20210503552 2. Bijlage 1. Programmabegroting 2022 - 2026
Tekst van het document
1
2021
2022
2023
-28.577
12.895
6.611
-10.171
-45.285
-54.216
2
Exploitatiesaldo vóór toevoeging aan c.q. onttrekking uit reserves zie BBV, artikel 17c) Mutaties (im)materiële vaste activa
3
Mutaties voorzieningen
1.841
864
2.102
4
Mutaties voorraden (incl. bouwgronden in exploitatie)
2.973
7.189
-15.518
5
Verwachte boekwinst bij verkoop effecten en verwachte boekwinst bij verkoop (im)materiële vaste activa -33.934
-24.337
-61.021
Uitkomsten investeringsplan De volgende zaken zijn meegenomen als mutaties ten opzichte van de Programmabegroting 2021: • Reeds besloten ophogingen van investeringsposten of nieuwe investeringen; • Actualiseren van investeringsplanningen; • Tevens is een voorstel bijgevoegd voor aanvullende investeringen. In het onderstaande overzicht is aangegeven wat qua investeringsvolumes het verschil is tussen het investeringsplan op hoofdlijnen bij de Kadernota 2022 en dat uit deze programmabegroting (de bij deze programmabegroting nog te nemen besluiten over aanvullende investeringen zijn nog niet in onderstaande saldi verwerkt). Vergelijking investeringsplan Kadernota 2022 Dit Investeringsplan (actualisatie) Mutatie
2022
2023
2024
2025
2026
89.070 85.075 -3.995
74.173 89.602 15.429
61.332 68.951 7.619
47.979 49.781 1.802
36.996 40.827 3.831
Een verdere toelichting is opgenomen in paragraaf 1.7 Investeringen. Het investeringsplan is in zijn geheel opgenomen als bijlage 5.1 bij deze programmabegroting. Ontwikkeling schuld De vaste schuld is het totaal van langlopende leningen die de gemeente is aangegaan. In de Jaarrekening 2020 is de vaste schuldpositie geëindigd op € 462 miljoen. De prognose van de vaste schuld per eind 2021 is € 477 miljoen. In onderstaande tabel is te zien dat de verwachte schuld de komende jaren stijgt en naar verwachting € 579 miljoen bedraagt eind 2026. Deze stijging komt voornamelijk door de extra investeringen in (de groei van) de stad. Meer informatie over de schuldpositie van de gemeente is te vinden in de paragraaf 3.4 Financiering. Verloop van de vaste schuld
2021
2022
2023
2024
2025
2026
Stand vaste schuld per 1 januari
462
477
501
562
590
591
Bij (nieuw aan te trekken) Af (af te lossen)
75 60
84 60
123 62
78 50
16 15
8 20
Stand vaste schuld per 31 december
477
501
562
590
591
579
Programmabegroting 2022-2026
27
Uitkomst weerstandsvermogen Om de financiële gevolgen die samenhangen met bepaalde risico’s te kunnen opvangen houdt de gemeente weerstandscapaciteit aan. Op basis van een risico-inventarisatie binnen de organisatie wordt een risicosimulatie uitgevoerd. De risicosimulatie berekent hoeveel weerstandscapaciteit nodig is om het totaal aan (financiële) risico’s te kunnen dekken. Dit wordt weergegeven door het weerstandsvermogen.
Ratio weerstandsvermogen =
Ontwikkeling kengetallen Weerstandsratio
Beschikbare weerstandscapaciteit Benodigde weerstandscapaciteit
=
€ 33,1 miljoen € 15,9 miljoen
= 2,1
Rek. 2018
Begr. 2020
Rek. 2019
Begr. 2021
Rek.2020
Begr. 2022
2,3
2,4
2,4
1,5
1,9
2,1
De ratio weerstandsvermogen bedraagt 2,1 en is daarmee uitstekend. Als de voorgestelde mutaties van de algemene reserve worden vastgesteld door de raad leidt dit tot een verdere stijging van de ratio naar 2,2 (zie ook paragraaf 1.2 Ontwikkeling financieel kader. Ontwikkeling woonlasten In meerjarenperspectief ontwikkelen de woonlasten van een meerpersoonshuishouden zich als volgt: Lokale lastendruk
2021
2022
2023
2024
2025
2026
OZB eigenaren woningen
327
332
332
332
332
332
Rioolheffing Afvalstoffenheffing
154 412
151 413
154 408
159 408
163 408
166 408
Totaal
893
896
894
899
903
906
Woonlastenindex t.o.v. 2021
100,3%
De lokale lastendruk wordt bepaald door de tarieven van de OZB, de afvalstoffenheffing en de rioolheffing. In de navolgende tabel is de opbouw van de lokale lastendruk in Haarlem inzichtelijk gemaakt. De lokale lastendruk stijgt in 2022 gering van € 893 naar € 896 per meerpersoonshuishouden: een stijging van 0,3 %, dat is minder dan de geraamde inflatie van 1,4%. Hierin is nog geen rekening gehouden met de nog aan de raad ter besluitvorming aangeboden incidentele bestedingen uit de nota Versterkers Duurzaam doen (2021/483988). In dat voorstel is rekening gehouden met bestedingen ten behoeve van de riolering voor een bedrag van € 0,2 miljoen en een voorstel een selectie van maatregelen om SPA voort te zetten, waarbij de woonlasten afvalstoffenheffing niet stijgen ten opzichte van 2021. Voor 2022 is daarom een beroep op de algemene middelen gedaan voor een bedrag van € 870.000. Het dekkingspercentage voor de afvalstoffenheffing daalt hierdoor naar afgerond 97%.
Programmabegroting 2022-2026
28
Met inachtneming van deze voorstellen kunnen de woonlasten als volgt worden weergegeven: Lokale lastendruk incl. versterkers
2021
2022
2023
2024
2025
2026
OZB eigenaren woningen Rioolheffing
327 154
332 154
332 157
332
332 166
332 168
Afvalstoffenheffing Totaal
412 893
412 898
412 901
412 910
412 912
Woonlastenindex t.o.v. 2021
161 412 905
100,5%
1.5 Bezuinigingen Invullen taakstelling cultuur Bij de Programmabegroting 2020 is een taakstelling vastgesteld “effectiever accommodatiegebruik culturele instellingen” van € 250.000 voor 2022 en verder. Voor deze bezuiniging moeten nog maatregelen worden aangewezen. Op dit moment kan er voor € 80.000 structureel worden ingevuld met concrete maatregelen te weten het sluiten van de Stationsbibliotheek. Voor € 170.000 (€ 250.000 min € 80.000) is er nog geen invulling. In goed overleg met de instellingen zal voor latere jaren gewerkt worden aan voorstellen om de resterende € 170.000 te realiseren. Bij de Kadernota 2023 wordt opnieuw de balans opgemaakt over de mogelijke scenario’s. Om ruimte te scheppen voor het creëren van werkbare maatregelen om de restantbezuiniging in te vullen, is voorstel om de restantmiddelen cultuur inzake corona in zowel 2022 als in 2023 voor € 170.000 (in totaal derhalve € 340.000) te benutten.
1.6 Gevolgen van de coronacrisis Effecten coronacrisis prognose 2022 Bij de Voortgangsrapportage 2021 is besloten voor 2022 uit te gaan van € 3 miljoen uitgaven inzake steunmaatregelen coronacrisis en € 2 miljoen compensatie door andere overheden. Zoals het er nu uitziet, lijken er afgezien van incidentele situaties geen noodsteunmaatregelen meer nodig. Daarnaast heeft de gemeente nog de risicoreserve corona die in 2020 is gevormd in verband met de onzekerheden rondom coronacrisis. Deze reserve heeft een actuele stand van € 1,5 miljoen. Gelet op de actuele ontwikkelingen en de verwachting dat we vanaf eind september 2021 weer naar het nieuwe normaal gaan is het de vraag of de risicoreserve en het nadeel van per saldo € 1 miljoen in 2022 als raming moet blijven staan. Voorstel is de begrote lasten (€ 3 miljoen) en baten (€ 2 miljoen) inzake coronacrisis te schrappen, hetgeen een voordeel oplevert van € 1 miljoen in 2022. Er zijn echter ook onzekerheden door de onbekendheid van het deltavirus en andere mutanten maar ook voor wat betreft de vraag hoe rijksvergoedingen daadwerkelijk uitpakken. Een buffer is daarom nodig en daarom blijven de risicoreserve coronacrisis en de reserve steunmaatregelen coronacrisis voorlopig in stand. Een aantal voorstellen uit de paragraaf corona in de Bestuursrapportage 2021 werkt door naar de jaren 2022 en verder.
Om die reden worden deze voorstellen ook in deze Programmabegroting 2022 vermeld. Voor alle hieronder vermelde voorstellen geldt dat onttrekkingen aan de reserve steunmaatregelen coronacrisis in 2022 plaatsvinden onder de voorwaarde dat de gemeenteraad instemt met de voorstellen uit de paragraaf corona in de Bestuursrapportage 2021.
Programmabegroting 2022-2026
29
Budgetoverheveling aanpak van armoede en schulden In de decembercirculaire 2020 zijn incidentele middelen ontvangen ter dekking van de verwachte toenemende druk op de schulddienstverlening door de gevolgen van coronacrisis. Het gedeelte van deze middelen bestemd voor uitbreiding van het team budgetcoaches (€ 129.000) wordt nog niet in 2021 ingezet. Door de verlenging van de landelijke steunmaatregelen en de meer gunstige economische ontwikkeling dan eerder verwacht, is de druk op de budgetcoaching naast de huidige extra aanpak nog niet dermate opgelopen dat deze middelen in 2021 nodig zijn. Verwacht wordt dat dit effect wel optreedt als de landelijke steunmaatregelen aflopen. Om die reden is bij de Bestuursrapportage 2021 voorgesteld deze budgetten over te hevelen naar 2022 door in 2021 € 129.000 toe te voegen aan de reserve budgetoverheveling en dit bedrag in 2022 weer aan deze reserve te onttrekken. Budgetoverheveling incidentele middelen re-integratie In de Decembercirculaire 2020 zijn incidentele middelen ontvangen ter dekking van de verwachte toenemende druk op de re-integratie door de gevolgen van coronacrisis. In de Voortgangsrapportage 2021 zijn deze toegevoegd aan de begroting van beleidsveld werk. Het gaat om € 694.000 ter dekking van aanvullende re-integratiekosten en € 370.000 voor de impuls re-integratie.
Door de verlenging van de landelijke steunmaatregelen en de meer gunstige economische ontwikkeling dan eerder verwacht, is de druk op de re-integratie naast de huidige extra aanpak nog niet dermate opgelopen dat ook deze middelen in 2021 nodig zijn. Verwacht wordt dat de druk wel oploopt als de landelijke steunmaatregelen per 1 oktober 2021 aflopen. Om die reden is bij de Bestuursrapportage 2021 voorgesteld deze budgetten over te hevelen naar 2022. Dat wordt geëffectueerd door deze middelen in 2021 toe te voegen aan de reserve budgetoverheveling en in 2022 weer daaraan te onttrekken. Startbanenplan (leerwerktrajecten met baangarantie) In de Bestuursrapportage 2021 is voorgesteld om voor de uitvoering van een startbanenplan € 400.000 te onttrekken aan de reserve steunmaatregelen corona. Werkzoekenden met een zeer grote afstand tot de arbeidsmarkt, die met de reguliere re-integratie instrumenten niet aan het werk komen, kunnen door middel van dit startbanenplan met inzet van een tijdelijke loonkostensubsidie op betaald werk bij -reguliere- werkgevers worden geplaatst. Door de combinatie van intensieve begeleiding door het Participatiebedrijf en een gesubsidieerde werkervaringsplaats bij een reguliere werkgever voor een periode van maximaal 12 maanden, kunnen 15 tot 20 mensen daarna duurzaam aan het werk. De uitvoering van dit plan loopt door in 2022.
Voor 2022 is een onttrekking van € 330.000 nodig. Uitvoeringskosten Tozo (2022 en verder) Bij de Decemberrapportage 2020 is besloten om overschotten op de rijksvergoeding van de uitvoeringskosten Tozo te reserveren ter dekking van kosten in komende jaren. Op grond daarvan is bij de Bestuursrapportage 2021 voorgesteld het geraamde resultaat op de uitvoeringskosten van dit jaar (bedrag eind 2021 te bepalen) opnieuw te doteren aan de reserve steunmaatregelen corona. De komende jaren volgen er geen rijksvergoedingen meer en zullen de resterende uitvoeringskosten Tozo gedekt worden door onttrekkingen aan de reserve corona steunmaatregelen. Het is nog onzeker hoe lang de uitvoeringskosten zich precies zullen blijven voordoen. Voorstel is de verwachte kosten voor de komende jaren (€ 764.000 in 2022 en in 2023 en 2024 € 218.000) te ramen als voorgenomen onttrekking aan de reserve. De komende jaren zal de prognose van de uitvoeringskosten Tozo jaarlijks bijgesteld worden op basis van de dan geldende inzichten en vindt onttrekking plaats op basis van werkelijk gemaakte kosten.
Programmabegroting 2022-2026
30
Programmasubsidies cultuur Met het nieuwe Cultuurplan wordt voorgesteld om in 2022-2024 met behulp van programmasubsidies de ambities voor het cultuurbeleid te realiseren en tegelijkertijd daarmee te werken aan het herstel van de hele culturele sector van Haarlem. In de periode 2022-2024 is hier jaarlijks € 500.000 voor nodig. Subsidies zullen verstrekt worden via het Cultuurstimuleringsfonds, aan de hand van een nog uit te werken subsidieregeling. Bij de Bestuursrapportage 2021 wordt voorgesteld de niet-bestede corona middelen die eerder van het Rijk zijn ontvangen inzake cultuur voor in totaal € 1,5 miljoen in te zetten voor deze programmasubsidies (€ 500.000 in 2022, 2023 en 2024). In de Bestuursrapportage 2021 wordt hiervoor € 1.500.000 gedoteerd aan de reserve steunmaatregelen corona. Voorstel is deze middelen in 2022, 2023 en 2024 te onttrekken aan deze reserve mits de raad instemt met het voorstel bij de Bestuursrapportage 2021.
1.7 Investeringen Algemene uitgangspunten met betrekking tot het Investeringsplan 2022-2026 In dit Investeringsplan 2022-2026 (verder: investeringsplan) zijn alle investeringen die reeds waren opgenomen bij de Programmabegroting 2021 en de investeringen die zijn toegevoegd bij de Kadernota 2022, op basis van de meest recente planningen waar nodig opnieuw in de tijd gezet. Verder is een voorstel opgenomen voor een aantal nieuwe of hogere investeringen. Op veel fronten zijn investeringen geprognosticeerd in verband met de doelstelling om in stand te houden wat er aan bezittingen en infrastructuur in de stad is. Denk daarbij bijvoorbeeld aan sport, onderwijshuisvesting, fysiek domein en bedrijfsvoering. Investeringen zijn allereerst nodig omdat activa aan het einde van hun levensduur zijn. Haarlem wil ook in de toekomst een aantrekkelijke stad blijven, dat betekent dat het noodzakelijk is de staat van de stad op niveau te houden. Door tijdig vervangingsinvesteringen te doen, wordt er geen claim op de toekomst gelegd door achterstallig onderhoud en blijft de infrastructuur van de stad up-to-date en aantrekkelijk. Achterstallig onderhoud kan daarbij tot extra onderhoudskosten leiden. Het is verstandig om vervangingen op tijd te ramen rekening houdend met de budgettaire ruimte die er is. Dit investeringsplan is vanuit deze gedachte opgesteld.
In het voorgestelde pakket investeringen zijn ook nieuwe of hogere investeringen meegenomen voor in totaal € 97 miljoen (zie onder kopje 2.3 voor specificatie) waarbij er met name na 2023 wordt geïnvesteerd. Het totaal aan aangevraagde nieuwe investeringen is hoger en bedraagt € 162 miljoen. Bij de selectie van nieuwe investeringen spelen de volgende overwegingen een rol: Gunstige ontwikkeling netto schuldquote Gedurende de afgelopen jaren werd de ruimte voor nieuwe investeringen begrensd vanuit de netto schuldquote (NSQ). Deze begrenzing lijkt komende jaren niet (actief) aan de orde, er is voldoende ruimte is onder het gestelde maximum van 120%. Dat komt omdat de inkomende gelden hoger zijn dan gedacht. Belangrijke reden hiervoor is bijvoorbeeld dat de gelden vanuit de Investeringsimpuls al zijn overgemaakt door het Rijk terwijl de uitgaven in latere jaren zullen plaatsvinden. Hierdoor hoeft er minder vreemd vermogen te worden aangetrokken hetgeen een positief effect heeft op de schuldpositie op korte termijn en daarmee op de NSQ. Verder zijn de betalingen lager of later dan eerder in de liquiditeitsprognose voorzien. Het achterblijven van investeringen is daarbij een verklarende factor. In paragraaf 3.4 Financiering is een actuele berekening van de NSQ opgenomen.
Op basis van deze berekening kan de conclusie worden getrokken dat de NSQ voor nu niet de belangrijke knelpuntfactor is voor de investeringsvoornemens van de gemeente. Het is niet zeker of de NSQ op lange termijn weer een knelpuntfactor wordt. Programmabegroting 2022-2026
31
Onzekerheid budgettair kader Bij de Kadernota 2022 was de insteek dat er bij de Programmabegroting meer duidelijkheid kon zijn over de effecten van rijksbeleid op de gemeentebegroting. Op het moment dat deze begroting wordt uitgewerkt, is het beeld dat de onzekerheid gaat voortduren en er op korte termijn geen kabinetsvoorstellen komen die het gemeentefonds betreffen. Alles schuift door naar het volgende kabinet. Dat maakt het prematuur om nu al over alle jaarschijven van het investeringsplan voorstellen te doen en besluiten te nemen. Voorstel is om als hoofdlijn aan te houden dat er alleen voor investeringen die starten in de eerste jaarschijf 2022 bij deze programmabegroting besluiten worden genomen en de besluitvorming over de overige jaren door te schuiven naar de Kadernota 2023. Dan moet er een nieuw kabinet zitten en daardoor ook meer duidelijkheid zijn over de budgettaire ruimte de komende jaren. Dat betekent dat voorstel is de aangedragen nieuwe investeringen voor de jaarschijven 2023 en verder het karakter te geven van een groslijst. Het is dan aan de nieuwe coalitie en nieuwe gemeenteraad om op basis van de dan beschikbare informatie over het gemeentefonds het investeringsplan voor die jaarschijven te concretiseren.
Bij deze algemene lijn geldt een paar kanttekeningen/uitzonderingen: - Vervangingsinvesteringen vanaf 2023 worden wel opgenomen Het beleidskader is om vervangingen tijdig uit te voeren om kwaliteit en veiligheid activa te garanderen en dus de bestaande bezittingen en infrastructuur in tact blijft. Dat betekent dat er bij dit soort investeringen feitelijk beperkt keuze is: niet vervangen betekent het creëren van kapitaalvernietiging of achterstallig onderhoud. - Reservering voor onderwijshuisvesting vanwege meerjarige afspraken Van de investeringen in onderwijshuisvesting is besloten dat er meerjarige afspraken met schoolbesturen worden gemaakt er een lange planningshorizon noodzakelijk is. Hierdoor kan niet zomaar van de planning worden afgeweken en moet al tijdig duidelijkheid zijn over de mogelijkheden om te investeren na 2023. Er zijn lange doorlooptijden voordat een investering in gang kan worden gezet; - Reservering noodzakelijk voor cofinanciering In het investeringsplan worden middelen gereserveerd (drie keer € 15 miljoen) om cofinanciering te kunnen inbrengen als er substantieel middelen vanuit andere overheden ter beschikking worden gesteld in het kader van een bereikbare stad. Om in aanmerking te komen voor cofinanciering is het zichtbaar beschikbaar hebben van eigen bijdrage randvoorwaardelijk. Ook bij dit onderwerp spelen lange doorlooptijden een rol.
Vanwege de verwachte overlappende doelstellingen tussen ‘bereikbare steden’ en de SOR is de verwachting dat met deze middelen ook de SOR ambities kunnen worden ingevuld, waardoor vooralsnog de voor 2026 benodigde SOR middelen worden geïntegreerd in de investeringen bereikbare stad voor het jaar 2026. Onder het kopje 2.3 wordt een voorstel gedaan van investeringen die vanuit deze lijn in het investeringsplan kunnen worden opgenomen. Daarbij wordt aangegeven welke kapitaallasten daar uit voortvloeien en wat het gevolg is voor het financieel beeld. Kapitaallasten van nieuwe investeringen uit de groslijst die niet aan deze criteria voldoen, worden nu logischerwijs niet meegenomen maar maken onderdeel uit van de afwegingen bij de Kadernota 2023. Door deze nieuwe of hogere investeringen wordt de infrastructuur toekomstbestendig gemaakt Programmabegroting 2022-2026
32
passend bij het ambitieniveau van een stad als Haarlem. Concreet: de nodige verbeteringen in de fysieke infrastructuur worden voorgesteld maar ook bijvoorbeeld investeringen om de maatschappelijke(denk aan onderwijs, sport, enz.) en culturele infrastructuur op orde te houden. Duurzaam doen Het streven is om duurzaamheid bij het afwegen van de investeringen een belangrijk element te maken. Het was de ambitie om bij deze programmabegroting de duurzaamheidseffecten van nieuwe investeringen heel concreet te maken in CO2 footprints en reductieplannen. In de praktijk blijkt dat investeringen, wanneer deze worden aangedragen voor het Investeringsplan, vaak nog niet zo ver zijn uitgewerkt om al een duurzaamheidseffect te kunnen doorrekenen. Dit terwijl duurzaamheidsmaatregelen vaak wel een aanvankelijk hogere investering vragen, die op langere termijn wordt terug verdiend door directe besparingen, milieuvoordeel, een langere levensduur en/of een restwaarde aan het eind van de levensduur. Het risico bestaat dat wanneer op een later moment in de uitwerking van plannen deze kosten wel in beeld zijn, de dan gevraagde hogere investeringsbedragen moeten concurreren met andere nieuwe investeringen of dat er geen ruimte voor is binnen het financieel kader.
Het is daarom nodig een manier te creëren waarmee op een later moment investeringsbedragen kunnen worden opgehoogd om de kosten van duurzaamheidsmaatregelen te kunnen betalen. Het voorstel is om in het Investeringsplan een nader te bepalen bedrag per jaar te ramen voor extra investeringen in duurzaamheid. Op die manier wordt in het financieel beeld al rekening gehouden met de hogere kapitaallasten voor duurzaamheid en kan bij kredietaanvragen makkelijk ruimte worden geboden voor extra investeringen in duurzaamheid door een bedrag te verschuiven van de stelpost naar het krediet. Op dit moment is niet concreet aan te geven om welk bedrag het zou moeten gaan. De inschatting is dat vooralsnog kan worden volstaan met een oplopend bedrag, dat uiteindelijk groeit tot € 1 miljoen per jaar (2022: € 250.000, 2023: € 500.000, 2024 en verder: € 1.000.000). De verwachting is niet dat in de eerste jaren vanuit de nu lopende investeringen al veel hogere uitgaven komen. De meeste investeringen zullen daarvoor óf al te ver onderweg zijn (toevoeging niet meer mogelijk) óf nog niet ver genoeg zijn (toevoeging wel mogelijk maar uitvoering pas over twee of drie jaar). Het opnemen van een dergelijke stelpost past binnen het financiële kader gezien het huidige beeld van realisatie en ontwikkeling van de NSQ.
Indien blijkt dat op korte termijn toch hogere investeringen in duurzaamheid zijn te realiseren, kan het budget worden opgehoogd vanuit de stelpost kapitaallasten (zie kopje 2.2). In het vervolg van deze paragraaf komt aan de orde: - Een toelichting op de actualisatie van het investeringsplan zoals eerder goedgekeurd (Programmabegroting 2021 en Kadernota 2022) en het effect van de bijstellingen op de geraamde kapitaallasten; - Voorstellen waarvoor besluitvorming noodzakelijk is (met name vanwege hogere of nieuwe investeringen).
Programmabegroting 2022-2026
33
1. Actualisatie van het investeringsplan 1.1 Realistisch plannen van voorgenomen investeringen Als geplande investeringen niet doorgaan, wordt er ten onrechte schaarse investeringsruimte geclaimd. Dat maakt dat extra goed gekeken is naar de vraag in hoeverre er realistisch wordt gepland. Met de kennis over de voortgang van investeringen tot medio 2021 is opnieuw gekeken naar de planning van investeringen voor 2021 en verder. Dit heeft geleid tot een bijgestelde, meer gelijkmatige planning van investeringen door de jaren. De geraamde investeringsbedragen voor 2021 en verder zijn opnieuw bekeken en in de tijd gezet met een verschuiving naar 2022 en verder tot gevolg. 1.2 Verschuiving van uitgaven van Investeringsplan naar exploitatie (begroting) Vanwege de voor gemeenten geldende regels voor investeringen (Besluit Begroting en Verantwoording of BBV) moet een uitgave die in de exploitatie was begroot, als investering worden verantwoord. Dit gaat om een verschuiving van € 185.000 vanuit het onderhoudsbudget van de Havendienst naar het Investeringsplan. Het gaat hierbij om het plaatsen van camera’s als onderdeel van de centrale afstandsbediening voor bruggen. Omdat deze verschuiving ook inhoudt dat de uitgaven niet meer binnen de budgetbevoegdheid van het college maar onder de kredietbevoegdheid van de raad vallen, is bij deze programmabegroting een kredietbesluit opgenomen.
In dit besluit wordt ook de laatste € 50.000 van het budget waarvoor nog geen krediet is verleend, meegenomen. 1.3 Specificatie van SOR stelposten in het investeringsplan Het bieden van adequate onderwijshuisvesting is een wettelijke taak. Bij de Programmabegroting 2021 is een budget van € 17 miljoen in het Investeringsplan opgenomen om de komende jaren te investeren in onderwijshuisvesting. De totale berekende opgave voor onderwijshuisvesting was op dat moment al hoger. Om voor de komende jaren voldoende middelen beschikbaar te hebben voor vervanging en uitbreiding van onderwijshuisvesting is een aanvullende reservering noodzakelijk. Vooralsnog wordt bij deze programmabegroting het gevraagde bedrag van € 7 miljoen voor 2023 opgenomen, en voor de jaren 2024 en verder met respectievelijk € 7,5 miljoen, € 10 miljoen en € 15 miljoen steeds de helft van het gevraagde bedrag. Met deze aanvulling op de al in het investeringsplan beschikbare bedragen voor 2023 en 2024 kunnen meerjarige afspraken worden gemaakt en kunnen verdere uitbreidingen en vervangingen in gang worden gezet. Op basis van het dan bekende financiële kader, de verwachte voortgang van de groei van de stad en het tempo van investeringen in onderwijshuisvesting kan bij de Kadernota 2023 worden besloten tot een verdere aanvulling op deze budgetten.
1.4 Verbreding reikwijdte IP post ICT.01 ‘vervanging ICT’ De stelpost ‘vervanging ICT’ heeft in het IP een kredietstatus B, wat inhoudt dat het college bevoegd is om ten laste van deze stelpost kredieten te verlenen voor vervangingen op ICT gebied. Omdat het bij investeringen in ICT niet altijd gaat om één op één vervangingen en ook uitbreidingen of verbeteringen van hardware en systemen noodzakelijk zijn voor een goede bedrijfsvoering, wordt de titel van deze IP post met ingang van dit Investeringsplan gewijzigd in ‘vervanging en uitbreiding ICT’. Dat houdt in dat het college met ingang van 2022 bevoegd is tot het verlenen van kredieten voor vervangings- én uitbreidingsinvesteringen op het gebied van ICT, binnen de budgetten die de raad hiervoor in het investeringsplan opneemt. Omdat deze bevoegdheid nog niet gold voor de uitbreiding van het datacenter in 2021, wordt collegebesluit 2021/176574 om te investeren in een uitbreiding van het data center bij deze programmabegroting bekrachtigd met een kredietbesluit door de raad.
Programmabegroting 2022-2026
34
1.5 Bijgesteld investeringsplan en gevolgen voor begrote kapitaallasten Na de actualisatie en de verwerking van eerdere besluiten is het investeringsplan op hoofdlijnen als volgt. Tabel: investeringsplan op hoofdlijnen Programma 1 Maatschappelijke participatie 2 Ondersteuning en Zorg 4 Duurzame Stedelijke Vernieuwing 5 Beheer en Onderhoud 6 Burger, Bestuur en Veiligheid 7 Alg. Dekkingsmiddelen & Overhead Eindtotaal
2021 24.253 225 3.526 25.842 38 2.342 56.225
2022 23.852 2.800 3.385 50.857 100 4.082 85.075
2023 18.111 0 3.597 63.764 50 4.080 89.602
2024 8.194 0 3.718 51.609 0 5.430 68.951
2025 1.821 0 4.342 40.658 0 2.960 49.781
2026 1.846 0 1.000 35.105 0 2.876 40.827
De grootste investeringen vallen onder de programma’s 1 (maatschappelijke participatie) en 5 (beheer en onderhoud). In programma 1 gaat het om investeringen in onderwijshuisvesting en sportcomplexen en -accommodaties. Programma 5 bevat de investeringen in de openbare ruimte, waaronder riolering en de investeringsbudgetten voor de Structuurvisie Openbare Ruimte (SOR). Deze actualisatie geeft het zelfde beeld als eerdere actualisaties. Een deel van de voorgenomen investeringen in het loopjaar (2021) zullen niet in dit jaar worden gerealiseerd en schuiven door naar latere jaren. Dit leidt in de komende jaren tot investeringsvolumes die op of boven het dubbele liggen van de bestedingen in de afgelopen jaren. Er ligt nog een grote opgave om te zorgen voor een tijdige realisatie van deze investeringen. Tabel: investeringsplan op hoofdlijnen, Kadernota 2022 Programma 1 Maatschappelijke. participatie 2 Ondersteuning en Zorg 4 Duurzame Stedelijke Vernieuwing 5 Beheer en Onderhoud 6 Burger, Best en Veiligheid 7 Alg. Dekkingsmidd. & Overhead Eindtotaal
2021
2022
2023
2024
2025
2026
30.630 225 3.606 36.110 38 4.308 74.916
23.636 1.800 3.805 56.955 100 2.775 89.070
12.809 0 3.097 54.687 50 3.530 74.173
7.094 0 3.718 45.090 0 5.430 61.332
1.821 0 5.418 37.780 0 2.960 47.979
1.846 0 1.000 31.290 0 2.860 36.996
Het totaal saldo aan geraamde investeringen in 2021 is gedaald van € 75 miljoen bij de Kadernota 2022 naar € 56 miljoen in deze programmabegroting. De totale raming voor 2022 is licht gedaald van € 89 miljoen naar € 85 miljoen. De per saldo grootste verschuiving is naar 2023, in dat jaar stijgen de totale voorgenomen investeringen van € 74 miljoen naar € 89 miljoen.
Programma 1 Maatschappelijke participatie 2 Ondersteuning en Zorg 4 Duurzame Stedelijke Vernieuwing 5 Beheer en Onderhoud 6 Burger, Bestuur en Veiligheid 7 Alg. Dekkingsmiddelen & Overhead Eindtotaal
Mutatie 2021 -6.377 0 -80 -10.268 0 -1.966 -18.691
Mutatie 2022 216 1.000 -420 -6.098 0 1.307 -3.995
Mutatie 2023 5.302 0 500 9.077 0 550 15.429
Mutatie 2024 1.100 0 0 6.519 0 0 7.619
Mutatie 2025 0 0 -1.076 2.878 0 0 1.802
Mutatie 2026 0 0 0 3.815 0 16 3.831
De actualisatie heeft geleid tot een duidelijk zichtbare verschuiving van investeringen, per saldo vooral van 2021 naar met name 2023 en in mindere mate naar 2024. Programmabegroting 2022-2026
35
De wijzigingen in het investeringsplan werken door in de begrote rente- en afschrijvingslasten. Deze zijn nu als volgt: Kapitaallasten Kapitaallasten: Waarvan kapitaallasten riolering Waarvan kapitaallasten reserve MN Waarvan afschrijving gedekt uit reserves Resultaat exploitatie agv verschuiving exploitatie - IP Totaal
2022 44.418 -6.126 -1.126 -145 -185 36.836
2023 48.390 -6.406 -1.229 -345 0 40.410
2024 52.924 -6.906 -1.326 -345 0 44.348
2025 55.478 -7.361 -1.436 -345 0 46.335
2026 57.275 -7.614 -1.546 -345 0 47.770
Dit betekent de volgende mutatie ten opzichte van de begrote kapitaallasten bij de Kadernota 2022: Tabel: mutatie in kapitaallasten t.o.v. Kadernota 2022
Mutatie lasten uit investeringen (negatief is voordeel) Mutatie kapitaallasten: Waarvan mutatie kapitaallasten riolering -
Waarvan mutatie kapitaallasten reserve MN
-
Waarvan mutatie gedekt uit reserves
Subtotaal: effect mutatie kapitaallasten Resultaat exploitatie agv verschuiving exploitatie - IP Totaal saldo effect begroting
2022 -730 91
2023 -732 130
2024 35 106
2025 439 86
2026 534 40
26
33
33
33
33
-145
-345
-345
-345
-345
-757 -185 -942
-914 0 -914
-170 0 -170
213 0 213
262 0 262
(leeswijzer: min betekent lagere lasten)
Waar kapitaallasten worden verrekend met de vereveningsreserve voor de rioolheffing, de reserve kapitaallasten maatschappelijk nut of de reserve opvang, wonen en herstel hebben deze mutaties geen effect op het begrotingssaldo. De kapitaallasten zijn na de actualisatie lager dan was begroot bij de Kadernota 2022. Doordat de geraamde investeringen van 2021 deels zijn verschoven naar 2023, ontstaan in 2022 en 2023 lagere begrote kapitaallasten. Doordat de doorgeschoven investeringen in 2023 en 2024 worden gedaan, zijn de kapitaallasten met ingang van 2025 weer hoger dan bij de Kadernota 2022 was begroot. Deze kapitaallasten zijn, ook om een goede vergelijking te kunnen maken met de lasten uit de kadernota, berekend met 2% omslagrente. Ten behoeve van de vergelijkbaarheid wordt de aanpassing van de omslagrente naar 1% en het effect daarvan derhalve elders in de programmabegroting beschreven. 2. Wijzigingen waarover nog besluitvorming plaats moet vinden 2.1 Stelpost kapitaallasten Kadernota 2022 Bij de actualisatie van het investeringsplan bij de Kadernota 2022 bleken de verwachte kapitaallasten voor 2022, 2023 en 2024 lager te zijn dan eerder was begroot. Dit is bij de kadernota niet gepresenteerd als voordeel, maar als stelpost opgenomen voor latere invulling. Het gaat om incidenteel € 0,7 miljoen in 2022, € 1,1 miljoen in 2023 en € 0,2 miljoen in 2024.
In deze programmabegroting wordt voorgesteld deze bedragen te laten vrijvallen voor zover deze nodig zijn om kapitaallasten af te dekken van investeringen waartoe nu wordt besloten om deze op te nemen in het investeringsplan. Daarna blijft in 2022 en 2023 een deel van de stelpost over omdat de nieuwe investeringen weinig kapitaallasten geven in die jaren. Voor zover niet nodig ter dekking Programmabegroting 2022-2026
36
van kapitaallasten, blijven de bedragen voor deze jaren op de stelpost gereserveerd om later te kunnen worden ingezet als blijkt dat sneller kan worden geïnvesteerd in duurzaamheidsmaatregelen. Omdat de stelpost maar een beperkt bedrag bevat voor 2024 en geen bedragen voor de jaren 2025 en verder, is de dekking voor kapitaallasten vanuit deze stelpost overigens beperkt. Onder kopje 2.4 is het financieel effect in de tabel weergegeven. 2.3 Aanvullende investeringen In aanvulling op het geactualiseerde investeringsplan worden de volgende investeringen voorgesteld. Deze zijn als onvermijdelijk aan te merken én kunnen qua besluitvorming niet wachten tot de kadernota volgend jaar. Per investering is aangegeven of sprake is van een wettelijke taak, of het gaat om een vervangingsinvestering en of er aantoonbare duurzaamheidsvoordelen zijn verbonden aan de investering.
Programma 1 Onderwijshuisvesting (gedeeltelijke reservering) IKC Wijde Wereld (2021/154036) Stelpost sportvelden Programma 4 Cultuur Vervangingsinvesteringen cultuurpodia Ontwikkeling Bereikbare steden Gebiedsontwikkeling Wonen Actieplan woonwagens (2021/0133105) Programma 5 Openbare ruimte Parkeergarages apparatuur Parkeergarages speedgates Wilhelminastraat (basis) Stelpost duurzaamheid Natuurontwikkeling Gemeentelijk bezit Nieuw Havenkantoor (2021/290818) Totaal voorgestelde nieuwe en hogere investeringen
Wettel.
Verv.
Duurz.
2022
2023
2024
2025
2026
Totaal
Ja
Deels
Deels
7.000
7.500
10.000
15.000
39.500
Nee
Nee
nnb
Nee
Ja
nnb
60
Nee
Ja
nnb
1.200
Nee
Nee
nnb
950
950
pm
pm
15.000 pm
15.000 pm
60
120
1.200
15.000 pm
45.000 pm
Ja
Nee
nnb
150
600
750
Ja Ja Nee
Ja Nee Ja Deels
nnb nnb nnb Ja
350 120 250 250 pm
370 500 500 pm
350 490 4.650 3.750 pm
Ja
Ja
nnb
1.900 1.000 pm
2.000 1.000 pm
1.000 pm
850
2.070
9.820
850
25.400
29.260
31.060
97.610
Korte toelichting per investering Onderwijshuisvesting (onvermijdelijk) Het bieden van adequate onderwijshuisvesting is een wettelijke taak. Bij de Programmabegroting 2021 is een budget van € 17 miljoen in het investeringsplan opgenomen om de komende jaren te investeren in onderwijshuisvesting. De totale berekende opgave voor onderwijshuisvesting was op dat moment al hoger. Om voor de komende jaren voldoende middelen beschikbaar te hebben voor vervanging en uitbreiding van onderwijshuisvesting is een aanvullende reservering noodzakelijk. Programmabegroting 2022-2026
37
Vooralsnog wordt bij deze programmabegroting het gevraagde bedrag van € 7 miljoen voor 2023 opgenomen, en voor de jaren 2024 en verder met respectievelijk € 7,5 miljoen, € 10 miljoen en € 15 miljoen steeds de helft van het gevraagde bedrag. Met deze aanvulling op de al in het investeringsplan beschikbare bedragen voor 2023 en 2024 kunnen meerjarige afspraken worden gemaakt en kunnen verdere uitbreidingen en vervangingen in gang worden gezet. Op basis van het dan bekende financiële kader, de verwachte voortgang van de groei van de stad en het tempo van investeringen in onderwijshuisvesting kan bij de Kadernota 2023 worden besloten tot een verdere aanvulling op deze budgetten. IKC Wijde Wereld (niet onvermijdelijk, beslissing wel nu nodig) Omdat het gaat om realisatie in 2021 / 2022 kan besluitvorming over het wel of niet opnemen van middelen voor het IKC niet wachten tot de kadernota volgend jaar. Stelpost sportvelden (onvermijdelijk) De stelpost sportvelden bevat tot nu toe middelen voor het vervangen van met zand ingestrooide kunstgrasvelden. Als een vereniging een extra investering doet in de aanleg van een semi- of waterveld vervangt de gemeente aan het einde van de technische en financiële afschrijftermijn (na 10 jaar) de toplaag voor eenzelfde toplaag.
Dit betekent dat met ingang van 2025 de jaarlijkse stelpost voor de vervanging van sportvelden met €60.000 moet worden verhoogd. Vervangingsinvesteringen cultuurpodia (onvermijdelijk) In 2012 is het eigenarenonderhoud voor de podia overgedragen aan de podia (raadsbesluit STZ/MGTReg.nr. 371423). Na deze overdracht werden de podia in zijn geheel verantwoordelijk voor al het onderhoud en de vervangingen van de panden, waarbij de gemeente verantwoordelijk blijft voor de beschikbaarstelling van middelen voor de vervangingsinvesteringen. Voor de in 2025 verwachte vervangingen is een aanvulling op de bestaande reservering nodig van € 1,2 miljoen. Bereikbare steden (niet onvermijdelijk, wel noodzakelijk voor cofinanciering) Er ligt een grote opgave om voor betaalbare woningen te zorgen. Haarlem werkt aan een betere verdeling en bereikbaarheid van wonen en werken in het traject ‘Bereikbare Steden’, onderdeel van het rijks- en regioprogramma SBaB (Samen Bouwen aan Bereikbaarheid). Om kans te maken dat het rijk en andere partijen hier financieel aan bijdragen, moet in het IP een substantiële reservering voor cofinanciering Bereikbare Steden worden opgenomen. Voorgesteld wordt de kapitaallasten van deze investeringen gedeeltelijk te dekken door een bijdrage uit de reserve Groei van € 150.000 vanaf 2025 en vanaf 2026 € 600.000 structureel.
Actieplan woonwagens (onvermijdelijk) Met het actieplan Woonwagens geeft de gemeente invulling aan de oproep uit het Rijksbeleidskader gemeentelijk woonwagen en standplaatsenbeleid om de woonwagencultuur te erkennen en het beleid over woonwagenstandplaatsen te herzien. Het actieplan beschrijft tien acties. Twee van deze acties, het maken van toegangen en het uitbreiden of herinrichten van standplaatsen, zijn investeringen. Gebiedsontwikkeling In het kader van gebiedsontwikkeling zijn extra investeringen noodzakelijk. In de drie prioritaire zones Europaweg, Zuidwest en Oostpoort is sprake van een onrendabele top en is hiervoor in het Investeringsprogramma extra investeringsruimte opgenomen voor de eigen bijdrage van de gemeente (Oostpoort en Europaweg). Voor de overige geplande gebiedsontwikkelingen zijn ook investeringen van de gemeente noodzakelijk, die mogelijk niet volledig verhaalbaar zijn op de gebiedsontwikkeling. Daarnaast zijn omvangrijke investeringen noodzakelijk in bovenwijkse voorzieningen om de gewenste groei van Programmabegroting 2022-2026
38
Haarlem mogelijk te maken die voor een klein deel (13%) uit de bijdrage reserve bovenwijkse voorzieningen betaald worden. Voor de resterende 87% is er geen dekking uit de reserve en deze vragen andere bronnen waaronder extra investeringsruimte. De hoogte en planning van de investeringsbedragen is nog niet concreet genoeg in beeld om mee te nemen in dit investeringsplan en is ook afhankelijk van de politieke keuzen bij de uitwerking van gebiedsvisies en het uitvoeringstempo. Om die reden is deze post pm geraamd. Parkeergarages apparatuur (onvermijdelijk) Het niet tijdig vervangen van apparatuur leidt tot storingen, wat al heeft geleid tot het open moeten zetten van slagbomen waardoor omzetverlies plaatsvindt. Parkeergarages speedgates (onvermijdelijk) In de parkeergarages is zeer regelmatig overlast van dak- en thuislozen, die zich ophouden in de parkeergarages en overnachten in de noodtrappenhuizen c.q. andere plekken die zich hiertoe lenen. Een oplossing om de overlast in te perken is het minder goed toegankelijk maken en afsluiten van de parkeergarages voor niet-parkeerders c.q. onbevoegden. Dit kan gerealiseerd worden door het afsluiten van de noodtrappenhuizen en het realiseren van speedgates. Wilhelminastraat basis (onvermijdelijk) Voor de Wilhelminastraat is onderhoud nodig aan de verharding, groen en verkeersregelinstallaties.
Voor de Raaksbruggen en de Brouwersbrug moeten het membraan en slijtlaag worden vernieuwd. De verwachte kosten bedragen € 4,65 miljoen. De basisvariant voor de Wilhelminastraat is vanwege de noodzaak tot vervanging in dit overzicht opgenomen als onvermijdelijk. Nieuw Havenkantoor (onvermijdelijk) In besluit 2021/290818 (besluitvorming in de raad verwacht september 2021) wordt aan de raad voorgelegd de ophoging van deze investering met € 850.000 als onvermijdelijk te beschouwen bij de programmabegroting. Stelpost duurzaamheid Deze stelpost kan worden ingezet voor extra investeringen in duurzaamheid. Natuurontwikkeling Voor Haarlem en de regio is het belangrijk om met een verdichtende stad en toenemend aantal inwoners te investeren in natuur en recreatiemogelijkheden dicht bij de stad. Er doet zich komende jaren een kans voor om mee te liften met het gebiedsproces van de provincie ‘Aanpak stikstof en realisatie Natuurnetwerk Nederland’. De investeringen die noodzakelijk in de nog te realiseren natuur en recreatiegebieden en zijn nog niet bekend. Om die reden is deze post pm geraamd. 2.4 Effecten van deze voorstellen op het begrotingssaldo De kapitaallasten vanuit dit pakket aan nieuwe investeringen en de inzet van de stelpost ter dekking van deze kapitaallasten is als volgt (in financieel beeld verwerkt): Mutatie lasten uit aanvullende voorstellen
2022
2023
2024
2025
2026
Mutatie kapitaallasten Vrijval stelpost Verlagen dotatie reserve groei van de stad Totaal saldo effect begroting
0 0 0 0
94 -94 0 0
558 -182 0 376
1.091 0 -150 941
2.524 0 -600 1.924
Programmabegroting 2022-2026
39
De stelpost lagere kapitaallasten bevat hierna nog € 0,7 miljoen in 2022 en € 1 miljoen in 2023. 2.5 totaal financieel effect investeringsplan inclusief aanvullende voorstellen De actualisatie van het investeringsplan, samen met de aanvullende voorstellen, leiden tot het volgende financiële beeld: Mutatie lasten Investeringsplan (negatief is voordeel) Saldo uit actualisatie IP (zie 1.5) Saldo uit aanvullende voorstellen (zie 2.4) Totaal saldo effect begroting
2022 -942 0 -942
2023 -914 0 -914
2024 -170 376 206
2025 213 941 1.154
2026 262 1.924 2.186
De kapitaallasten zijn na de actualisatie en na de aanvullende voorstellen in de eerste jaren lager dan was begroot bij de Kadernota 2022. Doordat de geraamde investeringen van 2021 deels zijn verschoven naar 2023, ontstaan in 2022 en 2023 lagere begrote kapitaallasten. Doordat de doorgeschoven investeringen in 2023 en 2024 worden gedaan, en doordat de investeringen vanuit de aanvullende voorstellen met ingang van 2024 tot kapitaallasten leiden, zijn de totale kapitaallasten met ingang van 2024 hoger dan bij de Kadernota 2022 was begroot. 2.6 Overzicht en toelichting van nieuwe of hogere investeringen voor latere afweging (groslijst) Afw. Programma 1 Onderwijshuisvesting (2019/842178) Programma 5 Openbare ruimte Wilhelminastraat (ambitie) Klimaatadaptatie stelpost Nul-emissie zone SOR mobiliteit SOR groen Gemeentelijk bezit Verduurzaming NME gebouw Verduurzaming gemeentelijk bezit Totaal nieuwe en hogere investeringen
Wettel. Verv.
Duurz.
B
Ja
Deels
Deels
C B C C C
Nee Ja Nee Nee Nee
Nee Ja Nee Deels Deels
Nnb Ja Ja Nnb Nnb
C B
2022
380
Deels
380
2024
2026
Totaal
8.256 11.000 15.300
34.556
750 516
2025
2.000 1.168 400 8.000 2.000
300 Ja
2023
300
600
Ja
680
680
2.750 2.444 400 8.000 2.000
9.522
7.000
7.000
14.000
21.568
32.300
64.750
Korte toelichting per investering Onderwijshuisvesting (categorie B) Het bieden van adequate onderwijshuisvesting is een wettelijke taak. Bij de Programmabegroting 2021 is een budget van € 17 miljoen in het Investeringsplan opgenomen om de komende jaren te investeren in onderwijshuisvesting. De totale berekende opgave voor onderwijshuisvesting was op dat moment al hoger. Om voor de komende jaren voldoende middelen beschikbaar te hebben voor vervanging en uitbreiding van onderwijshuisvesting is een aanvullende reservering noodzakelijk. Vooralsnog wordt bij deze Programmabegroting het gevraagde bedrag van € 7 miljoen voor 2023 opgenomen, en voor de jaren 2024 en verder met respectievelijk € 7,5 miljoen, € 10 miljoen en € 15 miljoen steeds de helft van het gevraagde bedrag. Met deze aanvulling op de al in het investeringsplan beschikbare bedragen voor 2023 en 2024 kunnen meerjarige afspraken worden gemaakt en Programmabegroting 2022-2026
40
kunnen verdere uitbreidingen en vervangingen in gang worden gezet. Op basis van het dan bekende financiële kader, de verwachte voortgang van de groei van de stad en het tempo van investeringen in onderwijshuisvesting kan bij de Kadernota 2023 worden besloten tot een verdere aanvulling op deze budgetten. Wilhelminastraat ambitie (categorie C) In aanvulling op het vervangingsonderhoud van de Wilhelminastraat zijn er kansen de wegenstructuur te heroverwegen, het wegdek anders in te delen, de verkeersregelinstallaties aan te passen, de ruimtelijke kwaliteit op normniveau te brengen en groen toe te voegen. De verwachte kosten in aanvulling op het vervangingsonderhoud zijn € 2,75 miljoen voor het realiseren van een hogere ambitie. Klimaatadaptatie stelpost (categorie B) Bij investeringen in de openbare ruimte is er een kans om klimaatadaptatie mee te nemen. Het gaat vaak om relatief beperkte ingrepen die ervoor zorgen dat de ruimte klimaatadaptiever wordt, zoals het weghalen van overbodige verharding, weghalen van stoepranden richting openbaar groen en watergangen. Ook kan de openbare ruimte worden verbeterd door verkoeling te bieden en door water meer vast te houden. Klimaatadaptatie wordt gekoppeld aan andere projecten, daarom volgt de planning van dit budget de planning van de andere werkzaamheden.
De raming is gebaseerd op een kostenstijging van 5% om de openbare ruimte klimaatadaptief in te richten. Dit is een inschatting gebaseerd op de studie ‘het klimaat past ook in uw straatje’ (HvA, 2017), waarin voor veel vooroorlogse wijken een kostenstijging van ongeveer 5-10% wordt voorzien als deze klimaatadaptief wordt ingericht. Ook vanuit reeds uitgevoerde projecten is de ervaring dat er meerkosten zijn voor klimaatadaptatie, er is echter niet in beeld gebracht hoe groot deze meerkosten zijn. Jaarlijks wordt ongeveer € 20 miljoen geïnvesteerd in de openbare ruimte, daarmee komt het benodigde budget op ongeveer € 1,2 miljoen per jaar. Veel projecten vragen een ruime voorbereidingstijd, daarom bouwt het bedrag geleidelijk op zodat er rekening mee kan worden gehouden in de planvorming. Nul-emissie zone (categorie C) Vanaf januari 2025 gaat een nul-emissiezone voor vracht- en bestelwagens in. Die vervangt de milieuzone die per 2022 ingaat voor vrachtauto’s. Het betreft hetzelfde gebied waardoor grotendeels gebruik gemaakt kan worden van dezelfde handhavingsapparatuur (camera’s, software) en (ophangingen van) borden. Wel moet bebording worden vervangen en moet apparatuur worden aangepast en uitgebreid.
De omzetting van milieuzone naar nul-emissiezone per 1-1-2025 is opgenomen in het voorkeursscenario gekozen door het college in nota Haalbaarheidsonderzoek en voorkeursscenario milieuzone en nul-emissiezone (2020/53389). Ook is dit als principebesluit opgenomen in het raadsbesluit invoering milieuzone en principebesluit nul-emissiezone(2021/61291) vastgesteld in raad 25 maart 2021: De raad besluit (…) Het principebesluit te nemen dat de milieuzone in 2025 wordt aangescherpt tot een nul-emissiezone voor vracht- en bestelwagens in hetzelfde gebied. SOR Mobiliteit (categorie C) In de Kadernota 2018 is besloten om jaarlijks een budget in het Investeringsplan op te nemen voor investeringen in duurzame mobiliteit vanuit de SOR. Deze budgetten zijn tot en met 2025 in het investeringsplan opgenomen. De reservering voor 2026 zou € 8 miljoen bedragen. Het opnemen van Programmabegroting 2022-2026
41
deze investering heeft geen effect op de NSQ per eind 2024 of 2025, omdat het gaat om investeringen in het jaar 2026. SOR Groen (categorie C) In de Kadernota 2018 is besloten om jaarlijks een budget in het investeringsplan op te nemen voor investeringen in duurzame mobiliteit vanuit de SOR. Deze budgetten zijn tot en met 2025 in het Investeringsplan opgenomen. De reservering voor 2026 zou € 2 miljoen bedragen. Vanwege de verwachte overlappende doelstellingen tussen ‘bereikbare steden’ en de SOR is de verwachting dat met de middelen voor ‘bereikbare steden’ (15 miljoen in 2026) ook de SOR ambities kunnen worden ingevuld, waardoor vooralsnog geen aparte SOR middelen worden opgenomen voor 2026. Verduurzaming NME gebouw (categorie C) De verduurzaming van het NME-kantoor kan in deze collegeperiode als goed voorbeeld dienen voor het zichtbaar maken van de duurzaamheidsdoelstellingen van de gemeente. Dit gebouw is het verst in de voorbereiding voor duurzame renovatie in vergelijking met de andere gemeentelijke gebouwen. Het kantoor is eenvoudig en betaalbaar te verduurzamen waarbij de investering in het gebouw in 40 jaar grotendeels terugverdiend kan worden door lagere kosten voor onderhoud en energie. Verduurzaming gemeentelijk bezit (categorie B) De totale kosten van verduurzaming zijn geraamd op circa € 53 miljoen. Voor de periode 2021-2024 is € 9 miljoen ter beschikking gesteld.
Vanuit de ambitie om in 2030 49% van de Co2 uitstoot te reduceren, is voor de jaren 2025 en verder jaarlijks circa € 7 miljoen benodigd.
1.8 Onderzoeken ingevolge de Verordening art. 213a De Gemeentewet artikel 213a schrijft voor dat gemeenten doelmatigheidsonderzoeken uitvoeren. In Haarlem is dit bekrachtigd door de raad in de ‘Verordening onderzoek doelmatigheid en doeltreffendheid van het door het college gevoerde bestuur van de gemeente Haarlem’ (2012/469231). Middels de programmabegroting geeft het college aan welke onderwerpen geschikt lijken om in 2022 een 213a onderzoek voor in te zetten. Overwegingen die daarbij een rol spelen zijn onder andere rendement van het verwachte resultaat en wenselijkheid en haalbaarheid van het onderzoek naar betreffende onderwerpen. Voor het jaar 2022 wil het college de volgende 213 onderwerpen onderzoeken: Evaluatie van uitvoering van privacy beleid In 2017 is de Nota Privacybeleid Haarlem (2016/574466) vastgesteld en in 2018 trad de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in werking. Met name de AVG stelde nieuwe eisen op het gebied van privacybescherming. Deels ging het om zaken die volledig geregeld en afgerond moesten worden (bijvoorbeeld het inrichten van een register van verwerkingen en het aanstellen van een FG), deels ging het om doorlopende inspanningsverplichtingen zoals het doen van risicoanalyses (gegevensbeschermingseffectrapportages/DPIA’s), verbeteren van processen en versterken van kennis en bewustzijn.
Geëvalueerd wordt in hoeverre de gemeente nu voldoet aan de eisen van de AVG. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van de privacy self assessments die een aantal afdelingen doen en die een beeld geven van het volwassenheidsniveau op het gebied van privacybescherming. Programmabegroting 2022-2026
42
Realiseren van begrote investeringsambities Het college doet een onderzoek te doen naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het investeringsprogramma. In hoeverre worden de investeringsambities gerealiseerd en dragen zij bij aan de doelstellingen van de gemeente op de betreffende beleidsterreinen. Via het investeringsprogramma’s kunnen ook mee koppel kansen worden gerealiseerd voor andere beleidsterreinen zoals duurzaamheid, klimaatadaptatie, verkeersveiligheid, mobiliteit en dergelijke. Middels dit onderzoek moet duidelijk worden of dergelijke kansen en beleidswensen ook worden gerealiseerd op een effectieve wijze. Uitvoeringstempo van investeringen is belangrijk voor het tijdig realiseren van de doelstellingen. Verloopt de uitvoering van investeringsprogramma’s conform planning, efficiënt en doelmatig? Beschikbaar budget Voor de uitvoering van onderzoek wordt mogelijk een beroep gedaan op externe deskundigheid. Voor 2022 is een onderzoeksbudget beschikbaar van € 100.000.
1.9 Interbestuurlijk toezicht Kader De Wet revitalisering generiek toezicht (zie ook de informatienota Interbestuurlijk toezicht 2013/393816) is de basis voor het door het kabinet gewenste interbestuurlijk toezicht (IBT): het toezicht van de ene overheid op de andere. Het uitgangspunt van de wet is het vertrouwen in een goede taakuitoefening door de gemeente. Daarbij hoort dat de horizontale verantwoording (college aan raad) en het horizontale toezicht (raad op college) in orde zijn. Het toezicht op de uitvoering van al deze medebewindstaken door het college ligt primair bij de raad. Invulling interbestuurlijk toezicht door provincie Ook in 2022 houdt de provincie toezicht op de volgende medebewindstaken voor Haarlem: 1. Omgevingsrecht; 2. Archiefbeheer (vastgelegd in de provinciale informatieverordening). Ad 1. Omgevingsrecht De provincie heeft de processen op toezicht- en handhaving binnen dit kader in 2020 als adequaat beoordeeld. De beoordeling van de provincie over dit onderwerp voor 2021 is medio 2021 nog niet beschikbaar. Ad 2. Archiefwet De uitvoering van het informatie- en archiefbeheer verloopt conform de gemaakte afspraken met de toezichthouder en archiefinspectie. De uitvoering van de Archiefwet- en regelgeving in Haarlem is in 2021 door de provincie als ‘adequaat’ gekwalificeerd, de hoogst mogelijke beoordeling.
Hierdoor blijft het lichtere toezichtregime van de provincie in stand.
Programmabegroting 2022-2026
43
Deel 2 Programma's
Programmabegroting 2022-2026
44
2.1 Inleiding programma's In dit deel van de programmabegroting wordt het beleid voor 2022 toegelicht. De opbouw van de programmateksten volgt een vaste structuur die hieronder wordt verklaard. Allereerst zijn de zeven programma’s gegroepeerd in drie clusters: Sociaal, Fysiek en Burger en bestuur. Elk cluster begint met een clustertekst waarin de context van het cluster wordt gegeven, de onderliggende programma’s worden benoemd en de hoofdkoers van het cluster wordt toegelicht. Ook staan hier standaard lopende zaken en belangrijke ontwikkelingen binnen het cluster en de onderliggende programma's. Vervolgens worden de onderliggende programma’s verder uitgediept volgens de volgende indeling: • Een overzicht van de behandelende commissies (raad), portefeuilles (bestuur) en afdelingen (ambtelijk); • De doelenboom. Deze brengt de samenhang in beeld tussen de programmadoelstelling, de beleidsvelden en de hieraan gekoppelde doelen en prestaties; • De programmadoelstelling; • De kaderstellende beleidsnota’s. Deze zijn (vrijwel) allemaal voorzien van de corresponderende nummers uit het Bestuurlijk Informatie Systeem (BIS) en daarmee in het pdf-document via een link te openen; • De beleidsvelden. Per beleidsveld worden de doelen omschreven (wat willen we bereiken), de prestaties die Haarlem nastreeft (wat gaan we ervoor doen) en de bijbehorende effect- en prestatie-indicatoren.
Hierbij worden de verbonden partijen genoemd die bijdragen aan het doel of de prestatie. Deze kunnen in het pdf-document aangeklikt worden voor meer informatie in de paragraaf 3.6 Verbonden partijen; • De financiën van het programma. In 2019 heeft de raad aangegeven dat de begroting dunner en leesbaarder te willen met 'de begroting ont(k)leed' (2019/204237). Daarna is in een raadsconferentie Indicatoren op 18 november 2020 met de raad het gesprek gevoerd over de indicatoren. Dit heeft geresulteerd dat de raad op 22 april 2021 de indicatoren voor deze begroting heeft vastgesteld (2020/1186527), aangevuld met een aantal extra indicatoren voor programma 3 (2021/235824) vastgesteld op 27 mei 20221. Doelen, prestaties en bijbehorende indicatoren zijn overzichtelijk in een schema (de doelenboom) gepresenteerd. Waar nodig zijn de indicatoren opnieuw geformuleerd om tot een betere verantwoording van doelen en prestaties te komen. Effectindicatoren hebben betrekking op doelen. Prestatie-indicatoren hebben betrekking op prestaties. R/S in de tabel staat voor resultaten uit voorgaande realisatiejaren en streefwaarden voor komende jaren. Bij nieuwe indicatoren waarbij nog geen nulmeting voor handen is, is aangegeven dat nulmeting nog plaats moet vinden en dat de streefwaarden daarom nog een (ruwe) inschatting zijn.
In navolging van de aanbevelingen van de Duisenberg Light methode op de jaarstukken 2019 zijn in bijlage 5.5 toelichtingen opgenomen waarom voor sommige doelen en prestaties geen indicator geformuleerd is. Hierin is ook opgenomen hoeveel doelen en prestaties geen indicator hebben en een vergelijking met indicatoren uit de begroting 2021 en 2020. Landelijk verplichte indicatoren (BZK) Naast de door gemeente Haarlem zelf geformuleerde indicatoren zijn ook de landelijk verplichte indicatoren opgenomen onder de verschillende programma’s, daar waar deze het beste tot hun Programmabegroting 2022-2026
45
recht komen. Deze indicatoren zijn herkenbaar aan de toevoeging 'BZK' (naar het ministerie dat dit heeft opgesteld). Ook is een link in het pdf-document opgenomen naar het dashboard van 'Waar staat je gemeente', waarop deze indicatoren voor alle gemeenten zijn gepubliceerd. Via dit dashboard kunnen online vergelijkingen worden gemaakt met andere gemeenten of landelijke cijfers. De belangrijkste vergelijkingen zijn ook opgenomen in bijlage 5.4 Benchmark indicatoren. Hier is Haarlem in grafieken weergegeven ten opzichte van vergelijkbare gemeenten en Nederland. De verplichte indicatoren worden op het online dashboard met regelmaat geactualiseerd of met terugwerkende kracht gecorrigeerd. Het is zodoende mogelijk dat deze indicatoren in deze begroting afwijken van de actuele situatie op het dashboard. In deze programmabegroting zijn deze indicatoren opgenomen, zoals deze op 1 augustus 2020 op het dashboard zijn gepubliceerd. In deze begroting zijn alleen cijfers voor hele jaren opgenomen, terwijl op het dashboard soms ook halfjaarcijfers worden gepubliceerd. Inwonerspeiling Gemeente Haarlem voert aan het eind van elk kalenderjaar onderzoek uit onder inwoners waarbij hun mening wordt gevraagd over verschillende onderwerpen. Doordat veel van deze vragen meerdere jaren worden herhaald kunnen trends in de tijd worden onderscheiden.
Daarmee zijn deze uitkomsten bruikbaar als indicator in begroting en jaarverslag. Alle uitkomsten van dit onderzoek worden gepubliceerd op het platform Haarlem in Cijfers, onder de tegel ‘Inwonerspeiling’. Dit betreft een openbare gegevensbron die naast medewerkers van de gemeente en ingewijden ook door inwoners en andere geïnteresseerden geraadpleegd wordt.
Programmabegroting 2022-2026
46
Cluster Sociaal
Programmabegroting 2022-2026
47
Inleiding en context Het cluster Sociaal gaat over de brede ondersteuning van kinderen, jeugdigen, volwassenen en ouderen. Deze ondersteuning kan bestaan uit jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, opvang wonen en herstel, participatie, werk, inkomensondersteuning, armoedebestrijding en schulddienstverlening. De belangrijkste opgave blijft een toekomstbestendig, toegankelijk en betaalbaar sociaal domein te realiseren. De vraag naar ondersteuning groeit nog steeds, zowel bij maatschappelijke ondersteuning als bij jeugdhulp. Daar komt de nodige onzekerheid over de gevolgen op langere termijn van de coronacrisis nog bij. Het Rijk komt de gemeenten inmiddels incidenteel financieel tegemoet bij de tekorten in de jeugdhulp, maar structurele afspraken tussen gemeenten en het nieuw te vormen kabinet moeten nog gemaakt worden. Meer geld is echter niet alleen de oplossing. De gemeente zet daarom in op structurele verbeteringen. In 2022 worden de nieuwe contracten gesloten voor jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. Het voltooien van de transformatie staat daarbij centraal: focus op normalisatie, afwijkend is niet onwenselijk, alledaagse oplossingen voor alledaagse problemen, maatwerkvoorzieningen voor jeugd en maatschappelijke ondersteuning zijn de uitzondering en niet de regel.
Vanaf 2022 krijgt de regionale samenwerking rondom beschermd wonen en maatschappelijke opvang een formeler karakter in de vorm van een Gemeenschappelijk Orgaan. Gemeenten worden verplicht samen te werken, vooruitlopend op de decentralisatie van deze taken van centrumgemeente Haarlem naar de afzonderlijke gemeenten in Zuid Kennemerland. Tot en met 2022 krijgt Haarlem als centrumgemeente de gelden en daarna worden deze verdeeld over de gemeenten in de regio, in een periode van 10 jaar. Op het gebied van werk, inkomen en schulden ligt de focus op het om tijdig signaleren en aanpakken van geldzorgen en schulden, re-integratie naar werk, participatie voor wie nog niet aan het werk kan en het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt voor uitkeringsgerechtigden. Daar komt een nieuwe verantwoordelijkheid bij per 2022: met de nieuwe Wet inburgering krijgt de gemeente de regie op de inburgering. Het doel van de wet is om inburgeringsplichtigen zo snel mogelijk te laten meedoen in de Nederlandse samenleving, het liefst met betaald werk. Tot op heden is de verwachting dat meer Haarlemmers vanwege inkomensdaling door de coronacrisis een beroep moesten doen op tijdelijke inkomensondersteuning nog niet uitgekomen, vermoedelijk door de verlenging van rijksregelingen.