20210208767 28. Bijlage 27 Toelichting bestemmingsplan Spaarne Gasthuis Buurt
Tekst van het document
# parkeerplekken
zorgfuncties
woningen
totaal
1.105
0
1.105
beleidsregels gemeente Haarlem
150
228
378
bouwmaatstaven
925
n.v.t.
925
1.100
228
1.303
huidige parkeercapaciteit
totaal parkeerbehoefte
Tabel 4.3 Parkeren plangebied (parkeerbehoefte) De 1.100 parkeerplaatsen voor het ziekenhuis worden gerealiseerd op de volgende locaties: • • • •
circa 450 in de parkeergarage bezoekers zijde Europaweg circa 500 in de parkeergarage personeel zijde Amerikaweg circa 75 in de halfverdiepte parkeergarage SEH / HAP zijde Boerhaavelaan circa 40 parkeerplaatsen annex het Boerhaavegebouw t.b.v. het Boerhaavegebouw 45
• • •
circa 10 parkeerplaatsen op en annex het logistieke hof voor kort parkeren leveranciers etc. van het ziekenhuis en de apotheek circa 20 parkeerplaatsen op het entreeplein voor kiss and ride, invaliden en kort parkeren voor taxi's (publieke ingang ziekenhuis) circa 5 parkeerplaatsen annex het Zuiderpoortgebouw voor kort parkeren van leveranciers etc. van de functies gehuisvest in het Zuiderpoort gebouw.
De parkeerplaatsen voor de woningen sociaal, op basis van vigerend beleid zijn dat 72 plaatsen, worden deels gerealiseerd in de parkeergarage voor bezoekers en deels met langsparkeren aan de Europaweg. De parkeerplaatsen voor de woningen midden/duur (156 plaatsen) worden gerealiseerd in een ondergrondse parkeervoorzieningen onder de midden/duur woningen. Daarin wordt voorzien. Het aspect parkeren levert dan ook geen belemmering op voor het plan. Bij toetsing van de aanvragen omgevingsvergunning wordt getoetst aan de in dit bestemmingsplan opgenomen regels over parkeren (de regels uit het parapluplan parkeernormen Haarlem 2018 zijn in dit bestemmingsplan geïntegreerd).
4.8 Waterparagraaf 4.8.1 Inleiding Een belangrijk ordenend principe bij ruimtelijke plannen is het waterbeheer: de zorg voor veiligheid tegen overstromingen en voor voldoende en gezond oppervlaktewater. Waterbeheerders worden in en zo vroeg mogelijk stadium betrokken bij het proces van ruimtelijke planvorming. De Watertoets is hiervoor het wettelijk geregelde procesinstrument, zie www.dewatertoets.nl. De resultaten van het doorlopen van dit proces van afstemming zijn weergegeven in deze waterparagraaf. Deze paragraaf benoemt de waterbeheerder, beschrijft het relevante beleid en het huidige watersysteem en gaat in op de effecten daarop van ruimtelijke ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.
4.8.2 De waterbeheerder in het plangebied Het hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en het onttrekken van (ondiep) grondwater. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheerfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol.
4.8.3 Beschrijving watersysteem 4.8.3.1 Afvalwater Het afvalwater wordt apart van het hemelwater ingezameld en met een vuilwaterriool afgevoerd naar het gemeentelijk rioolstelsel. Afvalwater wordt dus apart aangeboden op het gemeentelijk stelsel. De locaties van de aansluitingen op het gemengde stelsel worden in nadere uitwerking en in overleg met de gemeente Haarlem vastgesteld.
4.8.3.2 Hemelwater In de toekomstige situatie wordt hemelwater geheel afgekoppeld van het gemeentelijk stelsel. Door het aanleggen van groenvoorzieningen in de vorm van wadi’s en vergroten van de vijver worden voorzieningen gerealiseerd om water te bergen, infiltreren en af te voeren. De wens is om zoveel mogelijk het hemelwater oppervlakkig naar deze voorzieningen af te voeren. Indien nodig, 46
bijvoorbeeld vanwege lange transportafstanden of kleine maaiveldhoogteverschillen, worden HWA leidingen ontworpen. Hiernaast wordt een gedeelte van de binnenplaatsen bedekt met groene daken zodat hemelwater lokaal vastgehouden wordt. Hiermee ontstaat de mogelijkheid om hemelwater vast te houden. Hierdoor wordt het omliggende oppervlaktewater minder belast en meer water vast gehouden voor vegetatie binnen het plangebied.
4.8.3.3 Oppervlaktewater In het plangebied is een vijver aanwezig. Het waterpeil van deze vijver is NAP -0,61 m. Dit oppervlaktewater is aangemerkt als overig oppervlaktewaterlichaam en is onderdeel van het boezemsysteem van Rijnland. Uit overleg met het Rijnland is gebleken dat deze bestaande vijver onderdeel moet blijven van het boezemsysteem en dat deze mee moet fluctueren met de waterstanden in het boezem. Naast deze bestaande vijver worden ook nieuwe bovenstroomse wadi’s en vijver gegraven. Het streven is om deze nieuwe wadi’s en vijvers welke bovenstrooms liggen de mogelijkheid te geven om water vertraagd af te voeren op de bestaande vijver.
4.8.3.4 Grondwater Na herinrichting van het plangebied dient alle nieuwbouw te voldoen aan de gewenste ontwatering voor zowel wegen (0,70 m -mv) als gebouwen (0,90 m – vp). In de toekomstige situatie worden een aantal gebieden opgehoogd. Uit het grondwatermodel van Haarlem blijkt dat de ontworpen maaiveldhoogten en vloerpeilen voldoen aan de minimaal gewenste ontwatering van 0,7 m minusmaaiveld onder wegen. Hiernaast wordt er in het plangebied een kelder voor logistiek in oostwest richting gerealiseerd. Onder het ziekenhuisgebouw wordt ook een kelder gerealiseerd. Deze ondergrondse constructies dienen waterdicht te worden gerealiseerd. Deze ondergrondse voorzieningen kunnen mogelijk nadelige effecten hebben op de grondwaterstromen en daarbij de gewenste ontwateringswens. In de nadere uitwerking dient onderzocht te worden of aanvullende maatregelen nodig zijn om nadelige effecten te compenseren. Bij de verdere uitwerking van de maaiveldhoogten en vloerpeilen wordt de ontwatering opnieuw getoetst. Indien nodig worden maatregelen zoals drainageleidingen opgenomen in de uitwerking.
4.8.3.5 Inrichting maaiveld Omdat het ziekenhuis een vitale gemeenschappelijk functie heeft wordt bij het bepalen van de vloerpeilen en maaiveldhoogtes rekening gehouden met extreme neerslagsituaties waarbij mogelijk tijdelijk water-op-straat ontstaat. Gedurende deze situaties mag het hemelwater niet afstromen richting de voorzieningen van het ziekenhuis. Om het systeem klimaatrobuust te maken worden de vloerpeilen boven de aanliggende straatpeilen ontworpen. De kans dat hemelwater naar het ziekenhuis stroomt, wordt hiermee weggenomen.
4.8.3.6 Waterkwaliteit Het plangebied heeft een maatschappelijke functie. Er zijn woningen en een ziekenhuis gepland. Hierdoor kan er vanuit worden gegaan dat geen vervuiling van het hemelwater optreedt tijdens de afvoer op de vijver en uiteindelijk de Amerikavaart. Aandachtspunt hierbij is dat geen uitlogende materialen worden toegepast. Tevens is het mogelijk om met de nieuw aan te leggen vijver en wadi’s hemelwater te filteren voordat het daadwerkelijk in het boezemsysteem komt. Dit kan met bijvoorbeeld helofytenfilters.
4.8.3.7 Verhoudingen oppervlak plangebied Bij de herinrichting van het terrein verandert de verhouding verhard/onverhard oppervlak. Afbeelding 4.2 bevat een overzicht van de verhouding verhard oppervlakte versus groen en water. Links is dat gevisualiseerd voor de huidige situatie (78% verhard, 22% groen en water). Rechts is dat gevisualiseerd voor de toekomstige situatie (naar huidig inzicht 52% verhard, 48% groen en water). Hieruit blijkt de 47
herinrichting het aandeel verharding aanzienlijk kleiner wordt. Dit is een positieve ontwikkeling voor de benodigde hemelwaterafvoer vanuit het gebied. De omgeving wordt niet extra belast.
Afbeelding 4.2 – Verhouding verhard versus groen en water Overigens is in dit verband ook de in paragraaf 2.2.1 beschreven fasering van belang. Zoals daar beschreven bestaat de herontwikkeling van het gebied uit drie fasen. In dit bestemmingsplan wordt uitsluitend de eerste fase, namelijk het realiseren van circa 60.000 m² nieuwbouw, juridischplanologisch mogelijk gemaakt. Zoals in paragraaf 3.3.1.3 genoemd wordt in de toekomst de tweede en derde fase van het ziekenhuis wordt gerealiseerd. Dan zal de besloten tuin opgaan in deze toekomstige nieuwbouw aan de centrale as. Op dit moment staat het bestemmingsplan op die plek de huidige bebouwing toe. Die bebouwingsmogelijkheid wordt vanwege de fasering in dit nieuwe bestemmingsplan (deels) in stand gelaten. Het realiseren en in gebruik nemen van de besloten tuin ligt bij het ziekenhuis.
4.8.3.8 Overstromingsrobuust inrichten Zoals in paragraaf 3.2.2 is beschreven zijn in de provinciale verordening regels gesteld over overstromingsrobuust inrichten. In de verordening is vastgelegd dat de toelichting van een bestemmingsplan dat nieuwbouw ten behoeve van vitale of kwetsbare functies mogelijk maakt een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s van en bij overstroming. De toelichting van een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat tevens een beschrijving van de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de in het eerste lid omschreven risico’s te voorkomen of te beperken. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan is in dat verband gebruik gemaakt van de ‘Handreiking overstromingsrobuust inrichten’ van de provincie Noord-Holland. In figuur 2.2 van deze handreiking zijn de maximale overstromingsdiepten in NoordHolland opgenomen. Uit die figuur blijkt dat de projectlocatie geen risicovolle locatie is. De locatie valt in de categorie ‘wit’. Dat betekent dat de locatie niet overstroomt bij een dijkdoorbraak. De handleiding geeft aan dat er in die gevallen geen maatregelen nodig zijn van uit het perspectief van overstromingsrobuust inrichten.
Ondanks die conclusie zijn er in de projectuitvoering maatregelen getroffen, namelijk: de nieuwbouw wordt op dezelfde peilhoogte als de bestaande bebouwing gerealiseerd en de kritische functies worden tenminste op peil of hoger ondergebracht.
48
4.8.4 Resultaten overleg met waterbeheerder Tijdens overleg met Hoogheemraadschap van Rijnland is het beoogde watersysteem besproken en zijn de volgende punten vastgesteld: • •
• •
•
Vanwege de afname van verhard oppervlak binnen bestaand gebied is het niet nodig om een watervergunning aan te vragen; De bestaande vijver binnen het plangebied blijft in open verbinding met de Amerikavaart. Dit is de wens vanuit Rijnland wegens het blijven kunnen benutten van de waterberging. Vertraagd afvoeren bij deze vijver is niet mogelijk. De wens voor vertraagd afvoeren is wel mogelijk voor nieuwe bovenstroomse voorzieningen; Het systeem wordt hydraulisch getoetst volgens de richtlijnen van de gemeente en Rijnland; In de huidige plannen is opgenomen dat circa 400 m 2 vijver komt te vervallen en dat deze gecompenseerd wordt door een nieuw stuk vijver. Deze compensatie wordt in een latere fase uitgevoerd. Zowel de demping als het te graven water zijn respectievelijk vergunning- en meldplicht op grond van de keur van Rijnland. De compensatie wordt ook in de tijdelijke bouwfase geregeld (t.b.v. het behoudt van waterberging). Daarvoor wordt gebruik gemaakt van de regeling Berging Rekening Courant; Vanwege de vitale functie moet extra aandacht worden besteedt aan de maaiveldinrichting, zodat afstromend hemelwater naar het ziekenhuis wordt voorkomen. Hiernaast dient de omliggende infrastructuur klimaatrobuust ontworpen te worden. Daarin is in de planvorming voorzien.
4.9 Cultuurhistorie 4.9.1 Korte historische schets Het trapeziumvormige plangebied ligt in Haarlem Zuid in stadsdeel Schalkwijk, tussen het Spaarne en de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder, en maakt onderdeel uit van de Boerhaavewijk. Schalkwijk heeft een lange historie, de naam wordt voor het eerst vermeld in 1310 in het cartularium van Sint Jan. Schalkwijk is in de jaren ´60 / ’70 gebouwd volgens de toen populaire stedenbouwkundige principes van functiescheiding en auto-bereikbaarheid. In het structuurplan Schalkwijk (1966) was het plangebied al opgenomen. Binnen het plangebied waren de contouren van het huidige ziekenhuis indertijd al ingetekend.
4.9.2 Beschrijving cultuurhistorie in het plangebied Het door de architecten Kruisheer en Hallink in de periode 1965-71 gebouwde ziekenhuiscomplex behoorde tot de eerste fase van de bouw van de nieuwe wijk Schalkwijk. Het ziekenhuis werd opgezet volgens de toen geldende en zelfs deels nog in ontwikkeling zijnde ideeën, waarbij het grote beddenhuis als hoogbouwproject centraal stond, aangevuld met het door gangen hiermee verbonden behandelhuis en polikliniek. De architectuur van het complex is overwegend modernistisch, met een betonskelet en gevels opgebouwd uit prefab sierbetonplaten met stalen ramen en puien. Het beddenhuis was als type in deze vorm ontstaan in het midden van de 20ste eeuw, waarbij als kern de gestandaardiseerde verpleegeenheid fungeerde, die in gekoppelde en gestapelde vorm in het gebouw werd opgenomen. De drie gekoppelde gebouwen zijn ontworpen om zo flexibel mogelijk te zijn in de indeling, alleen de gewapende betonskeletten met trappen en liftkokers, in combinatie met de gevels en vloeren zijn vaste elementen, verder is het geheel met systeemwanden ruimtelijk ingedeeld. 49
4.9.3 Waardering cultuurhistorie Het verrichte cultuurhistorische onderzoek (Monumenten Advies Bureau, Cultuurhistorisch onderzoek & waardestelling, 5 april 2019; bijlage 14) is te zien als een cultuur- en bouwhistorische verkenning. De scope van het onderzoek is de voorgeschiedenis van het ziekenhuis, de geschiedenis van de huidige locatie en de bouw en ontwikkeling van het complex. Uit het onderzoek is gebleken dat van het ziekenhuiscomplex het aan het uit drie bouwdelen bestaande beddenhuis cultuurhistorische waarden zijn te verbinden. Het gebouw is wat betreft het exterieur gaaf bewaard gebleven, maar heeft behalve de constructies in het interieur door de flexibel bedoelde opzet met inmiddels meermalen gemoderniseerde afwerkingen van met name de verpleegafdelingen, met uitzondering van enkele bijzondere ruimten, weinig waarde. Van waarde bij het interieur is de ruimtelijke structuur en afwerking van de trappenhuizen en verder vooral de onderbouw in het bouwdeel met het zogenoemde amphitheater.
4.9.4 Effect ontwikkeling op cultuurhistorie Uit de zogenoemde waardestelling kan gezien de aan het gebouw (beddenhuis) toe te kennen waarden worden afgeleid dat behoud en herbestemming van dit markante beddenhuis op zichzelf wenselijk is te noemen. De kosten voor renovatie en hergebruik van het bestaande ziekenhuis zijn minstens gelijk aan de kosten voor volledige nieuwbouw. Gezien de functionele onmogelijkheden van de fysieke structuur die in alle gevallen leidt tot minder of disfunctionele indelingen is een dergelijke investering maatschappelijk onverantwoord. Gezien de beoogde ontwikkeling van het plangebied wordt het bestaande ziekenhuis volledig gesloopt. Het beddenhuis is geen gemeentelijk monument. Ook is in het vigerende bestemmingsplan geen bescherming opgenomen. Vanuit het aspect cultuurhistorische waarden zijn dan ook geen belemmeringen voor het vaststellen van het bestemmingsplan.
4.10 Archeologie 4.10.1 Inleiding Deze paragraaf beschrijft het aspect archeologie. Als eerste komt het relevante beleid aan bod. Daarna komen de Haarlemse bodem en de verwachtingswaarde in het plangebied aan de orde.
4.10.2 De Haarlemse bodem Het huidige Haarlem ligt zowel op de oudste strandwal, 56 eeuwen geleden ontstaan, als de op een na oudste strandwal van Nederland. Op deze strandwallen bouwden jagers en vissers in de nieuwe steentijd (vanaf 3600 v. Chr.) eenvoudige onderkomens. Vanaf de bronstijd (2000-800 v. Chr.) legden de mensen akkers aan en bouwden ze boerderijen. Vele eeuwen later, in de Karolingische tijd (7e8e eeuw n. Chr.), ontstond op een strategische plek aan het Spaarne de nederzetting Harulahem. Harulahem, wat huis (huizen) op een open plek in een op zandgrond gelegen bos betekent, is later verbasterd tot Haarlem. Haarlem ontwikkelde zich al snel tot een belangrijke stad in Holland en kreeg in 1245 stadsrechten. De resten van woningen, huisraad en andere sporen van vroegere bewoning zijn in de loop der eeuwen door natuurlijke processen en kunstmatige ophogingen verborgen geraakt in de Haarlemse bodem. Zo is Haarlemse bodem een opeenstapeling geworden van diverse lagen van 56 eeuwen bewoningsgeschiedenis.
50
4.10.3 Verwachtingswaarde plangebied In afbeelding 4.2 is de archeologische verwachtingswaarde weergegeven.
Afbeelding 4.2 Uitsnede Archeologische Beleidskaart Haarlem
4.10.4 Onderzoek Er heeft een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) plaats gevonden binnen het plangebied. Om de in het bureauonderzoek opgestelde specifieke archeologische verwachting te toetsen en de mate van verstoring van de bodemopbouw vast te stellen is een verkennend booronderzoek uitgevoerd (RAAP, archeologisch vooronderzoek plangebied Spaarne Gasthuis te Haarlem, 25 april 2020; bijlage 15).
4.10.5 Conclusie Op basis van de resultaten van dit onderzoek blijkt dat in het plangebied geen archeologische resten bedreigd worden. Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht.
4.11 Groenparagraaf 4.11.1 Beschrijving groen in het plangebied De aanwezigheid van groen in het plangebied is beperkt. Hoofdzakelijk langs de randen van het plangebied is sprake van groen, in de vorm van bomen. Ten behoeve van de plannen binnen het plangebied heeft wel een uitgebreide bomeninventarisatie plaatsgevonden (Bk Bouw & milieuadvies, bomeninventarisatie Spaarne Gasthuis, 21 maart 2019; bijlage 16). Alle (386) bomen binnen het plangebied hebben een boomnummer gekregen, waarmee de boom te identificeren is. Dit boomnummer is vermeld op een kaart en is opgenomen in een bomenlijst. Daarbij zijn een aantal gegevens van de bomen verzameld: de leeftijdsverwachting, diameter borsthoogte, kroondiameter, hoogte, kwaliteit/vitaliteit en levensverwachting. 51
Het aantal naar verwachting te kappen bomen is nader geanalyseerd (PTG Advies, compensatie te kappen bomen, 9 april 2021; bijlage 17). Het aantal naar verwachting te kappen bomen is bepaald door per boom vast te stellen of deze in het bouwvlak gesitueerd is of (ruim) erbuiten (zie ook bijgaande plattegronden van de huidige situatie). Op basis van deze analyse dienen naar verwachting 187 bomen te worden gekapt waarvan van 32 bomen de noodzaak van kap nog niet vaststaat. Dit is afhankelijk van de mogelijkheden tijdens de realisatie van de bouwplannen deze bomen te handhaven. Van deze 187 bomen zijn 64 bomen niet vergunningsplichtig. Opgemerkt wordt dat bij de verdere planontwikkeling exact zal worden bepaald welke bomen wel en welke niet moeten worden gekapt. De analyse gaat uit van de maximaal toegestane bebouwingsmogelijkheden in het bestemmingsplan en geeft daarmee een goed beeld van de mogelijke omvang van het aantal te kappen bomen.
leeftijdscategorie 00-20 jaar 21-30 jaar 31-40 jaar 41 -50 jaar > 50 jaar
te kappen noodzaak nog te bomen bepalen 21 118 14 1 1 155
4 15 0 2 11 32
totaal mogelijk te kappen bomen 25 133 14 3 12 187
waarvan langs waarvan Europaweg verderop terrein SG 20 5 14 119 5 9 1 2 0 12 40 147
geen kapvergunning nodig <20cm 21 43 0 0 0 64
wel kapvergunning nodig >=20cm 4 90 14 3 12 123
Bij de planontwikkeling en realisatie zullen alle te kappen bomen in het plangebied, naar verwachting in totaal maximaal 123 bomen, worden gecompenseerd met nieuwe bomen. Bij de verdere planontwikkeling wordt gekeken hoeveel bomen er exact moeten worden gekapt. Mogelijk kan een deel van deze bomen worden verplaatst naar een andere locatie in het plangebied of naar elders in de gemeente Haarlem. De bomen langs de Europaweg worden bij de herinrichting van de Europaweg in het profiel van de Europaweg gecompenseerd met nieuwe bomen. De bomen binnen het plangebied worden gecompenseerd met minimaal net zo veel nieuwe bomen in het plangebied. De herplant van nieuwe bomen in het plangebied zal plaatsvinden in het Entreedal die een bomenrijk en groen karakter krijgt. Verder zullen bomen worden herplant ter plaatse van de brontuin, waar de huidige parkeervoorzieningen en het dialysegebouw zullen plaatsmaken voor groen. Verder vindt herplant van bomen plaats langs de westkant en noordkant van de vijver en in de tijdelijke tuin. Waar mogelijk worden ook nieuwe bomen gepland langs de Boerhaavelaan.
4.11.2 Effect ontwikkeling op het groen Voor de openbare ruimte is het concept ‘Healthy Valley’ ontwikkeld (zie afbeelding 4.3). Dit concept is uitgewerkt in het Beeldkwaliteitsplan. Het landschapsconcept ‘Healthy Valley’ is één continu landschap die de verschillende onderdelen van de Spaarne Gasthuis Buurt samen bindt. De Gasthuis Buurt wordt gezien als een vallei. De gebouwen zijn integraal onderdeel ervan en zijn als rotsen in de vallei. De bestaande vijver vormt de centrale plek van de vallei. De lengterichting van de vijver vormt een lange zichtlijn over de vallei en loopt door in Schalkwijk Midden, waarmee de Healthy Valley wordt verbonden met Schalkwijk Midden. De vallei kent een overgang van nat naar droog, van laag naar hoog. Op de laagste plekken wordt het hemelwater verzameld en zoveel mogelijk vastgehouden. Het watersysteem begint in de ‘brontuin’ aan de noordzijde, onderdeel van de tuin van het ziekenhuis waar rust en een ‘healing environment’ centraal staan. Naast de brontuin kent de vallei meerdere bijzondere 52
plekken. Het ‘Entreedal’, de hoofdentree van de Spaarne Gasthuis Buurt aan de Europaweg, vormt een zijdal van de Healthy Valley. Hier wordt het hemelwater opgevangen in een wadi die uitmondt in de vijver. De ‘besloten tuin’ is een heuvel op de plek van het beddenhuis. De ‘hoge tuin’ is de ruimte tussen de woongebouwen. Deze plek is circa 80cm verhoogd ten opzichte van omgeving. Onder de hoge tuin bevindt zich de parkeergarage voor de bewoners. De entree van het ziekenhuis tenslotte is een gebouwde ruimte maar wordt nadrukkelijk gezien als onderdeel van de vallei. In de landschapsvisie wordt de entree daarom als bijzondere plek in de vallei beschreven, genaamd ‘de brug’. De entree van het ziekenhuis is een transparant volume om de zichtlijn over de vallei niet te verstoren en maximaal 12 meter hoog zodat de boomtoppen over het volume heen zichtbaar zijn. Voor de inrichting van de Healthy Valley is een apart beeldkwaliteitplan gemaakt. Hierin worden criteria beschreven over de inrichting van het maaiveld, kunstwerken, de beplanting en het straatmeubilair. Het beeldkwaliteitplan voor de openbare ruimte vormt een apart hoofdstuk in dit boekje.
Afbeelding 4.3 Plankaart Healthy Valley (Bron: beeldkwaliteitsplan) De Healthy Valley loopt schijnbaar ononderbroken door in Schalkwijk Midden. In het bestemmingsplan is bij diverse bestemmingen (namelijk Groen, Maatschappelijk en Verkeer) een minimum oppervlakte groen en water vastgelegd.
4.11.3 Monumentale bomen Uit de Kaart Monumentale bomen van Haarlem blijkt dat binnen het plangebied geen bomen staan die de status van monumentale of waardevolle boom hebben.
53
Uit de bomeninventarisatie blijkt dat er in het gebied een aantal bomen aanwezig zijn die ouder zijn dan 50 jaar. Waar voor iedere boom in de planuitwerking geldt dat het behouden (of verplanten) daarvan in het plan de voorkeur heeft geldt dat, mede vanwege de recent door de gemeenteraad aangenomen motie hierover, voor deze bomen in het bijzonder. Dat kan ook goed vanwege het feit dat deze oudere bomen zonder uitzondering aan de randen van het plangebied zijn gelegen. Mocht bij de planuitwerking onverhoopt blijken dat het behoud op de plek desondanks niet mogelijk is, dan wordt daarvoor, met de bijbehorende onderbouwing, op dat moment een vergunning voor aangevraagd.
4.11.4 Conclusie Voorliggend bestemmingsplan draagt bij aan een vergroening van het plangebied en laat het plangebied middels de aanleg van nieuw groen beter aansluiten op Schalkwijk Midden. Zoals genoemd is bij diverse bestemmingen een minimum oppervlakte groen en water vastgelegd in het bestemmingsplan.
4.12 Natuurwaarden 4.12.1 Inleiding Gebieden met bijzondere natuurwaarden zijn in Nederland wettelijk en/of planologisch beschermd. Hierbij gaat het om gebieden die bescherming genieten op basis van de Wet natuurbescherming, internationale bescherming via Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland (NNN) en andere in bestemmingsplannen aangeduide gebieden. Bescherming van flora en fauna is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Voor de soorten die beschermd zijn onder de Wnb gelden verbodsbepalingen. Deze verbodsbepalingen stellen dat deze beschermde dieren niet verontrust, gevangen, of gedood mogen worden. Bovendien mag de directe leefomgeving van beschermde soorten niet vernietigd, beschadigd of verstoord worden. Wanneer overtreding van een verbodsbepaling onvermijdelijk is, moet een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. Naast de beschermde soorten geldt er een algemene zorgplicht voor alle in het wild levende planten dieren (algemene zorgplicht, artikel 1.11).
4.12.2 Gebiedsbescherming Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan is onderzoek uitgevoerd naar gebiedsbescherming. Het plangebied ligt op ruim 3 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid. Door de kenmerken van het plangebied, de afstand tot het Natura 2000-gebied en de aard van het tussenliggende gebied (stedelijk gebied met veel verstoring qua licht, geluid etc.) heeft dit bestemmingsplan geen negatieve effecten op het Natura 2000-gebied en de instandhoudingsdoelen. Er is onderzoek uitgevoerd naar de effecten van het bestemmingsplan op het aspect stikstofdepositie (Aerius berekening huidig en toekomstig gebruiksfase en aanlegfase, 14 april 2020; bijlage 18). Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat als gevolg van het bestemmingsplan per saldo een veel lagere emissie (en daarmee ook depositie) optreedt dan in de huidige situatie. Dit komt doordat een gedeelte van de ziekenhuisfunctie wordt vervangen door een woonfunctie. De NOX uitstoot in de toekomstige gebruiksfase bedraagt 6.683,67 kg en er wordt 1.712,39 kg NOx uitgestoten tijdens de bouwfase (per jaar). De uitstoot in de huidige situatie is 15.101,40 kg NOx per jaar. Als gevolg van het bestemmingsplan vindt dan ook geen extra stikstofdepositie plaats. De nieuwe situatie als gevolg van 54
het bestemmingsplan is zelfs gunstiger dan de huidige situatie (referentiesituatie). Er is dan ook geen passende beoordeling nodig. Ook hoeft geen natuurvergunning te worden aangevraagd. De wettelijke lijn (sinds 1 jan 2020) is namelijk dat er geen Wnb vergunning nodig is bij projecten waar intern wordt gesaldeerd. Het plangebied is niet in de nabijheid gelegen van een NNN gelegen, de afstand bedraagt ongeveer 1,6 kilometer. Gezien de stedelijke omgeving met reeds aanwezige verstoringsfactoren als licht, geluid etc. worden daar op gebiedsniveau geen nadelige effecten verwacht. Het aspect gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.
4.12.3 Soortenbescherming Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan is een quick scan flora en fauna uitgevoerd (BK bouw & milieuadvies, quickscan flora en fauna Spaarne Gasthuis, 16 april 2019; bijlage 19). Tijdens het veldonderzoek zijn geen zwaar beschermde soorten aangetroffen. Gezien het terreintype worden de zwaar beschermde vleermuizen en broedvogels verwacht. Op basis van literatuuronderzoek wordt een diversiteit aan (algemeen voorkomende) soorten verwacht. Voor algemeen voorkomende beschermde soorten geldt dat ze niet ontheffingsplichtig zijn, mits de zorgplicht in acht wordt gehouden. Met betrekking tot de groep van vleermuizen wordt de locatie zeer geschikt bevonden als foerageergebied, vliegroute én zomer-, kraam-, paar-- en/of winterverblijfplaats. Met het uitvoeren van de beoogde plannen wordt verwacht dat belangrijke verblijfplaatsen worden verstoord of zullen verdwijnen. In de quick scan wordt geconcludeerd dat nader onderzoek naar vleermuizen benodigd is. Dat onderzoek is verricht (BK bouw & milieuadvies, nader ecologisch onderzoek Spaarne Gasthuis,6 augustus 2020; bijlage 20). Uit dit onderzoek vloeit het advies voort om nadelige effecten ten aanzien van foeragerende vleermuizen tot een minimum te beperken door tijdens de sloop en aanvullende bouwwerkzaamheden eventuele verlichting neerwaarts te richten en geen nachtelijke werkzaamheden uit te voeren.
Er is een ontheffing van de Wet natuurbescherming benodigd in verband met de vleermuizen. Tijdens de locatiebezoeken is ook een nest van de torenvalk aangetroffen. Om verstoring van het nest te voorkomen moet (volgens de zorgplicht) buiten het broedseizoen (april tot en met juli) gewerkt worden. Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.
4.12.4 Conclusie De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Wel moet bij de bouwactiviteiten rekening worden gehouden met de algemene zorgplicht en moeten de maatregelen die voortvloeien uit het nader onderzoek naar vleermuizen worden getroffen.
55
4.13 Vliegverkeer Vanaf 20 februari 2003 is het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) van kracht. Dit besluit wijst rond het luchthavengebied een beperkingengebied aan. Binnen dat gebied gelden regels voor beperkingen van bestemming en gebruik van grond. Het gaat om beperkingen voor bebouwing, hoogte en het realiseren van vogelaantrekkende bestemmingen, vogelaantrekkend gebruik, windturbines en lasers. Uit het LIB vloeit voort dat op de planlocatie geen objecten zijn toegestaan die hoger zijn dan 60m NAP. Dat is niet het geval. Daarnaast worden geen vogelaantrekkende functies mogelijk gemaakt. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het LIB.
4.14 Bezonning Er bestaan geen wettelijke normen en eisen ten aanzien van bezonning voor bebouwing. Gemeenten zijn bij de onderbouwing of er ten aanzien van dit aspect sprake is van ‘een goede ruimtelijke ordening’ vrij om dit in te vullen. In de gemeente Haarlem wordt gebruik gemaakt van de door TNO ontwikkelde (lichte norm), die minimaal twee uur zon per dag (niet aansluitend vereist) in de periode 19 februari tot en met 21 oktober voorschrijft. Deze veel gebezigde methode is in de rechtspraak algemeen aanvaard. De volledige formulering van de ‘lichte norm’ luidt als volgt: ‘er wordt voldaan aan de lichte TNO-norm als de zon minimaal 2 uur per dag op het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam van de woonkamer valt, gedurende de periode 19 februari t/m 21 oktober’. 19 februari en 21 oktober zijn de data waarop de schaduwwerking het grootst is. Als onderdeel van het beeldkwaliteitsplan is een bezonningsstudie uitgevoerd (bijlage 21). Uit die studie, gebaseerd op een bouwmassastudie, blijkt dat in de omgeving van het plangebied, waaronder de noordzijde van de Boerhaavelaan wordt voldaan aan de bezonningsnormen. Het plangebied en de nieuwe bebouwing is gunstig gelegen ten opzichte van de zon. Het park vangt volop zon gedurende een groot deel van de dag.
Ook het noordelijke deel van het entreeplein, het autovrije deel, is het grootste deel van het jaar goed bezond. De binnentuin van het bouwblok is wat kritischer. De bebouwing langs de Europaweg zorgt in de middag voor schaduw in de binnentuin. Dat geldt in mindere mate voor de ochtendzon, omdat de oostzijde van het bouwblok transparanter is. Door het hoogteaccent van het bouwblok op de zuidoosthoek te positioneren is de schaduwwerking ervan minimaal.
Ten behoeve van het opstellen van het bestemmingsplan is een aanvullende bezonningsstudie uitgevoerd (Bezonningstudie Spaarne Gasthuis Buurt, SVP, 22 februari 2021, zie bijlage 22). In de studie is gekeken of de woningen ten noorden van het Spaarne Gasthuis, aan de Roolandweg, voldoen aan deze richtlijn, indien alle bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt maximaal zouden worden benut. De bezonning wordt weergegeven op de kortste dag van de voorgeschreven periode (19 februari).
56
Uit het onderzoek volgen de volgende conclusies: • •
Het appartementengebouw aan de Roolandweg 1-79 ligt op 19 februari vanaf ongeveer 13.00 uur vrijwel volledig in de zon en voldoet daarmee aan de lichte richtlijn; De grondgebonden woningen aan de Roolandweg 85-123 hebben op 19 februari 1 uur zonlicht in de ochtend en 1 in de middag en voldoen daarmee aan de lichte richtlijn.
De seizoensstudie laat verder zien dat de beoogde nieuwbouw alleen effect heeft op de bezonning van de woningen aan de Roolandweg gedurende de wintermaanden. In maart, juni en september heeft de beoogde nieuwbouw geen effect op de bezonning. Los van het feit dat er wordt voldaan aan de lichte TNO-norm is het overigens niet mogelijk de beoogde nieuwbouw te verlagen of naar achteren te plaatsen. Het ziekenhuis is een gebouw waarin logistiek belangrijk is om goede zorg te verlenen, daarmee is een bepaalde maatvoering nodig voor een goed gebouw. Daarbij kan tevens in aanmerking worden genomen dat deze bebouwing in een binnenstedelijke omgeving ligt en dat de schaduwwerking ter plaatse, mede gelet op de ligging, niet onaanvaardbaar toeneemt.
.15 Windhinder 4.15.1 Inleiding De notitie 'Hoogbouwprincipes – Kansen voor hoogbouw in Haarlem' stelt dat windhindereffecten voor de omgeving onderzocht moet worden. Er is geen formele, landelijk vastgestelde eis voor windhinder en windgevaar, wel zijn er grote gemeenten met richtlijnen op dat gebied. Deze dienen met name voor bouwplannen met hoogbouw of hoogteaccenten.
4.15.2 Onderzoek Gelet op de fase van de planontwikkeling en gezien de maximale hoogten van de bouwmassa’s is een kwalitatieve beoordeling van het windklimaat gedaan, aan de hand van NEN8100 en NPR 6097 (DGMR, Kwalitatief windonderzoek Spaarne Gasthuis Haarlem Zuid, 1 juli 2020; bijlage 23).
4.15.3 Conclusie In het uitgevoerde onderzoek wordt geconcludeerd dat de implementatie van het Masterplan Spaarne Gasthuis weinig effect heeft op het windklimaat in de nabije omgeving. Ook in het plangebied heerst over het algemeen een goed windklimaat. Het aspect windhinder vormt dan ook geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan. Tijdens de verdere planuitwerking zal uitvoeriger windonderzoek gedaan worden middels computational fluid dynamics (CFD). Dat is een methode waarbij aan de hand van een digitaal 3D model onderzoek wordt gedaan naar windhindergevolgen van nieuwe bebouwing.
4.16 Kabels, leidingen straalpaden en andere belemmeringen Om de bedrijfszekerheid en de continuïteit van het transport door kabels en leidingen te garanderen, krijgen grote kabels en leidingen in bestemmingsplannen een planologische bescherming door middel van een dubbelbestemming. Binnen die dubbelbestemming mag niet zonder toestemming worden gebouwd of gegraven, waarmee de belangen van de kabel- en leidingbeheerders én van de
57
eindafnemers worden beschermd. Binnen het plangebied Spaarne Gasthuis Buurt betreft dit de waterleiding langs de Boerhaavelaan. Die leiding is in dit plan van een dubbelbestemming voorzien.
4.17 Mer-beoordeling De herontwikkeling van Spaarne Gasthuis is op basis van Besluit milieueffectrapportage m.e.r.beoordelingsplichtig (categorie D11.2 uit bijlage D Besluit-m.e.r.). Dit houdt in dat het bevoegd gezag (in dit geval het college de gemeente Haarlem) op basis van een m.e.r.-beoordeling (aanmeldingsnotitie) besluit of er wel of geen m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Het bevoegd gezag moet daarbij bepalen of er sprake is van "belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu". In dat kader is er in 2019 een aanmeldingsnotitie/m.e.r.-beoordeling opgesteld voor de herontwikkeling van Spaarne Gasthuis (De Zeeuw Management & Advies, aanmeldingsnotitie / m.e.r.beoordeling Herontwikkeling Spaarne Gasthuis locatie Haarlem Zuid, juni 2019; bijlage 24). Uit de m.e.r.-beoordeling komt het volgende beeld naar voren. In het plangebied zal een stedelijke herontwikkeling gaan plaatsvinden. De hoeveelheid bebouwing zal toenemen, onder andere met woningen, en het gebied zal een nog meer stedelijk karakter krijgen. De nieuwe ontwikkeling zal een verkeersaantrekkende werking hebben. De verkeerskundige gevolgen zijn echter goed oplosbaar met aanpassingen in de ontsluiting van het plangebied en aan enkele kruispunten. De verkeersaantrekkende werking heeft ook gevolgen voor de geluidhinder in de directe omgeving en op de nieuwe woningen.
De geluidbelastingen blijven echter onder de maximaal toelaatbare waarden en op voorhand lijkt het mogelijk onder voorwaarden (goede stedenbouwkundige invulling met geluidluwe gevels) hogere waarden toegewezen te krijgen (in dit bestemmingsplan nader uitgewerkt in par. 4.3). De luchtkwaliteit in het gebied blijft ruim onder de normen voor zowel stikstof als fijnstof. Verder draagt het herontwikkelingsplan niet in betekenende mate bij aan de (verslechtering van de) luchtkwaliteit (in dit bestemmingsplan nader uitgewerkt in par. 4.4). Met betrekking tot externe veiligheid is de conclusie dat er geen directe belemmering is voor het herontwikkelingsplan. Wel is het invloedsgebied van de gastransportleiding langs de Amerikaweg een aandachtspunt bij de verdere ontwikkeling en de bouw (in dit bestemmingsplan nader uitgewerkt in par. 4.5). Voor wat betreft niet gesprongen explosieven blijkt uit onderzoek dat deze geen impact hebben op het plangebied. Water en bodemkwaliteit vormen eveneens geen belemmering voor de herontwikkelplannen (in dit bestemmingsplan nader uitgewerkt in de paragrafen 4.2 en 4.8).
58
Er wordt geen impact verwacht op de natuurlijke habitat (Natura 2000, NNN-gebieden en flora en fauna), hoe- wel de totale herontwikkeling wel enige effecten zal hebben op de aanwezige flora- en faunasoorten (met name broedvogels en vleermuizen). Uit de uitgevoerde Quick Scan ecologisch onderzoek bleek, dat nog een vleermuisonderzoek moet worden uitgevoerd, omdat deze zeker in het gebied en de gebouwen worden verwacht. Dat onderzoek is inmiddels uitgevoerd (zie par. 4.12). Op basis van de resultaten van het uitgevoerde archeologisch onderzoek, blijkt dat in het plangebied geen archeologische resten bedreigd worden. Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht (in dit bestemmingsplan nader uitgewerkt in par. 4.10). De eindconclusie van deze m.e.r.-beoordeling is, dat: •
• • •
de invulling van de herontwikkeling onder de drempelwaarden van de categorie 11.2 uit de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage blijft en dat het project geen wezenlijke verandering qua omvang in het plangebied veroorzaakt; het herontwikkelingsproject voor een groot deel een vervanging is van huidige functies binnen het plangebied en slechts een beperkte toevoeging (woningen) bewerkstelligd; de omstandigheid van de locatie, namelijk een stedelijk gebied met hoge dichtheid, niet verandert ten opzichte van de huidige situatie, en; de impact op de omgeving van het plangebied zeer beperkt is (enige verkeerstoename en deels hogere geluidbelastingen).
Dit maakt, dat er niet van uit kan worden gegaan dat er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zullen optreden. Er is daarom geen sprake is van de noodzaak tot het doorlopen van een m.e.r.procedure en het opstellen van een MER. Op grond van het Besluit m.e.r. wordt voorgesteld de conclusie van deze m.e.r.-beoordeling door het bevoegd gezag, te weten burgemeester en wethouders van Haarlem, over te nemen en in een collegebesluit vast te leggen. Het opstarten van een m.e.r.-beoordelings- of m.e.r.-procedure is niet aan de orde. Het m.e.r. beoordelingbesluit van het college is vastgelegd in de brief d.d. 20 november 2020 met kenmerk OM B/2020/1114842.
59
Hoofdstuk 5 JURIDISCHE ASPECTEN 5.1 Inleiding De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente Haarlem. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Er is één landelijke voorziening waar alle ruimtelijke plannen voor een ieder volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn. Hiertoe dienen alle bestemmingsplannen te voldoen aan landelijk vastgestelde standaarden. In de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (hierna SVBP 2012) zijn de hoofdgroepen van bestemmingen bepaald, zoals Wonen, Bedrijven e.d. Ook geeft de SVBP bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels.
Dat leidt ertoe dat de systematiek zoals gehanteerd in dit bestemmingsplan, op ondergeschikte onderdelen af kan wijken van de voorheen geldende planologische regelingen. Het juridische bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De planregels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.
5.2 Juridische planopzet Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meer locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van groot belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Denk hierbij aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling, de monitoring van beleid en de handhaving. De Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (hierna SVBP) maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw, de verbeelding van het bestemmingsplan en de regels.
60
De regels van het bestemmingsplan vallen conform het SVBP in 4 hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1: inleidende regels Hoofdstuk 2: bestemmingsregels Hoofdstuk 3: algemene regels. Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels.
5.2.1 Hoofdstuk 1: Inleidende regels Begrippen (artikel 1) In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Daardoor wordt vermeden dat verschillende interpretaties van de begrippen tot verschillen van mening over de regelgeving zouden kunnen leiden. Bij toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normaal spraakgebruik. Wijze van meten (artikel 2) Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten gemeten moeten worden. Een aantal bepalingen zijn op grond van de SVBP dwingend voorgeschreven
5.2.2 Hoofdstuk 2: bestemmingsregels Met een bestemming wordt tot uitdrukking gebracht welke gebruiksdoelen of functies, met het oog op een goede ruimtelijke ordening, aan de in het plan begrepen gronden zijn toegekend. Niet iedere functie leent zich voor een eigen bestemming. Of dit zo is, hangt af van de ruimtelijke relevantie, of wel van de mate waarin de betrokken functie invloed heeft op zijn omgeving of daaraan eisen stelt. Behalve om functies gaat het bij bestemmingen altijd om concreet ruimtegebruik of om fysiek aanwezige ruimtelijke objecten. Een bestemming heeft altijd betrekking op een geometrisch bepaald vlak. Lijn- en puntbestemmingen komen niet voor. De verbeelding van een bestemming bestaat dus nooit uit een lijn of een punt. De bestemmingen worden gescheiden door bestemmingsgrenzen. 5.2.2.1 Bestemmingen De volgende bestemmingen zijn aan de gronden in het plangebied toegekend. Groen (artikel 3) Deze bestemming is bedoeld om de groenstructuur in stand te houden en te versterken. De hoofdgroenstructuur is in dit bestemmingsplan bestemd als Groen. Dat betreft een aanpassing van het vigerende bestemmingsplan. Zoals in paragraaf 3.3.1.3 is aangegeven worden bestaande groenelementen dankbaar ingepast in het plan zodat de groenstructuur direct een volwassen status heeft.
De belangrijkste bestaande elementen zijn de grote vijver, de volwassen bomenstructuur rondom de vijver en het te handhaven deel van de bomenstructuur langs de huidige entreelaan (Boerhaavelaan). De hoofdgroenstructuur van de Spaarne Gasthuis Buurt bestaat uit het park rond de vijver en de tuinen rondom het ziekenhuis. De huidige centrale verkeersruimte wordt daarmee een plek van rust en groen.
61
Maatschappelijk (artikel 4) Deze bestemming is bedoeld om het ziekenhuis en bijbehorende voorzieningen mogelijk te maken. De bestemmingsregeling is zo opgezet, dat enerzijds het programma, zoals beschreven in par. 2.2 mogelijk wordt gemaakt en anderzijds de te behouden bebouwing van een passende regeling wordt voorzien. Het vigerende bestemmingsplan kent ook de bestemming Maatschappelijk. Daarbij is aangesloten. In de bestemming zijn medische voorzieningen, welzijnsinstellingen, woonzorgvoorzieningen en zorginstellingen toegelaten. Ook zijn daaraan gerelateerde dienstverlening, horeca, detailhandel en bedrijven toegelaten. De bestemming Maatschappelijk wordt toegekend aan kwadrant 1 (ziekenhuis), kwadrant 2 (bestaande zorggebouwen, logistiek gebouw en centrale as) en kwadrant 3 (Zuiderpoort): Verkeer (artikel 5) De bestemming Verkeer is toegekend aan het entreeplein en de locaties waar de in paragraaf 2.2 genoemde parkeergarages worden gerealiseerd. De parkeergarage wordt gerealiseerd ter plaatse van de op de verbeelding (plankaart) opgenomen functieaanduiding. De locatie van in- en uitritten voor deze parkeergarage is in de planregels opgenomen. Dat geldt ook voor de overige twee parkeergarages, die mogelijk worden gemaakt in de bestemmingen Maatschappelijk en Wonen.
Water (artikel 6) De bestemming Water is toegekend aan de waterberging op het terrein van het Spaarne Gasthuis. Die bestemming is overeenkomstig het voorheen geldende bestemmingsplan. Wonen (artikel 7) De bestemming Wonen is toegekend aan de Zuidwestelijke kwadrant van het plangebied. Hier worden ten minste 200 woningen gerealiseerd, waarvan minimaal 40% in het sociale segment. Ook is de doelgroepenverordening verwerkt (zie par. 3.3.5). Om de doelgroepenverordening toe te passen moet dit in het betreffende bestemmingsplan vastgelegd worden. Alleen dan kan de doelgroepenverordening worden toegepast. In deze bestemming is dit vastgelegd door het minimale percentage sociale huurwoningen in de gebruiksregels van de bestemming te verankeren. 5.2.2.2 Dubbelbestemmingen Leiding – Water (artikel 8) Deze dubbelbestemming is toegekend aan de dubbele watertransportleiding aan de zuidelijke zijde van de Boerhaavelaan (zie par. 4.16). Door het toekennen van deze dubbelbestemming zijn de gronden tevens bestemd voor de bescherming van de daar gelegen leiding. Op die gronden gelden specifieke bouwregels en een aanlegvergunningen voor het verrichten van diverse werkzaamheden, zoals het verrichten van graafwerkzaamheden. Waarde – Archeologie (artikel 9) De aanwezige archeologische verwachtingswaarden krijgen bescherming door het toekennen van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'.
De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, ook bestemd voor de bescherming en de veiligstelling van archeologische waarden. Het bestemmingsplan houdt rekening met de (voorlopige) Archeologische Beleidskaart Haarlem. In het plangebied komt de categorie 4 voor.
62
Categorie 4 In de gebieden die tot deze categorie behoren geldt een lage archeologische verwachting. Voor deze categorie geldt dat bij plannen waarbij bodemverstorende activiteiten plaatsvinden van 2.500 m² en groter en die dieper gaan dan 30 cm beneden maaiveld, een waardestellend archeologisch rapport moet worden overlegd bij de aanvraag van een omgevingsvergunning. Aan deze gebieden is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' toegekend.
5.2.3 Hoofdstuk 3: algemene regels Anti-dubbeltelregel (artikel 10) Met deze regel wordt voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt. Bijvoorbeeld in het geval (onderdelen van) bouwpercelen - al dan niet tijdelijk - van eigenaren wisselen. De regeling is met name van belang met het oog op nieuwbouw. Door verwerving van een extra (bouw)perceel of een gedeelte daarvan, kunnen de gronden niet meegenomen worden met de berekening van de bouwmogelijkheden van het nieuwe perceel als de nieuw verworven gronden reeds meegenomen zijn bij de berekening van een eerdere omgevingsvergunning. Het is dus niet toegestaan gronden twee keer in te zetten om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit te verkrijgen. Algemene gebruiksregels (artikel 11) Dit artikel geeft algemene regels met betrekking tot ongewenst gebruik van gronden die in alle gevallen opgeld doen, tenzij dit in de specifieke gebruiksregels expliciet alsnog wordt toegestaan. Algemene aanduidingsregels (artikel 12) In de algemene aanduidingsregels is onder andere geregeld dat ter plaatse van de gebiedsaanduidingen ‘vrijwaringszone – zichtlijn’ een zichtlijn wordt gerealiseerd en in stand gehouden. In dit artikel is ook een regeling voor het realiseren en in stand houden van een minimumpercentage voor groen, waterlopen en waterpartijen voor specifieke plekken in het plangebied vastgelegd.
Algemene afwijkingsregels (artikel 13) Starheid van bestemmingsregels mag niet de oorzaak zijn van gekunstelde oplossingen, waarmee de kwalitatieve doelstelling van het bestemmingsplan niet gediend is. Door middel van dit artikel is enige mate van flexibiliteit mogelijk. Zo kan er een afwijking plaatsvinden voor de in het plan aangegeven maten tot ten hoogste 10%. Het toepassen van een afwijkingsbevoegdheid gebeurt altijd met inachtneming van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht, zodat belanghebbenden de mogelijkheid tot bezwaar/beroep hebben wanneer op grond van dit artikel van het plan wordt afgeweken. Overige regels (artikel 14) In dit artikel is het paraplubestemmingsplan Parkeren verwerkt. In het eerste sublid is vastgelegd dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning aan de parkeernormen wordt voldaan. Het tweede sublid (aanbrengen ruimte voor parkeren, laden en lossen) legt een koppeling tussen de regels van het bestemmingsplan en de gemeentelijke beleidsregels voor het parkeren. De normen voor parkeren, stallen, laden en lossen zelf liggen namelijk niet vast in dit bestemmingsplan, maar in gemeentelijke beleidsregels. Die beleidsregels geven aan wanneer er sprake is van voldoende ruimte 63
voor parkeren, stallen, laden en lossen. Uitgegaan wordt altijd van de gemeentelijke beleidsregels voor het parkeren zoals die gelden op het moment van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. Het derde sublid geeft ook aan wat als strijdig gebruik van gronden en bouwwerken is aangemerkt. Strijdig gebruik is het gebruiken of laten gebruiken van gronden of bouwwerken waarbij niet in voldoende mate ruimte is aangebracht en in stand wordt gehouden op eigen terrein voor parkeren, stallen, laden en lossen overeenkomstig het gemeentelijke beleid. Tot slot bepaalt het vierde sublid dat er afgeweken kan worden onder de voorwaarden zoals die zijn genoemd in de gemeentelijke beleidsregels voor het parkeren. Ook hiervoor geldt dat uitgegaan dient te worden van de gemeentelijke beleidsregels voor het parkeren zoals die gelden op het moment van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning.
5.2.4 Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Overgangsrecht (artikel 15) Het overgangsrecht is van toepassing op bestaande situaties (gebruik en/of bebouwing) die op het moment van het van kracht worden van dit bestemmingsplan niet passen binnen het nieuwe plan. Het overgangsrecht houdt in dat gebruik en bebouwing die in strijd zijn met het nieuwe bestemmingsplan, maar reeds aanwezig waren ten tijde van de voorgaande plannen, onder voorwaarden, mag worden voortgezet. Ook bouwwerken die basis van een geldige omgevingsvergunning nog gebouwd mogen worden, worden onder het overgangsrecht geschaard. Het overgangsrecht is nadrukkelijk niet bedoeld voor bouwwerken die een gebruik kennen dat onrechtmatig is op het moment van het van kracht worden van dit bestemmingsplan. Er is geen sprake van legalisatie van reeds strijdig gebruik door dit bestemmingsplan en er kan ook nog steeds gehandhaafd worden. Ook bouwwerken die op peildatum illegaal zijn, blijven illegaal. Slotregel (artikel 16) Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het onderliggende bestemmingsplan.
64
Hoofdstuk 6 UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid In artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening is bepaald dat de gemeenteraad bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan ook een exploitatieplan moet vaststellen als het kostenverhaal bij ontwikkelingen niet is verzekerd. Het bestemmingsplan Spaarne Gasthuis Buurt maakt nieuwe bouwplannen mogelijk als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Daarom is het opstellen van een exploitatieplan noodzakelijk, tenzij de kosten van de ontwikkeling anderszins verzekerd is. De Gemeente en Spaarne Gasthuis zijn op 4 februari 2020 een Anterieure Overeenkomst overeengekomen waarin ingegaan wordt op het kostenverhaal. Hiermee zijn de kosten van de ontwikkeling anderszins verzekerd.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Wettelijk vooroverleg Het voorontwerp bestemmingsplan is op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening toegestuurd aan de zogenaamde vooroverlegpartners. De volgende organisaties hebben een vooroverlegreactie ingediend: • • •
Hoogheemraadschap van Rijnland Brandweer Kennemerland Liander N.V.
De provincie Noord-Holland heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben over dit plan gezien het feit dat er geen provinciale belangen in het geding zijn. De provincie verzoekt wel om de woningbouw op te laten nemen in de regionale planmonitor voor woningbouw. Dat is gedaan. De wijkraden Meerwijk, Molenwijk, Europawijk en Boerhaavewijk zijn geïnformeerd over het ontwikkelde voorontwerp bestemmingsplan tijdens een bijeenkomst op 30 oktober 2020. Uit de bijeenkomst zijn geen opmerkingen naar voren gekomen die hebben geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan. Hieronder wordt de inhoud van de vooroverlegreacties beschreven en van een reactie voorzien. Hoogheemraadschap van Rijnland Het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft twee opmerkingen ingebracht (reactie gemeente cursief): •
•
In paragraaf 4.8.4 worden de resultaten van de overleggen over het plan tussen Gemeente en Rijnland vermeld. Er wordt o.a. gesteld dat het huidige plan een demping van 400 m 2 bevat waarvan de compensatie in een latere fase wordt uitgevoerd. Belangrijk om hier aan te toe voegen is dat er voor zowel de demping als het te graven water respectievelijk vergunning- en meldingsplichtig zijn volgens de keur van Rijnland. Ook is van belang dat de compensatie ook in de tijdelijke bouwfase is geregeld (tbv het behoudt van waterberging). Dit kan door elders tijdelijk 400 m2 te graven. Meer voor de handliggend is gebruik te maken van de BRC, berging rekening courant, zoals ook al is doorgesproken. De toelichting is op dit punt aangescherpt. In de plantoelichting wordt meerdere malen gesuggereerd dat Rijnland bevoegd gezag is voor het (ondiepe) grondwater. Dit is niet geheel juist. Waterschappen zijn alleen bevoegd gezag 65
m.b.t. het uitvoeren van grondwateronttrekkingen (bemalingen en bronnen). Uiteraard probeert Rijnland mee te denken en integraal te werken wat betreft het grondwaterbeheer. De toelichting is op dit punt aangescherpt. Verder heeft het hoogheemraadschap geen bezwaar tegen de planontwikkelingen. Brandweer Kennemerland De Brandweer Kennemerland brengt in het vooroverleg advies uit op basis van het Besluit externe veiligheid transport. Het advies gaat in op het verhogen van de mate van zelfredzaamheid van de aanwezige personen in het plangebied en de mogelijkheid van inzet van de hulpverleningsdiensten in het plangebied. De brandweer heeft advies uitgebracht over de twee risicobronnen, te weten: • •
De aardgastransportleiding W-532 in de groenstrook langs de Amerikaweg. Het transport van gevaarlijke stoffen over de Amerikaweg en de Europaweg.
Dit advies is één op één overgenomen in paragraaf 4.5.3 van dit bestemmingsplan. Zoals daar vermeld heeft de brandweer geadviseerd om een aantal maatregelen toe te passen om het mogelijke aantal slachtoffers bij een calamiteit van een van de genoemde risicobronnen verder te beperken. Met onderstaande maatregelen wordt de zelfredzaamheid van de aanwezige personen in het plangebied vergroot en de inzetmogelijkheden van de hulpverleningsdiensten verbeterd. Zelfredzaamheid 1.
2.
3.
Noodplannen: voor het ziekenhuis moet een noodplan worden opgesteld. Deze moet mede op basis van de genoemde externe veiligheidsrisico’s opgesteld worden. De sector Proactie & Preventie van de Brandweer Kennemerland kan daarbij ondersteuning leveren. Risicobewustzijn: draag zorg voor een goede informatievoorziening aan de aanwezige personen, opdat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit. U kunt hierbij denken aan publieke voorlichtingscampagnes als ‘Denk vooruit’. (Nood)uitgangen: het plangebied ligt tussen twee risicobronnen in. Omdat een calamiteit dus aan meerdere kanten van het plangebied kan plaatsvinden moet de nieuwbouw voorzien worden van nooduitgangen aan verschillende kanten van de bouwwerken, zodat altijd van de calamiteit af kan worden gevlucht.
Inzet van de hulpverleningsdiensten 4.
5.
Bluswater: de brandweer Kennemerland gaat overschakelen op een ander bluswatersysteem, van brandkranen naar waterwagens. Bij de verdere uitwerking van de plannen moet er in samenspraak met de brandweer Kennemerland beoordeeld worden of er aanvullende bluswatervoorzieningen noodzakelijk zijn. Bereikbaarheid: het plangebied is door de omringende wegen goed bereikbaar voor de hulpverleningsdiensten. Om ook binnen het plangebied de bereikbaarheid van de verschillende gebouwen te waarborgen moeten de wegen in het plangebied minimaal verhard zijn over een breedte van 3,25 meter en een vrije ruimte hebben van 3.5 meter. E vrije doorrijhoogte moet minimaal 4,2 meter zijn. De verharding moet geschikt zijn voor een totaalgewicht van 30 ton en een asbelasting van 11,5 ton. De verdere uitwerking van de wegenstructuur en opstelplaatsen voor hulpverleningsvoertuigen binnen het plangebied moet in samenspraak met de brandweer Kennemerland plaats vinden.
Restrisico De beschouwde risicobronnen kunnen in de voorziene situatie leiden tot incidenten met effecten of slachtoffers binnen het plangebied. De genoemde maatregelen kunnen de omvang van mogelijke 66
incidenten reduceren tot een omvang die beter beheersbaar wordt geacht voor de hulpverleningsdiensten. Incidenten met buisleidingen kunnen (grotendeels) voorkomen worden door de leidingen ongestoord te laten liggen. De brandweer Kennemerland wijst de gemeente er op dat daartoe de Grondroerdersregeling is ingesteld. Reactie Deze adviezen over de zelfredzaamheid van de aanwezige personen in het plangebied en de inzetmogelijkheden van de hulpverleningsdiensten worden in acht genomen bij de nadere uitwerking van de plannen. Daarbij wordt ook de Grondroerdersregeling in acht genomen. Liander N.V. Liander N.V. heeft als eigenaar van een 50kV verbinding en een gasdrukmeet- en regelstation in het plangebied gereageerd op het voorontwerp. 50 kV verbinding Liander N.V. is als regionale netbeheerder onder andere belast met het beheer, het onderhoud en de instandhouding van het hoogspanningsnet met een spanningsniveau tot en met 50 kV. Om deze taak uit te voeren, is het van belang dat de ligging van kabelverbindingen planologisch wordt veiliggesteld. Daarnaast dient het tracé van de kabelverbindingen gevrijwaard te blijven van (nieuwe) ruimtelijke ontwikkelingen en activiteiten die van negatieve invloed kunnen zijn op de functionaliteit van de kabelverbindingen. Binnen het plangebied ligt een 50kV-kabelverbinding, zie afbeelding 1a.