CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

20210610134 (programma's en gebieden) Eindversie Verstedelijkingsconcept (versie 3) - Metropoolregioamsterdam Graag registreren en in proces nemen met taak naar Raad bijlagen als documenten

gemeenteraad 25 november 2021, gemeente HaarlemBij agendapunt: * 20210610134 Verstedelijkingsstrategie 2030/2050 Metropoolregio Amsterdam: Verzoek tot onderschrijven Verstedelijkingsconcept MRA44.877 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 6

Wat het NZKG betreft zijn in het Verstedelijkingsconcept in versie 3 alleen die onderdelen opgenomen die als onmisbaar element zijn geïdentificeerd. De tijdelijke waterbuffer is een dergelijk onmisbaar element en is als zoekgebied opgenomen in versie 3 van het Verstedelijkingsconcept. Elementen waar geen overeenstemming over is of die nader onderzoek vergen, zijn als zodanig aangegeven en zullen in het gezamenlijk proces in het NOVI-gebied NZKG verder worden onderzocht en besproken. Een procesafspraak daarover zal onderdeel uitmaken van het bij het aan de Verstedelijkingsstrategie verbonden Verstedelijkingsakkoord.

10 Juist in het traject NOVI-gebied NZKG is het zaak om al deze aspecten, ruimte vragers, in samenhang te bekijken en tegen elkaar af te wegen. We verwachten dat de kaders die vanuit de Verstedelijkingsstrategie worden meegegeven voldoende ruimte bieden om binnen het traject van NOVI-NZKG ook eigen afwegingen te kunnen maken, pilots te kunnen doen en besluiten te nemen. Wij verwachten hierover goede afspraken in het kader van de Verstedelijkingsstrategie te kunnen maken.

Wat het NZKG betreft zijn in het Verstedelijkingsconcept in versie 3 alleen die onderdelen opgenomen die als onmisbaar element zijn geïdentificeerd. Elementen waar geen overeenstemming over is of die nader onderzoek vergen, zijn als zodanig aangegeven en zullen in het gezamenlijk proces in het NOVI-gebied NZKG verder worden onderzocht en besproken. Een procesafspraak daarover zal onderdeel uitmaken van het bij het aan de Verstedelijkingsstrategie verbonden Verstedelijkingsakkoord. Wat de Houtrakpolder betreft, houdt de Verstedelijkingsstrategie vast aan eerdere afspraken uit de visie NZKG 2040. Dit betekent dat eerst intensiever gebruik moet worden gemaakt van het huidige haventerrein.

47

Enige discussie over anders inzetten van gronden verloopt via het Bestuursplatform conform diezelfde afspraken uit de Visie NZKG 2040. 11 De energietransitie heeft impact op de energie-infrastructuur met ruimtelijke consequenties op de schaal van de MRA, maar ook op gebiedsniveau binnen de MRA. Bij de NZKG zijn we daar al op in gegaan. Wij benadrukken het belang van de energievraag en welke voorzieningen daarvoor ruimtelijk nodig zijn op gebiedsniveau. Wij willen dat de richting die het energiesysteem op gaat, wordt geconcretiseerd inclusief de ruimtelijke consequenties. Niet alleen de ruimtelijke impact van het systeem zelf, maar ook de uitwerking daarvan op andere ontwikkelingen, zoals wonen en werken. We willen dit dan ook terug zien in de volgende versie van het verstedelijkingsconcept.

Mede naar aanleiding van deze inbreng van de provincie is in Versie 3 is een volgende stap gezet in het in beeld brengen van de knelpunten in het energiesysteem op de korte termijn (tot 2030) en van de richting voor het hybride energiesysteem van de toekomst. De laatste is echter afhankelijk van verschillende trajecten op nationaal niveau, waarin nog bepalende keuzes gemaakt moeten worden. Het Programma Energiehoofdstructuur is hier in grote mate bepalend. In de Verstedelijkingsstrategie worden wel dezelfde scenario’s toegepast als in het programma PEH: de landelijk II3050 scenario’s. Voor de verdere uitwerking van het energiesysteem hebben Rijk en regio in het kader van de Verstedelijkingsstrategie afgesproken intensiever samen te werken ten behoeve van een integrale besluitvorming op nationaal en regionaal niveau over ruimtelijke en economische ontwikkeling aan de ene kant en een robuust en duurzaam hybride energiesysteem aan de andere kant.

12 In de Verstedelijkingsstrategie wordt geconstateerd dat het mobiliteitssysteem vraagt om een transitie: “een duurzame, gezonde en slimme mobiliteit, die het mensen gemakkelijk maakt om hun reis van deur tot deur te organiseren, op betaalbare wijze en beperkt afhankelijk van een eigen auto”. Dit sluit goed aan bij de drie pijlers van ons Perspectief Mobiliteit: Verminder, Verander, Verbeter. Daarom ook benadrukken wij de belangrijke relatie tussen het programma Samen Bouwen aan Bereikbaarheid (SBaB) en meer specifiek het Multi Modaal Toekomstbeeld 2040. Juist deze multimodale strategie is van groot belang om de verstedelijkingsstrategie te laten slagen, ook met het oog op de Mobiliteitstransitie (die ook wordt uitgewerkt binnen datzelfde Multi ModaleToekomstbeeld).

Terecht wijst de provincie op de nauwe samenhang tussen de Verstedelijkingsstrategie en het programma Samen Bouwen aan Bereikbaarheid, w.o. het Multimodaal Toekomstbeeld. In lijn hiermee wordt dan ook nauw samengewerkt.. Bevindingen uit Programma SBaB worden geïntegreerd in het Verstedelijkingsconcept en vanuit de Verstedelijkingsstrategie wordt geborgd dat de mobiliteitsopgaven in SBaB gekoppeld zijn aan de integrale verstedelijkingsopgave. De elementen van het Regionaal OV Toekomstbeeld worden geïntegreerd in het verstedelijkingsconcept, waarbij wordt aangegeven of er momenteel voor ROVT-projecten al dan niet sprake is van Rijksbetrokkenheid. Zoals de provincie vraagt, wordt bij het onderzoek naar het herontwerp van het wegennet in het traject Multimodaal toekomstbeeld – naast naar effecten elders in het hoofdwegennet – ook gekeken naar de effecten op het onderliggend wegennet van N-wegen.

De relatie met het Regionaal OV Toekomstbeeld (ROVT) willen we uitgebreider hebben verwoord in de Verstedelijkingsstrategie. ROVT-projecten zoals HOV A9-corridor en HOV Hillegom-Schiphol horen ook te worden benoemd (naast HOV ZaanIJ, dat wel staat benoemd). Tenslotte vragen wij aandacht voor mobiliteitsvraagstukken die niet in het programma SBaB zijn ondergebracht, denk daarbij in ieder geval aan de Gooicorridor en de A22. Maar ook aan de doorwerking van het programma SBaB op het regionale wegennet, bijv, n.a.v. het onderzoek naar het “redesign” van het weggennet dat op dit moment wordt uitgewerkt in het Multi Modaal Toekomstbeeld. 13 Wij zien de verstedelijkingsstrategie als een stip op de horizon waar we binnen de MRA en met het Rijk gezamenlijk naar toe werken. Het kan zijn dat de verstedelijkingsstrategie nu of in de toekomst op onderdelen af zal wijken van lokale of regionale visies. Of dat ontwikkelingen in andere programma's consequenties hebben voor keuzes in de verstedelijkingsstrategie. Zie bijvoorbeeld het eerdergenoemde NOVI-gebied NZKG, waarbinnen de verdere gebiedsgerichte

Zoals gesignaleerd door de provincie markeert de Verstedelijkingsstrategie inderdaad een nieuwe wijze van samenwerken tussen regio en Rijk. Binnen de MRA wordt dit opgepakt en uitgewerkt door platform Ruimte. Ten aanzien van de samenwerking worden de komende tijd afspraken uitgewerkt over de manier waarop aan de verstedelijkingsopgaven in de MRA wordt gewerkt en hoe verschillende trajecten zich tot elkaar verhouden. Belanghebbenden worden betrokken bij het formuleren van die afspraken.

48

uitwerking plaatsvindt van de daar spelende opgaven uit de Verstedelijkingsstrategie. We gaan ervan uit dat over deze punten het gesprek met elkaar wordt gevoerd binnen de MRA en waar nodig met het Rijk. We zien de Verstedelijkingsstrategie in die zin dan ook als een startpunt, waarbij de sturing op het invullen van de randvoorwaarden, die we noodzakelijk achten om de doelen te bereiken, en het maken van afspraken hoe we dat samendoen, centraal moet staan. Wij pleiten daarnaast voor het borgen van de afspraken, in het licht van de lopende programma’s, om te vermijden dat partijen naar elkaar kijken in plaats van actie te ondernemen waar afgesproken en nodig. Dit geldt onder meer voor de lopende trajecten, programma’s en onderzoeken in het kader van de nationale Energietransitie en voor klimaatadaptatie. 14 Klimaatverandering heeft terecht een stevige positie in het verstedelijkingsconcept gekregen. We moeten ons als samenwerkende overheden voorbereiden op de grote gevolgen die klimaatverandering voor de MRA kunnen hebben. Klimaatverandering leidt, naast wateroverlast, steeds meer tot watertekort, waarmee overlast in een ander perspectief komt te staan. Het is daarom belangrijk dat de Verstedelijkingsstrategie rekening houdt met lopende water- en klimaatprogramma’s van Rijk, regio, provincie en waterschappen.

Denk aan Deltaplan Zoetwater, Programma Toekomstbestendig AmsterdamRijnkanaal/ Noordzeekanaalgebied en Gebiedsprogramma LaagHolland.

We waarderen de steun van de provincie voor de keuze om klimaatverandering een centrale positie te geven in het Verstedelijkingsconcept. Het Verstedelijkingsconcept agendeert de opgaven hiervoor en schetst een koers hoe deze kunnen worden aangepakt. In Versie 3 wordt verbinding gemaakt met lopende programma’s op dit terrein. In de uitwerking van de opgaven zal vervolgens gekeken worden wat aanvullend op die programma's nodig is.

15 De verstedelijkingsstrategie richt zich op kansengelijkheid en betaalbare woningen voor alle inwoners en refereert aan de grote bouwopgave van 175.000 woningen voor de hele regio. Er worden in de huidige versie geen expliciete strategische keuzes gemaakt over fasering en prioriteiten en regionale verdeling op woonmilieus, woningtypes en aantallen, noch over onderlinge taakverdeling tussen de samenwerkende partijen en hoe deze keuzes – gezamenlijk en op integrale, sector overstijgende wijze – gerealiseerd gaan worden, terwijl focus op de afgesproken locaties het juist mogelijk moet maken om andere plekken te vrijwaren van nieuwe grootschalige bebouwing. Een dergelijke expliciete keuze zou onderdeel moeten worden van een volgende versie van de verstedelijkingsstrategie cq daarin nader uitgewerkt zijn.

Tot 2030 heeft de MRA een woningbouwopgave van 175.000 woningen, tot 2050 een opgave van 325.000 woningen. In de Verstedelijkingsstrategie is gesteld dat tot 2030 alles nodig is om te voldoen aan de woningbouwopgave. Voor de decennia erna is meer sprake van keuzes maken. De fasering is in Versie 3 is in hoofdzaak een ideale fasering, aangescherpt ten opzichte van Versie 2 waar mogelijk. Verdere aanscherping en prioritering vergen een zorgvuldig proces en draagvlak. De komende maanden worden voor dit proces benut. De resultaten van de handelingsperspectieven sociaal-maatschappelijke opgaven bieden hier ook aanknopingspunten voor. En binnen MRA Bouwen en Wonen gesprekken gevoerd over de afstemming als het gaat om woningtypes, woonmilieus en spreiding van betaalbare woningen in de regio. Met de Woondeal hebben de MRA en het Rijk afspraken gemaakt over de Rijksinzet op investeringscapaciteit van woningcorporaties en betaalbaarheid. Betaalbaarheid heeft niet alleen betrekking op nieuwbouw maar is ook sterk gerelateerd aan de woningvoorraad.

16 Tot slot willen we ingaan op de aangekondigde integratieslag richting versie 3 van het Verstedelijkingsconcept. Wij zien uit naar de wijze waarop de samenhang tussen functies en systemen inversie 3 vorm krijgt, want die stap is zeker nodig. Het gaat om de verweving van de meerkernige metropool met het groenblauwe netwerk, en dat we de stap zetten van het

De provincie wijst op het belang van een verdere integratie van de bouwstenen in het Verstedelijkingsconcept. In Versie 3 is een integratieslag doorgevoerd, voor de eerdere vraagstukken uit versie 2 zijn keuzevoorstellen opgenomen waarbij tevens is gelet op herkenbaarheid ten opzichte van versie 2.

49

benoemen van schuurpunten naar het maken van daadwerkelijke keuzes, waarbij de consequenties van die keuzes op alle onderdelen inzichtelijk zijn gemaakt. 6b

Gemeente Amstelveen

1 De Metropoolregio Amsterdam is een samenwerkingsverband en is niet democratisch gelegitimeerd zelfstandig besluiten te nemen, dat is aan de Raden en Staten in het gebied. Het is daarom van groot belang dat wij als gemeenteraad van Amstelveen goed betrokkenzijn in dit voor de regio én Amstelveen belangrijke traject. Ons college heeft ons geïnformeerd dat hier meermaals aandacht voor gevraagd is in ambtelijke overleggen en bij bespreking in de bestuurlijke MRAplatforms Economie en Ruimte/Wonen. Zoals eerder aangegeven is betrokkenheid bij de kaders tot op heden onvoldoende geweest, hierdoor is er in de Raad van Amstelveen geen mogelijkheid geweest hier een politieke discussie over te voeren. In het proces “van versie 2 naar versie 3” wordt de Raad ook niet actief betrokken. Dit kan niet en is niet conform de democratische legitimatie. Wij verzoeken u hier uitdrukkelijk om procesmatig een extra stap voor in te voeren.

Aan het begin van het proces is met raden en Staten afgesproken dat zij tijdens het maakproces op tussenproducten kunnen reageren. Tot op heden is op die wijze elke stap in het proces ter informatie aangeboden aan raden en Staten. De wensen- en opvattingenperiode is bedoeld om het inhoudelijke debat in raden en Staten te kunnen voeren en wensen en opvattingen mee te geven die van invloed zijn op de nu voorliggende Versie 3 van het Verstedelijkingsconcept. Mede naar aanleiding van de reactie van de gemeenteraad van Amstelveen wordt een extra processtap ingebouwd voor bespreking van Versie 3 in de raden en Staten, voordat tot besluitvorming tussen Rijk en regio zal worden overgegaan. Deze stap is voorzien in de periode november 2021-januari 2022, de exacte planning voor het vaststellen van het verstedelijkingsconcept door raden en Staten wordt voorgelegd aan de Stuurgroep..

2 Het is terecht dat wij als Amstelland Meerlanden-regio een eigen plek in het Verstedelijkingsconcept hebben als gebied Zuidflank. De MRA is namelijk méér dan alleen Amsterdam. Juist de deelregio’s binnen de MRA hebben hun eigen kwaliteiten en specifieke opgaven, dienen verder versterkt te worden en dragen zo ook bij aan het versterken van Amsterdam. Deze relatie tussen Amsterdam en de Zuidflank moet wat ons betreft evenwichtig zijn. Er kan geen sprake zijn van het (ongevraagd) afschuiven of overdragen van stedelijke problematiek op randgemeenten. Dit mag in het Verstedelijkingsconcept sterker neergezet worden.

Alle deelregio's in de MRA leveren een specifieke bijdrage aan de sterke economie van de MRA als geheel met een nationaal belang. Mede naar aanleiding van deze suggestie van de gemeente Amstelveen zijn in Versie 3 voor elke deelregio teksten toegevoegd in het onderdeel integraal te ontwikkelen gebieden. Zo worden de bijdragen van de deelregio’s nadrukkelijker weergegeven. Daarbij is gebruik gemaakt van de in het kader van Plabeka opgestelde economische profielen en daarbij behorende strategische lijnen. Het uitgangspunt is een evenwichtige ontwikkeling van de MRA waarbij in samenspraak (dus niet ongevraagd) de ontwikkelingen als geheel worden geschetst.

3 Als gemeente herkennen we ons in de gezamenlijke AM-reactie en wij hebben tevens een aantal aanscherpingen. Als Amstelveen ervaren wij ook de lusten en de lasten van de luchthaven Schiphol en bemerken wij dat de gesprekken met het Rijk over (de ontwikkeling van) Schiphol steeds meer vanuit het luchtvaartbelang gevoerd zijn de afgelopen jaren. Wat ons betreft moet het belang van de inwoners centraler staan en moet de ontwikkeling van Schiphol ook bezien worden vanuit zaken als leefkwaliteit, schonere lucht, ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden. De Verstedelijkingsstrategie zien wij als grote kans om het gesprek over Schiphol integraal te voeren, vanuit de wederkerigheid van grond en lucht. Een MIRT Onderzoek zien wij als het juiste middel om het onderzoek ook echt integraal op te pakken.

Rijk en regio staan de integrale benadering van het vraagstuk verhogen leefkwaliteit en een duurzame en robuuste ontwikkeling van Schiphol voor. Dit vergt een nadere uitwerking die we als Rijk en regio gezamenlijke willen oppakken. Daartoe wordt een afspraak aan de Verstedelijkingsstrategie gekoppeld die zal worden opgenomen in het Verstedelijkingsakkoord MRA. Bezien zal worden welke systematiek het meest passend is voor deze gezamenlijke uitwerking. Centraal staat in ieder geval de gezamenlijke integrale afweging.

4 Voor de regionale bereikbaarheid van Amstelveen en in het bijzonder de bereikbaarheid van onze bedrijven en inwoners is de A9 van groot belang. Daarom wordt deze ook de komende jaren verbreed en verdiept om de doorstroming op de weg en de leefkwaliteit langs de weg te verbeteren én om de

Mede naar aanleiding van deze inbreng van Amstelveen is de aanduiding van een tweede ring in Versie 3 van de kaart verwijderd. Het onderzoek naar het toekomstig functioneren van de ring A10, een eventueel functioneren van een tweede ring en de effecten op het onderliggend wegennet worden in het genoemde onderzoek binnen het programma Samen Bouwen aan

50

tweedeling van de stad te verminderen. Wij begrijpen dat voor bereikbaarheid (SBAB) uitgevoerd. Volstaan wordt met een beschrijving in de tekst van het de bereikbaarheid van de MRA het belangrijk is dat de Ring A10 onderzoek. (als draaischijf) door moet blijven stromen. Een eventuele afwaardering van de A10 betekent echter een groot risico dat verkeer zich verplaatst naar de A9 (als tweede ring) en mogelijk ook de N201 (als derde ring). De A9 loopt door het centrum van Amstelveen en extra verkeersbelasting zal zowel ten koste gaan van de doorstroming als de leefkwaliteit en gezondheid in Amstelveen. Wij verwachten dat het onderzoek naar een mogelijke afwaardering van de A10 dit ook zal uitwijzen. Voor de gemeente Amstelveen is een afwaardering van de A10 dan ook geen optie! Vooruitlopend op de resultaten van het onderzoek kan derhalve niet in de Verstedelijkingsstrategie de indruk gewekt worden dat er reeds sprake is van een “tweede ring” en het verplaatsen van doorgaand verkeer naar de A9 en de A5. Dit moet zowel op kaarten als in tekst aangepast worden. Alvorens dit in het Verstedelijkingsconcept op te nemen zullen eerst de resultaten van het onderzoek en het SBaBtraject rond de multimodale netwerkstrategie, waaronder onderzoek afwaardering A10, met ons besproken moeten worden.

5 Naast bovenstaande punten uit de AM-reactie willen wij wat opmerkingen meegeven over de gevolgen van het uitgangspunt van een polycentrische en inclusieve metropool. De Verstedelijkingsstrategie gaat uit van deze gedachte: een MRA waar Amsterdam weliswaar de centrumstad is, de losse kernen zelfstandig functioneren, maar waar ook een meerwaarde ontstaat doordat de kernen onderdeel uitmaken van een stedelijk netwerk. Daarnaast gaat de Verstedelijkingsstrategie uit van een metropool waarin de welvaart gelijkmatig verdeeld is over de deelregio’s, een inclusieve en ongedeelde metropool. Theoretisch een mooi uitgangspunt, maar wij betwijfelen of dit haalbaar is. Rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van de verschillende deelregio’s. Daarbij kunnen sterkere deelregio’s de MRA als geheel naar een hoger welvaartsniveau brengen. Wij zijn van mening dat het goed is om zaken af te stemmen binnen de MRA, maar vinden dat de Verstedelijkingsstrategie er niet toe mag leiden dat kansrijke en gewenste (ruimtelijke) ontwikkelingen in Amstelveen en de Zuidflank niet door kunnen gaan als gevolg van de uitwerking van dit uitgangspunt. Ongedeeldheid is een mooie ambitie, maar kan geen uitgangspunt of randvoorwaarde worden. Zie ook onze eerdere opmerking over de deelgebieden.

Zoals terecht door de gemeente Amstelveen opgemerkt is het uitgangspunt voor het Verstedelijkingsconcept een polycentrische ontwikkeling van de MRA. Daarbij is de strategie om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de kernkwaliteiten van de verschillende deelregio's binnen de MRA, zoals die van Amstelveen. Het doel daarbij is een evenwichtige ontwikkeling van de MRA waarbij zoveel mogelijk kansen en gewenste (ruimtelijke) ontwikkelingen worden benut om in alle delen van de MRA voldoende welvaartsniveau te ontwikkelen en behouden.

6 De Raad van Amstelveen heeft recentelijk de notitie ‘Positie van Amstelveen in de regio’ vastgesteld. Eén van de aandachtspunten hierin is dat de MRA de deelregio AmstellandMeerlanden erkent als belangrijke deelregio met een relatief groot aandeel in de (internationale) economie van de MRA. Amstelveen geeft prioriteit aan een aantal thema’s in de MRA, waaronder de economische versterking van de verschillende

Dit verzoek van de raad van Amstelveen is verwerkt door voor de deelregio Amstelland Meerlanden net als voor andere deelregio’s een eigen profiel in Versie 3 op te nemen, waarin de specifieke bijdrage aan de sterke economie van de MRA als geheel is weergegeven. Daarbij is gebruik gemaakt van de in het kader van Plabeka opgestelde economische profielen en daarbij behorende strategische lijnen.

51

deelregio’s buiten de kernstad Amsterdam. Dit zien wij in de Verstedelijkingsstrategie graag nadrukkelijker terugkomen.

9

Waterschappen

7 Nadat het Stadhart Amstelveen in een eerdere versie van het Verstedelijkingsconcept geheel ontbrak, is het in de tweede versie aangemerkt als “regionaal centrum”. Toch is nog altijd onduidelijk hoe in het Verstedelijkingsconcept gekomen is tot de zeven geselecteerde Stadsharten (die toevallig allen nabij een NS-Station liggen) en waarom Amstelveen aangemerkt is als regionaal centrum en niet op korte termijn als rijk-regio project opgepakt wordt. Wij zijn van mening dat het Stadshart Amstelveen als goed bereikbaar centrum van een stad binnen de MRA met bijna 100.000 inwoners en met een belangrijke functie voor een veel groter verzorgingsgebied in de Verstedelijkingsstrategie aangemerkt zou moeten worden als één van de Stadsharten in de MRA. Dat hier toevallig, omdat er geen NS-Station in het Stadshart ligt, geen rijk-regio traject voor is opgestart moet geen reden zijn om het Stadshart niet de plek geven die het verdient.

Het benoemen van de 7 (+2 buiten de MRA gelegen Hoorn en Alkmaar) stadsharten, is tot stand gekomen in het programma Samen bouwen aan bereikbaarheid, bij het onderdeel bereikbare steden en in lijn met de MRA Sleutelgebieden (onderdeel Woondeal MRA-Rijk), voor zover gelegen in een stadscentrum. Het gaat om gemengde woon-werk ontwikkelingen gelegen aan Intercity stations. In dat traject zijn de regionale MRA centra Amstelveen en Beverwijk niet meegenomen. Tegelijkertijd onderkennen we in de VS de regionale verzorgingsfunctie en vergelijkbare opgaven in Amstelveen en Beverwijk. Om die reden zijn deze twee regionale centra wel op de kaart als zodanig aangemerkt. Daarbij geldt verder dat het leeuwendeel van de woningbouwopgave van Amstelveen niet in het Stadshart wordt gerealiseerd, maar vooral in Sleutelgebied Kronenburg en Woningbouwimpuls-/versnellingsproject Legmeer.

8 De Amstelscheg is een voormalige Rijksbufferzone en vormt één van de landschapsparels van de MRA. In dit gebied komen veel opgaven samen: landbouw, weidevogels, klimaat, energie en een toenemende recreatieve druk vanwege ruimtelijke ontwikkelingen. Belangrijk dus dat deze scheg prominent genoemd wordt en dat wij bevestigen dat in deze scheg wat Amstelveen betreft geen ruimte is voor windenergie. Het bestaande Bestuurlijk Overleg Amstelscheg is weer opgepakt, er wordt een Ontwikkelvisie voor het gebied opgesteld en wij zijn benieuwd welke rol het Rijk wil pakken in de verdere ontwikkeling van dit gebied.

We zijn blij met de bevestiging van de gemeente Amstelveen omtrent de functie en status van de Amstelscheg. Wat de plaatsing van windturbines betreft wordt de input vanuit de RES Noord-Holland Zuid gevolgd. Wat betreft de betrokkenheid vanuit het Rijk wordt aansluiting gezocht met het NOVI-gebied Groene Hart.

9 Wij vernemen graag hoe onze opvattingen verwerkt worden in de volgende versie (versie 3) van het MRA Verstedelijkingsconcept (inclusief de Investeringsstrategie). We verwachten ook actieve betrokkenheid en willen gekend worden voordat de derde versie met het Rijk besproken gaat worden in het BO MIRT. Dat geldt ook voor de uitkomsten van het SBaBtraject rond de multimodale netwerkstrategie. Veel succes gewenst met het verwerken van alle opmerkingen.

De werkwijze is als volgt. De wensen en opvattingen van alle betrokken raden en Staten worden voorzien van een antwoord en in de vorm van deze Nota van Beantwoording aan raden en Staten gestuurd, samen met Versie 3 van het Verstedelijkingsconcept. Zo kunnen alle betrokken zien hoe de wensen en opvattingen zijn verwerkt. Zoals aangegeven bij de reactie van Amstelveen onder 1 wordt deze versie in een extra processtap aan de raden en Staten voorgelegd. Daarbij merken we op dat de Verstedelijkingsstrategie en het daarbij behorende Verstedelijkingsconcept voor de MRA van begin af aan mét de Rijksoverheid wordt opgesteld. De grondgedachte bij de start van de opdracht is om niet over maar met elkaar te praten over mogelijke gezamenlijke inspanningen van Rijk en regio om de MRA-ontwikkelingen te ondersteunen. Dat betekent dat alle versies, dus ook deze Versie 3, samen met het Rijk worden opgesteld.

1 Allereerst willen we u complimenteren met het Verstedelijkingsconcept dat nu voorligt. Er is een evenwichtig verstedelijkingsconcept opgesteld, waarin de belangen van 'water en klimaat' goed zijn meegenomen in de opgaven, systeemlagen en gebieden. Wel hebben we een aantal serieuze aandachtspunten, die vooral gaan over de integratie van opgaven en het borgen van de ambities in de praktijk.

Met waardering nemen we de uitgesproken complimenten in ontvangst.

52

De MRA-verstedelijkingsstrategie vormt een belangrijk kader voor de ontwikkeling van de Metropoolregio Amsterdam de komende jaren. Daarbij blijven we benadrukken dat door water mede sturend te laten zijn in de ruimtelijke ordening, we er samen voor kunnen zorgen dat we zowel nu als in de toekomst kunnen blijven wonen, werken en recreëren in dit mooie maar laaggelegen deel van Nederland. 2 Lange termijn perspectief Bij klimaatadaptatie, het aanpassen aan de impact van klimaatverandering, is geschetst dat het van belang is nu al rekening te houden met klimaatveranderingen op de lange termijn (2050 - 2100). Het Verstedelijkingsconcept gaat tot 2050, waarbij de focus ligt op de nabije toekomst (2030). De ruimtelijke ontwikkelingen in de MRA hebben echter een langere levensduur en stimuleren bovendien weer nieuwe toekomstige ontwikkelingen. Daarom is het van belang bij de huidige ruimtelijke ontwikkelingen al rekening te houden met de lange termijn impact van klimaatverandering, die zich uit in toenemende extreme neerslag, hitte, droogte en overstromingen. En de huidige ruimtelijke ontwikkelingen te benutten om de robuustheid van landschap en watersysteem te vergroten. Dit voorkomt afwenteling van kosten naar de toekomst, zoals in de studie 'Resilience by design' duidelijk is geworden.

De ambitie is om in 2050 klimaatbestendig te zijn (zie ook het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie), maar klimaatadaptatie is een continu proces. Klimaatveranderingen zetten door en zullen ook daarna blijvend om adaptatie vragen. We merken op dat deze opgave nog onvoldoende doorwerking krijgt in alle andere thema's van het verstedelijkingsconcept. En dat vinden wij zorgelijk.

In Versie 3 gaat net als in versie 2 aandacht uit naar het belang van het hanteren van een lange termijn perspectief als het gaat om klimaatadaptatie en waterrobuustheid. Wij zijn het met u eens dat in de uitwerking van de Verstedelijkingsstrategie en afzonderlijke ontwikkelingen dit lange termijn perspectief op de opgave verder doorwerking moeten krijgen waarbij klimaatadaptatie en waterrobuustheid continu moeten worden betrokken.

3 Borging van de ambities De ambities op het gebied van klimaatadaptatie, energie, biodiversiteit en toetsen aan lange termijn scenario's zijn mooi, maar ook noodzakelijk om het hele gebied in de toekomst aangenaam leefbaar te houden. De ervaring leert echter dat ambities kunnen sneuvelen als gevolg van korte termijnbeleid of gebrek aan kennis bij de uitvoering van deelprojecten. Om dat te voorkomen roepen wij u op om de ambities te borgen in de uitvoering van de verstedelijkingsstrategie en de investeringsbeslissingen die daaraan ten grondslag liggen.

In lijn met deze suggestie van de Waterschappen zal de uitvoering van de verstedelijkingsstrategie worden gemonitord. De ambities op het gebied van 'klimaat en water' zullen vanzelfsprekend onderdeel zijn van deze monitor. De monitoring zal in overleg met onder andere de Waterschappen worden vormgegeven.

4 Door de opgaven en ambities voor duurzaamheid (waaronder klimaatadaptatie) en landschap (waaronder biodiversiteit) in aparte paragrafen te behandelen, mist de doorwerkte integratie met de ambities voor wonen, werken en bereikbaarheid in het verstedelijkingsconcept. Het is een gezamenlijke opgave om te werken aan robuuste ruimtelijke ontwikkelingen om de leefbaarheid nu en in de toekomst te waarborgen en afwenteling naar de toekomst te voorkomen.

De door de Waterschappen bepleitte verdere integratie is in Versie 3 doorgevoerd, waarbij de opgaven van duurzaamheid (waaronder klimaatadaptatie en ecologie) een prominente rol heeft in het groenblauwe netwerk in en om de stad en ook bij de ontwikkeling van wonen, werken en bereikbaarheid. Deze staan verwoord in hoofdstuk 3. Verdere integratie zal bij de uitwerking van deze ontwikkelingen gerealiseerd moeten worden.

53

5 Ook in de uitwerking van het faseringsbeeld missen we de Mede naar aanleiding van deze reactie van de Waterschappen is in Versie 3 de fasering integratie van de opgaven. Door het onderscheid dat is aangescherpt, waarbij ook meer aandacht is voor de opgaven op het gebied van 'klimaat en aangebracht in de fasering voor de meerkernige metropool en water'. de groenblauwe netwerken mist de onderlinge afhankelijkheid. Als er nu minder klimaatadaptief wordt ontwikkeld, ontstaan er sneller problemen in het blauwe netwerk (watersysteem) waarbij er mogelijk niet genoeg tijd is om maatregelen te nemen, of mogelijk hele dure tijdelijke investeringen nodig zijn. Wij verzoeken u het volgende te verwerken in een volgende versie van de fasering: • Er wordt niet op ingegaan hoe de verschillende maatregelen die nodig zijn voor wonen, werken, energie, water, landschap ook in tijd van elkaar afhankelijk zijn. • Voor de systeemlagen water en ecologie worden de ingrepen niet duidelijk gemaakt. Ook in deze systeemlagen zitten faseringsvraagstukken, we willen u vragen om deze ook een plek te geven in de fasering.

• Fase 2021-2030: hier graag toevoegen dat we: o in de eerste periode inzetten op verder optimaliseren van het huidige watersysteem (met dijkversterking etc.), o daarnaast inzetten op onderzoek en planvorming voor locaties voor piekwaterbergingsgebieden, o en vanuit de integrale systeemvisie water en RO de juiste keuzes maken voor mogelijke systeemveranderingen per gebied. • Fase 2031-2040: We missen in de fasering de maatregelen die sowieso nodig zijn voor het watersysteem, denk aan dijkversterkingen, aanleggen van extra gemalen om de spuicapaciteit te vergroten e.d. om deze regio op de toekomst voor te bereiden. • Fase 2041-2050: De invloed van trends waar wij maar weinig invloed op hebben wordt niet benoemd, denk aan klimaatverandering. De snelheid en grootte van deze trends weet men niet. Dit is een onzekerheid die mogelijk relevant wordt voor de latere fases, het is daarom goed deze te noemen. 6 Water- en bodemsysteem medesturend bij ruimtelijke keuzes Het verstedelijkingsconcept maakt zichtbaar dat er een duidelijke concurrentie is om ruimte. Daarbij worden economische belangen afgezet tegen de belangen van een gezonde en veilige leefomgeving. Gezien de snelheid van de diverse ruimtelijke ontwikkelingen en de klimaatverandering, is het noodzakelijk dat het verstedelijkingsconcept gaat leiden tot ruimtelijke keuzes.

Als gezamenlijke waterbeheerders vinden wij het van essentieel belang dat bij het maken van die keuzes het water- en bodemsysteem (inclusief de gevolgen van klimaatverandering) als een van de richtinggevende principes wordt gehanteerd.

In Versie 3 is de tekst van het verstedelijkingsconcept op dit punt aangescherpt in het intro van hoofdstuk 3.2 en verspreid over de tekst bij concrete situaties. Het is een uitwerking van de opgave die in Versie 2 was benoemd in de bijlage: " Klimaatadaptiviteit en waterrobuustheid moeten vanzelfsprekende onderdelen worden van ruimtelijke keuzes voor stad en land. Ook de bodemsoort en bodemkwaliteit worden meer dan voorheen sturend voor het ruimtegebruik."

7 Investeren in het (toekomstige) waterbeheer De grenzen van ons watersysteem komen steeds meer in zicht. Voor een klimaatrobuust watersysteem is het noodzakelijk dat

De investeringen die nodig zijn voor het (toekomstig) waterbeheer zullen (mede) een plek krijgen in de investeringsagenda van de Verstedelijkingsstrategie. De opgaven worden

54

er voldoende ruimte is voor (extra) waterberging (zowel in de benoemd in het verstedelijkingsconcept en de fasering. De fasering is daarbij, samen met de ruimte als in het kunnen toestaan van meer flexibele investeringsagenda, een dynamisch onderdeel van de Verstedelijkingsstrategie. waterpeilen), water aan- en waterafvoer. Dit geldt voor alle schaalniveaus, van stoeptegel tot hoofdwatersysteem. Dit wordt in het verstedelijkingsconcept weergegeven, maar we zien ook dat de druk op de ruimte groot is. De ruimtelijke en economische afwegingen die in het verstedelijkingsconcept gemaakt moeten worden, zullen (grote) financiële gevolgen hebben voor het (toekomstige) waterbeheer. We verzoeken u daarom om dit in het faseringsbeeld ook duidelijk zichtbaar te maken. En daarin naast de onderzoeken ook de fysieke maatregelen op te nemen die voor het watersysteem genomen moeten worden. Zoals aanleg piekwaterbergingen, maatregelen om verhoging calamiteitenpeil mogelijk te maken, aanleg extra gemalen etc. We willen ervoor waken dat de lasten eenzijdig bij de waterbeheerders vallen en verzoeken u om bij de verdere uitwerking van het verstedelijkingsconcept hiermee rekening te houden. 8 Neem de verschillende wateraspecten echt mee als een belangrijke ontwerpopgave voor diverse ruimtelijke en economische ontwikkelingen. De waterschappen hebben daarvoor de nodige (gebieds)kennis en kunde.

Het verzoek is om ons hier vroegtijdig bij te betrekken. Enkele gebiedsspecifieke voorbeelden: • Westflank Haarlemmermeer. Hier kan sterker worden benadrukt dat investeringen in woningbouw (als dominante opgave) ook stevige investeringen vragen om deze water- en klimaatrobuust te maken, o.a. waar het gaat om de bescherming van vitale en kwetsbare infrastructuur tegen mogelijke overstromingen en het voorkomen van wateroverlast bij extreme neerslag. • OerIJ gebied. Waterberging in dit gebied zal meegenomen moeten worden bij de verschillende ruimteclaims. Bij een waterberging kan overigens sprake zijn van meervoudig ruimtegebruik (combinatie met bijvoorbeeld natuur en recreatie). • De wens ligt er om Nationaal Park Zuid-Kennemerland te verbinden met Spaarnwoude en PARK21. Hier liggen kansen in termen van een versterking van de groenblauwe structuur, inclusief ruimte voor extra waterberging. • Gooise Heuvelrug. Het watersysteem is nu al aan zijn grenzen en komt in de toekomst verder onder druk te staan door klimaatverandering en verstedelijking. Daarnaast is er een toenemende drinkwatervraag. Het is van belang om deze complexe opgave integraal te benaderen. En om op korte termijn knelpunten op te lossen, met de lange termijn in beeld. • Noord-Holland.

Ten gevolge van het perforeren van de ondergrond bij de aanleg van verticale drainage ten behoeve van woningbouw, treedt de kans op verzilting op. Dit leidt tot effecten voor de grondwater- en oppervlaktewaterkwaliteit. Dit

In Versie 3 is de tekst op deze wens van de Waterschappen aangescherpt, zowel in de beschrijving van de koers van meerkernige ontwikkeling van wonen, werken en voorzieningen als in die van het groenblauwe netwerk in en om de stad. Opmerkingen over concrete locaties (zoals Haarlemmermeer) zijn opgenomen in de gebiedsuitwerkingen.

55

is een knelpunt wat mee moet worden genomen in locatiekeuze en ontwerp. 9 De eerder gevraagde integratie van alle opgaven mist bij de keuze om (clusters van) datacenters in de Haarlemmermeer en in Flevoland te plaatsen, in diepe polders. Daarbij lijkt geen rekening te zijn gehouden met klimaatadaptatie, de extra aandacht voor klimaatbestendigheid van vitale en kwetsbare (maatschappelijke) functies en waterbeschikbaarheid. Wat betreft het koelvraagstuk van datacenters willen we benoemen dat nuttig inzetten van restwarmte nagestreefd moet worden. Hiermee wordt de koelwatervraag sterk gereduceerd. De beschikbaarheid van voldoende zoet water ten behoeve van datacenters kan niet worden gegarandeerd zeker niet op langere termijn. Er zullen daarom afspraken moeten worden gemaakt over een continue inspanningsverplichting bij datacenters om laagwaardige toepassing van drinkwater, oppervlaktewater en grondwater sterk te beperken.

De MRA Datacenterstrategie is geïntegreerd in het Verstedelijkingsconcept. Bij de keuzes voor verdere ontwikkeling van datacenters is rekening gehouden met de huidige datainfrastructuur en met de nabijheid van energiehoofdnet. Ook in diepe polders kunnen datacenters klimaatbestendig worden ontworpen, getuige het datacenter in Amsterdam Watergraafsmeer. In de MRA Datacenterstrategie worden verder vestigingsvoorwaarden gesteld aan nieuwe datacenter, waarbij expliciet aandacht is voor water en klimaatbestendigheid. De tekst van Versie 3 is in lijn met de MRA Datacenterstrategie aangescherpt op de opmerkingen van de Waterschappen. Het Rijk steunt de opvatting dat de inzet van restwarmte nagestreefd moet worden. De zorgen over de beschikbaarheid van koelwater verhoudt zich moeilijk met de berichten uit de sector dat er slechts op de warmste dagen van het jaar met water gekoeld wordt, waarvoor ook nog eens gebruik wordt gemaakt van hemelwateropslag. Indien de nood onverhoopt toch groot zou worden, vallen datacenters onder de eerste groepen afnemers die worden afgesloten om te verzekeren dat de vitale onderdelen van de maatschappij over voldoende drinkwater blijven beschikken. Het Rijk is kritisch op de milieuprestaties van datacenters en heeft dit onlangs in de casus ‘Tulip’ ook gecommuniceerd naar de regionale overheden.

10 Ook in het hoofdstuk over energietransitie missen we de aandacht voor de klimaatbestendigheid van de nieuw aan te leggen infrastructuur. Wat betreft de energietransitie willen we de potentie van aquathermie, geothermie en restwarmte benoemen. De waterschappen zijn betrokken bij de ontwikkeling hiervan en brengen graag kennis in, daarbij rekening houdend met andere belangen zoals bijvoorbeeld de afstand van warmteleidingen ten opzichte van drinkwaterleidingen.

De opmerkingen van de Waterschappen worden geagendeerd voor de verdere uitwerking van het energiesysteem. Op basis van verder onderzoek zijn de 4 abstracte scenario's over de toekomstige energiesystemen vervangen. Door middel van regionale scenario’s, gebaseerd op de nationale scenario’s van de netbeheerders (II3050) en verrijkt met lokale informatie, zijn ruimtelijke gevolgen inzichtelijk gemaakt. In deze scenario's is ook expliciet gekeken naar geo- en aquathermie. Locaties van geothermie zijn indicatief, over de potentie van geothermie is nog veel onbekend. De locaties zijn alleen ingetekend op locaties met een goede technische potentie van minimaal 5 MWth. Daarbij is gekeken naar de koppeling tussen verstedelijking, zowel op toevoeging woningbouw als industrie en datacenters. Daarbij zijn een aantal onmisbare elementen geanalyseerd die hoe dan ook noodzakelijk zijn om ook in de toekomst een robuust energienetwerk te hebben in de MRA en in Nederland: no-regret maatregelen. Deze elementen zijn opgenomen in hoofdstuk 3.3, systemen van de toekomst. In de komende jaren moet gekoppeld aan de discussie over regionale en landelijke hoofdstructuur voor energie besloten worden welke invulling gekozen wordt.

11 Kansen voor versterken landschap. watersysteem en biodiversiteit Er is in dit gebied een sterke link tussen het landschap en het watersysteem. Die link wordt in het Verstedelijkingsconcept maar een keer genoemd: "De noodzaak om tot een waterrobuuste, klimaatadaptieve inrichting te komen kan landschappelijke versterking aanjagen in gebieden die met verdroging of verzilting te maken hebben en ook natuurontwikkeling geeft kans op landschappelijke versterking". Om deze kansen ook werkelijk te verzilveren vragen we u om die koppeling sterker te leggen in de verdere uitwerking van de Verstedelijkingsstrategie. Meer in detail vragen wij hierin ook aandacht voor het watererfgoed als belangrijk en waardevol onderdeel van het landschap.

In Versie 3 is de tekst op deze inbreng van de Waterschappen aangepast in hoofdstuk 3.2, in de beschrijving van de koers voor het groenblauwe netwerk in en om de stad.

12 Opgaven in het landelijk gebied De nadruk ligt natuurlijk op verstedelijking. Opvallend afwezig vinden wij de landbouw en voedselvoorziening als thema in het

Naar aanleiding van deze reactie van de Waterschappen is in Versie 3 een afzonderlijke tekstbox over kringlooplandbouw ingevoegd. Ook op andere plaatsen in de tekst is de relatie

56

verstedelijkingsconcept. Het wordt wel aangestipt, onder andere met landbouw gelegd. Behoud van goede landbouwgrond wordt in 3.2 opgevoerd als een vast in het hoofdstuk Waardevol en Verbindend Landschap. Maar criterium bij afwegingen over het ruimtegebruik in het landelijk gebied. zelfs binnen dat hoofdstuk niet als apart onderwerp benoemd. Terwijl een groot deel van het oppervlak van de regio op dit moment agrarisch in gebruik is en van strategisch belang in ieder geval gedurende de transformatieperiode tot 2050 die het rapport beziet. Daarnaast spelen er allerlei opgaven zoals landbouwtransitie naar duurzaam en kringlooplandbouw en duurzame voedselproductie nabij de stad, die in samenhang moeten worden bezien met de verstedelijkingsopgave. We vragen u hier meer aandacht voor te hebben.

6c

Gemeente Diemen

13 • Voor wat betreft het klimaatadaptief bouwen missen we de verwijzing naar het document ‘Basisveiligheidsniveau klimaatbestendige nieuwbouw’ van de MRA. Het lijkt ons goed om betreffend document, na ondertekening van de intentieovereenkomst waar dit document onderdeel van is, stevig in de verstedelijkingsstrategie te verankeren.

Deze suggestie is overgenomen en de tekst is hierop aangepast.

14 • Op blz. 40 worden medicijnresten, gewasbeschermingsmiddelen en bemesting genoemd als bron van waterverontreiniging. Dat is juist, maar verontreiniging is ook afkomstig van riooloverstorten, foutieve aansluitingen (riool op hemelwaterafvoer) en overmatige organische belasting door bladeren en groenafval. Zeker in stedelijk gebied spelen deze laatste factoren een belangrijke rol. Daarnaast wordt de waterkwaliteit ook bepaald door de inrichting van wateren. We willen u vragen deze aspecten ook te benoemen, het voldoen aan de normen van de Kaderrichtlijn Water is immers ook een gezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk.

Deze suggestie is overgenomen en de tekst is hierop aangepast.

1 De Diemerscheg is een natuur- en recreatiegebied met een Terecht stelt de gemeente Diemen dat de Diemerscheg een belangrijk onderdeel vormt belangrijke functie voor meerdere omliggende deelgebieden. In binnen het totale metropolitane landschap. Voorgesteld tekstdeel is overgenomen in het Verstedelijkingsconcept is de Diemerscheg opgenomen in hoofdstuk 4.4, integraal te ontwikkelen gebieden. het integraal te ontwikkelen gebied Gooi- en Vechtstreek (paragraaf 4.4). In de tekst komt de Diemerscheg echter nauwelijks voor. Daarom is het verzoek om op blz. 70 het volgende tekstblok toe te voegen: Door de verdere verstedelijking aan de randen van de Diemerscheg wordt een groene Diemerscheg steeds belangrijker. De betrokken partijen zetten in op een kwaliteitsverbetering van de Diemerscheg: landschappelijk, ecologisch, cultuurhistorisch en qua recreatieve voorzieningen. Om toekomstbestendig te zijn wordt gedacht aan het ontwikkelen van klimaatbossen, met een hogere grondwaterstand en opvangmogelijkheden van water en minder CO2 uitstoot. Ook moet er ruimte zijn voor de energietransitie, mits deze goed landschappelijk wordt ingepast. Voor de eventuele aanleg van de IJmeerlijn geldt ook dat deze goed landschappelijk moet worden ingepast om de ingezette versterking van de Diemerscheg niet teniet te doen

57

(opgenomen bij het deelgebied Oostflank) en dat compensatie plaatsvindt in de Diemerscheg. 2 Daarnaast kan op een paar andere punten in deze paragraaf de Diemerscheg worden toegevoegd achter Gooi- en Vechtstreek omdat de betreffende opgaven ook in de Diemerscheg spelen (klimaat robuuste inrichting, natte natuur, rijke cultuurhistorie). Bij de afspraken over dit gebied staat de Diemerscheg al wel goed opgenomen. In de samenvatting vooraan dient in de tekst over dit gebied de Diemerscheg ook te worden opgenomen. De OV-bereikbaarheid van de Diemerscheg is een belangrijk aandachtspunt. Die is nu nog minimaal. Dit kan worden toegevoegd in paragraaf 2.6 bij de beleving van het landschap (blz. 36)

De passage over de Diemerscheg is in Versie 3 nu ook opgenomen in hoofdstuk 4.4, de paragraaf over de Oostflank, vanwege de nauwe relatie met de verstedelijking in dit deelgebied (w.o. mogelijke aanleg van de IJmeerlijn) en de landschappelijke verwevenheid met het IJmeer

3 In hoofdstuk 3 over de toekomstig bestendige systemen komt ook het energiesysteem aan de orde. Daarbij worden vier ontwikkelrichtingen beschreven (blz. 49 en 50) . Het lijkt erop dat in deze ontwikkelrichtingen ruimte wordt geboden voor verstedelijking in de Diemerscheg nabij het energieknooppunt Diemen. Dit is in strijd met de rest van het Verstedelijkingconcept waarin het belang van het openhouden van de scheggen duidelijk is verwoord. De tekst bij het energiesysteem dient hier beter op te worden afgestemd.

Op basis van verder onderzoek zijn de 4 abstracte scenario's over de toekomstige energiesystemen vervangen door regionale scenario’s, gebaseerd op de nationale scenario’s van de netbeheerders (II3050) en aangevuld met lokale informatie. In die regionale scenario's zijn de mogelijke ruimtelijke gevolgen inzichtelijk gemaakt. Volledig in lijn met de opmerking van de gemeente Diemen is in geen van deze drie scenario's verstedelijking gekoppeld aan energieknooppunt Diemen: de scenario’s sluiten aan op ruimtelijke ontwikkelingen uit de MRA Verstedelijkingsstrategie. Wel zijn voor energieknooppunt Diemen 3 mogelijke functies op de kaart gezet variërend in omvang en betekenis. De scenario’s vormen de hoeken van het speelveld: niet om uit te kiezen, maar om van te leren. In de komende jaren moet gekoppeld aan de discussie over regionale en landelijke hoofdstructuur voor energie besloten worden welke invulling gekozen wordt.

4 In het Verstedelijkingsconcept staat dat gekeken wordt naar Het onderzoek naar de mogelijke komst van een IJmeerverbinding en de ruimtelijke inpassing een nieuwe metroverbinding tussen Almere en Amsterdam via daarvan verloopt via het programma Samen Bouwen aan Bereikbaarheid (SBAB). Daarbij het IJmeer. Aangezien dit een forse doorsnijding betekent van wordt tevens nut en noodzaak bezien van een mogelijke combinatie met een wegverbinding. het IJmeer en de Diemerscheg vinden wij het belangrijk dat deze oplossing goed wordt afgewogen tegen andere mogelijke oplossingen via de bestaande verbindingen tussen Amsterdam en Almere. Voor wat betreft het onderzoek naar de aanleg van een IJmeerlijn is voor Diemen cruciaal dat de barrièrewerking hiervan geminimaliseerd wordt en dat de inpassing in de Diemerscheg en in Diemen zelf zeer zorgvuldig plaatsvindt. Dit betekent dat naast een bovengrondse oplossing in ieder geval ook een ondergrondse oplossing op het tracédeel door Diemen dient te worden onderzocht. Bij een bovengrondse oplossing dient te worden uitgegaan van een viaduct om het ruimtebeslag en de barrièrewerking te minimaliseren. Indien de IJmeerlijn er komt kan een metrostation bij de keerlus van tram 19 bij Plantage de Sniep een goede aanvulling zijn op het OV-netwerk aan de oostkant van Amsterdam. 5 De IJmeerlijn sluit aan op station Diemen Zuid.

De positie van station Diemen Zuid als OV knooppunt in de Zuidoostlob van Amsterdam zal daarmee verder worden versterkt. Daarvoor dient dit station wel een goede aansluiting te behouden op het NS-netwerk als sprinter-station. Dit is ook een belangrijke randvoorwaarde voor de grootschalige woningbouw die bij dit

De huidige functie als sprinterstation Diemen Zuid is mede naar aanleiding van deze opmerking van de gemeente Diemen als zodanig opgenomen op de kaarten van het Verstedelijkingsconcept. Het onderzoek naar de mogelijke komst van een IJmeerverbinding en de ruimtelijke inpassing daarvan verloopt via het programma Samen Bouwen aan Bereikbaarheid (SBAB). Daarbij wordt ook gekeken naar de aanlanding in de Amsterdamse regio.

58

station al in gang is gezet. Bij de afspraken voor het deelgebied Zuidflank MRA is dit punt daarom ook specifiek opgenomen (blz. 77). Op de kaartbeelden dient dit sprinterstation daarom als zodanig te worden aangegeven. 6 In het onderzoek naar de IJmeerlijn wordt op dit moment de optie van een IJmeerweg meegenomen. In het Verstedelijkingsconcept wordt deze optie niet genoemd. Voor Diemen is van belang dat deze wegverbinding er niet komt omdat dit tot een nog grotere aantasting zal leiden van de Diemerscheg en ook tot grote problemen zal leiden op het onderliggend wegennet.

Het onderzoek naar de mogelijke komst van een IJmeerverbinding en de ruimtelijke inpassing daarvan verloopt via het programma Samen Bouwen aan Bereikbaarheid (SBAB). Daarbij wordt tevens nut en noodzaak bezien van een mogelijke combinatie met een wegverbinding.

7 Bij het onderzoek naar het aanpassen van de rol van de A10 en de A9 in het hoofdwegennet rond Amsterdam is het belangrijk dat de gevolgen voor het hoofdwegennet in de Zuidoostlob (Diemen, Ouder-Amstel en Amsterdam Zuidoost) goed in beeld worden gebracht en worden meegenomen in de verdere besluitvorming. In dit kader is het vanuit leefbaarheidsoverwegingen van groot belang dat op de A1 en de A10 de maximum snelheid wordt verlaagd naar 80 km/uur.

Mede naar aanleiding van deze inbreng van de gemeente Diemen is de aanduiding van een tweede ring in Versie 3 van de kaart verwijderd. Het onderzoek naar het toekomstig functioneren van de ring A10, een eventueel functioneren van een tweede ring en de effecten op het onderliggend wegennet worden in het genoemde onderzoek binnen het programma Samen Bouwen aan bereikbaarheid (SBAB) uitgevoerd. Volstaan wordt met een beschrijving in de tekst van het onderzoek.

8 Bij het benoemen van de huidige plancapaciteit voor woningbouw in paragraaf 2.2. moet goed worden aangesloten bij de meest actuele opgave. Vanaf 1 mei zijn de actuele cijfers immers beschikbaar. Wij missen uitspraken over de gewenste differentiatie naar prijs en kwaliteit van de woningen.

Uiteraard zijn wij het eens met de gemeente Diemen dat voor woningbouwplannen de meest actuele cijfers gebruikt moeten worden. Voor de plancapaciteit wordt daartoe gebruik gemaakt van de plancapaciteitsmonitor van de MRA, die minimaal een keer per jaar wordt geactualiseerd en door gemeenten zelf wordt ingevuld. Deze cijfers zullen altijd dynamisch zijn. Om die reden wordt ook van de monitor gebruik gemaakt, ook na vaststelling van de Verstedelijkingsstrategie. Voor het opstellen van het Verstedelijkingsconcept hanteren we als peildatum mei 2020. Voor het concept hebben de fluctuaties in cijfers geen invloed. Voor de uitvoering wel. Bij de uitvoering worden de meest recente cijfers uit de plancapaciteitsmonitor wel gebruikt. Met betrekking tot de differentiatie: In de Woondeal hebben Rijk en Regio afgesproken zich in te zetten voor voldoende aanbod in alle segmenten, in het bijzonder voor lage en middeninkomens. Het gesprek over differentiatie naar prijs en kwaliteit wordt gevoerd in deelregio’s, met de provincies (in NH via de Woonakkoorden) en in het PHO Bouwen en Wonen.

9 De bestaande stad blijft onderbelicht. Paragraaf 2.4 Sociaal sterke metropool is nog niet verder uitgewerkt. Gezien het belang van deze ambitie is een nadere analyse en uitwerking benodigd. De kaart op pagina 29 die bij dit onderdeel hoort geeft slechts één van de vele indicatoren weer die deze ambitie in zouden moeten vullen richting sterke wijken, dorpen en steden. Van mogelijke scenario’s of gewenste ontwikkelingen voor spreiding van de werkgelegenheid, gewenste woningbouwdifferentiatie of gewenste inzet op het voorzieningenniveau (zorg en welzijn) is nog geen sprake. Wij missen een uitwerking van de handelingsperspectieven die worden genoemd (op blz. 27 en 28).

In lijn met deze opmerking van de gemeente Diemen zijn voor de sociaal maatschappelijke onderwerpen drie handelingsperspectieven opgesteld. De resultaten daarvan zijn opgenomen in versie 3 in onderdeel 3A, meerkernige ontwikkeling met menselijke maat.

59

6d

Gemeente Haarlemmermeer

10 In het Verstedelijkingsconcept is er weinig aandacht voor ZZP'ers en thuiswerkers, terwijl dit groepen werknemers zijn die wel veel impact gaan hebben op meerdere aspecten zoals wonen en mobiliteit. Door de toename van het aantal ZZP’ers en thuiswerkers nemen bijvoorbeeld forensenstromen af, is er meer behoefte aan flex-werkplekken dichtbij woonwijken en aan ontmoetings/vergaderlocaties etc.

Het is juist dat in het Verstedelijkingsconcept geen aandacht is voor ZZP’ers in relatie tot bijvoorbeeld mobiliteit. De huidige situatie rondom ZZP 'ers, waarbij onder andere de discussie woedt op het gebied van arbeidsrecht, maakt de structurele effecten en noden op dit moment moeilijk in te schatten.

11 Ook is er weinig aandacht voor de kantorenparken terwijl die, doordat thuiswerken waarschijnlijk iets blijvends gaat zijn, met meer leegstand te maken kunnen krijgen. Er liggen daarom kansen om meer met de bestaande kantorenparken te doen dan nu het geval is. Bovendien zullen er in de toekomst minder nieuwe kantorenparken nodig kunnen zijn dan voor de coronacrisis werd becijferd. In paragraaf 2.3 staat dat de MRA tot 2040 alle beschikbare harde en zachte plancapaciteit nodig heeft om te voorzien in de behoefte aan bedrijventerreinen, zowel voor nieuwe bedrijven als bedrijven afkomstig van te transformeren terreinen. Die capaciteit is onder andere te vinden in de Zuidflank. Het wordt noodzakelijk gevonden om deze ruimte de komende 20 jaar vast te houden. In het hoofdstuk over de fasering staat dat er korte termijn (voor 2023) een uitgekiende bedrijventerreinenstrategie voor de MRA zal komen met bijbehorende bestuurlijke afspraken. In het Verstedelijkingsconcept zien wij graag duidelijker aangegeven dat deze reservering van plancapaciteit voor bedrijven de aanleg van nieuwe grote bedrijventerreinen betreft. Voor bestaande bedrijventerreinen in de Zuidflank dient er de mogelijkheid te blijven voor gemeenten om een eigen afweging te maken.

Op dit moment zijn de structurele effecten van de Coronapandemie waar de gemeente Diemen aandacht voor vraagt nog moeilijk in te schatten. Aan de actuele data valt vooralsnog niet af te lezen dat er substantieel en structureel minder vierkante meter kantooroppervlak wordt afgenomen. Wel is de inschatting dat op zijn minst de inrichting van kantoren sterk zal veranderen. Wat de economische ontwikkelingen betreft, is zijn aan versie 3 van het concept de strategische lijnen per deelregio toegevoegd.

12 Voor wat betreft de vestgingsmogelijkheden voor datacenters is het belangrijk dat de MRA datacentercenterstrategie op korte termijn beschikbaar komt en hier voldoende duidelijkheid over geeft richting marktpartijen en gemeenten. Gelet op alle andere ruimteclaims vinden wij een meer terughoudende opstelling voor het MRA-gebied gewenst, waarbij wordt uitgegaan van concentratie in de bestaande drie clusters en een nieuwe vierde cluster in Flevoland.

We onderschrijven de door de gemeente Diemen bepleite terughoudendheid voor de vestiging van nieuwe datacenters conform NOVI. Dat betekent dat hyperscales bij voorkeur aan de randen van Nederland worden gesitueerd. Daarnaast gaat het om geconcentreerde ontwikkelingen zoals de 3 bestaande clusters in de MRA. Een locatie in Flevoland voor een eventuele hyperconnectiviteitshub ten behoeve van datacenters is onderwerp van lokale en regionale besluitvorming. We onderschrijven de ambitie te onderzoeken of en hoe een 4e hyperconnectiviteiteshub in Flevoland kan landen. Het lopende onderzoek van de gemeente Almere naar de mogelijkheid en wenselijkheid van deze hyperconnectiviteitshub en de door de gemeente Almere en de Provincie Flevoland nieuwe, nog op te stellen datacenterstrategie vormen hiervoor de basis.

13 Bij toerisme wordt de impact van de coronacrisis op het aantal zakelijke bezoeken aan de MRA niet benoemd en waarschijnlijk onderschat. Een stijging van het aantal video-vergaderingen en een blijvende daling van het aantal fysieke bijeenkomsten ten opzichte van voor de coronacrisis is zeer waarschijnlijk

Op dit moment zijn de exacte structurele effecten van de Coronapandemie op dit vlak nog moeilijk in te schatten. Ze vormen wel een aandachtspunt richting uitvoering.

1 Het lijkt erop dat regionaal onvoldoende helder is wat voor precair onderwerp dit in Haarlemmermeer is. Op pagina 9 en 59, 84 en op de kaart op pagina 16 van het Verstedelijkingsconcept MRA van de tweede versie van het

Het standpunt aangaande de strategische reservering van de Houtrakpolder voor havenactiviteiten is duidelijk en tijdens het opstellen van het proces gehoord. Alle partners rond het NZKG hebben in 2013 de visie NZKG 2040 vastgesteld waarbij de gemeente Haarlemmerliede Spaarnwoude niet heeft ingestemd op het punt van de strategische

60

Verstedelijkingsconcept MRA wordt de Houtrakpolder in Haarlemmermeer genoemd als strategische reservering voor Havenontwikkelingen. Dit is voor ons onacceptabel. Het is juist dat dit zo omschreven is in de visie Noordzeekanaalgebied 2040 en dat genoemd wordt dat Haarlemmermeer hier een afwijkend standpunt over heeft. Dit is voor ons niet voldoende. Wij willen dat deze reservering vervalt, omdat wij, de gebiedsautoriteit, dit gebied structureel open willen houden. Kortom de Houtrakpolder is niet (meer) beschikbaar voor Havenactiviteiten ook niet als strategische reservering. In een regio waar goed wordt samengewerkt wordt naar elkaar geluisterd en worden elkaars (sterke) wensen gerespecteerd, bij dit onderwerp ervaren wij dat niet en betreuren dat zeer. Wij verzoeken u in de tekst van het Verstedelijkingsconcept MRA hierop aan te passen en aan te geven dat de Hourakpolder in de gemeente Haarlemmermeer niet beschikbaar is voor haven activiteiten. Wij vinden dat uitbreiding van het Westelijk Havengebied van Amsterdam richting de Houtrakpolder niet past bij het open en groene karakter van de oorspronkelijke groene buffer tussen Haarlem en Amsterdam. Onze inzet is op diverse manieren vastgelegd in ons beleid en we hebben dat ook uitgedragen, ook richting de partners in het Bestuursplatform NZKG, waaronder de gemeente Amsterdam.

In verschillende documenten is vastgelegd dan wel aangegeven dat de Houtrakpolder open moet blijven en niet beschikbaar is voor havenactiviteiten of voor de ruimtelijke opgaven voortvloeiend uit de Regionale Energie Strategie(RES).

reservering van de Houtrakpolder. In de Verstedelijkingsstrategie wordt gekeken naar de opgaven die op de regio afkomen. Deze opgaven rond onder andere energietransitie, circulaire economie en woningbouw doen zich allen in grotere omvang voor dan 8 jaar geleden werd voorzien en ook in een hoger tempo dan toen kon worden ingeschat. Dit vraagt om een zorgvuldige afweging of en hoe sprake zou kunnen zijn van veranderend grondgebruik. Wat de Houtrakpolder betreft, houdt de Verstedelijkingsstrategie vast aan eerdere afspraken uit de visie NZKG 2040. Dit betekent dat eerst intensiever gebruik moet worden gemaakt van het huidige haventerrein. Eventuele discussie over anders inzetten van gronden verloopt via het Bestuursplatform conform diezelfde afspraken uit de Visie NZKG 2040. Letterlijke quote uit het betreffende besluit: "Alvorens het besluit tot de daadwerkelijke aanleg van een haven in de Houtrakpolder wordt genomen, wordt een voorstel hiertoe via een breed samengestelde stuurgroep voorgelegd aan de betrokken bestuurscolleges in het NZKG." Dit betekent dus dat de gemeente Haarlemmermeer als gebiedsautoriteit altijd betrokken is en moet worden bij een dergelijk besluit. In het Verstedelijkingsconcept zijn in versie 3 alleen die onderdelen opgenomen die als onmisbaar element zijn geïdentificeerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10843560/1