CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

20220841684 2. Bijlage A Woonwensenonderzoek "Wonen in de Metropoolregio 2021" (WiMRA 2021)

commissie Ontwikkeling 1 september 2022, gemeente HaarlemBij agendapunt: Woonwensenonderzoek (FR)36.158 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Figuur 6.5 Gewenst woonsegment per gewenste deelregio, doorstromers MRA, 2017-2021 (%) binnen Metropoolregio Amsterdam 2017 2019 2021

33 32 30

Zaanstreek-Waterland 2017 2019 2021

33 37 34

6 3 14 9 2 15 7 3 9

31 32 29

5 1 9 6 1

Gooi en Vechtstreek 2017 2019 2021

28 27 22

7 2 8 2 7 2 9

Amstelland-Meerlanden 2017 2019 2021

27 27 24

9

Zuid-Kennemerland/IJmond 2017 2019 2021

29 25 24

5 2 15 7 1 17 6 2 9

18 18 15

geen voorkeur 2017 2019 2021

middeldure huur (€752-€1053)

dure huur (meer dan €1053)

11

2

19 13 17

1

4

29

0

8

4 3 6 2 5 3 13

25 26 19

0

sociale huur (tot en met €752)

7

38 35 34

buiten de MRA 2017 2019 2021

13

6 9

5

20 21

4 3

betaalbare koop, tot €296.000

27 25 20

24

28 25

7

11 12

28

21

24 23

19

24 19 24 23

29

37

22 21

27 24 25 22 29

26

dure koop 1 , €296.000 €438.000

10 8

25 26

34

60

12 13

28

20 19

28 29 27

27 24

27

18

21 20

29

36

25 27

24

28

40

24

27

14

10

4 3 16 5 1 19 6 2 15

20

22

6 1 21 7 0 19 6 1 13

Almere/Lelystad 2017 2019 2021

Amsterdam 2017 2019 2021

23 22

80

%

100

dure koop 2, hoger dan €438.000 bron: WiMRA 2021

6.3 Benodigde hypotheek verschilt sterk tussen starters en doorstromers In WiMRA 2021 is voor het eerst gekeken naar de mate waarin verhuisgeneigden die willen kopen hypothecaire financiering nodig hebben (zie figuur 6.6a en 6.6b). Iets minder dan de helft (46%) van de verhuisgeneigden (zeker/misschien) die een koopwoning willen, moet nagenoeg het gehele bedrag financieren met een hypotheek (75% - 125% van het aankoopbedrag). Vijftien procent heeft nauwelijks hypothecaire financiering nodig (< 25% van het aankoopbedrag), zeventien procent iets meer (25% - 50% van het aankoopbedrag) en 23% heeft 50-75% van het aankoopbedrag nodig aan hypotheek. De benodigde hypotheek verschilt sterk tussen kopers en huurders. Verhuisgeneigden die al een koopwoning hebben en dus doorstromen binnen de koopsector, hoeven slechts in 24% van de gevallen een nagenoeg volledige hypotheek af te sluiten voor de woning die ze beogen (75% 125%). Bij huurders ligt dit op 81%. Deze koopstarters (huishoudens die willen kopen maar nu nog huren of thuiswonen) zijn meer gericht op de goedkopere woningen. Voor de goedkopere woningen is daarom relatief meer hypothecaire financiering nodig dan voor de duurdere woningen. Zo heeft 68% van de huishoudens die een woning zoeken tot €296.000 een nagenoeg volledige hypotheek nodig.

De jongste huishoudens (< 35 jaar, zonder kinderen) hebben het vaakst een (nagenoeg) volledige hypotheek nodig, al is er wel een groot verschil tussen huurders en woningeigenaren (85% versus 89

51%). Oudere huishouden (55-plus, zonder kinderen) hebben het minst vaak minstens 75% hypothecaire dekking nodig, dit geldt zowel voor huurders als voor kopers (35% en 6%). Huishoudens die in Amsterdam een woning willen kopen, hebben het vaakst minstens 75% hypothecaire financiering nodig (56%), gevolgd door huishoudens die in Almere/Lelystad willen kopen (53%). Huishoudens die in Amstelland-Meerlanden of in Gooi en Vechtstreek willen kopen, hebben het minst vaak nagenoeg volledige hypothecaire dekking nodig (42%). Kader 6 gaat in op de vraag in hoeverre woonwensen van verhuisgeneigde huishoudens aansluiten bij hun inkomen. Figuur 6.6a Benodigde hypotheek als aandeel van de gewenste aankoopprijs, per gewenst segment naar kopers en huurders, 2021 (%) vanuit koop - gewenste koopprijs tot €296.000 €296.000 - €438.000 €438.000 en meer totaal

17

24 25 20 22

20 25 32 29

27 25

vanuit huur - gewenste koopprijs tot €296.000 3 2 9 €296.000 - €438.000 2 3 13 €438.000 en meer 4 7 14 totaal 3 4 12 totaal -

gewenste koopprijs tot €296.000 €296.000 - €438.000 €438.000 en meer totaal

11 14 16 15

34

25

77 76

9 7 74

2

75

8

6

13 15

60 20

22 17

0

5 3 1 2

22 20 22

20

46 27

34

23

42

40

60

8 4 1 3 %

80

100

Figuur 6.6b Benodigde hypotheek als aandeel van de gewenste aankoopprijs, per huishoudenstype, naar kopers en huurders, 2021 (%) vanuit koop- hh zonder kinderen <35 jaar 3 11 gezinnen 16 hh zonder kinderen 35-55 jaar 10 hh zonder kinderen >55 jaar

35 26 53

0

minder dan 25%

25% - 50%

28 82 70 74 26

27

17

2 2 3

22 27 13

34

26

vanuit huur- hh zonder kinderen <35 jaar 2 2 11 gezinnen 3 4 13 hh zonder kinderen 35-55 jaar 4 5 11 hh zonder kinderen >55 jaar 12 totaal- hh zonder kinderen <35 jaar 2 5 gezinnen 13 hh zonder kinderen 35-55 jaar 7 hh zonder kinderen >55 jaar

49 34

6 3 10 7

35 73

21 18

29 25

49 20

50% - 75%

46 28

40

3 4 4

34

60

75% - 100%

14

%

9

80

100

100% - 125% bron: WiMRA 2021

90

Kader 6: Hoe realistisch zijn woonwensen? Zoeken verhuisgeneigde doorstromers een woning die bij hun budget past, of hebben zij wat dit betreft onrealistische woonwensen? Hoe hoger het inkomen, hoe vaker men in de duurdere segmenten zoekt en hoe lager het inkomen hoe vaker men in de betaalbare segmenten zoekt. In figuur 6.7 is per inkomensgroep weergegeven welk deel van de verhuisgeneigde huishoudens een woning zoekt in het woonsegment dat bij hun inkomen past. Dit aandeel is voor elke inkomensgroep groen omkaderd. De groep met een inkomen tussen de huurtoeslaggrens en de grens voor sociale huur (€40.024) en de groep met een inkomen tussen €40.024 en €44.635 hebben beperkt toegang tot sociale huurwoningen. Het woonsegment dat het best bij hun inkomen past is geel omkaderd. Voor deze groep huishoudens is een huur tot €752 een realistische woonwens. Een deel van de verhuisgeneigden heeft echter woonwensen die niet aansluiten bij hun inkomen. In figuur 9.7 is zichtbaar dat een deel van de huishoudens met een inkomen boven de €44.635 toch op zoek is naar een sociale huurwoning. Het kan zijn dat de onrealistische woonwens wordt veroorzaakt door onzekerheid over het inkomen bijvoorbeeld door flexcontracten, zzp-schap, of naderend pensioen. Deze groep komt vaak niet in aanmerking voor een hypotheek en is daarom op het huursegment aangewezen.

Ook onzekerheid over het inkomen door de coronapandemie kan hier een rol spelen. Woningen in het dure huur- en dure koopsegment vereisen een huishoudensinkomen dat meer dan 1,5x modaal is (€60.036). Een deel van de verhuisgeneigden met een inkomen onder deze grens, geeft toch aan op zoek te zijn naar een dergelijke woning. Op het eerste gezicht lijken deze verhuisgeneigden een woning boven hun budget te wensen. Mogelijk hebben deze huishoudens echter vanwege vermogen, overwaarde of omdat ze gaan samenwonen, wel toereikende financiële ruimte om een duurdere woning te bekostigen. Figuur 6.7 Huidig inkomen verhuisgeneigde doorstromers en gewenst woonsegment, MRA, 2021 (%) lage inkomens tot huurtoeslaggrens

49

inkomens van huurtoeslaggrens tot €40.024

18

laagste middeninkomens (€40.024- €44.635)

9

lagere middeninkomens (€44.635- €50.030)

8

middeninkomens (€50.030-1,5x modaal)

6

hogere middeninkomens (1,5x modaal-2x modaal)

0

huur €679€752, koop tot €188.000

koop €188.000€209.000

14

4

10

2

2

10

8

3 5 2 5

hogere inkomens (vanaf 2x modaal) 1112 3

huur tot hoge aftoppingsgrens (€679)

17

5 10

10

12

22

2 5

13

25

16

13

15 17 26

36 43

34 70

40

huur €940€1053, koop tot €296.000

5 10

37

23

huur €752€940, koop tot €237.000

10

33

16

9

20

5

60

%

80

huur €1053€1400, koop tot €438.000

100

huur meer dan €1400, koop meer dan €438.000

bron: WiMRA 2021

91

Voorkeur voor meergezins-, eengezinswoningen of beide woningtypen onveranderd Verhuisgeneigden die binnen de MRA willen verhuizen, hebben de meeste interesse in meergezinswoningen (44%). Rond drie op de tien geven de voorkeur aan een eengezinswoning en 26% oriënteert zich op zowel eengezins-als meergezinswoningen. Deze voorkeursverdeling is vergelijkbaar met die in 2019. Verhuisgeneigden die zich enkel oriënteren op meergezinswoningen geven vooral de voorkeur aan een appartement met lift of, in minder mate, een seniorenwoning. De verhuisgeneigde huishoudens die zich zowel op eengezins- als meergezinwoningen richten, geven vooral de voorkeur aan een benedenwoningen of een appartement met lift. Huishoudens die in Amstelland-Meerlanden of Amsterdam willen wonen, zijn vaker op zoek naar meergezinswoningen dan eengezinswoningen. Binnen de huishoudenstypen zijn er echter nog wel verschillen. Gezinnen en jonge stellen zonder kinderen die in Amstelland-Meerlanden willen wonen, zoeken juist vooral een eengezinswoning. Gezinnen die in Amsterdam een woning zoeken, zoeken net wat vaker een eengezinswoning dan een meergezinswoning. De verhuisgeneigde huishoudens die in een van de andere regio’s willen wonen, richten zich in het algemeen vaker op eengezinswoningen. Figuur 6.8 Gewenst woningtype van huishoudens per gewenste deelregio, MRA, 2021 (%) binnen Metropoolregio Amsterdam

44

31

Zaanstreek-Waterland

26 41

42

Almere/Lelystad

48

Gooi en Vechtstreek

31

48

Amstelland-Meerlanden

40

Amsterdam

15

21

36

24 32

54

23

44

0

18

42

52

buiten de MRA geen voorkeur

21

34

37

Zuid-Kennemerland/IJmond

17

20

eengezinswoning

23

33

40

60

meergezinswoning

23

80

%

100

eengezins- of meergezinswoning bron: WiMRA 2021

Circa de helft woningzoekenden middeldure huur, zoekt een woning van minstens 80 m2 Onder de zelfstandig wonende huishoudens die binnen de MRA willen verhuizen is men op zoek naar verscheidene woninggroottes. De gewenste woninggrootte verschilt al naar gelang gewenst segment en woningtype. Huishoudens die de voorkeur geven aan een sociale huurwoning zoeken veelal een wat kleinere woning dan degenen die interesse hebben in een middeldure of dure huurwoning. Hoe duurder het huursegment waar men zich op richt, hoe vaker men op zoek is naar een woning van meer dan 80 m2. Bij middeldure huur is 46% op zoek naar dit woonoppervlak en bij degenen die zich oriënteren op dure huur is dit 54%. Van de verhuisgeneigden die zich oriënteren op betaalbare koop is de helft (49%) op zoek naar een woning van minstens 80 m2, onder degenen die zich richten op dure koop is dit 68%. Huishoudens die in het duurste segment zoeken, willen voornamelijk een woning van meer dan 100 m2 (70%). Bij de op koop georiënteerde huishoudens is de interesse voor woningen kleiner dan 40 m2 zeer beperkt.

92

Verhuisgeneigde huishoudens die de voorkeur geven aan een meergezinswoning, zoeken vaker een wat kleinere woning dan de huishoudens die een eengezinswoning zoeken. De meerderheid (68%) van degenen die een eengezinswoning op het oog hebben, wil een woning van meer dan 100 m2. Huishoudens die een eengezinswoning zoeken, willen gemiddeld minstens vier kamers (exclusief de keuken en de badkamer) en degenen die een meergezinswoning zoeken, willen gemiddeld minstens drie kamers. Voor woningen tot 60 m2 zoekt men vooral een woning met minstens 2 of 3 kamers, voor woningen tussen de 60-100 m2 geeft men vaak aan minstens 3 kamers te willen en voor woningen groter dan 100 m2 wil men veelal minstens 4 kamers. Figuur 6.9 Gewenste woninggrootte naar gewenst woonsegment en gewenst woningtype, MRA, 2021 (%) totaal binnen MRA 2 sociale huur (tot en met €752)

14

25

5

24

17

dure huur (meer dan €1.053) 2 betaalbare koop, tot €296.000 2

32 28

29

17

4 2

20

34

15

11

37

29

middeldure huur (€752-€1.053) 4

17

32

6

211

11

3 10

7

21

15

26

15

5 21

dure koop €296.000 - €438.000 1

9

22

duurste koop, hoger dan €438.000 02

9

20

27

26

11

5

eengezinswoning 02

9

20

28

25

10

6

meergezinwoning

4

eengezins of meergezins 2

23

40-60 m2

60-80 m2

29

20

80-100 m2

23

33

14

0

tot 40 m2

32

40

100-120 m2

11

25

11

21

4 11 21 %

29

16

60

80

100

120-160 m2

160-200 m2

≥ 200 m2

7

bron: WiMRA 2021

Van de gezinnen die willen verhuizen binnen de MRA zoekt 53% een eengezinswoning, in 2019 ging het om 50%. Gezinnen oriënteren zich wat vaker op zowel eengezins- als meergezinswoningen (25%) dan enkel op meergezinswoningen (22%). Qua gezochte woninggrootte zijn de voorkeuren van gezinnen nauwelijks gewijzigd: 56% wil graag een woning van meer dan 100 m2. Gezinnen zoeken vaak een woning met minstens vier kamers. Van de gezinnen is 19% op zoek naar een sociale huurwoning, 5% richt zich op een middeldure huurwoning en 2% op dure huurwoning. Vergeleken met 2019 zoeken gezinnen nu vaker een koopwoning in het duurste segment (30% in 2021 versus 21% in 2019). Van de verhuisgeneigde gezinnen woont 60% momenteel in een eengezinswoning. Verhuisgeneigde 65-plussers die binnen de MRA willen verhuizen, zijn vooral op zoek naar een meergezinswoning (82%), maar ten opzichte van 2019 oriënteert deze groep huishoudens zich net wat vaker op een eengezinswoning (7%) of op beide type woningen (11%). Het vaakst geven zij de voorkeur aan een appartement met lift of een seniorenwoning, gevolgd door een benedenwoning. Rond twee derde van de senioren, zowel bij alleenstaanden als paren, zoekt een woning van minstens 3 kamers. De verhuisgeneigde 65-plussers zoeken veelal een sociale huurwoning (44%). Dit aandeel is wel afgenomen (2019: 48%).

De helft (51%) van de verhuisgeneigde 65-plussers laat bij verhuizing een eengezinswoning achter. Van de verhuisgeneigde 65-plussers die een eengezinswoning achterlaten is 31% op zoek naar een sociale huurwoning. 93

Verhuisgeneigden zijn vaker op zoek naar een woning met werkruimte en/of tuin Verhuisgeneigden vinden het aantal slaapkamers en de aanwezigheid van een tuin de belangrijkste aspecten van de woning waar ze naar op zoek zijn. Dat was in 2019 ook het geval. Wel is het belang van de aanwezigheid van een tuin gestegen, in 2019 noemde 58% dit en in 2021 62%. Dit hangt waarschijnlijk samen met het vele thuisblijven tijdens de Covid-19 pandemie waardoor huishoudens meer waarde zijn gaan hechten aan een tuin. Het sterkste effect van de pandemie op de gewenste ruimten zien we terug bij het gestegen belang van de aanwezigheid van een werkruimte of praktijkruimte. Door het vele thuiswerken is de behoefte aan een werkruimte in de woning toegenomen: in 2019 vond 16% dit een belangrijk aspect van de gewenste woning en in 2021 is dit aandeel gestegen naar 23%. Dit belang van de aanwezigheid van een werkruimte is voor alle gewenste regio’s in de MRA gestegen, en in Amsterdam het meest (met 9 procentpunt). Figuur 6.10 Belangrijke ruimten en voorzieningen in gewenste woning, 2019-2021, MRA (%) 76

aantal slaapkamers

2019

75

58

tuin

2021

62

46

schuur/berging

46

45

balkon of dakterras

44

43

parkeerplek

44

33

gelijkvloers/lift/geen trappen

32

werkruimte/praktijkruimte

16

garage

16

23

18

13

zolder

13

0

10

% 20

30

40

50

60

70

80

bron: WiMRA 2021

6.4 Woonmilieuvoorkeuren divers en enigszins veranderd Onder verhuisgeneigden is er interesse in verschillende typen woonmilieus. Onderaan tabel 6.12 staat de omschrijving van de verschillende woonmilieus. Het meest in trek zijn het rustig stedelijke woonmilieu (20%), de woonwijk (16%) en het gevarieerde woonmilieu (15%). De woonmilieuvoorkeuren zijn enigszins veranderd tussen 2021 en 2019. Minder populair geworden zijn het rustig stedelijke milieu (2019: 22%) en wonen-winkels-werken (2019: 16%). De ruimtelijkere woonmilieus (woonwijk, landelijk, ruim wonen en recreatief) zijn licht in populariteit toegenomen, mogelijk doordat huishoudens tijdens de Covid-19 pandemie zich meer op een ruime woonomgeving zijn gaan focussen en minder op een voorzieningenrijke woonomgeving. Per huishoudenstype verschilt het accent bij de woonmilieuvoorkeuren (zie figuur 6.11). Er zijn enkele verschuivingen in de woonmilieuvoorkeuren van de verschillende huishoudenstypen. 94

Jonge alleenwonenden (<35 jaar) lijken zich minder op de stad te richten. Waar in 2019 het grootstedelijke woonmilieu van alle huishoudens onder deze groep het populairst was, is het enthousiasme voor dit woonmilieu onder jonge alleenstaanden gedaald van 17% naar 10%. Ook de interesse voor het gevarieerde woonmilieu is bij deze huishoudens sterk gedaald. Jonge alleenstaanden hebben meer interesse gekregen in de woonwijk, wonen-winkels-werken en het recreatieve woonmilieu. Onder gezinnen is vooral de interesse voor ruim wonen toegenomen (van 16% naar 19%) en de interesse voor wonen-winkel-werken en rustig stedelijk licht afgezwakt. Stellen en alleenwonenden tussen de 35-55 jaar zijn zich meer gaan richten op een woning in een woonwijk dan in 2019. Ook 55-plussers hebben de focus verlegd qua woonmilieuvoorkeur, maar bij hen nam juist de stedelijke woonvoorkeur toe. Deze huishoudens zijn onder andere veel minder gericht geraakt op wonen-winkels-werken en hebben meer interesse gekregen voor het grootstedelijke woonmilieu en het gevarieerde woonmilieu. De woonmilieuvoorkeuren verschillen niet heel sterk per inkomensklasse (figuur 6.12). Huishoudens met een inkomen tot de sociale huurgrens (€40.024) en middeninkomens hebben vaker interesse voor wonen-winkels-werken.

Hoger opgeleiden oriënteren zich vaker op de stedelijke woonmilieus en het gevarieerde woonmilieu vergeleken met midden en lager opgeleiden. Laag opgeleiden geven relatief vaak de voorkeur aan wonen-winkels-werken en aan woonwijk. Figuur 6.11 Woonmilieuvoorkeuren van verhuisgeneigden per huishoudenstype, MRA, 2021 (%) totaal 2019 2021

8 9

alleenwonend tot 35 jaar 2019 2021

10

alleenwonend 35-55 jaar 2019 2021

4

stel zonder kind tot 35 jaar 2019 2021

22 20 17

12

5

gezin 2019 2021

5

alleenwonend 55+ 2019 2021

8

8

overig 2019 2021 0

21

13

30

7

21

26 14 23

22

12 15

22

20

16

22

40

15

20

11 16

9

14

60

10 11

9 10

10

15 15

13

5

15 12

15 18 15

10 8

13 13

23 13 19

10 12

16 11

16

9

9

16 16 16

11 9

18

15

10 12

8

21

15

20 18

15

22 22

17 23

12

14 19

15

24 24

19

stel zonder kind 55+ 2019 4 2021 13

23

21

16

9

25

22

9 8

stel zonder kind 35-55 jaar 2019 2021

16 13

19

17

8 10

80

10

6

3 4 5 6

8 8

5 4 5 4

15 19

6 6

16 16

5 7

7 13

4 4 5

10 7 14 12

4 5

10

8 8 4

7

7

7

4

7 1 4 %

100

95

Figuur 6.12 Woonmilieuvoorkeuren van verhuisgeneigden per inkomensklasse, MRA, 2021 (%) tot €40.024

10

€40.024 tot €60.036 (1,5x modaal)

8

€60.036 tot €80.048 (2x modaal)

7

€80.048 en meer

9

0

grootstedelijk

22

16

21

19

19

14

16

16

16

16

10

14

18

7

16

14

20

40

rustig- wonen-winkelsstedelijk werken gevarieerd

8

woonwijk

9

11

11

60

landelijk

7

5

10

6

14

6

19

6

80

% 100

ruim wonen

recreatief

bron: WiMRA 2021

* omschrijving woonmilieus:  grootstedelijk: centrum van een grote stad met veel winkels, uitgaansgelegenheden, bedrijven en kantoren  rustig stedelijk: buurt waar vooral gewoond wordt, nabij het centrum  wonen-winkels-werken: buurt met vooral appartementen, dichtbij wijkwinkelcentrum  gevarieerd: historisch gevarieerde laagbouwbuurt in of bij het centrum van een stad of dorp  woonwijk: wijk waar vooral gewoond wordt, met voornamelijk eengezinswoningen  landelijk: landelijk gebied met weinig andere woningen  ruim wonen: woonomgeving met veel ruimte tussen de woningen op ruime kavels  recreatief: woonomgeving met veel ruimte, tussen recreatieve voorziening als golfbaan, water of bos.

96

6.5 Bij één op de vijf huishoudens heeft de coronacrisis de woonwensen beïnvloed Twee op de tien huishoudens geven aan dat de coronacrisis hun woonwensen heeft beïnvloed. Jongere huishoudens en huishoudens die ervaren dat ze (te) krap wonen, geven dit relatief vaak aan. De behoefte aan meer ruimte voor het thuiswerken en dat men een werkkamer mist wordt veel als reden genoemd. Ook geeft men aan dat de afstand tot het werk minder belangrijk is geworden en het comfort van de woning belangrijker. Voor sommigen heeft de coronacrisis de afstand die men tot familie en vrienden woont belangrijker gemaakt; men wil daarom dichter bij geliefden wonen. Daarnaast heeft de coronacrisis de behoefte aan een tuin of balkon aangewakkerd of versterkt. Sommigen willen door de crisis dichter bij het groen wonen, in een rustigere omgeving of echt bij de natuur. Men noemt ook de toegenomen overlast van buren en verbouwingen als een gevolg van de coronacrisis. Enkele stadsbewoners geven aan dat door de afname van toerisme de omgeving leefbaarder is geworden, voor anderen zijn de drukte van de stad en de gesloten horeca en cultuurvoorzieningen juist een reden om zich op een ander woonmilieu te oriënteren.

Er zijn ook huishoudens financieel getroffen door de crisis, men is zijn baan verloren of heeft een lagere omzet met als gevolg dat men woonwensen niet (meer) kan realiseren of geconfronteerd wordt met woonlasten die moeilijk zijn te betalen. De huishoudens bij wie de woonwensen niet zijn beïnvloed door de coronacrisis, geven vaak aan dat zij tevreden zijn met hun woonsituatie. Ze laten bijvoorbeeld weten dat zij genoeg ruimte hebben om (samen) te leven en thuis te werken en dat zij een tuin hebben. Daarnaast is er een deel dat opmerkt dat voor de coronacrisis al bepaalde woonwensen te hebben gehad en dat die door de crisis niet zijn gewijzigd. Figuur 6.13 Heeft de coronacrisis uw woonwensen beïnvloed? Enkele citaten (MRA, 2021). Ik heb meer ruimte nodig voor mijn gevoel om thuis te kunnen werken in een aparte ruimte i.p.v. in woon- of slaapkamer.

Voelde me opgesloten. Had graag een tuin of een dakterras gehad om toch nog iemand te kunnen ontvangen.

Alleen maar meer bevestigd dat ik meer groen in mijn omgeving wil, niet slechts een park. En mijn wens voor een tuin is versterkt. Nu de deugden van de stad (cultuur, horeca) zijn weggevallen is mijn verlangen om meer buiten te leven gegroeid.

Ik raak in juli mijn baan kwijt en zal dan geen woning meer kunnen aanhouden met deze huurhoogte. Woningnet duurt te lang en ik zal dakloos worden zonder hulp.

We hebben een fijn thuis, waardoor Corona ons minder treft. Het is voor ons niet vervelend om thuis te moeten zijn.

bron: WiMRA 2021

97

6.6 Woonwensen thuiswonende kinderen

8%

Ongeveer 8% van de huishoudens in de Metropoolregio Amsterdam heeft thuiswonende kinderen die binnen twee jaar het huis uit willen. Binnen de groep huishoudens met kinderen ligt dit aandeel op 22%. In de regio’s Zaanstreek-Waterland en Amstelland-Meerlanden geldt dit voor ruim een kwart van de huishoudens met kinderen (figuur 6.14). In Amsterdam ligt dit aandeel het laagst met 19%.

huishoudens heeft kind dat uit huis wil

Figuur 6.14 Huishoudens met thuiswonende jongeren die binnen twee jaar uit huis willen naar huidige woonregio, 2019-2021 (%) 22

Metropoolregio Amsterdam

8

26

Zaanstreek-Waterland

10 22

Almere/Lelystad

10 21

Gooi en Vechtstreek

8 27

Amstelland-Meerlanden

11 22

Zuid-Kennemerland/IJmond

8 19

Amsterdam

5 0

% 5

10

huishoudens met kinderen

15

20

25

30

alle huishoudens bron: WiMRA 2021

Zeven op de tien huishoudens heeft één thuiswonende jongere die uit huis wil In 70% van de huishoudens met kinderen die het huis uit willen, gaat het om één thuiswonende jongere die uit huis wil. Een kwart van deze huishoudens geeft aan twee thuiswonende jongeren te hebben die binnenkort uit huis willen. Het overige deel geeft aan drie of meer thuiswonende jongeren te hebben die uit huis willen binnen twee jaar. 26 Merendeel thuiswonende jongeren dat uit huis wil is tussen de 18 en 22 jaar In de MRA is de grootste groep thuiswonende jongeren die uit huis wil tussen de 18 en 22 jaar (52%). 27 Voor één op de drie huishoudens geldt dat de nu nog thuiswonende jongere tussen de 23 en 27 jaar is. Van de thuiswonende jongeren die uit huis willen is 15% 28 jaar of ouder (figuur 6.15). In Gooi en Vechtstreek is het aandeel 18-22 jarigen relatief hoog (67%). In Amsterdam en

26 Voor verdere analyses bij twee of meer thuiswonende jongeren per huishouden die uit huis willen is de respondenten

gevraagd te antwoorden namens de jongere die het snelst uit huis wil.

27 Er is gekozen om thuiswonende jongeren die uit huis willen vanaf 18 jaar mee te nemen in dit onderzoek.

98

Almere/Lelystad is de oudste groep relatief sterk vertegenwoordigd (respectievelijk 20% en 18% is hier 28 jaar of ouder). Figuur 6.15 Leeftijdsklassen thuiswonende jongeren die binnen twee jaar uit huis willen naar huidige woonregio, 2019-2021 (%) Metropoolregio Amsterdam

52

33

15

Zaanstreek-Waterland

49

38

14

44

Almere/Lelystad

38

18

67

Gooi en Vechtstreek

23

52

Amstelland-Meerlanden

37

11

32

12

56

Zuid-Kennemerland/IJmond

30

50

Amsterdam 0

10

20

40

60

23 – 27 jaar

18 – 22 jaar

20

% 100

80

28 jaar en ouder bron: WiMRA 2021

De voornaamste bezigheid van deze thuiswonende jongeren die binnenkort uit huis willen is divers. Nagenoeg de helft van deze jongeren studeert. Een klein deel, 3%, gaat nog naar de middelbare school. Circa vier op de tien werken. In Gooi en Vechtstreek gaat het relatief vaak om studenten (figuur 6.16). In Zaanstreek-Waterland is werken vaker dan gemiddeld (52%) de voornaamste bezigheid van de thuiswonende jongeren. Figuur 6.16 Voornaamste bezigheid van thuiswonende jongeren die binnen twee jaar uit huis willen naar woonregio, 2019-2021, (%)

Metropoolregio Amsterdam 3

48

Zaanstreek-Waterland 1

43

42

Almere/Lelystad 2

47

5

Gooi en Vechtstreek

52

5

44

8

59

Amstelland-Meerlanden 3

6

31

47

5

44

6

Zuid-Kennemerland/IJmond

5

49

41

5

Amsterdam

5

47

41

7

0

20

scholier

40

student

60

werkend

80

% 100

anders bron: WiMRA 2021

99

Gewenste woonregio is vaak de huidige woonregio Thuiswonende jongeren zoeken vaak een woning in hun eigen gemeente. Amsterdamse thuiswonende jongeren willen het vaakst in hun eigen gemeente blijven wonen (77%; figuur 6.17). In Gooi en Vechtstreek geeft enkel één op de drie aan in de eigen gemeente te willen blijven wonen. In deze regio, waar veel thuiswonende jongeren student zijn, wil 32% buiten de MRA gaan wonen. Een minderheid van de thuiswonende jongere wil naar een andere gemeente binnen de MRA verhuizen. Als dit wel het geval is, dan wordt Amsterdam het vaakst genoemd. Zo wil 12% van de thuiswonende jongeren uit Zaanstreek-Waterland en 13% uit Amstelland-Meerlanden naar Amsterdam verhuizen. Figuur 6.17 Huidige woonregio naar gewenste woonregio, 2019-2021, (%) Metropoolregio Amsterdam

53

8

4

16

Zaanstreek-Waterland

49

12

4

13

Almere/Lelystad

48

10

33

Gooi en Vechtstreek

10

4

3

44

13

Zuid-Kennemerland/IJmond

46

7

eigen gemeente

20

Amsterdam

1

18

22 1

20 21

6 5

17 18

77 0

19

32

Amstelland-Meerlanden

Amsterdam

1

1

20

1

24

1

9

40

60

80

elders in de MRA

elders in Nederland

buitenland

1

12

%

100

geen voorkeur

bron: WiMRA 2021

Voorkeur zelfstandige woning of woningdelen divers De gewenste woonvormen van de starters verschillen sterk. Een kwart van de thuiswonende jongeren wil een kamer huren of een woning delen met anderen. Bijna de helft is uitsluitend gericht op een zelfstandige woning. Deze groep is opgesplitst in twee subgroepen. Drie op de tien geeft aan bij voorkeur een zelfstandige woning te willen kopen en 19% richt zich op een zelfstandige huurwoning. De overige groep heeft geen duidelijke voorkeur (bijvoorbeeld zowel een kamer als zelfstandig) of een voorkeur voor een andere woonvorm. Enkele voorbeelden van andere woonvormen die worden gegeven zijn begeleid wonen vanwege een handicap, of op een campus wonen. Thuiswonende jongeren die binnenkort uit huis willen en in Zaanstreek-Waterland willen wonen, kiezen bovengemiddeld vaak voor een zelfstandige koopwoning (57%). Ook bij jongeren met de voorkeur voor wonen in Amstelland-Meerlanden gaat de voorkeur vaak naar een zelfstandige koopwoning (47%). Jongeren met Amsterdam als gewenste woonregio kiezen het vaakst voor het huren van een kamer of het delen van een woning (31%). Bijna de helft van de thuiswonende jongeren die binnenkort uit huis willen en naar elders in Nederland willen verhuizen, hebben een voorkeur voor het huren van een kamer of het delen van een woning (figuur 6.18).

Bovendien valt op dat als het inkomen van de ouders minder dan €40.000 per jaar is, jongeren vaker aangeven geen voorkeur te hebben. Deze groep respondenten beargumenteert dat door de krappe 100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12264149/2