20220084613 02. Bijlage A1 toelichting bestemmingsplan Fietsznfabriek
Tekst van het document
Groen en Ecologie Randvoorwaarde: Natuurtoets en compensatiemaatregelen ecologie Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet deze met een natuurtoets beoordeeld worden op ecologische effecten. Een quickscan ecologie maakt standaard deel uit van de uit te voeren onderzoeken. Deze quickscan kan als basis dienen voor een mitigatie- of compensatieplan in het kader van een ontheffingsaanvraag. Het ontwerp houdt rekening met uitkomsten van de quickscan en wordt hierop aangepast en past, als behoud niet mogelijk is, compenserende maatregelen toe. De compenserende maatregelen worden genomen voor de aangetroffen (beschermde) soorten. (o.a. Wet natuurbescherming 2017 en Ecologisch Beleidsplan 2013-2030, gemeente Haarlem) Doeleinde: Natuurinclusief bouwen Om een gezonde, aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving voor mens en dier te maken, moet de natuur een volwaardige plaats krijgen bij het ontwerpen van nieuwbouw en (openbare) ruimte hier omheen. Behoud en aansluiten op de bestaande ecologische waarden is uitgangspunt. Indien behoud niet mogelijk is, dienen in het bouwproject compensatiemaatregelen te worden getroffen. Daarnaast liggen er grote kansen voor bevordering van natuur binnen bouwprojecten d.m.v natuurinclusief bouwen. 37
bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (vastgesteld)
De Fietsznfabriek is als pilotlocatie aangewezen voor natuurinclusief bouwen. Dit betekent dat bij de ontwikkeling van het plangebied wordt ingezet op natuurinclusief bouwen. Momenteel is de planlocatie bijna volledig verhard. Bij de herontwikkeling zal dan ook extra groen moeten worden toegevoegd in deze versteende omgeving. Dat kan in de vorm van openbaar groen, groen op privéruimte en door het toepassen van begroeide gevels en daken. Middels het puntensysteem voor natuurinclusief bouwen kan hier invulling aan gegeven worden en zal ook eenvoudig een verbetering van de natuurwaarden worden bereikt. Het puntensysteem zorgt ervoor dat er verschillende natuurinclusieve maatregelen genomen worden aan de gevels en daken van de bebouwing en in de directe omgeving binnen de grenzen van het plangebied. Het puntensysteem wordt in de verkoopprocedure gehanteerd. Dit bestemmingsplan zorgt voor de goede omstandigheden waarbinnen het natuurinclusief bouwen wordt ingevuld. Zo zijn grote delen van het plangebied voor 'Tuin' aangewezen en worden hofwoningen gerealiseerd met een groene invulling. Door een leeflaag van minimaal 1 meter te eisen bij de bouw van de ondergrondse parkeervoorziening heeft nieuw aan te planten groen kans van slagen. Op de locatie waar de wijzigingsbevoegdheid is voorzien staan enkele bomen (zie boomanalyse in Bomenonderzoek Oostvest 54-56).
Als deze bomen plaats moeten maken voor woningbouw, moet dit groen in het plan worden gecompenseerd. Circulair bouwen en ontwikkelen Randvoorwaarde: Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) Voor nieuwbouw dienen de waardes gehanteerd te worden conform bouwbesluit 2018. De Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. De MPG is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. Er geldt voor de MPG een maximum grenswaarde van 1,0. (Bouwbesluit 2018) Doeleinde: verbeterde Milieu Prestatie Gebouwen Het verhogen van de ambitie ten aanzien van de MPG is een concrete maatregel die bijdraagt aan deze doelstelling. Dat betekent dat waar mogelijk een lagere MPG-norm wordt voorgeschreven (hoe lager de norm, hoe beter de prestatie), te weten: 0,8. Doeleinde: Duurzame GWW De Aanpak Duurzaam GWW helpt om op een uniforme en systematische manier de juiste processtappen te zetten. Door duurzaamheid te verankeren in de bedrijfsprocessen geven partijen binnen de GWW-sector op een zelfde manier invulling aan duurzaamheid in projecten en zijn verwachtingen vooraf duidelijk. De aanpak Duurzaam GWW wordt gevolgd voor planvorming, aanleg, aanbesteding, beheer en onderhoud. Van de private partijen die GWW aanleggen wordt gevraagd mee te werken aan deze aanpak.
(Grondstoffenakkoord, Green Deal Duurzaam GWW 2.0) Doeleinde: Registratie materialen 38
bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (vastgesteld)
De bestaande stad is de grondstoffenmijn van de toekomst. Het opstellen van een materialenpaspoort en de registratie daarvan in het Madaster 7, of vergelijkbaar registratiesysteem, draagt bij aan het hergebruik van materialen. Het betreft een relatief eenvoudig uitvoerbare maatregel omdat het in de ontwerpfase wordt toegepast en geen uitvoeringskosten betreft. Doeleinde: Toekomstbestendig ontwerpen Flexibiliteit bieden voor functionele verandering op termijn kan hoge kosten en materiaalverspilling bij een herbestemming of woningaanpassing voorkomen. De woonvisie vraagt aandacht voor flexibiliteit en duurzaamheid. (Doorbouwen aan een (t)huis, Woonvisie Haarlem 2017 - 2020). Doeleinde: Afvalinzameling integreren in ontwerp De voorzieningen voor (gescheiden) inzameling van afval dienen bij de oplevering van nieuwbouwlocaties al op orde moeten zijn, zodat geen noodoplossingen worden ingezet. Daarom dienen voorzieningen zoals ondergrondse en inpandige containers in een vroege fase van het ontwerp geïntegreerd te worden. Mobiliteit Doeleinde: Stimuleren fiets en voetgangers door de bebouwing Voor iedere nieuwe woning schrijft het Bouwbesluit 2012 voor om een eigen berging voor het stallen van fietsen en scootmobielen met een minimale oppervlakte te realiseren. Op grond van de gelijkwaardigheidsbepaling mag er op een andere manier aan worden voldaan dan is aangegeven.
De "Beleidsregel bergingen nieuwe woongebouwen Haarlem 2018" geeft voorwaarden daar aan. Tevens wordt er bij woongebouwen rekening gehouden met levensloopbestendigheid (d.m.v. stalling voor scootmobielen). Bij de Fietsznfabriek wordt de ontwikkelaar gevraagd om de fietsenbergingen eveneens ondergronds op te lossen. Doeleinde: Stimuleren fiets en voetgangers door de openbare ruimte Het aantal autoritten moet gereduceerd worden en het is de bedoeling dat er minder parkeerplaatsen in de openbare ruimte komen. Ook bij (ver)bouwprojecten moet dit principe leidend zijn. Bijvoorbeeld met een aantrekkelijke looproute naar de dichtstbijzijnde HOV-halte of NS-station, autoparkeren op afstand en voldoende en comfortabele fietsenbergingen of -stallingen die gemakkelijker bereikbaar zijn dan de parkeerplaatsen voor auto's. Doeleinde Duurzaam mobiliteitsplan Binnen de 'beleidsregels parkeernormen' is het mogelijk om gebruik te maken van een mobiliteitsplan. Het uitwerken van een locatie specifiek mobiliteitsplan is een goede methode om bij te dragen aan de duurzame mobiliteitstransitie én te voorzien in voldoende ruimte voor parkeren. Voor de Fietsznfabriek is een 39
bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (vastgesteld)
mobiliteitsplan opgesteld Bijlage 4. Dit gaat nog niet uit van deelconcepten of andere mobiliteitsoplossingen. De ontwikkelaar kan ervoor kiezen om met een nieuw mobiliteitsplan meer te sturen op duurzame mobiliteit. Dat plan kan elementen bevatten over bijvoorbeeld deelauto's, goede fietsontsluiting i.c.m. nabijheid en OV etc. Het uitgangspunt blijft echter dat het parkeren op eigen terrein wordt opgelost en de parkeerdruk in de omgeving als gevolg van de ontwikkeling niet toeneemt. Doeleinde: Fietsparkeren in ontwerp In het ontwerp moet er aandacht zijn voor het fietsparkeren voor bewoners, maar ook voor bezoekers. Slimme locaties, goed bereikbaar en zeer comfortabel waardoor gebruikers verleid worden de fiets te verkiezen boven de auto. Een goede integratie van (voldoende) fietsparkeren in het ontwerp moet als doel hebben de ruimtelijke kwaliteit vergroten én om het gebruik van de fiets te stimuleren. In de Fietsznfabriek worden fietsparkeren in de ondergrondse parkeerkelder opgelost, waar ook oplaadpunten e.d voor elektrische fietsen mogelijk zijn. Fietsparkeren voor bezoekers vindt in beginsel in de openbare ruimte plaats. De ontwikkelaar moet hiervoor met een goed concept komen. Doeleinde: Laadpunten auto Als onderdeel van de energiestransitie wordt elektrisch rijden gestimuleerd door het vergroten van de laadinfrastructuur (laadvoorzieningen).
Bouwontwikkelingen moeten voldoende laadvoorzieningen realiseren. Het CROW heeft hiervoor een richtlijn opgesteld, dit kan als basis gebruikt worden. (CROW ,publicatie 381, 2018). Doeleinde: Smart Mobility in ontwikkelzones De ontwikkelzones worden duurzame toekomstwijken, waarbij op het gebied van mobiliteitsconcepten geëxperimenteerd wordt en met zo efficiënt mogelijke ruimtebehoefte wordt gebouwd. Initiatiefnemers worden uitgedaagd om te komen met een passend experiment voor een mobiliteitsconcept, waarbij ze ook oog hebben voor de bestaande omgeving. Planspecifiek De herontwikkeling die met voorliggend bestemmingsplan planologisch wordt gefaciliteerd zal uiteindelijk worden uitgevoerd door een nog te bepalen ontwikkelaar. Bij het ontwerp van de bebouwing zal worden gestuurd op de in deze paragraaf genoemde beleidsaspecten. In de selectieleidraad voor de verkoop van het terrein worden bovengenoemde kwaliteitseisen opgenomen.
40
bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (vastgesteld)
Hoofdstuk 4 4.1
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
M ilieuzonering
4.1.1 Inleiding Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken.
Tabel: richtafstanden bedrijven en milieuzonering
De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. De richtafstanden ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied gaan uit van het principe van functiescheiding. Binnen gebieden met functiemenging heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. De 41
bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (vastgesteld)
richtafstanden uit de VNG-handreiking zijn dan niet toepasbaar. De toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende drie ruimtelijk relevante milieucategorieën: categorie A: toelaatbaar aanpandig aan woningen categorie B: toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen categorie C: toelaatbaar indien gesitueerd langs een hoofdweg 4.1.2 Onderzoek De omgeving van het plangebied is aan te merken als het omgevingstype gemengd gebied. Het plangebied wordt omgeven door voornamelijk woningen en lichte bedrijfsfuncties als kantoren en dienstverlening. Zowel het voorliggende plangebied als het gebied daarbuiten is in de bestaande situatie bestemd als gemengd. Aan de Dijkstraat zijn ook woonbestemmingen aanwezig. De bestaande gemengde bestemming heeft tot doel een functiemenging van wonen en werken mogelijk te maken. In het voorliggende bestemmingsplan wordt het principe van functiemenging voortgezet. In de regels is opgenomen dat naast de woonfunctie tevens bedrijfsactiviteiten uit de milieucategorie A en B zijn toegestaan. Bedrijfsactiviteiten tot maximaal deze milieucategorie passen binnen een woonomgeving omdat zij niet conflicteren met de woonsituatie.
Omdat het voorkomen van de genoemde bedrijfsfuncties tussen (en onder) woonfuncties reeds mogelijk is in het vigerende bestemmingsplan, worden er als gevolg van het nieuwe bestemmingsplan geen bedrijven in hun bedrijfsvoering beperkt en tevens is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen de woningen. 4.1.3 Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.2
Bodem
4.2.1 Inleiding Op grond van de Wet bodembescherming wordt getoetst of de aanwezige bodemkwaliteit een belemmering vormt voor de beoogde functies in het bestemmingsplangebied. Het bestemmingsplangebied wordt beoordeeld op basis van de bodemkwaliteitskaart en wordt beoordeeld op de aan/afwezigheid van locaties verdacht die verdacht worden van bodemverontreiniging. Ook worden eerder uitgevoerde onderzoeken in het bestemmingsplangebied beoordeeld. 4.2.2 Onderzoek In het verleden zijn binnen het plangebied enkele bodemonderzoeken uitgevoerd: 1. Tjaden, kenmerk: M23.900/RD, d.d. 26-03-1993 (Houtmarkt 3/9) 2. Witteveen en Bos, kenmerk: Hlm 85.1, d.d. 02-1994 (Oostvest 36 t/m 50) 42
bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (vastgesteld)
3. De Ruiter Milieutechnologie B.V., kenmerk: A0950741.111960, d.d. 31-07-1995 (nader onderzoek n.a.v. het onderzoek genoemd onder 2) 4. De Ruiter Milieutechnologie B.V., kenmerk DGS/IO/A960712.112960, d.d. 16-07-1996 (nader onderzoek n.a.v. de onderzoeken genoemd onder 2 en 3) 5. IDDS, kenmerk: 9341311, d.d. 20-02-2002 (verkennend bodemonderzoek) 6. IDDS, kenmerk: 0801201, d.d. 15-12-2008 (verificatieonderzoek) De resultaten van de genoemde onderzoeken zijn samenvattend beschreven in paragraaf 2.7 van de bijgevoegde rapportage Verkennend bodem- en asbestonderzoek van IDDS dat naar aanleiding van de voorgenomen herontwikkeling is uitgevoerd. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 7. De hiervoor genoemde onderzoeken zijn bij het onderzoek betrokken. Voorafgaand aan het onderzoek zijn de potentiële bronnen van bodemverontreiniging bepaald. Het betreffen de vermoedelijk aanwezige oudstedelijke ophooglaag en de ophooglaag met slib uit het Spaarne. Tevens zijn het historisch gebruik als drukkerij en benzinepompinstallaties, en de hierbij aanwezige tanks potentiële bronnen van verontreiniging. De hypothese voor de locatie is 'verdacht'. Tevens wordt de bodem als asbestverdacht aangemerkt vanwege verwachte puinbijmengingen. Naar aanleiding van de verkregen resultaten worden de volgende conclusies vastgesteld: In de bodem is sprake van bodemvreemde materialen.
Het betreft zwakke tot sterke bijmengingen met baksteen en metselpuin. Plaatselijk zijn matige bijmengingen met sintels en zwakke bijmengingen met kool aangetroffen. Ter plaatse van boringen 01 en 04 zijn zintuigelijk olie gerelateerde waarnemingen gedaan. In beide boringen is de grond sterk verontreinigd met minerale olie. Ter plaatse van boring 01 is tevens het grondwater sterk verontreinigd met minerale olie. Ter plaatse van boring 04 is het grondwater niet onderzocht. De grond is licht verontreinigd met enkele zware metalen, minerale olie en PCB. Tevens zijn plaatselijk matig tot sterke verhogingen met koper aangetoond. Op basis van het gemiddelde gehalte koper is er naar inzien van IDDS geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het grondwater is, met uitzondering van de voorgenoemde sterke verontreiniging met minerale olie, hooguit licht verontreinigd met enkele aromaten. Visueel is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Analytisch is geen noemenswaardige gehalte asbest aangetoond. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten wordt de hypothese 'verdacht' voor de onderzoekslocatie gehandhaafd. De bodem is plaatselijk sterk verontreinigd met minerale olie.
Op basis van de verkregen onderzoekresultaten valt niet uit te sluiten dat voor meer dan 25 m3 aaneengesloten grond en/of 100 m3 grondwater de interventiewaarde voor de verhoogde parameter wordt overschreden. Geadviseerd wordt om nader bodemonderzoek te verrichten naar de mate en omvang van de aangetroffen 43
bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (vastgesteld)
verontreiniging met minerale olie (inclusief vluchtige parameters). Nader bodemonderzoek dient uitsluitsel te geven of er ten aanzien van de verontreiniging in de grond en het grondwater sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet Bodembescherming. Van een geval van ernstige bodemverontreiniging wordt gesproken indien de gemiddelde gehalte/concentratie van een verontreinigende stof in meer dan 25 m3 grond en/of 100 m3 grondwater de bijbehorende interventiewaarde overschrijdt. 4.2.3 Conclusie Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten worden er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen verwacht met betrekking tot de voorgenomen herontwikkeling van de locatie. Het plangebied is echter momenteel volledig verhard, waardoor nader onderzoek naar bodemverontreiniging en sanering wordt bemoeilijkt. Als onderdeel van het gereedmaken van de locatie als bouwterrein wordt de betonnen plaat in het gebied door de gemeente verwijderd. Het terrein wordt vervolgens aan de ontwikkelaar geleverd in de staat waarin het zich bevindt. De ontwikkelaar is daarna verantwoordelijk voor vervolgonderzoek voor bodem- en archeologie. Via de verkoopprocedure wordt deze verantwoordelijkheid verlegd.
4.3
Geluid
4.3.1 Inleiding In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: woningen; onderwijsgebouwen; ziekenhuizen; verpleeghuizen; verzorgingstehuizen; psychiatrische inrichtingen; kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Vervolgens kan worden bepaald of er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen de geluidsgevoelige gebouwen.
44
bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (vastgesteld)
4.3.2 Onderzoek Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Gedempte Oostersingelgracht, Gedempte Herensingel/Lange Herenvest, Amsterdamsevaart, Papentorenvest, Koudenhorn/Donkere Spaarne, het spoortracé en industrieterrein Waarderpolder. Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van de Oostvest, Dijkstraat, Houtmarkt en Koralensteeg. De geluidsbelasting op de gevels van de geplande appartementen van weg- en railverkeer en industrie zijn door Sweco Nederland BV in haar rapport van 26 juli 2021 inzichtelijk gemaakt. Het rapport is als Bijlage 6 bijgevoegd. 4.3.2.1
Wegverkeerslawaai De intensiteiten op de Dijkstraat, Houtmarkt en Koralensteeg zijn erg laag, daarom zijn deze wegen van ondergeschikt belang en niet verder onderzocht. De geluidsbelasting ten gevolge van verkeer over de Gedempte Oostersingelgracht veroorzaakt een overschrijding van de hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. De hoogst berekende waarde is 57 dB. Deze waarde is inclusief correctie art. 3.4 uit het RMG 2012. Deze waarde is niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Maatregelen om de geluidsbelasting terug te brengen tot onder de 48 dB stuiten op bezwaren van technische en stedenbouwkundige aard. De geluidsbelasting ten gevolge van verkeer over de Gedempte Herensingel/Lange Herenvest, Amsterdamsevaart, Papentorenvest, Koudenhorn/Donkere Spaarne en de Oostvest veroorzaakt geen overschrijding van de hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. Daarom is er geen aanvullend onderzoek nodig voor deze wegen.
4.3.2.2
Railverkeerslawaai De berekende geluidsbelasting ter plaatse van de woningen ten gevolge van railverkeer bedraagt ten hoogste 50 dB. De ten hoogste toelaatbare waarde van 55 dB uit de Wet geluidhinder wordt niet overschreden. Daarom is er geen aanvullend onderzoek nodig.
4.3.2.3
Industrielawaai De geluidsbelasting ten gevolge van het industrieterrein Waarderpolder veroorzaakt een overschrijding van de hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 50 dB(A). De hoogst berekende waarde is 52 dB(A). Deze waarde is niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A). Maatregelen om de geluidsbelasting terug te brengen tot onder de 50 dB(A) stuiten op bezwaren van technische en stedenbouwkundige aard.
4.3.2.4
Besluit hogere waarden Ten gevolge van het wegverkeer op de Gedempte Oostersingelgracht en industrieterrein Waarderpolder wordt de ten hoogst toelaatbare waarde overschreden. Aan de voorwaarden die zijn gesteld in hogere waardenbeleid van de gemeente Haarlem wordt voldaan: • Het treffen van maatregelen stuit op bezwaren van technische en stedenbouwkundige aard.
45
bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (vastgesteld)
• De woningen komen in de plaats van bestaande bebouwing en zorgen voor een afscherming op de nieuwe te bouwen woningen op het middenterrein en de bestaande woningen aan de Houtmarkt. • Alle woningen hebben tenminste een geluidsluwe zijde. Om deze reden wordt gelijktijdig bij het vaststellen van het bestemmingsplan een besluit hogere waarde wet Geluidhinder genomen. Bij het nader uitwerken van de woningen en de aanvraag van de bouwvergunning moet rekening gehouden worden met de volgende zaken: • Verblijfsruimten moeten zoveel mogelijk aan de geluidsluwe zijde liggen. • Tenminste een slaapkamer moet aan de geluidsluwe zijde liggen. • Voor de gevelisolatie uitgaan van de gecumuleerde geluidsbelastingen. 4.3.3 Conclusie Met het verlenen van hogere waarden op basis van de wet Geluidhinder kan aan de bij die wet gestelde geluidseisen worden voldaan. Het bestemmingsplan is op het aspect geluid uitvoerbaar.
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1 Inleiding In Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer, worden normen gesteld aan de luchtkwaliteit. Om te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarin de grenswaarden worden overschreden of bestaande overschrijdingen toenemen, moet bij het opstellen van ruimtelijke plannen getoetst worden aan de wettelijke grenswaarden. De gevolgen van een ruimtelijk besluit voor de luchtkwaliteit hangen direct samen met de eventuele verkeersaantrekkende werking van het plan ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan dan wel de bestaande toestand. De Wet Luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Onder kleine projecten worden projecten verstaan die de luchtkwaliteit 'niet in betekende mate' verslechteren. Deze projecten worden niet meer beoordeeld op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Draagt een klein project niet of nauwelijks bij aan luchtverontreiniging, dan bestaat er geen belemmering voor. Het ministerie VROM heeft de definitie van 'in betekenende mate' vastgelegd in het Besluit NIBM. Projecten die de concentratie NOx, SO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan de luchtvervuiling.
Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in de regeling NIBM omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen.
46
bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (vastgesteld)
4.4.2 Onderzoek Om te bepalen of een ontwikkeling in 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit, is de NIBM-tool ontwikkeld. Uit het uitgevoerde verkeersonderzoek (zie paragraaf 4.6) volgt dat er rekening kan worden gehouden met 395 verkeersbewegingen. Hierbij is uitgegaan van een worstcase scenario van 80 woningen. De navolgende afbeelding toont de NIBM-tool die is ingevuld voor 395 verkeersbewegingen. Opgemerkt moet worden dat in de verkeersrapportage wordt uitgegaan van een werkdaggemiddelde en de NIBM-tool rekent met weekdaggemiddelden. De werkdaggemiddelden liggen 11% hoger dan de weekdaggemiddelden. In feite zou het aantal van 395 nog moeten worden verlaagd met 11%. Er is echter voor gekozen om worse case te rekenen. Uit de berekening blijkt dat 395 voertuigbewegingen niet in betekenende mate zijn. Berekend is voorts dat bij ene hoeveelheid verkeersbewegingen van 1.250 nog steeds geen sprake zal zijn van een overschrijding van de grenswaarde voor NIBM.
Afbeelding: NIBM-tool, ingevuld voor de voorliggende ontwikkeling
4.4.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
47
bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (vastgesteld)
4.5
Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over risicobronnen (bedrijven die met gevaarlijke stoffen werken of transportroutes waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd) en risico-ontvangers (personen of objecten die risico lopen). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobronnen en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Bij risicovolle inrichtingen en leidingen gelden wettelijke afstanden, voor vervoer van gevaarlijke stoffen is dat voorlopig nog niet het geval. Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op iemand die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan weergegeven worden met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang.
Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt meestal begrensd door de 1% letaliteitsgrens. Dit is de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het plangebied bevindt zich niet binnen het invloedsgebied van een risicobron. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 kan daarmee niet over de planlocatie vallen. Toetsing van grens- en richtwaarden is dan ook niet aan de orde. Het verantwoorden van het groepsrisico is, omdat de planlocatie buiten het invloedsgebied valt, niet nodig.
4.5.1 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.6
Verkeer en parkeren
4.6.1 Inleiding Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient inzichtelijk te worden gemaakt wat het effect van de ontwikkeling is op de verkeers- en de parkeersituatie. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Voldoende parkeercapaciteit is van belang en dient te worden gewaarborgd. Ongewenste en onveilige verkeerssituaties dienen te worden tegengegaan.
48
bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (vastgesteld)
4.6.2 Onderzoek Door Goudappel zijn parkeer- en verkeerskundige onderbouwingen opgesteld die zijn bijgevoegd als Bijlage 4 en Bijlage 5. Voor de onderbouwing is uitgegaan van een volledige invulling met woningen, onderverdeeld in 30% sociaal, 40% middenduur en de rest dure woningen. Er is uitgegaan van twee scenario's, namelijk een maximum van 80 woningen, wat een overschatting is van het werkelijk te realiseren aantal dat waarschijnlijk circa 60 woningen is. In het onderzoek is uitgegaan van de 'Beleidsregels parkeernormen, 2015, gemeente Haarlem' en met de aangepaste normen voor woonfuncties die zijn vastgesteld op 25 en 31 januari 2019. Voor de sociale huurwoningen is gerekend met een een parkeernorm van 0,6 inclusief bezoekersparkeren. Parkeren Een ander uitgangspunt is dat de bewoners van de middeldure en dure woningen moeten parkeren in de parkeergarage en de bewoners van het sociale deel op maaiveld. Het terrein dat hiervoor is aangewezen is het buitenterrein ten zuiden van de voormalige drukkerij (Oostvest 54-56). Hiermee rekening houdende volgt er uit de onderbouwing voor het scenario met 80 woningen dat er 77 parkeerplaatsen in de parkeergarage nodig zijn en 13 parkeerplaatsen op maaiveld. In het bestemmingsplan is rekening gehouden met een ondergrondse parkeervoorziening die ruimte biedt voor 78 parkeerplaatsen.
Op maaiveld naast de voormalige drukkerij zijn 13 parkeerplaatsen mogelijk. Hiermee staat vast dat bij het realistische scenario van ongeveer 60 woningen ook voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd kan worden. Ingeval de wijzigingsbevoegdheid ter plaatse van de Oostvest wordt gebruikt waardoor parkeergelegenheid op maaiveld niet kan worden benut, moet de ontwikkelaar op andere wijze in voldoende parkeergelegenheid voorzien. Uitgaande dat er minder woningen worden gerealiseerd dan worst-case is doorgerekend, kan de parkeerbehoefte van de extra sociale woningen en het verlies van de parkeergelegenheid op maaiveld ondergronds worden opgelost. Fietsen De fietsparkeerplaatsen worden ondergronds opgelost. Hiervoor geldt op grond van de volumestudie voor het plangebied die uitgaat van maximaal 60 woningen de volgende berekening van het aantal op te lossen fietsparkeerplaatsen. 50 - 75 m2 75 - 100 m2 100 - 125 m2 >125 m2 totaal
norm 3 4 5 6
aantal 18 24 14 4
totaal 54 96 70 24 256
Verkeer Het gemeentelijk beleid heeft geen eigen normen voor het bepalen van de 49
bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (vastgesteld)
verkeersgeneratie. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie wordt gebruik gemaakt van CROW kencijfers. CROW maakt onderscheid in stedelijkheidsgraad en locatie. Conform de ligging van de locatie en de stedelijkheidsgraad van Haarlem wordt aansluiting gezocht bij CROW categorie ‘zeer sterk stedelijk gebied’ en locatie ‘schil centrum’. Er is gebleken dat als gevolg van de herontwikkeling een verkeersgeneratie optreedt van 395 motorvoertuigen per etmaal. In de ochtendspits is berekend dat er circa 36 motorvoertuigbewegingen in het drukste uur worden gegenereerd. In de avondspits genereert de ontwikkeling op het drukste uur circa 28 motorvoertuigbewegingen. Verkeerskundig zijn dit lage intensiteiten. Op het maatgevende moment in het drukste uur komt dit neer op circa één motorvoertuigbeweging per 1,5 tot 2 minuten in het drukste uur. De ontwikkeling krijgt twee ontsluitingen op de Oostvest; een voor de ontsluiting van het parkeren op maaiveld voor de sociale huurwoningen en een voor de ontsluiting van de parkeergarage. De verkeersgeneratie voor de sociale huurwoningen bedraagt in het drukste uur circa 6 motorvoertuigbewegingen. De verkeersgeneratie vanuit de parkeergarage bedraagt maximaal 30 motorvoertuigbewegingen. Het verkeerseffect van de ontwikkeling is hiermee verwaarloosbaar klein.
4.6.3 Conclusie Vanuit zowel het aspect parkeren als verkeer worden geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan verwacht.
4.7
Waterparagraaf
4.7.1 Inleiding Een belangrijk ordenend principe bij ruimtelijke plannen is het waterbeheer: de zorg voor veiligheid tegen overstromingen en voor voldoende en gezond oppervlaktewater. Waterbeheerders worden in een zo vroeg mogelijk stadium betrokken bij het proces van ruimtelijke planvorming. De Watertoets is hiervoor het wettelijk geregelde procesinstrument, zie www.dewatertoets.nl. De resultaten van het doorlopen van dit proces van afstemming zijn weergegeven in deze waterparagraaf. Deze paragraaf benoemt de waterbeheerder, beschrijft het relevante beleid en het huidige watersysteem en gaat in op de effecten daarop van ruimtelijke ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. 4.7.2 De waterbeheerder in het plangebied Het hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheerfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol.
50
bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (vastgesteld)
4.7.3 Beleid 4.7.3.1 Rijksbeleid 4.7.3.1.1 Bestuursakkoord Water Het Bestuursakkoord Water (2011) vervangt het Nationaal Bestuursakkoord Water (2003 en geactualiseerd in 2008) en het Bestuursakkoord Waterketen (2007). In het Bestuursakkoord Water zetten het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven in op versterking van de watersector door te investeren in kennis, innovatie en samenwerking mede ter uitvoering van de Europese Kaderrichtlijn Water. Het doel is een mooi, veilig, schoon, gezond en duurzaam beheer van het watersysteem en de waterketen tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. 4.7.3.1.2 Nationaal Waterplan en Deltaprogramma Het in december 2015 vastgestelde Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP2) bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021 met een vooruitblik richting 2050. In het plan zijn de afspraken uit het Bestuursakkoord Water en de Deltabeslissingen uit het Deltaprogramma opgenomen. Het NWP2 richt zich op een klimaatbestendige inrichting van het watersysteem met een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.
Het Deltaprogramma anticipeert op ons veranderende klimaat en heeft als doel Nederland te beschermen tegen overstromingen en te zorgen voor voldoende zoetwater. Uit het Deltaprogramma zijn vijf zogenaamde Deltabeslissingen voortgekomen, waaronder de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie, dat zich richt op een klimaatbestendige (her)ontwikkeling in bebouwd gebied. 4.7.3.2 Provinciaal beleid 4.7.3.2.1 Watervisie 2021 Met de Watervisie 2021 zoals vastgesteld op 16 november 2015 geeft de provincie Noord-Holland vervolg aan het Provinciaal Waterplan 2010-2015. De Watervisie is afgestemd met de Stroomgebiedbeheerplannen uit de Kaderrichtlijn Water. De Watervisie is een strategisch beleidsdocument voor de periode 2016-2012 en beschrijft de ambitie en kaders voor het regionale waterbeheer in Noord-Holland richting 2021 met doorkijk naar 2040. De Watervisie is integraal onderdeel van het strategisch omgevingsbeleid en heeft een directe relatie met de provinciale structuurvisie. In de Watervisie richt de provincie zich op de thema's veilig, schoon en voldoende water en werkt die uit in doelstellingen voor onder andere veilige dijken en duinen, robuuste inrichting van het achterland, rampenbeheersing bij overstromingen, kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater, zoetwatervoorziening en het tegengaan van wateroverlast.
51
bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (vastgesteld)
4.7.3.3 Beleid waterbeheerder 4.7.3.3.1 Waterbeheerplan Rijnland In het Waterbeheerplan 2016 – 2021 geeft het Hoogheemraadschap van Rijnland (hierna te noemen: Rijnland) zijn ambities aan en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. De vier hoofddoelen zijn 1. waterveiligheid 2. voldoende water 3. schoon en gezond water en 4. waterketen. Bij het doel 'waterveiligheid' wordt gestreefd naar het beschermen tegen overstromingen, gevolgbeperking en het voorbereiden op eventuele calamiteiten. Bij voldoende water wordt gestreefd naar juiste waterpeilen, instandhouding van het watersysteem, voorkomen van wateroverlast en voldoende zoetwater. Bij schoon en gezond water wordt gestreefd naar het verminderen van watervervuiling, ecologisch beheer en onderhoud, het realiseren van schone meren, plassen en natuurgebieden en schone en veilige zwemwaterlocaties. Bij het doel waterketen wordt gestreefd naar het op een doelmatige wijze verwerken van afvalwater en het verduurzamen van de verwerking van afvalwater en het optimaal hergebruiken van afvalwater. Het Waterbeheerplan 2016 – 2021 van Rijnland is te vinden op www.rijnland.net. 4.7.3.3.2 Keur en beleidsregels Rijnland Rijnland dient haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder adequaat te kunnen uitvoeren.
De “Keur” is een verordening van de waterbeheerder met juridisch bindende regels (gebod- en verbodsbepalingen). Zo zijn werken en werkzaamheden in en bij waterkeringen (dijken, kaden, duinen) en watergangen (sloten, vaarten, plassen) zonder of in afwijking van een vergunning op grond van de Keur niet toegestaan. Ook het aanbrengen van verhard oppervlak (bebouwing, bestrating) en het onttrekken van grondwater zijn in veel gevallen vergunningsplichtig. In de “Beleidsregels” die bij de “Keur” horen, is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt. De “Keur en Beleidsregels” van Rijnland zijn te vinden op www.rijnland.net. 4.7.3.3.3 Beleid riolering en afvalwaterzuivering Rijnland Rijnland geeft de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater. Naast een voorkeursvolgorde voor afvalwater geldt voor de behandeling van hemelwater de zorgplicht. Rijnland geeft daarbij de voorkeur aan brongerichte maatregelen boven 'end-of-pipe' maatregelen. Hierbij geldt de volgende toelichting. 'Hemelwater kan de capaciteit van riolering en zuivering aanzienlijk belasten. Dat is niet wenselijk en vaak ook niet nodig. Zeker bij nieuwbouw ontwikkelingen is het gescheiden aanbieden van hemelwater en afvalwater vaak een doelmatige maatregel. Rijnland volgt hierbij een de voorkeursvolgorde (rijksbeleid), waarbij vooropstaat het voorkomen van het ontstaan van afvalwater.
Ten behoeve van afvalwater is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging en waar mogelijk afvalwaterstromen scheiden het uitgangspunt. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). De uiteindelijke afweging wordt lokaal gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing 52
bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (vastgesteld)
centraal staat'. Het te lozen hemelwater mag geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater veroorzaken. Maatregelen om dit te bereiken zijn duurzaam bouwen, infiltratie, het toepassen van berm- of bodempassage en straatkolken met extra voorzieningen. Als ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of- als laatste keus - aansluiten op het gemengde stelsel. 4.7.3.4 Gemeentelijk beleid 4.7.3.4.1 Integraal waterplan Haarlem De gemeente Haarlem en het Hoogheemraadschap van Rijnland hebben eind 2004 het Integraal Waterplan Haarlem vastgesteld en in 2014 geactualiseerd. Centrale doelstelling van het Integraal Waterplan is het ontwikkelen en behouden van een veilig, veerkrachtig en ecologisch gezond watersysteem. Het plan functioneert als strategisch kader voor gerelateerde beleidsvelden zoals het grondwater-, afvalwater-, en baggerbeleid.
Om ervoor te zorgen dat het Haarlemse waternetwerk bestand is tegen klimaatsverandering (hoger zeeniveau, toename van de hoeveelheid en intensiteit van de neerslag), inklinking van de bodem, en verstedelijking (toename verhard oppervlak) is ruimte voor oppervlaktewater nodig. Ruimte voor extra oppervlaktewater kan worden gevonden door het verbreden van bestaande watergangen, het graven van nieuwe watergangen en het weer open leggen van gedempte grachten. Doelstelling voor het oppervlaktewater is het creëren van een veilig watersysteem met voldoende afwaterend en bergend vermogen, een adequate doorstroming en maximale benutting van gebiedseigen water. Als streefbeeld heeft de gemeente voor ogen een verbeterd waternetwerk dat uitgebreid is met nieuw water. 4.7.3.4.2 Gemeentelijk Rioleringsplan Het GRP is een beleidsmatig en strategisch plan waarin het verbreed rioleringsbeheer (incl. financiën) en de visie op riolering voor de langere termijn worden beschreven. Met het GRP beschikt de gemeente over een instrument om systematisch inzicht te krijgen in de te beheren en onderhouden rioleringsobjecten en de wijze waarop de gemeente invulling geeft aan de wettelijke (milieu)eisen. Door het opstellen van het GRP wordt het verbreed rioleringsbeleid inzichtelijk en toetsbaar.
Er zijn vier doelstellingen voor het GRP van toepassing, te weten: het doelmatig inzamelen van het afvalwater en het hemelwater; het transporteren van het rioolwater naar een geschikt lozingspunt; het zoveel mogelijk voorkomen van wateroverlast; het beperken van vervuiling door overstorten middels aanleg van randvoorzieningen (o.a. BBB's) en afkoppelen. Compensatieregeling Een algemene regel met betrekking tot de waterkwantiteit is het compenseren
53
bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (vastgesteld)
van een eventuele toename van verharding (wegen, gebouwen). Indien verharding in een gebied toeneemt, zullen waterhuishoudkundige maatregelen getroffen moeten worden om waterbezwaar als gevolg van de toegenomen verharding te voorkomen. Gemeente Haarlem en het Hoogheemraadschap van Rijnland stellen als richtlijn dat - indien gebouwd wordt en hierbij meer dan 500 m2 onverhard oppervlak omgezet wordt naar verhard oppervlak - minimaal 15 procent van de toename aan verharding gecompenseerd dient te worden in de vorm van oppervlaktewater. Het uiteindelijk te compenseren oppervlak hangt af van overige maatregelen die de waterhuishouding in een gebied ten goede kunnen komen, zoals het vertraagd afvoeren van hemelwater. Voorbeelden zijn grasdaken en ontkoppeling van het rioolstelsel, waarbij het ontkoppelde water in de bodem geïnfiltreerd wordt. Tevens onderschrijft het Waterplan de noodzaak op het vlak van baggeren, afkoppelen, saneren overstorten, inrichten natuurvriendelijke oevers, en afkoppelen schone verharding, en het creëren van extra open water ter compensatie van toegenomen verharding 4.7.4 Watertoets Voor het voorliggende bestemmingsplanis een digitale watertoets uitgevoerd via www.dewatertoets.nl. Naar aanleiding van deze watertoets is het overleg met waterschap Rijnland opgestart.
De verhardngstoename binnen het gebied is beperkt omdat in de bestaande situatie het plangebied al bijna geheel verhard is. Omdat er een ondergrondse parkeergarage wordt gerealiseerd is een goede afstemming met het waterschap van belang. Hiena worden de verschillende wateraspecten belicht. Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Aan de westzijde is het Spaarne aanwezig. Deze is gecategoriseerd als oppervlaktewaterlichaam, maar de invloed vanuit het plangebied is niet aanwezig. Hetzelfde geldt voor het primaire oppervlaktewaterlichaam de Herensingel die aan de oostzijde aanwezig is. Waterkwantiteit Tot voor kort was vrijwel het gehele plangebied verhard met bebouwing. De bebouwing is nu gesloopt. Daar waar bebouwing aanwezig was is tot op heden nog een betonplaat aanwezig. Aan de noordoostzijde is een deel onverhard en halfverhard terrein aanwezig dat zal worden bebouwd. Delen aan de binnenzijde van het plangebied krijgen een leeflaag van 1 meter, om die delen groen in te kunnen richten. Deze delen zijn dus niet (volledig) verhard. De toename aan volledige verharding betreft circa 425 meter, waarvan een deel op dit moment al halfverhard is. Riolering Rond het bestemmingsplangebied is een gemengd rioolstelsel aanwezig. Hierin 54
bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (vastgesteld)
wordt zowel het afvalwater als regenwater verzameld en naar de rioolzuivering in de Waarderpolder gevoerd. Door het aanbrengen van de eerder genoemde leeflaag van 1 meter wordt het hemelwater eerst opgevangen en vertraagd afgevoerd naar het gemengde riool. Dit heeft een positief effect bij hevige regenval. Ondergrondse bebouwing Onder het noordelijke deel (vanaf de steeg) wordt de mogelijkheid geboden om een parkeerkelder te realiseren. Om te onderzoeken wat de effecten zijn op de mogelijk aanwezige grondwaterstromen is een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd dat is bijgevoegd als Bijlage 8. Uit het onderzoek blijkt dat er barrièrewerking optreedt als gevolg van de parkeerkelder. Geconstateerd is dat er een belangrijke grondwaterstroming aanwezig is (van en naar) de openbare ruimte. Rekening houden met grondwaterstroming uit de omgeving is noodzakelijk voor een grondwaterneutraal ontwerp. Geconcludeerd wordt dat er drie oplossingsrichtingen mogelijk zijn: 1. Op basis van de berekening wordt geconcludeerd dat gaten in damwanden en een grondverbetering (0,3 m dik) onder de barrière toegepast moet worden met een doorlatendheid van 100 m/dag. Uit het grondwaterzakboekje wordt afgeleid dat de grondverbetering mag bestaan uit "uiterst grof, zwak silthoudend, zand" of vergelijkbaar.
Er is onder de kelder 49,4 m³ (overcapaciteit) ruimte voor slibdelen welke in de gebruiksfase in het systeem zullen komen. 2. Op het moment dat er geen damwanden achterblijven en er 0,3 m grondverbetering rondom en onder de barrière toegepast wordt volstaat een doorlatendheid van 58 m/dag (uitgaande van de bovengrens k-waarde in bestaande situatie). Uit het grondwaterzakboekje wordt afgeleid dat de grondverbetering mag bestaan uit "uiterst grof, zwak silthoudend, zand" of vergelijkbaar. 3. Op het moment dat de grondverbetering wordt vervangen door een leiding, dan volstaat een Ø40mm leiding van voor naar achteren. Wel zal een leiding en filter onderhoudbaar en vervangbaar moeten zijn (vuil moet uit de leiding en filter gehaald moeten kunnen worden om langdurig functioneren mogelijk te maken). Aanbevolen wordt de diameter van het filter (en gat) met een factor 1,5 te verhogen ten opzichte van rekenwaarde hoofdstuk 3.4, dit in verband met filterweerstand. Er is in de leidingen 0,339 m³ (overcapaciteit) ruimte voor slibdelen welke in de gebruiksfase in het systeem zullen komen. Met de voorgenoemde maatregelen wordt de verslechtering van de grondwaterstroming met 100% gereduceerd. Conclusie Voor het realiseren van de parkeerkelder is een watervergunning nodig. Hiervoor moet de ontwikkelaar een aanvraag doen bij het hoogheemraadschap.
De conclusie van de watertoets is dat er maatregelen kunnen worden genomen 55
bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (vastgesteld)
waarmee er geen significante verslechtering van de (grond)watersituatie zal optreden. Het bestemmingsplan mag op dit punt derhalve uitvoerbaar worden geacht. 4.7.5 Resultaten overleg met waterbeheerder Het hoogheemraadschap Rijnland heeft via het vooroverleg laten weten in te stemmen met de voorgenomen ontwikkeling.
4.8
Cultuurhistorie
4.8.1 Rijksbeschermd stadsgezicht Sinds 5 december 1990 is de binnenstad van Haarlem en de Haarlemmerhout aangewezen als 'beschermd stadsgezicht' in de zin van de Erfgoedwet, dadelijk Omgevingswet. Dat betekent dat het bijzondere ruimtelijke en functionele karakter van het gebied in een bestemmingsplan wordt beschermd. Het gehele plangebied valt binnen het beschermd stadsgezicht. Voor het beschermd stadsgezicht is destijds overwogen: "dat de ontstaansgeschiedenis van Haarlem en de Haarlemmerhout op de strandwal aan het Spaarne in het stratenpatroon herkenbaar bewaard is gebleven, dat de ruimtelijke ontwikkeling grotendeels binnen de structuur en schaal van de begin 17e -eeuwse stad heeft plaatsgevonden, dat het bebouwingsbeeld in grote delen van de oude stad nog zeer samenhangend en waardevol is en dat het gebied mitsdien een beeld oplevert dat van algemeen belang is vanwege zijn schoonheid en zijn ruimtelijke structurele samenhang". In het gehele als beschermd stadsgezicht aangewezen gebied is het patroon van straten en waterlopen in samenhang met de schaal van de bebouwing van belang. De toelichting op het aanwijzingsbesluit geeft de volgende nadere typering van de te beschermen waarden die in de nabijheid van het bestemmingsplangebied liggen: "Het gedeelte van de oude stad oostelijk van het Spaarne is veel kleiner dan het westelijk van de rivier gelegen stadsdeel.
De opbouw ervan is tamelijk eenvoudig en wordt in sterke mate bepaald door de loop van de rivier. Hoofdelement van de oostelijk uitleg is de (dijk-)straat evenwijdig aan de rivier, die buiten de stad doorliep als dijkweg naar Amsterdam. Aan de rivier is over grote lengte een kade met zelfstandige bebouwing ontstaan. Ten noorden van de Amsterdamse Poort, de enige resterende poort van de middeleeuwse ommuring, blijft het stedelijk gebied beperkt tot de smalle strook direct langs de rivier. De bajonet in de Scheepmakersdijk is ruimtelijk zeer sprekend. De bijzondere plaats van het westelijk einde van de Scheepmakersdijk als smalle landtong tussen rivier en Papentorenvest is als gevolg van de demping van een groot deel van die vest, de verwijdering van de brug naar de Koudenhorn en de sloop van de destijds op de punt gesitueerde molen duidelijk verzwakt, maar toch nog wel herkenbaar." 56
bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (vastgesteld)
4.8.2 Beschermde bebouwing Oostvest 54-56 Het uit twee bouwdelen bestaande gebouw aan de Oostvest 54-56 is in 1928 en 1935 tot stand gekomen. Beide delen zijn gemaakt naar een ontwerp van de regionale architect J. PH. Peper (1891- 1980) en deden van oorsprong dienst als kaaspakhuis. Vanaf 1954 is het gebouw in gebruik geweest als drukkerij. Vanaf het einde van de twintigste eeuw heeft het een culturele functie gekregen, onder meer als onderkomen voor het poppodium Het Patronaat. Aan de westzijde sloot het gebouw aan op de achterzijde van Houtmarkt 7. De gebouwdelen hebben overeenkomstige vormen met de bouwdelen die hier tot die tijd stonden. Deze voorgangers die onderdeel uitmaakten van de brouwerij Het Scheepje zijn in de zeventiende eeuw gebouwd. Muurwerk hiervan is zeer vermoedelijk nog aanwezig in de noordgevel van beide bouwdelen. Planontwikkeling gaat uit van behoud en herbestemming van dit bedrijfspand. Op basis het genoemde bouwhistorisch onderzoek is voor dit pand een waarde-bouwhistorie opgenomen in het bestemmingsplan. Tevens is als gevolg van zienswijzen ook de aanduiding 'Orde-2' op het pand gelegd, waarmee via de dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd Stadsgezicht' tevens wijzigingen aan de gevelindeling en bestaande bouwhoogte verboden worden als daarvoor geen omgevingsvergunning wordt verleend.
Aanvragen om een omgevingsvergunning worden getoetst aan de redengevende omschrijving die in Bijlage 17 is opgenomen. 4.8.3 Beschermde bebouwing (direct) buiten het plangebied Brouwerij Het Scheepje, Houtmarkt 7 Grenzend aan het plangebied is één rijksmonument aanwezig, Houtmarkt 7. De voormalige brouwerij 'Het Scheepje' aan de Houtmarkt 7 is een beschermd rijksmonument (woonhuis, Rijksmonument nummer: 19283). Het monument bestaat uit twee bij elkaar behorende huizen (een noordelijk en zuidelijk woonhuis). Het perceel waarop het pand zich bevindt gaat worden verkocht en het pand dat onderdeel was van de bierbrouwerij - gaat worden gerestaureerd. Overige bebouwing Naast de bovengenoemd panden bevindt zich geen bebouwing in het plangebied. De bebouwing aan de Houtmarkt direct grenzend aan het plangebied bestaat volledig uit monumenten en beeldbepalende panden (orde 2). Ook langs de Dijkstraat zijn verschillende beeldbepalende panden gelegen.
57
bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (vastgesteld)
Afbeelding: waardevolle bebouwing (bron: kaart.haarlem.nl)
4.8.4 Trafostations Haarlem is bezig met een grote verstedelijkingsoperatie die leidt tot meer woningen, voorzieningen, werkgelegenheid in de bestaande stad. Ook de inrichting van de bestaande openbare ruimte wacht een grondige aanpassing ten behoeve van meer ruimte voor groen, waterberging en actieve mobiliteit. Tegelijkertijd staat Haarlem aan de vooravond van een energietransitie die zal leiden tot een groeiende vraag naar elektriciteit en uitbreiding van het bestaande net en het aantal trafostations. De drie opgaven samen zetten een enorme druk op de schaarse beschikbare ruimte onder en boven de grond. Als antwoord stelt Haarlem bij alle ontwikkelingen de eis nieuwe trafo's niet te plaatsen op openbaar gebied maar op te nemen in de bebouwing. Traforuimtes veroorzaken straling dat een verhoogd risico op kinderleukemie met zich mee kan brengen. Op dit moment voert het Rijk nader onderzoek uit dat moet leiden tot een nieuw advies. Uiteindelijk zal dit advies via het Besluit kwaliteit en Leefomgeving in het stelsel van de Omgevingswet worden opgenomen. Tot vaststelling van het definitieve besluit stelt Haarlem daarom als extra randvoorwaarde in projecten; geen verblijfsruimten direct naast of boven traforuimtes te bouwen. Dat betekent dat winkels, bepaalde werkruimtes, verkeersruimtes, bergingen, fietsenstallingen en dergelijke wel rondom de trafo kunnen worden gesitueerd.
In het plan is de nieuw te realiseren trafo aan de zuidzijde van de voormalige 58
bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (vastgesteld)
drukkerij op maaiveld voorzien. Op het parkeerterrein is een hoek waar geen parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden. Deze locatie is geschikt voor een trafo vanwege de bereikbaarheid en de situatie waarbij geen sprake is van direct aangrenzende verblijfsgebieden.
4.9
Archeologie
4.9.1 Inleiding In 1992 ondertekende onder andere Nederland het Verdrag van Valletta. Het doel van dit verdrag is het beschermen van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Het verdrag is verwerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) en de Erfgoedwet. De gemeente is op basis van artikel 38a van die wet verplicht om rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De drie belangrijkste uitgangspunten van de Wamz zijn: het behoud van archeologische waarden in de bodem; de initiatiefnemer van het project dat tot bodemverstoring leidt, betaalt de kosten van archeologisch onderzoek; het vroegtijdig integreren van de zorg voor het archeologisch erfgoed in de procedures van de ruimtelijke ordening. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beheert de Archeologische Monumenten Kaart (AMK). Deze kaart bevat een overzicht van belangrijke archeologische terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria en ingedeeld in diverse categorieën archeologische waarden. In aanvulling op de AMK is er de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). De IKAW geeft voor heel Nederland, inclusief de bodems van grote wateren, de kans aan op het aantreffen van archeologische resten bij werkzaamheden in de bodem.
Die trefkans is aangegeven in vier categorieën. 4.9.2 De Haarlemse bodem Het huidige Haarlem ligt zowel op de oudste strandwal, 56 eeuwen geleden ontstaan, als de op één na oudste strandwal van Nederland. Op deze strandwallen bouwden jagers en vissers in de nieuwe steentijd (vanaf 3600 v. Chr.) eenvoudige onderkomens. Vanaf de bronstijd (2000-800 v. Chr.) legden de mensen akkers aan en bouwden ze boerderijen. Vele eeuwen later, vanaf de Karolingische tijd, ontstond op een strategische plek aan het Spaarne de nederzetting Harulahem. Harulahem, wat huis(en) op een open plek in een op zandgrond gelegen bos betekent, is later verbasterd tot Haarlem. Haarlem ontwikkelde zich al snel tot een belangrijke stad in Holland en kreeg in 1245 stadsrechten. De resten van woningen, huisraad en andere sporen van vroegere bewoning zijn in de loop der eeuwen door natuurlijke processen en kunstmatige ophogingen verborgen geraakt in de Haarlemse bodem. Zo is de Haarlemse bodem een opeenstapeling geworden van diverse lagen van 56 eeuwen bewoningsgeschiedenis.
59
bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (vastgesteld)
4.9.3 Haarlems Archeologiebeleid Gemeenten zijn wettelijk verantwoordelijk voor het behoud van het eigen bodemarchief. Het rijke bodemarchief van Haarlem maakt het niet alleen noodzakelijk, maar ook zeer wenselijk om een gemeentelijk archeologiebeleid te voeren. Het gemeentelijke beleid voor de archeologische monumentenzorg richt zich er in de eerste plaats op waardevolle archeologische vindplaatsen te behouden in de bodem (in situ). De uitgangspunten voor gemeentelijke beslissingen in Haarlem liggen vast in een beleidsnota archeologie. De archeologische verwachtingen die voor het Haarlemse grondgebied gelden zijn vertaald naar de Archeologische Beleidskaart Haarlem (ABH). De kaart geeft aan in welke gebieden bodemverstorende activiteiten van een bepaalde omvang vergunningplichtig zijn. Dit is aangegeven in de vorm van verschillende categorieën. Voor elk van deze categorieën heeft de gemeente bepaald vanaf welke planomvang rekening gehouden moet worden met het (laten) opstellen van een waardestellend archeologisch rapport, het zogenaamde regime.
De regimes gelden voor bodemroerende activiteiten die plaats zullen vinden in het kader van plannen waarvoor in elk geval één van de volgende vergunningen vereist is: een reguliere omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen; een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk binnen beschermd stadsgezicht. Het bestemmingsplan kent aan de gebieden die zijn weergegeven op de ABH de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' toe. De planregels definiëren de relevante begrippen en bepalen welke archeologische voorwaarden aan een omgevingsvergunning kunnen worden verbonden. Bij uitvoering van het gemeentelijke beleid moet ook rekening gehouden worden met beschermingsmaatregelen vanuit het Rijk. 4.9.4 Verwachtingswaarde plangebied Op basis van het Facetbestemmingsplan Archeologie heeft het plangebied de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1b. Deze dubbelbestemming regelt dat archeologisch (bureau)onderzoek nodig is bij iedere verstoring die dieper gaat dan 0,30 meter onder maaiveld. Onderzoek is derhalve noodzakelijk.
60
bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (vastgesteld)
Uitsnede Archeologische Beleidskaart Haarlem
4.9.5 Onderzoek Door IDDS is archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 9. Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied op het strand heeft gelegen en dat in het plangebied een oeverzone van waarschijnlijk het Spaarne voorkwam. Van duinen op de strandvlakte zijn in het booronderzoek geen sporen aangetroffen. Het plangebied heeft ook in een veengebied gelegen. De archeologische verwachting van het strandzand en de opvulling van de oeverzone en het natuurlijke veenpakket (ook de zwak veraarde laag) is zeer laag. De landschappelijke situaties waarin deze afzettingen ontstonden waren zeer ongunstig voor de mens, te dynamisch en/of te nat voor gebruik of bewoning. In het plangebied komen verschillende antropogene (ophoog)pakketten voor. De archeologische verwachting voor de antropogene pakketten is hoog. Deze pakketten zijn door de mens ontstaan of aangebracht en bevatten dus archeologische resten. Het onderste antropogene pakket, ophooglaag 1, is waarschijnlijk ontstaan in de 13e-15e eeuw toen deze zone langs het Spaarne in gebruik werd genomen en daarna onderdeel werd van de stad. Ophooglaag 2 is waarschijnlijk te relateren aan de situatie in de 16e eeuw en ophooglaag 3 is waarschijnlijk aangebracht bij de bouw en uitbreiding van de brouwerij in de 17e tot 20e eeuw.
Voor al deze ophooglagen geldt dus een hoge archeologische verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Deze resten kunnen aanwezig zijn tot ongeveer een diepte van 3,5 m -mv.