20220807148 2. Bijlage 1 Stedenkundig programma van Eisen Project Pasteur
Tekst van het document
Op de kop aan de gracht langs de Floris van Adrichemlaan wordt een verblijfsplein gemaakt met veel groen en fraaie bomen waar het goed toeven is in de zon. Op het kruispunt van de groene routes is ook een logische aanleiding voor een grotere verblijfsruimte. 3.5.7 Eisen in het SPVE Om het bovenstaande groene centrum te verwezenlijken worden er in dit SPVE de nodige eisen gesteld aan het plan. In 4.4 worden de inrichtingseisen voor groen gegeven. Denk bijvoorbeeld aan de eisen om nieuwe bomen en beplanting een zo groot mogelijke kans van slagen te geven, boven- en ondergronds, en om zo groot mogelijke ecologische waarden te behalen. In het Schetsontwerp Openbare Ruimte dat verplicht zal worden gesteld in het Stedenbouwkundig Plan zal moeten worden aangetoond of en hoe aan deze eisen wordt voldaan. In 4.5 worden de eisen gesteld die de gemeente stelt aan de groenparagraaf die verplicht zal worden gesteld in het Stedenbouwkundig Plan.
< 1 jaar te leven 1 - 5 jaar te leven 5 - 10 jaar te leven > 10 jaar te leven Boom verplaatsen Boom verwijderen Extra waardevolle boom Boom heeft extra aandacht nodig Zoekgebied Boom oudernieuw dan 50groen jaar Boom mogelijk te verwijderen, gezien de kwaliteit Grondeigendom Elan wonen Plangebied
Bestaande bomen in relatie tot het voorstel: 20 bomen verdwijnen voor bouwvelden, daarnaast kunnen 2 bomen worden verplaatst (waarvan 9 tegen het einde van de levensduur), mogelijk nog 2 extra in het straatprofiel voor aanleg van de gracht, welke buiten dit project valt, verdwijnen 12 bomen, daarnaast kunnen 4 bomen kunnen hiervan worden verplaatst (aangegeven in blauw)
STROO
STROOMBAAN STROOMBAAN
STROOMBAAN
er verdwijnen 2 waardevolle bomen, mogelijk nog 1 extra (van matige kwaliteit), uit het straatbeeld welke nog > 10 te leven hebben, dit is gerekend buiten de bomen welke verdwijnen voor aanleg van de gracht
P. 25
04. SPELREGELS RANDVOORWAARDEN, EISEN EN WENSEN 4.1 INLEIDING De randvoorwaarden, eisen en wensen voor de ontwikkeling van de projectlocatie , komen voort uit de visie en het ruimtelijk concept behandeld in hoofdstuk 3, maar zijn ook gebaseerd op landelijke wet- en regelgeving en gemeentelijk beleid, behandeld in hoofdstuk 2. Ze geven de kaders waaraan het stedenbouwkundig plan - met bijbehorend mobiliteitsplan en beeldkwaliteitsplan voor de gebouwen en de openbare ruimte, moet voldoen. Samen met deze plannen vormt het SPvE vervolgens de kaders waaraan de gebouwontwerpen en het ontwerp voor de openbare ruimte moeten voldoen. 4.1.1 Leeswijzer Op allerlei vlakken zit er overlap in de te behandelen thema’s en de kaders die hieraan in dit hoofdstuk worden meegeven. Een onderwerp als duurzaamheid heeft bijvoorbeeld betrekking op de inrichting van de openbare ruimte, maar ook op de gebouwontwerpen en op mobiliteit. Daarom moet dit hoofdstuk altijd in zijn totaliteit doorgenomen worden, ook als de informatievraag betrekking heeft op één thema. 4.1.2 Uitleg randvoorwaarden, eisen en wensen Bij de kaders wordt onderscheid gemaakt in randvoorwaarden en eisen: Randvoorwaarden zijn beperkingen en harde voorwaarden die aan het project verbonden zijn. Randvoorwaarden stellen voorwaarden aan het project, die niet beïnvloedbaar zijn en waarvan niet kan en mag worden afgeweken.
Eisen zijn criteria waar het eindresultaat aan moet voldoen. Het betreft een harde norm. Het onderscheid met een randvoorwaarde is, dat het een norm betreft die vanuit het project in principe wel beïnvloed kan worden. Afwijken van een eis kan alleen als er een gelijkwaardige oplossing voor gevonden wordt naar het oordeel van de gemeente of dat het om goed onderbouwde redenen niet mogelijk blijkt te zijn om aan de eis te voldoen. Wensen zijn criteria waar het eindresultaat bij voorkeur aan voldoet. Wensen zijn geen eisen en daarmee ook niet afdwingbaar. De ontwikkelende partijen worden gevraagd om invulling te geven aan deze wensen. 4.2 SPELREGELKAARTEN De vier spelregelkaarten op de volgende bladzijden geven de ruimtelijke kaders weer waar het stedenbouwkundig plan, de gebouwontwerpen en het ontwerp van de openbare ruimte aan moeten voldoen. Deze spelregelkaarten behandelen de volgende thema’s: 1. Rooilijnen (0. Aanleidingen rooilijnen). P. 26 SPVE Project Pasteur
2. Overgangen openbaar en privé. 3. Hoofdentrees en gebruik begane grond. 4. Functies en gebouwhoogtes. De spelregelkaarten behandelen maar een deel van de randvoorwaarden, eisen en wensen waaraan het stedenbouwkundig plan, de gebouwontwerpen en het ontwerp van de openbare ruimte moeten voldoen. De spelregelkaarten zijn gekoppeld aan de thematische randvoorwaarden, eisen en wensen die in de paragrafen 4.3 t/m 4.11 worden behandeld. De spelregelkaarten moeten dus altijd in combinatie met deze paragrafen worden gelezen.
STROOMBA STROOMBAAN
m.
33,2 m. 13-16 m.
Blok C
8,7 m.
Blok B
Harde rooilijnen Half flexibele rooilijnen (in lijn met naastliggende blok) Flexibele rooilijnen
20 m.
Blok C
33,2 m. 8,7 m.
STROOMBAAN
Blok B
aanleidingen rooilijnen
Blok C
ca. 14-16 m.
Blok A
Blok A Blok B
ca. 14-16 m.
Blok A
STROOMBAAN
8,7 m.
Blok A
13-16 m.
STROOMBAAN
Blok C
ca. 14-16 m.
20 m.
Plangebied Randvoorwaarden vanuit de context 33,2 m. & maximale afmetingen bouwvelden
Blok B
rooilijnen en bouwvlakken P. 27
STROOMBAAN
Plangebied Zone privé buitenruimtes & overgangen tussen openbaar en privé: max. 1.7m tussen woningen en straat max. 2.5m tussen woningen en groen binnenruimte max. 0.7m langs de noordkant van blok A en blok C
STROOMBAAN
Hoofdentree woningen en maatschappelijke functie. Individuele (sub)-entree’s 50% van de plint (tot een diepte van min. 3.5m) bestemd voor woningen en entrees.
C 5L
STROOMBAAN
12L
B
overgangszones
P. 28 SPVE Project Pasteur
hoofdentrees en gebruik plint
5
4
5
4
5 5
Plangebied
3 5 3
4 4
Maximale gebouwhoogte 4 Wonen Wonen & Maatschappelijke Functie op de verdieping Wonen & Maatschappelijke Functie op de verdieping en in de plint
3
5
4
3 3
3
STROOMBAAN
Functies en gebouwhoogte P. 29
4.3 STEDENBOUWKUNDIGE HOOFDOPZET Deze paragraaf geeft het kader waaraan de stedenbouwkundige hoofdopzet moet voldoen. Deze kaders zijn gebaseerd op het ruimtelijk concept en de stedenbouwkundige visie op (zie hoofdstuk 3). Dit betreft de thema’s: 1. Eigentijdse invulling binnen wederopbouw context 2. Groen als verbindende kwaliteit en verblijfsgebied 3. Variatie toevoegen in programma en verdichten. 4. Verduurzaming in de brede zin (woningen en woonomgeving) Per thema worden hier al een aantal overkoepelende en algemene randvoorwaarden gegeven. In de paragrafen 4.4 t/m 4.11 worden deze verder aangevuld met concretere randvoorwaarden en eisen. 4.3.1 Eigentijdse invulling van wederopbouw context De bestaande structuren en opbouw van de openbare ruimte worden zo veel mogelijk behouden en versterkt. De hoofstructuur met de daarbij horende richtingen en routes en blijven grotendeels behouden. Algemene Randvoorwaarden • De nieuwe functies, bebouwing en openbare ruimte van Project Pasteur wordt integraal en in samenhang met de bestaande functies, bebouwing en openbare ruimte ontwikkeld. • De nieuwe groene route sluit op een logische, vanzelfsprekende manier aan op (routes en oversteken vanuit) de omgeving. • Gemeentelijke waardevolle bomen worden zo veel mogelijk gehandhaafd. Deze mogen alleen gekapt worden indien er sprake is van een algemeen maatschappelijk belang (zie 4.4.2).
• De toe te voegen waterkwaliteit in de vorm van de gracht wordt in de stedenbouwkundige opzet benut voor de verblijfskwaliteit van gehele veld. 4.3.2 Groen als verbindende kwaliteit en verblijfsgebied Project Pasteur opent zich naar de omliggende blokken. Achterkanten worden vervangen door voorkanten om zo interactie met de omgeving en tussen de gebieden te creëren. Visuele relaties worden gelegd en behouden door de plaatsing van de gebouwen. Algemene Randvoorwaarden • Project Pasteur opent zich naar de omliggende blokken. Achterkanten worden voorkanten, het toont helemaal rondom zijn gezicht. • De bebouwing en de openbare ruimte sluiten goed aan op de bebouwing en de P. 30 SPVE Project Pasteur
openbare ruimte in de omgeving. • Verbindingen vanuit de omliggende blokken worden aan elkaar gekoppeld tot langzaam verkeerroutes in de vorm van een oost-west verbinding door het blok. Algemene Eisen De bestaande doorsteek door het groen, binnen het stempel, dient in de nieuwe structuur te worden opgenomen als wandelroute naar de zuidelijk gelegen winkels. De opzet moet hier gericht zijn op een veilige en aantrekkelijke wandelroute. 4.3.3 Variatie toevoegen in programma en verdichten Naast het toevoegen van woningen, 84 verouderde sociale huur woningen worden vervangen voor 150 woningen komt ruimte voor een maatschappelijke functie met 1.400 m² BVO kantoor op de verdieping en 200m² BVO publieksfunctie op de begane grond. Algemene randvoorwaarden • Van de extra woningen (66) wordt ca. 30% gerealiseerd in een ander dan het sociale segment: middel dure huur of koop. • Een deel van het programma bestaat uit niet-woonprogramma in de vorm van maatschappelijk programma. Deze maatschappelijke functie komt op de verdieping en in een deel van de plint in blok C. • In de plintinvulling is aandacht voor een levendige plint, max. 50% bestaat uit een niet woon- of werk- of woonwinkelfunctie (bergingen en installaties). Algemene wensen • om differentiatie in woningaanbod te realiseren wordt 1/3de van de sociale huurwoningen ook toegankelijk wordt voor middeninkomens.
NB • Om toch tegemoet te komen aan de wens van 40-40-20 worden in de nabijheid van de locatie (Meyboompad) nog eens 20 eengezinswoningen door Elan beschikbaar gemaakt voor middeninkomens. 4.3.4 Verduurzaming in de brede zin. Bestaand groen en toekomstig water wordt opgenomen in de stedenbouwkundige structuur en wordt zo een prominent onderdeel van het project. Bestaande bomen worden zoveel mogelijk behouden en vormen een logische component van groene ruimtes in de nieuwe stedenbouwkundige opzet. Nieuwe bomen en groene plekken worden toegevoegd (zie paragraaf 4.4 voor de betreffende kaders). Project Pasteur richt zich nadrukkelijk op groene verbindingen: de oost-west route
nav email van Simon 31/10/2022: 3.45 ipv 3.4.8
verbind de oostelijk gelegen blokken met project Haave en de Amerikavaart, de noord-zuid route de noordelijk gelegen blokken met de zuidelijk gelegen voorzieningen. Aan de gracht wordt voldoende ruimte geboden tussen de nieuwe bebouwing voor het realiseren van openbaar toegankelijke groene plek met een hoge verblijfskwaliteit (zie paragraaf 4.4). Ook bij de inrichting van het groene binnengebied is aandacht voor een goede verblijfskwaliteit door aandacht te besteden aan de overgangen tussen openbaar en privé. Algemene eisen • Bestaand groen en toekomstig water worden opgenomen in de stedenbouwkundige structuur en vormen de basis voor een groen raamwerk in de nieuwe stedenbouwkundige opzet. • De overgangen tussen openbaar en privé worden met aandacht vormgegeven. 4.4 OPENBARE RUIMTE Deze paragraaf geeft de kaders waar de inrichting en het ontwerp voor de openbare ruimte aan moeten voldoen. De kaders zijn onderverdeeld in de volgende thema’s: 1. Watercompensatie 2. Bestaande bomen 3. Groenkwaliteit en ecologie 4. Nieuwe bomen 5. Principeprofielen, type straten, ruimten en plekken 6. Maaiveldinrichting 7. Ondergrond 8. Afvalinzameling 9. Beeldkwaliteit openbare ruimte 4.4.1 Watercompensatie Randvoorwaarden • 15% van het toegenomen verhard oppervlak moet gecompenseerd worden in extra oppervlaktewater.
De compensatie kan ook plaatsvinden door 15% van het oppervlak van de toename van verharding af te boeken van het saldo van de Berging Rekening Courant. • Het watersysteem wordt robuust ingericht met waterbergings- en afvoermogelijkheden conform de watertoets. Een ontwikkeling mag niet leiden tot verslechtering van de waterhuishouding of een versnelde toename van de af- en aanvoer van water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden op naastgelegen percelen /gebieden en er wordt rekening gehouden met de gewenste stroombaan van het hemelwater. • De compensatie mag bestaan uit aantoonbaar extra gegraven water in de vijf jaar
direct voorafgaand aan de melding van de toename van verharding. Dat water mag niet gegraven zijn voor een compensatieverplichting. • Een voor de compensatie nieuw aan te leggen water moet eerder of gelijktijdig met het aanleggen van de verharding worden gerealiseerd. • Bij versnelde afvoer van neerslag naar een watergang in het boezemsysteem, mag er gecompenseerd worden binnen een straal van 5 kilometer. 4.4.2 Bestaande bomen Randvoorwaarden • De waardevolle bomen die gehandhaafd dienen te worden (zie paragraaf 3.4.5) worden in beginsel gehandhaafd op de bestaande locatie. De standplaats van de bestaande bomen mag niet verslechteren. Zowel bovengrondse als ondergrondse groeiruimte wordt behouden. Hier wordt onder andere rekening mee gehouden bij nieuwbouw of het plaatsen van ondergrondse containers. • Op basis van de Bomen Effect Analyse (zie bijlage II) wordt onderbouwd op wat voor manier er wordt gezorgd dat bestaande bomen zo min mogelijk hinder ondervinden van de plannen en hoe de waarden van het groen worden verbeterd. • Er wordt een ecologisch onderzoek (QuickScan en eventueel een aanvullend specifiek soortenonderzoek) uitgevoerd om de effecten van te slopen bebouwing en te verwijderen groen op eventuele beschermde flora en fauna te onderzoeken. Eisen • Bestaande beheerkaart: beheerniveau Schalkwijk is B (BBOR).
• De bestaande waardevolle bomen die worden behouden, worden een logisch onderdeel van en zijn medebepalend voor de proporties van te vormen ruimtes en plekken. • Bestaande groene plekken aan de randen worden zoveel mogelijk behouden. • Bij planvorming een ruimtereservering in acht nemen voor het behouden en versterken van bestaande waardevolle en monumentale bomen, boomstructuren, groengebieden met (ecologische) waarde. Te behouden bomen: Bestaande wortelruimte conform kroonprojectie blijft onaangetast. Zie ook 4.6. • Een Boom Effect Rapportage wijst uit welke bestaande bomen in principe behouden blijven: Bij >15 jaar of 10-15 jaar: behoud. Bij 5-10 jaar: bekijk de situatie. Bij <5 jaar: niet behouden. 4.4.3 Groenkwaliteit en ecologie Eisen • De planvorming leidt tot een vergroting van de biodiversiteit en de ecologische waarde neemt toe. Door een bio diverse inheemse soortenkeuze ontstaat een openbare ruimte die interessant is voor e mens en vogels, bijen en vlinders. De vergroening maakt de stad P. 31
± 2m
± 3m
schets invulling overgangen tpv groene middenzone: woning - privé tuin - haag - openbaar groen wandelpad
overgangszones
P. 32 SPVE Project Pasteur
schets invulling overgangen ter plaatse van straat: woning - privé tuin/zone - stoep-parkeren
schets invulling overgangen ter plaatse van straat: woning - privé tuin/zone - stoep-parkeren
schets invulling overgangen ter plaatse van straat: woning - privé tuin/zone - muurtje - stoepparkeren
HUIDIGE SITUATIE DOORSNEDE B-B
3L
3L
VOORSTEL DOORSNEDE B-B
P. 33
4L
HUIDIGE SITUATIE DOORSNEDE C-C
4L
privé
VOORSTEL DOORSNEDE C-C
P. 34 SPVE Project Pasteur
5L
5L 4L
HUIDIGE SITUATIE DOORSNEDE A-A
5L
5L 4L
VOORSTEL DOORSNEDE A-A
P. 35
ecologisch interessant en klimaat-robuust. Inheems/oorspronkelijk genoom geldt zeker ook voor lage beplanting (kruidenlaag). Werk met gebiedseigen soorten, autochtoon materiaal (en ook zonder gif gekweekt). • Soortendiversiteit: inheems en oorspronkelijk genoom voor bomen en struiken. Het stedelijk gebied bevat ten minste 50% inheemse soorten (met oorspronkelijk genoom). • Toevoegen groene speelplekken. 4.4.4 Nieuwe bomen Eisen • De minimale plantafstand voor nieuwe bomen ten opzichte van een watergang is in verband met het onderhoud van de oever in beginsel 4 meter. Dit is afhankelijk van de situatie, zoals talud breedte. • Bovengrondse standplaatseisen voor bomen: - Boom 1e grootte (= > 15 meter hoog en 10 meter breed), plantafstand minimaal 5 meter uit de gevel, streefafstand 6 meter; - Boom 2e grootte (= 8 tot 15 meter hoog en 7,5 meter breed), plantafstand minimaal 4 meter uit de gevel, streefafstand 5 meter; - Boom 3e grootte (=<8 m en 5 meter breed), plantafstand minimaal 3 meter uit de gevel streefafstand 4 meter; - Deze plant-strook heeft bij voorkeur een groen invulling, bijvoorbeeld gras of heesters. Indien verharding wordt toegepast, dan moet dit een vocht- en luchtdoorlatende verharding zijn die niet zwaar belast wordt. • De boomspiegel (de zwarte grond rond de stam) moet een minimale maat hebben van 1,80 bij 1,80 meter (zie HIOR).
4.4.5 Principeprofielen, type straten, ruimtes en plekken Randvoorwaarde • Louis Pasteurstraat is in de profieltypen van de inrichting van de openbare ruimte benoemd als profiel A, wijkontsluiting. • Louis Pasteurstraat maakt onderdeel uit van de hoofdbomenstructuur op wijkniveau. Op wijkniveau bestaat de bomenstructuur uit grote en middelgrote bomen. Bomen hebben voldoende ondergrondse ruimte. De ondergrondse ruimte die bomen nodig hebben is in principe even groot als het kroonvolume. De wens is dat in elke straat zicht is op minimaal één boom. Voor bomen in de wijk kiest Haarlem voor kwaliteit in plaats van kwantiteit. Liever wat minder maar wel gezonde bomen dan veel bomen van slechte kwaliteit. • Afgekoppeld hemelwater wordt geborgen op straat en vertraagd afgevoerd op het boezemsysteem. Bergingscapaciteit van de profielen is tenminste 90 mm zonder dat er water de gebouwen inloopt. P. 36 SPVE Project Pasteur
4.4.6 Maaiveldinrichting Eisen • Randen aansluiten op context. • Er moet voldaan worden aan het technisch PVE. • Verhang max. 2 %. • Boomspiegels en plantvakken liggen verlaagd/ a-niveau. • Fiets parkeren voor bezoekers wordt opgelost in de openbare ruimte. • Eisen OGVC’s bovengronds: Bij vergroening (aanplanten bomen) in de buurt van ondergrondse afvalcontainers wordt rekening gehouden met ten minste 10 meter hoogte vrije ruimte voor de kraan. Ook dient aandacht te zijn voor de draaicirkel van de kraan. Ook de bereikbaarheid van het inzamelvoertuig (de route naar de aanbiedlocatie) dient te worden gegarandeerd (5 meter). • Nutsvoorzieningen zoals trafostations en andere installaties (waaronder eventuele WKO-installatie met uitzondering van de bronput en leidingwerk) worden niet in de openbare ruimte geplaatst, maar inpandig en zo veel mogelijk uit het zicht opgelost. • Lichtmasten moeten minstens drie meter vanaf de stam van de boom staan. Dit om te voorkomen dat de kronen te veel licht afschermen. De volgroeide kroon moet minstens één meter uit de gevel blijven. Dit om overlast aan gebouwen te voorkomen. Met het oog op kostenbewust bomenbeheer moeten bomen zoveel mogelijk in grasstroken of beplanting worden geplant (bomenbeleidsplan Haarlem). • Toegankelijkheidsmaatregelen, zie paragraaf 4.8 Mobiliteit. • Sociale veiligheid, zie paragraaf 4.9 Sociale Veiligheid.
• Klimaat adaptieve maatregelen, zie paragraaf 4.10 Duurzaamheid. 4.4.7 Ondergrond Eisen • Ondergrondse reservering Bomen: - 1e grootte minimaal 20 m³ per boom, minimaal 2,5 meter breed en 8 meter lang, vrij van kabels & leidingen. - 2e grootte minimaal 16 m³ per boom, minimaal 2,5 meter breed en 6 meter lang, vrij van kabels & leidingen. - 3e grootte minimaal 10 m³, minimaal 2,5 meter breed en 4 meter lang, vrij van kabels & leidingen. • Ondergronds reservering Warmtenet; vrije zone van 4 meter. 4.4.8 Afvalinzameling In de openbare ruimte worden de grondstoffen centraal ingezameld. Dit gebeurt in een vijftal stromen: restafval, papier en karton, verpakkingsglas, PBD (plastic, blik en drankenkartons) en GFT (groente-, fruit- en tuinafval). Dit geldt zowel voor particulieren
als voor bedrijfsafval. Eisen particulier afval • Particulier wordt aangesloten op ondergrondse containers. Het aantal ondergrondse containers is afhankelijk van het aantal huishoudens. • Ondergrondse containers worden op logische en voor de bewoners veilig te bereiken plekken geplaatst. De routes zijn ook voor ouderen en mindervaliden goed begaanbaar. Let hierbij op dat eventuele hoogteverschillen makkelijk te nemen zijn met een afvalbak of zak in de hand. • Wat betreft de loopafstand naar de grondstoffencontainers (grondstofstraatjes voor GFT, PBD, papier en restafval): deze moet zo klein mogelijk zijn, maar maximaal 75 meter gemeten vanaf de entree van het appartementengebouw tot aan de container. Het betreft de daadwerkelijk te lopen route, dus niet hemelsbreed gemeten. • Containers zijn goed bereikbaar voor de inzamelwagen conform eisen Spaarnelanden. • Het inrichten van aanbiedplaatsen voor particulier afval gebeurt volgens de richtlijnen uit de structuurvisie openbare ruimte (SOR) om de ruimtelijke impact van deze containers te beperken: - Containers zijn niet zichtbaar vanaf ‘lange lijnen’; - Containers zijn minimaal zichtbaar vanaf straat- of pleinzijde; - Containers worden centraal geclusterd in lijn- of blokopstelling; - Clustering vindt plaats met overig meubilair; - Groenstroken blijven vrij van containers.
Eisen bedrijfsafval • Bedrijfsafval worden op eigen terrein en niet zichtbaar vanaf de openbare ruimte, gestald. Voor de commerciële en maatschappelijke voorzieningen in de plinten van de blokken betekent dit dat deze een inpandige opslagruimte voor bedrijfsafval hebben. Alleen de toegangen tot deze ruimten zijn zichtbaar vanaf de openbare ruimte. 4.4.10 Beeldkwaliteitsregels Openbare Ruimte • Randen aansluiten op context; Zuidrand: De inrichting van de stedelijke kade sluit aan op het nu in aanbouw zijde plan Haave: met een sterke verblijfsfunctie en een brede groenstrook. Materialen, kleuren, verbanden et cetera lopen vloeiend door in Haave. Westrand en Noordrand: trottoir Pasteurstraat. Oostrand: trottoir Roordastraat • Het beplantingsconcept gaat uit van inheemse soorten. In de uitwerking van de beplanting en de inrichting van de openbare ruimte zal aandacht zijn voor biodiversiteit en zal gekeken worden naar het realiseren van meer groene informele randjes. • Het zuidelijke entreeplein zal net als de kade ter plaatse van Haave gekenmerkt worden door een eigen, verbijzonderde inrichting, de focus ligt op groen en verblijfskwaliteit. In het maaiveldontwerp voor deze plek wordt duidelijk hoe de bestaande bomen een
onderdeel vormen van het nieuwe groenconcept. • Boomspiegels en plantvakken liggen verlaagd/ a-niveau. • De objectencatalogus (meubilair, fietsparkeervoorzieningen, verlichtingsmasten en armaturen et cetera) sluit aan op de omliggende inrichting in de omgeving. 4.5 GROENPARAGRAAF Deze paragraaf geeft aan waar een groenparagraaf, gekoppeld aan het stedenbouwkundig plan op in dient te gaan. In paragraaf 2.2 is beschreven wat de huidige groen- en bomenkwaliteit is (mede op basis van de gemaakte Bomen Effect Analyse, zie bijlage II). In paragraaf 3.4.5 is de stedenbouwkundige afweging omschreven tussen behoud van bestaande (deels gemeentelijk waardevolle) bomen en het inpassen van nieuwe woongebouwen. Randvoorwaarden • De ontwikkelende partijen stellen een groenparagraaf op. Deze wordt gekoppeld aan het stedenbouwkundig plan en het maaiveldontwerp en moet voldoen aan de in dit SPvE gestelde randvoorwaarden en eisen. Hierbij wordt de bestaande en de nieuwe situatie tegen elkaar afgewogen en wordt de nieuwe situatie onderbouwd. Dit betreft: - groenoppervlakte (onverhard terrein bestaand en nieuwe), - bomen (bestaande bomen, bestaande waardevolle bomen, nieuwe bomen), - ecologische waarden (bestaand en nieuw), - beeldkwaliteit van het groen (bestaand en nieuwe).
Eisen • Voor bomen met dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 15 centimeter (omtrek 50 cm) op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld geldt een vergunningplicht voor kap en een herplantplicht. • De in de planvorming te kappen bomen worden onderbouwd in het SP. Hiervoor wordt een compensatieplan opgesteld. De bomen waarvoor herplantplicht geldt, worden in ieder geval gecompenseerd binnen het plan (zie kaders 4.4.4). Behalve een kwantitatieve onderbouwing wordt er ook een kwalitatieve onderbouwing gevraagd. Hierin wordt ook ingegaan op de kwalitatieve compensatie van de te verwijderen beschermwaardige bomen (bomen zijn minimaal 2e grootte). • Voor alle bomen die door de planvorming niet houdbaar zijn op hun huidige standplaats geldt de eis dat wordt onderzocht door een gediplomeerd boomtechnisch adviseur in afstemming met de gemeente (OMB & BBOR) of de boom verplantbaar is met behoud van de huidige levensverwachting en beeldkwaliteit en welke eisen hierbij gelden (zoals extra standplaatseisen). • De beeldkwaliteit van het groen wordt sterk verbeterd en de ecologische waarde neemt P. 37
toe door een (grotendeels) inheems beplantingsassortiment dat bijdraagt aan een hogere biodiversiteit.
• De zuidelijke rooilijn van blok B ligt in lijn met de positie van de rooilijn grenzend aan de gracht en de Floris van Adrichemlaan in Haave.
4.6 GEBOUWEN Deze paragraaf geeft de stedenbouwkundige kaders waar de gebouwontwerpen aan moeten voldoen. De kaders zijn onderverdeeld in de volgende thema’s: 1. Harde- & flexibele rooilijnen 2. Gebouwhoogten, setbacks, balkons & loggia’s 3. Plinten algemeen: levendig en transparant 4. Commerciële en maatschappelijke voorzieningen in de plint 5. Wonen in de plint en overgang openbaar/privé 6. Hoofdentrees appartementen 7. Parkeergarages, laden & lossen en bijbehorende entrees 8. Fietsenstallingen, bergingen en bijbehorende entrees 9. Nutsvoorzieningen en andere installaties in de gebouwen en op de daken 10. Beeldkwaliteit gebouwen
Eisen (flexibele rooilijnen) • De oostelijke rooilijnen van blok A en B liggen in een lijn maar de positie kan geoptimaliseerd wordt in relatie tot de blokdiepte en de centrale groen binnenruimte. • De zuidelijke rooilijnen van blok A en C laten voldoende ruimte (15m) voor de groenzone tussen de blokken • De noordelijke rooilijn van blok B ligt in lijn met de positie van de trafo ruimte ten noorden van de flat van Pré Wonen. • De westelijke rooilijnen van blok A en B liggen in een lijn en laten voldoende ruimte (14.8m) voor de groenzone tussen de blokken
4.6.1 Harde- & flexibele rooilijnen De positionering van de bouwvlakken komt voort uit de stedenbouwkundige hoofdopzet, zie hoofdstuk 3 en paragraaf 4.3. De doorgetrokken rode lijnen op de spelregelkaart Openbare ruimte & ondergrond (zie paragraaf 4.2.1) zijn de harde, vereiste rooilijnen. Deze zijn van belang om te borgen dat Project Pasteur goed wordt aangetakt op grotere structuurlijnen in Boerhaave aan de west- en oostrand. Ze zijn ook van belang om te borgen dat Project Pasteur goed wordt aangesloten op de directe omgeving. Behalve harde rooilijnen zijn er ook een aantal flexibele rooilijnen. Deze zijn bewust flexibel: omdat er ruimte aan de ontwikkelende partijen wordt geboden voor een eigen oplossing binnen de meegegeven kaders. Randvoorwaarden (harde rooilijnen) • De noordelijke rooilijnen van blok A en B, sluiten aan op de rooilijnen van het bestaande blok op de locatie en de oostelijk gelegen noord-zuid portiekflats. • De oostelijke rooilijnen komen voort uit de oost en west rooilijnen van blok C welke aansluiten op de rooilijnen van de bestaande blokken op de locatie. Om de benodigde ruimte voor blok C te behouden en ruimte te bieden aan de boomkronen in het middengebied schuift het blok 1.3m richting Roordastraat rekening houdend met voldoende ruimte voor privé ruimtes voor de woningen, voldoende stoep en dwarsparkeren in aansluiting op het bestaande straatprofiel.
P. 38 SPVE Project Pasteur
4.6.2 Gebouwhoogten, balkons & loggia’s De kaders met betrekking tot gebouwhoogten balkons en loggia’s komen voort uit de stedenbouwkundige hoofdopzet, zie hoofdstuk 3 en paragraaf 4.3. Op de spelregelkaart Functies en gebouwhoogten (zie paragraaf 4.2) zijn de randvoorwaarden en eisen te zien met betrekking tot gebouwhoogten. Randvoorwaarde • De spelregelkaart Functies en gebouwhoogten geeft de bouwhoogten, de setbacks en de gevels waar balkons en waar loggia’s moeten komen. • De op de spelregelkaart aangeven hoogten van gebouwen zijn exclusief dakranden en eventuele installaties op het dak (in het omzetten van aantal lagen naar meters wordt rekening gehouden met de mogelijkheid in hout te bouwen en de extra benodigde verdiepingshoogte t.b.v kantoor. • Zowel balkons als loggia’s zijn toegestaan maar mogen max. 1.7m buiten de gevel steken. 4.6.3 Plinten algemeen: levendig en transparant • Gevelwanden van voorzieningen op de begane grond moeten minimaal 70% transparant zijn. Gevelwanden van woningen op de begane grond moeten minimaal 50% transparant zijn. Let hierbij op dat onder transparantie meer wordt verstaan dan voldoende glasvlakken in de gevel: het gaat om de ervaring van de gevel op ooghoogteniveau.
• De aangeduide levendige voorzieningen- of woonplinten krijgen niet te grote onderbrekingen door bijvoorbeeld een entreehal naast een entree van fietsenstalling en een trafo-ruimte te plaatsen. Door deze combinatie wordt de onderbreking te groot. Noodzakelijk ‘doods’ of weinig levendig programma, dient dus zo veel mogelijk afgewisseld te worden met levendig voorzieningen- en woonprogramma.
4.6.4 Maatschappelijke voorzieningen in de plint en op de verdieping Op de spelregelkaart Functies en gebouwhoogten (zie paragraaf 4.2) is te zien waar de maatschappelijke voorzieningen gepositioneerd worden. De ruimte tussen blok B en de gracht aan de Floris van Adrichemlaan is de plek met de meeste reuring. Eisen functies • Op de spelregelkaart Functies en gebouwhoogten (zie paragraaf 4.2) (zie paragraaf 4.2.2) geeft aan waar de maatschappelijke voorzieningen dienen te komen. Zie voor kaders programma paragraaf 4.7. Eisen afmetingen • De voorzieningen hebben een hoogte van ca. 3,5 meter van vloer tot en met de volgende verdiepingsvloer. Overige, kwalitatieve eisen • Raampartijen die vanwege achterliggende functies door de gebruiker waarschijnlijk afgedekt gaan worden met folie of lamellen worden niet als transparante gevels beschouwd (zie ook paragraaf 5.13). 4.6.5 Wonen in de plint en overgang openbaar/privé In alle drie de blokken zal ook op de begane grond gewoond gaan worden. De opgave is hier enerzijds het bieden van voldoende privacy voor de bewoners, maar tegelijkertijd zorgen voor voldoende levendige plinten ten bate van een sociaal veilige en aangename openbare ruimte.
Dit wordt bereikt door levendige functies zoals een keuken, kantoor of woonkamer aan de openbare ruimte te situeren, de woningen een eigen voordeur te geven en de overgang openbaar/privé zorgvuldig vorm te geven middels een voortuin of ‘Delftse stoep’. Een maisonnettewoning is een voorbeeld van een woningtypologie die voldoet aan bovenstaande doelstellingen. Eisen • Woningen op de begane grond krijgen aan de kant van de openbare ruimte zo veel mogelijk levendige functies zoals een keuken, kantoor of woonkamer. • Woningen op de begane grond krijgen zo veel mogelijk een eigen voordeur aan de openbare ruimte. • De overgang openbaar/privé dient zorgvuldig ontworpen te worden zodat het de bewoners voldoende privacy biedt en tegelijkertijd bijdraagt aan de levendigheid en het groene karakter van de openbare ruimte. Wensen • Woningen in de plint geschikt maken voor ouderen.
4.6.6 Hoofdentrees appartementen Appartementen dienen volwaardige hoofdentrees aan de straat te krijgen zonder hoogteverschillen. De entrees dienen vanaf de straat goed zichtbaar te zijn en royale afmetingen te krijgen. Doel hiervan is het vergroten van de sociale veiligheid ter plekke van de entrees en toegankelijkheid te waarborgen. Speciale aandacht vragen brievenbussen bij entrees waar veel woningen op ontsloten worden. Hierbij dient voorkomen te worden dat een te groot deel van de begane grondgevel in beslag genomen wordt door een lange, ‘doodse’ brievenbussenwand. Eisen • Hoofdentrees van appartementengebouwen krijgen royale afmetingen. • Hoofdentrees van appartementengebouwen krijgen een transparante gevel. • Hoofdentrees aan pleinen of in zichtassen domineren de plint van het gebouw niet. • Geen lange, ‘doodse’ brievenbussenwanden bij entrees waar veel woningen op ontsloten worden. (t.a.v. toegankelijkheid zie ook 4.8.2) Wensen • Nabij de entree of de lift van gebouwen is inpandig ruimte voor het veilig parkeren van een scootmobiel. 4.6.7 Parkeren, parkeervoorzieningen en bijbehorende entrees Auto parkeren voor bewoners en bezoekers is vooral op de straat buiten de blokken waarbij gebruik wordt gemaakt van de aanwezige parkeercapaciteit in de openbare ruimte rondom en de overcapaciteit op het terrein van Pré Wonen.
Autoparkeervoorzieningen in Blok C dienen inpandig en uit het zicht opgelost te worden, zie paragraaf 4.8.6. De toegang dient de gebouwplint en de openbare ruimte waaraan ze gelegen is niet te domineren. Eisen • Eventueel noodzakelijke containers bedrijfsafval worden inpandig en uit het zicht opgelost. • Toegangen tot parkeergarages of parkeerterreinen worden niet aan pleinen of in zichtlijnen van straten gepositioneerd. • Toegangen tot parkeergarages worden minimaal 5 meter uit de hoek van een gebouw geplaatst. • Toegang tot parkeergarage worden zodanig geïntegreerd in het gebouwontwerp dat de kwaliteit van de begane grondgevel zo min mogelijk wordt verstoort.
P. 39
V V
V V
V
A
V V
C
V
V
V
B
V
V
V groene verbindingen
heldere volumes op de stempel
bestaande blokhoogte
5l. 4l.
5l.
3l.
opbouw hoogtes in het voorstel
P. 40 SPVE Project Pasteur
alzijdigheid van de nieuwe blokken
4.6.8 Fietsenstallingen, bergingen en bijbehorende entrees Fietsparkeren voor bewoners en werknemers dient inpandig en uit het zicht opgelost te worden. Eisen • Fietsparkeren voor bewoners en werknemers dient inpandig en zo veel mogelijk uit het zicht vanaf de openbare ruimte, opgelost te worden. • Inpandige fietsenstallingen (en eventueel individuele bergingen) worden zodanig gepositioneerd en ontworpen dat deze zo min mogelijk zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte. • De plint van een gebouw wordt nooit gedomineerd door inpandige fietsenstallingen, tenzij het een gevel aan een (af te sluiten) binnenterrein betreft of een ondergeschikt tussenstraatje. • Toegangen tot de fietsenstallingen worden zodanig geïntegreerd in de gebouwontwerpen dat ze de kwaliteit van de begane grondgevel zo min mogelijk verstoren. wensen • Parkeren van scootmobielen wordt inpandig en veilig opgelost. 4.6.9 Nutsvoorzieningen en andere installaties in de gebouwen en op de daken De ontwikkelende partij inventariseerd bij de verschillende nuts- en telecombedrijven de behoefte aan nutsvoorzieningen zoals trafostations en andere kasten (waaronder eventuele WKO-installaties) en bijbehorende technische randvoorwaarden. Uitgangspunt is dat al deze voorzieningen inpandig en zo veel mogelijk uit het zicht worden opgelost.
De ontwikkelende partij maakt ook een inventarisatie van de benodigde technische voorzieningen die boven op de gebouwen geplaatst moeten worden zoals liftopbouwen, klimaatinstallaties en duurzame energieopwekking. Uitgangspunt is dat deze voorzieningen niet zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte of verwerkt worden in de architectonische signatuur van het gebouw. Uit wetenschappelijk onderzoek zijn aanwijzingen gevonden dat er een verhoogde kans op kinderleukemie is als de blootstelling over langere tijd gemiddeld boven de 0,4 microtesla magnetische veldsterkte komt. Daarom geldt de randvoorwaarde dat in verblijfsruimten nabij een transformator de gemiddelde veldsterkte beneden de 0,4 microtesla moet blijven.
• Traforuimten dienen zodanig ontworpen en gepositioneerd te worden dat het jaargemiddelde magnetische veld bij de omliggende woningen beneden 0,4 microtesla blijft. Concreet betekent dit dat er geen verblijfsruimten direct naast of boven traforuimten geplaatst mogen worden. Eisen • Nutsvoorzieningen zoals trafostations en andere installaties (waaronder eventuele WKO-installatie met uitzondering van de bronput en leidingwerk) worden in principe niet niet in de openbare ruimte geplaatst, maar inpandig en zo veel mogelijk uit het zicht opgelost. • Technische ruimten liggen minimaal 5 meter uit de hoek van het gebouw. Dit geldt niet voor een gevel aan een (af te sluiten) binnenterrein. • Indien er geen andere opties voorhanden zijn dan technische ruimten in de voorgeschreven levendige voorzieningen- of woonplinten te plaatsen (zie spelregelkaart paragraaf 4.2.2), dan dient voorkomen te worden dat er een te lange onderbreking in de levendige plint ontstaat, zie paragraaf 4.6.3. • Gevels van, en toegangen tot technische ruimten worden zodanig in de gebouwenontwerpen geïntegreerd dat ze de architectonische kwaliteit van de begane grondgevel zo min mogelijk verstoren. • Toegangen tot technische ruimten veroorzaken geen onveilige situaties of overlast van onderhoudsvoertuigen op fiets- en wandelpaden.
• Technische voorzieningen die boven op de gebouwen geplaatst moeten worden (zoals liftopbouwen, klimaatinstallaties en duurzame energieopwekking) zijn niet zichtbaar vanaf de openbare ruimte of worden verwerkt in de architectonische signatuur van het gebouw. 4.6.10 Beeldkwaliteit gebouwen De kaders met betrekking tot de beeldkwaliteitsaspecten van de gebouwen zijn te vinden in Hoofdstuk 5 Kaders beeldkwaliteit gebouwen. Dit hoofdstuk geeft op hoofdlijnen de thema’s weer die verder uitgewerkt moeten worden in het beeldkwaliteitsplan behorende bij het stedenbouwkundig plan voor Project Pasteur. Net als het stedenbouwkundig plan wordt dit beeldkwaliteitsplan opgesteld door de ontwikkelende partij. Samen met het ambtelijke projectteam beoordeeld de supervisor of dit beeldkwaliteitsplan voldoende invulling geeft aan de in dit SPvE meegegeven beeldkwaliteitskaders.
Randvoorwaarde P. 41
04. SPELREGELS RANDVOORWAARDEN, EISEN EN WENSEN 4.7 PROGRAMMA Deze paragraaf maakt de vertaalslag naar een concreet programma dat invulling geeft aan de gestelde ambities en de visie op de ontwikkeling van Project Pasteur zoals te lezen is in hoofdstuk 2 en 3. In de drie blokken samen is ruimte voor maximaal 15.400 m2 BVO (exclusief aangehangen buitenruimtes en galerij aan de binnenzijde van blok C) 4.7.1 Woonprogramma Randvoorwaarden • Door de ontwikkeling van Project Pasteur (verdichting) worden er meer woningen toegevoegd. Woningdifferentiatie is uitgangspunt bij deze ontwikkeling. Er worden appartementen van verschillende grootte voorgesteld. Van de 150 voorgestelde woningen komen er 20 koopwoningen, dat is ca. 30% van de extra woningen. Ook in het sociale huursegment zelf wordt gedifferentieerd. Eisen • Uitgangspunt is minimaal terugbouwen van het aantal sociale huurwoningen. • Voor de extra woningen heeft het de voorkeur dat deze volgens de 40-40-20 verdeling gerealiseerd wordt maar dit is geen randvoorwaarden een andere verdeling is ook bespreekbaar als dat noodzakelijk is voor realisatie van een haalbaar plan. (Dit is besproken en vastgelegd in een aangenomen motie van juli 2021) • De sociale huurwoningen hebben een minimale oppervlakte van 40m² GBO en beschikken tenminste over één slaapkamer. • Het betreft zelfstandige woningen.
Een zelfstandige woning is een woning met o.a. eigen toegang en eigen keuken, badkamer, slaapkamer en toilet. • De ontwikkeling zet overwegend in op betaalbare twee- en driekamerappartementen in het sociale segment, met nadruk op starters en ouderen, conform vastgesteld woonvisie. • De koopwoningen hebben een minimale oppervlakte van 50m² GBO en tenminste 50% van de op te leveren koopwoningen is groter dan 60m² GBO. • Van het percentage voor de koopwoningen met een minimale oppervlakte van 60m² GBO kan worden afgeweken indien sprake is van een technische beperking als gevolg van het Bouwbesluit of conflicterende belangen met de stedenbouwkundige randvoorwaarden en eisen. Deze afwijkingsruimte is zeer beperkt en de gemeente dient akkoord te geven in het geval van een dergelijke afwijking. Wensen • Woningen kleiner dan 60m² zijn schakelbaar zodat deze vergroot kunnen worden. Woningen in de plint zijn geschikt om in de toekomst om te zetten naar andere (nietwoon-) functies. • De locatie en stedelijkheid in het gebied leent zich ook voor woonwerk-concepten. P. 42 SPVE Project Pasteur
4.7.2 Niet-Woonprogramma Randvoorwaarden • Naast woningbouw wordt ook ruimte gereserveerd om buurtgerichte, vrije economische of maatschappelijke voorzieningen te realiseren. Eisen • Het plan bevat ca. 1.400 m2 BVO kantoor t.b.v. een maatschappelijk dienstverlener op de verdieping van blok B. • In de plint op de kop van het blok aan de kant van de Floris van Adrichemlaan en de gracht is ook ruimte, ca. 200 m2 BVO voor een publieksfunctie gekoppeld aan de maatschappelijk dienstverlener. Deze twee functies zijn intern met elkaar verbonden. • De hierboven genoemde ruimtes voor niet-woonfuncties voorzien in werkgelegenheid. • Publieke voorzieningen in de plint hebben een open uitstraling en zijn openbaar toegankelijk. Wensen • Met de indeling van het kantoor en de publieksruimte op de begane grond wordt rekening gehouden in de toekomst de mogelijkheid te hebben deze ruimtes weer om te zetten naar woningen. 4.8 MOBILITEIT In deze paragraaf worden de kaders voor de volgende mobiliteitsaspecten behandeld: 1. Bijdrage Haarlemse mobiliteitstransitie 2. Toegankelijkheid voetgangers & mindervaliden 3. Fietspaden & fietsenstallingen 4. Fietsparkeren bewoners & werknemers 5. Fietsparkeren bezoekers 6. Autoparkeren bewoners, werknemers en bezoekers 7. Toegankelijkheid calamiteitendiensten 8.
Afvalinzameling, laden & lossen, pakketbezorging, personenvervoer, et cetera Met het stedenbouwkundig plan (SP) en het mobiliteitsplan (MP) onderbouwt de ontwikkelende partij hoe aan de in dit hoofdstuk beschreven onderdelen wordt voldaan. In het MP wordt ook beschreven hoe de (toekomstige) bewoners duidelijk op de hoogte worden gesteld van de mobiliteitsoplossingen in het gebied. Hierin wordt ook aangegeven hoe de communicatie voor de komende (tenminste) vijf jaar is geborgd.
4.8.1 Bijdrage Haarlemse mobiliteitstransitie De inrichting van Project Pasteur nodigt uit om je te verplaatsen te voet, te fiets of met het openbaar vervoer. De voorzieningen voor deze gewenste vervoerswijzen worden goed vormgegeven en routes vormen logische, directe verbindingen. De voetganger en fietser voelt zich welkom en begrepen, evenals de OV-reiziger. Een goede toegankelijkheid te voet maar ook met de fiets en korte verbindingen van of naar het openbaar vervoer dragen daar aan bij. De vastgoedeigenaar, beheerder of VVE blijft verantwoordelijk voor een geschikte mobiliteitsoplossing.
(rolstoelvriendelijk). Wensen • Woningen zijn rollatortoegankelijk. • Woningen zijn rolstoeltoegankelijk. • Nabij de entree of de lift van gebouwen is inpandig ruimte voor het veilig parkeren van een scootmobiel. 4.8.3 Fietsparkeren bewoners & werknemers Al het fietsparkeren van de bewoners en de werknemers van de voorzieningen wordt volledig inpandig opgelost (zie paragraaf 4.6.8). Stallingen zijn makkelijk toegankelijk.
4.8.2 Toegankelijkheid voetgangers & mindervaliden In het gebied is het gemakkelijk, veilig en comfortabel verblijven voor voetgangers. Hiermee wordt Project Pasteur levendig en zijn ontmoetingen op straat makkelijk. Door de locatie lopen enkele hoofdroutes die in het gebied de voorzieningen en de woningen ontsluiten. Deze looproutes sluiten ook aan op de looproutes naar omliggende wijken. Hiermee wordt het gebied en de omliggende wijken gemakkelijk toegankelijk en veilig bereikbaar voor voetgangers. Randvoorwaarden • Het hele gebied en alle bestemmingen zijn toegankelijk voor mensen met een beperking en wordt conform bouwbesluit, richtlijnen CROW (ASVV) en Richtlijn toegankelijkheid (CROW 337) ingericht. • Alle voetpaden hebben een minimaal effectieve breedte van 2,2 meter. Effectief betekent dat: zonder obstakels van (wild) geparkeerde fietsen, straatmeubilair, e.d.
Eisen fietsparkeren bewoners • Fietsparkeren van bewoners wordt inpandig opgelost. • (Collectieve) stallingen voor bewoners moeten voldoen aan de Haarlemse Beleidsregel bergingen nieuwe woongebouwen (2018) met een aantal aanscherpingen om de fiets echt prioriteit te geven conform het Haarlemse Mobiliteitsbeleid (2021): • Stallingen zijn makkelijk toegankelijk om stallen in openbare ruimte tegen te gaan. De fietsenstalling is afsluitbaar en niet toegankelijk voor onbevoegden. • Er mogen maximaal twee deuren tussen de openbare ruimte en stallingsplek zitten. Deze deuren zijn gemakkelijk, licht en snel in het gebruik. Bij voorkeur gemakkelijk automatisch en snel te openen.
Eisen • De looproutes van en naar de ingangen van de gebouwen sluiten op een logische manier aan op de doorgaande looproutes in en door het gebied. • Looproutes zijn sociaal veilig. De routes bieden voldoende zicht, zijn voldoende breed, goed verlicht en hebben vooral voldoende contact met omgeving zodat de voetganger gezien wordt (zie paragraaf 4.9). • Alle bestemmingen zijn goed bereikbaar voor mindervaliden. Reisafstanden voor mindervaliden bedragen maximaal een factor 1,4 ten opzichte van niet beperkte verplaatsingen. • Trappartijen ter overbrugging van eventuele hoogteverschillen in de openbare ruimte worden in de (directe) nabijheid voorzien van een hellingbaan voor mindervaliden. Hellingbanen voor minderinvaliden worden zodanig ontworpen dat misbruik door bijv. fietsers wordt tegengegaan. • Entrees van gebouwen zijn voldoende breed voor mensen met een beperking
4.8.4 fietsparkeren bezoekers Eisen • Voor het stallen van fietsen van bezoekers moet 0,5 fietsparkeerplek per woning worden gerealiseerd. • Aantallen en maatvoering voor fietsparkeren van de bezoekers van de verschillende voorzieningen conform de richtlijnen van het CROW (Leidraad fietsparkeren) waarbij de maximale bandbreedte moet worden aangehouden. Bij de winkelfunctie wordt rekening gehouden met bezoekers parkeren. • De positionering van fietsparkeren wordt integraal meegenomen in het ontwerp van de buitenruimte.
wensen • Parkeren van scootmobielen wordt inpandig en veilig opgelost.
4.8.5 Autoparkeren bewoners, werknemers & bezoekers Kwantitatief uitgangspunt is het Haarlems Parkeerbeleid. Dit beleid is in de basis afkomstig uit 2015 en laatstelijk bijgesteld in 2019. P. 43
Als, anticiperend op eventueel nieuw parkeerbeleid, wordt afgeweken van het beleid dient dit in de mobiliteitsplannen afdoende (noodzaak, invulling, verschuivingseffecten e.d.) onderbouwd te worden en te passen binnen/bij te dragen aan de gewenste mobiliteitstransitie. Bewoners en bezoekers parkeren hun auto op straat en maken daarbij gebruik van de aanwezige parkeerplekken en de overcapaciteit in de directe omgeving. Werknemers parkeren hun auto in parkeervoorziening in blok C. Eisen • Het aantal te realiseren parkeerplaatsen voor bewoners moet voldoen aan het Haarlems Parkeerbeleid. • Ten minste 2% van de parkeervraag wordt gerealiseerd en gereserveerd voor mensen met een beperking. Bij deze parkeerplaatsen geldt dat de maximale loopafstand tussen hoofdentree of de lift naar de bestemming van 50 meter bedraagt. De route is gemakkelijk toegankelijk, veilig en voldoende breed voor mensen in een rolstoel. • Laadvoorzieningen voor elektrische voertuigen worden minimaal conform bouwbesluit gerealiseerd. De laadcapaciteit dient daarbij zodanig te zijn dat bij oplevering minimaal 25% van de parkeerplaatsen wordt voorzien van elektrische laadinfrastructuur en uitbreiding daarvan tot 80% in de voorbereiding (bijv. ruimte voor bekabeling) wordt meegenomen. Dit mag worden ingevuld door ‘Smart charging’, maar dient dan wel onderbouwd te worden.
• Het is mogelijk om in het mobiliteitsplan onderbouwd af te wijken van de parkeernormen door de inzet van deelauto’s voor bewoners. De effectiviteit van deelauto’s hangt voor een groot deel samen met verschillende factoren. De initiatiefnemer onderbouwd hoe deze factoren terugkomen bij de ontwikkeling. • Voor parkeerplaatsen gelegen op terreinen en in parkeergarages geldt de NEN 2443:2013, Parkeren en stallen van personenauto’s op terreinen en in parkeergarages. • Voor alle overige typen parkeerplaatsen: ASVV 2012, aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom, december 2013. • In-/uitritten van parkeergarages en parkeerterreinen dienen verkeersveilig ontworpen te worden (conform CROW-richtlijnen). Speciale aandacht voor uitritten haaks op doorgaande fietsroutes. 4.8.6 toegankelijkheid calamiteitendiensten Politie, ambulance en brandweer dienen te alle tijden toegang te hebben tot de openbare ruimte en de gebouwen in Project Pasteur. Het stedenbouwkundig plan, het mobiliteitsplan, het ontwerp van de openbare ruimte en de gebouwontwerpen zullen daarop beoordeeld worden door de hulpdiensten. Hieronder volgende de kaders met P. 44 SPVE Project Pasteur
betrekking tot toegankelijkheid op hoofdlijnen: Randvoorwaarden • Alle gebouwen zijn goed bereikbaar voor calamiteitendiensten waarbij de betreffende voertuigen op minimaal 10 meter van de hoofdentree van de gebouwen kunnen komen. • Bij de ingebruikname van de gebouwen (bij de sleuteloverdracht) is de openbare ruimte rond de gebouwen onbelemmerd toegankelijk voor de hulpdiensten en hun voertuigen Eisen • Calamiteitendiensten kunnen middels een pasje poorten en hekken tot collectieve binnenterreinen, garages en stallingen openen. 4.8.7 Afvalinzameling, laden & lossen, verhuisdiensten, pakketbezorging, personen vervoer, et cetera. In het plangebied worden woningen en voorzieningen toegevoegd. Deze functies generen logistieke stromen (afval, pakketleveringen, verhuizingen, taxi’s, enz., enz.). Uitgangspunt is dat deze ‘reguliere’ logistieke stromen zo veel mogelijk aan de randen van het plangebied worden afgewikkeld en buiten het domein van voetgangers en fietsers plaatsvinden. Eisen • Foutief gebruik van de openbare ruimte (zoals laden en lossen op trottoir of fietspad, enz., enz.) dient op een ‘vriendelijke manier’ onmogelijk gemaakt te worden (inrichting gaat vóór regulering) én door het aanbieden van goede voorzieningen. • Afvalinzameling conform de eisen in paragraaf 4.4.
Ondergrondse containers en locaties waar containers zijn opgesteld zijn toegankelijk voor de gangbare reguliere inzamelvoertuigen. • Laden en lossen voor de maatschappelijke functies geschiedt uit het zicht en op een veilige manier, zie ook paragraaf 4.6. • Verhuisdiensten dienen tot 10 meter van een (hoofd)entree te kunnen komen. 4.9 SOCIALE VEILIGHEID Sociale veiligheid en het voorkomen van overlastsituaties zijn belangrijke thema’s waar zowel het stedenbouwkundig plan, het ontwerp voor de openbare ruimte als de gebouwontwerpen aan getoetst gaat worden (in afstemming met de nood- en hulpdiensten). Met betrekking tot sociale veiligheid en het voorkomen van overlast wordt onderscheidt gemaakt in de kaders voor: 1. Openbare & collectieve buitenruimten; 2. Overgangen openbaar/privé: overstekken, entrees, et cetera;
3. In de gebouwen: entreehallen, traphuizen, liften, garages, stallingen, et cetera. Uitgangspunt is dat Project Pasteur een sociaal veilige leef- en verblijfsomgeving voor de bewoners, bezoekers en passanten wordt. Dit betekent een omgeving waarin men zich dag en nacht vrij kan bewegen zonder angst voor- of blootstelling aan bedreigingen en criminaliteit. Hiernaast dient de openbare ruimte en de gebouwen zodanig ontworpen te worden dat er geen hangplekken ontstaan waar omwonenden, werknemers en bezoekers geconfronteerd worden met geluid- en stankoverlast. Het ontwerp en de inrichting van de openbare ruimte en de collectieve buitenruimte is van invloed op de manier waarop gebruikers de omgeving ervaren. Het is van belang dat de beoogde gebruikers goed worden gefaciliteerd en potentiële overlastgevers of criminelen worden ontmoedigd. Een aantrekkelijke en heldere overgang tussen de openbare ruimte en privédomein is van essentieel belang voor een veilige beleving en het voorkomen van overlast voor de bewoners en de gebruikers van de gebouwen. Randvoorwaarden • De openbare ruimte en alle overgangen van openbaar naar privé, dat wil zeggen de plinten, entreegebieden en overgangszones tussen woning en straat/pad worden sociaal veilig ontworpen en zodanig ingericht dat mensen zich er dag en nacht veilig voelen.
• De openbare ruimte wordt zodanig ingericht dat overlastplekken voor omwonenden, werknemers en bezoekers worden voorkomen. • Alle overgangen van openbaar naar privé, dat wil zeggen de plinten, entreegebieden en overgangszones tussen de woning en de straat/pad worden zodanig ontworpen dat dit geen hangplekken worden met geluid- en stankoverlast voor de omwonenden en gebruikers en bezoekers van het gebouw tot gevolg. • De gebouwen en de onderdelen daarvan, waaronder de garages, en stallingen, voldoen aan het Bouwbesluit ten aanzien van veiligheid. Eisen: algemeen • ‘s Avonds en ‘s nachts worden de openbare ruimte en collectieve ruimten voldoende verlicht. • De openbare ruimte is herkenbaar, eenduidig en eenvoudig om in te oriënteren. • Alle plekken in de openbare ruimte, waaronder de plekken tussen de gebouwen zijn goed zichtbaar vanaf de openbare ruimte en vanuit de omliggende bebouwing (voldoende zichtrelaties). • Geen dode hoeken, nisjes of andere potentiële overlastlocaties. Eisen met betrekking tot wonen op de begane grond • Woningen op de begane grond krijgen bij voorkeur een eigen voordeur en een voortuin.
Deze overgangszone dient zodanig ontworpen te worden dat het in het gebruik bijdraagt aan de sociale interactie en niet vol gezet gaat worden met rommel of dichtgezet wordt met schuttingen. Eisen in de gebouwen • De gebouwen en de onderdelen daarvan, waaronder de garages en stallingen voldoen aan het Politiekeurmerk Veilig Wonen. • Collectieve ruimten in gebouwen zijn goed toegankelijk voor de beoogde gebruikers en ontoegankelijk voor ongewenste bezoekers. Collectieve ruimten zijn sociaal veilig. Er dient hierbij ook inzichtelijk gemaakt te worden wat de beoogde gebruikers van deze ruimten zijn. 4.10 DUURZAAMHEID Zoals in hoofdstuk 2 staat beschreven is de opgave om Project Pasteur duurzaam te ontwikkelen. In deze paragraaf is de Haarlemse Richtlijn duurzaam bouwen het kader waar minimaal aan voldaan moet worden. De richtlijn is in deze paragraaf op vier duurzaamheidsthema’s uitgewerkt, te weten: 1. Energie & warmte; 2. Klimaatadaptatie; 3. Natuurinclusief bouwen; 4. Circulariteit. De duurzaamheidskaders met betrekking tot Groen & Ecologie in de openbare ruimte en Mobiliteit zijn in de paragrafen 4.4 en 4.8 geïntegreerd. In de Richtlijn duurzaam bouwen wordt een onderscheid gemaakt in randvoorwaarden (eisen) en doeleinden (wensen).
Dit brengt met zich mee dat de randvoorwaarden in de richtlijn zijn vertaald naar randvoorwaarden en eisen in het SPvE, afhankelijk van of er sprake is van een wettelijke norm of gemeentelijk beleid. De doeleinden zijn vertaald naar wensen. 4.10.1 Energie & warmte Haarlem wil een duurzame, sociale en toekomstbestendige stad zijn. Om hieraan bij te dragen wil Haarlem in 2040 van het aardgas af. De gemeente maakt gebruik van de mogelijkheden die regelgeving biedt om energieneutraliteit bij de bouw te bevorderen. Het algemeen uitgangspunt is dat energieverbruik zo veel mogelijk wordt gereduceerd en dat de resterende vraag zo duurzaam mogelijk moet worden ingevuld. Randvoorwaarden • Alle nieuw te bouwen gebouwen moeten voldoen aan de eisen voor BENG (Bijna P. 45
4 5
1.
2.
5.
6.
3.
4.
7.
8.
1
6 7
8 3
2
‘duurzaam in de brede zin’
P. 46 SPVE Project Pasteur
SOCIALE COHESIE
CIRCULAIR BOUWEN
1. Plek voor ontmoeten en samenkomen
5. Materialenpaspoort
2. Plek om samen te kunnen eten
6. Koppelbare plattegronden
3. Ontmoetingsplek bij de voordeur
7. Bouwen in hout
4. Plek om te spelen
8. Hergebruikt materiaal (vb speciale baksteen)
10.
13.
14.
11.
12.
15.
16.
4
4 13
15
11
9.
1
12 2
10 14
9
16
KLIMAATADAPTATIE
NATUURINCLUSIEF
9. Bruindak met PV 10. Zichtbaarheid hemelwater/wadi’s 11. Bestaande bomen behouden 12. Begroeiing langs gevels
13. Neststenen voor vogels 14. Kleine inheemse bomen 15. Vleermuizenverblijven 16. Voeding en beschutting in beplanting
‘duurzaam in de brede zin’
P. 47
Energieneutrale Gebouwen). • Gasaansluitingen zijn niet toegestaan. Eisen • Duurzaam gebruik daken (water/groen/energie). • Bodemwarmtevoorzieningen moeten in ieder geval passen binnen eventueel aanwezige (lokale) bodemenergieplannen. • Voorzieningen energietransitie en klimaatadaptatie mee-ontwerpen in de architectuurstijl van de bebouwing en de inrichting van de openbare ruimte (beeldkwaliteit). Wensen • Woningen: nul op de meter. • Grotere daken energieleverend (meer opwekken dan gebruiken). • Gebouwen worden ontworpen om per saldo zo min mogelijk energie te verbruiken, met optimaal behoud van comfort voor de gebruikers. Het gaat hierbij om verwarming en koeling van gebouwen. 4.10.2 Klimaatadaptatie Project Pasteur wordt klimaatbestendig ingericht. Minder verharding en meer groen maken het gebied weerbaar tegen een veranderend klimaat. Groene daken en gevels dragen bij aan een schonere lucht, brengen verkoeling en helpen om de overlast van extreem weer (regen, hitte) op te vangen. Overtollig hemelwater mag niet worden afgevoerd via het gemengd riool maar moet worden afgekoppeld. Eisen • Het extra hemelwater wordt zoveel mogelijk bovengronds geborgen en afgevoerd naar open water. • Hevige neerslag (1/100 jaar, 70 mm in een uur) zorgt niet voor schade in en aan gebouwen, infrastructuur en voorzieningen.
Bij hevige neerslag (1/250 jaar, 90 mm in een uur) blijven vitale en kwetsbare infrastructuur en voorzieningen functioneren en bereikbaar. • Bij een hevige bui op het bebouwd deel van privaat terrein wordt en groot deel van de neerslag verwerkt (geïnfiltreerd, opgevangen en/of vertraagd afgevoerd) op het terrein zelf of in extra (water) voorzieningen in of toegerekend aan het plangebied. • De berging wordt de eerste 24 uur daarna niet geleegd en is in maximaal 60 uur weer beschikbaar. • Overtollig hemelwater mag niet worden afgevoerd via het gemengd riool maar moet worden afgekoppeld.
P. 48 SPVE Project Pasteur
Wensen • Maatregelen die schade door bodemdaling tegengaan en kostenefficiënt zijn over de levensduur van 60 jaar worden in het ontwerp opgenomen. • De ontwikkeling mag niet bijdragen aan een versnelde bodemdaling, verslechtering van waterkwaliteit en hittestress in bestaand stedelijk gebied. • De ontwikkeling dient minimaal 110 mm water per m² te kunnen bergen op eigen terrein gedurende een etmaal. • Opslag water: regenreservoirs voor buffering en het sproeien droge periodes. • Tenminste 50% van alle horizontale en verticale oppervlakten van de gebouwen wordt warmtewerend of verkoelend ingericht/ gebouwd om opwarming van het stedelijk gebied en gebouwen zelf te verminderen. Daken bedekt met zonnepanelen zijn uitgezonderd van de berekening, maar moeten altijd gecombineerd worden met een groen dak (ook gunstig voor levensduur en opbrengst van de zonnepanelen). 4.10.3 Natuurinclusief bouwen Een gezonde en toekomstbestendige verdichte stad is een stad met veel groen en water. Haarlem zet in op het behouden en versterken van de kwantiteit en kwaliteit van natuur en groen in de stad. Groen is essentieel voor een klimaatbestendige en duurzame leefomgeving. Groen verbetert het milieu, zorgt voor een rijke biodiversiteit, vermindert luchtvervuiling, zorgt voor waterberging, dempt geluidshinder en verkoelt in warme periodes.
Daarnaast heeft het een positief effect op de gezondheid en sociale verbindingen van mensen. Randvoorwaarde • Elke ruimtelijke ontwikkeling moet met een natuurtoets beoordeeld worden op ecologische effecten. Een QuickScan ecologie, en indien nodig aanvullend (soorten specifiek) onderzoek, maakt standaard deel uit van de uit te voeren onderzoeken. Het ontwerp houdt rekening met uitkomsten van het ecologisch onderzoek en wordt hierop aangepast en past, als behoud niet mogelijk is, compenserende maatregelen toe. De compenserende maatregelen worden genomen voor de aangetroffen (beschermde) soorten. Wensen • Om een gezonde, aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving voor mens en dier te maken, moet de natuur een volwaardige plaats krijgen bij het ontwerpen van nieuwbouw en (openbare) ruimte hier omheen. • Bouw natuurinclusief met behoud van en in aansluiting op bestaande ecologische waarden. Wanneer aangetoond kan worden dat dit niet mogelijk is dan dienen in het bouwproject compensatiemaatregelen te worden getroffen.