CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

20210252484 4 Bijlage 3 Gedragscode soortbescherming gemeenten

commissie Beheer 10 februari 2022, gemeente HaarlemBij agendapunt: 21:30 uur Concept Groenbeleidsplan vrijgeven voor inspraak (ER)25.749 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

6.4.1 Algemeen zorgvuldig handelen -

-

De werkrichting is richting een rustige/natuurlijke locatie zodat dieren daarheen kunnen vluchten. Zorg dat voldoende dekking en schuilmogelijkheden aanwezig zijn in de richting en op de locatie waar dieren langs/naar toe moeten vluchten. Werkzaamheden vinden in eerste instantie overdag plaats om verstoring door verlichting te voorkomen. Tijdens het werken in beplanting dient schade aan de bodem zo veel mogelijk te worden voorkomen (bv. inzet banden met lage spanning of werken in handkracht).

6.4.2 Vogels Bomen en struiken vormen een sleutelfunctie voor een groot aantal vogelsoorten: zangvogels, roofvogels, uilen, spechten, duiven, kraaien en eksters. Nestgelegenheid is aanwezig hoog in de kroon (roofvogels), in (te creëren) holtes (uilen, spechten, zangvogels) of op tal van grotere en kleinere takken. Voedsel is aanwezig in de vorm van vliegende insecten, kevers en larven, vruchten en noten. Ook bieden bomen en struiken beschutting, schuil- en slaapplaatsen.

Alle soorten A

Nestlocaties, broedholten en/of slaapplaatsen van vogels en de directe leefomgevingen die rust en beschutting bieden, worden gemarkeerd en ontzien tijdens de werkzaamheden. Een ecologisch deskundige bepaalt de beschermingszone, zie bijlage 5. Verstoring van broedgevallen dient voorkomen te worden.

B

Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de soortspecifieke broedperiode(n).

94

STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx

STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten

Het periodiek afzetten of terugzetten van houtige begroeiing, zoals hakhoutbeheer, wordt gefaseerd uitgevoerd. Hierbij wordt maximaal 30% van het (lijn) element per jaar teruggezet en blijven er in de directe omgeving voldoende alternatieve broedmogelijkheden (opgaande beplanting) beschikbaar (bv. door te faseren op buurtniveau). Voor schaarse of zeldzame vogelsoorten (met name soorten die jaarlijks naar hetzelfde gebied terugkeren of specifiek eisen stellen aan hun broedlocaties) geldt dat individuele bomen/struiken met een essentiële functie (tijdelijke broed- en rustgelegenheid, voedsel en dekking) vervullen, behouden moeten blijven. Dit betreft bijvoorbeeld dikke loofbomen in gebruik als nestgelegenheid door zwarte specht. Dit dient te worden bepaald door een ecologisch deskundige.

Koloniebroeders, roofvogels en uilen, excl. kiekendieven en velduil Voor locaties die jaarrond worden gebruikt of waar elk jaar naar toe wordt teruggekeerd geldt dat deze functies het hele jaar niet mogen worden aangetast. Het gaat hierbij om onder andere reigerachtigen en roek en nesten en rustlocaties van roofvogels en uilen, die gebruik maken van houtige begroeiingen. A

Nestbomen en de directe omgeving markeren zodat deze locatie zijn functie als broed- en rustlocatie behoudt. Voor (rans)uilen geldt het behoud van roestplaatsen.

Huismus en ringmus A

Struiken die worden gebruikt als vaste rust- en schuillocatie en daarmee een essentieel onderdeel vormen van het leefgebied, markeren en behouden. Snoei van dergelijke begroeiing wordt zo uitgevoerd dat deze als rust- en schuilfunctie behouden blijven.

Steenuil B

Knot- en fruitbomen die deel uitmaken van essentieel leefgebied van de steenuil worden gefaseerd gesnoeid, waarbij per jaar in een bomenrij maximaal 50% van de bomen wordt geknot en oude fruitbomen behouden blijven.

STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx

95

BESTENDIG BEHEER OF ONDERHOUD

6.4.3 Vleermuizen Voor alle Nederlandse vleermuissoorten zijn bomen van belang in hun leefgebied. Sommige soorten gebruiken bomen als rustplaats (holtes en loshangend schors) of om hun jongen groot te brengen (holtes). Met name eik en beuk worden hiervoor gebruikt. Ook voor voedsel zijn vleermuizen afhankelijk van bomen omdat in de buurt van bomen veel vliegende insecten aanwezig zijn. Bomen zorgen ook voor beschutting tegen de wind waardoor kleinere soorten via de luwte van de bomen de voedselgebieden kunnen bereiken (vliegroutes). A

Bomen met geschikte holtes of spleten voor vleermuizen en bomen in de directe omgeving hiervan, worden gemarkeerd en behouden. Dit geldt ook voor houtige begroeiing rondom een water dat als essentieel foerageergebied wordt gebruikt en houtige begroeiing die als essentiële vliegroute wordt gebruikt.

B

Dunnen en/of snoeien van bomen met rust- en voortplantingsplaatsen van vleermuizen wordt uitgevoerd buiten de kwetsbare gebruiksperiode. Wanneer dit een jaarrond beperking van uit te voeren werkzaamheden oplevert, of in combinatie met kwetsbare periodes van soorten onuitvoerbaar is, dienen werkzaamheden te worden uitgevoerd in de periode van half augustus tot en met oktober. Hierbij blijven bomen met paar-, kraam- en/of winterverblijven, bomen met voor vleermuizen geschikte holtes en bomen in de directe omgeving van deze verblijven behouden en functioneel voor vleermuizen (behoud van beschutting/buffering van rust- en voortplantingsplaats en behoud van de aanvliegroute). Snoeien of terugzetten van begroeiing rondom zwermlocaties en winterverblijven (in gebouwen) dient het klimaat op deze locaties niet aan te tasten. Het dunnen en/of afzetten van singels en houtwallen bij een essentiële vliegroute en/of foerageerlocatie dient gefaseerd te worden uitgevoerd. Maximaal 30% per jaar verwijderen, verspreid over de beplanting, zodat er geen gaten groter dan 7m ontstaan tussen opgaande begroeiing hoger dan 2m.

Werkzaamheden worden in leefgebied van vleermuizen tijdens de actieve periode van vleermuizen niet uitgevoerd tussen zonsondergang en zonsopkomst in de buurt van kraam-, winter-, zomer- of paarverblijf, essentiële vlieg- of migratieroutes en foerageergebied in verband met licht- of geluidsoverlast.

96

STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx

STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten

6.4.4 Overige zoogdieren Een groot aantal soorten zoogdieren maakt gebruik van houtige begroeiingen als onderdeel van hun leefgebied (o.a. hertachtigen en zwijnen). Tevens zijn er rust- en voortplantingsplaatsen te vinden in de vorm van holen in de grond (muizen, das), holtes in bomen (marterachtigen), nesten in bomen (eekhoorns) of struiken (eikelmuis, hazelmuis) of hopen van takken en stammen en/of kruidig materiaal (bever). Houtige begroeiingen bieden ook beschutting en zorgt voor voedsel.

Bever, das en otter A

Essentiele onderdelen van het leefgebied worden gemarkeerd en worden niet aangetast. Naast burchten en holen waar dieren verblijven gaat het hier om routes die worden gebruikt en/of belangrijke foerageergebieden. Deze essentiële onderdelen dienen te worden bepaald door een ecologisch deskundige. Voor de rust- en voortplantingslocatie(s) dient door een ecologisch deskundige een beschermingszone te worden bepaald op basis van de verstoringsvrije afstand en functionaliteit.

B

Binnen de beschermingszone kan met handgereedschap worden gewerkt indien werkzaamheden overdag en buiten de kwetsbare voortplantingsperiode worden uitgevoerd. De voortplantingsperiode van de otter is van april tot en met augustus, die van de bever van mei tot en met augustus en die van de das van december tot en met juni. Binnen de beschermingszone blijven bomen en struiken in de directe omgeving van de burcht of hol van das, bever en otter zoveel mogelijk staan. Wissels en ingangen van de burcht blijven vrij van takken en stammen. Daarnaast is voor bever van belang dat wintervoorraden takken niet worden weggehaald. Het verwijderen van één of enkele bomen in essentieel leefgebied van deze soorten is toegestaan, mits voldoende dekking aanwezig blijft en voor bever voldoende voedselbomen gehandhaafd blijven. De velrichting is van de burcht of het hol af.

Boommarter, bunzing, egel, hermelijn, molmuis, ondergrondse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, steenmarter en wezel A

Essentiele onderdelen van het leefgebied worden gemarkeerd en ontzien. Dit betreft bomen met holtes en de directe omgeving van deze bomen, holen in de grond en houtige begroeiing die als schuilplaats, verbindingszone of foerageergebied dient. Deze essentiële onderdelen dienen te worden bepaald door een ecologisch deskundige.

STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx

97

BESTENDIG BEHEER OF ONDERHOUD

B

Werkzaamheden worden overdag uitgevoerd buiten de kwetsbare voortplantingsperiode. De voortplantingsperiode is van maart tot en met augustus. Bomen met geschikte holen voor deze soorten worden gespaard. Ook holen in de grond blijven onaangetast. Takkenrillen worden alleen weggehaald indien er voldoende alternatieve verblijfsmogelijkheden zijn voor deze soorten. In het leefgebied van hermelijn, wezel, bunzing en egel dient tijdens en na snoeiwerkzaamheden voldoende dekking aanwezig te blijven. Voor egel is daarnaast van belang dat in de winterrustperiode van november tot en met maart, overwinteringslocaties niet worden aangetast. Vrijkomend snoeimateriaal kan in het leefgebied van deze soorten worden achtergelaten en op takkenrillen worden gelegd.

Eekhoorn A

Essentiele onderdelen van het leefgebied worden gemarkeerd en worden ontzien. Dit betreft bomen met eekhoornnesten en voedselbomen. Verstoring wordt voorkomen door op afstand te werken.

B

Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de voortplantingsperiode van eekhoorn. De voortplantingsperiode is van januari tot en met augustus. Essentiele onderdelen van het leefgebied in stand houden.

D

Reservenesten van eekhoorn mogen alleen worden verwijderd wanneer door een ecologisch deskundige is vastgesteld dat het nest niet in gebruik is en in de omgeving voldoende alternatieve nestmogelijkheden beschikbaar zijn. Een enkele voedselboom kan worden verwijderd.

Eikelmuis en hazelmuis A

Werkzaamheden worden niet uitgevoerd in leefgebied van hazelmuis en eikelmuis (in ieder geval niet binnen 300m van het nest). Houtige begroeiing die voor deze soorten van essentieel belang is, wordt gemarkeerd en ontzien.

B

Werkzaamheden kunnen het beste worden uitgevoerd in de periode december tot en met maart, wanneer de dieren in winterrust zijn. Nesten van eikelmuis en hazelmuis in bomen en struiken mogen tijdens beheer en onderhoudswerkzaamheden niet worden aangetast. In het leefgebied van deze soorten (in ieder geval binnen 300m van het nest) dient voldoende structuur en dekking aanwezig te blijven. Het beheer van deze gebieden dient te worden aangepast aan de ecologische vereisten van eikelmuis en hazelmuis.

98

STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx

STADSWERK, Gedragscode soortbescherming gemeenten

Hertachtigen en zwijnen A

Geen werkzaamheden uitvoeren in essentiële onderdelen van het leefgebied (paar- en kraamlocaties en voor ree ook de vaste rustlocaties (daginstanden). Deze onderdelen markeren door gebruik te maken van een beschermingszone op basis van functionaliteit en de verstoringsvrije afstand (bv. op basis van bestaande zonering van rustgebieden).

B

Werken buiten de kwetsbare periode (paar- en kraamperiode) nabij rust- en voortplantingsplaatsen. De paarperiode van ree is in juli en augustus, van edelhert in september en oktober en van damhert in oktober en november. De kraamperiode is van ree is in mei en juni, van edelhert en damhert in mei en juni en van wild zwijn in maart en april). In essentiële onderdelen van het leefgebied (paar- en kraamlocaties) de werkzaamheden faseren waarbij maximaal 30% van de houtachtige begroeiing wordt bewerkt. In de soortspecifieke paarperiode worden geen werkzaamheden verricht op foerageerlocaties en migratieroutes die in deze periode worden gebruikt.

C

Werkzaamheden die kleinschalig, kortdurend en weinig verstorend zijn en het gebruik door de soort niet belemmeren kunnen overdag worden uitgevoerd.

6.4.5 Amfibieën en reptielen Het leefgebied van amfibieën bevindt zich rondom geschikt voortplantingswater. Heggen, bosjes, houtwallen bieden schuilmogelijkheden, voedsel en overwinteringsmogelijkheden. Voor reptielen is houtige begroeiing met name van belang in combinatie met open zonnige terreinen. Opslag en struiken bieden een veilig onderkomen tijdens het zonnen op open plekken en zijn tevens van belang voor de voedselvoorziening. Ook worden ruimtes tussen de wortels van bomen en struiken gebruikt als overwinteringslocatie.

Alle soorten A

In houtige begroeiing vinden geen werkzaamheden plaats in essentieel leefgebied van amfibieën en reptielen. Op aanwijzing van een ecologisch deskundige de leefgebieden markeren.

B

Werkzaamheden in essentieel leefgebied dienen te worden uitgevoerd in de periode half augustus tot en met september of in het begin van de voortplanting, dat is in april en mei. Als het geen houtige begroeiing langs het voortplantingswater betreft, mag voor amfibieën ook gewerkt worden in de voortplantingsperiode van de betrokken soort. De exacte periode dient te worden bepaald door een ecologisch deskundige.

STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx

99

BESTENDIG BEHEER OF ONDERHOUD

Werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd wanneer aanwezige schuilmogelijkheden en dekking voor amfibieën en reptielen en voor reptielen aanwezige structuurrijke vegetatie met open plekken aanwezig blijven. C

In het leefgebied van amfibieën en reptielen moet in de winterrustperiode (winterrust is van oktober tot en met maart) de bodem intact gelaten worden (geen beroering, bodemverdichting of stobben uitfrezen) en dienen houtrillen boomstronken en bladhopen te worden ontzien. Deze elementen dienen door of op aanwijzing van een ecologisch deskundige te worden gemarkeerd. Jaarlijks maximaal 30% van essentieel leefgebied bewerken.

Boomkikker B

In leefgebieden van boomkikker vinden werkzaamheden uitsluitend plaats in de periode van november tot en met januari, wanneer dieren in winterrust zijn. Begroeiing wordt gefaseerd afgezet ter verjonging: maximaal 30% van het leefgebied per jaar bewerken waarbij zowel volgroeide bomen en struweel op zonnige plaatsen behouden blijven. Verdichting van de bodem dient te worden voorkomen.

Vroedmeesterpad, heikikker B

Werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd in de periode half augustus tot en met september. Schuilmogelijkheden en dekking dienen aanwezig te blijven. Dit betekent dat er gefaseerd gewerkt moet worden: maximaal 30% van het essentiële leefgebied per jaar snoeien of afzetten.

Ringslang A

Broeihopen van ringslang dienen te worden gespaard.

6.4.6 Vlinders Voor veel vlindersoorten zijn bosschages en bosrand deel van het leefgebied, veelal vanwege windluwte en temperatuurbuffering, maar soms ook vanwege waardplanten (bv. eik, iep, sleedoorn) en nectarplanten. Voor soorten als sleedoornpage, bruine eikenpage, iepenpage, grote vos, grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder, zijn bomen en struiken essentieel voor het voortbestaan. Eitjes worden afgezet op takken of bladeren en de rupsen voeden zich met de bladeren van de waardplant. In de strooisellaag kunnen poppen aanwezig zijn. Teunisbloempijlstaart komt voor op kruidige vegetatie in open plekken van het bos, deze soort wordt behandeld bij ‘kruidige begroeiingen’.

100

STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2020 eindversie 20201204b verstuurd.docx

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11179281/1