CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

20220001651 2. Bijlage 1 bestemmingsplan Blauwe Wetering

gemeenteraad 17 februari 2022, gemeente HaarlemBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan De Blauwe Wetering25.479 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

34

bestemmingsplan "Blauwe Wetering" (vastgesteld)

4.2

Bedrijven en milieuzonering Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Daarnaast bepaalt de feitelijke (planologische) situatie eveneens in hoeverre bedrijven in de bestaande situatie reeds beperkt worden in hun bedrijfsvoering. De VNG-brochure wordt gebruikt als hulpmiddel (niet als blauwdruk) bij het opstellen van bestemmingsplannen met nieuwe milieugevoelige functies of nieuwe milieubelastende functies. Er bestaat geen plicht om de brochure te hanteren, wel is het een algemeen aanvaarde methode in Nederland gebleken. In de brochure zijn aan de verschillende bedrijfsactiviteiten, milieucategorieën en richtafstanden toegekend voor de aspecten gevaar, stof, geur en geluid. De afstanden zijn gebaseerd op een rustige woonwijk. Als er sprake is van een gemengd gebied mag er een afstandstrap minder worden gehanteerd.

Relevantie plangebied De locatie van de Blauwe Wetering kan op basis van de VNG-brochure gezien worden als een 'gemengd gebied'. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging of een gebied dat gelegen is nabij hoofdinfrastructuur. De locatie is gelegen in een gebied met verscheidene functies, waaronder bedrijvigheid en wonen. Kenmerkend voor het omgevingstype 'gemengd gebied' is dat sprake is van een zekere verstoring en dus van een relevant andere omgevingskwaliteit dan in een rustig woongebied. Gelet op de aanwezige functies en infrastructuur is ter plaatse van de voorliggende locatie sprake van het omgevingstype 'gemengd gebied', waardoor de richtafstand terug kan worden gebracht met één afstandsstap. Ten behoeve van het bestemmingsplan is een inventarisatie gedaan naar in de nabijheid van het plangebied voorkomende bedrijvigheid (zie Bijlage 2, TAUW, Onderzoeken Bedrijven- en Milieuzonering Blauwe Wetering, Haarlem). Uit dit onderzoek blijkt dat er kan worden voldaan aan de richtafstanden VNG. Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.3

Geluid In de Wet geluidhinder zijn normen voor weg- rail- en industrielawaai opgenomen om geluidgevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld woningen en scholen) te beschermen tegen geluidhinder. Bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan waarbij het realiseren van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen of de aanleg van een nieuwe bron mogelijk is moet er getoetst worden aan deze normen. Deze wet stelt dat in principe de geluidbelasting op de gevel van gevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld woningen, scholen of ziekenhuizen) niet hoger mag zijn dan de zogenaamde voorkeursgrenswaarde. 35

bestemmingsplan "Blauwe Wetering" (vastgesteld)

Relevantie plangebied Ten behoeve van het initiatief is akoestisch onderzoek verricht (zie Bijlage 3, TAUW, Akoestisch onderzoek Blauwe Wetering te Haarlem. Het plangebied ligt binnen de geluidzones van: Schipholweg (50 km/h) Prins Bernhardlaan (50 km/h) In het kader van de Wet geluidhinder is de geluidbelasting ten gevolge van deze geluidbronnen onderzocht. Daarnaast zijn de Pladellastraat en de Slachthuisstraat (beide 30 km/h) in het kader van 'een goede ruimtelijke ordening' onderzocht. Uit het onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarden voor de gezoneerde wegen niet worden overschreden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is tevens de geluidbelasting ten gevolge van de 30 km/uur wegen berekend. In vergelijking met de grenswaarden in de Wet geluidhinder voldoen de geluidbelastingen aan de voorkeursgrenswaarde/ maximale toelaatbare waarde. Hieruit kan geconcludeerd dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De gecumuleerde geluidbelasting is maximaal 53 dB. Hiermee wordt voldaan aan het Bouwbesluit en het beleid van de gemeente Haarlem (zie onderzoek), aangezien de binnenwaarde van 33 dB wordt gewaarborgd. Het aspect geluid staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.4

Bodemparagraaf Wet bodembescherming Het doel van de Wet bodembescherming (Wbb) is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Wabo, Wbb en Woningwet Op grond van de Wabo geldt een aanhoudingsgrond voor het verlenen van een omgevingsvergunning bouw en voordat aangetoond is dat de bodem van 36

bestemmingsplan "Blauwe Wetering" (vastgesteld)

voldoende kwaliteit is voor de beoogde functie. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften moeten in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. Relevantie plangebied Ten behoeve van het initiatief is bodemonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 4, Tauw, Vooronderzoek bodem Blauwe Wetering Haarlem). Op basis van de resultaten van het vooronderzoek wordt gesteld dat de locatie mogelijk verdacht is op de aanwezigheid van bodemverontreinigingen die een belemmering vormt voor de voorgenomen bestemmingswijziging. In het kader van de vergunningverlening zal aanvullend een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd moeten worden. Geadviseerd wordt om dit na sloop van de gebouwen te doen, zodat er geen onnodige dure/complexe boringen moeten worden gedaan door de fundering van het bestaande gebouw. Alleen om het gebouw heen wat boringen zetten, is niet voldoende om iets te kunnen zeggen over de bodemkwaliteit van het gehele perceel. Om te zorgen dat te zijner tijd een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd wordt, wordt dit als voorwaarde opgenomen worden in de vergunning.

Indien uit het verkennend bodemonderzoek mocht blijken dat de bodem ter plaatse gesaneerd moet worden, dan is de ontwikkelaar in staat de daaruit voortvloeiende kosten te dragen. Het aspect bodem staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.5

Luchtkwaliteit Op 15 november 2007 is de paragraaf 5.2 van de Wet milieubeheer gewijzigd (Hoofdstuk 5 titel 2 Wm, Staatsblad 2007, 414) en zijn in bijlage 2 van de Wet milieubeheer vernieuwde luchtkwaliteitseisen opgenomen. Gelijktijdig zijn de ministeriële regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 (Staatscourant 2007, 220), het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteiteisen) (Regeling NIBM) in werking getreden. Een belangrijk element uit deze wetswijziging is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM). Luchtkwaliteitseisen vormen nu geen belemmering voor ontwikkelingen, als: geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; of een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; of een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging; of een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) dat in werking treedt nadat de EU derogatie heeft verleend. 37

bestemmingsplan "Blauwe Wetering" (vastgesteld)

AMvB 'niet in betekenende mate' In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteiteisen) (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Op verzoek van de Nederlandse overheid heeft de EU verlenging van de termijn (derogatie) gegeven waarbinnen de luchtkwaliteitseisen gerealiseerd moeten zijn. Per 1 augustus 2009 is het NSL vastgesteld (een belangrijke voorwaarde voor het verkrijgen van de derogatie). Hierdoor kan volledig gebruik worden gemaakt van deze derogatie. Bovendien is de definitie van 'niet in betekenende mate' verlegd van 1% naar 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3) voor zowel PM10 als NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven.

Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling niet in betekenende waarde uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. In onderhavig geval is sprake van herstructurering van een bestaand kantoorpand naar maximaal 429 woningen, 1000 m2 bvo aan overige functies en bijbehorende voorzieningen, waaronder parkeervoorzieningen. Hierdoor draagt het project niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Goed woon- en leefklimaat De bijdrage aan de luchtkwaliteit is 'in het kader van een goede ruimtelijke ordening van het project doorgerekend in de NIBM-tool versie 2021 (zie Bijlage 5, Luchtkwaliteitsonderzoek Blauwe Wetering, Tauw). De uitkomst is berekend voor jaartal 2020 met worst case rekenparameters. Waarbij om een beeld te schetsen uit is gegaan van geen verkeer in de huidige situatie. Wanneer hier in de tool van wordt uitgegaan bedragen de concentraties 0, 32 µg/m3. Hiermee blijft de planontwikkeling ruim binnen de NIBM grens van 1,2 µg/m3.

In deze berekening is 0,5 % vrachtverkeer meegenomen vanwege de functies in de plint van het gebouw. Relevantie plangebied Het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de luchtkwaliteit kan worden beschouwd als 'niet in betekenende mate' en is daarom vanuit het oogpunt van 38

bestemmingsplan "Blauwe Wetering" (vastgesteld)

luchtkwaliteit wettelijk inpasbaar op basis van artikel 5.16 lid 1c van de Wet milieubeheer. Daarnaast voldoen de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 aan de wettelijk vastgelegde grenswaarden. Vanuit het thema luchtkwaliteit bezien, is het bestemmingsplan uitvoerbaar

4.6

Waterparagraaf

4.6.1 Inleiding Watertoets Een belangrijk ordenend principe bij ruimtelijke plannen is het waterbeheer: de zorg voor veiligheid tegen overstromingen en voor voldoende en gezond oppervlaktewater. Waterbeheerders willen in een zo vroeg mogelijk stadium betrokken worden bij het proces van ruimtelijke planvorming. De Watertoets is hiervoor het wettelijk geregelde procesinstrument, zie www.dewatertoets.nl. De resultaten van het doorlopen van dit proces van afstemming zijn weergegeven in onderhavige waterparagraaf. In het onderhavig plangebied is het Hoogheemraadschap van Rijnland de waterbeheerder. 4.6.2 Beschrijving watersysteem Oppervlaktewater Het open water dat in het plangebied is opgenomen betreft de Gouwwetering. In het noorden - buiten het plangebied gelegen - is deze watergang verbonden met de Zomervaart, in het zuiden via lange duikers met de Amerikavaart en het water tussen het Ripperda sportpark en de Schipholweg. Naast een bergende functie heeft het water in de buurt ook een esthetische en een ecologische functie. Door de Gouwwetering van zachte, begroeide en natuurvriendelijk ingerichte oevers te voorzien kan de ecologische functie worden versterkt. De Gouwwetering maakt deel uit van het boezemstelsel met een waterpeil van 0,60 meter beneden NAP. Grondwater De grondwaterstanden in het plangebied bevinden zich ca. 0,7 meter onder maaiveld.

Om grondwateroverlast te voorkomen is dan ook een drainagesysteem aangelegd. Dit systeem heeft grote invloed op het functioneren van het lokale grondwatersysteem. Deze manier van water afvoeren kent een aantal voordelen ten opzichte van het traditionele gemengde rioolstelsel. Waterketen Het plangebied kent een gemengd rioolstelsel. Hierin wordt zowel het afvalwater als regenwater verzameld en naar de rioolzuivering gevoerd. De nieuwe ontwikkeling biedt kansen voor vervanging van het gemengde stelsel door een verbeterd gescheiden stelsel. Dit betekent dat de mogelijkheden voor het afkoppelen van schone verharding goed onderzocht en benut moeten worden. Bij het afkoppelen van verharding zullen tevens maatregelen ter voorkoming van uitloging door bouwmaterialen (voornamelijk zink en lood) genomen moeten worden. Het afkoppelen van hemelwater kan niet in een bestemmingsplan

39

bestemmingsplan "Blauwe Wetering" (vastgesteld)

verplicht worden gesteld. De gemeente neemt afkoppelkansen mee in de uitwerking van het basisrioleringsplan voor het gebied. 4.6.3 Beleid van het Hoogheemraadschap In het Waterbeheerplan 2016-2021 'Waardevol Water' legt HHR de ambities voor de komende jaren vast. Het gaat om: Waterveiligheid, bescherming tegen overstromingen Voldoende water, passend bij de gebruiksfuncties, niet te veel of te weinig; Schoon en gezond water, zodat mens, natuur en economie er optimaal gebruik van kunnen maken; Optimale waterketen, optimale zuivering en hergebruik van grondstoffen. Daarbij gaat Rijnland uit van kansen, samenwerken en zoeken naar nieuwe wegen: Voor en samen met de inwoners en bedrijven; hun wensen en belangen staan centraal; Duurzaam en innovatief tegen zo laag mogelijke kosten; Dienstverlenend. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. In de "Handreiking Watertoets" licht HHR de te nemen stappen in de Watertoets toe en geeft het aan hoe de planontwikkelaar of gemeente rekening houdt met het watersysteem (toets- en adviespunten). Deze komen voort uit beleid (inmiddels zijn veel onderliggende beleidsdocumenten geactualiseerd).

De uitgangspunten in de watertoets zijn: Ontwerp en inrichting van het plangebied zijn zodanig dat bescherming tegen overstromingen gegarandeerd blijft; Dat het watersysteem duurzaam voldoet aan de normen voor berging en de aan- en afvoer van water; Stand still voor waterkwaliteit, of zelfs verbetering; Zo min mogelijk schoon water op de riolering, zo min mogelijk vervuild water naar oppervlaktewater (zoals via gemengde riooloverstorten); Beheer en onderhoud van watergangen en –keringen is op verantwoorde en efficiënte wijze mogelijk. De Keur van het Hoogheemraadschap gaat uit van een zorgplicht voor handelingen in het watersysteem. Veel handelingen zijn toegestaan, waarbij de initiatiefnemer (actor) nadelige effecten voorkomt of beperkt. Hieraan wordt in ieder geval voldaan als een handeling wordt verricht overeenkomstig een door het bestuur vastgestelde erkende maatregel. Voor specifiek benoemde handelingen zijn Algemene Regels geformuleerd, waarmee veel handelingen kunnen volstaan met een meldplicht. Als hieraan niet wordt voldaan, dan is alsnog een vergunning nodig (met Beleidsregels als toetsingskader). Zo valt het graven van open water onder Algemene Regels (meldplicht) als het aan minimale afmetingen voldoet en niet in kwetsbaar kwelgebied ligt. En een 40

bestemmingsplan "Blauwe Wetering" (vastgesteld)

toegenomen verharding met versnelde afvoer van hemelwater naar riolering of oppervlaktewater van een oppervlak tussen 500 en 5000 m² is toegestaan mits extra wateroppervlak wordt gerealiseerd ter grootte van 15% van die toename. Compensatieregeling Een algemene regel met betrekking tot de waterkwantiteit is het compenseren van een eventuele toename van verharding (wegen, gebouwen), met versnelde afvoer naar riolering of oppervlaktewater. Indien verharding in een gebied toeneemt, zullen waterhuishoudkundige maatregelen getroffen moeten worden om waterbezwaar als gevolg van de toegenomen verharding te voorkomen. Gemeente Haarlem en het Hoogheemraadschap van Rijnland stellen als richtlijn dat - indien gebouwd wordt en hierbij meer dan 500 m2 onverhard oppervlak omgezet wordt naar verhard oppervlak - minimaal 15 procent van de toename aan verharding gecompenseerd dient te worden in de vorm van oppervlaktewater. Vanaf een toename van 5.000 m2 is een maatwerkoplossing nodig. Het uiteindelijk te compenseren oppervlak hangt af van overige maatregelen die de waterhuishouding in een gebied ten goede kunnen komen, zoals het vertraagd afvoeren van hemelwater. Voorbeelden zijn grasdaken en ontkoppeling van het rioolstelsel, waarbij het ontkoppelde water in de bodem geïnfiltreerd wordt.

Tevens onderschrijft het Waterplan de noodzaak op het vlak van baggeren, afkoppelen, saneren overstorten, inrichten natuurvriendelijke oevers, en afkoppelen schone verharding, en het creëren van extra open water ter compensatie van toegenomen verharding. Relevantie plangebied Onderhavig plangebied is momenteel volledig bebouwd. Er hoeft ten behoeve van de ontwikkeling dan ook geen watercompensatie plaats te vinden, aangezien er geen toename van verhard oppervlak is voorzien.

4.7

Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen 41

bestemmingsplan "Blauwe Wetering" (vastgesteld)

tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.

Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Relevantie plangebied Ten behoeve van het bestemmingsplan is onderzoek gedaan naar het aspect externe veiligheid (zie Bijlage 6 Quick-scan externe veiligheid Blauwe Wetering te Haarlem, TAUW). In dit onderzoek is het aspect externe veiligheid nader bekeken en is geïnventariseerd of er risicovolle activiteiten rondom de locatie plaatsvinden. Alle activiteiten zijn hierbij meegenomen: inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes (weg, spoor, water) en buisleidingen. Ten aanzien van de risicobronnen is in kaart gebracht of zij een effect hebben in het plangebied en welk effect dit is. In de omgeving van het plangebied is een beperkt aantal risicobronnen aanwezig. De meest dichtbijzijnde risicobron betreft een ondergrondse buisleiding voor het transport van aardgas. Op basis van gegevens van de risicokaart en het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen (oktober 2016) is beoordeeld dat de buisleiding op voldoende afstand van de planlocatie is gelegen. Hierdoor is er geen verwacht effect van deze buisleiding op de planlocatie.

Er kan worden geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling ten aanzien van het aspect externe veiligheid.

42

bestemmingsplan "Blauwe Wetering" (vastgesteld)

4.8

Natuurwaarden

4.8.1 Inleiding Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Sommige diersoorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is belangrijk. Wanneer het goed gaat met de natuur, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn regelen vanuit Europa de bescherming van soorten en gebieden. Deze richtlijnen hebben als doel de bescherming van soorten en hun natuurlijke leefgebieden. In Nederland verloopt de bescherming van natuurwaarden via twee sporen: gebiedsbescherming en soortenbescherming. Dit ligt vast in de Wet natuurbescherming. Deze wet voorziet in vereenvoudige regels ter bescherming van de natuur en in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies. 4.8.2 Wet natuurbescherming Algemene zorgplicht De Wet natuurbescherming bepaalt dat iedereen voldoende zorg in acht neemt voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Dit houdt in dat een soort in een gunstige staat van voortbestaan moet blijven. Bij menselijk handelen, beheerwerk, nieuwbouw en planologische ontwikkelingen moet iedereen, naar redelijkheid, mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren voorkomen en er in elk geval rekening mee houden.

Voor het uitvoeren van ruimtelijke ingrepen is een ontheffing echter niet vereist op grond van de algemene zorgplicht. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming wijst op basis van de hiervoor genoemde Europese richtlijnen zogenaamde Natura 2000-gebieden aan. Deze gebieden vormen samen één Europees netwerk van natuurgebieden. Naast de Natura 2000-gebieden zijn er nog andere vormen van gebiedsbescherming. Een aantal terreinen in Nederland is namelijk aangewezen als onderdeel van het natuurnetwerk Nederland (NNN), als bijzonder nationaal landschap, of bijzonder provinciaal natuurgebied dan wel landschap, en de nationale parken. De impact voor een concreet terrein van één van deze vormen van beschermde status kan per situatie anders zijn. Voor dit bestemmingsplan is door middel van een quick scan Wet natuurbescherming (zie hieronder) nagegaan of er vanuit het bestemmingsplangebied externe invloeden mogelijk zijn op de beschermde waarden van een natuurfunctie. Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermingsgebied en ligt er ook niet in de buurt. Gevolgen voor beschermde gebieden zijn daarom niet aannemelijk. Soortenbescherming Ook de soortenbescherming in Nederland ligt wettelijk vast in de Wet 43

bestemmingsplan "Blauwe Wetering" (vastgesteld)

natuurbescherming. Het doel is het beschermen van in het wild voorkomende plant- en diersoorten. De Wet natuurbescherming deelt soorten in drie beschermingsregimes in. Dit zijn het beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, het beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en het beschermingsregime andere soorten. Voor alle regimes geldt dat de beschermde soorten niet verstoord mogen worden. Sommige soorten genieten een striktere bescherming dan andere soorten. Als uit de voorgenomen ingreep blijkt dat verstoring aan de orde is, dan is het aanvragen van een ontheffing bij het bevoegd gezag noodzakelijk. Het beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn gaat over alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Deze soorten mogen niet worden gedood of gevangen, of opzettelijk worden verstoord als dit verstoring van de instandhoudingsstaat wezenlijk beïnvloedt. Ook de eieren, nesten en rustplaatsen van deze soorten genieten bescherming. Het beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn betreft de (vogel)soorten die genoemd zijn in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage I en II van het Verdrag van Bern en bijlage II van het Verdrag van Bonn. Ook onder dit beschermingsregime is het verboden om de betreffende dieren in hun natuurlijke verspreidingsgebied te doden of te vangen of opzettelijk te storen.

Ook dit regime beschermt eieren, voortplantingsplaatsen en rustplaatsen en daarnaast beschermt het plantensoorten op diverse aspecten. Het beschermingsregime andere soorten gaat over soorten als genoemd in bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van bepaalde soorten zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De minister stelt daarnaast van een aantal soortengroepen “rode lijsten” vast van zeldzame en van afnemende soorten. Met de soorten op deze lijsten moet zoveel mogelijk rekening worden gehouden om te zorgen voor de instandhouding daarvan. Een ontheffing is echter niet noodzakelijk. Voor het plangebied geldt dat er wijzigingen aan de bestaande situatie worden doorgevoerd als gevolg van het nieuwe bestemmingsplan. Nadelige effecten voor plant- en diersoorten zin daardoor niet op voorhand uitgesloten. Een quick scan onderzoek naar ecologie is noodzakelijk. Relevantie plangebied Ten behoeve van het initiatief heeft een quick scan ecologie plaatsgevonden (zie Bijlage 7 Natuurtoets Blauwe Wetering, Tauw). Uit dit onderzoek blijkt dat voor de ontwikkeling het onderdeel 'soortenbescherming' van de Wnb van belang is. Effecten op beschermde natuurgebieden of houtopstanden zijn op voorhand uit te sluiten.

In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen Natura 2000 gebieden met stikstofgevoelige habitats aanwezig. Het meest dichtbijzijnde natuurgebied bevindt zich op 3,2 kilometer afstand. Gelet op deze afstand en de beperkte omvang van het projectgebied zijn negatieve effecten niet te verwachten. Om dit aan te tonen is een Aerius-berekening uitgevoerd. De berekening laat zien dat er geen significant negatieve effecten op de genoemde natuurgebieden optreden. De Aerius-berekening is opgenomen als Bijlage 8, Tauw, Stikstofdepositie-onderzoek Blauwe Wetering te Haarlem. 44

bestemmingsplan "Blauwe Wetering" (vastgesteld)

De ontwikkeling is mogelijk strijdig met de Wnb vanwege het mogelijk verstoren van broedende algemene broedvogels en vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen. Om verstoring van vliegroutes en foerageergebieden te voorkomen zijn maatregelen nodig. Dit geldt ook om verstoring van broedende algemene broedvogels te voorkomen. De volgende maatregelen moeten worden genomen: Afstellen van armaturen zodat de Gouwwetering en aanliggende boomkronen en struiken niet worden aangelicht. Verstoring van vliegroutes en foerageergebied wordt hiermee voorkomen Voor algemene broedvogels zonder jaarrond beschermd nest is het nodig om buiten het broedseizoen te werken. Als hiervan af geweken wordt, dan is een broedvogelcontrole nodig voorafgaand aan de werkzaamheden. Met deze controle moet bepaald worden of de werkzaamheden zonder effecten op broedvogels kunnen worden uitgevoerd, of dat een verstoringsvrije zone nodig is. Als een verstoringsvrije zone nodig is, dan dient deze aangehouden te worden totdat een aangetroffen en in gebruik zijnde nest verlaten is Om verstoring van algemene broedvogels te voorkomen moet worden gewerkt buiten het broedseizoen, deze loopt gezien een mogelijk aanwezige meeuwenkolonie van maart tot en met augustus. Voorafgaand aan de werkzaamheden (afhankelijk van de planning) kan een broedvogelcontrole noodzakelijk zijn.

Als bij uitvoering van deze controle blijkt dat een in gebruik zijnde nest aanwezig is, moet een verstoringsvrije zone ingesteld en aangehouden worden. Totdat het nest verlaten is, mag in deze verstoringsvrije zone niet gewerkt worden. Dit kan dus een effect hebben op de planning. De te nemen maatregelen zien op uitvoeringsaspecten van het bestemmingsplan en staan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan voor het aspect Wet natuurbescherming niet in de weg.

4.9

Verkeer en parkeren

4.9.1 Verkeer Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogde nieuwe ontwikkeling op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Voor het maken van een inschatting van het benodigde aantal parkeerplaatsen en de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn parkeerkencijfers en kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' richtlijnen voor parkeernormen en kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende parkeerplaatsen en wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Relevantie plangebied 45

bestemmingsplan "Blauwe Wetering" (vastgesteld)

Ten behoeve van het initiatief is verkeersonderzoek verricht (zie Bijlage 9 Verkeersonderzoek Slachthuisterrein, Goudappel Coffeng). Vanwege de ligging nabij het (te ontwikkelen) Slachthuisterrein/ Slachthuishof zijn naast de optredende verkeerseffecten voor de Blauwe Wetering ook de verkeersgeneratie van deze toekomstige herontwikkeling in het onderzoek meegenomen. Het rapport bevat een onderzoek naar de verkeerseffecten van deze ontwikkelingen op lokaal- en omgevingsniveau. Op 10 november 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders het definitief ontwerp van de openbare ruimte Slachthuisterrein vastgesteld. Naar aanleiding hiervan is het verkeersonderzoek geactualiseerd (zie Bijlage 10). Met de nieuwe ontsluitingsstructuur (éénrichtingsverkeer) wordt voorkomen dat voertuigen elkaar moeten passeren op de smalle Oorkondelaan. De tweede, oostelijke ontsluiting (brug naar de Richard Holkade) zorgt ervoor dat het plangebied bereikbaar blijft in twee richtingen. Verkeersafwikkeling Op de kruispunten rondom het plangebied is nog voldoende restcapaciteit om het extra verkeer af te wikkelen. Op het kruispunt Merovingenstraat – Schipholweg wordt de capaciteit wel benaderd. Dit komt voornamelijk door de grote stroom doorgaand verkeer op de Schipholweg. Het kruispunt Prins Bernhardlaan – Willem Pijperstraat heeft nog voldoende (rest)capaciteit.

Het enige nadeel van dit kruispunt is de nabije ligging op het kruispunt Amerikaweg – Schipholweg, waardoor het voor kan komen dat wachtrijen van dit kruispunt tot aan de Willem Pijperstraat door lopen. Dit zal echter alleen in uitzonderlijke situaties voorkomen. Het kruispunt Prins Bernhardlaan – Zomervaart heeft ook voldoende capaciteit om het verkeer af te kunnen wikkelen. Alleen in de gevoeligheidsanalyse met 200 extra motorvoertuigen op de Zomervaart loopt de verliestijd voor de Minaretstraat op tot boven de acceptabele grenswaarde. In de praktijk zal dit niet voorkomen, want 200 extra motorvoertuigen in het drukste uur van de ochtendspits, zou betekenen dat het hele plangebied via deze richting ontsloten zou worden. In de huidige situatie is het kruispunt Amerikaweg – Schipholweg een verkeerskundig knelpunt. Dit kruispunt wordt daarom gereconstrueerd naar een vormgeving met voldoende capaciteit om de verkeersgroei op te vangen, de doorgaande rijstroken op de Schipholweg krijgen er een rijstrook bij. Hierbij is rekening gehouden met de herontwikkelingsplannen in de Slachthuisbuurt. Invloed definitief ontwerp op de verkeersafwikkeling Er is sprake van een verkeerstoename op Richard Holkade en Willem Pijperstraat. Vanuit verkeerskundig oogpunt is er geen reden om aan te nemen dat de verkeersintensiteiten op de lange termijn overlast of onveiligheid zullen veroorzaken.

Het extra verkeer op beide kruispunten met de Prins Bernhardhlaanis in de gevoeligheidsanalyse reeds onderzocht. Voor het kruispunt Willem Pijperstraat – Prins Bernhardlaan heeft het extra verkeer nagenoeg geen effect. Voor het kruispunt Zomervaart Prins Bernhardlaan komt de wachttijd op de Minaretstraat boven de grenswaarde uit wanneer nagenoeg het hele plangebied via deze route ontsloten wordt. Het is daarbij echter zeer onwaarschijnlijk dat dit zal gebeuren. De verkeersveiligheid op dit kruispunt blijft wel een aandachtspunt, 46

bestemmingsplan "Blauwe Wetering" (vastgesteld)

maar dit wordt reeds onderzocht in een andere studie naar de herinrichting van de gehele Prins Bernhardlaan. De herontwikkeling van de Slachthuisbuurt inclusief nieuwe ontsluitingenstructuur heeft een gunstig effect op de verkeersdruk op de Merovingenstraat en de doorstroming van het kruispunt Merovingenstraat – Schipholweg. De intensiteiten op de Merovingenstraat en het kruispunt Merovingenstraat – Schipholweg zijn namelijk na de herontwikkeling naar verwachting iets lager ten opzichte van de referentiesituatie. Conclusie Ten aanzien van het aspect verkeer is het bestemmingsplan uitvoerbaar. 4.9.2 Parkeren Een herontwikkeling dient te voldoen aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Het parkeerbeleid van de gemeente Haarlem geeft aan dat bij nieuw- of verbouw voldoende parkeergelegenheid moet worden gerealiseerd. De beleidslijn is dat deze parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd. Met behulp van de parkeernorm van de gemeente Haarlem wordt de parkeervraag bepaald. Mochten bij een bouwplan onvoldoende parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd, zal eerst moeten worden gekeken of aanpassing van het bouwprogramma mogelijk is, wanneer dit niet mogelijk blijkt, kan de parkeereis worden afgekocht.

Uit deze beleidslijn blijkt dat ook wanneer in gereguleerd gebied niet aan de parkeereis wordt voldaan, een bouwplan onder invulling van bepaalde voorwaarden toch gerealiseerd kan worden. Deze voorwaarden zijn: Huren of kopen van parkeergelegenheid binnen een straal van 500 meter van het bouwplan met een contractduur van minimaal 10 jaar en/of Toepassing van vervoersmanagement en/of Vrijwillig afzien van het recht op parkeervergunningen en bezoekersschijven voor de woningen en/of Realiseren van alternatieve parkeergelegenheid elders of in het openbaar gebied op een beloopbare afstand ten opzichte van het bouwplan. Relevantie plangebied Door Goudappel Coffeng is in het kader van de planvorming een parkeeronderzoek uitgevoerd om te kijken wat de parkeerbehoefte is als gevolg van het plan en of er wordt voldaan aan het gemeentelijk beleid (zie Bijlage 11, Goudappel Coffeng, Ontwikkeling Blauwe Wetering, onderbouwing benodigd parkeeraanbod voor auto’s en fietsen, 19 december 2019). Uit het parkeeronderzoek blijkt het dat op basis van het gemeentelijk beleid 446 parkeerplaatsen benodigd zouden zijn. Gegeven de beoogde doelgroep en gelet op de grootte van de woningen is er maatwerk mogelijk. Uit de maatwerkberekening blijkt dat er voor deze ontwikkeling kan worden volstaan met 310 parkeerplaatsen voor deze ontwikkeling.

vanwege de kleinere woningen en de beoogde doelgroep is het autobezit van de toekomstige bewoners lager is dan gemiddeld; onder de voorwaarde dat de commerciele ruimten worden ingevuld door 47

bestemmingsplan "Blauwe Wetering" (vastgesteld)

functies zonder avondopenstelling. Aanvullend kan overwogen worden binnen het wooncomplex 14 deelauto's te plaatsen, in dat geval kan worden volstaan met minimaal 280 parkeerplaatsen, aangezien het plaatsen van deelauto's een lager eigen autobezit tot gevolg heeft. Als stimulans om geen eigen auto te bezitten zal initiatiefnemer zorgdragen voor aanvullende fietsparkeervoorzieningen, waarbij wordt uitgegaan van minimaal 2 fietsparkeerplekken per woning. Zodoende wordt ruimte geboden aan 858 fietsen, hetgeen ruim meer is dan de voorgeschreven normen op basis van het Bouwbesluit 2012. Conclusie Door de locatie- en planspecifieke kenmerken van de ontwikkeling kan voor deze ontwikkeling worden volstaan met een parkeeraanbod van minimaal 280 parkeerplaatsen die in het bouwplan zullen worden gerealiseerd. De borging van het parkeren vindt plaats via de in artikel 12 van de regels opgenomen dynamische verwijzing naar de beleidsnota parkeernormen, waarin tevens de mogelijkheid van maatwerk is opgenomen. De voorgestelde parkeeroplossing is getoetst door de afdeling Verkeer van de gemeente Haarlem en akkoord bevonden. Van belang daarbij is dat initiatiefnemer tevens 14 deelauto's aanbiedt via de VVE. Tot slot is in de regels geborgd dat commerciele ruimten niet in de avonduren geopend mogen zijn. Het plan is daarmee ten aanzien van het aspect parkeren uitvoerbaar.

4.10 Archeologie 4.10.1

Inleiding In 1992 ondertekende onder andere Nederland het Verdrag van Valletta. Het doel van dit verdrag is het beschermen van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Het verdrag is verwerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) en de Erfgoedwet. De gemeente is op basis van artikel 38a van die wet verplicht om rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De drie belangrijkste uitgangspunten van de Wamz zijn: het behoud van archeologische waarden in de bodem; de initiatiefnemer van het project dat tot bodemverstoring leidt, betaalt de kosten van archeologisch onderzoek; het vroegtijdig integreren van de zorg voor het archeologisch erfgoed in de procedures van de ruimtelijke ordening. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beheert de Archeologische Monumenten Kaart (AMK). Deze kaart bevat een overzicht van belangrijke archeologische terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria en ingedeeld in diverse categorieën archeologische 48

bestemmingsplan "Blauwe Wetering" (vastgesteld)

waarden. In aanvulling op de AMK is er de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). De IKAW geeft voor heel Nederland, inclusief de bodems van grote wateren, de kans aan op het aantreffen van archeologische resten bij werkzaamheden in de bodem. Die trefkans is aangegeven in vier categorieën. 4.10.2

De Haarlemse bodem Het huidige Haarlem ligt zowel op de oudste strandwal, 56 eeuwen geleden ontstaan, als de op één na oudste strandwal van Nederland. Op deze strandwallen bouwden jagers en vissers in de nieuwe steentijd (vanaf 3600 v. Chr.) eenvoudige onderkomens. Vanaf de bronstijd (2000-800 v. Chr.) legden de mensen akkers aan en bouwden ze boerderijen. Vele eeuwen later, vanaf de Karolingische tijd, ontstond op een strategische plek aan het Spaarne de nederzetting Harulahem. Harulahem, wat huis(en) op een open plek in een op zandgrond gelegen bos betekent, is later verbasterd tot Haarlem. Haarlem ontwikkelde zich al snel tot een belangrijke stad in Holland en kreeg in 1245 stadsrechten. De resten van woningen, huisraad en andere sporen van vroegere bewoning zijn in de loop der eeuwen door natuurlijke processen en kunstmatige ophogingen verborgen geraakt in de Haarlemse bodem. Zo is de Haarlemse bodem een opeenstapeling geworden van diverse lagen van 56 eeuwen bewoningsgeschiedenis.

4.10.3

Verwachtingswaarde plangebied Het terrein van het plangebied heeft sinds de middeleeuwen lange tijd buiten de stad Haarlem gelegen en lag nabij het gebied dat zomerland genoemd wordt. Dat is land dat door een zomerdijk wordt beschermd. Een zomerdijk keert het water in de zomermaanden. In de 20e eeuw wordt het gebied bij de stad getrokken. In 1907 verrees op het terrein van het plangebied het Openbaar Slachthuis. Het plangebied behoort volgens de ABH tot categorie 4. In een gebied van deze categorie worden archeologische vondsten verwacht in een relatief lage dichtheid.

Uitsnede Archeologische Beleidskaart Haarlem Gezien de aard van deze archeologische waarden zijn er voorwaarden 49

bestemmingsplan "Blauwe Wetering" (vastgesteld)

verbonden aan een bouw- , aanleg- , en/of sloopvergunning. Bij bodemverstorende activiteiten met een oppervlakte van 2.500 m2 en groter en dieper dan 30 cm onder het maaiveld kan het zijn dat er bij de aanvraag van een vergunning een waardestellend archeologisch rapport moet worden bijgevoegd waarin de aan- of afwezigheid van archeologische waarden in voldoende mate is vastgesteld. Relevantie plangebied Ten behoeve van het bestemmingsplan is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in het plangebied (zie Bijlage 12, Transect, Blauwe Wetering, gemeente Haarlem. Op basis van het bureauonderzoek is sprake van een middelhoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Bronstijd/Ijzertijd. Het plangebied bevindt zich namelijk in een strand(wal)vlakte met lage duinen, waarvan afzettingen zich bevinden op een diepte van circa 2,6 m -NAP. Dit is ook gebleken uit een onderzoek vlak naast het plangebied. De verwachting is dat dit een relatief hoger gelegen gebied is ten opzichte van de strandvlakte. De verwachting is dat dit niveau nog intact is en niet is verstoord door de huidige bebouwing. De verstoring door de huidige bebouwing wordt geschat tot een diepte van circa 1,1 tot 1,5 m -NAP, gebaseerd op de bouwtekeningen en het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) en bevindt zich mogelijk geheel in een recent ophoogpakket.

Na vernatting van het gebied in de Bronstijd is de strandvlakte en later de strandwal begraven onder veen. In het veen zijn lokaal en tijdelijk bewoningsmogelijkheden geweest die te herkennen zijn aan een veraard traject in het veen. Er is een middelhoge verwachting gegeven op de aanwezigheid van dergelijke resten in het veen uit de periode Bronstijd – Vroege Middeleeuwen in het plangebied. De verwachting is echter dat door de aanwezigheid van een circa 3 m dik zandig ophoogpakket, dat de zetting in het veen ervoor heeft gezorgd dat een eventuele vindplaats slecht tot niet goed bewaard is gebleven. Op basis van historisch kaartmateriaal is een lage verwachting opgesteld voor de periode Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd vanwege het ontbreken van bebouwing of ander archeologisch relevant landgebruik . In het plangebied bestaat het voornemen om het huidige kantoorpand te slopen en een appartementencomplex te realiseren. Dit appartementencomplex zal geheel onderkelderd worden en onderheid worden. Op basis van het bureauonderzoek is voornamelijk een verwachting opgesteld voor archeologische resten op de top van strandwal die zich in het plangebied zal bevinden. De top van deze strandwal is in een naastgelegen gebied vastgesteld op 2,6 m -NAP, maar zou in het plangebied ook hoger kunnen liggen.

Indien er graafwerkzaamheden zullen plaatsvinden ten behoeve van de sloop of de nieuwbouw wordt geadviseerd een verkennend booronderzoek uit te voeren in het plangebied om de aanwezigheid, locatie en bewoonbaarheid van deze strandwal in het plangebied te toetsen. Dit onderzoek kan het beste plaatsvinden ná de sloop van de huidige bebouwing en middels een mechanische boor. De onderzoeksstrategie van het verkennend booronderzoek dient in een Plan van Aanpak (PvA) te worden verwoord. Dit PvA moet voorafgaand aan de start van het booronderzoek aan het bureau Archeologie van de gemeente Haarlem ter beoordeling worden voorgelegd. Deze vereisten worden als voorwaarde opgenomen aan de 50

bestemmingsplan "Blauwe Wetering" (vastgesteld)

omgevingsvergunning. Het aspect archeologie staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.11 Duurzaamheid en energie Zoals in paragraaf 3.4.7 is beschreven dient bij herontwikkeling rekening te worden gehouden met duurzaamheid. In de Stedenbouwkundige Randvoorwaarden voor de herontwikkeling van de Blauwe Wetering wordt daarbij uitgegaan van de volgende aspecten: Bebouwing Hergebruik van leegstaand gebouw en het toevoegen van een compacte vorm van bebouwing. Mobiliteit De toekomstige Blauwe Wetering stimuleert duurzame vormen van mobiliteit. Makkelijke en ruime fietsvoorzieningen stimuleren het fietsgebruik. Een autodeel-concept draagt bij aan een beperkte parkeerbehoefte en zuiniger gebruik van de auto. Energie Via warmte/koude opslag en het plaatsen van zonnecollectoren wordt het gebouw op een duurzame manier van energie voorzien. De woningen worden aardgasvrij. Verlichting zal uitsluitend met LED geschieden Groen Een deel van de daken wordt 'vergroend' en geschikt gemaakt voor het verbouwen van groente. Beplanting wordt ook toegepast voor natuurlijke koeling van de hoven.

4.12 Vliegverkeer Vanaf 20 februari 2003 is het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) van kracht, welke nadien enkele malen is gewijzigd (voor het laatst op 1 januari 2018). Dit besluit wijst rond het luchthavengebied een beperkingengebied aan. Binnen dat gebied gelden regels voor beperkingen van bestemming en gebruik van grond. Het gaat om beperkingen voor bebouwing, hoogte en het realiseren van vogelaantrekkende bestemmingen, vogelaantrekkend gebruik, windturbines en lasers. Deze paragraaf gaat in op deze beperkingen en eventuele gevolgen voor dit bestemmingsplan. 4.12.1

Bebouwing en gebruik Binnen het plangebied gelden geen beperkingen voor bebouwing en het gebruik daarvan als bedoeld in artikel 2.2.1 tot en met 2.2.1.e van het LIB voor het externe veiligheidsrisico en de geluidbelasting door het luchthavenverkeer. Het plangebied ligt namelijk niet in een aan- en uitvliegroute van het vliegverkeer en daarnaast op een te grote afstand van de luchthaven. 51

bestemmingsplan "Blauwe Wetering" (vastgesteld)

4.12.2

Hoogte Voor het hele plangebied gelden wel hoogtebeperkingen op basis van de artikelen 2.2.2 en 2.2.2a van het LIB. De hoogtebeperkingen zorgen ervoor dat vliegtuigen op een veilige manier van en naar de luchthaven Schiphol kunnen vliegen. De maximaal toegestane hoogte op grond van artikel 2.2.2 bedraagt 50- 54 meter NAP ter plaatse van het plangebied, zie onderstaande afbeelding.

Maximaal toegestane bouwhoogten ingevolge het Lib De hoogtes ingevolge het Lib zijn gerelateerd aan het NAP. De NAP-hoogte 52

bestemmingsplan "Blauwe Wetering" (vastgesteld)

van het gebouw wordt bepaald door de NAP-hoogte van het maaiveld + de objecthoogte van het gebouw ten opzichte van het maaiveld. De NAP-hoogte van het maaiveld ter hoogte van de Blauwe Wetering bedraagt + 0,45 m NAP. Het gebouw is zo ontworpen dat enerzijds onder de maximale op grond van het Lib toegestane hoogten wordt gebleven, en anderzijds voldoende ruimte wordt geboden voor 429 woningen. Onderstaande afbeelding geeft de maximale bouwhoogten van het gebouw weer i.r.t. de (aflopende) toetsvlakken uit het Lib.

De maximale hoogte van het gebouw bedraagt voor het meest westelijke deel 52,45 m, waar een NAP -hoogte van maximaal 53 m geldt. Voor de toren loopt deze hoogte vervolgens trapsgewijs af tot een maximale bouwhoogte van 51,05 m voor het meest oostelijke deel van de toren, waar een NAP-hoogte van maximaal 52 m geldt. De maximale bouwhoogten zijn opgenomen op de verbeelding. Ter bescherming van het functioneren van radarapparatuur gelden voor deze locatie geen beperkingen. 4.12.3

Vogelaantrekkende bestemmingen en vogelaantrekkend gebruik In het hele plangebied is het niet toegestaan om vogelaantrekkende bestemmingen en vogelaantrekkend gebruik mogelijk te maken volgens het LIB. Dit voorkomt concentraties vogels in de nabijheid van de luchthaven die hinderlijk kunnen zijn voor vliegtuigen. Onder vogelaantrekkende bestemmingen en vogelaantrekkend gebruik wordt verstaan: industrie in de voedselsector met extramurale opslag of overslag; viskwekerijen met extramurale bassins; opslag of verwerking van afvalstoffen met extramurale opslag of verwerking; natuurreservaten en vogelreservaten; moerasgebieden en oppervlaktewateren groter dan 3 hectare. Dit bestemmingsplan maakt geen vogelaantrekkende bestemmingen en 53

bestemmingsplan "Blauwe Wetering" (vastgesteld)

vogelaantrekkend gebruik mogelijk. 4.12.4

Windturbines en lasers Rondom de luchthaven Schiphol wijst het LIB een toetszone aan waarin extra beperkingen voor windturbines en vaste laserinstallaties gelden. Deze regels moeten hinder voor landend en startend vliegverkeer voorkomen en een goede werking van de luchtverkeersapparatuur waarborgen. Windturbines kunnen hierop namelijk van extra invloed zijn door onder andere hun hoogte en de aanwezigheid van bewegende delen. Het gebruik van laserinstallaties met een bepaalde lichtintensiteit op de grond en in de directe omgeving van Schiphol kan de vliegveiligheid ook beïnvloeden. Voor nieuwe windturbines geldt een maximaal toegestane tiphoogte van 35 meter of bij plaatsing van een dakturbine op een gebouw een maximale tiphoogte van de turbine van 5 meter waarbij de hoogte van het gebouw inclusief de tiphoogte van de turbine de 35 meter niet mag overschrijden. Uiteraard blijven daarnaast de eerder genoemde hoogtebeperkingen gelden. Afwijking van één van de hoogtebeperkingen is niet toegestaan tenzij een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8.9 van de Wet luchtvaart is verkregen. Ook voor nieuwe laserinstallaties met een bepaalde lichtintensiteit binnen de toetszone is een dergelijke verklaring van geen bezwaar nodig.

Voor dit bestemmingsplan hebben de extra beperkingen geen gevolgen omdat de bouw- en gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt voldoen aan de gestelde beperkingen c.q. niet zien op windturbines/ lasers.

4.12.5

Conclusie Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het LIB. De maximale bouwhoogte van het gebouw is gelegen onder de max.toegestane hoogte op grond van het Lib. Het met een afwijkingsbevoegdheid mogelijk maken van bouwhoogten hoger dan de maximale hoogte ingevolge het Luchthavenindelingbesluit Schiphol is uitsluitend toegestaan indien een verklaring van geen bezwaar zoals bedoeld in artikel 8.9 van de Wet luchtvaart jo. het Luchthavenindelingbesluit Schiphol is verleend.

4.13 Kabels, leidingen, straalpaden en andere belemmeringen Planologische relevante buisleidingen dienen in het bestemmingsplan te worden bestemd. De bestemming leiding wordt gecombineerd met de bestemming van de gronden waarin de leiding is gelegen en beperkt de rechten en het gebruik van die gronden (de zogenaamde dubbelbestemming). Planologisch relevante leidingen zijn: hoofdtransportleidingen; hoogspanningsleidingen van 50 KV en hoger; buisleidingen voor het transport van brandbare gassen met een druk van 20 bar of hoger; buisleidingen voor het transsport van brandbare vloeistoffen met een diameter van 400 mm en groter; buisleidingen voor het transsport van giftige stoffen;

54

bestemmingsplan "Blauwe Wetering" (vastgesteld)

buisleidingen met een diameter van 400 mm en groter en gelegen buiten de bebouwde kom; buisleidingen voor het transport van afvalwater van het waterschap met een diameter van 400 mm en groter (hoofdleidingen van en naar de afvalwaterzuiveringsinrichting); optisch vrije paden (straalpaden). Niet-planologisch relevante leidingen behoeven geen bescherming/regeling in het bestemmingsplan. Deze leidingen (riool(pers)leidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) vervullen uitsluitend een functie voor de aanwezige functies in het gebied (kavelaansluitingen) en kunnen ook zonder planologische regeling worden aangelegd. Deze leidingen zijn veelal aangelegd langs en/of in combinatie met aanwezige infrastructuur. Bij de technische uitwerking van het plan wordt de veiligheid van deze kabels en leidingen gewaarborgd via het KLIC-systeem. Relevantie plangebied In de nabijheid van het plangebied ligt in de Slachthuisstraat een watertransportleiding van het PWN. Vanaf het transformatorstation naar de Richard Holkade loopt een ondergrondse 50kV hoofdspanningsleiding. Dit zijn geen planologisch relevante leidingen waarvoor een specifieke regeling nodig is in dit bestemmingsplan. Er liggen geen hoofdgasleidingen of landelijke/ regionale leidingstroken in of nabij het plangebied die planologisch relevant zijn.

4.14 Windhinder De beoordeling van het windklimaat met betrekking tot windhinder en windgevaar, is in Nederland vastgelegd in de norm NEN 8100. Om te bepalen of windhinder en/of windgevaar te verwachten is, kan in eerste instantie gebruik worden gemaakt van het beslismodel in de NEN 8100. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen een drietal activiteiten: 1. Doorlopen, bijvoorbeeld op een parkeerterrein. 2. Slenteren, bijvoorbeeld in een winkelstraat of bij een gebouwingang. 3. Langdurig zitten, bijvoorbeeld op een bankje in het park.

Overzicht kwaliteitsklasses windklimaat Ten aanzien van het beoordelen van windgevaar wordt de indeling aangehouden zoals in onderstaande tabel:

55

bestemmingsplan "Blauwe Wetering" (vastgesteld)

Indicatie windgevaar Situaties waarvoor een overschrijdingskans in procenten tussen de 0.05 en 0.30 geldt, mogen alleen worden geaccepteerd als deze vallen binnen activiteitenklasse 1 ('doorlopen'). Situaties met een overschrijdingskans in procenten groter en gelijk aan 0.30 zijn evident gevaarlijk en behoren te allen tijde te worden vermeden; het publiek mag hier niet aan worden blootgesteld. Voor plaatsen waar men voor kwetsbare groepen (bijvoorbeeld bejaarden, mindervaliden en kleine kinderen) een verantwoorde situatie wil bereiken, kunnen afwijkende eisen worden gehanteerd. Relevantie plangebied Ten behoeve van het bestemmingsplan is onderzoek naar windhinder verricht (zie Bijlage 13 'De Blauwe Wetering te Haarlem, Windstudie in het kader van de ruimtelijke onderbouwing, Actiflow B.V.). Voor de analyse is de Nederlandse norm ”NEN 8100: 2006: Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving” gebruikt. Uit het onderzoek blijkt dat het windklimaat rondom De Blauwe Wetering in de nieuwe situatie in kwaliteit afneemt. De resultaten laten zien dat het binnenterrein hogere windsnelheden ondervindt voor de meeste windrichtingen. Dit kan leiden tot windhinder indien geen mitigerende maatregelen worden getroffen. Nabij de noordwesthoek van de huidige bebouwing is kans op windhinder (klasse B en C), deze kans is groter in de nieuwe situatie.

Ook aan de noordoosthoek en ten zuiden van de nieuwbouw ontstaan zones met windhinderklass B en C. Nergens treedt de meest kritische windhinderklasse E op. Ook ontstaat er nergens risico op windgevaar. Op het binnenterrein kunnen bij de uitvoering van het bestemmingsplan mitigerende maatregelen worden getroffen. De bestemming staat daar niet aan in de weg. Gelet op voorgaande is het bestemmingsplan voor wat betreft het aspect windhinder uitvoerbaar.

4.15 Bezonning Er bestaan geen wettelijke normen en eisen ten aanzien van bezonning voor bebouwing. Gemeenten zijn bij de onderbouwing of er t.a.v. dit aspect sprake is van ‘een goede ruimtelijke ordening’ vrij om dit in te vullen. Vaak wordt gebruik gemaakt van de door TNO ontwikkelde (lichte norm), die minimaal twee uur zon per dag (niet aansluitend vereist) in de periode 19 februari tot en met 21 oktober voorschrijft, en een “strenge' norm, die drie uur zon per dag (niet aansluitend vereist) in de periode 21 januari tot en met 22 november voorschrijft. De volledige formulering van de ‘lichte norm’ luidt als volgt: ‘er wordt voldaan aan de lichte TNO-norm als de zon minimaal 2 uur per dag op het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam van de woonkamer valt,

56

bestemmingsplan "Blauwe Wetering" (vastgesteld)

gedurende de periode 19 februari t/m 21 oktober. 19 februari en 21 oktober zijn de data waarop de schaduwwerking het grootst is vanwege de lage stand van de zon. Na 19 februari zal de situatie elke dag verbeteren tot en met 21 juni, wanneer de zon op haar hoogst staat en er dus nauwelijks schaduwwerking is. Daarna wordt de schaduwwerking weer elke dag een beetje groter, tot het einde van de onderzoeksperiode op 21 oktober. Vanwege dit ‘parabolische’ effect volstaat het om de schaduwwerking op drie dagen te onderzoeken: 19 februari, 21 juni en 21 oktober. Op elk van deze data wordt met een interval van 1 uur onderzocht hoe de schaduwwerking op de omliggende woningen op de betreffende dag is, zodat inzichtelijk is hoeveel uur per dag de te onderzoeken gevels in de schaduw liggen. Bij het toetsen aan de TNO-norm dient de bezonning van het midden van de vensterbank in de woonkamer onderzocht te worden. In de regel bevindt de woonkamer zich in ieder geval aan de voorzijde van de woning. Relevantie plangebied Ten behoeve van het initiatief is een bezonningstudie verricht (zie Bijlage 14 bezonningsstudie invloed nieuwbouw De Blauwe Wetering, Nelissen Ingenieursbureau). Uit dit onderzoek blijkt dat de nieuwbouw van De Blauwe Wetering vooral invloed heeft op de woningen gelegen ten noorden van het plan met name de rug appartementen op de begane grond (meetpunt 5 Oorkondelaan- Noord).

Hier wordt de lichte TNO norm benaderd maar niet behaald. Op de overige bebouwing rondom het plan wordt minimaal de lichte TNO norm behaald en aan de westzijde van het plan wordt tevens aan de strenge norm voldaan. Bij de gehanteerde bestaande situatie is reeds rekening gehouden met de nieuw te ontwikkelen woningen binnen het plan Slachthuisbuurt in Haarlem. Dit betekent dat de woningen aan de west- en noordzijde van De Blauwe Wetering geen werkelijke bestaande bebouwing is. Uit de uitgevoerde studie blijkt dat, ten gevolge van de nieuwbouw van De Blauwe Wetering (429 woningen) ter plaatse van circa 13 woningen in de nieuwbouw ten noorden van het plan niet wordt voldaan aan de lichte TNO-norm (zie paragraaf 3.2.). Het gaat in dit geval om: een elftal rugwoningen (woningen gelegen aan een gemeenschappelijke inpandige gang) twee rijwoningen, gelegen boven de rugwoningen. Hierbij wordt opgemerkt dat in hetzelfde bouwblok (ten noorden van De Blauwe Wetering) rugwoningen worden gerealiseerd aan de noordgevel. Deze appartementen aan de noordgevel zullen zeer beperkt zoninstraling hebben, terwijl de appartementen aan de zuidgevel (meetpunt 5) vanaf februari beperkt en vanaf maart meerdere uren per dag door de zon beschenen worden. Concluderend uit de resultaten in tabel 3.2.

kan gesteld worden dat in de periode van 21 maart tot en met 21 september er meer dan 3 mogelijke bezonningsuren per dag zijn op de zuidgevel van het blok ten noorden van De Blauwe Wetering (meetpunten 4 en 5). Hiermee wordt in deze periode aan de strenge TNO-norm voldaan. Op grond hiervan wordt geacht dat het mogelijk is om hier, zeker omdat de woningen nog ontworpen moeten worden, een 57

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12265097/1