20210588923 11. Bijlage 6.4 Een overweldigend gevoel , Het Joods Gemeentegebouw Wim de Wagt
Tekst van het document
Een overweldigend gevoel… Het Joods Gemeentegebouw aan de Lange Wijngaardstraat in Haarlem
Wim de Wagt
Friederika Zilversmit poseert voor een raam van de voorste vergaderzaal op de bel-etage, uitkijkend op de Lange Wijngaardstraat. Friederika, 19 jaar, woonde bij haar ouders, het conciërge-echtpaar Zilversmit-Hes, in de dienstwoning van het Gemeentegebouw. Deze foto zal vermoedelijk in 1941 of aan het begin van 1942 genomen zijn door David Goud, met wie ze verloofd was.
1
Een gebouw te hoog en te voornaam voor de straat waarin het staat. Om een goed overzicht te krijgen van de gevel moeten we stappen achteruit doen, het hoofd in de nek leggen. Het rotsvaste geloof van mensen in hun gezamenlijke vermogen om hun gemeenschap te vertegenwoordigen. Zoekend naar gesymboliseerde waarden is dit de meest voor de hand liggende, als we de façade van het Gemeentegebouw willen begrijpen. Bij de opening op 22 juni 1888 gaf de voorzitter van de Joodse gemeente, Philip Konijn, lucht aan zijn blijdschap over de verwezenlijking: ‘Mijne heeren, het gevoel dat in mij opwelt bij het aanschouwen dezer plaats van bijeenkomst is overweldigend.’ Het Gemeentegebouw kende in Nederland zijn weerga niet, daar waren ingewijden het over eens. Als de synagoge het hart was, dan vormde dit gebouw het zenuwcentrum van de Nederlands-Israëlitische Gemeente Haarlem. Het herbergde een godsdienstschool, kerkbestuur en kerkenraad belegden er hun vergaderingen, er was een kleine sjoel en ook het secretariaat van de gemeente vond er onderdak. Op de plaats achter het gebouw kon men een rituele badinrichting bezoeken. Voor de conciërge, tevens koster van de synagoge even verderop aan de Lange Begijnestraat, was er woonruimte in het ruim bemeten pand.
De oprichting van deze 'plaats van bijeenkomst' illustreert, evenals de aanleg van de nieuwe begraafplaats aan de Amsterdamsevaart in dezelfde tijd en de uitbreiding van de synagoge in 1896, de voorspoed van de Joodse gemeenschap in het laatste kwart van de negentiende eeuw, toen Haarlem als geheel een krachtige economische en demografische ontwikkeling doormaakte. De geschiedenis van het bouwwerk openbaart nog wat anders. Behalve het dagelijkse reilen en zeilen is ook de bijna complete ondergang van de Haarlemse Joden en hun wereld eraan af te lezen.
2
Dat het gebouw op deze plek werd gesticht had te maken met de godsdienstschool waarover de Joodse gemeente hier al vanaf 1857 beschikte. Sinds de Wet op het Lager Onderwijs uit dat jaar, waren kinderen verplicht de openbare lagere school te bezoeken voor het gewone onderwijs, terwijl ze voor religieus georiënteerde lessen naar aparte scholen moesten, buiten de gewone lesuren om. De Joodse scholieren kregen op hun school les in Bijbelkennis, de Hebreeuwse taal en godsdienstige gebruiken. Reeds in 1742 hadden de Haarlemse Joden van het stadsbestuur toestemming gekregen om een eigen school te stichten. Toen de Joodse gemeenschap nog klein was, werd er les gegeven bij een onderwijzer thuis, David Hagens, die aan de Schagchelstraat woonde. Daarna konden de leerlingen achtereenvolgens terecht in de eerste synagoge aan het Goudsmidspleintje (tot 1846), aan de Korte Begijnestraat, aan de Paarlaarsteeg, in een huis aan de Bakenessergracht en ten slotte aan de Lange Wijngaardstraat.
Simon Philip de Vries werd op dinsdagavond 3 mei 1932 vanwege zijn 40-jarig ambtsjubileum als rabbijn en hoofdonderwijzer gehuldigd door het bestuur van de Joodse gemeente. Deze foto werd genomen in de voorste vergaderzaal van het Gemeentegebouw. De Vries zit in het midden met aan zijn rechterzijde zijn vrouw, Judith de Vries-de Jong. Links van hem Abraham de Lieme, de voorzitter van de kerkenraad. Helemaal rechts de opperrabbijn van Amsterdam en Noord-Holland, A.S. Onderwijzer.
3
De locatie aan de Lange Wijngaardstraat kende al een lange, bijzondere geschiedenis. Ooit lagen de desbetreffende percelen op het terrein van het Jansklooster. Omstreeks het midden van de zeventiende eeuw, na de opheffing van dit fameuze klooster, ontstond, verdeeld over twee aparte percelen, bebouwing op het rechtergedeelte. Later werd ook het linkerdeel bebouwd, en het was hier waar de Joodse gemeente zijn godsdienstschool vestigde in 1857. Na afbraak van de drie percelen ontstond voldoende ruimte voor het Gemeentegebouw. Behalve de kelder van de twee rechterpercelen bleef van de oude bebouwing niets bewaard. Maar deze kelder, die uit ongeveer 1650 dateert, is dan ook een opmerkelijk historisch artefact: een diepe ruimte waar je kunt staan, met gemetselde en gepleisterde graatgewelven, gesteund door een middenpijler. Welke functie de Joodse gemeente eraan gaf, is niet bekend.
De oudst bekende foto van het Gemeentegebouw, mogelijk daterend uit c. 1920.
4
Wat het Gemeentegebouw zo bijzonder maakte, was dat de verschillende met de Joodse gemeenschap verbonden functies en voorzieningen waren samengebracht in één, speciaal hiervoor ontworpen behuizing. Gewoonlijk kon men deze bundeling vinden in een synagogecomplex. Maar omdat in Haarlem niet voldoende ruimte was voor een uitbreiding van het gebedshuis aan de Lange Begijnestraat, bleek het praktischer en ook voordeliger om een geheel nieuw gebouw neer te zetten. Dankzij inzamelingen onder Joodse burgers en schenkingen wist het kerkbestuur voldoende geld bij elkaar te krijgen voor de verwezenlijking van dit grootse project. De architect die men in de arm nam, D.E.L. van den Arend, was een zoon van de stadsarchitect, J.E. van den Arend. Junior ontwierp een efficiënt ingedeeld gebouw met een voorname façade in neoclassicistische stijl. Getuige de pseudo-symmetrische geleding van de gevel, met de door frontons afgesloten, risalerende (naar voren stekende) hoektraveeën en de door een dakkapel geaccentueerde middenas, wilde Van den Arend met zijn schepping de illusie wekken van een klassiek stadspaleis. De middelste voordeur was de belangrijkste toegang. Links van het portaal lag het voorste schoollokaal, met daarop aansluitend een tweede lokaal.
Of men nam de trap naar boven, om zo de voorste vergaderzaal op de bel-etage betreden of, aan de overzijde van het portaal, aan te kloppen bij het gemeentesecretariaat. Achter de voorste vergaderzaal lag een tweede vergaderzaal. Deze beide vertrekken, die met elkaar een indrukwekkende suite vormen met een uitzonderlijke hoogte, konden naar believen door schuifdeuren van elkaar gescheiden worden of tot één grote zaal voor bijeenkomsten of feesten worden omgevormd. In de voorste zaal kwamen kerkbestuur- en kerkenraad bijeen. De achterzaal was bedoeld voor vergaderingen van Joodse pieuze verenigingen; deze ruimte bereikte men in de regel via de linkervoordeur. Wie naar het mikwe wilde, de rituele badinrichting, moest door de voordeur helemaal rechts. Dit was tegelijk de entree van de woning van de conciërge, wiens echtgenote toezicht hield op het gebruik van de baden. Zij was de ‘badvrouw’. De historische kelder was vanaf de straat toegankelijk via een stenen trap. De toegang werd waarschijnlijk afgesloten door houten luiken; tegenwoordig zijn die van staal. 5
In het Haarlems Dagblad verscheen ter gelegenheid van de opening in 1888 een verslag van de feestelijkheden en een beschrijving van het gebouw. Vol bewondering schreef de journalist: 'De zalen zijn zeer smaakvol gedrapeerd en gemeubeld. De ramen aan de straatzijde zijn behangen met prachtige gordijnen, de zittingen der fraaie antieke stoelen zijn met gebloemd satijn bekleed. Het donkere veelkleurige behangsel houdt goed den toon in de statige ruimten, waarin twee zeldzaam fraaie schoorsteenmantels prijken. Het plafond waarvan een eenvoudige doch smaakvolle gaslustre afhangt is, geheel in overeenstemming met het geheel, fraai afgewerkt.' Met de groei van de Joodse gemeenschap in de twintigste eeuw (de Nederlands-Israëlitische Gemeente Haarlem omvatte behalve Haarlem ook Heemstede, Bloemendaal, Santpoort en andere omliggende dorpen; Zandvoort kreeg in 1923 een eigen synagoge) werd ook het gebruik van het Gemeentegebouw steeds intensiever. Terwijl de Sabbat en de Hoge Feestdagen in de sjoel aan de Lange Begijnestraat gevierd werden, was het Gemeentegebouw de plaats voor de synagogediensten op de werkdagen, elke ochtend en avond.
Onderwijzer Gabriël Jacobs met leerlingen tijdens een les in de godsdienstschool. Jacobs was behalve onderwijzer ook secretaris van de Joodse gemeente. De foto is vermoedelijk rond 1925 genomen.
6
Behalve de vergaderingen van kerkenraad en kerkbestuur, die doorgaans 's avonds of op zondag plaatsvonden, kwamen er ook andere Joodse verenigingen en bestuurslichamen bijeen, zoals het Armbestuur, de vrouwenvereniging Bikdei Koudesh en de vereniging Gemiloeth Chasadiem, die zich bezighield met de verpleging van zieken en de zorg voor stervenden. Maar ook organisaties van buiten de stad, die niet onder de Haarlemse gemeente vielen, belegden bijeenkomsten in de comfortabele ruimtes aan de Lange Wijngaardstraat. Zelfs landelijke Joodse verenigingen streken er neer. Verder dienden de grote zalen op de verdieping voor het vieren van jubilea, voor herdenkingen en voor huldigingen van vooraanstaande gemeenteleden. De secretarie, waar men terecht kon voor allerhande administratieve zaken, was op iedere werkdag in de ochtenduren geopend. Vanaf de jaren twintig tot in de oorlogsjaren werd dit gerund door de ambtenaar van de Joodse gemeente, Gabriël Jacobs, die tevens de secretaris van kerkbestuur en kerkenraad was en les gaf op de godsdienstschool. Kinderen bezochten deze school vier dagen in de werkweek van vijf uur tot half acht 's avonds, en ook op zondagochtend van 9 uur tot half een. De bekende rabbijn Simon Philip de Vries zwaaide hier vanaf zijn aanstelling als religieus leider in Haarlem, in 1892, tot zijn afscheid in 1940 de scepter als hoofdonderwijzer.
Wekelijks, jaar na jaar, stonden dergelijke aankondigingen van religieuze diensten, die behalve in de synagoge in het Gemeentegebouw werden gehouden, in het Haarlems Dagblad. Deze aankondiging is van 18 november 1920.
7
Het gebruik van het rituele bad was aan strikte religieuze voorschriften gebonden. Met name vrouwen maakten gebruik van het mikwe, kort voor de voltrekking van het huwelijk en na iedere menstruatie. Ook nieuw vaatwerk werd er wel in gereinigd om dit koosjer (rein) te maken. Vanaf 1933 werd in de secretarie ook de administratie ondergebracht van de Haarlemse afdeling van het Comité voor Bijzondere Joodse Belangen, dat de sociale belangen van Joodse vluchtelingen uit Duitsland en andere landen beoogde te behartigen. Tegen 1940 hadden zich ongeveer 180 Joodse vluchtelingen in Haarlem gevestigd. Een belangrijke uitbreiding van de functies betrof de vestiging in 1936 van het kantoor van het synagogaal ressort van Noord-Holland in het Gemeentegebouw. In dat jaar nam Haarlem de functie van standplaats over van Amsterdam, dat voortaan een apart synagogaal ressort vormde. De nieuwe opperrabbijn van Noord-Holland, de jonge, uit Hilversum afkomstige Philip Frank, vond zijn zetel in het Gemeentegebouw.
Vanwege zijn 40-jarig ambtsjubileum ging rabbijn De Vries op zondag 1 mei 1932 met alle schoolkinderen op de foto, na eerst door hen in het Hebreeuws te zijn toegezongen. Ook zijn echtgenote, Judith de Vries-de Jong, de onderwijzer Gabriël Jacobs en de onderwijzer en tevens oppervoorzanger Mozes Petzon (links van De Vries) schoven aan. De man helemaal rechts op de achterste rij is vooralsnog onbekend.
8
Hoe het gebouw er van binnen precies uitzag, hoe het was gemeubileerd en gestoffeerd, wat er aan de wanden hing, daarover is weinig bekend. We moeten het doen met de krantenbeschrijving uit 1888 en een handvol foto’s. En er zijn enkele vermeldingen in het archief van de Joodse gemeente. Bijvoorbeeld van een restauratie van de vergaderzaal in 1926. Een opknapbeurt die hard nodig was, want jarenlang was er weinig onderhoud gepleegd aan het interieur. Maar het bleef niet alleen bij bouwkundige werkzaamheden. Als klap op de vuurpijl kreeg de schoorsteenmantel een ‘voorziening’, bestaande uit ‘eene bedekking, 2 electrische candelabres en een monumentale klok.’ Op de vloer rolden de stoffeerders een tapijt uit waarin een Joods motief was verwerkt. Een en ander was een schenking van een ‘onbekende’. En er was nóg een verrassing: ‘Bovendien werd ons een buitengewoon mooie penteekening in encadrement aangeboden door de waarde familie I. van Voolen. De talentvolle teekenaar is jongenheer M. van Voolen, jongste zoon des Heeren van Voolen.’ Israel van Voolen was kerkenraadslid en lid van de bouwcommissie die de restauratie begeleidde. Zijn jongste zoon heette Maurits, toen 17 jaar. De restauratieklus was in handen van de Joodse aannemer J.J. de Casseres van de firma Davidson uit Beverwijk. Met een legaat van het overleden kerkenraadslid A.I. Groen kon dit werk betaald worden.
Deze zeldzame, intieme foto, meer een snapshot, toont het kerkbestuur in vergadering bijeen in de voorste zaal, waarschijnlijk eind jaren dertig. Van voor naar achter: voorzitter Barend Chapon, penningmeester Joseph Rodrigues Pereira en secretaris Gabriël Jacobs. Interessant is ook dat de foto een deel van het interieur laat zien.
9
* Tijdens de bezetting komen de Joden steeds meer in een maatschappelijk isolement te verkeren, als gevolg van een keten van beperkende en discriminerende maatregelen. Omdat Joodse burgers de stadsbibliotheek en de cafés niet meer in mogen, richt het kerkbestuur aan de Lange Wijngaardstraat een eigen bibliotheek en café in. In de wachtkamer van de rituele baden worden gewone douches geïnstalleerd, Joden mogen immers ook niet meer van de volksbaden gebruikmaken. Wanneer de Duitsers tegen het einde van 1941 Joods godsdienstonderwijs verbieden, laat het kerkbestuur het voorste lokaal voortaan als kleuterschooltje gebruiken. In het achterste lokaal kunnen de gemeenteleden literaire voordrachten en concerten bezoeken of cursussen volgen. Bovendien vindt daar een pas opgerichte Joodse Fröbelschool onderdak. Voor de allerkleinsten wordt in het voorjaar van 1942 een speelplaatsje met zandbak gemaakt achter het pand, door de deelnemers aan een cursus timmeren onder leiding van de bouwkundige van de Joodse gemeente, W.J. Peereboom.
Bij dezelfde gelegenheid genomen als de vorige foto, maar dan vanaf de andere korte zijde van de tafel. Herkenbaar zijn (op de fraaie stoel in het midden) Barend Chapon, links van hem Joseph Rodrigues Pereira en helemaal links vooraan Gabriël Jacobs. De mannen rechts zijn onbekend.
10
Ook kwam aan de Lange Wijngaardstraat het bureau van de Joodse Raad van Haarlem. Deze hield zich voornamelijk bezig met financiële kwesties, reis- en verblijfsvergunningen en bemiddeling bij het zoeken naar werk. De opperrabbijn van Noord-Holland, Philip Frank, was de voorzitter van de raad die viel onder Joodse Raad van Amsterdam. Verder bestond de raad uit de gemeentevoorzitter, Barend Chapon, en het kerkenraadslid Herbert Drilsma.
Voorzitter Barend Chapon houdt een praatje bij de opening van een speelplaatsje achter het Gemeentegebouw, voorjaar 1942. Joodse kinderen mochten immers niet meer in de openbare speeltuinen komen.
11
Op 22 juni 1942 verzamelen de vertegenwoordigers van enkele Joodse gemeenten uit Noord-Holland zich aan de Lange Wijngaardstraat voor een onheilspellende vergadering. Als ze verontrust om zich heen kijken bemerken ze dat een groot aantal gemeenten niet is vertegenwoordigd aan de vergadertafel. Feitelijk bestaan deze gemeenten niet meer, moet worden erkend: de meeste Joden uit Noord-Holland zijn ‘geëvacueerd’, hun synagogen en andere bezittingen zijn in beslag genomen. De leiders van de Nederlands Israëlitische Gemeente Haarlem spreken echter de verwachting uit dat Haarlem verschoond zal blijven van dit lot. Waar deze verwachting op gebaseerd is wordt niet goed duidelijk. Er is vooral hoop.
De bouwkundige van de NIGH, de niet-Joodse W.J. Peereboom, bij de onder zijn leiding gemaakte zandbak achter het gebouw, voorjaar 1942. Links kerkenraadslid David Heymans.
12
Nog geen drie maanden later, op 6 september 1942, komt de Haarlemse kerkenraad, onder leiding van voorzitter Barend Chapon, bijeen in een bijzonder trieste sfeer. Het is nog geen twee weken nadat, in de nacht van 25 op 26 augustus, een grote deportatie van Haarlemse Joden heeft plaatsgevonden. Chapon begint zijn redevoering met deze zinnen: 'Ik heb u, heren leden van de kerkeraad, in deze zitting bijeengeroepen, wegens de zeer ernstige gebeurtenissen die in onze gemeente hebben plaatsgevonden. Zij zijn u niet onbekend. Daarom zou het geen zin hebben ze weer in woorden te herhalen, woorden, die toch onvoldoende weergeven hoe vreselijk alles is geweest.' Hij wil, zo noteert hij, 'op sobere wijze voor het nageslacht (…) vastleggen wat onze kehilloh en haar leden in de afgelopen weken hebben beleefd.' Het notulenboek zal hij met deze uiteenzetting afsluiten, meldt hij, om vervolgens 'het boek daarheen te brengen, waar ook dezer dagen het archief van onze gemeente en de meest belangrijke bescheiden zullen worden opgeborgen.' De administratieve stukken waar Chapon op doelt, duiken onder in het gemeentearchief aan de Jansstraat, met hulp van de gemeentearchivaris, Gerda Kurtz.
In december 1941 poseren de organisatoren van een fotocursus voor de camera. V.l.n.r. de opperrabbijn van Noord-Holland en rabbijn van Haarlem Philip Frank, kerkenraadslid Mozes Bouwman, gemeentevoorzitter Barend Chapon, vicevoorzitter Abraham de Lieme, secretaris Gabriël Jacobs (achterste rij in het midden), een onbekende man (vooraan in het midden), bestuurslid Joseph Rodrigues Pereira, kerkenraadslid Herman Calff en een onbekende man.
13
Bij degenen die op 25/26 augustus gedeporteerd worden, zijn ook de bewoners van het Gemeentegebouw: de conciërge, de heer Nathanni Moses Zilversmit, zijn vrouw Minna Zilversmit-Hes en hun jongste dochter, Friederika. Het gezin, dat uit Duitsland afkomstig is, weet dan nog niet wat hen boven het hoofd hangt. Friederika heeft zich krap drie weken eerder verloofd met David Goud, zoon van de koek- en banketbakker E. Goud aan de Jansstraat. Het verliefde stel trouwt kort na aankomst in Westerbork, op 27 augustus 1942, in het bijzijn van hun wederzijdse ouders. Allen, behalve David, worden enkele dagen later in Auschwitz vergast. David sterft enkele maanden later, ergens in Midden-Europa.
Friederika Zilversmit en David Goud, vermoedelijk begin 1942, ergens aan de rand van Haarlem.
Friederika Zilversmit en haar moeder Minna Zilversmit-Hes in de conciërgewoning, eind 1941 of 1942.
14
Na het gedwongen vertrek van vrijwel alle Joden uit de stad per 16 februari 1943, wordt het Gemeentegebouw gevorderd door het door de bezetter ingestelde 'Commissariaat van niet-commerciële vereenigingen en stichtingen'. De firma Enschedé huurt enkele ruimtes van het Gemeentegebouw van dit commissariaat voor de opslag van goederen per 1 januari 1944. Een ander deel van het pand dient als politiebureau ten behoeve van de uitvoering van ‘bijzondere wetten’. Een klein deel van de oorspronkelijke Joodse inventaris wordt opgeslagen in Amsterdam, de rest wordt uit het pand gesloopt door hetzelfde slopersbedrijf dat ook de synagoge uitbeent. * Het is zondag 2 september 1945. De kerkenraad, of wat daarvan over is, komt weer voor het eerst bijeen aan de Lange Wijngaardstraat. ‘Staande herdenkt de voorzitter de in Februari 1943 door de bezetters vermoorde Opperrabbijn der Gemeente, memoreert dienst verdiensten alsmede die zijner vrouw. De voorzitter staat stil bij de nagedachtenis van de vroegere leden van het kerkbestuur, de Heeren B. Chapon en Abr. De Lieme, van de ambtenaren M. Petzon en G. Jacobs en het lid van de voormalige Joodsche Raad Mr. H. O. Drilsma.’ Slechts een minderheid van de Joden in Haarlem en omgeving overleefde de oorlog. Er stierven, voor zover nu bekend, 733 Haarlemse Joden in de kampen of door andersoortig oorlogsgeweld, ongeveer 270 Joden overleefden.
In Heemstede waren er 162 slachtoffers te betreuren, in Bloemendaal 123. Een deel van hen was aangesloten bij de NIG Haarlem. Exacte gegevens over de situatie in de andere dorpen in de omgeving van de stad die onder de Haarlemse Joodse gemeente vielen, ontbreken.
Uit Het Joodsche Weekblad, 18 september 1942, drie weken na de eerste deportatie van de Haarlemse Joden.
15
Behalve als vergaderruimte neemt de gedecimeerde NederlandsIsraëlitische Gemeente Haarlem een deel van het pand in gebruik als sjoel. Reeds op vrijdag 18 mei 1945, nog geen twee weken na de bevrijding, kan men er een religieuze dienst bezoeken. Zo’n honderd mensen maken daar gebruik van, met inbegrip van Amsterdamse Joden die in Haarlem ondergedoken hebben gezeten. De ontluisterde synagoge aan de Lange Begijnestraat wordt door de firma Joh. Enschedé dan nog steeds gebruikt voor opslag. De onderhandelingen over de teruggave van dit gebedshuis verlopen uiterst moeizaam, en uiteindelijk verkoopt men de synagoge aan Enschedé, in mei 1949. Overigens verhuurt de Joodse gemeente de resterende ruimtes van het Gemeentegebouw dan nog aan dezelfde drukkersfirma. Voor het aloude huis van samenkomst aan de Lange Wijngaardstraat ziet de Joodse gemeente echter geen toekomst meer. Mede met de opbrengst uit de verkoop van de synagoge wordt een villa in het Kenaupark aangekocht om die te verbouwen tot een nieuw gemeentegebouw annex religieus centrum. Nadat dit in gebruik is genomen (december 1949), verliest het oude gebouw definitief zijn bestemming.
Vanaf 1951 zetelde de gemeentelijke verkeerspolitie in het Gemeentegebouw – zie het bordje aan de gevel.
16
Op donderdagavond 15 december 1949 begeven de Joden zich voor de laatste maal voor een godsdienstoefening naar de Lange Wijngaardstraat 14. In 1951 verkoopt het kerkbestuur, na slepende onderhandelingen, ten slotte het haveloze pand aan de gemeente Haarlem, die het inricht als onderkomen van de verkeerspolitie. Als het ook deze functie verliest in de jaren zeventig, nemen krakers bezit van het leegstaande gebouw. Tegenwoordig wordt dit vroegere kroonjuweel van de Joodse gemeenschap nog altijd bewoond. Alleen wie heel goed kijkt bespeurt nog iets van de oude grandeur. Een verweerde gedenksteen herinnert aan de eerstesteenlegging. Van het prachtige interieur zijn nog restanten over. In de nog altijd imposante zalen op de bel-etage fluisteren de kooflijsten met acanthusbladeren, de gestucte ornamenten van de plafonds en de fraaie zwarte schoorsteenmantels in neorenaissance stijl over het Joodse verleden. Zelfs het oorspronkelijke behang bedekt nog de wanden, zij het gescheurd en in verbleekte staat. De trotse façade is telkens opgelapt, en weer verwaarloosd. De verf bladderde van de kozijnen af, waarna een nieuwe, provisorische opknapbeurt volgde. Een gezicht altijd in de regen.
De eerste steen, gelegd op 31 augustus 1887 door de voorzitter van de kerkenraad, Philip L. Konijn.
17
Reconstructie van de oorspronkelijke plattegrond van de begane grond en de eerste verdieping (1888-1951), gemaakt door MAB, 2018.
Plattegrond van de begane grond en de eerste verdieping, toestand 2018, gemaakt door MAB.
18
Verantwoording Deze uitgave moet voorzien in de behoefte aan informatie over het vroegere Gemeentegebouw, ten gevolge van het initiatief van het Comité Joods Erfgoed Haarlem (waar ik zelf deel van uit maak) en de gemeente Haarlem in 2019 om een nieuwe toekomst voor het gebouw te creëren, hiertoe aangevuurd door een raadsmotie, getiteld Geef Haarlem haar Joodse geschiedenis terug, van Hart voor Haarlem (Louise van Zetten), die in november 2018 door de gemeenteraad is aangenomen. De tekst van deze uitgave is grotendeels gebaseerd op het hoofdstuk over het Gemeentegebouw in mijn boek Joods Haarlem. Een topografie van hoop en herinnering, uitgegeven door Stichting Uitgeverij Noord-Holland te Wormer, 2005. Hier en daar heb ik de formuleringen aangepast en op enkele plaatsen heb ik nieuwe informatie toegevoegd, hoofdzakelijk ontleend aan eigen onderzoek in het archief van de NIGH, bewaard in het Noord-Hollands Archief (NHA), het online krantenarchief van het NHA en de database van joodsmonument.nl. Daarnaast heb ik gebruikgemaakt van een rapport van het Monumenten Advies Bureau (MAB), gemaakt in opdracht van de gemeente Haarlem (Bouwhistorisch onderzoek met waardenstelling. Voormalig Joods Gemeentegebouw Lange Wijngaardstraat 14-14A-14F, Nijmegen, 20 december 2018.) Een deel van de afbeeldingen werd ook al in Joods Haarlem opgenomen.
Deze zijn aangevuld met enkele ‘nieuwe’ exemplaren, zoals die van de familie Zilversmit-Hes. Verder bevat het rapport van MAB enkele reconstructies van de plattegrond van het gebouw door de tijd heen. Hieronder volgt een volledige opsomming van de bronnen waaruit de afbeeldingen afkomstig zijn. Ten slotte ben ik om uiteenlopende redenen dank verschuldigd aan (in willekeurige volgorde): Victor Jacobs, Kees Taanman, Louise van Zetten, Charles Pérukel, Gerard Klaver en mijn medeleden van het Comité Joods Erfgoed Haarlem, te weten Paola Koningsveld, Marlies Veldhuijzen van Zanten en Ruben Boas. Wim de Wagt, Heemstede oktober 2019
Afbeeldingen: NHA p. 16: NHA (Jos Fielmich) p. 1 en 5; NHA (krantenviewer) p. 8 en 15; Particuliere collectie p. 2, 4, 7, 10 en 11; Joods Historisch Museum p. 12 en 13; MAB, p. 17 en 18.
19