CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

20210235801 2. Bijlage a bestemmingsplan

commissie Ontwikkeling 30 september 2021, gemeente HaarlemBij agendapunt: 19.30 uur Vaststellen bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan Aart van der Leeuwstraat e.o. - De Schrijvers (FR)25.109 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Niet gevonden in dit document.

De geluidsbelasting ten gevolge van de 30 km per uur wegen is over het algemeen en in relatie tot de normen uit de Wet geluidhinder voor gezoneerde wegen laag. Alleen de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeer op de Jan Prinslaan is hoger dan 48 dB. De hoogst berekende geluidsbelasting van deze weg bedraagt 49 dB (met aftrek) en wordt als acceptabel beoordeeld. Om de realisatie van het project mogelijk te maken worden er hogere grenswaarden aangevraagd. In dit kader is onderzocht of de geluidsbelasting verlaagd kan worden met bron- en overdrachtsmaatregelen. De relatief hoge kosten voor bron- en overdrachtsmaatregelen aan en rond de relevante wegen worden als ondoelmatig beoordeeld. Beleidsregels Hogere Waarden Wet Geluidhinder Het college heeft in 2009 het Hogere waardebeleid vastgesteld. Een ambtshalve HW procedure voor een woning kan alleen worden gestart indien deze woning ten minste één geluidsluwe zijde heeft. Een geluidsluwe zijde betreft de zijde van een gebouw waar voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarden. Bij een geluidsbelasting groter dan 48 dB vanwege wegverkeer, moet een woning ten minste één geluidsluwe zijde hebben. De buitenruimten die als buitengebruiksruimten worden gebruikt moeten aan de geluidsluwe zijde zijn gesitueerd. Bij een geluidsbelasting groter dan 53 dB vanwege wegverkeer gelden de volgende woningindelingseisen: 1.

Verblijfsruimten moeten zoveel mogelijk aan de geluidsluwe zijde liggen. 2. Ten minste één slaapkamer moet aan de geluidsluwe zijde liggen.

36

bestemmingsplan "Aart van der Leeuwstraat e.o." (vastgesteld)

Toetsing beleidsregels Toegespitst op dit plan betekent dit, dat er een geluidluwe gevel aanwezig moet zijn en een slaapvertrek aan deze gevel bij een geluidbelasting van meer dan 53 dB. In dit stadium is de uitvoering van de gebouwen nog niet geheel bekend. Om een geluidluwe gevel te hebben dienen de woningen “doorlopend' te zijn, met een voorgevel op het noordwesten en een achtergevel op het zuidoosten. Bij de middelste vier woongebouwen is geen sprake van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. Voor de meest westelijke en de meest oostelijke gebouwen is toetsing wel aan de orde. Bij elke woning kan een geluidluwe gevel en tenminste één slaapkamer aan de geluidsluwe zijde worden gerealiseerd. Vanwege de stedenbouwkundige opzet en optimale gebouwindeling is het niet mogelijk alle buitenruimten, zoals balkons en terrassen aan de geluidsluwe zijde te realiseren. Het betreft een terras op het maaiveld aan de Generaal Spoorlaan en de balkons op de kopse kanten aan de zuidzijde van de gebouwen. Om die reden wordt afwijking van het gemeentelijk beleid aanvaardbaar geacht en mogen buitenruimten, voor zover mogelijk gemaakt binnen het bestemmingsplan, die als gebruiksruimten worden gebruikt aan de niet-geluidsluwe zijde worden gesitueerd. De woningsindelingseisen zijn met een voorwaardelijke verplichting opgenomen in artikel 6.3.1 Voorwaardelijke verplichting geluid.

4.4.3 Conclusie Het aspect geluid is onderzocht en getoetst aan het gemeentelijk geluidsbeleid. Geconcludeerd kan worden dat het bestemmingsplan in het kader van het aspect geluid uitvoerbaar is. Wel worden hogere grenswaarden verleend voor een aantal gevels en wordt bij de verder uitwerking van het plan getoetst aan de voorwaarden en gemeentelijke beleidsuitgangspunten uit deze hogere grenswaarden.

37

bestemmingsplan "Aart van der Leeuwstraat e.o." (vastgesteld)

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1 Inleiding De luchtkwaliteit is van belang voor de gezondheid van mens en dier en voor de kwaliteit van het milieu. In de Europese Unie zijn daarom grenswaarden afgesproken waaraan de concentraties van een aantal stoffen vanaf bepaalde ingangsdata moeten voldoen. Die grenswaarden en regelgeving om ze tijdig te bereiken en te handhaven zijn in Nederland opgenomen in de Wet milieubeheer, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen. Indien een bestemmingsplan vastgesteld of gewijzigd wordt, dient vast te staan dat de gevolgen voor de luchtkwaliteit voldoen aan die eisen (als gevolg van art. 5.16 lid 1 en 2). Die gevolgen worden bepaald door de verandering in gebruik en functies die door het bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt ten opzichte van de bestaande (toegestane) functies. Maatgevend is de met de veranderingen samenhangende groei van het autoverkeer en de daardoor veroorzaakte uitstoot van de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De Wet milieubeheer onderscheidt in artikel 5.16. lid 1 een aantal situaties waarin een bestemmingsplan voldoet aan de regels voor de luchtkwaliteit. Dit is ondermeer het geval indien aannemelijk is dat de ontwikkelingen 'niet in betekenende mate' (NIBM) gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit (artikel 5.16 lid 1 onder c).

Nadere criteria om te bepalen of er sprake is van NIBM zijn gegeven in een AmvB Niet In betekenende Mate en een gelijknamige Regeling NIBM. Daarin is bijvoorbeeld aangegeven dat van NIBM ondermeer sprake is indien het bestemmingsplan een netto-uitbreiding met minder dan 1.500 woningen of 100.000 m2 BVO kantoren mogelijk maakt. 4.5.2 Onderzoek Voor de beoordeling of de beoogde ontwikkeling in 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit, gebruik gemaakt van de NIBM-tool.

Afbeelding 4.2: Uitkomst NIBM-tool Uit de NIBM-tool blijkt dat de bijdrage van 972 verkeersbewegingen (berekend aan de hand van de CROW-rekentool) niet in betekende mate bijdraagt aan de

38

bestemmingsplan "Aart van der Leeuwstraat e.o." (vastgesteld)

luchtkwaliteit. Om ook enig zicht te kunnen bieden in de optredende concentraties van stoffen in het plangebied wordt hieronder ook nader gekeken naar de berekende waarden. Er wordt eveneens voldaan aan de regelgeving van de luchtkwaliteit indien aannemelijk is dat wordt voldaan aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit (art 5.16 lid 1 onder a van de Wm). Om een beeld te krijgen van de bestaande en te verwachten luchtkwaliteit in het gebied is gebruik gemaakt van de luchtkwaliteitskaarten die te vinden zijn op www.nsl-monitoring.nl/viewer/ (geraadpleegd op 5 maart 2020). Op de nsl-monitor is te zien dat ter plaatse van de projectlocatie de grootschalige achtergrondconcentraties in 2018 van stikstofdioxide NO2 23,6 µg/m3, van fijnstof PM10 20,9 µg/m3 en van fijnstof PM2,5 12,2 µg/m3 zijn. De grenswaarde voor toetsing voor stikstofdioxide NO2 is 40 µg/m3, voor fijnstof PM10 is 40 µg/m3 en voor fijnstof PM2,5 is 25 µg/m3 de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Wanneer de maximale bijdrage van het extra verkeer hierbij wordt opgeteld, zal de concentraties van zowel fijnstof als stikstofdioxide ruim onder de grenswaarden blijven.

Tabel 4.3: achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 in het plangebied 4.5.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

39

bestemmingsplan "Aart van der Leeuwstraat e.o." (vastgesteld)

4.6

Externe veiligheid

4.6.1 Inleiding Voor het beschouwen van de externe veiligheid zijn het Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen), het Bevb (Besluit externe veiligheid buisleidingen) en het Bevt (Besluit transportroutes externe veiligheid) relevant. In deze AMvB's staat beleid waarmee de risico's rondom risicobronnen tot maatschappelijk aanvaardbare proporties kunnen worden beperkt. Risicobronnen kunnen inrichtingen zijn (bedrijven waar gewerkt wordt met gevaarlijke stoffen zoals ammoniak, chloor of LPG) of transportassen, zoals buisleidingen of wegen waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De meest effectieve manier om de risico's te beperken is het ruimtelijk scheiden van risicobron en risico-ontvanger. Concreet betekent dit hoe groter de afstand, hoe minder risico. De grens van het invloedsgebied wordt vaak bepaald door de 1% letaliteit-afstand (maar soms ook door een kleinere afstand). Dit is de afstand tussen risicobron en ontvanger, waarbij nog 1% van de ontvangers als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, komt te overlijden. Het invloedsgebied is een belangrijk begrip om te beoordelen of externe veiligheid voor een plangebied een te beschouwen aspect is. 4.6.2 Onderzoek Het plangebied is getoetst op het aspect externe veiligheid. Hierbij is gebruik gemaakt van de gegevens op de risicokaart van Noord-Holland.

In afbeelding 4.3 is de ligging van het plangebied aangegeven met de dichtstbijzijnde risicovolle activiteiten zoals aangegeven op de risicokaart.

Afbeelding 4.3: uitsnede risicokaart (bron: www.risicokaart.nl) 40

bestemmingsplan "Aart van der Leeuwstraat e.o." (vastgesteld)

Buisleidingen Op meer dan 700 meter van de projectlocatie bevinden zich zowel een gastonvangststation als een buisleiding van de Gasunie. Het plaatsgebonden risico (PR=10-6) van de het gasontvangststation betreft een richtafstand van 10 meter. Ten aanzien van het groepsrisico dient beoordeeld te worden of de ontwikkeling binnen het invloedsgebied van de leiding is gelegen. Als de ontwikkeling binnen het invloedsgebied van de leiding is gelegen, verplicht het Bevb het bevoegd gezag bij het vaststellen van het bestemmingsplan het groepsrisico te verantwoorden. Conform het attribuutrapport behorende bij de leiding, heeft de leiding een diameter van 168 mm en een maximale werkdruk van 40 bar. Dit betekent, conform het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen oktober 2016, dat de 1%-letaliteitsgrens van de buisleiding 70 meter bedraagt. De 100%-letaliteitsgrens bedraagt 50 meter. Omdat de projectlocatie op circa 700 meter afstand van de leiding is gelegen, valt de ontwikkeling buiten het invloedsgebied van de leiding en hoeft geen verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. De normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico in het Bevb vormen geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied.

Transport van gevaarlijke stoffen (weg) Het plangebied is gelegen op grote afstand van rijkswegen en provinciale wegen die zijn vrijgesteld voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en is daarmee gelegen buiten het invloedsgebied van rijkswegen en provinciale wegen. De gemeente Haarlem beschikt niet over een route vervoer gevaarlijke stoffen. Hierdoor geldt dat bij het vervoer van routeplichtige gevaarlijke stoffen over gemeentelijke wegen de bebouwde kom moet worden vermeden. Het vervoer binnen de bebouwde kom mag alleen voor bestemmingsverkeer (ten behoeve van laden en lossen) en als er redelijkerwijs geen route buiten de bebouwde kom beschikbaar is. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de N208. De provinciale weg is vrijgegeven voor vervoer van gevaarlijke stoffen. Het bestemmingsplangebied ligt voor de helft binnen de 200 m-toetsingszone van de weg en wordt afgeschermd door de woningen (appartementen) aan de P.C. Boutensstraat. In opdracht van de provincie NH zijn in 2010 tellingen uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er op de N208 geen sprake is van overschrijdingen van het groepsrisico. Het groepsrisico is op alle wegvakken kleiner dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde. De weg heeft geen 10-6/jaar contour. Met voorliggend bestemmingsplan worden circa 280 woningen mogelijk gemaakt, ten opzichte van de huidige 224. Dit is een toename van circa 55 tot 60 woningen.

Aangezien het hier gaat om het toevoegen van kleine appartementen, is het aannemelijk dat de toevoeging van personen maximaal 152 bedraagt (worst case van 2 per woning). Er is sprake is van een toename van minder dan 10% van de dichtheid van het aantal personen in het invloedsgebied. Hierdoor neemt het groepsrisico iets toe. Deze toename zal gezien het feit dat het groepsrisico kleiner is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde niet leiden tot een overschrijding van de oriëntatiewaarde. 4.6.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de herstructurering van het plangebied. 41

bestemmingsplan "Aart van der Leeuwstraat e.o." (vastgesteld)

4.7

Verkeer en parkeren

4.7.1 Inleiding Aart van der Leeuw e.o. is gelegen in het gebied schilcentrum, waar de auto meer wordt toegelaten dan in het centrum van de stad. Daarnaast wordt het gebruik van de fiets gestimuleerd door de realisatie van fietsparkeerplaatsen. Door middel van een mobiliteitsplan wordt ingespeeld op de toekomstige behoeften en wordt een stap gezet richting een leefbare en toegankelijke stad. 4.7.2 Beleid De gemeente Haarlem heeft haar parkeernormen opgenomen in de ‘Beleidsregels parkeernormen, 2015, gemeente Haarlem’. De parkeernormen voor woonfuncties zijn op 31 januari 2019 aangepast, naar aanleiding van een onderzoek naar het autobezit in Haarlem. Deze parkeernormen zijn opgenomen in ‘Getekend raadsbesluit Aanpassen parkeernormen voor woningen op basis van reëel autobezit in Haarlem (2018/747877)’. In de parkeernormering is onderscheid gemaakt naar verschillende gebieden. De Aart van der Leeuwstraat is hierbij gelegen in de schil, het overloopgebied. De parkeernorm voor sociale woningen in de schil, het overloopgebied is: 0,9 parkeerplaats per woning waarvan 0,3 parkeerplaats per woning voor bezoekers. 4.7.3 Onderzoek In mei 2019 is door Goudappel Coffeng een onderzoek uitgevoerd naar de Parkeernormering voor de herontwikkeling van de Aart van der Leeuwstraat e.o. (bijlage 3 en 4 van het stedenbouwkundig plan dat terug te vinden is als Bijlage 1).

Parkeren Aan de hand van de vastgestelde parkeernormen per functie is de totale parkeervraag voor de voorgenomen ontwikkeling berekend. Daarnaast is het parkeeraanbod bepaald. Het totale parkeeraanbod dat gerealiseerd wordt door Pré Wonen bestaat uit 216 parkeerplaatsen. De parkeernorm voor sociale huurwoningen in de gemeente Haarlem is vastgesteld op 0,9 parkeerplaatsen per woning, waarvan 0,3 parkeerplaatsen voor bezoekers. Door Goudappel Coffeng is een onderzoek uitgevoerd naar de parkeernorm voor meerdere scenario's. De huidige situatie bestaat uit 224 portiekflats. In de nieuwe situatie wordt één van de onderstaande scenario's uitgewerkt, variërend van 228 woningen tot 303.

42

bestemmingsplan "Aart van der Leeuwstraat e.o." (vastgesteld)

Tabel 4.4: uitkomst parkeernormen onderzoek Goudappel Coffeng Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat voor zowel de basisvariant als scenario 1 en scenario 2 over voldoende parkeerplaatsen beschikken bij een realisatie van 216 parkeerplaatsen. Echter resulteert 216 parkeerplaatsen in een tekort van respectievelijk twee en acht parkeerplaatsen voor scenario 3 en de voorkeursvariant betreffende 280 en 300 woningen. Pré Wonen wil inzetten op de realisatie van de voorkeursvariant om woningen aantrekkelijker te maken voor starters en jongeren. Daarbij gaan ze uit van ongeveer 15 tot 20% van de woningen voor deze doelgroep. De woningen zijn met name geschikt voor één- tot tweepersoonshuishoudens gegeven de oppervlakte van 60 m². Uit onderzoeksresultaten van het CBS blijkt dat één- en tweepersoonshuishoudens een lager gemiddeld autobezit hebben, zie tabel 4.5.

Tabel 4.5: gemiddeld aantal auto's per type huishouden, 2015 (bron: Goudappel Coffeng) Naast het type huishouden is er ook een relatie tussen het oppervlakte van een woning, de waarde van een woning en het bezit van een auto. Tabel 4.6 visualiseert een onderzoek van de gemeente Haarlem naar de correlatie tussen het aantal vierkante meters van de woning, de waarde van de woning en het bezit van een auto. Hieruit blijkt dat het autobezit bij kleinere woningen lager is dan 0,9 parkeerplaatsen per woning.

43

bestemmingsplan "Aart van der Leeuwstraat e.o." (vastgesteld)

Tabel 4.6: Autobezit per woningwaarde en oppervlakte, gemeente Haarlem (bron: Goudappel Coffeng). Het gemiddelde autobezit van eenpersoonshuishoudens en paren zonder kinderen is, conform de gegevens van CBS/Statline 0,79 auto per huishouden. Dit is 80% van het gemiddelde autobezit per huishouden (0,99 auto per huishouden). Gezien 20% van de te realiseren woningen voor deze specifieke doelgroep is bestemd, kan dit gedeelte van de parkeervraag met 20% worden gereduceerd waarbij de woningen kleiner zijn dan 60 m². Tabel 4.7 geeft de nieuwe parkeerbalans weer.

Tabel 4.7: Resultaat parkeerbalans maatgevende moment scenario 3 en voorkeursvariant inclusief aanpassing (bron: Goudappel Coffeng)

44

bestemmingsplan "Aart van der Leeuwstraat e.o." (vastgesteld)

Fietsparkeren Elk portiek zal worden voorzien van een collectieve inpandige fietsenstalling. Tevens kan daar gebruik worden gemaakt van een oplaadpunt voor zowel de elektrische fiets als de scootmobiel. Verkeersgeneratie Op basis van de CROW-rekentool is de verkeersaantrekkende werking van de nieuwe woningen bepaald. De verkeersaantrekkende werking is afhankelijk van de functie en de ligging van het plangebied. Het plangebied is gelegen in de gemeente Haarlem, waarvan de stedelijkheidsgraad als zeer sterk stedelijk wordt beschouwd. Het CROW beschouwd een gemeente als zeer sterk stedelijk indien het aantal adressen per vierkante kilometer meer dan 2.500 bedraagt. De CBS gegevens van 2019 geeft aan de omgevingsadressendichtheid in de gemeente Haarlem 3.524 is. Daarnaast is het plangebied gelegen in de Delftwijk dat tot het schilcentrum kan worden gerekend. Op basis van de CROW-rekentool betreft de verkeersgeneratie met inachtneming van bovenstaande uitgangspunten, op een gemiddelde weekdag 972 mvt/etmaal. In de oude situatie met 224 portiekflats betrof de verkeersgeneratie 725 verkeersbewegingen mvt/etmaal. Door de toevoeging van maximaal 76 woningen zal een extra verkeersgeneratie van maximaal 247 mvt/etmaal ontstaan. Ontsluiting De projectlocatie wordt ontsloten aan de Jan Prinslaan, waar gedeeltelijk éénrichtingsverkeer geldt.

De ontsluiting vindt daarom plaats aan de oostelijke kant van het plangebied, aan de Generaal Spoorlaan. In de huidige situatie is er sprake van tweerichtingsverkeer in de Aart van der Leeuwstraat en de Gerard van Eckerenstraat. Echter zijn de straten relatief krap opgezet voor tweerichtingsverkeer. In de nieuwe situatie zullen de straten smaller worden, maar wordt er enkel gebruik gemaakt van éénrichtingsverkeer. De straat nodigt daardoor minder uit om hard te rijden en bovendien is er minder verharding nodig. Tevens biedt de nieuwe inrichting aan ruimer opgezette parkeerplaatsen, waar deze in de huidige situatie relatief klein zijn. De 247 mvt/etmaal zijn goed op te vangen op de Generaal Spoorlaan. Via de Jan Gijzenkade is de N208 te bereiken. 4.7.4 Conclusie In totaal worden 216 parkeerplaatsen gerealiseerd binnen het plangebied. Door Goudappel Coffeng is de totale parkeervraag afgezet tegen het aanbod. Op alle momenten is er sprake van voldoende parkeerplaatsen. Daarnaast worden ook voldoende fietsparkeerplekken gerealiseerd en blijkt uit het onderzoek dat de beoogde ontwikkeling zowel vanaf het voorterrein als vanaf de parkeergarage passend kan worden ontsloten.

45

bestemmingsplan "Aart van der Leeuwstraat e.o." (vastgesteld)

4.8

Waterparagraaf

4.8.1 Inleiding Een belangrijk ordenend principe bij ruimtelijke plannen is het waterbeheer: de zorg voor veiligheid tegen overstromingen en voor voldoende en gezond oppervlaktewater. Waterbeheerders worden in een zo vroeg mogelijk stadium betrokken bij het proces van ruimtelijke planvorming. De Watertoets is hiervoor het wettelijk geregelde procesinstrument, zie www.dewatertoets.nl. De resultaten van het doorlopen van dit proces van afstemming zijn weergegeven in deze waterparagraaf. Deze paragraaf benoemt de waterbeheerder, beschrijft het relevante beleid en het huidige watersysteem en gaat in op de effecten daarop van ruimtelijke ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. 4.8.2 De waterbeheerder in het plangebied Het hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheerfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol. 4.8.3 Beleid Sinds 22 december 2009 is de nieuwe Waterwet van kracht. Deze nieuwe Waterwet regelt het beheer van grond- en oppervlaktewater en verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op basis van deze wet is in december 2009 het Nationaal Waterplan vastgesteld.

In het Nationaal Waterplan worden antwoorden geformuleerd op ontwikkelingen op het gebied van klimaat, demografie en economie en investeren in een duurzaam waterbeheer voor Nederland. Waterbeheerplan Rijnland In het Waterbeheerplan 2016 – 2021 geeft het Hoogheemraadschap van Rijnland (hierna te noemen: Rijnland) zijn ambities aan en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. De vier hoofddoelen zijn [1] waterveiligheid, [2] voldoende water, [3] schoon en gezond water en [4] waterketen. Bij het doel 'waterveiligheid' wordt gestreefd naar het beschermen tegen overstromingen, gevolgbeperking en het voorbereiden op eventuele calamiteiten. Bij voldoende water wordt gestreefd naar juiste waterpeilen, instandhouding van het watersysteem, voorkomen van wateroverlast en voldoende zoetwater. Bij schoon en gezond water wordt gestreefd naar het verminderen van watervervuiling, ecologisch beheer en onderhoud, het realiseren van schone meren, plassen en natuurgebieden en schone en veilige zwemwaterlocaties. Bij het doel waterketen wordt gestreefd naar het op een doelmatige wijze verwerken van afvalwater en het verduurzamen van de verwerking van afvalwater en het optimaal hergebruiken van afvalwater. Het Waterbeheerplan 2016 – 2021 van Rijnland is te vinden op www.rijnland.net.

Keur en beleidsregels Rijnland Rijnland dient haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder adequaat te kunnen uitvoeren. De “Keur” is een verordening van de waterbeheerder met 46

bestemmingsplan "Aart van der Leeuwstraat e.o." (vastgesteld)

juridisch bindende regels (gebod- en verbodsbepalingen). Zo zijn werken en werkzaamheden in en bij waterkeringen (dijken, kaden, duinen) en watergangen (sloten, vaarten, plassen) zonder of in afwijking van een vergunning op grond van de Keur niet toegestaan. Ook het aanbrengen van verhard oppervlak (bebouwing, bestrating) en het onttrekken van grondwater zijn in veel gevallen vergunningsplichtig. In de “Beleidsregels” die bij de “Keur” horen, is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt. De “Keur en Beleidsregels” van Rijnland zijn te vinden op www.rijnland.net Beleid riolering en afvalwaterzuivering Rijnland Rijnland geeft de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater. Naast een voorkeursvolgorde voor afvalwater geldt voor de behandeling van hemelwater de zorgplicht. Rijnland geeft daarbij de voorkeur aan brongerichte maatregelen boven 'end-of-pipe' maatregelen. Hierbij geldt de volgende toelichting. 'Hemelwater kan de capaciteit van riolering en zuivering aanzienlijk belasten. Dat is niet wenselijk en vaak ook niet nodig. Zeker bij nieuwbouw ontwikkelingen is het gescheiden aanbieden van hemelwater en afvalwater vaak een doelmatige maatregel. Rijnland volgt hierbij een de voorkeursvolgorde (rijksbeleid), waarbij vooropstaat het voorkomen van het ontstaan van afvalwater.

Als er afvalwater is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging en waar mogelijk afvalwaterstromen scheiden. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). De uiteindelijke afweging wordt lokaal gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat'. Het te lozen hemelwater mag geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater veroorzaken. Maatregelen om dit te bereiken zijn duurzaam bouwen, infiltratie, het toepassen van berm- of bodempassage en straatkolken met extra voorzieningen. Als ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of- als laatste keus - aansluiten op het gemengde stelsel. Integraal waterplan Haarlem De gemeente Haarlem en het Hoogheemraadschap van Rijnland hebben eind 2004 het Integraal Waterplan Haarlem vastgesteld en in 2014 geactualiseerd. Centrale doelstelling van het Integraal Waterplan is het ontwikkelen en behouden van een veilig, veerkrachtig en ecologisch gezond watersysteem.

Het plan functioneert als strategisch kader voor gerelateerde beleidsvelden zoals het grondwater-, afvalwater-, en baggerbeleid. Om ervoor te zorgen dat het Haarlemse waternetwerk bestand is tegen klimaatsverandering (hoger zeeniveau, toename van de hoeveelheid en intensiteit van de neerslag), inklinking van de bodem, en verstedelijking (toename verhard oppervlak) is ruimte voor oppervlaktewater nodig. Ruimte voor extra oppervlaktewater kan worden gevonden door het verbreden van bestaande watergangen, het graven van nieuwe watergangen en het weer open leggen van gedempte grachten. Doelstelling voor het oppervlaktewater is het creëren van een veilig watersysteem met voldoende afwaterend en bergend

47

bestemmingsplan "Aart van der Leeuwstraat e.o." (vastgesteld)

vermogen, een adequate doorstroming en maximale benutting van gebiedseigen water. Als streefbeeld heeft de gemeente voor ogen een verbeterd waternetwerk dat uitgebreid is met nieuw water. Gemeentelijk Riolerlingsplan Het GRP is een beleidsmatig en strategisch plan waarin het verbreed rioleringsbeheer (incl. financiën) en de visie op riolering voor de langere termijn worden beschreven. Met het GRP beschikt de gemeente over een instrument om systematisch inzicht te krijgen in de te beheren en onderhouden rioleringsobjecten en de wijze waarop de gemeente invulling geeft aan de wettelijke (milieu)eisen. Door het opstellen van het GRP wordt het verbreed rioleringsbeleid inzichtelijk en toetsbaar. Er zijn vier doelstellingen voor het GRP van toepassing, te weten: het doelmatig inzamelen van het afvalwater en het hemelwater; het transporteren van het rioolwater naar een geschikt lozingspunt; het zoveel mogelijk voorkomen van wateroverlast; het beperken van vervuiling door overstorten middels aanleg van randvoorzieningen (o.a. BBB's) en afkoppelen. Comepensatieregeling Een algemene regel met betrekking tot de waterkwantiteit is het compenseren van een eventuele toename van verharding (wegen, gebouwen). Indien verharding in een gebied toeneemt, zullen waterhuishoudkundige maatregelen getroffen moeten worden om waterbezwaar als gevolg van de toegenomen verharding te voorkomen.

Gemeente Haarlem en het Hoogheemraadschap van Rijnland stellen als richtlijn dat - indien gebouwd wordt en hierbij meer dan 500 m2 onverhard oppervlak omgezet wordt naar verhard oppervlak - minimaal 15 procent van de toename aan verharding gecompenseerd dient te worden in de vorm van oppervlaktewater. Het uiteindelijk te compenseren oppervlak hangt af van overige maatregelen die de waterhuishouding in een gebied ten goede kunnen komen, zoals het vertraagd afvoeren van hemelwater. Voorbeelden zijn grasdaken en ontkoppeling van het rioolstelsel, waarbij het ontkoppelde water in de bodem geïnfiltreerd wordt. Tevens onderschrijft het Waterplan de noodzaak op het vlak van baggeren, afkoppelen, saneren overstorten, inrichten natuurvriendelijke oevers, en afkoppelen schone verharding, en het creëren van extra open water ter compensatie van toegenomen verharding 4.8.4 Relatie met ontwikkelingsplan Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Wel grenst aan de noordkant van de Jan Prinsstraat het Wijkpark waar een flinke waterpartij is aangelegd. Deze watergang is geen primair oppervlaktewaterlichaam, maar wordt bestempeld als categorie overig. Waterkwantiteit De huidige situatie is reeds bebouwd en verhard met gebouwen, wegen, parkeerplaatsen en trottoir. In de nieuwe situatie komt de bebouwing terug, 48

bestemmingsplan "Aart van der Leeuwstraat e.o." (vastgesteld)

maar wordt de open ruimte anders ingericht waardoor er uiteindelijk minder verharding terugkomt. Er is uiteindelijk sprake van een afname van het aantal verharde vierkante meters met circa 1.021 m2, wat een gunstig effect heeft op het verweken van het hemelwater. In onderstaande tabel is de huidige verharding afgezet naar de nieuwe verharding.

Daarnaast wordt de openbare ruimte rondom de woningen heringericht. De te realiseren collectieve groenstroken tussen de stoepen en de woningen aan de westzijde krijgen een ruiger en ecologischer karakter door middel van inheemse beplanting. Hier is ruimte voor waterberging bij zware regenval. Grondwater De grondwaterstanden in Haarlem zijn over het algemeen vrij hoog. Echter de drooglegging in Delftwijk - Waterbuurt is over het algemeen voldoende (de drooglegging bedraagt ook in natte periodes ongeveer 0,70 cm). In Haarlem liggen in veel gebieden in de openbare weg drainagesystemen. Ook Delftwijk Waterbuurt kent een aantal wegvakken met drainagesystemen. Riolering Het bestemmingsplangebied heeft een gemengd rioolstelsel. Hierin wordt zowel het afvalwater als regenwater verzameld en naar de rioolzuivering in de Waarderpolder gevoerd. Het systeem heeft in het plangebied drie overstorten: twee overstorten in de Jan Gijzenvaart en een overstort in de Delft. Bij hevige regenval kan het systeem niet al het hemel- en afvalwater naar de zuivering transporteren en zal een deel van dit water via de overstorten op de Jan Gijzenvaart en de Delft geloosd worden. 4.8.5 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

49

bestemmingsplan "Aart van der Leeuwstraat e.o." (vastgesteld)

4.9

Cultuurhistorie

4.9.1 Korte historische schets Circa 10.000 jaar geleden maakten Noord- en Zuid-Holland deel uit van de Noordzee. 4.400 jaar later ontstonden er ter hoogte van de huidige duinen strandwallen. Op de strandwallen ontstonden eerst duinen en vervolgens zware bos. Het huidige Haarlem bevindt zich op de oudste en één na oudste strandwal van Nederland, die circa 56 eeuwen geleden is ontstaan. In het Kraonlingische tijdperk ontstond de nederzetting Harulahem: "huis op een open plek in een op zangrond gelegen bos". Harulahem is later verbasterd tot Haarlem. In 1245 beschikte Haarlem over stadsrechten en ontwikkelde zich tot een voor die tijd belangrijke stad. Door de eeuwen heen zijn resten en andere sporen van vroegere bewoning verborgen geraakt in de Haarlemse bodem onder stuifafzettingen en kunstmatige ophogingen. De provincie Noord-Holland kent een Cultuur Historische Waardenkaart, waarin de Rijkstraatweg en Jan Gijzenkade als historisch geografische lijnen worden aangemerkt. Binnen het vigerende bestemmingsplan "Delftwijk - Waterbuurt" bevinden zich zestig gemeenschappelijke monumenten in vorm van de Heiligenhuisjes. 4.9.2 Beschrijving cultuurhistorie in het plangebied Op de Monumentekaart van de gemeente Haarlem is zichtbaar dat de projectlocatie geen cultuurhistorisch waarden kent.

Binnen het gebied "Delftwijk - Waterbuurt" bevinden zich wel de Heiligenhuisjes aan de Jan Gijzenkade, Lekstraat en Eemstraat, welke zijn gekenmerkt als gemeentelijke monumenten. 4.9.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.10 Archeologie 4.10.1

Inleiding In 1992 ondertekende onder andere Nederland het Verdrag van Valletta. Het doel van dit verdrag is het beschermen van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Het verdrag is verwerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) en de Erfgoedwet. De gemeente is op basis van artikel 38a van die wet verplicht om rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De drie belangrijkste uitgangspunten van de Wamz zijn: het behoud van archeologische waarden in de bodem; de initiatiefnemer van het project dat tot bodemverstoring leidt, betaalt de kosten van archeologisch onderzoek; het vroegtijdig integreren van de zorg voor het archeologisch erfgoed in de procedures van de ruimtelijke ordening.

50

bestemmingsplan "Aart van der Leeuwstraat e.o." (vastgesteld)

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beheert de Archeologische Monumenten Kaart (AMK). Deze kaart bevat een overzicht van belangrijke archeologische terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria en ingedeeld in diverse categorieën archeologische waarden. In aanvulling op de AMK is er de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). De IKAW geeft voor heel Nederland, inclusief de bodems van grote wateren, de kans aan op het aantreffen van archeologische resten bij werkzaamheden in de bodem. Die trefkans is aangegeven in vier categorieën. 4.10.2

De Haarlemse bodem Het huidige Haarlem ligt zowel op de oudste strandwal, 56 eeuwen geleden ontstaan, als de op één na oudste strandwal van Nederland. Op deze strandwallen bouwden jagers en vissers in de nieuwe steentijd (vanaf 3600 v. Chr.) eenvoudige onderkomens. Vanaf de bronstijd (2000-800 v. Chr.) legden de mensen akkers aan en bouwden ze boerderijen. Vele eeuwen later, vanaf de Karolingische tijd, ontstond op een strategische plek aan het Spaarne de nederzetting Harulahem. Harulahem, wat huis(en) op een open plek in een op zandgrond gelegen bos betekent, is later verbasterd tot Haarlem. Haarlem ontwikkelde zich al snel tot een belangrijke stad in Holland en kreeg in 1245 stadsrechten. De resten van woningen, huisraad en andere sporen van vroegere bewoning zijn in de loop der eeuwen door natuurlijke processen en kunstmatige ophogingen verborgen geraakt in de Haarlemse bodem. Zo is de Haarlemse bodem een opeenstapeling geworden van diverse lagen van 56 eeuwen bewoningsgeschiedenis.

4.10.3

Verwachtingswaarde plangebied In afbeelding 4.4 is een uitsnede van de Archeologische Beleidskaart Haarlem zichtbaar, waarbij de projectlocatie met paars is omlijnd. Het grootste gedeelte van de projectlocatie valt binnen categorie 5 en slechts een klein gedeelte in het oosten van het plangebied valt in categorie 4. Categorie 4: Bij bodemverstorende activiteiten van meer dan 2.500 m² en dieper dan 30 cm beneden het maaiveld dient een archeologisch rapport te worden uitgevoerd. Categorie 5: Bij bodemverstorende activiteiten van meer dan 10.000 m² en dieper dan 30 cm beneden het maaiveld dient een archeologisch rapport te worden uitgevoerd.

51

bestemmingsplan "Aart van der Leeuwstraat e.o." (vastgesteld)

Afbeelding 4.4: Uitsnede Archeologische Beleidskaart Haarlem (ABH) Circa de helft van het meest oostelijk blok in het plangebied bevindt zich in categorie 4. Het totale oppervlakte dat zich in deze gele zone bevindt is circa 1.000 m², dit is beneden de grens van 2.500 m². Het gehele plangebied bedraagt circa 20.000 m², echter wordt niet het gehele plangebied bebouwd. Het projectplan biedt veel ruimte aan groene binnentuinen en groen op straat. De huidige bebouwing wordt gesloopt, waardoor nieuwe bebouwing in de plaats wordt gerealiseerd. De oppervlakte van de bebouwing bedraagt circa 5.527 m², wat beneden de grens van 10.000 m² ligt in categorie 5. Tevens is de grond reeds geroerd bij de realisatie van de portiekflats in de jaren '50, waardoor mogelijke archeologisch vondsten reeds gevonden of verstoord zijn. 4.10.4

Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.11 Duurzaamheid en energie 4.11.1

Inleiding Het Haarlems beleid ten aanzien van Duurzaamheid kent eisen en wensen. De Richtlijn Duurzaam Bouwen Haarlem (in ontwikkeling) vat dit beleid samen in concrete 'randvoorwaarden' en 'doeleinden' voor het bouwen. Randvoorwaarden zijn gebaseerd op het rijksbeleid of bestaande wetten zoals bijvoorbeeld aardgasvrij bouwen en compensatiemaatregelen voor water en ecologie. Doeleinden zijn ambities van de gemeente zoals natuurinclusief en circulair bouwen. Wanneer nieuw beleid wordt gemaakt of wordt aangescherpt wordt dat in de richtlijn toegevoegd. Bij elk project kan bepaald worden of er doeleinden 52

bestemmingsplan "Aart van der Leeuwstraat e.o." (vastgesteld)

zijn die als aanvullende randvoorwaarden gesteld worden. Bij elke stap van het ontwikkelproces wordt het pakket aan duurzaamheidsmaatregelen scherper geformuleerd: Initiatieffase: In de eerste fase worden de duurzaamheidskansen en -risico's van de locatie gesignaleerd en verwoord in de startnotitie. Het ambitieniveau ten aanzien van duurzaamheid wordt (zo specifiek mogelijk) vastgesteld. Er wordt beoordeeld of/welke doeleinden toegevoegd kunnen worden aan de randvoorwaarden. Definitiefase: Het pakket aan randvoorwaarden wordt op haalbaarheid onderzocht en opgenomen in het Stedenbouwkundig Programma van Eisen (SPvE). Door vaststelling in de raad van dit stuk worden de randvoorwaarden bestendigd. Daarnaast kan het vastgelegd worden in afspraken als: samenwerkingsovereenkomst of anterieure overeenkomst. Voor dit project is geen SPvE opgesteld. Ontwerpfase: De randvoorwaarden worden verwerkt in het ontwerp door de ontwikkelende partij in een Stedenbouwkundig plan (zie bijlage 1) Plan (SP) en Inrichtingsplan IP). De gemeente toetst het resultaat aan het eind van deze fase, vóór bestuurlijke vaststelling (college van BenW). Voorbereidingsfase: In het geval van een omgevingsplan kunnen de eisen vertaald worden in beleidsregels van het omgevingsplan en worden de uitgangspunten juridisch geborgd.

Als meetinstrument wordt de Gemeentelijke Praktijk Richtlijn Duurzaam Bouwen (GPR) gehanteerd. Met het rekeninstrument kunnen projecteigenaren zelf een alternatief maatregelenpakket samenstellen. GPR Gebouw zet ontwerpgegevens van een gebouw om naar prestaties op het gebied van kwaliteit en duurzaamheid. Randvoorwaarden en doeleinden (30 september 2019): Energie en Warmte Randvoorwaarde: Aardgasvrij bouwen Aardgasvrij bouwen wordt reeds als voorwaarde bij het bouwen gesteld. Het Rijk heeft per 1 juli 2018 de gaswet gewijzigd waardoor nieuwe gebouwen in principe geen gasaansluiting meer krijgen. Gemeente heeft de 'routekaart naar aardgasvrij 2040' vastgesteld. Randvoorwaarde: Bijna energieneutraal bouwen (BENG) BENG vervangt per jan 2021 de (EPC). Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat alle aanvragen van omgevingsvergunningen per 1 jan 2020 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG ). Deze vervangt de energieprestatiecoëfficiënt (EPC). De BENG is opgebouwd uit drie indicatoren: de maximale energiebehoefte, het maximale primair fossiel energiegebruik en het minimale aandeel hernieuwbare energie. De BENG-eisen gelden alleen voor nieuwbouw. Doeleinde: Energieneutraal en -leverend bouwen De BENG-eisen gaan niet uit van volledige energieneutraliteit.

De 'versnelling Duurzaamheidsprogramma' (2017) zet in op een klimaatneutraal Haarlem in 2030. Bij nieuwe bouwontwikkelingen waar de gemeente de randvoorwaarden bepaald, zal maximaal op deze ambitie ingezet moeten worden door 53

bestemmingsplan "Aart van der Leeuwstraat e.o." (vastgesteld)

energieneutraliteit of energieleverende gebouwen te realiseren. Doeleinde: checklist Warmtebron Nieuwbouwprojecten kunnen bijdragen aan de energietransitie van omliggende bestaande bouw. De checklist geeft een indicatie of een ontwikkeling in theorie geschikt is voor een collectief warmtesysteem (Energiestrategie Haarlem, 2019) Doeleinde: Warmtevoorziening via bodemwarmte Om te voorzien in de benodigde warmtevraag wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van een bodemwarmtevoorziening. Indien in de omgeving al een warmtenet aanwezig is waar op kan worden aangesloten heeft dit de eerste voorkeur. Wanneer dit niet mogelijk is, wordt dit gemotiveerd. Bodemwarmtevoorzieningen moeten passen binnen eventueel aanwezige (lokale) bodemenergieplannen. (Routekaart aardgasvrij 2040, en Routekaart Versnelling Duurzaamheidsprogramma) Klimaatadaptatie Randvoorwaarde: Watertoets en watercompensatie Een ontwikkeling mag niet leiden tot verslechtering van de waterhuishouding of een versnelde toename van de af-en aanvoer van water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden op naastgelegen percelen / gebieden en er wordt rekening gehouden met de gewenste stroombaan van het hemelwater. De watertoets is een wettelijke verplichting bij planvorming en moet uitwijzen of/hoeveel gecompenseerd dient te worden. Het watersysteem wordt robuust ingericht met waterbergings- en afvoermogelijkheden conform de watertoets.

Doeleinde: Toekomstbestendig watersysteem Het extra hemelwater wordt zoveel bovengronds geborgen en afgevoerd naar open water. Bij nieuwbouw wordt een toekomstbestendig watersysteem aangelegd met voldoende waterbergingscapaciteit. Dat houdt concreet in dat de ontwikkeling minimaal 70 mm water per m2 moet kunnen bergen op eigen terrein gedurende in een etmaal. Doeleinde: Aanpak droogte en hittestress Een gebiedsontwikkeling mag niet bijdragen aan een versnelde bodemdaling, verslechtering van waterkwaliteit en hittestress in bestaand stedelijk gebied. Groen en Ecologie Randvoorwaarde: Natuurtoets en compensatiemaatregelen ecologie Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet deze met een natuurtoets beoordeeld worden op ecologische effecten. Een quickscan ecologie maakt standaard deel uit van de uit te voeren onderzoeken. Deze quickscan kan als basis dienen voor een mitigatie- of compensatieplan in het kader van een ontheffingsaanvraag. Het ontwerp houdt rekening met uitkomsten van de quickscan en wordt hierop aangepast en past, als behoud niet mogelijk is, compenserende maatregelen toe. De compenserende maatregelen worden genomen voor de aangetroffen (beschermde) soorten. (o.a.

Wet natuurbescherming 2017 en Ecologisch Beleidsplan 2013-2030, gemeente Haarlem) Doeleinde: Natuurinclusief bouwen Om een gezonde, aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving voor mens en dier te maken, moet de natuur een volwaardige plaats krijgen bij het 54

bestemmingsplan "Aart van der Leeuwstraat e.o." (vastgesteld)

ontwerpen van nieuwbouw en (openbare) ruimte hier omheen. Behoud en aansluiten op de bestaande ecologische waarden is uitgangspunt. Indien behoud niet mogelijk is, dienen in het bouwproject compensatiemaatregelen te worden getroffen. Daarnaast liggen er grote kansen voor bevordering van natuur binnen bouwprojecten d.m.v natuurinclusief bouwen. Circulair bouwen en ontwikkelen Randvoorwaarde: Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) Voor nieuwbouw dienen de waardes gehanteerd te worden conform bouwbesluit 2018. De Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. De MPG is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. Er geldt voor de MPG een maximum grenswaarde van 1,0. (Bouwbesluit 2018) Doeleinde: verbeterde Milieu Prestatie Gebouwen Het verhogen van de ambitie ten aanzien van de MPG is een concrete maatregel die bijdraagt bij aan deze doelstelling. Dat betekent dat waar mogelijk een lagere MPG-norm wordt voorgeschreven (hoe lager de norm, hoe beter de prestatie), te weten: 0,8 Doeleinde: Duurzame GWW De Aanpak Duurzaam GWW helpt om op een uniforme en systematische manier de juiste processtappen te zetten. Door duurzaamheid te verankeren in de bedrijfsprocessen geven partijen binnen de GWW-sector op een zelfde manier invulling aan duurzaamheid in projecten en zijn verwachtingen vooraf duidelijk.

De aanpak Duurzaam GWW wordt gevolgd voor planvorming, aanleg, aanbesteding, beheer en onderhoud. Van de private partijen die GWW aanleggen wordt gevraagd mee te werken aan deze aanpak. (Grondstoffenakkoord, Green Deal Duurzaam GWW 2.0) Doeleinde: Registratie materialen Bestaande stad is de grondstoffenmijn van de toekomst. Het opstellen van een materialenpaspoort en de registratie daarvan in het Madaster 7, of vergelijkbaar registratiesysteem, draagt bij aan het hergebruik van materialen. Het betreft een relatief eenvoudig uitvoerbare maatregel omdat het in de ontwerpfase wordt toegepast en geen uitvoeringskosten betreft. Doeleinde: Toekomstbestendig ontwerpen Flexibiliteit bieden voor functionele verandering op termijn kan hoge kosten en materiaalverspilling bij een herbestemming of woningaanpassing voorkomen. De woonvisie vraagt aandacht voor flexibiliteit en duurzaamheid. (Doorbouwen aan een (t)huis, Woonvisie Haarlem 2017 - 2020) Doeleinde: Afvalinzameling integreren in ontwerp De voorzieningen voor (gescheiden) inzameling van afval dienen bij de oplevering van nieuwbouwlocaties al op orde moeten zijn, zodat geen noodoplossingen worden ingezet. Daarom dienen voorzieningen zoals ondergrondse en inpandige containers in een vroege fase van het ontwerp geïntegreerd te worden.

Mobiliteit Doeleinde: Stimuleren fiets en voetgangers door de bebouwing Voor iedere nieuwe woning schrijft het Bouwbesluit 2012 voor om een eigen 55

bestemmingsplan "Aart van der Leeuwstraat e.o." (vastgesteld)

berging voor het stallen van fietsen en scootmobielen met een minimale oppervlakte te realiseren. Op grond van de gelijkwaardigheidsbepaling mag er op een andere manier aan worden voldaan dan is aangegeven. De "Beleidsregel bergingen nieuwe woongebouwen Haarlem 2018" geeft voorwaarden daar aan. Tevens wordt er bij woongebouwen rekening gehouden met levensloopbestendigheid (d.m.v. stalling voor scootmobielen). Doeleinde: Stimuleren fiets en voetgangers door de openbare ruimte Het aantal autoritten moet gereduceerd worden en het is de bedoeling dat er minder parkeerplaatsen in de openbare ruimte komen. Ook bij (ver)bouwprojecten moet dit principe leidend zijn. Bijvoorbeeld met een aantrekkelijke looproute naar de dichtstbijzijnde HOV-halte of NS-station, autoparkeren op afstand en voldoende en comfortabele fietsenbergingen of -stallingen die gemakkelijker bereikbaar zijn dan de parkeerplaatsen voor auto's. Doeleinde Duurzaam mobiliteitsplan Binnen de 'beleidsregels parkeernormen' is het mogelijk om gebruik te maken van een mobiliteitsplan. Het uitwerken van een locatie specifiek mobiliteitsplan is een goede methode om bij te dragen aan de duurzame mobiliteitstransitie én te voorzien in voldoende ruimte voor parkeren. Het mobiliteitsplan wordt opgesteld door de initiatiefnemer en kan elementen bevatten over bijvoorbeeld deelauto's, goede fietsontsluiting i.c.m.

nabijheid en OV etc. Doeleinde: Fietsparkeren in ontwerp In het ontwerp moet er aandacht zijn voor het fietsparkeren voor bewoners, maar ook voor bezoekers. Slimme locaties, goed bereikbaar en zeer comfortabel waardoor gebruikers verleid worden de fiets te verkiezen boven de auto. Een goede integratie van (voldoende) fietsparkeren in het ontwerp moet als doel hebben de ruimtelijke kwaliteit vergroten én om het gebruik van de fiets te stimuleren. 4.11.2

Onderzoek Aardgas vrij bouwen In principe moeten gebouwen sinds 1 januari 2018 aardgasvrij worden opgeleverd. De nieuwe woningen in het plangebied Aart van der Leeuw e.o. zullen daarom gasloos worden opgeleverd. Gegeven de vele ontwikkelingen op dit gebied, wordt hier later een keuze in gemaakt. Duurzame energie De nieuwe woningen zullen worden voorzien van zonnepanelen op het dak ten behoeven van het gebruik van duurzame energie. De photovoltaic-panelen worden achter een verhoogde dakrand geplaatst. Klimaatadaptieve openbare ruimte De openbare ruimte rondom de projectlocatie zal klimaatadaptief worden ingericht. Hierbij wordt gedacht aan het inzetten van een bufferzone om hemelwater tijdelijk te bufferen. Riolering Ten behoeven van de beoogde ontwikkeling wordt de riolering vervangen. Hiervoor zal gebruik worden gemaakt van een gescheiden stelsel, waarbij 56

bestemmingsplan "Aart van der Leeuwstraat e.o." (vastgesteld)

hemel- en afvalwater van elkaar gescheiden worden. Bomen Voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling dienen een aantal bomen gekapt te worden, waarvan de meeste bomen slecht en matig. De te kappen bomen (in totaal 57 stuks) zullen worden gecompenseerd met minimaal hetzelfde aantal nieuw te planten bomen van een goede kwaliteit. Zie voor een uitgebreide beschrijving paragraaf 4.12.3.1. Groen De beoogde ontwikkeling zal voorzien in de realisatie van veel groen door middel van de binnentuinen die zijn gesitueerd tussen elke twee blokken. Voor een uitgebreide beschrijving van het nieuwe groen, verwijzen wij naar paragraaf 4.12.3.1. Wat betreft natuurinclusief bouwen worden de volgende maatregelen in het plan geintegreerd: Wadi's: er worden Wadi's gerealiseerd die als natuurlijke waterbuffering dienen; Verblijfplaatsen: er worden verblijfplaatsen gerealiseerd voor insecten (drachtbomen voor honingbijen), vogels en vleermuizen (in de vorm van bijvoorbeeld ingebouwde nestkasten). Stedenbouw: de ecologische verbinding wordt versterkt en bevorderd door het verwijderen van de garages en het toevoegen van groen, waardoor er een verbinding ontstaat met het aangrenzende park. Circulair bouwen Er wordt aangesloten bij de eisen vanuit het Bouwbesluit ten aanzien van circulair bouwen.

Mobiliteitsplan Fietsgebruik wordt gestimuleerd en de fietsen kunnen geparkeerd worden in ofwel de eigen berging, of een mogelijke gezamelijke fietsenberging. Tevens worden er oplaadpunten gecreëerd waar zowel elektrische fietsen als scootmobiels opgeladen kunnen worden. De scootmobiels kunnen inpandig geparkeerd worden. Voor fietsvoorzieningen voor bezoekers is het volgende in de uitvraag voor de nadere uitwerking van de plannen opgenomen: 1. Straatwerk aansluiten van de algemene entrees en de entrees van de woningen naar het openbare straatwerk. Materialen en uitvoering conform eisen gemeente. 2. Voor elke hoofdentree een opstelplaats voor fietsen van bezoekers en huurders die snel in/uit gaan. Fietsenbeugels plaatsen volgens de norm 1 beugel per 5 woningen. 3. De voetpaden zullen worden verbreed en zal tevens over een groene uitstraling bezitten, wat bevorderlijk is om te gaan wandelen. 4.11.3

Conclusie In lijn met de beleidskaders en ambities van gemeente Haarlem wordt op voldoende wijze ingezet op duurzaamheid en energie bij de beoogde herontwikkeling van de Aart van der Leeuwstaat e.o.

57

bestemmingsplan "Aart van der Leeuwstraat e.o." (vastgesteld)

4.12 Groenparagraaf 4.12.1

Inleiding De groenparagraaf biedt inzicht in de kwaliteit en de kwantiteit van het aanwezige groen binnen het plangebied. Deze paragraaf beschrijft niet alleen duidelijk welke effecten dit bestemmingsplan heeft op het aanwezige groen, maar gaat ook in op de kansen voor en de bescherming van groen.

4.12.2

Beleid De hoofdgroenstructuur ligt vast in de Structuurvisie Openbare Ruimte "Haarlem 2040: Groen en Bereikbaar" . Doelstelling is zowel versterking van groen met ecologische waarde als van groen met stedelijke waarde. Dit wordt bereikt door het in stand houden en versterken van de bestaande groene gebieden en lijnen. Bomen vormen een belangrijk tegenwicht voor de verstening van onze leefomgeving. Het Bomenbeleidsplan 2009-2019 geeft de visie van de gemeente Haarlem op bomen en schept samenhang in de uitvoering van het bomenbeleid. Uitgangspunt voor de bomenstructuur is de verdere uitbouw en verbetering van het Haarlemse bomenbestand, waarbij de kwaliteit boven de kwantiteit gaat. Bomen krijgen voldoende de ruimte om zich optimaal te kunnen ontwikkelen. De gemeente Haarlem beschikt verder over een Haarlemse Monumentale Bomenlijst (2009). Vanwege de waarden van monumentale bomen zal in beginsel geen omgevingsvergunning voor het kappen worden verleend voor deze bomen. De Bomenverordening beschermt monumentale bomen. Een bestemmingsplan biedt bescherming aan de groeiplaats van alle monumentale bomen in de openbare ruimte die (deels) binnen het plangebied liggen. Op die manier zijn niet alleen de monumentale bomen beschermd op basis van de Bomenverordening, maar op basis van het bestemmingsplan ook de ruimtes die de monumentale bomen nodig hebben om te kunnen groeien.

Voor het kunnen vastleggen van alle groeiplaatsen is er een actuele inventarisatie uitgevoerd waarbij bepaald is welke monumentale bomen er in het plangebied zijn op het moment dat het bestemmingsplan is opgesteld.

58

bestemmingsplan "Aart van der Leeuwstraat e.o." (vastgesteld)

Afbeelding 4.5: Hoofdbomenstructuurkaart gemeente Haarlem, plangebied rood omcirkeld. 4.12.3

Beschrijving groen in het plangebied In de huidige situatie is sprake van wat groen bij elke ingang van een portiek. Tevens staan er bomen in elke straat binnen het plangebied. Ten noorden van de projectlocatie bevindt zich het Simon Vestdijkpark, dat reeds gerenoveerd is. Ten zuiden van de projectlocatie bevindt zich groen in de vorm van een plantsoen. Daarnaast is er tussen elke twee bouwblokken een binnentuin aanwezig.

59

bestemmingsplan "Aart van der Leeuwstraat e.o." (vastgesteld)

4.12.3.1 Effect ontwikkeling op het groen In de huidige situatie is reeds spraken van een sterke groenstructuur, door de hoeveelheid groen die als binnentuin functioneert. Om zoveel mogelijk bomen te behouden, is gekeken hoe het bouwvolume het best gepositioneerd kan worden. Uitgangspunt hierbij is dat alle kwalitatief slechte en matige bomen worden gekapt en gecompenseerd. Hiervoor is een bomeninventarisatie en nader onderzoek naar de Pluimiepen uitgevoerd door Mense Groen (zie bijlagen 1 en 2 van het stedenbouwkundig plan, terug te vinden in Bijlage 1, p. 37 e.v.). Dit heeft geleid tot een verkaveling die dicht bij de bestaande verkaveling blijft. Bij de Jan Prinslaan staan zestien markante Pluimiepen, die door de sloop van de garageboxen zelfs aanzienlijk beter tot hun recht zullen komen. Daarom wordt hier geen nieuwe bebouwing gerealiseerd, maar komt juist meer ruimte voor groen, aansluitend op het Simon Vestdijkpark. Voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling dient een aantal bomen gekapt te worden, waarvan de meeste bomen slecht en matig. Op onderstaand figuur is een overzicht gegeven van het aantal te kappen bomen. Er worden 11 bomen gekapt (7 rode stippen en 4 paars omcirkeld) die nog van goede of redelijke kwaliteit zijn. Deze bomen staan op een plek waar in de nieuwe situatie bebouwing gerealiseerd wordt.

De overige 50 bomen die gekapt gaan worden, zijn van slechte of matige kwaliteit (oranje en gele stippen).

Afbeelding 4.7: Consequenties voor bestaande bomen (Groenadvies, 2018) De te kappen bomen (in totaal 61 stuks) zullen worden gecompenseerd met minimaal hetzelfde aantal nieuw te planten bomen van een goede kwaliteit. Met betrekking tot soort en exacte plaats van de te compenseren bomen vindt nauw overleg plaats met de stadsecoloog. 60

bestemmingsplan "Aart van der Leeuwstraat e.o." (vastgesteld)

De binnenterreinen met veel waardevolle bomen geven de woonomgeving een enorme kwaliteit. Daarom wordt ingezet op het behoud en versterken van de groene binnenterreinen. De vernieuwde binnenterreinen krijgen een collectief karakter, afgeschermd van de openbare ruimte door brede groene hagen. De collectieve voortuinen blijven behouden en geven de straten een groen karakter. De collectieve groenstroken tussen de stoepen en de woningen aan de westzijde krijgen een ruiger en ecologischer karakter door middel van inheemse beplanting. Hier is ruimte voor waterberging bij zware regenval. De groenstroken aan de zuidzijde sluiten hierop aan en vormen een brede buffer tussen openbare ruimte en collectieve binnentuinen. De groenstroken aan de oostzijde krijgen een parkachtig karakter met gras en solitaire heesters en blokhagen tegen de gevel. De groenstroken onder de pluimiepen sluiten hierop aan en vormen zo de overgang naar het aangrenzende park. Inrichting van zowel collectieve als openbare ruimte vindt plaats in overleg met de stadsecoloog en overige vakspecialisten van de gemeente. Oppervlakte groen In onderstaande tabel is het oppervlakte groen in de huidige situatie afgezet tegen het oppervlakte groen in de nieuwe situatie. Aanwezige groen openbare ruimte privéruimte Totaal

huidige situatie

nieuwe situatie Toename/afname

773 m2 8.851 m2

1.089 m2 9.763 m2

+316 m2 +912 m2 +1.228 m2

Als we kijken naar het oppervlakte groen in de nieuwe situatie en dit afzetten tegen de huidige situatie betekent dit dat er in de openbare ruimte een toename is van 316 m2 aan groen en in de privéruimte een toename van 912 m2 groen is. In totaal wordt er 1.228 m2 groen toegevoegd aan het plangebied. Met de herstructurering van de gebouwen en buitenruimte wordt in totaal meer vierkante meters groen aangebracht. Maar bovenal is het ook een kwalitatieve verbetering van het groen, waarbij ook aandacht besteed is aan opvang van overtollig regenwater, het tegengaan van hittestress en het verbeteren van de kwaliteit van groen in de collectieve binnenhoven. 4.12.4

Conclusie Met de herontwikkeling van het plangebied wordt een bijdrage geleverd aan het vergroenen van de stad met het versterken van de groene binnenterreinen en het realiseren van collectieve groenstroken tussen de stoepen en de woningen. Hiermee wordt een ecologische verbinding gelegd richting het aangrenzende park. Het totaal aantal vierkante meters groen wordt, ten opzichte van de huidige situatie zelfs verhoogd en draagt tevens bij aan klimaatadaptie en opvang van overtollig regenwater.

61

bestemmingsplan "Aart van der Leeuwstraat e.o." (vastgesteld)

4.13 Natuurwaarden 4.13.1

Inleiding Er is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebied- of landschap of als Nationaal Natuurnetwerk (NNN). Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming,uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Nationaal Natuurnetwerk De term Ecologische Hoofdstructuur (EHS) werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP) van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. In 2013 veranderdede naam van Ecologische Hoofdstructuur naar Nationaal Natuurnetwerk (NNN).

NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in of in de nabijheid van het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets'.

4.13.2

Beleid Het ecologisch beleidsplan uit 2013 heeft als doel het kwalitatief verbeteren en verhogen van de ecologische waarden en de richtlijnen uit het beleid verankeren in planprocessen en beheer- en onderhoudsprogramma's. Duurzaamheid, biodiversiteit en participatie zijn onderwerpen die een belangrijke rol spelen bij de invulling en uitvoering hiervan. Het ecologische beleid bevat een afwegingskader bij projecten en andere ingrepen dat weergeeft waar men op moet letten bij projecten. Hierdoor is minder kans op vertraging. Ook wordt ingezet op het verbeteren van beheer en inrichting van de locaties met ecologische potentie. Dit kan alleen als beheer en inrichting zoveel mogelijk gebaseerd zijn op ecologische principes. Binnen Haarlem zijn verschillende gebieden aangegeven als ecologische hotspots, ecologische potentiegebieden en ecologische verbindingszones. Ecologische potentiegebieden zijn waardevolle groene gebieden die zich door 62

bestemmingsplan "Aart van der Leeuwstraat e.o." (vastgesteld)

de juiste inrichting en beheer tot hotspots kunnen ontwikkelen. Geen van deze gebieden bevinden zich in het plangebied. Daarnaast omvat het beleidsplan ook het ecologisch actieplan van de gemeente Haarlem met daarin de ambities voor de periode van 2013-2022 voor onder andere het afkoppelen van regenwater en het toepassen van gevelgroen. Bij nieuwe relevante ruimtelijke ontwikkelingen binnen het plangebied wordt het ecologisch beleidsplan Haarlem betrokken. Voor openbaar groen gelden bovendien regels met betrekking tot het toepassen van inheemse soorten. In stedelijk groen is het uitgangspunt om te werken met zo veel mogelijk inheemse soorten en nooit met minder dan 50% inheems groen. Dit wordt ook geadviseerd voor groen in eigendom van woningbouwverenigingen en dergelijke. 4.13.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12267214/1