20210262875 2. Bijlage a Bp De Koepel
Tekst van het document
Internet-afhaalpunten faciliteren in bestaande winkelcentra.
35
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
Hoofdwinkelstructuur Gezien de beleidsdoelen voor Haarlem, de beperkte marktruimte en inspelend op de trend dat er minder fysieke winkels nodig zijn door het veranderde koopgedrag van de consument, en er wel behoefte is aan meer concentratie op sterke winkellocaties wordt de hoofdwinkelstructuur voor Haarlem in 2020 als volgt vastgesteld.
Tabel 3.1
Hoofdwinkelstructuur Haarlem 2020 in tabel
36
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
Figuur 3.2
Hoofdwinkelstructuur Haarlem 2020 op kaart
Met deze hoofdstructuur komt Haarlem tegemoet aan het uitgangspunt tot het waarborgen van: Zoveel mogelijk ruimtelijke concentratie van winkelvoorzieningen, met het oog op kritische massa en mix en een optimaal gebruik van bestaande infrastructuur en parkeervoorzieningen. Een goede ruimtelijke spreiding van met name dagelijkse winkelvoorzieningenclusters, zodat de verzorgingsfunctie voor consumenten in de stadsdelen gewaarborgd blijft. Prioriteit bij het behoud, en zo mogelijk, versterking van de hoofdwinkelstructuur, door het faciliteren via bestemmingsplannen en regelgeving van nieuwe winkelconcepten, zodat de positie van Haarlem als de beste winkelstad van Nederland verder uitgebouwd kan worden.
37
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
Gemakswinkels Het is niet de bedoeling dat van gemakswinkels een autonome attractie uitgaat op de consument die elders verblijft. Om deze reden is het gewenst een maximum metrage per vestiging te hanteren. Gebruikelijk is hierbij een maat van maximaal 100 m2 wvo te hanteren. Omvang en assortiment van winkels in stations dienen primair te zijn gerelateerd aan het draagvlak en behoefte van reizigers. Het realiseren van winkelvoorzieningen met een groter draagvlak dient te passen in de grotere detailhandelsstructuur. Relatie met het plan De locatie van de Koepelgevangenis is niet gelegen in de hoofdwinkelstructuur, maar schuurt hier wel tegenaan. In lijn met de Ontwikkelingsvisie Spaarnesprong en het Structuurplan Haarlem 2020 wordt op de locatie een centrumstedelijke sfeer c.q. een binnenstadsmilieu gecreëerd. Om dit mogelijk te maken wordt op de locatie academisch onderwijs gehuisvest, met daaromheen publieksgerichte voorzieningen zoals o.a. een gemakswinkel en horeca. Daarnaast wordt ook voorzien in de realisatie van 350 woningen in het sociale segment. Conform de Detailhandelsvisie Haarlem Winkelstad is het niet de bedoeling dat van gemakswinkels een autonome attractie uitgaat op de consument die elders verblijft en wordt om die reden een maximum metrage per vestiging gehanteerd. Het maximum metrage van een gemakswinkel wordt niet specifiek benoemd.
Echter, de gemakswinkel die beoogd wordt op de locatie heeft een omvang van circa 250 m2 bvo. Deze omvang is passend bij de locatie en de beoogde centrumstedelijke sfeer op de locatie en zal voornamelijk voorzien in de behoefte van de nieuwe bewoners op de locatie en derhalve de directe omgeving. Dit zal er niet voor zorgen dat de hoofdwinkelstructuur wordt aangetast. De realisatie van een gemakswinkel met een grotere omvang vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ambities uit de Detailhandelsvisie Haarlem Winkelstad. Tot slot speelt het plan in op de speerpunten genoemd onder 2 en 3, te weten het stimuleren van detailhandel en nieuwe concepten die bijdragen aan een aantrekkelijke, toekomstbestendige (binnen)stad, en het speerpunt een vitale dynamische en concurrende detailhandelstructuur te (willen) hebben door ruimte te geven aan kwaliteit en innovatie inspelend op de toekomstige trends zoals de groeiende grensvervaging tussen detailhandel en andere branches (o.a. horeca 'blurring'). Het plan voorziet immers ook in de realisatie van een fietsenmaker/winkel die met name gericht is op de aanwezige studenten op het terrein en horeca met een 'blurring' functie. Beiden dragen bij aan de realisatie van een centrumstedelijke sfeer dat aansluit op de ambities voor de hoofdwinkelstructuur zoals genoemd in de Detailhandelsvisie Haarlem Winkelstad.
38
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
3.4.7.2
Hotelbeleid Haarlem Haarlem zoekt 'balans in de groei' en heeft mede daarvoor het 'Hotelbeleid Haarlem' (16 oktober 2018) ontwikkeld. Haarlem staat open voor nieuwe, duurzame hotels maar wil dat die voldoende waarde aan Haarlem toevoegen en gaat onder andere via het hotelbeleid beter grip houden op de groei van de omvang, kwaliteit en spreiding van hotelaccommodaties in de stad (zowel nieuw als uitbreiding). Uitgangspunten bij de ontwikkeling van het hotelbeleid zijn: Haarlem hecht belang aan een duurzame, vitale en op de toekomstgerichte toeristische en recreatieve sector en een imago als gastvrije stad. Daarvoor is een voldoende en een kwalitatief breed aanbod van accommodaties van belang; Haarlem wil dat hotelinitiatieven bijdragen aan een duurzame (en circulaire) ontwikkeling van de stad. Haarlem werkt in een zo vroeg mogelijk stadium samen met ondernemers/ initiatiefnemers aan de uitwerking/vormgeving van nieuwe initiatieven; Haarlem wil dat haar bewoners en bedrijven zo veel mogelijk waarde ondervinden van de bezoekers en/of de toeristische sector (en zo min mogelijk overlast).
Haarlem streeft naar 'balans', waar zowel bewoners, bedrijven als bezoekers de stad als aantrekkelijk ervaren; Haarlem hecht belang aan een 'gelijk speelveld': met de opkomst van de deeleconomie neemt de particuliere vakantieverhuur een vlucht en neemt niet alleen de kans op overlast en oneigenlijke concurrentie toe. De gemeente wil dat voorkomen door heldere regels en handhaving; Regionale afstemming. Haarlem sluit met het hotelbeleid aan op de MRA-strategie verblijfsaccommodaties, die momenteel binnen de Metropoolregio wordt ontwikkeld. Op basis van deze uitgangspunten zijn in het hotelbeleid de opgaven gedefinieerd, uitgewerkt en vertaald naar een ontwikkelkader, dat als toetsingskader dient voor nieuwe en/of uitbreiding van bestaande hotelinitiatieven. Grip op groei Het aantal bezoekers naar Haarlem en de regio, vanuit Nederland en vanuit het buitenland, neemt ook de komende jaren flink toe. Dat wordt bevestigd in een recente studie uitgevoerd in opdracht van de provincie Noord-Holland (ZKA, oktober 2018). In de studie wordt berekend dat er in de MRA-regio naast de bestaande 'harde' plannen voor circa 9.000 hotelkamers, behoefte zal zijn aan nog eens 9.000 hotelkamers extra.
Door het recente stringente beleid voor hotels in Amsterdam (geen nieuwe hotels, tenzij….) zal de druk op de regio, en daarmee Haarlem, toenemen De grote opgave voor Haarlem is om goed om te gaan met de verwachte groei in de komende jaren. Het gaat daarbij om (1) de verdeling van de schaarse ruimte, maar ook om (2) het tegengaan van nadelige gevolgen van bezoekers voor de bewoners en bedrijven. In het coalitieakkoord (2018) wordt gesproken over de 'Menselijke maat' en
39
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
wordt het beeld geschetst van een groen, groeiend, sociaal en leefbaar Haarlem. Hoe kan het nieuwe hotelbeleid (2019 en verder) daar een bijdrage aan leveren en wat zijn dan belangrijkste uitdagingen en opgaven voor de komende periode? Haarlem hanteert voor het nieuwe hotelbeleid geen specifieke tijdshorizon. Het voorstel is om op basis van de ervaringen met het hotelbeleid en de regionale samenwerking, over uiterlijk 5 jaar te bezien waar de gemeente staat en of er aanpassingen van het beleid gewenst zijn. Wanneer gesproken wordt over 'grotere initiatieven', dan worden initiatieven bedoeld van 50 of meer slaapplekken, meestal 25 kamers. Om grip op de groei te houden dient kwaliteit te worden toegevoegd en dienen nadelige gevolgen te worden voorkomen. Om dit te bereiken heeft de gemeente een ontwikkelkader opgesteld, dat aan de hand van 11 criteria de mogelijkheid biedt om nieuwe en bestaande accommodaties (uitbreiding) te beoordelen en te toetsen. Het ontwikkelkader biedt initiatiefnemers voldoende richting om hun initiatief op Haarlem toe te spitsen. Ontwikkelkader A. Kwantiteit | marktruimte B. Spreiding over de stad C. Buurtbetrokkenheid D. Duurzaamheid E. Sociaal | MVO F. Kwaliteitsimpuls bestaande hotelaanbod G. Kwaliteitsimpuls voor de omgeving H. Kwaliteitsimpuls bestaand pand I. Stedenbouwkundige inpasbaarheid J. Bereikbaarheid K.
Borging concept Relatie met het plan In onderstaande beschouwing vindt de toets aan de criteria van het ontwikkelkader plaats. De voorgenomen ontwikkeling realiseert een 3*- à 4* niveau (boetiek-)hotel met ruimte voor 50 tot 70 kamers. Dit maakt het hotel, conform het vigerende hotelbeleid, een groot initatief (> 50 slaapplekken). Met een dergelijk initiatief wordt bijgedragen in de behoefte aan 9.000 hotelkamers in de MRA-regio. Een hotel draagt bij aan de functiemenging in een buurt en kan de aantrekkelijkheid van een buurt vergroten. De nabijheid van de Koepel, die op zich al functies bergt met een aantrekkende werking, een locatie op relatief korte afstand van Haarlem Station en net buiten het centrum gelegen, is het de verwachting dat er behoefte is aan hotelkamers op deze locatie. Boetiekhotels worden gekenmerkt door een eigen, persoonlijke stijl en accommodatie. Ze zijn vaak kleiner dan gemiddelde ketenhotels en hebben drie tot honderd kamers. Het hier beoogde hotel krijgt een luxueuze, eigenzinnige maar ook intieme sfeer en voldoet daarmee aan die kenmerken; een 'sterk merk'. Aan de rand van het centrum van Haarlem kan dit hotel een extra 40
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
aantrekkingskracht voor de buurt betekenen, waarbij de verwachte hotelgasten gebruik zullen maken van de voorzieningen in de directe nabijheid, zoals de aanwezige horeca in de Koepel en langs het Spaarne, de bioscoop, et cetera. Verwacht wordt dat er zowel gebruikers van de Koepel (universiteit, zakelijk) als leisure toeristen naar het hotel zullen komen. Met een wandeling door de buurt zal men via de Catharijnebrug zo het centrum van Haarlem in kunnen wandelen. Door de fysieke verbondenheid met de Koepel, juist op de locatie tussen Koepel en stad, kan het initiatief verbinding krijgen met de buurt. Door de horeca laagdrempelig te maken, wordt het hotel-restaurant van iedereen. Daarnaast biedt het hotel werkgelegenheid voor de buurt. Het hotel kan nieuwsbrieven in de directe omgeving rondsturen om zo de buurt op de hoogte te houden van eventuele evenementen, wijziging van menu en werkgelegenheid. Om mogelijke overlast voor de buurt tegen te gaan, zal het hotel voorzien zijn van een nachtreceptie, waarmee de bereikbaarheid bij eventuele acute overlast geborgd is. Tot slot zal voorafgaand aan de bouw van het hotel een overeenkomst met een hotelexploitant gesloten te worden, zodat geborgd is dat het beoogde concept ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met het Hotelbeleid Haarlem. 3.4.8 Maatschappelijk 3.4.8.1
Haarlem Maatschappelijk op de Kaart (2010) De visie brengt belangrijke toekomstige ontwikkelingen en (ruimte)behoeften in beeld op het gebied van welzijn, onderwijs, zorg, cultuur en sport. Vanuit diverse invalshoeken worden die met elkaar verbonden en wordt een richting gegeven voor ruimtelijke ontwikkelingen voor de komende jaren. Daarmee wordt een duidelijke koppeling tot stand gebracht tussen sociaal en fysiek. Concrete keuzen moeten worden uitgewerkt in gebiedsvisies. De visie biedt een handvat voor de ontwikkeling of bijstelling van het eigen gemeentelijk accommodatiebeleid, is voor de gemeenteraad een kaderstellend document, biedt professionele partijen duidelijkheid over de gewenste richting van de ruimtelijke ontwikkeling van de maatschappelijke voorzieningen en geeft belangrijke input bij de ontwikkeling van gebiedsvisies en stedenbouwkundige plannen. De gemeente is verantwoordelijk voor de huisvesting van de scholen. In principe zijn de schoolbesturen 'bouwheer'. In 2008 is het Strategisch Huisvestingsplan Onderwijs en het daaruit voortvloeiende Uitvoeringsplan vastgesteld. De (toekomstige) locaties en de omvang van de gebouwen zijn daarin voor de diverse onderwijssoorten vastgesteld. Dit plan is uitgangspunt voor de ruimtelijke planning.
Het beleid is er verder op gericht verbindingen te leggen met de ruimtebehoefte van de voorzieningen die gekoppeld kunnen worden aan de brede scholen en een nog op te stellen huisvestingsplan voor de sport. Beleidsuitgangspunt is dat waar de mogelijkheden zich aandienen, gestreefd wordt naar het realiseren van een multifunctionele accommodatie. Er worden de komende jaren geen (demografische) ontwikkelingen voorzien die ingrijpend zullen zijn voor aantal en spreiding van onderwijsvoorzieningen. Relatie met het plan 41
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
In de visie Haarlem Maatschappelijk op de Kaart (2010) is t.a.v. de maatschappelijke functie onderwijs het beleidsuitgangspunt dat waar de mogelijkheden zich aandienen, gestreefd wordt naar het realiseren van een multifunctionele accomodatie. In de nota 'Ambities en Eisen Herontwikkeling Koepel Haarlem' (14 juli 2016) heeft de gemeente Haarlem randvoorwaarden voor de transformatie van het Koepelterrein geformuleerd. Een van deze randvoorwaarden is dat minimaal 20% van het totale bruto vloeroppervlak een maatschappelijke/culturele functie krijgt. Om aan deze eis te voldoen wordt op de locatie een stadscampus gerealiseerd, waar het academisch onderwijs onderdeel van uitmaakt. De behoefte aan deze Universiteit is gebleken uit de regio en zal ingevuld worden door de Global School for Entrepreneurship en de SRH Gruppe. Door de locatie in te richten als stadscampus ontstaat een multifunctionele accomodatie, waarin zowel culturele, maatschappelijke, publieksgerichte, horeca-, hotel- en woonfuncties worden gecombineerd. 3.4.9 Verkeer en vervoer Met het vaststellen van de Structuurvisie Openbare Ruimte Haarlem 2040: Groen en Bereikbaar (SOR) op 21 december 2017, is het Haarlems Verkeer en Vervoersplan (HVVP, 2003) vervallen. In de SOR is de ambitie voor Haarlem beschreven: een stad waar ruimte is om met elkaar te kunnen wonen, leven en verblijven.
De SOR beschrijft de keuzes die Haarlem in de toekomst groen en bereikbaar houden. Ten aanzien van het aspect verkeer liggen er specifieke opgaven voor het afwikkelen van verkeersstromen. Of het nu gaat om de groeiende fietsersstromen, de doorstroming van (hoogwaardig) openbaar vervoer (HOV), de afwikkeling van het regionale gemotoriseerde verkeer of om de bereikbaarheid van de binnenstad voor de toenemende stroom bezoekers, waaronder toeristen. Daarnaast moet de parkeerdruk in de wijken beheersbaar blijven om de bereikbaarheid te garanderen en de leefbaarheid te waarborgen. In het SOR zijn derhalve de volgende aandachtspunten benoemd: Groeiende fietsers- en voetgangersstromen accommoderen. Regionaal autoverkeer oost- west om de stad geleiden. Parkeerdruk binnenstad en omliggende wijken in goede banen leiden. Bereikbaarheid binnenstad garanderen. Metropolitane verbindingen verbeteren. In paragraaf 4.8 zal het aspect verkeer en vervoer voor het onderhavige plan nader uitgewerkt worden.
42
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
Hoofdstuk 4 4.1
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Ladder voor duurzame verstedelijking In paragraaf 3.1.2 en paragraaf 3.2.2 is reeds geconcludeerd dat de ontwikkeling is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. Derhalve dient in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking enkel de behoefte van de ontwikkeling aangetoond te worden. Vanuit de PRV volgt de verplichting dat de nieuwe stedelijke ontwikkeling in overeenstemming dient te zijn met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. Gemeente Haarlem is gelegen in de regio Zuid Kennemerland, waarbinnen regionale afspraken worden gemaakt m.b.t. woningbouw. In paragraaf 3.3.1 heeft voor de functie wonen de toets aan het regionale beleid plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat voor de beoogde woningen op de locatie een regionale behoefte bestaat. De voorgenomen ontwikkeling geeft hier invulling aan. De voorgenomen ontwikkeling maakt naast woningbouw diverse functies mogelijk. Van elk van deze functies dient de behoefte aangetoond te worden. De behoefte aan de mix van functies is aangetoond in de paragrafen 3.4.1, 3.4.2 en 3.4.3. Uit deze beleidsstukken blijkt dat de behoefte aan een levendige centrumstedelijke sfeer, met een mix van functies. Meer specifiek is de behoefte per functie aangetoond in de beleidsparagrafen 3.4.6 t/m 3.4.8.
In deze paragrafen is de gemeentelijke behoefte voor het aantal woningen op de locatie, de beoogde gemakswinkel, de hotelfunctie en de onderwijsfunctie aangetoond. Voor de te realiseren bioscoop in De Koepel is door Ecorys een onderzoek in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3 van deze toelichting. In dit onderzoek is het verzorgingsgebied van de bioscoop, de rol van de provincie en de behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling bepaald. Vastgesteld is dat er in de komende 10 jaar voldoende behoefte aan extra bioscoopstoelen bestaat om onder meer de opening van de nieuwe bioscoop in de Koepel mogelijk te gaan maken. Bij deze afweging is verder van belang: dat er niet voldoende bestaande harde plancapaciteit beschikbaar is die in de behoefte van deze functie kan voorzien; dat de functie niet in bestaande leegstaande gebouwen kan worden geaccommodeerd (deze voorwaarde is bij de onderhave casus niet relevant, omdat de nieuwe bioscoop in een bestaand leegstaand gebouw zal worden geaccommodeerd); en dat de voorgenomen planologische toevoeging geen zodanige leegstand tot gevolg heeft dat dit tot een onaanvaardbare situatie leidt uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Ecorys heeft geconcludeerd dat er voldoende regionale behoefte bestaat voor de nieuwe bioscoop.
De nieuwe bioscoop roept geen effecten op, die in strijd met een goede ruimtelijke ordening kunnen zijn. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling is gelegen in
43
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
bestaand stedelijk gebied en dat voldoende (regionale) behoefte bestaat voor de voorgenomen ontwikkeling. Er wordt voldaan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking.
4.2
M ilieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Het gebruik van milieuzonering biedt anderzijds de mogelijkheid om bepaalde bedrijvigheid te versterken, omdat deze zich (legaal) verder kan uitbreiden. In de milieuzonering staat de typering van (woon) gebieden centraal. Bij het wel of niet toelaten van bepaalde bedrijvigheid in (woon)gebieden is gelet op onder andere de ligging van (potentiële) bedrijven ten opzichte van de omgeving, de mate van eventueel te verwachte hinder en het na te streven karakter van de buurt/wijk. Door middel van een passende bestemmings- en gebruiksregeling kan het bestemmingsplan een bijdrage leveren aan een afname van overlast binnen het plangebied, door niet passende bedrijvigheid of activiteiten zoveel mogelijk te weren, te reduceren, of door hinder beperkende maatregelen te treffen. Categorisering van bedrijven in en rondom het projectgebied Het grondgebied van Haarlem is ingedeeld in gebieden of zones. Deze opdeling is bepaald door specifieke kenmerken van die gebieden (waaronder aanwezige functies, bebouwingsdichtheid, ligging ten opzichte van wegen en stations e.d.).
In die gebieden of zones zijn drie typen bedrijvigheid aan de orde: bedrijven tot en met categorie A: deze bedrijven veroorzaken geen of nauwelijks hinder voor de omgeving. Deze bedrijven kunnen in hetzelfde pand gevestigd zijn als woningen. bedrijven tot en met categorie B: dit zijn bedrijven die een lichte vorm van hinder kunnen voor de omgeving kunnen opleveren. Deze functie is goed mogelijk in een woonomgeving, maar een bouwkundige scheiding ten opzichte van woningen is daarbij dan wel vereist. bedrijven tot en met categorie C: dit zijn bedrijven die een gemiddelde vorm van hinder voor de omgeving kunnen opleveren. Deze functie is onder voorwaarden goed mogelijk in een woonomgeving. Een ruimtelijke scheiding van de bedrijfsactiviteiten ten opzichte van woningen is daarbij vereist. Onderzoek Het plangebied kan goed getypeerd worden als stedelijk centrum, waarbij vervolgens is aangesloten bij het omgevingstype 'gemengd gebied' met functiemenging. Hier zijn bedrijven t/m bedrijfscategorie C toegestaan. In het plangebied wordt een onderwijsfunctie gecombineerd met woonfunctie voor studenten een hotel, bioscoop, horeca en ondergeschikte detailhandel. Dit betekent dat in gebieden met functiemenging niet gewerkt wordt volgens het principe van functiescheiding.
44
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
Met de voorgenomen herontwikkeling wordt de voormalige gevangenis getransformeerd naar een combinatie van functies met overwegend een onderwijs en woonfunctie. Er wordt een gemengd gebied gerealiseerd. De functie wonen is een gevoelige bestemming in de zin van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De overige functies behoren tot categorie A (detailhandel, horeca) en categorie B (onderwijs) categorie C (bioscoop en parkeergarage) en kunnen, mits bouwkundig gescheiden goed opgenomen worden naast woningen.
Nader onderzoek geluidsaspecten Volledigheidshalve is in het kader van een goede ruimtelijke ordening onderzoek uitgevoerd naar het geluid in de omgeving. Dit onderzoek is in februari door Peutz uitgevoerd (zie bijlage 7). De te realiseren horecafunctie met terrassen alsmede de verkeersstromen en laden en lossen kan leiden tot geluidshinder voor omwonenden. Voor wat betreft het geluid naar de omgeving zijn de volgende aspecten relevant: - de bevoorrading van de commerciële functies; - de activiteiten op de terrassen; - het rijden van personenwagens ter plaatse van de Kiss&Ride. Het geluid ten gevolge van het rijden van de personenwagens van en naar de Kiss&Ride alsmede de vrachtwagens en de personenwagens op de openbare weg valt niet onder het regime van het Activiteitenbesluit. In het onderzoek wordt wel nader ingegaan op deze activiteiten buiten de grens van de inrichting (indirecte hinder). De resultaten van het onderzoek is hieronder integraal weergegeven. Het hotelrestaurant (inclusief terrassen) betreft een type B-inrichting, dit geldt ook voor de kantine behorende bij de beoogde onderwijsinstelling, zoals bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit).
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Uit het onderzoek van Peutz volgt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) ten gevolge van de activiteiten op het Koepelterrein (met uitzondering van het terras van de kantine) ter plaatse van de gevels van woningen ten hoogste 47, 42 en 35 dB(A) bedraagt in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Hiermee wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit van 50, 45 en 40 dB(A) voor respectievelijk de dag-, 45
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
avond- en nachtperiode. Het terras van de kantine wordt hierbij buiten beschouwing gelaten, aangezien stemgeluid bij een onverwarmd en onoverdekt terras buiten beschouwing blijft bij de toetsing aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het menselijk stemgeluid echter wel relevant. Aangezien het onverwarmde en onoverdekte terras slechts op een relatief beperkt aantal momenten per jaar in gebruik zal zijn zal deze naar alle verwachting niet leiden tot een slecht woon- en leefklimaat. Maximale geluidsniveaus Laad- en losactiviteiten De maximale geluidniveaus ten gevolge van het laden en lossen van de vrachtwagens bedragen ten hoogste 79 dB(A). De maximale geluidniveaus veroorzaakt door het rijden van de vrachtwagens voor de bevoorrading bedragen ten hoogste 77 dB(A). Dergelijke maximale geluidniveaus zullen ook in de huidige situatie optreden ten gevolge van het rijden van de vrachtwagens ten behoeve van de bevoorrading van de huidige Koepelterrein. De geluidgrenswaarden voor de maximale geluidniveaus zijn volgens artikel 2.17, lid b, gedurende de dagperiode niet van toepassing op de laad- en losactiviteiten. Zou dit niet buiten beschouwing gelaten worden dan zouden in Nederland de meeste winkels niet meer bevoorraad kunnen worden.
Dit is dan ook de reden waarom in het Activiteitenbesluit het laden en lossen, inclusief het aan- en afrijden van voertuigen bij de beoordeling van de maximale geluidniveaus buiten beschouwing gelaten wordt. Maximale geluidniveaus hoger dan 70 dB(A) in de dagperiode ten gevolge van het rijden en het laden en lossen van de vrachtwagens kunnen in de onderhavige situatie derhalve acceptabel geacht worden. Dit betekent echter wel dat het laden en lossen enkel gedurende de dagperiode plaats kan vinden. In artikel 11.1.3 is het laden en lossen beperkt tot de dagperiode tussen 7:00 uur en 19:00 uur. Terrassen Het maximale geluidniveau (LAmax) ter plaatse van de gevels van woningen bedraagt ten gevolge van de activiteiten ter plaatse van de terrassen ten hoogste 52 dB(A), 52 dB(A) en 52 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Hierbij wordt het maximale geluidniveau ten gevolge van het terras van de kantine buiten beschouwing gelaten, aangezien stemgeluid bij een onverwarmd en onoverdekt terras immers buiten beschouwing blijft bij de toetsing aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. De maximale geluidniveaus voldoen hiermee aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit van 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.
Hiermee vormt het maximale geluidniveau ten gevolge van de activiteiten op de terrassen geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. In overleg met de initiatiefnemers is de openstelling van het terras beperkt tot de dag en de avondperiode. Het terras is daarmee gesloten voor publiek tussen 23:00 uur en 7:00 uur. Dit is vastgelegd in artikel 3.3. Kiss&Ride
46
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
Ten gevolge van de Kiss & Ride bedraagt het maximale geluidniveau (LAmax) ten hoogste 67 dB(A), 67 dB(A) en 67 dB(A) in respectievelijk de dag-, avonden nachtperiode. Dit wordt veroorzaakt door het dichtslaan van portieren van personenwagens. Deze waarden voldoet derhalve aan de geluidgrenswaarde van 70 dB(A) voor de dagperiode, maar niet aan de geluidgrenswaarde van 65 dB(A) en 60 dB(A) voor respectievelijk de avond- en nachtperiode. Aangezien dit het komen en gaan van bezoekers voor (horeca)functies betreft, zijn de voornoemde geluidgrenswaarden conform artikel 2.18 van het Activiteitenbesluit echter niet van toepassing. Het maximale geluidniveau ten gevolge van de Kiss & Ride vormt hiermee geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goed akoestisch woon- en leefklimaat is onderzocht wat het verwachte geluidniveau in de woningen (binnenniveau) als gevolg van de beoogde ontwikkeling zal zijn. Naast het optredende geluidniveau op de gevels, is de geluidwering van de gevels van belang bij het bepalen van het binnenniveau. Omdat in dit onderzoek de geluidwering niet meettechnisch is vastgesteld, is hiervoor een gefundeerde aanname gedaan. De gebouwen ter plaatse van het Koepelterrein worden deels nieuw gebouwd en deels herontwikkeld.
Op basis van dit gegeven, en het feit dat de gevels op het zicht in goede staat verkeren, mag worden aangenomen dat de geluidwering tenminste 25 dB bedraagt. Dit betekent dat het binnenniveau (LAr,LT) vanwege de activiteiten ter plaatse van het Koepelterrein in de maatgevende woningen ten hoogste 22, 17 en 10 dB(A) zal bedragen in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Het hoogste binnenniveau van 22 dB(A) wordt veroorzaakt door de bevoorrading middels vrachtwagens. Opgemerkt wordt dat zowel in de huidige als toekomstige situatie sprake is van het bevoorraden van het Koepelterrein, waardoor voor bestaande woningen geen sprake is van wijzigingen welke die van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat. Het maximale binnengeluidniveau (LAmax) ten gevolge van de beoogde ontwikkeling zal bovendien tussen 09.00 en 01.00 uur ten hoogste 27 dB(A) bedragen. Het terras van de kantine wordt hierbij buiten beschouwing gelaten in de beoordeling. Dit terras is onverwarmd en onoverdekt en zal daarom slechts gedurende een beperkt aantal momenten van invloed zijn op het geluid in de omgeving. Naar verwachting zal dit niet leiden tot een slecht woon- en leefklimaat.
Bovendien wordt opgemerkt dat de terrassen ter plaatse van het Koepelterrein naar verwachting niet het gehele jaar door in gebruik zullen zijn; in de winter is het immers doorgaans niet erg aantrekkelijk om op een terras te verblijven. De terrassen zullen voornamelijk in de zomerperiode in de avonden volop in gebruik zijn. De berekende geluidbelastingen ter plaatse van nabijgelegen woningen zullen dan ook niet regelmatig voorkomen. Tevens zijn de beoogde nieuwe woningen voornamelijk gericht op studenten, welke doorgaans niet voor langere tijd in deze woningen zullen wonen. Indirecte hinder Uit het onderzoek blijkt dat het equivalente geluidniveau (LAeq) ter plaatse van de bestaande woningen ten gevolge van de activiteiten behorende bij het
47
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
Koepelterrein buiten de grenzen van de inrichting (indirecte hinder) ten hoogste 54 dB(A) in de dagperiode en 35 dB(A) in de avondperiode bedraagt. In de nachtperiode bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 30 dB(A). Hiermee wordt voldaan aan de maximale grenswaarden volgens de VROM-circulaire van 65 dB(A), 60 dB(A) en 55 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. De voorkeursgrenswaarden van 50 dB(A),45 dB(A) en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode worden echter voor de dagperiode wel overschreden. Conform de VROM-circulaire is een overschrijding van de voorkeursgrenswaarden acceptabel indien het equivalente geluidniveau binnen de woning voldoet aan ten hoogste 35 dB(A) in de dagperiode en 30 dB(A) in de avondperiode. Voor de betreffende bestaande woningen geldt in alle redelijkheid dat de geluidwering van deze gevels tenminste 20 dB(A) bedraagt. Het binnenniveau in deze woningen zal aldus ten hoogste 34 dB(A) in de dagperiode en 28 dB(A) in de avondperiode bedragen. Deze waarden voldoen aan de richtlijnen van de VROM-circulaire. Tevens is in de huidige situatie ook sprake van het aan- en afrijden van voertuigen in het kader van indirecte hinder. Zowel voor als na de beoogde ontwikkeling zullen de functies ter plaatse van het Koepelterrein immers bevoorraad worden.
Bovendien zijn de berekende geluidniveaus niet ongebruikelijk op een dergelijke stedelijke locatie. Ter plaatse van het Koepelterrein is bovendien thans reeds sprake van een hoge geluidbelasting ten gevolge van de ligging nabij enkele relatief drukke wegen. Hiermee vormt de indirecte hinder geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Op basis van de richtafstanden conform de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering" zijn de beoogde activiteiten ter plaatse van het Koepelterrein op een passende afstand ten opzichte van bestaande en beoogde woningen gesitueerd. Volledigheidshalve is echter alsnog akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting ter plaatse van de gevels van woningen ten gevolge van de activiteiten ter plaatse van het Koepelterrein. Uit de resultaten van het akoestisch onderzoek volgt dat de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit voor zowel de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus als de maximale geluidniveaus ter hoogte van de beoogde en bestaande woningen in de omgeving niet worden overschreden. Opgemerkt wordt dat dit enkel opgaat indien het terras behorende bij de kantine niet verwarmd en overdekt wordt, en wanneer de laad- en losactiviteiten enkel gedurende de dagperiode plaatsvinden.
Tot slot vormt indirecte geluidhinder van het verkeer van en naar het Koepelterrein op de openbare weg geen belemmering, aangezien het geluidniveau ten gevolge van indirecte hinder maximaal 54 dB(A) en 48 dB(A) in de dag- en avondperiode bedraagt ter plaatse van de meest nabijgelegen gevoelige bestemming. Hiermee worden weliswaar de voorkeursgrenswaarden van 50 dB(A) en 45 dB(A) voor de dag- en avondperiode overschreden, maar worden de maximaal toegestane geluidgrenswaarden niet overschreden. Deze geluidbelasting is niet ongebruikelijk op een dergelijke stedelijke locatie en wordt aanvaardbaar geacht mits een binnenniveau van 35 dB(A)-etmaalwaarde
48
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
wordt gewaarborgd. Ter plaatse van het Koepelterrein is bovendien reeds sprake van een hoge geluidbelasting ten gevolge van de ligging nabij enkele relatief drukke wegen. Het betreft hier een hoogstedelijke ontwikkeling in een gebied dat tegen het centrum aan ligt en door de nieuwe functies juist ook een verbinding zoekt met het centrum. Resumerend kan gesteld worden dat voor de beoogde woningen sprake zal zijn van een goed akoestisch woon- en leefklimaat, en voor bestaande woningen een goed woon- en leefklimaat zal worden gewaarborgd. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de herontwikkeling van het Koepelterrein.
4.3
Geluid
4.3.1 Inleiding Naast de onderzoeken naar geluid die zijn genoemd in paragraaf 4.2, is onderzoek verricht in het kader van de Wet geluidhinder. De mate waarin wegverkeerslawaai, spoorwegverkeerslawaai en/of industrielawaai het (woon)milieu mogen belasten is geregeld in de Wet geluidhinder. Deze wet stelt dat in principe de geluidbelasting op de gevel van gevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld woningen, scholen of ziekenhuizen) niet hoger mag zijn dan de zogenaamde voorkeursgrenswaarde. Dit moet getoetst worden bij bouwaanvragen en/of bij bestemmingswijzigingen. 4.3.2 Onderzoek Het plangebied is gelegen binnen de geluidzone van meerdere wegen, het nabijgelegen spoortraject 'Haarlem - Amsterdam' en de geluidzone van het gezoneerde industrieterrein ‘Waarderpolder‘. Aangezien woningen geluidgevoelig zijn, dient de geluidbelasting ter plaatse van de gevels van de beoogde ontwikkeling ten gevolge van weg- , railverkeers- en industrielawaai conform de Wet geluidhinder inzichtelijk gemaakt te worden. Naar aanleiding van de tussenuitspraak van de Raad van State van 28 april 2021 en de daarmee samenhangende uitbreiding van de ondergrondse parkeergarage is door Peutz is een geactualiseerd akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de optredende geluidbelasting ten gevolge van weg- en railverkeerslwaai ter plaatse van de gevels van de beoogde woningen binnen het plangebied.
Het onderzoek is opgenomen in bijlage 6 van deze toelichting. De conclusie van dit onderzoek wordt hieronder integraal overgenomen. Uit akoestisch onderzoek volgt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en 55 dB voor respectievelijk wegverkeer en railverkeer ter plaatse van de beoogde woningen ten gevolge van weg- en railverkeerslawaai wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde voor weg- en railverkeer wordt niet overschreden. Tevens bedraagt de geluidbelasting ten gevolge van industrielawaai 55 dB (A) ter plaatse van de gevels van de beoogde woningen. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 50 dB (A) voor industrielawaai tevens overschreden. Uit voorliggend onderzoek kan geconcludeerd worden dat er hogere waarden verleend moeten worden ten gevolge van wegverkeers-, en railverkeers- en 49
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
industrielawaai. Alvorens het college van burgemeester en wethouders hogere waarden kunnen verlenen, dient eerst onderzocht te worden of door het treffen van stedenbouwkundige maatregelen (indeling bouwplan, situering geluidgevoelige bestemmingen), bron- of overdrachtsmaatregelen, dan wel (bouwkundige) maatregelen bij de ontvanger aan de voorkeursgrens-waarde kan worden voldaan. Indien bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk of onvoldoende blijken te zijn om de geluidbelasting vanwege weg- en railverkeer tot de voorkeursgrenswaarde te beperken, kunnen voorzieningen aan of in de woningen worden gerealiseerd. 4.3.3 Conclusie In het onderzoek zijn de mogelijke maatregelen nader beschouwd. In voorliggende situatie zullen hierbij (bouwkundige) maatregelen bij de ontvanger moeten worden toegepast. Hiermee zal tevens voldaan moeten worden aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. Aangezien het ontwerp van de beoogde ontwikkeling thans nog niet in detail is uitgewerkt, zullen deze maatregelen in een later stadium nader uitgewerkt moeten worden.
4.4
Bodem
4.4.1 Inleiding Op grond van de Wet bodembescherming wordt getoetst of de aanwezige bodemkwaliteit een belemmering vormt voor de beoogde functies in het bestemmingsplangebied. Voor het bestemmingsplangebied wordt beoordeeld op basis van de bodemkwaliteitskaart en op de aan/afwezigheid van locaties verdacht van bodemverontreiniging en uitgevoerde onderzoeken in het bestemmingsplangebied. Informatie Milieukwaliteit van de bodem Op basis van reeds uitgevoerde bodemonderzoeken op onverdachte terreinen is de Haarlemse bodemkwaliteitskaart vastgesteld (zie figuur 4.1). In de Haarlemse bodemkwaliteitskaart worden acht bodemkwaliteitszones onderscheiden. Per bodemkwaliteitszone is de gemiddelde bodemkwaliteit vastgesteld. Zeven zones zijn op de kaart zichtbaar als geografische eenheden. Zone 8 heeft betrekking op openbare gebieden. Het bestaansrecht van deze zone bestaat in het feit dat ter plaatse van wegen een afwijkende kwaliteit wordt aangetoond dan de kwaliteit van het omliggende gebied. Het oppervlak van de bovengrond en ondergrond van deze zone verschillen van elkaar. Het bestemmingsplangebied (de Koepel) is gelegen in de bodemkwaliteitszone 1.
50
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
Figuur 4.1 Haarlemse bodemkwaliteitskaart Bodemkwaliteitszone 1 In deze bodemkwaliteitszone is de bovengrond (0,0 - 0,5 m-mv) gemiddeld matig verontreinigd met lood. Verder is de grond gemiddeld licht verontreinigd met koper, kwik, zink, PCB, PAK (teerachtige verbindingen in bijvoorbeeld koolas) en minerale olie. Plaatselijk komen sterke verontreinigingen voor met lood en zink, matige verontreinigingen met koper en PAK en lichte verontreinigingen met cadmium, kobalt en nikkel. De ondergrond (0,5 - 2,0 m-mv) is gemiddeld licht verontreinigd met koper, kwik, lood, zink en PAK. In de ondergrond komen plaatselijk sterke verontreinigingen voor met lood. Koper en zink komen plaatselijk als matige verontreiniging voor. Cadmium, kobalt, molybdeen en minerale olie komen plaatselijk als lichte verontreiniging voor. In onderstaande tabel zijn de gemiddelden en de P95-waarden van de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) en ondergrond (0,5-1,5 m-mv) van de bodemkwaliteitszone 1 weergegeven.
51
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
Grondverzet De gemeente Haarlem heeft voor haar beheergebied gebieds-specifiek beleid vastgesteld (Nota bodembeheer 5-9-2013, BBV nr: STZ/MIL 2013/232071). Voor het toepassen van grond in bodemkwaliteitszone 1 zijn Lokale Maximale Waarden vastgesteld. In de onderstaande tabel zijn de Lokale Maximale waarden voor bodemkwaliteitszone 1 weergegeven.
toelichting: De w eergegeven gehalten zijn de gehalten bij een standaardbodem met gehalte humus van 10% en gehalte lutum van 25%
Op basis van de Nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart is vrij grondverzet binnen de bodemkwaliteitszone 1 toegestaan, mits het gaat om grond van een onverdachte locatie. Voor het toepassen van grond uit bodemkwaliteitszone 1 in andere 52
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
bodemkwaliteitszones is een partijkeuring nodig. 4.4.2 Onderzoek In het bestemmingsplangebied zijn een zestal rapportages met betrekking tot bodemkwaliteit bekend. Verkennend milieukundig bodemonderzoek, penitentiair complex aan de Harmenjansweg 4 te Haarlem, Fugro, rapportnummer P-5863, 15-09-1994 Aanvullend milieukundig bodemonderzoek aan de Harmenjansweg 4 te Haarlem, Fugro, rapportnummer P-5863/001, 27-10-1994 NEN 5740-onderzoek nieuwbouw entreegebouw PI Haarlem, Omegam, rapportnummer 1104024, 20-10-2000 Deelsaneringsplan Harmenjansweg 4 te Haarlem, Omegam, rapportnummer 1105369, 1812-2002 Verkennend bodemonderzoek Harmenjansweg 4 (Koepelgevangenis) te Haarlem, Tauw, rapportnummer 1228273, 19-05-2016. (Zie hiervoor bijlage 4 van deze toelichting) Oplegnotitie algemene bodemkwaliteit De Koepel te Haarlem, Tauw, rapportnummer N001-1271681JFK-eht-V01-NL, 23-07-2019. (Zie bijlage 5 van deze toelichting) Het verkennend bodemonderzoek van Tauw d.d. 19-05-2016 is dekkend uitgevoerd over vrijwel het gehele gebied, de voorgaande onderzoeken betreffen delen van het gebied in verband met aanvragen van bouwvergunningen. Binnen het plangebied zijn op een aantal plaatsen activiteiten verricht die mogelijk bodemverontreiniging veroorzaken. Het gaat binnen dit plangebied met namen om ondergrondse brandstoftanks, kolenbunkers, smederij-activiteiten en stort van (huis)vuil.
Uit het laatste verkennend onderzoek blijkt dat ter plaatse van de voormalige kolenbunkers een verontreiniging met minerale olie van beperkte omvang aanwezig. Tijdens het onderzoek is een plaatje asbesthoudend materiaal aangetroffen, in het asbest onderzoek wordt een gehalte asbest vastgesteld beneden de 50 mg/kg droge stof. Er is op basis van dit onderzoek geen verdenking ten aanzien van verontreiniging met asbest. Algemeen worden verhoogde gehalten aan zware metalen (lood, koper) en PAK aangetoond, incidenteel is sprake van gehalten hoger dan de interventiewaarde. Dit beeld is afwijkend van de gehalten die op basis van de bodemkwaliteitskaart worden verwacht. In de huidige situatie vormen de verontreinigingen geen belemmering voor het gebruik. In de oplegnotitie van Tauw d.d. 23-07-2019 (behorende bij het daarvoor uitgevoerde verkennend bodemonderzoek) is de bodemkwaliteit in relatie tot de beoogde ontwikkeling beschreven en is tevens beoordeeld of de bodemkwaliteitsgegevens voldoende actueel zijn. Ondergrondse brandstoftanks Op het terrein zijn een tweetal ondergrondse brandstoftanks bekend op de adressen Harmenjansweg 4 en Harmenjansweg 6. Door de eigenaar 53
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
(Rijksvastgoed) is aangegeven dat deze ondergrondse tank in de jaren '70 van de twintigste eeuw is verwijderd. De ondergrondse brandstoftank is niet bekend bij de gebruiker van Harmenjansweg 4. In het verkennend onderzoek Harmenjansweg 4 (Koepelgevangenis) te Haarlem (Tauw, rapportnummer 1228273, 19-05-2016) wordt vermeld dat de bewoner van Harmenjansweg 2 aangeeft dat aan de zuidzijde een niet meer in gebruik zijnde ondergrondse brandstoftank aanwezig is. De ondergrondse tanks die in gebruik zijn geweest zijn gesaneerd in een periode dat nog geen KIWA-certificaten werden uitgegeven. Voor buitengebruik zijnde ondergrondse brandstoftanks gelden de regels van het BOOT-besluit. In het verkennend bodemonderzoek aan de achterzijde van het adres Oostvest 16-18 wordt een voormalige ondergrondse brandstofopslag gemeld. Deze vermelding berust op onjuiste feiten. Ter plaatse is wel een kolenopslagplaats en centrale verwarming op kolen geweest. 4.4.3 Conclusie Op basis van de historie van het terrein en de uitgevoerde onderzoeken wordt geconcludeerd dat de locatie plaatselijk sterke verontreinigingen voorkomen. Deze verontreinigingen zijn geen belemmering voor het huidige gebruik. Algemeen komt de bodemkwaliteit overeen met de kwaliteit zoals die bekend is uit bodemkwaliteitszone 1. De huidig bekende bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het huidige en toekomstige gebruik.
In het kader van de omgevingsvergunning moet een technisch bodemonderzoek worden uitgevoerd naar de bodemkwaliteit ter plaatse. Uit het onderzoek kan naar voren komen dat plaatselijk verontreiniging voorkomen die niet gewenst zijn binnen het gebied en een risico vormen voor een gebruiksfunctie. In dat geval zal een sanering moeten worden uitgevoerd. De doelstelling van die sanering zal minimaal het bereiken van de achtergrondwaarden van bodemkwaliteitszone 1 zijn. Deze conclusie en aanbeveling wordt onderschreven in de uitgevoerde oplegnotitie van Tauw d.d. 23-07-2019.
54
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1 Inleiding De luchtkwaliteit is van belang voor de gezondheid van mens en dier en voor de kwaliteit van het milieu. In de Europese Unie zijn daarom grenswaarden afgesproken waaraan de concentraties van een aantal stoffen vanaf bepaalde ingangsdata moeten voldoen. Die grenswaarden en regelgeving om ze tijdig te bereiken en te handhaven zijn in Nederland opgenomen in de Wet milieubeheer, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen. Indien een bestemmingsplan vastgesteld of gewijzigd wordt, dient vast te staan dat de gevolgen voor de luchtkwaliteit voldoen aan die eisen (als gevolg van art. 5.16 lid 1 en 2). Die gevolgen worden bepaald door de verandering in gebruik en functies die door het bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt ten opzichte van de bestaande (toegestane) functies. Maatgevend is de met de veranderingen samenhangende groei van het autoverkeer en de daardoor veroorzaakte uitstoot van de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De Wet milieubeheer onderscheidt in artikel 5.16. lid 1 een aantal situaties waarin een bestemmingsplan voldoet aan de regels voor de luchtkwaliteit. Dit is onder meer het geval indien aannemelijk is dat de ontwikkelingen 'niet in betekenende mate' (NIBM) gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit (artikel 5.16 lid 1 onder c).
Nadere criteria om te bepalen of er sprake is van NIBM zijn gegeven in een AmvB Niet In betekenende Mate en een gelijknamige Regeling NIBM. Daarin is bijvoorbeeld aangegeven dat van NIBM onder meer sprake is indien het bestemmingsplan een netto-uitbreiding met minder dan 1.500 woningen of 100.000 m2 BVO kantoren mogelijk maakt. 4.5.2 Onderzoek De voorgenomen ontwikkeling behelst de realisatie van diverse functies. Om die reden kan niet zondermeer gesteld worden dat sprake is van een ontwikkeling die 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Derhalve is voor de beoordeling of de beoogde ontwikkeling in 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit, gebruik gemaakt van de NIBM-tool.
55
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
Uit de NIBM-tool blijkt dat de bijdrage van het extra verkeer (circa 800 extra voertuigbewegingen, gebaseerd op uitgevoerd onderzoek door Bonotraffics zie paragraaf 4.8.2) niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Om ook enig zicht te kunnen bieden in de optredende concentraties van stoffen in het plangebied wordt hieronder ook nader gekeken naar de berekende waarden. Er wordt eveneens voldaan aan de regelgeving van de luchtkwaliteit indien aannemelijk is dat wordt voldaan aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit (art 5.16 lid 1 onder a van de Wm). Om een beeld te krijgen van de bestaande en te verwachten luchtkwaliteit in het gebied is gebruik gemaakt van de luchtkwaliteitskaarten die te vinden zijn op www.nsl-monitoringstool.nl (geraadpleegd op 1 juni 2021). Op deze monitoringstool is te zien dat ter plaatse van de projectlocatie (rekenpunt 15676324) de concentraties in 2020 van stikstofdioxide NO2 20,6 µg/m3, van fijnstof PM10 19,0 µg/m3 en van fijnstof PM2,5 10,9 µg/m3 zijn. De grenswaarde voor toetsing voor stikstofdioxide NO2 is 40 µg/m3, voor fijnstof PM10 is 40 µg/m3 en voor fijnstof PM2,5 is 25 µg/m3 de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Wanneer de maximale bijdrage van het extra verkeer hierbij wordt opgeteld, zal de concentraties van zowel fijnstof als stikstofdioxide ruim onder de grenswaarden blijven.
tabel 4.1 achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 in het plangebied (2020)
56
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
4.5.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6
Externe veiligheid
4.6.1 Inleiding Voor het beschouwen van de externe veiligheid zijn het Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen), het Bevb (Besluit externe veiligheid buisleidingen) en het Bevt (Besluit transportroutes externe veiligheid) relevant. In deze AMvB's staat beleid waarmee de risico's rondom risicobronnen tot maatschappelijk aanvaardbare proporties kunnen worden beperkt. Risicobronnen kunnen inrichtingen zijn (bedrijven waar gewerkt wordt met gevaarlijke stoffen zoals ammoniak, chloor of LPG) of transportassen, zoals buisleidingen of wegen waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De meest effectieve manier om de risico's te beperken is het ruimtelijk scheiden van risicobron en risico-ontvanger. Concreet betekent dit hoe groter de afstand, hoe minder risico. De grens van het invloedsgebied wordt vaak bepaald door de 1% letaliteit-afstand (maar soms ook door een kleinere afstand). Dit is de afstand tussen risicobron en ontvanger, waarbij nog 1% van de ontvangers als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, komt te overlijden. Het invloedsgebied is een belangrijk begrip om te beoordelen of externe veiligheid voor een plangebied een te beschouwen aspect is. 4.6.2 Onderzoek Het plangebied is getoetst op het aspect externe veiligheid (zie bijlage 8). Hierbij is gebruik gemaakt van de gegevens op de risicokaart van Noord-Holland.
In figuur 4.3 is de ligging van het plangebied aangegeven met de dichtstbijzijnde risicovolle activiteiten zoals aangegeven op de risicokaart.
57
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
Figuur 4.3 uitsnede risicokaart (bron: www.risicokaart.nl) Bevi-inrichtingen Op 500 tot 1.000 meter afstand zijn enkele bedrijven gelegen die niet onder het Bevi vallen (gasontvangststation (nummer 1 in figuur 4.3), ammoniakkoelinstallatie (< 1.500 kg NH3) (2), bufferopslag 5 m3 gas Connexxion (3). Voor deze activiteiten geldt geen wettelijk bepaald invloedsgebied. De dichtstbijzijnde Bevi-inrichting is gelegen op een afstand van 870 meter van het plangebied (PGS 15 opslag met vloeroppervlak < 300 m2, beschermingsniveau 2). Op grond van het Revi geldt voor deze PGS 15 opslagvoorziening een invloedsgebied van 300 meter. Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied. Het plangebied bevindt zich niet binnen het invloedsgebied van inrichtingen waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt (Bevi-inrichtingen).De normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico in het Bevi vormen geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied. Buisleidingen Het plangebied is gelegen op circa 520 meter afstand van de hogedruk aardgasleiding W-532-06 (nr. 5 in figuur 4.3). Het plaatsgebonden risico (PR=10-6) van deze leiding valt op de leiding. Ten aanzien van het groepsrisico dient beoordeeld te worden of de ontwikkeling binnen het invloedsgebied van de leiding is gelegen.
Als de ontwikkeling binnen het invloedsgebied van de leiding is gelegen, verplicht het Bevb het bevoegd gezag bij het vaststellen van het bestemmingsplan het groepsrisico te verantwoorden. Conform het attribuutrapport behorende bij de leiding, heeft de leiding een 58
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
diameter van 219 mm en een maximale werkdruk van 40 bar. Dit betekent, conform het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen oktober 2016, dat de 1%-letaliteitsgrens van de buisleiding 95 meter bedraagt. De 100%-letaliteitsgrens bedraagt 50 meter. Omdat de projectlocatie op circa 520 meter afstand van de leiding is gelegen, valt de ontwikkeling buiten het invloedsgebied van de leiding en hoeft geen verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. De normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico in het Bevb vormen geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied. Transport van gevaarlijke stoffen (spoor) Het plangebied is gelegen op ca. 105 meter afstand van de spoorlijn Haarlem-Amsterdam. Deze spoorlijn betreft een hoofdspoorweg. In de regeling Basisnet zijn voor alle hoofdspoorwegen de vervoerscijfers voor het vervoer van gevaarlijke stoffen weergegeven. Het betreffende traject is hierin niet met name genoemd. De spoorweg kan op grond van de regeling Basisnet beschouwd worden als “overige hoofdspoorweg” waarbij kan worden uitgegaan van 0 transporten met gevaarlijke stoffen (het ammoniaktransport over dit spoortracé is al enige jaren beëindigd). De aanwezigheid van deze spoorweg vormt geen belemmering voor het plangebied.
Transport van gevaarlijke stoffen (weg) Het plangebied is gelegen op grote afstand van rijkswegen en provinciale wegen die zijn vrijgesteld voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en is daarmee gelegen buiten het invloedsgebied van rijkswegen en provinciale wegen. De gemeente Haarlem beschikt niet over een route vervoer gevaarlijke stoffen. Hierdoor geldt dat bij het vervoer van routeplichtige gevaarlijke stoffen over gemeentelijke wegen de bebouwde kom moet worden vermeden. Het vervoer binnen de bebouwde kom mag alleen voor bestemmingsverkeer (ten behoeve van laden en lossen) en als er redelijkerwijs geen route buiten de bebouwde kom beschikbaar is. Op verzoek van de gemeente en de omgevingsdienst is nader onderzoek gedaan naar mogelijk transport van gevaarlijke stoffen over de doorgaande wegen nabij het plangebied (Prevent Adviesgroep B.V.; rapportnummer 405 V.01, d.d. 27 november 2019). Voor de relevante doorgaande gemeentelijke wegen is op basis van telgegevens van GF3-transporten (transporten van brandbare gassen) van provinciale wegen en rijkswegen in de omgeving en de ligging van propaantanks en LPG-tankstations in de omgeving een inschatting gemaakt van het maximale aantal GF3-transporten.
Op basis van de inschatting van het maximale aantal GF3-transporten is getoetst aan de vuistregels voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico in de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART). Voor de Oudeweg (N200) is hierbij uitgegaan van 72 GF3-transporten per jaar en voor de Gedempte Oostersingelgracht, Amsterdamsevaart van 35 GF3-transporten per jaar. Op grond van de vuistregels voor het plaatsgebonden risico kan worden geconcludeerd dat langs de Oudeweg (N200), Gedempte Oostersingelgracht en de Amsterdamsevaart geen PR=10-6 contour aanwezig is. De normen voor het plaatsgebonden risico vormen geen belemmering voor het plangebied. Op grond van de vuistregels voor het groepsrisico risico kan worden 59
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
geconcludeerd dat het groepsrisico langs de Oudeweg (N200), Gedempte Oostersingelgracht en de Amsterdamsevaart nabij het plangebied minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde bedraagt bij de bestaande en nieuwe omgevingssituatie. Op grond van artikel 8 van het Bevt is een verantwoording van het groepsrisico niet vereist. De normen voor het groepsrisico vormen geen belemmering voor deze ontwikkeling. Vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van de Oudeweg (N200), Gedempte Oostersingelgracht en de Amsterdamsevaart moet op grond van artikel 7 van het Bevt worden ingegaan op de aspecten bestrijdbaarheid bij een ongeval met gevaarlijke stoffen op de weg en de zelfredzaamheid van personen in het plangebied. Deze aspecten zijn beschouwd in de rapportage van Prevent Adviesgroep B.V. 4.6.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.7
Duurzaamheid en energie
4.7.1 Inleiding Het Haarlems beleid ten aanzien van Duurzaamheid kent eisen en wensen. De Richtlijn Duurzaam Bouwen Haarlem (in ontwikkeling) vat dit beleid samen in concrete 'randvoorwaarden' en 'doeleinden' voor het bouwen. Randvoorwaarden zijn gebaseerd op het rijksbeleid of bestaande wetten zoals bijvoorbeeld aardgasvrij bouwen en compensatiemaatregelen voor water en ecologie. Doeleinden zijn ambities van de gemeente zoals natuurinclusief en circulair bouwen. Wanneer nieuw beleid wordt gemaakt of wordt aangescherpt wordt dat in de richtlijn toegevoegd. Bij elk project kan bepaald worden of er doeleinden zijn die als aanvullende randvoorwaarden gesteld worden. Bij elke stap van het ontwikkelproces wordt het pakket aan duurzaamheidsmaatregelen scherper geformuleerd: Initiatieffase: In de eerste fase worden de duurzaamheidskansen en -risico's van de locatie gesignaleerd en verwoord in de startnotitie. Het ambitieniveau ten aanzien van duurzaamheid wordt (zo specifiek mogelijk) vastgesteld. Er wordt beoordeeld of/welke doeleinden toegevoegd kunnen worden aan de randvoorwaarden. Definitiefase: Het pakket aan randvoorwaarden wordt op haalbaarheid onderzocht en opgenomen in het Stedenbouwkundig Programma van Eisen (SPvE). Door vaststelling in de Raad van dit stuk worden de randvoorwaarden bestendigd.
Daarnaast kan het vastgelegd worden in afspraken als: samenwerkingsovereenkomst of anterieure overeenkomst. Ontwerpfase: De randvoorwaarden worden verwerkt in het ontwerp door de ontwikkelende partij in een Stedenbouwkundig Plan (SP) en Inrichtingsplan IP). De gemeente toetst het resultaat aan het eind van deze fase, vóór bestuurlijke vaststelling (College BenW). Voorbereidingsfase: In het geval van een omgevingsplan kunnen de eisen 60
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
vertaald worden in beleidsregels van het omgevingsplan en worden de uitgangspunten juridisch geborgd. Als meetinstrument wordt de Gemeentelijke Praktijk Richtlijn Duurzaam Bouwen (GPR) gehanteerd. Met het rekeninstrument kunnen projecteigenaren zelf een alternatief maatregelenpakket samenstellen. GPR Gebouw zet ontwerpgegevens van een gebouw om naar prestaties op het gebied van kwaliteit en duurzaamheid. Randvoorwaarden en doeleinden (september 2019): Energie en Warmte Randvoorwaarde: Aardgasvrij bouwen Aardgasvrij bouwen wordt reeds als voorwaarde bij het bouwen gesteld. Het Rijk heeft per 1 juli 2018 de gaswet gewijzigd waardoor nieuwe gebouwen in principe geen gasaansluiting meer krijgen. Gemeente heeft de 'routekaart naar aardgasvrij 2040' vastgesteld. Randvoorwaarde: Bijna energieneutraal bouwen (BENG) BENG vervangt per jan 2020 de (EPC). Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat alle aanvragen van omgevingsvergunningen per 1 jan 2020 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG ). Deze vervangt de energieprestatiecoëfficiënt (EPC). De BENG is opgebouwd uit drie indicatoren: de maximale energiebehoefte, het maximale primair fossiel energiegebruik en het minimale aandeel hernieuwbare energie. De BENG-eisen gelden alleen voor nieuwbouw.
Doeleinde: Energieneutraal en -leverend bouwen De BENG-eisen gaan niet uit van volledige energieneutraliteit. De 'versnelling Duurzaamheidsprogramma' (2017) zet in op een klimaatneutraal Haarlem in 2030. Bij nieuwe bouwontwikkelingen waar de gemeente de randvoorwaarden bepaald, zal maximaal op deze ambitie ingezet moeten worden door energieneutraliteit of energieleverende gebouwen te realiseren. Doeleinde: checklist Warmtebron Nieuwbouwprojecten kunnen bijdragen aan de energietransitie van omliggende bestaande bouw. De checklist geeft een indicatie of een ontwikkeling in theorie geschikt is voor een collectief warmtesysteem (Energiestrategie Haarlem, 2019) Doeleinde: Warmtevoorziening via bodemwarmte Om te voorzien in de benodigde warmtevraag wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van een bodemwarmtevoorziening. Indien in de omgeving al een warmtenet aanwezig is waar op kan worden aangesloten heeft dit de eerste voorkeur. Wanneer dit niet mogelijk is, wordt dit gemotiveerd. Bodemwarmtevoorzieningen moeten passen binnen eventueel aanwezige (lokale) bodemenergieplannen. (Routekaart aardgasvrij 2040, en Routekaart Versnelling Duurzaamheidsprogramma)
61
bestemmingsplan "De Koepel" (vastgesteld)
Klimaatadaptatie Randvoorwaarde: Watertoets en watercompensatie Een ontwikkeling mag niet leiden tot verslechtering van de waterhuishouding of een versnelde toename van de af-en aanvoer van water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden op naastgelegen percelen / gebieden en er wordt rekening gehouden met de gewenste stroombaan van het hemelwater. De watertoets is een wettelijke verplichting bij planvorming en moet uitwijzen of/hoeveel gecompenseerd dient te worden. Het watersysteem wordt robuust ingericht met waterbergings- en afvoermogelijkheden conform de watertoets. Doeleinde: Toekomstbestendig watersysteem Het extra hemelwater wordt zoveel bovengronds geborgen en afgevoerd naar open water. Bij nieuwbouw wordt een toekomstbestendig watersysteem aangelegd met voldoende waterbergingscapaciteit. Dat houdt concreet in dat de ontwikkeling minimaal 70 mm water per m2 moet kunnen bergen op eigen terrein gedurende in een etmaal. Doeleinde: Aanpak droogte en hittestress Een gebiedsontwikkeling mag niet bijdragen aan een versnelde bodemdaling, verslechtering van waterkwaliteit en hittestress in bestaand stedelijk gebied. Groen en Ecologie Randvoorwaarde: Natuurtoets en compensatiemaatregelen ecologie Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet deze met een natuurtoets beoordeeld worden op ecologische effecten. Een quickscan ecologie maakt standaard deel uit van de uit te voeren onderzoeken.