20210262875 2. Bijlage a: Bp De Koepel
Tekst van het document
Conclusie Met de herontwikkeling van het koepelterrein wordt een bijdrage geleverd aan het vergroenen van de stad door het toevoegen en compenseren van de bomen én het aanleggen van nieuw openbaar groen in combinatie met het realiseren van groene daken.
4.14 Natuurwaarden 4.14.1
Inleiding Er is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebied- of landschap of als Nationaal Natuurnetwerk (NNN). Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Nationaal Natuurnetwerk De term EHS werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP) van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. In 2013 veranderde 87
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
de naam van Ecologische Hoofdstructuur naar Nationaal Natuurnetwerk (NNN). NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in of in de nabijheid van het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets'. 4.14.2
Beleid Het ecologisch beleidsplan uit 2013 heeft als doel het kwalitatief verbeteren en verhogen van de ecologische waarden en de richtlijnen uit het beleid verankeren in planprocessen en beheer- en onderhoudsprogramma's. Duurzaamheid, biodiversiteit en participatie zijn onderwerpen die een belangrijke rol spelen bij de invulling en uitvoering hiervan. Het ecologische beleid bevat een afwegingskader bij projecten en andere ingrepen dat weergeeft waar men op moet letten bij projecten. Hierdoor is minder kans op vertraging. Ook wordt ingezet op het verbeteren van beheer en inrichting van de locaties met ecologische potentie. Dit kan alleen als beheer en inrichting zoveel mogelijk gebaseerd zijn op ecologische principes. Binnen Haarlem zijn verschillende gebieden aangegeven als ecologische hotspots of als ecologische potentiegebieden. Deze laatste zijn waardevolle groene gebieden die zich door de juiste inrichting en beheer tot hotspots kunnen ontwikkelen. Geen van deze gebieden bevinden zich in het plangebied. Daarnaast omvat het beleidsplan ook het ecologisch actieplan van de gemeente Haarlem met daarin de ambities voor de periode van 2013-2022 voor onder andere het afkoppelen van regenwater en het toepassen van gevelgroen. Bij nieuwe relevante ruimtelijke ontwikkelingen binnen het plangebied wordt het ecologisch beleidsplan Haarlem betrokken.
4.14.3
Onderzoek Ten behoeve van deze ontwikkeling is door Dresmé&vanderValk een quickscan Wet natuurbescherming en een nader vleermuizenonderzoek. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 12 van deze toelichting. De conclusie van het onderzoek wordt hieronder overgenomen. De quickscan Wet natuurbescherming inclusief vleermuisonderzoek richt zich op de voormalige penitentaire inrichting, de Koepelgevangenis, aan de Harmenjansweg 4 in het centrum van Haarlem. Omdat het projectgebied zich in een sterk verstedelijkte omgeving bevindt, is specifiek onderzoek gedaan naar broedvogels en vleermuizen. Behalve in de twee directeurswoningen zijn geen geschikte invliegopeningen aanwezig voor vleermuizen. Er zijn in juni en juli 2017 twee onderzoeksrondes uitgevoerd, waarbij geconcludeerd wordt dat geen verblijfplaatsen worden verwacht in de directeurswoningen. Het projectgebied is van zeer beperkte betekenis voor vleermuizen. De bomen op het parkeerterrein en in de achtertuin worden incidenteel gebruikt om te foerageren en hebben vooral de functie van stapsteen, tussen belangrijkere foerageergebieden en verblijfplaatsen elders in de binnenstad van Haarlem. De straten en de bomen in de straat fungeren als migratieroute. Op basis van deze 88
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
waarnemingen worden geen verblijfplaatsen van vleermuizen verwacht in de twee directeurswoningen. Een onderzoek in het najaar naar paarverblijfplaatsen is derhalve niet nodig. Met de gedeeltelijke sloop van de bijgebouwen van de Koepelgevangenis, de nieuwbouw en de renovatie van de twee directeurswoningen worden geen verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden. Binnen het projectgebied zijn geen mogelijke holtes voor nesten voor vogels met een jaarrond beschermde vogelnesten waargenomen. Indien buiten het broedseizoen (half maart - half april) sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd, worden geen effecten op broedvogels verwacht. Nader onderzoek of een ontheffing voor broedvogels is niet nodig. 4.14.4
Stikstofdepositie Ten tijde van het uitvoeren van het onderzoek door Dresmé&vanderValk was de PAS-wetgeving nog van kracht (Programmatische Aanpak Stikstof). Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) een streep gezet door het PAS. Dit houdt in dat de PAS niet meer als toestemmingsbasis voor (o.a.) de voorgenomen ontwikkeling kan dienen. Er dient derhalve beoordeeld te worden of de voorgenomen ontwikkeling een depositie van stikstof heeft dat een negatief significant effect op het nabijgelegen Natura 2000-gebied 'Kennemerland-Zuid'. Naar aanleiding van de tussenuitspraak van de Raad van State van 28 april 2021 en de daarmee samenhangende uitbreiding van de ondergrondse parkeergarage is een gewijzigde stikstofdepositieberekening toegevoegd. Het gehele project wordt in de nieuwe situatie gasloos uitgevoerd, dus ook de gebouwen die blijven staan, gaan van het gas af. Dit betekent dat in de eindsituatie enkel verkeer een aspect is dat voor stikstofdepositie kan zorgen. Op basis van de verkeersaantrekkende werking van het plan en de eerste berekeningen (Bijlage 13) kan geconcludeerd worden dat het project niet zorgt voor een depositie van meer dan 0,00 mol/ha/jaar. Significante negatieve effecten op het Natura 2000-gebied zijn derhalve uit te sluiten.
4.14.5
Conclusie Het projectgebied is van zeer beperkte betekenis voor vleermuizen. Daarnaast zijn geen mogelijke holtes voor nesten voor vogels met een jaarrond beschermd vogelnest waargenomen. Met de gedeeltelijke sloop van de bijgebouwen van de Koepelgevangenis, de nieuwbouw en de renovatie van de twee directeurswoningen worden geen verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden.
89
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
4.15 Vliegverkeer Met ingang van 1 februari 2003 is het zogenoemde Luchthavenindelingbesluit (LIB) van kracht. In het LIB, onderdeel van de gewijzigde Wet Luchtvaart (ofwel de "Schipholwet"), is rond de luchthaven Schiphol een beperkingengebied aangewezen. Hierbinnen gelden beperkingen van de maximale hoogte van objecten, en van vogel aantrekkende bestemmingen en vogel aantrekkend gebruik. De hoogtebeperkingen zijn opgelegd om ervoor te zorgen dat vliegtuigen op een veilige manier van en naar de luchthaven Schiphol kunnen vliegen. De beperkingen voor de vogel aantrekkende bestemmingen en vogel aantrekkend gebruik zijn opgelegd om te voorkomen dat zich in de nabijheid van de luchthaven concentraties vogels bevinden, die hinderlijk kunnen zijn voor vliegtuigen. Voor het plangebied gelden hoogtebeperkingen, die variëren van 72 tot 123 meter, evenals beperkingen ten aanzien van vogel aantrekkende bestemmingen en vogel aantrekkend gebruik. In het plangebied bevinden zich echter geen vogel aantrekkende bestemmingen of vogel aantrekkende gebruiken. Evenmin komen in het plangebied bouwwerken of gebouwen voor, of worden deze mogelijk gemaakt, die de maximale bouwhoogte van 72 tot 123 meter benaderen. Het plangebied valt buiten de in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol aangewezen zone waarbinnen geen geluidsgevoelige functies (zoals woningen) zijn toegestaan.
Geconcludeerd kan worden dat dit bestemmingsplan in overeenstemming is met de bepalingen uit het Luchthavenindelingbesluit Schiphol.
4.16 Bezonning 4.16.1
Inleiding Er bestaan geen wettelijke normen en eisen met betrekking tot de bezonning. Wel bestaan de normen van TNO: een 'lichte' norm, die minimaal twee uur zon per dag in de periode 19 februari tot en met 21 oktober voorschrijft, en een 'strenge' norm, die drie uur zon per dag in de periode 21 januari tot en met 22 november voorschrijft. Noordgevels ontvangen nagenoeg geen direct zonlicht. Daarom wordt ook niet getoetst of deze gevels aan de lichte en/of strenge TNO norm voldoen. Door Prevent Adviesgroep is een bezonningsonderzoek uitgevoerd waarin zowel de huidige (planologische) situatie en het nieuwe (bestemmings)plan wordt getoetst aan de lichte TNO norm en de strenge TNO norm. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 15 van deze toelichting. De resultaten van dit onderzoek worden hieronder overgenomen.
90
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
4.16.2
Onderzoek Op figuur 4.4 zijn de omliggende gebouwen getoond, welke zijn onderzocht op bezonning van het nieuwe (bestemmings)plan.
Figuur 4.4 onderzochte gebouwen 1, 2 en 3 (bron: Prevent) De conclusie van het bezonningsonderzoek per gebouw luidt als volgt: Gebouw 1 De schaduwwerking van het plan op gebouw 1 betreft het effect op de zuidoostgevel van het gebouw. Deze gevel heeft in de winterperiode, 0 uur directe bezonning op de gevel in de huidige situatie. Dit is onvoldoende om de 'strenge' eisen te behalen. Tussen 19 februari en 21 oktober zijn er maximaal 4 bezonningsuren, dit is voldoende om de 'lichte' eisen te behalen. Het nieuwe ontwerp heeft nihil invloed op de bezonning en behaalt dus niet de strenge TNO norm, maar wel de lichte TNO norm. Gebouw 2 De schaduwwerking van het plan op gebouw 2 betreft het effect op de zuidwestgevel van het gebouw. Deze gevel heeft in de winterperiode maximaal 3 uur directe bezonning op de gevel in de huidige situatie. Dit is voldoende om de 'strenge' eisen te behalen. Het nieuwe ontwerp heeft geen invloed op de bezonning. Dit betekent dat de strenge en lichte TNO norm wordt behaald. Gebouw 3 De schaduwwerking van het plan op gebouw 3 betreft het effect op de noordwestgevel van het gebouw. In het bezonningsonderzoek is duidelijk te zien dat deze gevel veel eigen schaduw ontvangt en deze gevel dus nagenoeg geen direct zonlicht kan ontvangen. Gebouw 3 wordt door het ontbreken van direct zonlicht en de ligging van de gevel buiten beschouwing gelaten. 4.16.3
Conclusie De optredende effecten op de bezonning op de omliggende woningen van het nieuwe ontwerp kunnen worden getoetst aan de hand van de lichte en strenge TNO-normen voor bezonning. De 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de 91
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden ) in midden vensterbank binnenkant raam. De bezonningsuren van de omliggende woningen voldoen aan deze norm na het realiseren van het nieuwe ontwerp. De 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 21 januari – 21 november (gedurende 10 maanden ) in midden vensterbank binnenkant raam. De bezonningsuren van de omliggende woningen voldoet niet aan deze norm na het realiseren van het nieuwe ontwerp. Ook de bestaande bebouwing van het project voldoet niet aan deze norm.
4.17 Kabels, leidingen straalpaden en andere belemmeringen In bestemmingsplannen worden uitsluitend kabels en leidingen (gas, water, elektra, rioolpersleidingen) opgenomen die ruimtelijke relevantie hebben en/of van belang zijn in het kader van beheer, externe veiligheid of gezondheidsrisico's. Het gaat dan altijd om de hoofdtransportstructuur. De planologisch relevante leidingen. De ligging van de leiding is globaal vastgelegd op provinciale risicokaarten. In elk bestemmingsplangebied bevinden zich uiteraard ook kabels en leidingen voor distributie en huisaansluitingen, maar die worden niet in het plan opgenomen. Er liggen geen hoofdgasleidingen of landelijke/ regionale leidingstroken in of nabij het plangebied die planologisch relevant zijn.
4.18 M er-beoordeling De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, dient een toets uitgevoerd te worden of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Omdat sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is een aanmeldnotitie opgesteld en ingediend bij het bevoegd gezag.
Het bevoegd gezag heeft hierover op 22 november 2019 een besluit genomen met kenmerk 2019/842853 (zie bijlage 14) genomen en geoordeeld dat geen significante negatieve effecten te verwachten zijn en dat een nadere m.e.r. beoordeling niet noodzakelijk is.
92
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
Hoofdstuk 5 5.1
JURIDISCHE ASPECTEN
Inleiding De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente Haarlem. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Er is één landelijke voorziening waar alle ruimtelijke plannen voor een ieder volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn. Hiertoe dienen alle bestemmingsplannen te voldoen aan landelijk vastgestelde standaarden. In de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (hierna SVBP 2012) zijn de hoofdgroepen van bestemmingen bepaald, zoals Wonen, Bedrijven e.d. Ook geeft de SVBP bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels.
Dat leidt ertoe dat de systematiek zoals gehanteerd in dit bestemmingsplan, op ondergeschikte onderdelen af kan wijken van de voorheen geldende planologische regelingen. Het juridische bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De planregels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.
5.2
Juridische planopzet Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meer locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van groot belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Denk hierbij aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling, het monitoren van beleid en de handhaving. Er is één landelijke voorziening waar alle ruimtelijke plannen voor een ieder volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn: www.ruimtelijkeplannen.nl. Hiertoe dienen alle bestemmingsplannen te voldoen aan landelijk vastgestelde standaarden. In de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (hierna SVBP 2012) zijn de hoofdgroepen van bestemmingen bepaald, zoals Wonen,
93
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
Bedrijven e.d. Ook geeft de SVBP bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. De regels van het bestemmingsplan vallen conform de SVBP 2012 in 4 hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Hoofdstuk 3: Algemene regels Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels 5.2.1 Hoofdstuk 1: Inleidende regels Begrippen (artikel 1) In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Daardoor wordt vermeden dat verschillende interpretaties van de begrippen tot verschillen van mening over de regelgeving zouden kunnen leiden. Bij toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normaal spraakgebruik. Wijze van meten (artikel 2) Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten gemeten moeten worden. Een aantal bepalingen zijn op grond van de SVBP dwingend voorgeschreven 5.2.2 Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Met een bestemming wordt tot uitdrukking gebracht welke gebruiksdoelen of functies, met het oog op een goede ruimtelijke ordening, aan de in het plan begrepen gronden zijn toegekend. Niet iedere functie leent zich voor een eigen bestemming.
Of dit zo is, hangt af van de ruimtelijke relevantie, of wel van de mate waarin de betrokken functie invloed heeft op zijn omgeving of daaraan eisen stelt. Behalve om functies gaat het bij bestemmingen altijd om concreet ruimtegebruik of om fysiek aanwezige ruimtelijke objecten. Een bestemming heeft altijd betrekking op een geometrisch bepaald vlak. Lijn- en puntbestemmingen komen niet voor. De verbeelding van een bestemming bestaat dus nooit uit een lijn of een punt. De bestemmingen worden gescheiden door bestemmingsgrenzen. 5.2.2.1
Bestemmingen De volgende bestemmingen zijn aan de gronden in het plangebied toegekend. Gemengd Deze bestemming is bedoeld om de specifieke mix aan functies van het beoogde programma mogelijk te maken. Om een gemengd levendig gebied te bewerkstelligen en te behouden zijn de functies alleen toegestaan ter plaatse van de desbetreffende aanduiding en is het bvo van een aantal functies gemaximeerd. Onder bijbehorende campusvoorzieningen wordt onder meer
94
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
verstaan beheerdersruimte, dienstruimte en wasserette. Onder ondersteunende horeca wordt in ieder geval verstaan: een centraal ontmoetingspunt ten behoeve van koffie en lunchcorner voor bezoekers en gebruikers van het koepelgebouw. Het restaurant behorende bij het hotel is gemaximeerd op 540 m2 bvo. Dit is deels ten behoeve van de hotelgasten (ca 220 m2 bvo) en deels gericht op extern gebruik (ca 320 m2 bvo). Een onderbouwing voor deze verdeling is te vinden in het mobiliteitsplan (bijlage 9). Ten behoeve van de flexibiliteit is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen, zodat met een nader afwegingsmoment BenW kan besluiten over het toelaten van functies op andere buiten de aangegeven aanduiding en over het toelaten van bedrijvigheid die niet wordt genoemd in de zoneringslijst. Uitgangspunt hierbij blijft het functioneren als gemengd levendig gebied. 5.2.2.2
Dubbelbestemmingen Artikel 4 Waarde - Archeologie (dubbelbestemming) De aanwezige archeologische verwachtingswaarden krijgen bescherming door het toekennen van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, ook bestemd voor de bescherming en de veiligstelling van archeologische waarden. Het bestemmingsplan houdt rekening met de (voorlopige) Archeologische Beleidskaart Haarlem. In het plangebied komt de categorie 4 voor. Categorie 4 In de gebieden die tot deze categorie behoren geldt een lage archeologische verwachting. Voor deze categorie geldt dat bij plannen waarbij bodemverstorende activiteiten plaatsvinden van 2.500 m² en groter en die dieper gaan dan 30 cm beneden maaiveld, een waardestellend archeologisch rapport moet worden overlegd bij de aanvraag van een omgevingsvergunning. Aan deze gebieden is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' toegekend. Artikel 5 Waarde - Beschermd stadsgezicht (dubbelbestemming) De dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd stadsgezicht' ligt over het gehele plangebied. Deze dubbelbestemming valt samen met het op grond van de Monumentenwet aangewezen gebied van het Beschermd Stadsgezicht Haarlem. Het doel van het bestemmingsplan is de essentiële waarden van dit Beschermd Stadsgezicht te beschermen.
De waarden van het beschermde stadsgezicht zijn in het bestemmingsplan in vrijwel alle bestemmingen vastgelegd. Ten behoeve van de bescherming van het beschermd stadsgezicht zijn bij het opstellen van de regels van dit bestemmingsplan de volgende uitgangspunten 95
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
gehanteerd: Behoud, bescherming en waar mogelijk versterking van het straat- en bebouwingsbeeld. Instandhouding en/of herstel van de monumenten en beeldbepalende gebouwen. Deze zijn op de verbeelding respectievelijk aangegeven als orde 1 (rijksmonumenten) en orde-2. Bijzondere bouwregels In de Nota van Ambities en Eisen voor de herontwikkeling van het complex de Koepel' zijn enkele stedenbouwkundige eisen gesteld, die in de bouwregels zijn opgenomen. Dit betreft een maximaal bebouwingspercentage voor het gehele plangebied en een floor space index van 1,2. Met de algemene afwijkingsregels van artikel 10 bestaat de mogelijkheid hiervan af te wijken, bijvoorbeeld indien het door BenW vastgestelde stedenbouwkundig plan hier aanleiding toegeeft. Artikel 6 Waarde - Bouwhistorie De binnen de bestemming 'waarde - bouwhistorie' aangewezen gronden zijn ook bestemd voor het behoud van de bouwhistorie. Een ingreep aan deze panden kan alleen met een omgevingsvergunning waarbij vooraf is onderzocht of er daadwerkelijk bouwhistorische waarden aanwezig en in het geding zijn. 5.2.3 Hoofdstuk 3: Algemene regels Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Met deze regel wordt voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt. Bijvoorbeeld in het geval (onderdelen van) bouwpercelen - al dan niet tijdelijk - van eigenaren wisselen.
De regeling is met name van belang met het oog op nieuwbouw. Door verwerving van een extra (bouw)perceel of een gedeelte daarvan, kunnen de gronden niet meegenomen worden met de berekening van de bouwmogelijkheden van het nieuwe perceel als de nieuw verworven gronden reeds meegenomen zijn bij de berekening van een eerdere omgevingsvergunning. Het is dus niet toegestaan gronden twee keer in te zetten om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit te verkrijgen. Artikel 8 Algemene aanduidingsregels Lid 8.1 Geluidzone - industrie Deze aanduiding is toegekend aan de geluidszone die hoort bij het bedrijventerrein Waarderpolder dat direct ten westen van het plangebied ligt. Het bedrijventerrein Waarderpolder is aangewezen om naast gewone bedrijven ook bedrijven te vestigen die veel geluid kunnen veroorzaken. Deze bedrijven noemt men ook wel grote lawaaimakers. Als op een bedrijventerrein zich grote
96
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
lawaaimakers mogen vestigen zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, dan wordt een dergelijk bedrijventerrein in het kader van die wet een industrieterrein genoemd. Om een industrieterrein heen ligt een geluidszone. De geluidszone is het gebied tussen de grens van het industrieterrein en de zonegrens. Buiten deze geluidszone mag de totale geluidsbelasting van alle op het industrieterrein gevestigde bedrijven niet hoger zijn dan 50 dB(A). Dit betreft de geluidsbelasting van de op het industrieterrein gevestigde inrichtingen, met inachtneming van bestaande rechten. Woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen die binnen de geluidszone liggen kunnen wel een geluidsbelasting hebben die hoger is dan 50 dB(A). Artikel 9 Algemene gebruiksregels Dit artikel geeft algemene regels met betrekking tot ongewenst gebruik van gronden die in alle gevallen opgeld doen, tenzij dit in de specifieke gebruiksregels expliciet alsnog wordt toegestaan. Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Starheid van bestemmingsregels mag niet de oorzaak zijn van gekunstelde oplossingen, waarmee de kwalitatieve doelstelling van het bestemmingsplan niet gediend is. Door middel van dit artikel is enige mate van flexibiliteit mogelijk. Zo kan er een afwijking plaatsvinden voor de in het plan aangegeven maten tot ten hoogste 10%.
Het toepassen van een afwijkingsbevoegdheid gebeurt altijd met inachtneming van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht, zodat belanghebbenden de mogelijkheid tot bezwaar/beroep hebben wanneer op grond van dit artikel van het plan wordt afgeweken. Artikel 11 Overige regels Lid 11.1 Parkeren, laden en lossen legt een koppeling tussen de regels van het bestemmingsplan en de gemeentelijke beleidsregels voor het parkeren. De normen voor parkeren, stallen, laden en lossen zelf liggen namelijk niet vast in dit bestemmingsplan, maar in gemeentelijke beleidsregels. Die beleidsregels geven aan wanneer er sprake is van voldoende ruimte voor parkeren, stallen, laden en lossen. Uitgegaan wordt altijd van de gemeentelijke beleidsregels voor het parkeren zoals die gelden op het moment van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. Lid 11.1.3 geeft ook aan wat als strijdig gebruik van gronden en bouwwerken is aangemerkt. Strijdig gebruik is het gebruiken of laten gebruiken van gronden of bouwwerken waarbij niet in voldoende mate ruimte is aangebracht en in stand wordt gehouden op eigen terrein voor parkeren, stallen, laden en lossen overeenkomstig het gemeentelijke beleid. Tot slot bepaalt lid 11.1.4 dat er afgeweken kan worden onder de voorwaarden zoals die zijn genoemd in de gemeentelijke beleidsregels voor het parkeren. 97
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
Ook hiervoor geldt dat uitgegaan dient te worden van de gemeentelijke beleidsregels voor het parkeren zoals die gelden op het moment van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. voorwaardelijke verplichting Om het gewenste eindbeeld te realiseren en te kunnen voldoen aan een goede ruimtelijke ordening is een aantal voorwaardelijke verplichtingen opgenomen in de specifieke gebruiksregels in lid 11.2 Overige voorwaardelijke verplichtingen. Het betreft een voorwaardelijke verplichting ten aanzien van: een inrichtingsplan buitenruimte (1) voor het voorplein. een inrichtingsplan buitenruimte (2) voor binnen de muren; een ondergrondse parkeergarage met een minimum bvo om een goede parkeeroplossing te garanderen. een geluidswerende kap bij de fietsvoorzieningen en galerijen voor de studentenhuisvesting en woningen grenzend aan de achtertuinen van de woningen aan de Damaststraat en de Harmenjansweg, ter minimalisering van geluidsoverlast voor de bewoners aan de Damaststraat en de Harmenjansweg. 5.2.4 Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 12 Overgangsrecht Het overgangsrecht is van toepassing op bestaande situaties (gebruik en/of bebouwing) die op het moment van het van kracht worden van dit bestemmingsplan niet passen binnen het nieuwe plan.
Het overgangsrecht houdt in dat gebruik en bebouwing dat in strijd is met het nieuwe bestemmingsplan, maar reeds aanwezig was ten tijde van de voorgaande plannen, onder voorwaarden, mag worden voortgezet.Ook bouwwerken die basis van een geldige omgevingsvergunning nog gebouwd mogen worden, worden onder het overgangsrecht geschaard. Het overgangsrecht is nadrukkelijk niet bedoeld voor bouwwerken die een gebruik kennen dat onrechtmatig is op het moment van het van kracht worden van dit bestemmingsplan.Er is geen sprake van legalisatie van reeds strijdig gebruik door dit bestemmingsplan en er kan ook nog steeds gehandhaafd worden. Ook bouwwerken die op peildatum illegaal zijn, blijven illegaal. Artikel 13 Slotregel Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het onderliggende bestemmingsplan. Bijlage 1 bij de regels Zoneringslijst De Zoneringslijst is opgenomen in bijlage 1 Zoneringslijst van de regels en geeft – voor zover passend binnen de bestemming – op basis van de hindercategorie aan welk type activiteiten zijn toegestaan. Activiteiten die niet in de lijst 98
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
omschreven staan kunnen – voor zover passend binnen de bestemming – worden beoordeeld op basis van de hinder die ze (kunnen) veroorzaken. Vanuit milieuoverwegingen (zoals lawaai en stank) zowel als vanuit ruimtelijke overwegingen (een bedrijf met een vloeroppervlak van 90 m2 ziet er geheel anders uit dan een bedrijf met een vloeroppervlak van 350 m2) is het wenselijk niet alle werkfuncties toe te laten. Daarom is als bijlage achter de regels een zogeheten Zoneringslijst opgenomen. Deze lijst vormt het planologische toetsingskader bij het al dan niet toelaten van een nieuw bedrijf. In deze bijlage wordt uiteengezet hoe de lijst is samengesteld en hoe de toetsing aan de Zoneringslijst verloopt. Naast deze planologische toetsing vindt ook altijd een toetsing plaats in het kader van de Wet milieubeheer (onder meer het verlenen van een milieuvergunning) wanneer een nieuw bedrijf (de wet spreekt over een inrichting) gevestigd wordt. Milieuzonering is het waar nodig ruimtelijk scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies. De in het gebied voorkomende activiteiten zijn overeenkomstig het huidige gebruik en bouwmogelijkheden in dit bestemmingsplan opgenomen. Voor bestaande werkfuncties die een hogere milieucategorie hebben dan het bestemmingsplan toelaat worden geen uitbreidingsmogelijkheden geboden.
De milieuhinder van de bedrijfsfuncties moet passen binnen de voor het gebied geldende categorieën van de zoneringslijst. Bedrijven met een hogere milieuhindercategorie zijn slechts toegestaan waar dat nader is aangeduid op de verbeelding.
99
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
100