvoeren van het voorliggende SHO 2023 – 2038 wordt een grote slag geslagen in het verminderen van de CO2-uitstoot en het verbruik van gas in schoolgebouwen. Het streven is om bij renovatie ieder schoolgebouw aardgasvrij te maken, of zover voorbereid op aardgasvrij dat het gebouw t.z.t. gemakkelijk afgekoppeld kan worden van het gasnet. Tegelijkertijd ligt bij de schoolbesturen de grote opgave om voor de gebouwen waarvoor geen plannen voorzien zijn in dit SHO een flinke verduurzamingsslag te maken. Het SHO geeft duidelijkheid over welke gebouwen vanuit de gemeente de komende jaren worden aangepakt. Dat betekent dat schoolbesturen voor de andere gebouwen of voor gebouwen die pas later aan de beurt komen, plannen kunnen maken. Om de verschillende lokale en landelijke duurzaamheidsdoelen te halen, zijn flinke investeringen nodig.
Een groot deel van deze investeringen komt vanuit de wetgeving voor rekening van de gemeente, mede ook omdat de gemeente Haarlem een aantal duurzaamheidsdoelen scherper heeft gesteld dan de landelijke overheid. Investeringen die echter ook meerwaarde opleveren voor de gebruikers en de samenleving als geheel. Ook schoolbesturen kunnen en moeten bijdragen aan de duurzaamheidsdoelen en doen dat ook bijvoorbeeld door te investeren in maatregelen in gebouwen die de komende jaren nog niet vernieuwd worden vanuit het SHO, maar waardoor wel sprake is van vermindering van de uitstoot van broeikasgassen.
5.1.2 Transitievisie warmte In 2021 is de transitievisie warmte van de gemeente Haarlem vastgesteld. Hierin is per wijk uiteengezet op welke wijze de gebouwen in die wijk in de toekomst verwarmd zullen worden. In de Visie op weg naar aardgasvrij wordt onder meer uiteengezet in welke stappen Haarlem naar aardgasvrij gaat en wat men in de tussentijd zelf kan doen. Er is inmiddels met een aantal schoolgebouwen ervaring opgedaan op het gebied van (bijna) aardgasvrij maken van bestaande panden, te weten: • Nieuwbouw Plein Oost (Martin Luther King/Hildebrand) • Renovatie gemeentelijk monument Argonauten • Renovatie vooroorlogse gebouw Cruquius • Nieuwbouw Rudolf Steiner College • Renovatie Rudolf Steinerschool • Aanbouw Molenwiek Dalton • Nieuwe gymzalen Phoenixstraat en IKBC Wijzer
21
Op dit moment of binnenkort worden bovendien gerealiseerd: • Renovatie rijksmonument Stedelijk Gymnasium • Vernieuwbouw de Wijde Wereld • Aanbouw Schoter • Aanbouw Zonnewijzer • Verbouwing de Zonnewijzer II t.b.v. de Verbeelding Wanneer het voorliggende SHO volledig wordt uitgevoerd, zullen in de periode 2023 – 2038 via renovatie of nieuwbouw 30 locaties (bijna) aardgasvrij worden. Bij komende actualisaties zullen hieraan vermoedelijk, met name in de latere periodes, nog projecten aan toegevoegd worden. Tegelijkertijd betekent dit ook dat voor circa 45 locaties nog geen plannen in dit SHO zijn opgenomen om deze zodanig aan te pakken dat ze aardgasvrij worden. Bij een deel van deze gebouwen zal het aardgasvrij worden op relatief eenvoudige wijze gerealiseerd kunnen worden, maar bij andere gebouwen vergt dit nog een behoorlijke investering. De ervaring heeft wel geleerd dat de renovatie van bestaande gebouwen met dit kwaliteitsniveau niet goedkoper is dan volledige sloop en nieuwbouw. Dat laatste is echter niet mogelijk bij de vele monumentale schoolgebouwen in Haarlem.
5.1.3 Energie Op dit moment is het verplicht dat nieuwe schoolgebouwen aardgasvrij gerealiseerd worden. Waar mogelijk wordt daarbij rekening gehouden met de betreffende warmtestrategie in de wijk waar de school is gelegen. Bij renovatie van scholen is er de keuze om al volledig aardgasvrij te gaan of niet. Het uitgangspunt is daarbij dat er in ieder geval zoveel als mogelijk wordt voorgesorteerd op aardgasvrij. Dat betekent dat maatregelen die eraan bijdragen dat het energieverbruik verlaagd wordt en het gebouw op lage temperatuur verwarmd kan worden, worden uitgevoerd. Of de stap naar volledig aardgasvrij gemaakt kan worden, hangt af van het gebouw en van de locatie ervan. In sommige gevallen zal het goed te realiseren zijn maar in andere gevallen kan het wellicht slimmer zijn om er mee te wachten. Per project zal dat uitgewerkt worden. De duurzaamste energie, buiten de energie die je niet nodig hebt door bijvoorbeeld goede isolatie, is zelf opgewekte energie. Bij veel bestaande panden maar zeker bij vernieuwbouw worden de mogelijkheden tot het plaatsen van zonnepanelen onderzocht en waar mogelijk toegepast. Het Activiteitenbesluit milieubeheer verplicht bedrijven en instellingen (Wet milieubeheerinrichtingen) om energie te besparen. Per 1 juli 2019 is deze regelgeving veranderd. Naast de bestaande energiebesparingsplicht is er nu ook een informatieplicht energiebesparing.
Deze geldt voor Wet milieubeheer-inrichtingen die per jaar vanaf 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m³ aardgas of een equivalent daarvan verbruiken. Deze regeling geldt ook voor onderwijsgebouwen met genoemd energieverbruik. Energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van 5 jaar of minder moeten door de schoolbesturen genomen worden. Er is een maatregelenlijst voor onderwijsinstellingen opgesteld. Het ene schoolbestuur zal in staat zijn uit eigen middelen de maatregelen te bekostigen terwijl dit voor andere schoolbesturen een uitdaging zal zijn. Op dit moment geldt dat nieuwbouw moet voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Een volgende stap, maar nog niet wettelijk verplicht, is energieneutraal bouwen (ENG). In de praktijk wordt gekeken in hoeverre nieuwbouwprojecten alleen aan BENG voldoen of dat er ook ruimte is om nu al aan ENG te voldoen.
22
In 2019/2022 hebben alle schoolgebouwen een energielabel gekregen. De resultaten hiervan zijn als volgt.
De gemeente zal in gesprek gaan met de schoolbesturen met gebouwen die F of G scoren en niet de komende 4 jaar in het SHO zijn opgenomen om (bindende) afspraken te maken over het verbeteren van het energielabel van het pand. Immers, energiebesparende investeringen die zich binnen een redelijke termijn laten terugverdienen, moeten op korte termijn uitgevoerd worden door de schoolbesturen. Het terugdringen van het energieverbruik van schoolgebouwen past bij de landelijke en lokale duurzaamheidsdoelen.
5.1.4 Natuurinclusief, biodiversiteit, klimaatadaptatie Bij de realisatie van vernieuwbouw en bij de huidige schoolpleinen die openbaar toegankelijk zijn, kan meer geanticipeerd worden op vergroening, ecologie en klimaatadaptatie. Het vergroenen van het schoolplein kan bijdragen aan het realiseren van verschillende beleidsdoelen. Een groen schoolplein zorgt ervoor dat kinderen langer en creatiever spelen, beter samenwerken en minder pestgedrag vertonen. Ook komen ze meer tot rust en worden ze meer uitgedaagd om te ontdekken. Na het spelen hebben ze een hogere concentratie, voelen ze zich beter en werken ze beter samen. Voor de maatschappij betekent dit een gezonde generatie, leefbare buurt en meer biodiversiteit. Groen op een schoolplein, dak en gevels helpen ook tegen hittestress en is goed voor waterafvoer bij extreme buien. Tevens zorgt ook het plaatsen van verblijfruimtes of nestelstenen in gevels en daken, voor soorten als de huismus, gierzwaluw en vleermuis, voor biodiversiteit. Echter, de bekostiging van zowel Rijk als gemeente voor nieuwbouw en renovatieprojecten voorziet niet in maatregelen op dat gebied. Dat betekent dat schoolbesturen veelal afhankelijk zijn van subsidies en andere (eenmalige) bijdragen om bijvoorbeeld het schoolplein anders in te richten dan de standaard tegels en speeltoestellen.
Het vergroenen van speelpleinen maakt deel uit van het nieuwe speelplan dat in 2023 wordt opgesteld. 5.1.5 Circulariteit De doelstelling is dat Haarlem per 2040 circulair is. De gemeente geeft zelf het goede voorbeeld door circulair in te kopen en door in ontwikkelzones te experimenteren met circulaire economie. Gebouwen zijn bij uitstek objecten waar winst is te behalen. Op twee manieren kan circulair gebouwd worden. Ten eerste door de toepassing van gebruikte materialen in nieuwe gebouwen en ten tweede door bij het ontwerp van nieuwbouw rekening te houden met hergebruik van het gebouw en diens materialen. Ook schoolbesturen moeten voor nieuwbouw en renovatie tot duurzame toekomstbestendige schoolgebouwen kunnen komen. Dit begint met het opstellen van een goed programma van eisen door de gemeente en het schoolbestuur. Tot nu toe is als eerste het circulair bouwen gelukt bij de vernieuwbouw van de Wijde Wereld en bij toekomstige bouwprojecten zal hier ook aandacht voor zijn. 5.1.6 Ventilatie en binnenklimaat Hoewel ventilatie en binnenklimaat niet zozeer betrekking hebben op duurzaamheid, is het wel een belangrijk actueel thema. Gebleken is dat in niet alle schoolgebouwen de ventilatie voldoet aan de wettelijke eisen. Wanneer voor rekening van de gemeente een schoolgebouw gerenoveerd wordt of wordt nieuw gebouwd, wordt meteen een eventuele slechte ventilatie meegenomen.
Echter, 23
wanneer een dergelijk project niet in de planning staat, is het verbeteren van de ventilatie een verantwoordelijkheid van het schoolbestuur. We zien dan ook dat een groot aantal schoolbesturen dit heeft opgepakt en de komende jaren werkt aan de verbetering van de ventilatie. Om de ventilatie van schoolgebouwen op korte termijn te verbeteren, heeft het Rijk een subsidie beschikbaar gesteld: SUVIS. Het Rijk betaalt hiermee maximaal 30 % van de kosten voor het verbeteren van de ventilatie. In de praktijk betekent dit overigens, door de opbouw van de subsidieregeling en de gestegen marktprijzen, een veel lager percentage dat gedekt wordt door het Rijk. De overige 70% wordt geacht door de schoolbesturen en gemeenten bijgedragen te worden. Echter, de gemeenten zijn niet verantwoordelijk voor aanpassingen van schoolgebouwen. Die verantwoordelijkheid ligt bij de schoolbesturen. Ook schoolbesturen worden niet voldoende gefinancierd door het Rijk voor het doen van dergelijke grote investeringen. Inmiddels heeft het Rijk een aanvullende vangnetregeling gepubliceerd waarbij maximaal 60 % van de kosten gesubsidieerd worden. Schoolbesturen kunnen deze vangnetsubsidie direct bij het Rijk aanvragen zonder tussenkomst van de gemeente. Het verbeteren van duurzaamheid en het binnenklimaat wordt vaak in verband gebracht met een terugverdieneffect.