CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

20210534191 3. Bijlage 2 Toelichting ontwerpbestemmingsplan 'Fietsznfabriek'

commissie Ontwikkeling 2 december 2021, gemeente HaarlemBij agendapunt: Ter inzage leggen ontwerpbestemmingsplan 'Fietsznfabriek'22.543 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Beschrijving groen in het plangebied Het plangebied is grotendeels verhard. Binnen het plangebied zijn geen bomen aanwezig met een gewaardeerde status. Ten zuiden van de voormalige drukkerij zijn enkele bomen aanwezig, maar deze zijn niet opgenomen in het gemeentelijke eigendomsoverzicht. Deze bomen zijn apart in beeld gebracht Bijlage 3.Verder is er in het plangebied vrijwel geen groen aanwezig.

63

bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (ontwerp)

Afbeelding: gewaardeerde bomen rond het plangebied

4.10.3.1 Effect ontwikkeling op het groen Met de beoogde herontwikkeling van het plangebied wordt een verbeterslag gerealiseerd in de groene inrichting. Er wordt extra groen toegevoegd in de versteende omgeving. Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een groen hof en veel ruimte voor tuinen. Via de pilot natuurinclusief bouwen wordt aangestuurd op het realiseren van begroeide gevels en daken. Groen levert een belangrijke bijdrage aan klimaatbestendigheid en vermindering van hittestress. Groene daken kunnen daarnaast ook water vasthouden. Met name daken met gras en kruiden zijn goed voor het vervullen van deze functie. Bovendien verhoogt een groen dak de isolatiewaarde. Vanuit ecologisch oogpunt zijn groene daken dus zeer gewenst. Vereist is de aanplant van minimaal 2 nieuwe bomen op het binnenterrein. Om deze duurzaam te kunnen laten groeien zijn er randvoorwaarden gesteld aan de groeiplaats: 1. Door het aanvullen van grond kan er verrijking optreden. Bij het aanvullen van grond moet worden aangesloten op de locale bodemomstandigheden; 2. Door allerlei activiteiten ontstaat verdichting van de bodem waardoor groeiplaatsomstandigheden verslechterd worden. Bij inrichting van nieuwe plekken moet hier rekening mee gehouden worden. Bij voorkeur wordt gekozen voor een inheemse boomsoort. Vormbomen zijn in de openbare ruimte niet toegestaan binnen het plangebied.

Eventueel in het gebied aanwezige bomen moeten worden behouden en beschermd tijdens de bouwwerkzaamheden. Groeiplaatsomstandigheden moeten worden verbeterd. Indien een boom aan het einde van zijn levensduur is of hinderlijk in de weg staat kan een kapvergunning worden aangevraagd, nadat mogelijke alternatieven zijn onderzocht. Een te kappen boom wordt vervangen door een nieuw aan te planten boom, binnen het plangebied. Ook aanleg van extra verharding moet binnen het plangebied worden gecompenseerd. De hiervoor beschreven eisen en randvoorwaarden worden bij wijze van een puntensysteem opgenomen in de selectieleidraad voor de verkoopprocedure 64

bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (ontwerp)

voor de gemeentelijke gronden. Hierdoor kan een grote groenambitie worden gestimuleerd terwijl tegelijk voldoende ruimte bestaat voor de ontwikkelaar voor het creatieve proces. 4.10.4

Conclusie Bij uitvoering van het woningbouwprogramma vindt een vergroening plaats op een thans verharde stenige omgeving. Dit draagt bij aan het creëren van een fijne leefomgeving en zorgt voor het kunnen opvangen van hemelwater.

4.11 Natuurwaarden 4.11.1

Inleiding Er is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebied- of landschap of als Nationaal Natuurnetwerk (NNN). Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Nationaal Natuurnetwerk De term EHS werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP) van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. In 2013 veranderde de naam van Ecologische Hoofdstructuur naar Nationaal Natuurnetwerk (NNN).

NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in of in de nabijheid van het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets'.

65

bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (ontwerp)

4.11.2

Beleid Het ecologisch beleidsplan Haarlem 2013-2030 beschrijft hoe de gemeente, in samenhang met het realiseren van de duurzaamheiddoelstelling en het bevorderen van groen participatie, de soortenrijkdom versterkt en zorgt voor een hogere ecologische waarde in de stad. Het doel is het kwalitatief verbeteren en verhogen van de ecologische waarden en de leefbaarheid. Bij een herontwikkeling moet worden bepaald of het project kansen biedt voor het ontwikkelen van nieuwe ecologische waarden en structuren. Zoals in paragraaf 3.4.7 Duurzaamheid en energie is aangegeven is de Fietsznfabriek aangewezen als pilotlocatie voor natuurinclusief bouwen. Via de verkoopprocedure wordt de ontwikkelaar gestimuleerd in te zetten op natuurinclusief bouwen, door diverse maatregelen te treffen en een groene inrichting van het plangebied als uitgangspunt te nemen. Ook wordt de herplant van twee bomen verplicht gesteld, zoals aangegeven in het SPVE.

4.11.3

Soortenbescherming In 2019 is een quick scan Wet natuurbescherming uitgevoerd om te bepalen of er ecologische waarden in het plangebied aanwezig waren. Inmiddels is een gedeelte van de bebouwing binnen het plangebied gesloopt. Het plangebied is onderzocht en beoordeeld op de aanwezigheid van en betekenis voor door de Wet natuurbescherming beschermde plant- en diersoorten. Het plangebied is beoordeeld op vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, vaatplanten, vogels, amfibieën en reptielen en overige beschermde soorten zoals libellen, vlinders, insecten en andere ongewervelden. Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen of belangrijk leefgebied wordt aangetast van de in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Wel moet rekening gehouden worden met het broedseizoen voor vogels. De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing.

4.11.4

Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Daarnaast maakt het plangebied geen deel uit van een ander beschermd gebied, zoals Natura 2000, belangrijk weidevogelleefgebied of strategische reservering natuur. Het Natura 2000-gebied Kennemerland-zuid ligt op 2,6 kilometer. Om te bepalen of ten gevolge van het plan significante negatieve effecten optreden in stikstofgevoelige habitattypen en/of stikstofgevoelige leefgebieden is door Sweco een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd, waarvan de notitie als Bijlage 11 is bijgevoegd. In deze notitie zijn de uitgangspunten en resultaten vastgelegd van de berekeningen van de stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling, waarbij rekening wordt gehouden met de gebruiksfase. De aanlegfase van de voorgenomen planontwikkeling is niet beschouwd. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering in een partiële vrijstelling voor de tijdelijke emissies gedurende de aanlegfase van bouwwerkzaamheden. De volgende gebieden zijn meegenomen in de berekening: 66

bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (ontwerp)

Kennemerland-Zuid (circa 2,6 kilometer tot plangebied) Polder Westzaan (circa 10,1 kilometer tot plangebied) Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (circa 15,5 kilometer tot plangebied) Er is in de gebruiksfase van de planontwikkeling geen toename van de stikstofdepositie >0,00 mol/ha/jaar in de omliggende Natura 2000-gebieden, op basis van de gehanteerde uitgangspunten. Effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de gebruiksfase zijn daarmee op voorhand uit te sluiten. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering per 1 juli 2021 in een partiële vrijstelling van de vergunningplicht voor stikstofemissies afkomstig van bouwwerkzaamheden. De aanlegfase kan vanaf die datum buiten beschouwing gelaten worden voor de beoordeling van de vergunningplicht. Voor de voorgenomen planontwikkeling is geen Wnb-vergunning benodigd voor het onderdeel stikstofdepositie, op basis van de gehanteerde uitgangspunten in deze notitie. 4.11.5

Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.12 Vliegverkeer Met ingang van 1 februari 2003 is het zogenoemde Luchthavenindelingbesluit (LIB) van kracht. In het LIB, onderdeel van de gewijzigde Wet Luchtvaart (ofwel de "Schipholwet"), is rond de luchthaven Schiphol een beperkingengebied aangewezen. Hierbinnen gelden beperkingen van de maximale hoogte van objecten, en van vogel aantrekkende bestemmingen en vogel aantrekkend gebruik. De hoogtebeperkingen zijn opgelegd om ervoor te zorgen dat vliegtuigen op een veilige manier van en naar de luchthaven Schiphol kunnen vliegen. De beperkingen voor de vogel aantrekkende bestemmingen en vogel aantrekkend gebruik zijn opgelegd om te voorkomen dat zich in de nabijheid van de luchthaven concentraties vogels bevinden, die hinderlijk kunnen zijn voor vliegtuigen. Ook zijn er beperkingengebieden opgenomen voor het gebruik van gebouwen opgenomen. Dit zijn de LIB-zones. Er zijn 5 zones: LIB 1 tot en met 5. Deze zones beperken het gebruik voor (beperkt) kwetsbare objecten, geluidgevoelige gebouwen en kent een afwegingsgebied voor geluid en externe veiligheid. 4.12.1

Onderzoek Het voorliggende plangebied ligt niet in een van de LIB-zones of zones voor beperking van vogelaantrekkende bestemmingen.

4.12.2

Conclusie Vanuit het aspect vliegverkeer gelden er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 67

bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (ontwerp)

4.13 Kabels, leidingen straalpaden en andere belemmeringen 4.13.1

Inleiding In bestemmingsplannen worden uitsluitend kabels en leidingen (gas, water, elektra, rioolpersleidingen) opgenomen die ruimtelijke relevantie hebben en/of van belang zijn in het kader van beheer, externe veiligheid of gezondheidsrisico's. Het gaat dan altijd om de hoofdtransportstructuur. De planologisch relevante leidingen. De ligging van de leiding is globaal vastgelegd op provinciale risicokaarten. In elk bestemmingsplangebied bevinden zich uiteraard ook kabels en leidingen voor distributie en huisaansluitingen, maar die worden niet in het plan opgenomen.

4.13.2

Onderzoek Er bevinden zich geen kabels en leidingen in het plangebied waarvoor een specifieke regeling nodig is. In dit licht zijn er geen belemmeringen voor het bestemmingsplan.

4.14 Niet-gesprongen explosieven Uit een historisch vooronderzoek naar ontplofbare oorlogsresten binnen de gemeente Haarlem, een beleidskaart en aanvullende bronnen, blijkt dat het plangebied voor een gedeelte verdacht is op het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten (OO) uit de Tweede Wereldoorlog. Verder onderzoek is daardoor noodzakelijk alvorens met de geplande civieltechnische werkzaamheden kan worden gestart. Het opstellen van deze Risicoanalyse heeft als doel de risico’s van de te verwachten OO te beoordelen in relatie tot de toekomstige werkzaamheden en het toekomstige gebruik van het werkgebied. Tevens wordt inzicht gegeven in de mogelijke maatregelen om deze risico’s te reduceren. Door IDDS BV is deze risicoanalyse uitgevoerd. Het rapport van 21 juli 2021 is als Bijlage 12 bijgevoegd. Uit de analyse van het vooronderzoek uit 2016 is gebleken dat het werkgebied voor een gedeelte verdacht is op het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten, in de vorm van afwerpmunitie en submunitie, ten gevolge van een bombardement op 16 april 1943. Dit betekent dat er tijdens de uitvoering van de geplande civieltechnische werkzaamheden een risico is op het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten en een mogelijke detonatie hiervan. Op basis van extra bronnen en analyse van het bombardement, kon de horizontale afbakening in deze risiconalayse worden ingeperkt.

Zodoende is slechts nog een klein gedeelte van het werkgebied verdacht op het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten. Binnen dit verdachte gebied hebben naoorlogs geen noemenswaardige grondroerende activiteiten plaatsgevonden om het gebied op verticale afbakening verder in te perken. Binnen het werkgebied Fietsznfabriek te Haarlem zijn er twee gebieden te onderscheiden, te weten een onverdacht gebied en een verdacht gebied. Als de grondroerende werkzaamheden zullen plaatsvinden binnen het onverdachte gebied, dan zijn verdere stappen inzake de opsporing van ontplofbare oorlogsresten niet benodigd. Wel wordt geadviseerd om met het protocol spontaan aantreffen ontplofbare oorlogsresten te werken (zie bijlage bij 68

bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (ontwerp)

analyse). Voor alle grondroerende werkzaamheden binnen het verdachte gebied geldt dat de geplande werkzaamheden de aanwezige ontplofbare oorlogsresten middels toucheren of verplaatsen kunnen initiëren.Zodoende zijn verdere stappen inzake de opsporing naar ontplofbare oorlogsresten benodigd. Conclusie Op basis van het NGE onderzoek volgt dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is, mits bij de bouwwerkzaamheden conform het protocol spontaan aantreffen ontplofbare oorlogsresten wordt gewerkt.

4.15 M er-beoordeling 4.15.1

Inleiding De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, dient een toets uitgevoerd te worden of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

4.15.2

Onderzoek Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de realisatie van circa 60 woningen met bijbehorende voorzieningen. Daarmee is sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject, welke voorkomt op bijlage D categorie 11.2 van het Besluit m.e.r.. Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderhavige ontwikkeling valt daarmee ruim onder de drempelwaarden. Er geldt geen directe m.e.r.-beoordelingsplicht, een vormvrije m.e.r.-beoordeling is wel noodzakelijk. Indien hieruit blijkt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, geldt alsnog een m.e.r.-beoordelingsplicht. Omdat sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is een aanmeldnotitie opgesteld en ingediend bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag heeft hierover een besluit genomen en geoordeeld dat geen significante negatieve effecten te verwachten zijn en dat een nadere m.e.r. beoordeling niet 69

bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (ontwerp)

noodzakelijk is. Volledigheidshalve is de aanmeldnotitie ook als Bijlage 13 opgenomen bij deze toelichting. Voor de goede orde moet worden opgemerkt dat de bijlagen bij de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. al als bijlagen bij deze toelichting zijn opgenomen en derhalve niet nogmaals zijn toegevoegd als bijlagen bij de aanmeldnotitie

70

bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (ontwerp)

Hoofdstuk 5 5.1

JURIDISCHE ASPECTEN

Inleiding De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is verder uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een verdere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente Haarlem. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Er is één landelijke voorziening waar alle ruimtelijke plannen voor een ieder volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn. Hiertoe moeten alle bestemmingsplannen voldoen aan landelijk vastgestelde standaarden. In de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) zijn de hoofdgroepen van bestemmingen bepaald, zoals Wonen, Bedrijven e.d. Ook geeft de SVBP2012 bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels.

Dat leidt ertoe dat de systematiek zoals gehanteerd in dit bestemmingsplan, op ondergeschikte onderdelen af kan wijken van de voorheen geldende planologische regelingen. Het juridische bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De planregels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen over de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels en ook de functie van visualisering van de bestemmingen.

5.2

Juridische planopzet Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meer locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van groot belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Denk hierbij aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling, het monitoren van beleid en de handhaving. Er is één landelijke voorziening waar alle ruimtelijke plannen voor iedereen volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn: www.ruimtelijkeplannen.nl. Hiertoe moeten alle bestemmingsplannen voldoen aan landelijk vastgestelde standaarden. In de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012) 71

bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (ontwerp)

zijn de hoofdgroepen van bestemmingen bepaald, zoals Wonen, Bedrijven e.d. Ook geeft de SVBP2012 bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. De regels van het bestemmingsplan vallen op grond van de SVBP2012 in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

5.2.1 Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Dit artikel definieert de begrippen die in de regels worden gehanteerd. Daardoor wordt vermeden dat verschillende interpretaties van de begrippen tot verschillen van mening over de regelgeving zouden kunnen leiden. Bij toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normaal spraakgebruik. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten gemeten moeten worden. Een aantal bepalingen schrijft de regeling SVBP2012 dwingend voor.

5.2.2 Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Artikel 3 Gemengd - 1 Deze bestemming is bedoeld om wonen-werken mogelijk te maken langs de Oostvest. Het plan is gericht op woningbouw maar het plan sluit niet uit dat de woningen langs de Oostvest in de plint voor andere functies worden gebruikt. Hierbij kan worden gedacht aan ateliers, bedrijven met een lichte milieucategorie die zich goed verhouden met het woonklimaat, dienstverlening en kantoren. Artikel 4 Groen De openbare groen gebieden zijn specifiek bestemd als 'groen', dit betreft het binnengebied bij de hofwoningen, dat een openbaar groen karakter moet krijgen. In de bestemming groen is tevens water toegestaan, alsmede de ondergrondse parkeervoorziening. Om groen te kunnen laten groeien moet op de ondergrondse parkeervoorziening een leeflaag van minimaal 1 meter worden aangebracht. Artikel 5 Tuin - 1 72

bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (ontwerp)

Deze bestemming geldt voor gronden aangrenzend aan de nieuwbouwwoningen in het plan. De gronden zijn bedoeld als een meer besloten en gemeenschappelijk tuin voor de bewoners van het plan. In dat kader is het wenselijk dat de oppervlakte wordt gehandhaafd en er een openheid blijft. Deze bestemming staat daarom niet bij recht bebouwing van de gronden toe, anders dan nodig is voor de ondergrondse parkeergarage, een duurzame energievoorziening en/of nutsvoorzieningen. Bergingen en fietsenstallingen dienen inpandig en/of ondergronds opgelost te worden. Vergunningsvrij wordt uitgesloten om te voorkomen dat de gemeenschappelijke binnentuin wordt verdeeld in losse percelen en dichtgezet wordt met erfscheidingen en bijbehorende bouwwerken. Artikel 6 Verkeer De bestaande openbare straten en de te realiseren steeg in het plangebied zijn opgenomen in de bestemming 'verkeer'. In deze bestemming zijn tevens de benodigde voorzieningen voor deze bestemming opgenomen, als een trottoir, straatverlichting en nutsvoorzieningen. Ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' zijn parkeerplaatsen op maaiveld toegestaan. Artikel 7 Wonen Deze bestemming is bedoeld voor percelen waarbij alleen het wonen binnen het plangebied is toegestaan. Beroepsmatige activiteiten aan huis zijn binnen de bestemming 'wonen' toegestaan onder de voorwaarde dat deze activiteiten ondergeschikt zijn aan het wonen.

In deze bestemming zijn tevens de benodigde bijbehorende voorzieningen toegestaan zoals groenvoorzieningen, waterlopen, waterpartijen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, bergingen, tuinen en erven. Artikel 8 Waarde - Archeologie De aanwezige archeologische verwachtingswaarden krijgen bescherming door het toekennen van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, ook bestemd voor de bescherming en de veiligstelling van archeologische waarden. Artikel 9 Waarde - beschermd stadsgezicht Het gehele plangebied ligt binnen het beschermde stadsgezicht. Hoewel een groot deel van de bebouwing na voltooing van het plan uit nieuwbouw zal bestaan, is het wenselijk om diverse stedenbouwkundige eisen aan de nieuwbouw te stellen om het gewenste ruimtelijke beeld te borgen. Ook voorziet de dubbelbestemming in de mogelijkheid om nadere eisen te stellen aan onder meer de kapvorm om cultuurhistorische waarden in het gebied te borgen. Artikel 10 Waarde - cultuurhistorie 73

bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (ontwerp)

Vanwege de bouw- en cultuurhistorische waarde van de voormalige drukkerij is het verboden om het gebouw te slopen of wijzigingen aan te brengen in de gevelindeling. Dat is in deze dubbelbestemming geborgd.

5.2.3 Hoofdstuk 3: Algemene regels Artikel 11 Anti-dubbeltelregel Met deze regel wordt voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt. Bijvoorbeeld in het geval (onderdelen van) bouwpercelen - al dan niet tijdelijk - van eigenaren wisselen. De regeling is vooral van belang met het oog op nieuwbouw. Door verwerving van een extra (bouw)perceel of een gedeelte daarvan, kunnen de gronden niet meegenomen worden met de berekening van de bouwmogelijkheden van het nieuwe perceel als de nieuw verworven gronden al meegenomen zijn bij de berekening van een eerdere omgevingsvergunning. Het is dus niet toegestaan gronden twee keer in te zetten om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit te verkrijgen. Artikel 12 Algemene bouwregels In dit artikel zijn de bouwregels voor de bestemmingen Gemengd-1 en Wonen opgenomen. Artikel 13 Algemene gebruiksregels Dit artikel geeft algemene regels met betrekking tot ongewenst gebruik van gronden die in alle gevallen opgeld doen, tenzij dit in de specifieke gebruiksregels expliciet alsnog wordt toegestaan. Artikel 14 Algemene afwijkingsregels Het bestemmingsplan als bindende verordening is opgebouwd uit objectief vastgelegde ruimtelijke begrenzingen. De mogelijkheden en onmogelijkheden voor het bouwen en het gebruik zijn nauwkeurig vastgelegd.

Die ruimtelijke en functionele begrenzing is een afgeleide van de basisgegevens van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT), stedenbouwkundige afwegingen en het bestaande gebruik. In de praktijk kunnen afwijkingen voorkomen. Ook kan, bij nieuwe ontwikkelingen, veranderde wetgeving of voorschreidend inzicht, toch behoefte zijn aan een andere maatvoering oif een andere functie van bouwwerken. Starheid van bestemmingsregels mag niet de oorzaak zijn van gekunstelde oplossingen, waarmee de kwalitatieve doelstelling van het bestemmingsplan niet gediend is. Door middel van dit artikel is enige mate van flexibiliteit mogelijk. Zo kan er een afwijking plaatsvinden voor de in het plan aangegeven maten tot ten hoogste 10%. Het toepassen van een afwijkingsbevoegdheid gebeurt altijd met inachtneming 74

bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (ontwerp)

van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht, zodat belanghebbenden de mogelijkheid tot bezwaar/beroep hebben wanneer op grond van dit artikel van het plan wordt afgeweken. Artikel 15 Overige regels Parkeren, laden en lossen Dit artikel legt een koppeling tussen de regels van het bestemmingsplan en de gemeentelijke beleidsregels voor het parkeren. De normen voor parkeren, stallen, laden en lossen zelf liggen namelijk niet vast in dit bestemmingsplan, maar in gemeentelijke beleidsregels. Die beleidsregels geven aan wanneer er sprake is van voldoende ruimte voor parkeren, stallen, laden en lossen. Uitgegaan wordt altijd van de gemeentelijke beleidsregels voor het parkeren zoals die gelden op het moment van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. 15.1.3 geeft ook aan wat als strijdig gebruik van gronden en bouwwerken is aangemerkt. Strijdig gebruik is het gebruiken of laten gebruiken van gronden of bouwwerken waarbij niet in voldoende mate ruimte is aangebracht en in stand wordt gehouden op eigen terrein voor parkeren, stallen, laden en lossen overeenkomstig het gemeentelijke beleid. Tot slot bepaalt 15.1.4 dat er afgeweken kan worden onder de voorwaarden zoals die zijn genoemd in de gemeentelijke beleidsregels voor het parkeren.

Ook hiervoor geldt dat uitgegaan dient te worden van de gemeentelijke beleidsregels voor het parkeren zoals die gelden op het moment van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. 5.2.4 Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 14 Overgangsrecht Het overgangsrecht is van toepassing op bestaande situaties (gebruik en/of bebouwing) die op het moment van het van kracht worden van dit bestemmingsplan niet passen binnen het nieuwe plan. Het overgangsrecht houdt in dat gebruik en bebouwing dat in strijd is met het nieuwe bestemmingsplan, maar al aanwezig was ten tijde van de voorgaande plannen, onder voorwaarden, mag worden voortgezet. Ook bouwwerken die op basis van een geldige omgevingsvergunning nog gebouwd mogen worden, worden onder het overgangsrecht geschaard. Het overgangsrecht is nadrukkelijk niet bedoeld voor bouwwerken die een gebruik kennen dat onrechtmatig is op het moment van het van kracht worden van dit bestemmingsplan. Er is geen sprake van legalisatie van al strijdig gebruik door dit bestemmingsplan en er kan ook nog steeds gehandhaafd worden. Ook bouwwerken die op de peildatum illegaal zijn, blijven illegaal. Artikel 15 Slotregel 75

bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (ontwerp)

Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het onderliggende bestemmingsplan. Bijlage 1 bij de regels Zoneringslijst De Zoneringslijst is opgenomen in bijlage 1 van de regels en geeft – voor zover passend binnen de bestemming – op basis van de hindercategorie aan welk type activiteiten zijn toegestaan. Activiteiten die niet in de lijst omschreven staan kunnen – voor zover passend binnen de bestemming – worden beoordeeld op basis van de hinder die ze (kunnen) veroorzaken. Vanuit milieuoverwegingen (zoals lawaai en stank) zowel als vanuit ruimtelijke overwegingen (een bedrijf met een vloeroppervlak van 90 m2 ziet er geheel anders uit dan een bedrijf met een vloeroppervlak van 350 m2) is het wenselijk niet alle werkfuncties toe te laten. Daarom is als bijlage achter de regels een zogeheten Zoneringslijst opgenomen. Deze lijst vormt het planologische toetsingskader bij het al dan niet toelaten van een nieuw bedrijf. In deze bijlage wordt uiteengezet hoe de lijst is samengesteld en hoe de toetsing aan de Zoneringslijst verloopt. Naast deze planologische toetsing vindt ook altijd een toetsing plaats aan de Wet milieubeheer (onder meer het verlenen van een milieuvergunning) wanneer een nieuw bedrijf (de wet spreekt over een inrichting) gevestigd wordt. Milieuzonering is het waar nodig ruimtelijk scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies.

De in het gebied voorkomende activiteiten zijn overeenkomstig het huidige gebruik en bouwmogelijkheden in dit bestemmingsplan opgenomen. Voor bestaande werkfuncties die een hogere milieucategorie hebben dan het bestemmingsplan toelaat worden geen uitbreidingsmogelijkheden geboden. De milieuhinder van de bedrijfsfuncties moet passen binnen de voor het gebied geldende categorieën van de zoneringslijst. Bedrijven met een hogere milieuhindercategorie zijn alleen toegestaan waar dat is aangeduid op de verbeelding.

76

bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (ontwerp)

Hoofdstuk 6 6.1

UITVOERBAARHEID

Economische uitvoerbaarheid Bij ontwikkelingen die middels het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, is het noodzakelijk aan te tonen in hoeverre de beoogde plannen financieel haalbaar zijn en wie de risicodragende partij is. In dit kader is in afdeling 6.4 Wro bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen, indien een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Hiervan kan worden afgeweken indien het verhaal van de kosten van een grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is. Met dit bestemmingsplan wordt beoogd het vigerende juridisch-planologisch kader te herzien naar aanleiding van de gewenste realisatie van circa 60 woningen met bijbehorende voorzieningen. Er is hierdoor sprake van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Daarom is het opstellen van een exploitatieplan noodzakelijk, tenzij de kosten van de ontwikkeling anderszins verzekerd zijn. De gemeente Haarlem verkoopt de gronden die behoren tot het voorliggende plangebied. als onderdeel van de koop zal tussen de gemeente en de ontwikkelpartij een anterieure overeenkomst worden gesloten waarin ingegaan wordt op het kostenverhaal. Hiermee zijn de kosten van de ontwikkeling anderszins verzekerd.

6.2

M aatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Wettelijk vooroverleg Overeenkomstig artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept van het bestemmingsplan besproken met: Hoogheemraadschap Rijnland Liander Wijkraad Scheepmakersdijk Hoogheemraadschap Rijnland Het Hoogheemraadschap heeft gereageerd dat het geen bezwaar heeft tegen de planontwikkelingen. Het Hoogheemraadschap wijst er wel op dat voor de watergerelateerde aspecten de Keur (Waterwet) 2020 van Rijnland alsmede de bijbehorende uitvoeringsregels van toepassing zijn. Voor grondwateronttrekkingen bij het realiseren van de parkeergarage dient een vergunning/melding op grond van de Waterwet te worden aangevraagd. De reactie is voor kennisgeving aangenomen. Bij de uitvoering zal rekening worden gehouden met de benodigde vergunningen/meldingen, de Keur en de uitvoeringsregels.

77

bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (ontwerp)

Liander Liander heeft gereageerd dat er rekening dient te worden gehouden met minimaal één trafostation. In de regels van voorliggend bestemmingsplan is rekening gehouden met een trafostation. OOK BOUWREGELS CHECKEN OF DIT VOLDOENDE IS VOOR WAT ER NODIG IS. Wijkraad Tussen de wijkraad en de gemeente heeft regelmatig voortgangsoverleg plaatsgevonden. Dit overleg vindt blijvend plaats.

6.2.2 Zienswijzen

6.3

Handhaving Met dit bestemmingsplan beoogt de gemeenteraad een voor de burgers duidelijk en herkenbaar ruimtelijk beleid te formuleren. Op grond daarvan mag dan ook verwacht worden dat het college van burgemeester en wethouders handhavend optreedt als iemand de regels van het bestemmingsplan niet naleeft. Immers, de ruimtelijke kwaliteit van het gebied loopt gevaar als men in strijd met het bestemmingsplan een bouwwerk bouwt of als men in strijd met het bestemmingsplan gronden of bouwwerken gebruikt. Het achterwege laten van handhaving kan ertoe leiden dat zich ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen voordoen die negatieve gevolgen hebben voor de ruimtelijke kwaliteit en de veiligheid. Daarom wordt hier het beleid over de handhaving uiteengezet en aangegeven hoe de handhaving van de bestemmingsplanregels wordt opgepakt. Volgens vaste jurisprudentie bestaat er een beginselplicht om handhavend op te treden. Dit houdt in dat, gelet op het algemeen belang dat gediend is met de handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift of regel het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moet maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen als er concreet zicht op legalisatie bestaat.

Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. De gemeente Haarlem voldoet aan deze beginselplicht door daadkrachtig en consequent op te treden. Eens in de vier jaar stelt de gemeente Haarlem een integraal handhavingsbeleid vast waarin de projecten staan aangegeven die worden opgepakt. De opzet is dat de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving niet alle illegale situaties tegelijk aanpakt, maar wel een werkbaar aantal zaken, wat een uitstralend effect zal hebben. Nieuw vastgestelde bestemmingsplannen lenen zich bij uitstek voor deze projectmatige aanpak. Uiteraard wordt bij calamiteiten altijd opgetreden. Handhaving van de regels van bestemmingsplannen vindt in de gemeente Haarlem plaats langs bestuursrechtelijke weg. Rechtszekerheid en gelijke behandeling van burgers staan hierbij voorop. Daarbij is ook communicatie belangrijk. Hier kan 78

bestemmingsplan "Fietsznfabriek" (ontwerp)

bovendien een preventieve werking van uitgaan. De gemeente brengt met name de relatie met de na te streven beleidsdoelstellingen onder de aandacht, zodat voor iedere inwoner, eigenaar en ondernemer duidelijk mag zijn hoe en wanneer het college handhaaft. Ook voor dit plangebied zal de handhaving van de kaders van het bestemmingsplan ook plaatsvinden na het verstrekken van omgevingsvergunningen voor de activiteiten 'bouwen', 'het uitvoeren van een werk' en 'het gebruiken van gronden en bouwwerken'. Want niet alleen handelingen zonder vergunning zijn onderwerp van handhaving, maar ook handelingen in afwijking van een omgevingsvergunning vormen een overtreding. Het gemeentelijk toezicht tijdens de vergunningsplichtige activiteiten is gewaarborgd doordat inspecteurs in Haarlem volgens het Landelijk Toezichtprotocol werken. Deze inspecteurs classificeren projecten volgens het protocol, waarmee zij de noodzakelijke frequentie en het niveau van de controles tijdens de bouw bepalen. De rapportage van deze controles slaan zij digitaal op. Aldus draagt het college zorg voor de handhaving van de bestemmingsplanregels.

79

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12268038/1