20210171773 3. Bijlage 2 Omgevingseffectrapport Omgevingsvisie Haarlem
Tekst van het document
Waardering autonome ontwikkeling Ten aanzien van de autonome ontwikkeling is een beoordeling opgesteld op basis van een kwalitatieve inschatting van ontwikkelingen die optreden als gevolg van: • De mate waarin autonome trends en ontwikkelingen leiden tot een vooruitgang of achteruitgang van de huidige situatie, zoals demografische veranderingen, klimaatveranderingen en veranderingen in de woningmarkt. • De mate waarin voortzetting van bestaand (gemeentelijk) beleid leidt tot een vooruitgang of achteruitgang. • De mate waarin besluiten over plannen, programma’s en projecten die worden geïnitieerd door andere partijen zoals Rijkswaterstaat, het Hoogheemraadschap van Rijnland en omliggende gemeenten leidt tot een vooruitgang of achteruitgang. 15-4-2021
OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
BH3405TPRP2104141528
24
4.3
Kwaliteiten van de Haarlemse leefomgeving, huidig en autonoom
Hieronder wordt op hoofdlijnen de referentiesituatie beschreven aan de hand van onderstaand Rad van de leefomgeving (figuur 4-1). Het rad laat de gemeentebrede kwaliteiten van de beschouwde leefomgevingsaspecten zien, in de huidige situatie (witte lijn) en bij autonome ontwikkeling in 2030 (stippellijn). De volledige beschrijving van de referentiesituatie en de onderbouwing daarbij is opgenomen in de Foto van de leefomgeving in bijlage A1. Huidige situatie: wisselend kwaliteitsbeeld De huidige staat van de fysieke leefomgeving laat een wisselend beeld zien. Vooral qua verkeersveiligheid, voorzieningenniveau en behoefte, bodemkwaliteit, energieverbruik, droogte en openbaar vervoer staat de fysieke leefomgeving er op dit moment over het algemeen goed voor (beoordeeld met kwaliteitsniveau ‘groen’). Leefomgevingsaspecten met een beoordeling met kwaliteitsniveau (‘rood’) zijn gezonde leefstijl en leefomgeving, verkeersveiligheid, woningaanbod en behoefte, grondwater, circulariteit, hitte, broeikasgassen, kwaliteit en kwantiteit werklocaties, werkgelegenheid en aanbod arbeidskrachten. Autonome ontwikkeling 2030: negatieve en positieve trends De autonome ontwikkeling laat wisselende trends zien in de kwaliteit van de leefomgeving.
De leefomgevingsaspecten grondwater, hitte en werkgelegenheid en aanbod arbeidskrachten laten autonoom een negatieve trend zien waar in de huidige situatie de kwaliteit al tekortschiet (‘rood’). Bij verkeersveiligheid en circulariteit is ook in 2030 nog sprake van een tekortschietend kwaliteitsniveau, naar verwachting op hetzelfde niveau als in de huidige situatie. Bezien vanuit het belang van de kwaliteit van de leefomgeving liggen bij deze aspecten belangrijke opgaven voor de omgevingsvisie. Voor het leefomgevingsaspect duurzame opwekking geldt dat er sprake is van positieve autonome trend maar dat deze niet voldoende is om uit kwaliteitsniveau ‘rood’ te komen. Dat betekent dat ook hier opgaven liggen voor de omgevingsvisie. Negatieve trends binnen kwaliteitsniveau ‘oranje’ zijn zichtbaar voor leefomgevingsaspecten externe veiligheid, inclusiviteit en cultuurhistorie en erfgoed. Ook hier liggen opgaven voor de Omgevingsvisie. De leefomgevingsaspecten geluidhinder, gezonde leefstijl en leefomgeving, woningaanbod en behoefte, beschermde natuurgebieden en kwaliteit en kwantiteit werklocaties laten autonoom een verbetering zien van kwaliteitsniveau ‘rood’ naar ‘oranje’. Positieve trends binnen oranje zijn er bij de leefomgevingsaspecten luchtkwaliteit, oppervlaktewater, stadsnatuur, beschermde soorten, fiets en duurzame en slimme mobiliteit.
De leefomgevingsaspecten waar de kwaliteit in de huidige situatie goed is (‘groen’) en bij autonome ontwikkeling verder verbetert zijn energieverbruik en openbaar vervoer. Voor de leefomgevingsaspecten voorzieningenniveau en behoefte en bodemkwaliteit geldt dat deze autonoom gelijk blijven aan de huidige situatie binnen kwaliteitsniveau ‘groen’. Tenslotte geldt voor leefomgevingsaspect droogte dat er sprake is van een verslechterende trend binnen kwaliteitsniveau ‘oranje’.
15-4-2021
OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
BH3405TPRP2104141528
25
Figuur 4-1: Rad van de leefomgeving huidige situatie en autonome ontwikkeling.
15-4-2021
OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
BH3405TPRP2104141528
26
1
Autonome ontwikkeling en COVID-19 Tijdens het opstellen van het OER was er sprake van landelijke maatregelen ingesteld door de Rijksoverheid om de verspreiding en gevolgen van het coronavirus COVID-19 terug te dringen. De ingestelde maatregelen hebben een impact op economische en maatschappelijk activiteiten en het gebruik van de openbare ruimte. Deze maatregelen hebben daarnaast ook impact op de leefomgeving. Bijvoorbeeld zoveel mogelijk thuiswerken, wat in korte tijd leidde tot minder autogebruik en afname van reizigers in het OV. Op de korte termijn zijn er onder andere daardoor positieve effecten op de leefomgeving: verminderde druk op natuur en milieu, schonere lucht en een stillere leefomgeving4. De vraag is wat de gevolgen voor de middellange en lange termijn kunnen zijn, en daarmee ook op de autonome ontwikkeling zoals in dit OER in beeld gebracht. De in dit OER beschreven autonome ontwikkeling (zichtjaar 2030, doorkijk naar 2045) is op basis van de best beschikbare actuele inzichten en (model)prognoses opgesteld. Mogelijke gevolgen van COVID-19-maatregelen op de middellange en lange termijn zijn op dit moment per definitie onzeker en nog niet in (model)prognoses opgenomen. Het is daarom op dit moment niet mogelijk om tot een robuust onderbouwde prognose te komen van de mogelijke gevolgen van COVID-19-maatregelen op de langere termijn.
Een daarop aangepaste autonome ontwikkeling is dan ook niet zinvol. In die zin is de in dit OER beschreven autonome ontwikkeling een best mogelijk in beeld gebrachte toekomstprognose. Wat wel kan is op basis van expert-inschatting en inzichten van nu een beeld geven van leefomgevingsaspecten die potentieel gevoelig zijn voor impact van COVID-19-maatregelen op de langere termijn. Dat is in de Foto van de leefomgeving gedaan, voor de leefomgevingsaspecten die in dit OER beschouwd zijn (zie bijlage A1, hoofdstuk 15). Het moet gezien worden als een gevoeligheidsanalyse op de in beeld gebrachte autonome ontwikkelingen (2030-2045).
Verwest, F., J. Nooteboom, O.-J. van Gerwen (2020), Van coronacrisis naar duurzaam herstel. Den Haag: Planbureau voor de leefomgeving. PBL-publicatienummer: 4209. 28 juni 2020.
1
15-4-2021
OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
BH3405TPRP2104141528
27
5
Wat zijn de beleidsalternatieven en de effecten daarvan?
5.1
Totstandkoming alternatieven
De gemeente Haarlem heeft in samenwerking met FABRICations twee ‘perspectieven’ uitgewerkt over wat voor stad Haarlem in de toekomst wil zijn: ‘Spoor’ en ‘Spaarne’. Deze perspectieven zijn opgesteld met als doel om de keuzes van consequenties van mogelijk nieuw beleid in beeld te brengen. Van daaruit wil de gemeente Haarlem komen tot een voorkeursalternatief voor in de omgevingsvisie op te nemen nieuw beleid. Dat kan bestaan uit elementen uit beide perspectieven. De resultaten van de alternatievenbeoordeling zijn tussentijds in een notitie aan de gemeente Haarlem opgeleverd, zie Notitie beoordeling alternatieven (bijlage A5). Belangrijk element in de toekomstige ontwikkeling van Haarlem is de positie van Haarlem binnen de Metropoolregio Amsterdam. Daarbij constateert de gemeente naast het succes van metropoolvorming (zoals: motor van economie, hoog voorzieningenniveau, bundeling van kennis en innovatie) ook de keerzijden daarvan (zoals: toenemende ongelijkheid, druk op de woningmarkt).
Dat is door de gemeente als vertrekpunt genomen bij het opstellen van de perspectieven, waarbij twee dominante, uiterste invalshoeken zijn gekozen: ‘Haarlem aan het spoor’ als metafoor voor vergaande integratie met de metropoolregio, en ‘Haarlem een het Spaarne’ als metafoor voor inzet op eigen positie van Haarlem en zelf voorzien in voldoende aanbod van en balans in wonen, werken en voorzieningen. In de onderstaande tabel zijn de alternatieven opgenomen. Tabel 5-1: Alternatieven en dominante invalshoeken. Alternatief
Dominante invalshoek ´Haarlem aan het spoor´: een kosmopolitische woonkern complementair aan de metropoolregio.
Spoor
Spaarne
5.2
Zorgen dat Haarlem zo goed mogelijk verbonden is met locaties waar voor iedereen geschikte woningen, werkplekken en voorzieningen aanwezig zijn. ´Haarlem aan het Spaarne´: een complete en inclusieve stad voor de mensen die in Haarlem wonen en werken. Zorgen dat Haarlem als stad voor iedereen het juiste aanbod aan woningen, werk en voorzieningen heeft.
Beschrijving alternatieven
Voor de alternatievenbeoordeling in het OER is per alternatief een selectie van te beoordelen beleidsuitspraken gemaakt op basis van de volgende criteria: • Het is nieuw beleid, het wordt nu nog niet gedaan; • Er kan een relatie gelegd worden met beoordelingsaspecten van het OER (zoals opgenomen in het beoordelingskader); • Het is voldoende concreet om te kunnen beoordelen op kansen op positieve effecten en risico’s op negatieve effecten.
15-4-2021
OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
BH3405TPRP2104141528
28
Alternatief 1: Spoor Zorgen dat Haarlem zo goed mogelijk verbonden is met locaties waar voor iedereen geschikte woningen, werkplekken en voorzieningen aanwezig zijn. Tabel 5-2: Beleidsuitspraken alternatief 1. Beleidsuitspraken 1.
Verdichting voornamelijk op herontwikkellocaties nabij OV knooppunten, met economische en kennisclusters
2.
Transformatie Waarderpolder naar woon-werkgebied, met nieuwe bedrijven passend binnen gemengd woon-werk karakter
3.
Ontwikkeling schone deelmobiliteit
4.
Ontwikkeling Spaarnedriehoek tot zakentoerisme en congresactiviteiten
5.
Ontwikkeling nieuwe HOV-verbindingen met grote knooppunten (Amsterdam, Schiphol, Den Haag) en HOV-verbinding vanuit alle wijken naar het station, waardoor een nieuw spinnenwebstructuur ontstaat
6.
Doorontwikkeling HOV-punten tot mobiliteitshub met stallingsmogelijkheden en verblijfsplek met specialistische/ specifieke voorzieningen op regioniveau
7.
Ontwikkeling van regionaal open warmte netwerk waar verschillende partijen netwarmte kunnen leveren en opnemen
8.
Autonome ontwikkellocaties worden klimaatadaptief en natuurinclusief ingericht
Alternatief 2: Spaarne Zorgen dat Haarlem als stad voor iedereen het juiste aanbod aan woningen, werk en voorzieningen heeft. Tabel 5-3: Beleidsuitspraken alternatief 2. Beleidsuitspraken 1.
Realiseren meer woningen t.o.v. autonoom, d.m.v. inbreiding/verdichting in de hele stad, ook optoppen van woningen en opsplitsen van appartementen
2.
Optimaliseren van lokale en regionale (richting Amsterdam) verbindingen per fiets en OV, ook richting landschap/buitengebied. Uitbreiding verbindingen tussen de wijken met fiets- en wandelpaden, fietsenstallingen en ruimte voor groen
3.
Toevoegen werklocaties: voor ZZP-ers ruimte in wijken en stadsstraten ontwikkelen zich als economische corridors (‘third places’ ZZP); in het stadscentrum kleine kantoren in leegstaande winkels; verspreid in de stad ruimte voor kleine bedrijven om te groeien, zowel in de dienstverlening als in de maakindustrie
4.
Uitbreiden autoluwe gebieden, ook in wijken, en ontwikkeling deelmobiliteit
5.
Parken inrichten als ontmoetings- en sportplek
6.
Realiseren buurtplein in elke buurt, te combineren met voorzieningen als wijkcentra, onderwijs, zorg
7.
Realiseren moes-/ volkstuinen aan stadsranden
8.
Versterken ecologische structuren in en rondom de stad
9.
Realiseren zonnepanelen op geschikte daken
10.
Realiseren warmtenet en lokale winning thermische energie uit oppervlaktewater
11.
Realiseren warmtenet en lokale winning thermische energie uit geothermie
12.
Faciliteren burgerinitiatieven voor coöperatieve WKO’s, collectieve zonnedaken, collectieve warmtenetten, buurtbatterijen
13.
Opheffen parkeervlakken voor vergroening
14.
Reserveren ruimte voor groen-blauw structuren, t.b.v. waterberging, te combineren met routes vanuit de wijken naar natuurgebieden
15-4-2021
OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
BH3405TPRP2104141528
29
5.3
Wijze van beoordeling
Ambities De alternatieven zijn beoordeeld op basis van een selectie van beoordelingsaspecten die gerelateerd zijn aan de ambities van de omgevingsvisie. Daarnaast zijn ook de beoordelingsaspecten toegevoegd waar in de Foto van de leefomgeving bij autonome ontwikkeling (2030) kwaliteitsniveau ‘rood’ is toegekend (overwegend sprake van problemen en/knelpunten). Op deze manier levert de alternatievenbeoordeling zo gericht mogelijke informatie op om keuzes te maken voor een voorkeursalternatief. In de onderstaande tabel zijn de ambities en daaraan gerelateerde beoordelingsaspecten in het OER opgenomen. In bijlage A2 is een uitgebreide uitwerking van de ambities opgenomen. Tabel 5-4. Ambities omgevingsvisie en gerelateerde beoordelingsaspecten OER. Ambitie omgevingsvisie
Gerelateerde beoordelingsaspecten OER
Klimaatbestendig Haarlem
Hitte, droogte, wateroverlast.
Energietransitie in Haarlem
Energieverbruik, duurzame opwekking, duurzame en slimme mobiliteit, circulariteit.
Versterken van het sociaal weefsel in de stad
Gezonde leefstijl en leefomgeving, sociale cohesie in buurten, woningaanbod en behoefte, voorzieningenaanbod en behoefte, fiets.
Versterken aantrekkelijke woon- én werkstad voor iedereen
Cultuurhistorie en erfgoed, kwaliteit en kwantiteit werklocaties, werkgelegenheid en aanbod arbeidskrachten.
Haarlem is een gezonde stad voor mens en dier
Luchtkwaliteit, geluidhinder, gezonde leefstijl en leefomgeving, mogelijkheden tot ontspannen en groenbeleving, verkeersveiligheid, stadsnatuur, beschermde soorten.
Bereikbare stad met robuuste netwerken
Fiets, duurzame en slimme mobiliteit.
broeikasgassen,
Beoordeelde beleidsuitspraken De geselecteerde uitspraken zijn voor beide alternatieven op systematische wijze met de op basis van de ambities geselecteerde beoordelingsaspecten geconfronteerd. Bij elk beoordelingsaspect is bepaald wat de gevolgen van de betreffende uitspraak kunnen zijn ten opzichte van de autonome ontwikkeling, gerelateerd aan de beoordelingscriteria zoals beschreven in de Foto van de leefomgeving. Het gaat daarbij om een kwalitatieve beoordeling op basis van expert-judgement in termen van kansen op positieve en risico’s op negatieve effecten. Benadrukt wordt dat het om alternatieven ter verkenning van mogelijkheden voor nieuw beleid gaat, met richtinggevende uitspraken op hoofdlijnen. De beoordeling van kansen en risico’s op positieve en negatieve effecten is daarop aansluitend ook op hoofdlijnen gedaan. Daarbij zijn de beoordelingskarakteristieken gehanteerd zoals opgenomen in onderstaande tabel. Met deze beoordeling is een totaalbeeld ontstaan van alle kansen en risico´s op positieve en negatieve effecten van de alternatieven, de mate waarin de alternatieven zich onderscheiden van de autonome ontwikkeling en van elkaar en op welke aspecten ze onderscheidend zijn.
15-4-2021
OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
BH3405TPRP2104141528
30
Tabel 5-5. Beoordelingskarakteristieken alternatievenbeoordeling. Beoordeling
Toelichting
+
Kans op positief effect
0/+
Kansen op positief effect, - in geringe mate
In geringe mate vanwege afhankelijkheid van derden, kleine geografische omvang, kleine effectomvang en/of betreft deel van beoordelingsaspect.
0/-
Kansen op negatief effect, - in geringe mate
In geringe mate vanwege afhankelijkheid van derden, kleine geografische omvang, kleine effectomvang en/of betreft deel van beoordelingsaspect.
-
Risico op negatief effect
+/-
Zowel kans op positief als risico op negatief effect
0
Geen effecten te verwachten
n.v.t.
5.4
Geen relatie tussen uitspraak en beoordelingsaspect
Effecten van alternatieven
Onderstaand figuur laat voor beide alternatieven het totaalbeeld zien van alle toegekende kansen op positieve en risico’s op negatieve effecten, uitgezoomd naar de lagen ‘people’, ‘planet’ en ‘profit’. Het gaat om een rekenkundige optelling van kansen en risico´s, geen gewogen optelling 2. Het geeft daarmee een beeld van het aantal geconstateerde kansen en risico’s en laat zien hoe de alternatieven zich qua aantallen kansen en risico’s verhouden tot de autonome ontwikkeling (2030) en tot elkaar. De volledige beoordeling en bijbehorende onderbouwing is opgenomen in bijlage A3 en A4.
Figuur 5-1: Cumulatieve scores van de alternatieven, onderscheiden naar People, Planet en Profit.
Beeld op hoofdlijnen Het bovenstaande figuur laat zien dat beide alternatieven zich onderscheiden van de autonome ontwikkeling, en Spaarne meer dan Spoor. Dat is vooral op het vlak van ‘planet’, zowel qua kansen op positieve effecten als qua risico’s op negatieve effecten. Dat hangt samen met het realiseren van woningen door inbreiding door de hele stad, toevoegen werklocaties in wijken en stadstraten, realiseren van warmtenetten met lokale winning thermische energie uit oppervlaktewater en uit geothermie en reserveren van ruimte voor groen-blauwe structuren voor waterberging. Vooral vanwege deze uitspraken laat Spaarne bij ‘planet’ meer kansen zien dan risico’s, terwijl in Spoor het aantal risico’s op dat vlak groter is. Die risico’s
2 Elke + en – is als 1 geteld, o/+ en o/- als 0,5. Bij +/- is in de optelsom zowel een 0,5+ als een 0,5– gerekend.
15-4-2021
OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
BH3405TPRP2104141528
31
in Spoor hangen vooral samen met stedelijke verdichting nabij OV-knooppunten, ontwikkeling HOVverbindingen en transformatie Waarderpolder. Op het vlak van ‘people’ laten beide alternatieven meer kansen dan risico’s zien, en onderscheiden ze zich beiden van de autonome ontwikkeling. Op het vlak van ‘profit’ zijn er in beide alternatieven vooral enkele kansen geconstateerd. Op dit vlak onderscheiden beide alternatieven zich het minst ten opzichte van de autonome ontwikkeling. Overallbeeld in relatie tot kwaliteitsniveaus bij autonome ontwikkeling In de Foto van de leefomgeving zijn de kwaliteitsniveaus van de beoordelingsaspecten bij autonome ontwikkeling in 2030 in beeld gebracht. Als daarin gekeken wordt naar aspecten met kwaliteitsniveau rood (problemen of knelpunten geconstateerd), dan zijn er voor een deel van deze aspecten kansen geconstateerd in de alternatieven. Voor het alternatief ‘Spoor’ zijn deze kansen gerelateerd aan de beoordelingsaspecten gezonde leefstijl en leefomgeving, verkeersveiligheid, hitte, broeikasgassen en werkgelegenheid en aanbod arbeidskrachten. Voor ‘Spaarne’ betreft dit de beoordelingsaspecten gezonde leefstijl en leefomgeving, verkeersveiligheid, woningaanbod en behoefte, grondwater, duurzame opwekking, hitte, broeikasgassen en werkgelegenheid en aanbod arbeidskrachten.
Dit betekent dat de alternatieven ingrediënten bevatten voor verbeteringen op aspecten waar kwaliteiten bij de autonome ontwikkeling tekort schieten, waarbij dit voor ‘Spaarne’ meer geldt dan voor ‘Spoor’. Voor het beoordelingsaspect circulariteit worden in beide alternatieven enkel risico’s voorzien, wat betekent dat dit beoordelingsaspect verder zal verslechteren ten opzichte van de autonome ontwikkeling bij uitvoering van de alternatieven. Beeld per alternatief Alternatief Spoor ‘Spoor’ onderscheidt zich het meest qua kansen op positieve effecten bij de beoordelingsaspecten luchtkwaliteit, geluidhinder en broeikasgassen. Die kansen hangen vooral samen met inzet op ontwikkeling nieuwe HOV-verbindingen, doorontwikkeling HOV-punten tot mobiliteitshubs en ontwikkeling deelmobiliteit. Tegelijkertijd zijn er bij deze aspecten ook meerdere risico’s op negatieve effecten geconstateerd, zij het minder in aantal dan de kansen. De risico’s hangen samen met ontwikkeling Spaarnedriehoek tot zakentoerisme en congresactiviteiten (risico op meer verkeer), transformatie Waarderpolder naar woonwerkgebied (risico op woningen nabij bedrijfsverkeer) en verdichting nabij OV-knooppunten (hoogbouw geeft op straatniveau risico op slechtere luchtkwaliteit). Qua risico’s op negatieve effecten onderscheidt Spoor zich het meest qua beschermde soorten en stadsnatuur, zij het in mindere mate dan Spaarne.
Deze risico’s hangen vooral samen met verdichting nabij OV-knooppunten, transformatie Waarderpolder en ontwikkeling HOV-verbindingen. Door randvoorwaarden aan dergelijke nieuwe beleidsinvullingen te verbinden (bijvoorbeeld randvoorwaarden als natuurinclusiviteit en bescherming van ecologische hotspots en leefgebieden van gevoelige soorten) kunnen risico’s beperkt of weggenomen worden. Verder laat Spoor overwegend kansen zien bij gezonde leefstijl en leefomgeving, mogelijkheden tot ontspannen en groenbeleving en duurzame en slimme mobiliteit. Alternatief Spaarne: ‘Spaarne’ onderscheidt zich het meest qua kansen op positieve effecten bij de beoordelingsaspecten duurzame energieopwekking en broeikasgassen, zowel ten opzichte van autonome ontwikkeling als ten opzichte van Spoor. Deze kansen hangen vooral samen met het realiseren van warmtenetten met lokale winning thermische energie uit oppervlaktewater en uit geothermie. Ook zonnepanelen op daken en faciliteren burgerinitiatieven collectieve duurzame energieopwekking dragen daar aan bij. 15-4-2021
OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
BH3405TPRP2104141528
32
Daarnaast is Spaarne het meest onderscheidend qua risico’s op negatieve effecten bij stadsnatuur en beschermde soorten. Die hangen samen met de uitspraken gericht op duurzame energieopwekking (realiseren van warmtenetten met lokale winning thermische energie uit oppervlaktewater en uit geothermie, faciliteren burgerinitiatieven collectieve duurzame energieopwekking), en ook met realiseren woningen, parken inrichten als sport- en ontmoetingsplek en realiseren volks- en moestuinen. Door randvoorwaarden aan dergelijke nieuwe beleidsinvullingen te verbinden (bijvoorbeeld randvoorwaarden als natuurinclusiviteit en niet toestaan ontwikkelingen bij ecologische hotspots en leefgebieden van gevoelige soorten) kunnen risico’s beperkt of weggenomen worden. Verder laat Spaarne overwegend kansen zien bij luchtkwaliteit, gezonde leefstijl en leefomgeving, mogelijkheden tot ontspannen en groenbeleving, sociale cohesie in buurten, fiets en duurzame en slimme mobiliteit. Overwegend risico´s zijn er op het vlak van circulariteit. Die hangen samen met nieuwe ontwikkelingen die tot meer energiegebruik en meer afval leiden (uitbreidingen woningen, toevoegen werklocaties). Door randvoorwaarden aan dergelijke nieuwe beleidsinvullingen te verbinden (bijvoorbeeld doelstellingen op het vlak afvalreductie) kunnen risico’s beperkt of weggenomen worden.
Op het vlak van geluidhinder, verkeersveiligheid, woningaanbod- en behoefte, energieverbruik, hitte, wateroverlast zijn er min of meer in dezelfde mate kansen en risico’s geconstateerd.
15-4-2021
OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
BH3405TPRP2104141528
33
6
Wat is het gekozen nieuwe beleid en wat zijn de effecten daarvan?
6.1
Totstandkoming voorgenomen nieuw beleid
Op basis van de ambities voor de omgevingsvisie, de foto van de leefomgeving en de alternatievenbeoordeling in het OER, is de gemeente Haarlem in samenwerking met FABRICations gekomen tot een voorkeursalternatief voor in de omgevingsvisie op te nemen nieuw beleid. Daarbij zijn elementen uit de twee onderzochte alternatieven samengevoegd tot één omvattend geheel van strategische en richtinggevende hoofdlijnen voor nieuw omgevingsbeleid. Dit voorkeursalternatief kent een fijner detailniveau dan de twee onderzochte alternatieven. Bij de totstandkoming van het voorkeursalternatief heeft de gemeente gekeken naar elementen/keuzes die zoveel mogelijk positief scoren in de alternatievenbeoordeling, en tegelijkertijd samengebracht kunnen worden in een integraal, samenhangend voorkeursalternatief gericht op de ambities van de omgevingsvisie. In bijlage A8 is een verantwoording opgenomen van de beleidsuitspraken die in de omgevingsvisie terecht zijn gekomen, wat de link met de onderzochte alternatieven is en waarom er voor is gekozen om het in de omgevingsvisie op te nemen. Dit in relatie tot de resultaten van de alternatievenbeoordeling. Een eerste versie van het nieuwe beleid is beoordeeld op effecten. De resultaten daarvan zijn in een tussentijdse notitie opgeleverd (zie bijlage A6).
Op basis van deze tussentijdse notitie heeft de gemeente onderdelen van het beleid verduidelijkt, gewijzigd en aangescherpt. In bijlage A7 is opgenomen welke wijzigingen zijn doorgevoerd naar aanleiding van de tussentijdse effectbeoordeling. Vervolgens is een finale effectbeoordeling uitgevoerd, zoals opgenomen in dit hoofdstuk.
6.2
Voorgenomen nieuw beleid
Voor de effectbeoordeling van het voorgenomen nieuwe beleid is net als bij de alternatievenbeoordeling een selectie van te beoordelen beleidsuitspraken gemaakt op basis van de volgende criteria: • Het is nieuw beleid, het wordt nu nog niet gedaan; • Er kan een relatie gelegd worden met beoordelingsaspecten van het OER; • Het is voldoende concreet om te kunnen beoordelen op kansen op positieve effecten en risico’s op negatieve effecten. De effectbeoordeling is in aansluiting op de autonome ontwikkeling primair op 2030 gericht. Voor de uitspraken waarvan doorwerking/uitvoering na 2030 is voorzien, is een doorkijk naar 2045 gemaakt. In de onderstaande tabellen zijn de beoordeelde beleidsuitspraken opgenomen. Beleidsuitspraken waarvan doorwerking/uitvoering na 2030 is voorzien, zijn apart benoemd. De beleidsuitspraken in onderstaande tabellen zijn de verkorte uitspraken, de volledige uitspraken zijn opgenomen in bijlage A7.
15-4-2021
OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
BH3405TPRP2104141528
34
Tabel 6-1: Beleidsuitspraken 2030. Beleidsuitspraken 2030 1.
Beweegvriendelijker maken openbare ruimte
2.
Versterken ’10-minuten-netwerk’ gericht op bewegen en ontmoeten
3.
Ruimte voor sociaal-maatschappelijke hubs
4.
Binnenstedelijk verdichten en functies mengen
5.
Versterken voorzieningenclusters
6.
Versterken ecologische hotspots en ecologisch netwerk
7.
Benutten zonne-energie
8.
Ruimte voor elektriciteitsnetwerk
9.
Klimaatbestendig maken leefomgeving
10.
Instellen autoluwe gebieden
11.
Instellen 30 km/u binnen bebouwde kom
12.
Minder ruimte voor stilstaande auto’s
13.
Uitbreiden en versterken fiets- en voetgangersverbindingen en -voorzieningen
14.
Uitbreiden en versterken HOV-verbindingen
15.
Realiseren logistieke hubs
Tabel 6-2: Beleidsuitspraken 2045 Beleidsuitspraken 2045 1.
Isoleren bebouwing
2.
Realiseren warmtenet
3.
Realiseren warmtebronnen voor voeden warmtenet
4.
Uitbreiden en versterken waterbuffercapaciteit
5.
Hittebestendig maken leefomgeving
6.
Ontwikkelen Waarderpolder
15-4-2021
OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
BH3405TPRP2104141528
35
Figuur 6-1: Visuele weergave van de Omgevingsvisie Haarlem 2045
15-4-2021
OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
BH3405TPRP2104141528
36
6.3
Wijze van beoordeling
Elke uitspraak is op systematische wijze beoordeeld binnen het beoordelingskader, dat bestaat uit verschillende beoordelingsaspecten. Bij elk beoordelingsaspect is bepaald wat de gevolgen van de betreffende uitspraak kunnen zijn op dat aspect ten opzichte van de autonome ontwikkeling, gerelateerd aan de beoordelingscriteria zoals beschreven in de Foto van de leefomgeving. Het gaat daarbij om een kwalitatieve beoordeling op basis van expert-judgement in termen van kansen op positieve effecten en risico’s op negatieve effecten. De omgevingsvisie beschrijft op hoofdlijnen het nieuwe beleid voor de lange termijn. De beoordeling van kansen en risico’s op positieve en negatieve effecten is daarom ook op hoofdlijnen gedaan, waarvan de beoordelingskarakteristieken zijn opgenomen in onderstaande tabel. De mate waarin nieuw beleid daadwerkelijk positieve dan wel negatieve effecten oplevert, is afhankelijk van hoe het strategische beleid uit de omgevingsvisie wordt doorvertaald in vervolgbeleid of instrumenten en de sturingsfilosofie die de gemeente daarin voor ogen heeft. Met deze beoordeling is een totaalbeeld ontstaan van alle kansen en risico´s op positieve en negatieve effecten van het voorkeursalternatief ten opzichte van de autonome ontwikkeling. Voor het gros van de beschouwde beleidsuitspraken geldt dat uitvoering dan wel doorwerking in de periode 2020-2030 verwacht wordt.
Voor een aantal andere uitspraken geldt dat dat na 2030 verwacht wordt. Voor die uitspraken is aanvullend een beoordeling voor 2045 gedaan. Tabel 6-3: Beoordelingskarakteristieken alternatievenbeoordeling. Beoordeling +
Kans op positief effect
0/+
Kansen op positief effect, - in geringe mate
0/-
Kansen op negatief effect, - in geringe mate
-
Risico op negatief effect
+/-
Zowel kans op positief als risico op negatief effect
0
Geen effecten te verwachten
n.v.t.
6.4
Toelichting
In geringe mate vanwege afhankelijkheid van derden, kleine geografische omvang, kleine effectomvang en/of betreft deel van beoordelingsaspect.
Geen relatie tussen uitspraak en beoordelingsaspect
Effecten van voorgenomen nieuw beleid
Hieronder beschrijven we op hoofdlijnen de resultaten van de effectbeoordeling. Het gaat om kansen op positieve effecten en risico’s negatieve effecten ten opzichte van de autonome ontwikkeling in 2030, en een doorkijk naar 2045. Belangrijk om te weten is dat de mate waarin positieve dan wel negatieve effecten zich in de praktijk voor zal doen afhankelijk is van de manier waarop het beleid na vaststelling van de omgevingsvisie verder wordt uitgewerkt in bijvoorbeeld omgevingsplan of programma’s. De in dit OER beschreven kansen en risico’s zijn gebaseerd op kwalitatieve expert-inschattingen, voor zover die nu op basis van de beleidsomschrijving in de omgevingsvisie gegeven kunnen worden. In bijlage A9 is de volledige effectbeoordeling per uitspraak en beoordelingsaspect opgenomen, in bijlage A10 de onderbouwing per beoordeling. Daarin zijn de beoordeling per uitspraak te zien en de bijbehorende onderbouwing. Op de volgende pagina zijn de effecten van het nieuwe beleid in het Rad van de leefomgeving geprojecteerd, in vergelijking met de huidige situatie en autonome ontwikkeling 2030. In de figuur is per beoordelingsaspect het effect van de beleidsuitspraken op de autonome ontwikkeling 2030 met pijlen weergeven. Dit effect kan zowel positief (groene pijlen) of negatief (rode pijlen) zijn ten opzichte van de autonome ontwikkeling. Er is onderscheid gemaakt in twee soorten pijlen.
De kleine dunne pijl geeft kansen 15-4-2021
OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
BH3405TPRP2104141528
37
op positieve effecten of risico’s op negatieve effecten weer, waarbij het aantal geconstateerde kansen of risico’s kleiner is dan of gelijk is aan 2. De grote dikke pijl geeft kansen op positieve effecten of risico’s op negatieve effecten weer, waarbij het gecumuleerde aantal kansen of risico’s groter is dan 2.
Figuur 6-2: Rad van de leefomgeving met daarin de effecten van de omgevingsvisie
15-4-2021
OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
BH3405TPRP2104141528
38
Resultaten van de effectbeoordeling in een notendop (2030) Impact gerelateerd aan beoordelingsthema’s: • Grootste impact: het nieuwe beleid heeft de meeste impact op de thema’s gezondheid, natuur en biodiversiteit, bereikbaarheid en klimaat. • Vooral kansen op positieve effecten: gezondheid, bereikbaarheid, wonen en voorzieningen, klimaat, sociale samenhang, werklocaties en werkgelegenheid, bodem en water en veiligheid. • Vooral risico´s op negatieve effecten: energie en grondstoffen. In 2045 zijn hier meer kansen dan risico’s voorzien, zie paragraaf 6.5. • Kansen en risico’s min of meer in evenwicht: natuur en biodiversiteit en cultuurhistorie, erfgoed en archeologie. • Geen kansen of risico’s geconstateerd: kennis en innovatie Impact gerelateerd aan beleidsuitspraken: Grootste impact: ‘binnenstedelijk verdichten en functies mengen’ laat de meeste kansen en risico’s zien, gevolgd door ‘ruimte voor sociaal maatschappelijke hubs’, ‘beweegvriendelijker maken openbare ruimte’ en ‘minder ruimte voor stilstaande auto’s’. In volgorde van aantal geconstateerde kansen en risico’s: o ‘Binnenstedelijk verdichten en functies mengen’ laat de meeste risico’s zien (vooral energie en grondstoffen en klimaat), maar ook veel kansen (vooral wonen en voorzieningen), zij het in mindere mate dan het aantal risico’s.
o ‘Ruimte voor sociaal maatschappelijke hubs’ laten veel kansen zien (vooral veiligheid, sociale samenhang en wonen en voorzieningen) maar ook risico’s (vooral natuur en biodiversiteit en klimaat) o ‘Beweegvriendelijker maken openbare ruimte’ en ‘minder ruimte voor stilstaande auto’s’ laten vooral kansen op positieve effecten zien (vooral gezondheid, klimaat en bereikbaarheid), maar daarnaast ook enkele risico’s op negatieve effecten. • Bij alle andere beleidsuitspraken zijn vooral kansen op positieve effecten te zien, bijvoorbeeld ‘versterken ecologische hotspots en ecologisch netwerk’, ‘uitbreiden en versterken fiets- en voetgangersverbindingen en voorzieningen’ en ‘instellen 30 km/uur binnen de bebouwde kom’. Bij ‘uitbreiden en versterken HOV-verbindingen’ zijn naast kansen ook meerdere risico’s geconstateerd. • Voor de beleidsuitspraak ‘versterken voorzieningencluster’ zijn zowel kansen als risico’s geconstateerd, waarbij er meer risico’s dan kansen voorzien zijn. • Voor de beleidsuitspraak ‘ruimte voor elektriciteitsnetwerk’ zijn alleen risico’s op negatieve effecten geconstateerd. Effecten per thema Het nieuwe beleid laat bij de meeste thema’s in 2030 meer kansen op positieve effecten zien dan risico’s op negatieve effecten.
Bij twee thema’s is dat niet het geval: cultuurhistorie, erfgoed en archeologie en energie en grondstoffen; daar zijn in 2030 meer risico’s dan kansen geconstateerd. Verder zijn er de volgende conclusies te trekken: • Thema’s met duidelijk meer kansen dan risico’s: o Gezondheid: beleidsuitspraken gericht op het uitbreiden van en versterken van fiets- en voetgangersverbindingen en voorzieningen, realiseren logistieke hubs en het instellen van 30 km/uur in de bebouwde kom dragen bij aan het verminderen van gemotoriseerde verkeersbewegingen. Als gevolg hiervan dragen deze beleidsuitspraken bij aan het verbeteren van de luchtkwaliteit en het reduceren van geluidhinder. Aanvullend resulteren de beleidsuitspraken gericht op onder meer het versterken van ecologische hotspots en ecologisch netwerk, het beweegvriendelijker maken van de openbare ruimte, het versterken van het 10 minuten-netwerk gericht op bewegen en ontmoeten en het instellen 15-4-2021
OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
BH3405TPRP2104141528
39
o
o
o
15-4-2021
van autoluwe gebieden bij aan het beweegvriendelijker maken van de openbare ruimte wat resulteert in kansen voor de indicator gezonde leefstijl en leefomgeving. Naast de kansen zijn er ook risico’s geconstateerd, maar in mindere mate dan de kansen. De risico’s hangen vooral samen met het versterken van het voorzieningencluster door een risico op toename in verkeersbewegingen met als gevolg een toename in geluidhinder en een verslechtering van de luchtkwaliteit. Ook door de aanleg van een HOV-verbinding bestaat het risico op een toename in geluidhinder. Bereikbaarheid: kansen op positieve effecten doen zich met name voor bij beleidsuitspraken gericht op het uitbreiden en het versterken van HOV-verbindingen, minder ruimte voor stilstaande auto’s en het uitbreiden en versterken van fiets- en voetgangersverbindingen en voorzieningen. Voor autobereikbaarheid zijn er kansen op positieve effecten, vanwege mogelijke afname van binnenstedelijke congestieniveau als gevolg van de ontwikkeling van alternatieven voor de auto zoals hierboven benoemd. Voor de fiets en openbaar vervoer geldt dat nieuwe verbindingen leiden tot een tot een betere kwaliteit van het netwerk en een afname tot stations. Daarnaast worden ook ten aanzien van beoordelingsaspect duurzame en slimme mobiliteit kansen op positieve effecten voorzien.
Deze hangen samen met de beleidsuitspraken gericht op het stimuleren van gebruik van de fiets (modal split fiets) en inzet op elektrische vormen van vervoer zoals ‘uitbreiden en versterken fiets- en voetgangersverbindingen en voorzieningen’ en ‘minder ruimte voor stilstaande auto’s’. Naast de kansen zijn er ook risico’s geconstateerd, maar in mindere mate dan de kansen. De risico’s hangen vooral samen met autobereikbaarheid en zijn gerelateerd aan uitspraken gericht op het beweegvriendelijker maken van de openbare ruimte, ruimte voor sociaal-maatschappelijke hubs, binnenstedelijk verdichten en functies mengen en het instellen van autoluwe gebieden. Gemeenschappelijke noemer in deze uitspraken zijn maatregelen gericht op het verminderen van autodominantie en/of het autoluw maken van stadsdelen. Als gevolg hiervan bestaat het risico dat verkeer om moet rijden en er sprake is van verminderde doorstroming. Wonen en voorzieningen: beleidsuitspraken gericht op het toevoegen van woningen zoals ouderenwoningen als onderdeel van de uitspraak versterken 10-minuten-netwerk gericht op bewegen en ontmoeten en binnenstedelijk verdichten en functies mengen resulteren met name in kansen op positieve effecten binnen beoordelingsaspect woningaanbod en behoefte. Deze beleidsuitspraken dragen ook bij aan kansen op positieve effecten ten aanzien van voorzieningenaanbod en behoefte.
Aanvullende kansen worden voorzien door beleidsuitspraken gericht op ruimte voor sociaal-maatschappelijke hubs, versterken voorzieningencluster en uitbreiden en versterken fiets- en voetgangersverbindingen en voorzieningen. Waarbij de eerste twee uitspraken gericht zijn op uitbreiding van het aantal voorzieningen en de laatste uitspraak op het verbeteren van de bereikbaarheid en vermindering van afstand tot voorzieningen Klimaat: beleidsuitspraken gericht op het toevoegen van groen in de openbare en particuliere ruimte, zoals het versterken van ecologische hotspots en ecologisch netwerk, klimaatbestendig maken leefomgeving, minder ruimte voor stilstaande auto’s en beweegvriendelijker maken openbare ruimte dragen bij aan een klimaatadaptievere leefomgeving. Deze beleidsuitspraken leiden ook binnen het thema natuur en biodiversiteit tot kansen op positieve effecten. Naast de kansen zijn er ook risico’s geconstateerd, maar in mindere mate dan de kansen. De risico’s hangen vooral samen met een toename in de uitstoot van broeikasgassen. Dit komt met name door een toename in het aantal verkeersbewegingen als gevolg van een toename in voorzieningen (ruimte voor sociaal maatschappelijke hubs en versterken voorzieningencluster) en woningen (binnenstedelijk verdichten en functies mengen).
OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
BH3405TPRP2104141528
40
o
o
•
15-4-2021
Veiligheid: kansen binnen het thema veiligheid zijn met name gerelateerd aan het beoordelingsaspect verkeersveiligheid. Beleidsuitspraken die bijdragen aan kansen op positieve effecten zijn onder meer de uitspraken gericht op het stimuleren van het gebruik van langzaam verkeer (fiets en voetganger) en het reduceren van gebruik van gemotoriseerd vervoer. Voorbeelden hiervan zijn het beweegvriendelijker maken van de openbare ruimte, het versterken van het 10-minuten-netwerk gericht op bewegen en ontmoeten, het instellen van 30 km/uur binnen de bebouwde kom, het uitbreiden en versterken van fiets- en voetgangersverbindingen en voorzieningen, het uitbreiden en versterken van HOV-verbindingen en het realiseren van logistieke hubs. Naast de kansen zijn er ook risico’s geconstateerd, maar in mindere mate dan de kansen. De risico’s hangen vooral samen met een mogelijke toename van het aantal woningen binnen een 10-6 risicocontour (externe veiligheid) door stedelijke inbreiding. Daarnaast worden risico’s voorzien voor beleidsuitspraken die leiden tot een verkeersaantrekkende werking, zoals bijvoorbeeld het versterken van het voorzieningencluster. Dit vormt risico’s voor verkeersveiligheid. Voor sociale samenhang, bodem en water, werklocaties en werkgelegenheid geldt dat er kansen op positieve effecten zijn geconstateerd, maar (nagenoeg) geen risico’s op negatieve effecten.
Voor sociale samenhang geldt dat het inzetten op het creëren van mogelijkheden voor ontmoeting kansen vormt. Dit komt onder meer door het beweegvriendelijker maken van de openbare ruimte, het versterken van het 10-minutennetwerk gericht op bewegen en ontmoeten en ruimte voor sociaal-maatschappelijke hubs. Bij bodem en water gaat het om kansen gerelateerd aan grondwater en oppervlaktewater door beleidsuitspraken gericht op versterken ecologische hotspots en ecologisch netwerk en het klimaatbestendig maken van leefomgeving. Bij werklocaties en werkgelegenheid gaat het om kansen gerelateerd aan werkgelegenheid door een toename in banen als gevolg van toename in voorzieningen en functies.
Thema’s met aantal kansen en risico’s min of meer in evenwicht: o Natuur en biodiversiteit: kansen op positieve effecten binnen het thema natuur en biodiversiteit zijn gerelateerd aan beleidsuitspraken gericht op het toevoegen van groen in de openbare en particuliere ruimte, zoals het versterken van ecologische hotspots en ecologisch netwerk, klimaatbestendig maken leefomgeving, minder ruimte voor stilstaande auto’s, het instellen van 30 km/uur in de bebouwde kom en beweegvriendelijker maken openbare ruimte. Deze uitspraken vormen kansen voor leefgebieden van beschermde soorten door een toename in leefgebieden van beschermde soorten en een afname in verstorende factoren die van invloed zijn op leefgebieden van beschermde soorten. Uitspraken gericht op instellen 30 km/uur in de bebouwde kom en het bieden van alternatieven voor gemotoriseerd verkeer (uitbreiding van fietsen voetgangersverbindingen en -voorzieningen, het uitbreiden en versterken HOVverbindingen en realiseren logistieke hub) vormen kansen voor beschermde natuurgebieden door de reductie in stikstofuitstoot. Tenslotte vormt de versterking van ecologische hotspots en het ecologisch netwerk een kans ten aanzien van stadsnatuur door versterking van ecologische hotspots. Naast kansen kent het thema natuur en biodiversiteit ook risico’s op negatieve effecten.
Risico’s zijn enerzijds gerelateerd aan toenemende druk op ecologische hotspots (stadsnatuur) en leefgebieden van beschermde soorten door beleidsuitspraken zoals het versterken van het voorzieningencluster, ruimte voor het elektriciteitsnetwerk en uitbreiden en versterken van HOV-verbindingen. Anderzijds zijn risico’s gerelateerd aan een toenemende hoeveelheid gemotoriseerd verkeer als gevolg van ruimte voor sociaalmaatschappelijke hubs en binnenstedelijk verdichten en functies mengen. Dit kan leiden tot
OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
BH3405TPRP2104141528
41
een toename in de uitstoot van stikstof dat zorgt voor druk op Natura 2000-gebieden in de nabijheid van Haarlem. o
•
Voor cultuurhistorie, erfgoed en archeologie geldt dat het aantal kansen en risico’s min of meer in evenwicht is, zij het dat aantal risico’s net wat meer is dan het aantal kansen. Kansen hangen samen met inzet op het versterken van het cultuurhistorische karakter bij ontwikkelingen. Het risico hangt samen met mogelijke verstoring van de bodem als gevolg van graafwerkzaamheden voor ruimte voor een elektriciteitsnetwerk.
Thema’s met duidelijk meer risico’s dan kansen: o Energie en grondstoffen: de risico’s binnen energie en grondstoffen hangen samen met uitbreiding in aantal woningen en voorzieningen wat resulteert in een toename in energieverbruik en hoeveelheid afval (circulariteit). Dit komt onder meer terug in beleidsuitspraken zoals binnenstedelijk verdichten en functies mengen, versterken 10minuten-netwerk gericht op bewegen en ontmoeten, ruimte voor sociaal-maatschappelijke hubs en het versterken voorzieningencluster.
Bij kennis en innovatie zijn geen kansen en risico’s geconstateerd. Effecten in relatie tot kwaliteitsniveaus autonome ontwikkeling 2030 Autonoom kwaliteitsniveau rood Voor de beoordelingsaspecten verkeersveiligheid, woningaanbod en behoefte, grondwater, circulariteit, hitte en werkgelegenheid en aanbod arbeidskrachten geldt dat daar in de autonome ontwikkeling 2030 kwaliteitsniveau rood aan toegekend is. Dit betekent dat er in 2030 bij voortzetting van het huidige beleid overwegend knelpunten of problemen te verwachten zijn. Het kwaliteitsniveau is daarbij niet veranderd ten opzichte van de huidige situatie of het laat een verslechterende trend zien. Voor deze aspecten blijkt uit de effectbeoordeling van het nieuwe beleid het volgende: • Verkeersveiligheid: het voorkeursalternatief laat meer kansen op positieve effecten zien dan risico’s op negatieve effecten. Dat biedt kansen om de gelijkblijvende autonome trend positief te beïnvloeden richting een verbeterende trend. Om uit het rode kwaliteitsniveau te komen is naar verwachting aanvullend beleid nodig, specifiek gericht op het terugdringen van verkeersongevallen. • Woningaanbod en behoefte: er zijn kansen positieve effecten geconstateerd, waarmee er kansen zijn om de autonome gelijkblijvende trend positief te beïnvloeden.
Of het voldoende is om uit het rode kwaliteitsniveau te komen is afhankelijk van de hoeveelheid woningen die met binnenstedelijk verdichten gerealiseerd kunnen en gaan worden. • Grondwater: het voorkeursalternatief laat meer kansen op positieve effecten zien dan risico’s op negatieve effecten. Dat biedt kansen om de negatieve autonome trend positief te beïnvloeden. Het is niet te verwachten dat het voldoende is om uit het rode kwaliteitsniveau te komen. • Circulariteit: het nieuwe beleid laat voornamelijk risico’s op negatieve effecten zien, waarmee er risico is dat de gelijkblijvende autonome trend omgebogen wordt richting een verslechterende trend. • Hitte: het voorkeursalternatief laat meer kansen op positieve effecten zien dan risico’s op negatieve effecten. Dat biedt kansen om de negatieve autonome trend positief te beïnvloeden. Het is onzeker of dat voldoende is om uit het rode kwaliteitsniveau te komen. • Werkgelegenheid en aanbod arbeidskrachten: het nieuwe beleid laat meerdere kansen op positieve effecten zien. Dit biedt kansen om de negatieve autonome trend positief te beïnvloeden. Het is onzeker of dat voldoende gaat zijn om uit het rode kwaliteitsniveau te komen.
15-4-2021
OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
BH3405TPRP2104141528
42
Daarnaast zijn er beoordelingsaspecten die beoordeeld zijn met kwaliteitsniveau rood maar autonoom een verbeterende trend laten zien ten opzichte van de huidige situatie. Dit betreft gezonde leefstijl en leefomgeving, duurzame opwekking en broeikasgassen. Daarvoor blijkt uit de effectbeoordeling: • Gezonde leefstijl en leefomgeving: het nieuwe beleid laat vooral kansen op positieve effecten zien, waardoor versterking van de autonome positieve trend aannemelijk is. Gezien het aantal geconstateerde kansen biedt dit perspectief om uit het rode kwaliteitsniveau te komen. • Duurzame opwekking: hier zijn kansen op positieve effecten voorzien. Versterking van de positieve autonome trend is daarmee aannemelijk. Verdere versterking is na 2030 voorzien, met realisatie van het warmtesysteem dat gevoed wordt door duurzaam opgewekte energie (aquathermie, geothermie). Het is niet te verwachten dat dat voldoende gaat zijn om uit het rode kwaliteitsniveau te komen. Daarvoor is – naast het warmtesysteem – ook substantiële inzet nodig op verduurzaming van opwekking van elektriciteit, voor zowel woningen als bedrijven. • Broeikasgassen: hier zijn kansen op positieve effecten, maar ook meerdere risico’s op negatieve effecten geconstateerd. Versterking van de positieve autonome trend is mogelijk, het is onzeker of dat voldoende gaat zijn om uit het rode kwaliteitsniveau te komen.
Autonoom kwaliteitsniveau oranje Bij beoordelingsaspecten met een autonoom kwaliteitsniveau oranje en een autonoom verslechterende trend zijn in de meeste gevallen beperkt of geen kansen en risico’s geconstateerd. Substantiële beïnvloeding van de autonome verslechterende trend is daarmee niet aannemelijk. Het gaat dan om de aspecten externe veiligheid, inclusiviteit en cultuurhistorie en erfgoed. Mogelijkheden tot ontspannen en groenbeleving, sociale cohesie in buurten, beschermde soorten, archeologie, wateroverlast, opleidingsniveau en autobereikbaarheid zijn aspecten met een autonoom gelijkblijvende trend binnen kwaliteitsniveau oranje. Het nieuwe beleid laat bij deze beoordelingsaspecten een wisselend beeld zien. Voor de mogelijkheden tot ontspannen en groenbeleving, sociale cohesie in buurten, beschermde soorten en wateroverlast is er sprake van zowel kansen als risico’s, waarbij er meer kansen dan risico’s geconstateerd zijn. Gezien het (geringe) verschil tussen het aantal kansen en risico’s is het niet aannemelijk dat er (per saldo) sprake is van substantiële beïnvloeding van de gelijkblijvende trend binnen oranje. De daadwerkelijke beïnvloeding van het kwaliteitsniveau is afhankelijk van de mate van doorwerking in vervolgplannen en projecten.
Voor de beoordelingsaspecten archeologie en autobereikbaarheid is er sprake van overwegend meer risico’s dan kansen, waardoor bij deze beoordelingsaspecten het risico op negatieve beïnvloeding van de gelijkblijvende autonome trend binnen oranje bestaat. Tenslotte geldt voor het beoordelingsaspect opleidingsniveau dat er geen kansen of risico’s zijn geconstateerd, waardoor het niet te verwachten is dat er een verandering optreedt ten opzichte van de autonome trend. Voor de beoordelingsaspecten luchtkwaliteit, geluidhinder, oppervlaktewater, stadsnatuur, beschermde natuurgebieden, kwaliteit en kwantiteit werklocaties, fiets en duurzame en slimme mobiliteit geldt dat deze autonoom een verbetering binnen kwaliteitsniveau oranje laten zien. Voor fiets en duurzame en slimme mobiliteit geldt dat het nieuwe beleid alleen kansen op positieve effecten laat zien. Daarmee kan het nieuwe beleid de positieve autonome trend versterken. Voor luchtkwaliteit, geluidhinder en beschermde natuurgebieden zijn naast kansen ook veel risico’s geconstateerd. Daarmee is het niet aannemelijk dat er een verandering in kwaliteitsniveau zal plaatsvinden ten opzichte van de autonome ontwikkeling 2030. Voor oppervlaktewater is er sprake van een kleine kans op een positief effect. Het is aannemelijk dat voor dit aspect de autonoom positieve trend zich doorzet.
Bij kwaliteit en kwantiteit werklocaties zijn geen kansen en risico’s geconstateerd, waardoor beïnvloeding van de autonome trend niet aan de orde. Tenslotte geldt voor stadsnatuur dat sprake is van meer risico’s dan kansen. Voortzetting van de autonome positieve trend lijkt daarmee niet aannemelijk, er is mogelijk sprake van een verslechtering binnen oranje als gevolg van het nieuwe beleid.
15-4-2021
OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
BH3405TPRP2104141528
43
Autonoom kwaliteitsniveau groen Voor de beoordelingsaspecten voorzieningenaanbod en behoefte en openbaar vervoer geldt dat er alleen kansen op positieven effecten zijn geconstateerd. Het is daarmee aannemelijk dat de positief autonome trend (openbaar vervoer) en gelijkblijvende autonome trend (voorzieningenaanbod en behoefte) verder versterken. Daarentegen geldt voor energieverbruik dat er alleen sprake is van risico’s op negatieve effecten. Dat geeft een risico op negatieve beïnvloeding van de positieve autonome trend, Voor droogte geldt dat er sprake is van een enkele kans. Het is niet aannemelijk dat dat de negatief autonome trend zal keren. Tenslotte geldt voor bodemkwaliteit dat er geen kansen of risico’s zijn geconstateerd, waarmee beïnvloeding van de autonome trend niet aan de orde is.
6.5
Doorkijk naar 2045
Het beeld van effecten van beleid dat niet voor 2030 verwacht wordt is als volgt. Veranderingen op het gebied van energietransitie worden na 2030 voorzien. Het gaat dan om het realiseren van een duurzaam warmtesysteem, in de vorm van warmtenet dat gevoed wordt door duurzame bronnen (aquathermie, geothermie) en restwarmte van bedrijven. Daarvoor vindt isolering van bebouwing plaats. Het isoleren laat vooral kansen ’op positieve effecten zien en een enkel risico. Kansen hangen onder meer samen met een verminderd energieverbruik en verminderde uitstoot van broeikasgassen en stikstof, wat ook weer kansen oplevert voor beschermde natuurgebieden (minder neerslag van stikstof). Risico wordt voorzien voor beschermde soorten door mogelijke verstoring van leefgebieden in gebouwen, zoals spouwmuren voor vleermuizen. Het realiseren van het warmtenet (de ondergrondse infrastructuur) laat een risico zien bij archeologie. Dat hangt samen met mogelijke verstoring van de bodem bij aanleg. Realiseren warmtebronnen voor voeden warmtenet laat kansen op positieve effecten zien bij duurzame opwekking en uitstoot broeikasgassen. Dat kan daarmee zorgen voor een versterking van positieve autonome trends op die aspecten. Het gaat om duurzame warmtebronnen (aquathermie, geothermie) waarbij minder gebruik gemaakt hoeft te worden van bronnen die voor uitstoot van broeikasgassen zorgen.
Het laat daarnaast ook risico’s op negatieve effecten zien. Die hangen samen met verstorende effecten op het vlak van stadsnatuur, beschermde soorten en beschermde natuurgebieden. Ook zijn hier risico’s geconstateerd op het vlak van oppervlaktewater, bodemkwaliteit, externe veiligheid en archeologie. Dit betekent dat het realiseren van de warmtebronnen de nodige aandacht vergt, daar wordt in hoofdstuk 10 verder op in gegaan. Voor het uitbreiden en versterken van waterbuffercapaciteit worden vooral kansen voorzien op positieve effecten. Het gaat dan vooral om kansen op het vlak van wateroverlast en droogte. Ook zijn er kansen op het vlak van hittestress, grondwater en beschermde soorten. Archeologie vormt een aandachtspunt. Ook het hittebestendig maken van de leefomgeving vooral kansen zien op positieve effecten, op het vlak van wateroverlast hitte, beschermde soorten, mogelijkheden tot ontspannen en groenbeleving en gezonde leefstijl en leefomgeving. Aandachtspunten vormen hier luchtkwaliteit, geluidhinder en verkeersveiligheid. Dat hangt er mee samen dat hierbij ook voorzien wordt in minder ruimte voor geparkeerde auto’s. Afhankelijk van de omvang kan dat leiden tot gewijzigde verkeersstromen, waarbij vermindering van autoritten op de ene plek kunnen leiden tot toename van autoritten.
De ontwikkelen van de Waarderpolder laat meer risico’s op negatieve effecten zien dan kansen op positieve effecten. Deze risico’s hangen samen met voorziene toename van verkeersbewegingen vanwege uitbreiding van bedrijfsactiviteiten (luchtkwaliteit, geluidhinder, broeikasgassen, autobereikbaarheid, verkeersveiligheid). Daarnaast zijn er risico’s met betrekking tot natuur (mogelijke verstoring van ecologische hotspot en toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden) en cultuurhistorie, erfgoed 15-4-2021
OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
BH3405TPRP2104141528
44
en archeologie. Kansen op positieve effecten zijn er geconstateerd op het vlak van werkgelegenheid en aanbod arbeidskrachten (toename van werkgelegenheid) en gezonde leefstijl en leefomgeving en mogelijkheid tot ontspannen en groenbeleving (nieuwe fietsroutes en toevoeging van groen). De gemeente zet in op natuurinclusieve ontwikkeling door middel van borging daarvan in het omgevingsplan, dat heeft een risicobeperkende werking. Niettemin blijft een goede inpassing op dat vlak van een aandachtspunt.
15-4-2021
OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
BH3405TPRP2104141528
45
7
Wat zijn de effecten in Natura 2000-gebieden?
7.1
Passende beoordeling Natura 2000
Omdat het op voorhand niet is uitgesloten dat het nieuwe beleid in de Omgevingsvisie een (significant) negatief effect veroorzaakt op de natuurlijke kenmerken van de omliggende Natura 2000-gebieden is een passende beoordeling opgesteld op grond van de Wet natuurbescherming. Het gaat om de Natura 2000gebieden Kennemerland-Zuid, Polder Westzaan en Noordhollands Duinreservaat. In deze passende beoordeling is het nieuwe beleid uit de omgevingsvisie beoordeeld aan de hand van beleidsuitspraken die in het OER zijn geselecteerd. Het gaat om uitspraken die voldoende concreet zijn en die een relatie hebben met de leefomgeving. Deze passende beoordeling beoordeeld per uitspraak of en zo ja hoe groot het risico is op significant negatieve effecten op Natura 2000-gebied in de omgeving van Haarlem. Daarbij is getoetst aan de belangrijkste instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 20000gebied. Bij de beoordeling is aangesloten bij het karakter van het strategische beleid in de omgevingsvisie, wat wil zeggen dat de beoordeling op hoofdlijnen is gedaan. Het doel van de passende beoordeling is het in beeld brengen: a. van de risico’s op het optreden van (significant) negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van het nieuwe beleid van de Omgevingsvisie Haarlem 2045 en b. met welke maatregelen geconstateerde risico’s voorkomen of beperkt kunnen worden.
Geconstateerde risico’s zijn aandachtspunten waar bij de verdere uitwerking van het beleid rekening mee gehouden moet worden. Op deze manier kan voorkomen worden dat (significant) negatieve effecten op de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden daadwerkelijk optreden. In de passende beoordeling is naar verschillende storingsfactoren gekeken, zoals effecten van stikstofdepositie, ruimtebeslag, effecten als gevolg van hydrologische veranderingen (bijvoorbeeld verdroging of vernatting) of verstoring door geluid of optische verstoring. Het gaat hierbij om effecten in de gebruiksfase. Effecten als gevolg van de aanlegfase worden in deze passende beoordeling niet meegenomen omdat op basis van het strategische karakter onvoldoende duidelijk is op welke wijze de beleidsuitspraken worden uitgewerkt. De passende beoordeling is opgenomen in bijlage A15 onderstaand zijn de hoofdlijnen van de resultaten en conclusies opgenomen.
7.2
Resultaten passende beoordeling
Meerdere beleidsuitspraken van de Omgevingsvisie Haarlem 2045 kunnen tot risico’s leiden op significant negatieve effecten binnen Natura 2000-gebieden. Deze zijn in onderstaande tabel opgenomen. De risico’s hebben betrekking op: • Stikstofdepositie; • Verstoring door recreanten; • Wijzigingen in grondwatersysteem (verdroging). Aangezien stikstofdepositie (huidig, autonoom) een knelpunt is in alle omliggende Natura 2000-gebieden en een kleine toename al een significant negatief effect kan veroorzaken, is cumulatie met betrekking tot stikstofdepositie een belangrijk aandachtspunt. Met name voor het aangrenzende Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid. De gemeente Haarlem heeft in haar omgevingsvisie ook beleidsuitspraken die leiden tot een afname aan stikstofdepositie, zoals maatregelen die het gebruik van openbaar vervoer en langzaam verkeer (fiets, wandelen) bevorderen, of de inzet van zonnepanelen en warmtenetten.
15-4-2021
OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
BH3405TPRP2104141528
46
Bij de verdere uitwerking van het nieuwe beleid moet een integrale aandacht zijn voor ontwikkelingen die kunnen leiden tot een toename van storingsfactoren binnen Natura 2000-gebieden. Door een integrale aanpak en de projectscope van een ontwikkeling zo in te steken dat ook maatregelen om stikstofdepositie te verminderen worden betrokken bij de ontwikkeling kan een significant negatief effect voorkomen worden. De omgevingsvisie, de programma’s en het omgevingsplan zijn instrumenten om tot een goede integrale uitwerking van het beleid te komen. Er zijn mogelijkheden voorhanden om significant negatieve gevolgen binnen de omliggende Natura 2000-gebieden te voorkomen. Het nieuwe beleid waar de Omgevingsvisie Haarlem 2045 in voorziet, is daarmee in beginsel uitvoerbaar in het licht van de Wat natuurbescherming (Natura 2000-gebieden). Tabel 7-1: resultaten en conclusies passende beoordeling Natura 2000. Beleidsuitspraak
Invloed op Natura 2000
Risico’s op negatief effect
Aandachtspunten bij nadere uitwerking beleid Eindbeoordeling (mitigatie)
Beleidsuitspraken 2030
1
Uitspraak voorziet in het terugdringen van de autodominantie in stadsstraten De omliggende Natura door onder andere de 2000-gebieden vermindering van Kennemerland-Zuid, parkeerplaatsen. Noordhollands Als gevolg van de gewijzigde Duinreservaat en Polder Beweegvriendelijker verkeersstromen en een Westzaan kennen maken openbare mogelijke toename van habitattypes die (zeer) ruimte zoekverkeer kan de gevoelig zijn voor stikstofdepositie in omliggende stikstofdepositie. Bij een Natura 2000-gebieden mogelijk toename is er een kans verschuiven en/of toenemen. op een significant Hierdoor zijn negatieve invloeden negatief effect. op Natura 2000-gebieden niet uitgesloten.
Bij de uitwerking van dit beleid moet kritisch gekeken worden naar de ligging van nieuwe verkeersroutes en de omgang met zoekverkeer om zo de invloed op het (Significant) Natura 2000-gebied zoveel negatief effect is mogelijk te beperken. te voorkomen. Saldering met ander beleid zoals gasloos bouwen of het voorschrijven of faciliteren emissieloos vervoer voorkomt mogelijk een toename aan stikstofdepositie.