CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

20210171773 3. Bijlage 2 Omgevingseffectrapport Omgevingsvisie Haarlem

commissie Ontwikkeling 3 juni 2021, gemeente HaarlemBij agendapunt: 19.45 uur Vrijgeven ontwerp Omgevingsvisie voor de inspraak (FR)33.643 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Niet gevonden in dit document.

RAPPORT Omgevingseffectrapport Omgevingsvisie Haarlem 2045

Klant:

Gemeente Haarlem

Referentie: BH3405TPRP2104141528 Status:

Definitief/02

Datum:

15-4-2021

Projectgerelateerd

HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.

Laan 1914 no.35 3818 EX AMERSFOORT Netherlands Transport & Planning Trade register number: 56515154 +31 88 348 20 00 T +31 33 463 36 52 F info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W

Titel document: Omgevingseffectrapport Omgevingsvisie Haarlem 2045 Ondertitel: OER Omgevingsvisie Haarlem 2045 Referentie: BH3405TPRP2104141528 Status: 02/Definitief Datum: 15-4-2021 Projectnaam: OER Haarlem Projectnummer: BH3405 Auteur(s): Hanneke Koedijk, Ingrid Welles, Tijmen van de Poll Opgesteld door: Tijmen van de Poll Gecontroleerd door: Veronique Maronier

Classificatie Projectgerelateerd

Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V. en dient voor publicatie of anderszins openbaar maken te worden geanonimiseerd. 15-4-2021

OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045

BH3405TPRP2104141528

i

Projectgerelateerd

Samenvatting Omgevingsvisie Haarlem 2045 De gemeente Haarlem werkt aan de vernieuwing van haar omgevingsbeleid. Het deel van het omgevingsbeleid dat beschrijft hoe de fysieke leefomgeving in Haarlem zich op de langere termijn ontwikkelt en wat de gemeente daar op hoofdlijnen aan wil doen, is de omgevingsvisie. Met de omgevingsvisie bereidt de gemeente Haarlem zich voor op de invoering van de Omgevingswet (verwacht in 2022). De tijdshorizon van de omgevingsvisie is 2045. De omgevingsvisie is een strategische beleidsvisie waarin opgaven en ambities voor de leefomgeving zijn opgenomen voor de lange termijn (2045). Daarnaast zijn er richtinggevende keuzes op hoofdlijnen opgenomen waarmee de gemeente invulling wil geven aan het behalen van de ambities. Verdere uitwerking van hoofdlijnen van nieuw beleid vindt na vaststelling van de omgevingsvisie plaats in instrumenten zoals bijvoorbeeld het omgevingsplan en programma’s. Het OER bij de omgevingsvisie Het Omgevingseffectrapport (OER) levert de informatie die nodig is voor een zorgvuldig besluit over de omgevingsvisie, waarbij alle relevante belangen (waaronder die van de leefomgeving) zijn meegewogen. Daarnaast beschrijft en verantwoordt het OER de resultaten van dit proces. Het OER is opgesteld op basis van de procedure van de milieueffectrapportage (m.e.r.).

De omgevingsvisie beschrijft het beleid, wat de ambities zijn en wat de gemeente op hoofdlijnen gaat doen. Het OER beschrijft de kwaliteiten van de leefomgeving, de gevolgen van het beleid op de leefomgeving en of het beleid bijdraagt aan het halen van de gestelde ambities. De interactie tussen beide bestond uit regelmatige wederzijdse terugkoppeling tussen de beleidsontwikkeling aan de ene kant (omgevingsvisie) en de gevolgen ervan voor de leefomgeving aan de andere kant (m.e.r.). Op deze manier is de m.e.r. gebruikt om beleid aan te scherpen en om beleidskeuzes te maken en aan te scherpen. In het OER zijn de kwaliteiten van de leefomgeving en de effecten van de omgevingsvisie in beeld gebracht aan de hand van een beoordelingskader met beoordelingsaspecten. Het beoordelingskader volgt de brede en integrale benadering uit de Omgevingswet, met een indeling naar ‘people, planet, profit’. Voorbeelden van beoordelingsaspecten zijn gezonde leefstijl en leefomgeving, woningaanbod en behoefte, sociale cohesie in buurten, wateroverlast, hitte, broeikasgassen, stadsnatuur, cultuurhistorie en erfgoed, duurzame energieopwekking, kwaliteit en kwantiteit van werklocaties, circulariteit en duurzame en slimme mobiliteit.

Omdat het in de omgevingsvisie om hoofdlijnen van beleid gaat, is in het OER aansluitend daarop ook op hoofdlijnen beoordeeld wat de effecten zijn - in termen van kansen en risico’s. Dat is gedaan op basis van deskundigenoordeel, ook wel ‘expert-judgement’ genoemd. Alternatieven voor nieuw beleid en het uiteindelijk gekozen nieuwe beleid zijn beoordeeld op basis van beleidsuitspraken. Het gaat om uitspraken die nieuw beleid betreffen, een relatie hebben met beoordelingsaspecten van het OER en voldoende concreet zijn om te kunnen beoordelen op kansen op positieve effecten en risico’s op negatieve effecten. De beleidsuitspraken zijn op systematische wijze langs het beoordelingskader gehaald. Bij elk beoordelingsaspect is bepaald wat de gevolgen van de betreffende uitspraak kunnen zijn op dat aspect, gerelateerd aan de beoordelingscriteria. Vervolgens is bepaald in hoeverre het nieuwe beleid bij kan dragen aan het behalen van ambities en in hoeverre het beleid consistent is. Als onderdeel van het OER is een passende beoordeling uitgevoerd naar de mogelijke effecten van het nieuwe beleid in Natura 2000-gebieden.

15-4-2021

OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045

BH3405TPRP2104141528

ii

Projectgerelateerd

De stand van de Haarlemse leefomgeving In de Foto van de leefomgeving zijn de huidige situatie en autonome ontwikkeling tot 2030 beschreven voor de beoordelingsaspecten zoals opgenomen in het beoordelingskader, met een doorkijk naar 2045. Het is opgesteld op basis van de best beschikbare actuele informatie, data en toekomstprognoses. Het laat zien hoe de Haarlemse leefomgeving er nu en bij ongewijzigd beleid in de toekomst voor staat. De huidige situatie en de autonome ontwikkeling vormen samen de referentiesituatie voor dit OER. De beschrijving van de huidige situatie en de autonome ontwikkeling is in samengevatte vorm weergeven in het ‘Rad van de leefomgeving’, in de vorm van gemeentebrede kwaliteitsniveaus hoe de leefomgeving er voor staat. De kwaliteitsniveaus zijn ingevuld op basis van navolgbare en reproduceerbare schaallatten, op basis van referentiewaarden en beschikbare informatiebronnen. Met het Rad van de leefomgeving is een integraal beeld ontstaan van waar de leefomgeving gemeentebreed op orde is, waar er problemen en knelpunten optreden en wat de autonome trends daarin zijn. De huidige staat van de fysieke leefomgeving laat een wisselend beeld zien.

Vooral qua verkeersveiligheid, voorzieningenniveau en behoefte, bodemkwaliteit, energieverbruik, droogte en openbaar vervoer staat de fysieke leefomgeving er op dit moment over het algemeen goed voor (beoordeeld met kwaliteitsniveau ‘groen’). Leefomgevingsaspecten met een beoordeling met kwaliteitsniveau (‘rood’, overwegend sprake van problemen/knelpunten) zijn gezonde leefstijl en leefomgeving, verkeersveiligheid, woningaanbod en behoefte, grondwater, circulariteit, hitte, broeikasgassen, kwaliteit en kwantiteit werklocaties, werkgelegenheid en aanbod arbeidskrachten. De autonome ontwikkeling (2030) laat wisselende trends zien in de kwaliteiten van de leefomgeving. De leefomgevingsaspecten grondwater, hitte en werkgelegenheid en aanbod arbeidskrachten laten een negatieve trend zien waar in de huidige situatie de kwaliteit al tekortschiet (‘rood’). Bij verkeersveiligheid en circulariteit is ook in 2030 nog sprake van een tekortschietend kwaliteitsniveau, naar verwachting op hetzelfde niveau als in de huidige situatie. Bezien vanuit het belang van de kwaliteit van de leefomgeving liggen bij deze aspecten belangrijke opgaven voor de omgevingsvisie. Voor duurzame opwekking geldt dat er sprake is van positieve autonome trend, maar dat die naar verwachting niet voldoende is om ‘uit het rood’ te komen. Dat betekent dat ook hier opgaven liggen voor de omgevingsvisie.

Negatieve trends binnen kwaliteitsniveau ‘oranje’ (wisselend sprake van wel/geen problemen/knelpunten) zijn zichtbaar voor externe veiligheid, inclusiviteit en cultuurhistorie en erfgoed. Ook hier liggen opgaven voor de omgevingsvisie. De aspecten geluidhinder, gezonde leefstijl en leefomgeving, woningaanbod en behoefte, beschermde natuurgebieden en kwaliteit en kwantiteit werklocaties laten autonoom een verbetering zien van kwaliteitsniveau ‘rood’ naar ‘oranje’. Positieve trends binnen oranje zijn er bij luchtkwaliteit, oppervlaktewater, stadsnatuur, beschermde soorten, fiets en duurzame en slimme mobiliteit. De leefomgevingsaspecten waar de kwaliteit in de huidige situatie goed is (‘groen’, overwegend geen problemen/knelpunten) en bij autonome ontwikkeling verder verbetert zijn energieverbruik en openbaar vervoer. Voor de leefomgevingsaspecten voorzieningenniveau en behoefte en bodemkwaliteit geldt dat deze autonoom gelijk blijven aan de huidige situatie binnen kwaliteitsniveau ‘groen’. Tenslotte geldt voor leefomgevingsaspect droogte dat er sprake is van een verslechterende trend binnen kwaliteitsniveau ‘oranje’.

15-4-2021

OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045

BH3405TPRP2104141528

iii

Projectgerelateerd

Alternatieven voor nieuw omgevingsbeleid en de effecten daarvan Op basis van de identiteit, trends en ontwikkelingen en opgaven en ambities is de gemeente tot richtinggevende hoofdlijnen voor nieuw beleid gekomen. Daarbij heeft binnen het m.e.r.-proces een alternatievenbeoordeling plaatsgevonden. Vanuit de positie van Haarlem als onderdeel van de Metropoolregio Amsterdam zijn door de gemeente alternatieven ingevuld vanuit twee dominante, uiterste invalshoeken: • ‘Haarlem aan het Spoor’ als metafoor voor vergaande integratie met de metropoolregio, en • ‘Haarlem een het Spaarne’ als metafoor voor inzet op eigen positie van Haarlem en zelf voorzien in voldoende aanbod van en balans in wonen, werken en voorzieningen. Uit de alternatievenbeoordeling volgt dat beide alternatieven zich onderscheiden van de autonome ontwikkeling, en Spaarne meer dan Spoor. Dat is vooral op het vlak van ‘planet’, zowel qua kansen op positieve effecten als qua risico’s op negatieve effecten. Dat hangt samen met het realiseren van woningen door inbreiding door de hele stad, toevoegen werklocaties in wijken en stadstraten, realiseren van warmtenetten met lokale winning thermische energie uit oppervlaktewater en uit geothermie en reserveren van ruimte voor groen-blauwe structuren voor waterberging.

Vooral vanwege deze uitspraken laat Spaarne bij ‘planet’ meer kansen zien dan risico’s, terwijl in Spoor het aantal risico’s op dat vlak groter is. Die risico’s in Spoor hangen vooral samen met stedelijke verdichting nabij OV-knooppunten, ontwikkeling HOVverbindingen en transformatie Waarderpolder. Op het vlak van ‘people’ laten beide alternatieven meer kansen dan risico’s zien, en onderscheiden ze zich beiden van de autonome ontwikkeling. Op het vlak van ‘profit’ zijn er in beide alternatieven vooral enkele kansen geconstateerd. Op dit vlak onderscheiden beide alternatieven zich het minst ten opzichte van de autonome ontwikkeling. Spoor ‘Spoor’ onderscheidt zich het meest qua kansen op positieve effecten bij de beoordelingsaspecten luchtkwaliteit, geluidhinder en broeikasgassen. Qua risico’s op negatieve effecten onderscheidt Spoor zich het meest qua beschermde soorten en stadsnatuur, zij het in mindere mate dan Spaarne. Verder laat Spoor overwegend kansen zien bij gezonde leefstijl en leefomgeving, mogelijkheden tot ontspannen en groenbeleving en duurzame en slimme mobiliteit. Spaarne ‘Spaarne’ onderscheidt zich het meest qua kansen op positieve effecten bij de beoordelingsaspecten duurzame energieopwekking en broeikasgassen, zowel ten opzichte van autonome ontwikkeling als ten opzichte van Spoor.

Daarnaast is Spaarne het meest onderscheidend qua risico’s op negatieve effecten bij stadsnatuur en beschermde soorten. Verder laat Spaarne overwegend kansen zien bij luchtkwaliteit, gezonde leefstijl en leefomgeving, mogelijkheden tot ontspannen en groenbeleving, sociale cohesie in buurten, fiets en duurzame en slimme mobiliteit.

15-4-2021

OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045

BH3405TPRP2104141528

iv

Projectgerelateerd

Figuur S1: Cumulatieve scores van de alternatieven, onderscheiden naar People, Planet en Profit.

Het gekozen nieuwe beleid en de effecten daarvan Op basis van alternatievenbeoordeling is de gemeente Haarlem gekomen tot een voorkeursalternatief voor in de omgevingsvisie op te nemen nieuw beleid. Daarbij zijn elementen uit de twee alternatieven samengevoegd tot één omvattend geheel van strategische, richtinggevende hoofdlijnen voor nieuw omgevingsbeleid. Hierbij heeft de gemeente gekeken naar elementen/keuzes die zoveel mogelijk positief scoren in de alternatievenbeoordeling, bijgedragen kan worden aan het halen van ambities en keuzes elkaar zoveel mogelijk versterken tot een integraal, samenhangend geheel. Een eerste versie van het nieuwe beleid is beoordeeld op effecten. De resultaten daarvan zijn in een tussentijdse notitie opgeleverd. Op basis van deze tussentijdse beoordeling heeft de gemeente onderdelen van het beleid verduidelijkt, gewijzigd en aangescherpt. Vervolgens is een finale effectbeoordeling uitgevoerd. De resultaten van beoordeling zijn in samengevatte vorm in het Rad van de leefomgeving opgenomen. Impact gerelateerd aan beoordelingsthema’s: • Grootste impact: het nieuwe beleid heeft de meeste impact op de thema’s gezondheid, natuur en biodiversiteit, bereikbaarheid en klimaat. • Vooral kansen op positieve effecten: gezondheid, bereikbaarheid, wonen en voorzieningen, klimaat, sociale samenhang, werklocaties en werkgelegenheid, bodem en water en veiligheid.

• Vooral risico´s op negatieve effecten: energie en grondstoffen. In 2045 zijn hier meer kansen dan risico’s voorzien. • Kansen en risico’s min of meer in evenwicht: natuur en biodiversiteit en cultuurhistorie, erfgoed en archeologie. • Geen kansen of risico’s geconstateerd: kennis en innovatie Impact gerelateerd aan beleidsuitspraken: Grootste impact: ‘binnenstedelijk verdichten en functies mengen’ laat de meeste kansen en risico’s zien, gevolgd door ‘ruimte voor sociaal maatschappelijke hubs’, ‘beweegvriendelijker maken openbare ruimte’ en ‘minder ruimte voor stilstaande auto’s’. In volgorde van aantal geconstateerde kansen en risico’s: o ‘Binnenstedelijk verdichten en functies mengen’ laat de meeste risico’s zien (vooral energie en grondstoffen en klimaat), maar ook veel kansen (vooral wonen en voorzieningen), zij het in mindere mate dan het aantal risico’s. o ‘Ruimte voor sociaal maatschappelijke hubs’ laten veel kansen zien (vooral veiligheid, sociale samenhang en wonen en voorzieningen) maar ook risico’s (vooral natuur en biodiversiteit en klimaat) 15-4-2021

OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045

BH3405TPRP2104141528

v

Projectgerelateerd

‘Beweegvriendelijker maken openbare ruimte’ en ‘minder ruimte voor stilstaande auto’s’ laten vooral kansen op positieve effecten zien (vooral gezondheid, klimaat en bereikbaarheid), maar daarnaast ook enkele risico’s op negatieve effecten. Bij alle andere beleidsuitspraken zijn vooral kansen op positieve effecten geconstateerd, bijvoorbeeld ‘versterken ecologische hotspots en ecologisch netwerk’, ‘uitbreiden en versterken fiets- en voetgangersverbindingen en voorzieningen’ en ‘instellen 30 km/uur binnen de bebouwde kom’. Bij ‘uitbreiden en versterken HOV-verbindingen’ zijn naast kansen ook meerdere risico’s geconstateerd. Voor de beleidsuitspraak ‘versterken voorzieningencluster’ zijn zowel kansen als risico’s geconstateerd, waarbij er meer risico’s dan kansen voorzien zijn. Voor de beleidsuitspraak ‘ruimte voor elektriciteitsnetwerk’ zijn alleen risico’s op negatieve effecten geconstateerd. o

•

• •

15-4-2021

OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045

BH3405TPRP2104141528

vi

Projectgerelateerd

Figuur S2: Rad van de leefomgeving, inclusief effecten gekozen nieuwe beleid Omgevingsvisie (2030).

15-4-2021

OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045

BH3405TPRP2104141528

vii

Projectgerelateerd

Effecten in Natura 2000-gebieden Omdat het op voorhand niet is uitgesloten dat het nieuwe beleid in de omgevingsvisie een (significant) negatief effect veroorzaakt op de natuurlijke kenmerken van de omliggende Natura 2000-gebieden is een passende beoordeling opgesteld op grond van de Wet natuurbescherming. Het gaat om de Natura 2000gebieden Kennemerland-Zuid, Polder Westzaan en Noordhollands Duinreservaat. Het doel van de passende beoordeling is het in beeld brengen: a. van de risico’s op het optreden van (significant) negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van het nieuwe beleid van de Omgevingsvisie Haarlem 2045 en b. met welke maatregelen geconstateerde risico’s voorkomen of beperkt kunnen worden. In de passende beoordeling is naar verschillende storingsfactoren gekeken, zoals effecten van stikstofdepositie, ruimtebeslag, effecten als gevolg van hydrologische veranderingen (bijvoorbeeld verdroging of vernatting) of verstoring door geluid of optische verstoring. Het gaat hierbij om effecten in de gebruiksfase. Effecten als gevolg van de aanlegfase worden in deze passende beoordeling niet meegenomen omdat op basis van het strategische karakter onvoldoende duidelijk is op welke wijze de beleidsuitspraken worden uitgewerkt.

Uit de passende beoordeling volgt dat enkele beleidsuitspraken uit de omgevingsvisie kunnen leiden tot significant negatieve effecten binnen Natura 2000-gebieden. De risico’s hangen veelal samen met risico’s zoals een toename in stikstofdepositie, verstoring door recreanten en wijzigingen in grondwatersysteem (verdroging). Aangezien stikstofdepositie (huidig, autonoom) een knelpunt is in alle omliggende Natura 2000-gebieden en een kleine toename al een significant negatief effect kan veroorzaken, is cumulatie met betrekking tot stikstofdepositie een belangrijk aandachtspunt. Met name voor het aangrenzende Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid. De gemeente Haarlem heeft in haar omgevingsvisie ook beleidsuitspraken die leiden tot een afname aan stikstofdepositie, zoals maatregelen die het gebruik van openbaar vervoer en langzaam verkeer (fiets, wandelen) bevorderen, of de inzet van zonnepanelen en warmtenetten. Beleidsuitspraken die een negatief effect op Natura 2000-gebieden hebben zijn gericht op bijvoorbeeld het versterken ’10-minuten-netwerk’ gericht op bewegen en ontmoeten, het binnenstedelijk verdichten en functies mengen en de ontwikkeling Waarderpolder. Er zijn mogelijkheden voorhanden om significant negatieve gevolgen binnen de omliggende Natura 2000-gebieden te voorkomen, zoals beschreven in de passende beoordeling.

Het nieuwe beleid waar de omgevingsvisie in voorziet, is daarmee in beginsel uitvoerbaar in het licht van de Wet natuurbescherming (Natura 2000-gebieden). De geconstateerde risico’s zijn aandachtspunten waar bij de verdere uitwerking van het beleid rekening mee gehouden moet worden. Op deze manier kan voorkomen worden dat (significant) negatieve effecten op de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden daadwerkelijk optreden. Consistentie in het nieuwe beleid De Omgevingsvisie Haarlem 2045 schetst een samenhangend, integraal beeld van de Haarlemse leefomgeving, de opgaven die er liggen, de ambities die de gemeente wil behalen die en wat de gemeente aan nieuw beleid voorneemt om die ambities te behalen. Omdat het om een samenhangend, integraal beeld gaat is van belang dat het voorgenomen beleid voldoende consistent is. Om een beeld te geven van die consistentie zijn in het OER zogenaamde ‘botsproeven’ uitgevoerd, waarbij de beleidsuitspraken onderling met elkaar zijn geconfronteerd en beoordeeld op potentiële onderlinge versterking en strijdigheid.

15-4-2021

OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045

BH3405TPRP2104141528

viii

Projectgerelateerd

Overall is er sprake van meer kansen op synergie dan risico’s op strijdigheid. Bij de volgende uitspraken is uitsluitend sprake van synergie: ontwikkeling Waarderpolder, benutten zonne-energie, instellen 30 km/uur binnen de bebouwde kom, realiseren logistieke hubs en isoleren bebouwing. De ontwikkeling van de Waarderpolder geeft bijvoorbeeld op verschillende vlakken kansen op synergie in de vorm van meekoppelkansen, bijvoorbeeld bij het realiseren van logistieke hubs, het isoleren van bebouwing en het benutten van zonne-energie bij nieuwbouw. Als we kijken naar andere uitspraken met veel kansen op synergie, dan vallen vooral op: beweegvriendelijker maken openbare ruimte, versterken 10-minuten-netwerk gericht op bewegen en ontmoeten, binnenstedelijk verdichten en functies mengen, ruimte voor sociaal maatschappelijke hubs, instellen autoluwe gebieden, ruimte voor minder stilstaande auto’s, uitbreiden en versterken fiets- en voetgangersverbindingen en -voorzieningen en het hittebestendig maken van de leefomgeving. Een voorbeeld is het beweegvriendelijk maken van de openbare ruimte. Dit biedt onder andere kansen op synergie met ruimte voor sociaal maatschappelijke hubs, binnenstedelijk verdichten en uitbreiden van functies, het instellen van autoluwe gebieden en minder ruimte voor auto’s in de straat.

Onderdeel van al deze uitspraken is het verminderen van het aantal parkeerplaatsen en deze op een andere manier invullen. Voor bovengenoemde beleidsuitspraken geldt dat er naast kansen op synergie ook sprake is van risico’s op strijdigheid. Strijdigheden hangen met name samen met mogelijke conflicterende ruimteclaims. Een voorbeeld hiervan is het zowel willen verdichten (binnenstedelijk) als het versterken van ecologische hotspots en ecologische verbindingen en het uitbreiden en versterken van waterbuffercapaciteit. Gezien de beperkte vrije ruimte in Haarlem is het de vraag of er genoeg ruimte is om deze beleidsuitspraken allemaal in te passen. Dit vergt een uitgekiende inpassing bij realisatie van het nieuwe beleid. Uitspraken met overwegend risico’s op strijdigheid zijn ruimte voor elektriciteitsnetwerk en het uitbreiden en versterken van de waterbuffercapaciteit. Voor beide uitspraken geldt dat deze een ruimteclaim leggen op zowel de open ruimte als de ondergrond. Gevolg hiervan kan een conflicterende ruimteclaim zijn. Bijvoorbeeld bij de uitspraak gericht op het uitbreiden en versterken van de waterbuffercapaciteit.

Deze tonen strijdigheid met uitspraken zoals het versterken van het 10-minuten-netwerk gericht op bewegen en ontmoeten, binnenstedelijk verdichten en functies mengen, ruimte voor elektriciteitsnetwerk en het uitbreiden en versterken van fiets- en voetgangersverbindingen en voorzieningen. Het uitbreiden en versterken van waterbuffercapaciteit vraagt om voldoende ruimte, iets waar ook de andere uitspraken om vragen. Bij binnenstedelijk verdichten en functies en mengen zijn ook meerdere risico’s op conflicten te zien, al zijn het aantal kansen op synergie groter. Nieuw beleid en bijdragen aan het halen van ambities In de omgevingsvisie zijn zes ambities opgenomen voor het omgevingsbeleid met bijbehorende deelambities. Voor de bepaling van het doelbereik zijn in het OER de zes ambities van de omgevingsvisie gekoppeld aan de beoordelingsaspecten van het OER die een relatie hebben met de betreffende ambitie. Vervolgens is op basis van de bij de beoordelingsaspecten behorende effecten beoordeeld in hoeverre het te verwachten is dat het nieuwe beleid bijdraagt aan het halen van ambities, ook weer in termen van kansen en risico’s. Ambities waar de omgevingsvisie meer kansen dan risico’s biedt om daaraan positief bij te dragen zijn: • Haarlem is klimaatadaptief; • Haarlem versterkt het sociaal weefsel in de stad; • Haarlem is een bereikbare stad met een robuust netwerk.

15-4-2021

OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045

BH3405TPRP2104141528

ix

Projectgerelateerd

Ambities waar de omgevingsvisie deels kansen biedt om daaraan positief bij te dragen zijn: • Haarlem is energieneutraal; • Haarlem is een aantrekkelijke woon- en werkstad voor iedereen; • Haarlem is een gezonde stad voor mens en dier. Wat betreft de ambitie ‘Haarlem is energieneutraal’ geldt dat voor beoordelingsaspect energieverbruik overwegend risico’s op negatieve effecten voorzien zijn. Dat kan afbreuk doen aan het behalen van deze ambitie. Ten aanzien van de ambitie ‘Haarlem is een aantrekkelijke woon- en werkstad voor iedereen’ zijn er overwegend kansen op positieve effecten voorzien voor het beoordelingsaspect werkgelegenheid en aanbod arbeidskrachten. Voor inclusiviteit, cultuurhistorie en erfgoed en kwaliteit en kwantiteit werklocaties geldt dat er nagenoeg een gelijk aantal kansen als risico’s voorzien zijn; het is daarmee de vraag of aan alle onderdelen deze ambitie per saldo positief bijgedragen wordt. In relatie tot de ambitie ‘Haarlem is een gezonde stad voor mens en dier’ kan de omgevingsvisie voor de meeste onderdelen van deze ambitie positief bijdragen. Voor stadsnatuur (ecologische hotspots) is er risico op afbreuk. Voor geluidhinder leidt de omgevingsvisie mogelijk niet tot vermindering van geluidhinder door wegverkeer.

Verdere verbetering van de leefomgeving Het OER laat zien bij welke leefomgevingsaspecten het nieuwe beleid risico’s oplevert op negatieve effecten, en waar er ondanks het nieuwe beleid nog sprake is van een tekortschietend kwaliteitsniveau. Bij die aspecten is dan ook geen sprake van (het bijdragen) aan het behalen van ambities. Het OER brengt mogelijkheden in beeld voor verdere verbetering van die leefomgevingsaspecten, in de vorm van beleidsopties of concrete mitigerende maatregelen. Met die mogelijkheden kan voorkomen worden dat negatieve effecten optreden. Daar zal in het vervolgbeleid aandacht voor moeten zijn. Wat er na dit OER gebeurt De omgevingsvisie vormt het afwegingskader voor verdere uitwerking in plannen en programma’s. In plannen en programma’s moet verder duidelijk worden hoe en op welke locaties het beleid uit de omgevingsvisie concreet uitgevoerd gaat worden. Door conclusies, aandachtspunten en aanbevelingen uit dit OER daarin mee te nemen en concreet een plek te geven, wordt geborgd dat het belang van de leefomgeving zo optimaal mogelijk meegenomen blijft worden. De Omgevingswet stelt monitoring en evaluatie van het beleid verplicht, om in beeld te krijgen of de uitwerking van het beleid daadwerkelijk bijdraagt aan het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving.

Periodiek wordt er middels een terugkoppeling nieuwe input geleverd voor de beleidsontwikkeling wat kan leiden tot voortzetting of bijsturing van het beleid. Door monitoring en evaluatie ontstaat een gesloten beleidscyclus. Het monitoringprogramma wordt gebaseerd op het ‘Rad van de leefomgeving’, als onderdeel van de ‘Foto van de leefomgeving’. De daarin opgenomen beoordelingsaspecten vormen het vertrekpunt. Nieuwe ontwikkelingen worden gespiegeld met de beoordelingsaspecten uit het rad van de leefomgeving om te achterhalen of doelen worden verwezenlijkt. Als ontwikkelingen in de kwaliteit van de leefomgeving aanleiding geven tot het hanteren van andere beoordelingscriteria dan wordt daarop ingespeeld.

15-4-2021

OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045

BH3405TPRP2104141528

x

Inhoud Samenvatting

ii

1

Waarom een omgevingsvisie en OER?

13

1.1

Omgevingsvisie gemeente Haarlem

13

1.2

Waarom een OER?

13

1.3

De m.e.r.-procedure

14

1.4

Leeswijzer

15

2

Waar gaat de omgevingsvisie over en hoe is het gemaakt?

17

2.1

De inhoud van de omgevingsvisie

17

2.2

Totstandkoming van de omgevingsvisie

19

3

Hoe is dit OER gemaakt?

20

3.1

Proces en aanpak

20

3.2

Beoordelingskader

21

4

Hoe staat de Haarlemse leefomgeving er voor?

23

4.1

Foto van de leefomgeving

23

4.2

Wijze van beschrijving referentiesituatie

23

4.3

Kwaliteiten van de Haarlemse leefomgeving, huidig en autonoom

25

5

Wat zijn de beleidsalternatieven en de effecten daarvan?

28

5.1

Totstandkoming alternatieven

28

5.2

Beschrijving alternatieven

28

5.3

Wijze van beoordeling

30

5.4

Effecten van alternatieven

31

6

Wat is het gekozen nieuwe beleid en wat zijn de effecten daarvan?

34

6.1

Totstandkoming voorgenomen nieuw beleid

34

6.2

Voorgenomen nieuw beleid

34

6.3

Wijze van beoordeling

37

6.4

Effecten van voorgenomen nieuw beleid

37

6.5

Doorkijk naar 2045

44

7

Wat zijn de effecten in Natura 2000-gebieden?

46

7.1

Passende beoordeling Natura 2000

46

7.2

Resultaten passende beoordeling

46

15-4-2021

OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045

BH3405TPRP2104141528

11

8

Is het nieuwe beleid consistent?

53

8.1

Wijze van beoordeling

53

8.2

Kansen voor synergie, risico’s op strijdigheden

53

9

Draagt het nieuwe beleid bij aan het halen van ambities?

55

9.1

Wijze van beoordeling

55

9.2

Behalen van ambities: kansen en risico’s

56

10

Hoe kan de leefomgeving verder verbeterd worden?

62

11

Wat gebeurt er verder na dit OER?

66

11.1

Beleidscyclus omgevingsbeleid

66

11.2

Omgevingsprogramma’s en omgevingsplan

66

11.3

Onzekerheden en monitoring

67

Begrippenlijst

69

Bijlagen

71

Bijlagen A1

Foto van de leefomgeving

A2

Ambities omgevingsvisie Haarlem

A3

Effectbeoordeling alternatieven

A4

Onderbouwing effectbeoordeling alternatieven

A5

Notitie beoordeling alternatieven

A6

Notitie beoordeling voorkeursalternatief

A7

Beleidsuitspraken opgenomen in OER

A8

Verantwoording beleidsuitspraken OER

A9

Effectbeoordeling voorkeursalternatief

A10

Onderbouwing effectbeoordeling voorkeursalternatief

A11

Grafiek effectbeoordeling voorkeursalternatief

A12

Botsproeven

A13

Onderbouwing botsproeven

A14

Beoordeling doelbereik

A15

Passende beoordeling Natura 2000

15-4-2021

OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045

BH3405TPRP2104141528

12

1

Waarom een omgevingsvisie en OER?

1.1

Omgevingsvisie gemeente Haarlem

De gemeente Haarlem werkt aan de vernieuwing van haar omgevingsbeleid. Het deel van het omgevingsbeleid dat beschrijft hoe de fysieke leefomgeving in Haarlem zich op de langere termijn ontwikkelt en wat de gemeente daar op hoofdlijnen aan wil doen, is de omgevingsvisie. Deze omgevingsvisie beschrijft hoe de fysieke leefomgeving in Haarlem zich zal ontwikkelen op de lange termijn en wat de gemeente daarin wil doen. Met de omgevingsvisie bereidt de gemeente Haarlem zich voor op de invoering van de Omgevingswet (verwacht in 2022). In de Omgevingswet is de omgevingsvisie hét instrument om samenhang in het beleid voor de fysieke leefomgeving aan te brengen. De omgevingsvisie is een strategische beleidsvisie waarin opgaven en ambities voor de leefomgeving zijn opgenomen voor de lange termijn (2045) en richtinggevende keuzes op hoofdlijnen waarmee de gemeente invulling wil geven aan het behalen van de ambities. Verdere uitwerking van die keuzes vindt na vaststelling van de omgevingsvisie plaats in instrumenten zoals bijvoorbeeld het omgevingsplan en programma’s.

1.2

Waarom een OER?

Het OER levert de informatie die nodig is voor een zorgvuldig besluit over de omgevingsvisie, waarbij alle relevante belangen (waaronder die van de leefomgeving) zijn meegewogen. Daarnaast beschrijft en verantwoordt het OER de resultaten van dit proces. Wat is m.e.r., wat is MER en wat is OER? M.e.r. staat voor ‘milieueffectrapportage’ en is de procedure waarbinnen een MER wordt opgesteld. MER staat voor ‘Milieueffectrapport’ en bevat de resultaten van het onderzoek naar de (milieu)effecten binnen een m.e.r. De toevoeging ‘plan’ (planMER) wil zeggen dat het om een MER voor een plan gaat, zoals een omgevingsvisie. Haarlem heeft ervoor gekozen om niet alleen milieueffecten maar ook andere omgevingseffecten in beeld te brengen. Daarom praten we niet over een planMER maar over een Omgevingseffectrapport (OER). Voor de juridische juistheid wordt nog wel gesproken van een m.e.r.-procedure. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de omgevingsvisie een structuurvisie als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro artikel 2.2). De Wet milieubeheer (artikel 7.2, lid 2 Wm) schrijft voor dat voor een structuurvisie een milieueffectrapportage (m.e.r.) uitgevoerd moet worden als het kaderstellend is voor toekomstige m.e.r.-plichtige of m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten.

De verplichting geldt ook als een structuurvisie onderdelen bevat waarvoor op grond van de Wet natuurbescherming met een Passende beoordeling uitgesloten moet worden dat er verstorende effecten in Natura 2000-gebieden optreden (artikel 7.2a, lid 1 Wm). Voorbeelden van m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten zijn: • De aanleg van autosnelwegen; • De aanleg, wijziging of uitbreiding van wegen, spoorwegen of binnenvaarwegen van een bepaalde lengte; • De realisatie van meer dan 2.000 woningen; • De oprichting, wijziging of uitbreiding van een windturbinepark, thermische centrales of verbrandingsinstallaties; • De onttrekking van grondwater aan de bodem.

15-4-2021

OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045

BH3405TPRP2104141528

13

Als een m.e.r.(beoordeling) bij een structuurvisie of omgevingsvisie verplicht is, dan moet de uitgebreide m.e.r-procedure doorlopen worden. Er wordt dan een milieueffectrapport (MER) opgesteld, dat met de (ontwerp) omgevingsvisie ter inzage gaat en waar de Commissie voor de m.e.r. een advies over moet geven. Bij de uitwerking van de omgevingsvisie heeft de gemeente ingezet op een proces met interactie tussen het uitwerken van de omgevingsvisie en het opstellen van het OER. De omgevingsvisie beschrijft het beleid, wat de ambities zijn en wat de gemeente op hoofdlijnen gaat doen. Het OER beschrijft de kwaliteiten van de leefomgeving, de gevolgen van het beleid op de leefomgeving en of het beleid bijdraagt aan het halen van de gestelde ambities. De interactie tussen beide bestond uit regelmatige wederzijdse terugkoppeling tussen de beleidsontwikkeling aan de ene kant (omgevingsvisie) en de gevolgen ervan voor de leefomgeving aan de andere kant (m.e.r.). Op deze manier is de m.e.r. gebruikt om beleid aan te scherpen en om beleidskeuzes te maken en aan te scherpen. De gemeente wil het OER ook gebruiken als basis voor het monitoren en bijsturen van het beleid tijdens de uitvoering. Daarbij is het begrip ‘milieu’ breder op te vatten dan meestal gebruikelijk is in milieueffectrapportages.

Dit omdat het beleid in de omgevingsvisie de menselijke leefomgeving als geheel omvat, dus zowel fysiek, economisch als sociaal. Dit alles vraagt om een vernieuwende m.e.r.-aanpak met een breed georiënteerd proces dat de afzonderlijke beleidsterreinen overstijgt.

1.3

De m.e.r.-procedure

In het OER zijn op basis van de m.e.r.-procedure de gevolgen van de omgevingsvisie op de leefomgeving in beeld gebracht. Die informatie moet gebruikt worden bij de besluitvorming over de omgevingsvisie. De m.e.r.-procedure is gebaseerd op Europese regelgeving. Het doel van m.e.r. is het bieden van voldoende informatie op basis waarvan de gemeente Haarlem het milieu-/leefomgevingsbelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming over de omgevingsvisie kan betrekken. De m.e.r.-procedure voor de omgevingsvisie is verlopen in lijn met de wettelijke vereisten, deze is als volgt: 1) Openbare kennisgeving van het voornemen door bevoegd gezag. De m.e.r.-procedure is gestart met een bekendmaking van het voornemen via een openbare kennisgeving (24 april 2020) en publicatie van de notitie reikwijdte en detailniveau. De NRD heeft ter visie gelegen van 27 april tot 8 juni 2020. 2) Raadplegen betrokken instanties over reikwijdte en detailniveau van het OER en vaststellen reikwijdte en detailniveau. De volgende instanties zijn actief geraadpleegd: Buurgemeenten Zuid-Kennemerland (Heemstede & Bloemendaal), gemeente Velsen, gemeente Haarlemmermeer, Provincie Noord-Holland, omgevingsdienst IJmond, Hoogheemraadschap Rijnland, GGD/Veiligheidsregio ZuidKennemerland. Eenieder heeft de mogelijkheid gehad schriftelijk te reageren op de ter inzage gelegde NRD.

Op de NRD zijn geen zienswijzen binnengekomen vanuit de stad en de betrokken instanties. 3) Opstellen OER en passende beoordeling. Vervolgens is het OER en de passende beoordeling opgesteld. Het OER beschrijft de kwaliteiten van de leefomgeving nu en bij autonome ontwikkeling, de effecten daarop van het nieuwe beleid in de ontwerp omgevingsvisie en in welke mate het nieuwe beleid bijdraagt aan het behalen van de ambities van de omgevingsvisie. Omdat daarnaast significante negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden in de omgeving van Haarlem (Kennemerland-Zuid, Noord-Hollands Duinreservaat, Polder Westzaan) op voorhand niet konden

15-4-2021

OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045

BH3405TPRP2104141528

14

worden uitgesloten is een passende beoordeling uitgevoerd voor het voorkeursalternatief (zie hoofdstuk 7 van dit OER). 4) Ter inzage leggen OER en ontwerp omgevingsvisie. Het OER (inclusief passende beoordeling) wordt samen met de ontwerp omgevingsvisie zes weken ter inzage gelegd. Eenieder heeft in deze zes weken de gelegenheid zienswijzen in te dienen. De Commissie voor de m.e.r. toetst in deze periode de kwaliteit van het OER en beoordeelt of de juiste (milieu)informatie aanwezig is om een besluit over de omgevingsvisie te kunnen nemen. 5) Besluit en vervolg [naar verwachting 2e kwartaal 2021] De omgevingsvisie en het OER worden vastgesteld door het bevoegd gezag, de gemeenteraad van de gemeente Haarlem.

1.4

Leeswijzer

Het voor u liggende OER is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 wordt een inleiding gegeven over de inhoud van de omgevingsvisie. Hoofdstuk 3 introduceert de totstandkoming van het OER. In hoofdstuk 4 gaat in op de huidige staat van de leefomgeving met een blik naar de toekomst op basis van de opgestelde ‘foto van de leefomgeving’. Hoofdstuk 5 bespreekt de beleidsalternatieven. Op basis hiervan wordt een voorkeursalternatief bepaald waar hoofdstuk 6 verder op in gaat. Hoofdstuk 7 bevat de passende beoordeling voor Natura 2000-gebieden. In hoofdstuk 8 wordt met botsproeven onderzocht of het nieuwe beleid consistent is. Vervolgens wordt in hoofdstuk 9 onderzocht in hoeverre de doelstellingen behaald worden met het beleid uit het voorkeursalternatief. In hoofdstuk 10 worden mitigerende maatregelen gepresenteerd die kunnen bijdragen aan het reduceren van negatieve effecten. Tenslotte gaat hoofdstuk 11 in op het vervolg na het OER.

15-4-2021

OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045

BH3405TPRP2104141528

15

Haarlem: een eerste kennismaking in enkele kenmerken De gemeente Haarlem is de hoofdstad van de provincie Noord-Holland, heeft meer dan 160.000 inwoners en is na Amsterdam de grootste stad van Noord-Holland. Haarlem ligt in de noordvleugel van de Randstad, met ten oosten Amsterdam en Schiphol en ten noorden de havens van IJmuiden. De oppervlakte van de gemeente Haarlem is 32 km2 en kent, met 5.572 inwoners per km2, na Den Haag en Leiden de hoogste bevolkingsdichtheid van Nederland. Haarlem grenst aan vijf gemeenten en bestaat uit vijf stadsdelen: Centrum, Zuid-West, Oost, Noord en Schalkwijk. Deze stadsdelen zijn onderverdeeld in 21 wijken. Wat betreft verkeer en vervoer liggen er rond Haarlem meerdere rijks- en provinciale wegen waaronder de A9, A200 en A208. Vanaf station Haarlem zijn er intercity verbindingen in vier richtingen (Amsterdam, Alkmaar, Leiden en Zandvoort aan Zee). Naast station Haarlem is er een sprinterstation station HaarlemSpaarnwoude. Haarlem ligt op een oude afgegraven strandwal ten westen van de rivier het Spaarne. De oude binnenstad is aangemerkt als beschermd stadsgezicht, dat zich kenmerkt door vele monumenten, hofjes uit de 12e tot 19e eeuw en molens. Het Haarlemmerhout is het oudste stadsbos van Nederland en ligt aan de rand van Haarlem. Met name tijdens de Gouden Eeuw was het Haarlemmerhout een trekpleister was voor rijke mensen.

De Stelling van Amsterdam is UNESCO werelderfgoed en ligt ten oosten van Haarlem.

15-4-2021

OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045

BH3405TPRP2104141528

16

2

Waar gaat de omgevingsvisie over en hoe is het gemaakt?

2.1

De inhoud van de omgevingsvisie

De omgevingsvisie beschrijft hoe de leefomgeving in Haarlem zich zal ontwikkelen richting 2045 en wat de gemeente daarin wil doen. De omgevingsvisie bundelt sectoraal beleid tot één richtinggevende visie voor de hele fysieke leefomgeving. De visie is gericht op onderwerpen die de fysieke leefomgeving raken. Bijvoorbeeld op het gebied van gezondheid, mobiliteit, economie, ruimte en duurzaamheid. De omgevingsvisie is een ‘parapludocument’ waaronder het sectorale beleid een plek krijgt, met als inzet een goede afstemming van het sectorale beleid in de toekomst. De omgevingsvisie vervangt niet al het sectorale beleid. De omgevingsvisie bouwt voort op belangrijke eerdere beleidsdocumenten, zoals de toekomstvisie en de Structuurvisie Openbare Ruimte. De concept Regionale Energie Strategie is meegenomen in de omgevingsvisie. Economisch beleid, mobiliteitsbeleid en de transitievisie warmte zijn in dezelfde tijd als de omgevingsvisie opgesteld, op elkaar afgestemd en in de omgevingsvisie meegenomen. De omgevingsvisie vormt daarmee het overkoepelende kader voor het omgevingsbeleid. Haarlem als deel van een groter geheel Haarlem is onderdeel van de Metropoolregio Amsterdam (MRA), hoofdstad van Noord-Holland en de centrumstad van Zuid Kennemerland. De gemeenten in de MRA en Zuid-Kennemerland zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

De omgevingsvisie verhoudt zich van daaruit niet alleen tot het Haarlemse sectorale beleid, maar ook tot andere overheden. Ook de provincie en Rijksoverheid maken een omgevingsvisie. Deze omgevingsvisies zijn niet kaderstellend voor de Haarlemse visie. Er is geen hiërarchie. Wel zien we de Haarlemse omgevingsvisie als een document dat helpt om de Haarlemse opgaven uit te dragen, onder meer richting de provincie en de Rijksoverheid, maar ook bijvoorbeeld richting de Metropoolregio Amsterdam. De omgevingsvisie is daarmee naast een inhoudelijke visie ook een strategisch document. Verder kan een integrale visie op de fysieke leefomgeving in Haarlem niet los worden gezien van de ontwikkelingen in de regio om ons heen. Voorafgaand aan de omgevingsvisie is gewerkt aan een Zuid-Kennemer Agenda. Deze omgevingsagenda agendeert de gemeenschappelijke opgaven voor de regio. Er zijn vijf opgaven geformuleerd waar gezamenlijk aan gewerkt wordt: het versterken van het landschap, het beter benutten van ons economisch kapitaal, het creëren van een plek voor iedereen, inspelen op het veranderende klimaat en het verbinden van onze opgaven met betere bereikbaarheid. Door gebruik te maken van dit regionale kader borgen we dat de Haarlemse omgevingsvisie past binnen de ambities die er binnen de regio Zuid-Kennemerland bestaan.

Daarnaast wordt binnen de MRA gewerkt aan een verstedelijkingsstrategie waarin regionale opgaven op het gebied van wonen, werken, mobiliteit, klimaat, energie, landschap en sociaalmaatschappelijk gezamenlijk opgepakt worden. Belangrijke uitgangspunten daarbij zijn onder andere dat ingezet wordt op een polycentrische metropoolregio waarin wonen en werken zich niet op één plek concentreren en dat gezamenlijk gebouwd wordt aan een duurzame, sociaal-maatschappelijk en economisch sterke metropoolregio. Bouwstenen van de omgevingsvisie Belangrijke bouwstenen van de omgevingsvisie zijn: • Identiteit en trends en ontwikkelingen. • Opgaven en ambities. • Visie: richtinggevende hoofdlijnen voor nieuw beleid.

15-4-2021

OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045

BH3405TPRP2104141528

17

Identiteit en trends en ontwikkelingen In de omgevingsvisie is als vertrekpunt de identiteit van Haarlem beschreven: een stad met oog voor goed leven. Onder goed leven wordt verstaan ‘oog voor elkaar’, ‘oog voor kwaliteit’ en ‘oog voor ontspanning’. Vervolgens beschrijft het welke trends en ontwikkelingen op Haarlem afkomen. Daarbij worden benoemd: • Globalisering: toenemende druk op de woningmarkt en lokale voorzieningen, concentratie van werkgelegenheid, toenemend toerisme; • Duurzaamheid: klimaatadaptatie steeds urgenter, energietransitie, mobiliteitstransitie om leefbaar en bereikbaar te blijven, afnemende biodiversiteit, circulariteit. • Bevolking: vergrijzing, individualisering, gezondheid. • Technologische ontwikkelingen: toenemende impact van software op samenleving, ‘low-tech’innovaties. • Veranderende rol van de gemeente. Opgaven en ambities Op basis van de identiteit en trends en ontwikkeling is de gemeente tot de onderstaande ambities en daaraan gerelateerde opgaven voor de omgevingsvisie gekomen. De in het OER beschreven huidige situatie en autonome ontwikkeling zijn door de gemeente gebruikt om de ambities aan te scherpen. De beoordelingsaspecten in het OER sluiten aan op de leefomgevingsaspecten in de ambities, zodat beoordeeld kon worden in hoeverre het nieuwe beleid bijdraagt aan het behalen van deze ambities (‘doelbereik’). 1. Haarlem is klimaatadaptief; 2.

Haarlem is energieneutraal; 3. Haarlem verstrekt het sociaal weefsel in de stad; 4. Haarlem is een aantrekkelijke woon- en werkstad voor iedereen; 5. Haarlem is een gezonde stad voor mens en dier; 6. Haarlem is een bereikbare stad met een robuust netwerk. Visie: richtinggevende hoofdlijnen voor nieuw beleid Op basis van de identiteit, trends en ontwikkelingen en opgaven en ambities is de gemeente tot richtinggevende hoofdlijnen voor nieuw beleid gekomen. Daarbij heeft binnen het m.e.r.-proces een alternatievenbeoordeling plaatsgevonden. Vanuit de positie van Haarlem als onderdeel van de Metropoolregio Amsterdam zijn door de gemeente twee dominante, uiterste invalshoeken alternatieven ingevuld: • ‘Haarlem aan het Spoor’ als metafoor voor vergaande integratie met de metropoolregio, en • ‘Haarlem aan het Spaarne’ als metafoor voor inzet op eigen positie van Haarlem en zelf voorzien in voldoende aanbod van en balans in wonen, werken en voorzieningen. In het OER zijn de effecten van de alternatieven in beeld gebracht. Op basis daarvan is de gemeente gekomen tot een voorkeursalternatief voor in de omgevingsvisie op te nemen nieuw beleid. Daarbij zijn elementen uit de twee alternatieven samengevoegd tot één omvattend geheel van strategische, richtinggevende hoofdlijnen voor nieuw omgevingsbeleid.

Dat is in het OER beoordeeld op effecten, mate waarin het bijdraagt aan het behalen van ambities en synergie en strijdigheid (‘botsproeven’). Het strategische beleid op hoofdlijnen wordt na vaststelling van de omgevingsvisie doorvertaald en verder uitgewerkt in instrumenten zoals bijvoorbeeld het omgevingsplan en uitvoeringsprogramma’s.

15-4-2021

OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045

BH3405TPRP2104141528

18

2.2

Totstandkoming van de omgevingsvisie

In onderstaande tabel is per onderdeel van de omgevingsvisie aangegeven wie er op welke manier bij betrokken zijn geweest en welke informatie over de leefomgeving er is gebruikt. Tabel 2-1: Omgevingsvisie, inhoud en totstandkoming. Onderdelen

Betrokkenen/participatie

Identiteit, trends en • ontwikkelingen • • • • • • • •

Opgaven en ambities

•

• • • • • • • •

Strategische, richtinggevende hoofdlijnen voor nieuw beleid

•

• • • • • • • •

15-4-2021

Gebruikte informatie milieu/leefomgeving

Expertgroep bestaande uit inwoners uit Haarlem Foto van de Leefomgeving (OER). met professie in aanverwante werkvelden (digitale participatiesessie) Inwoners Haarlem (digitale participatiesessie, website gemeente) Wijkraden - digitale participatiesessie Buurgemeenten (gemeentelijk overleg) Institutionele partners (digitale participatiesessie) Experts uit verschillende vakgebieden (‘1 op 1’ gesprekken) College (presentatie, bestuurlijke stuurgroepen) Raad (d.m.v. Raadsgroep) Ambtelijke organisatie (van 1 op 1 gesprekken tot werksessies) Expertgroep bestaande uit inwoners uit Haarlem Foto van de Leefomgeving (OER). met professie in aanverwante werkvelden (digitale participatiesessie) Inwoners Haarlem - (digitale participatiesessie, website gemeente) Wijkraden (digitale participatiesessie) Buurgemeenten (gemeentelijk overleg) Institutionele partners (digitale participatiesessie) Experts uit verschillende vakgebieden (‘1 op 1’ gesprekken) College (presentatie, bestuurlijke stuurgroepen) Raad (d.m.v. Raadsgroep) Ambtelijke organisatie (van 1 op 1 gesprekken tot werksessies)

Expertgroep bestaande uit inwoners uit Haarlem OER: alternatievenbeoordeling, effectbeoordeling met professie in aanverwante werkvelden voorkeursalternatief, botsproeven, doelbereik. (digitale participatiesessie) Inwoners Haarlem (digitale participatiesessie, website gemeente) Wijkraden (digitale participatiesessie) Buurgemeenten (gemeentelijk overleg) Institutionele partners (digitale participatiesessie) Experts uit verschillende vakgebieden (‘1 op 1’ gesprekken) College (presentatie, bestuurlijke stuurgroepen) Raad (d.m.v. Raadsgroep) Ambtelijke organisatie (van 1 op 1 gesprekken tot werksessies

OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045

BH3405TPRP2104141528

19

3

Hoe is dit OER gemaakt?

3.1

Proces en aanpak

Figuur 1 geeft de procesaanpak van dit omgevingseffectrapport (OER) schematisch weer. In deze paragraaf worden de stappen op hoofdlijnen beschreven. In de overige hoofdstukken van dit OER worden deze stappen uitgebreider beschreven. NRD De m.e.r.-procedure is gestart met de notitie reikwijdte en detailniveau (NRD). Het beschrijft wat er in het OER onderzocht wordt (‘reikwijdte’) en op welke manier en met welke diepgang (‘detailniveau’). De NRD is op 24 maart 2020 (door het college van B&W vastgesteld) Beoordelingskader In het beoordelingskader zijn leefomgevingsaspecten opgenomen die in dit OER beoordeeld zijn. Het vormt daarmee het kader voor de beschrijving van de huidige situatie en de autonome ontwikkelingen en de effecten van de omgevingsvisie. Huidige situatie en autonome ontwikkeling In de Foto van de leefomgeving zijn de huidige situatie en autonome ontwikkeling tot 2030 (trends, ontwikkelingen en vigerend beleid) beschreven voor de beoordelingsaspecten zoals opgenomen in het beoordelingskader. Het is opgesteld op basis van de best beschikbare actuele informatie, data en toekomstprognoses. Aanvullend is een doorkijk gemaakt naar 2045. Effectbeoordeling alternatieven In het OER zijn twee alternatieven voor nieuw beleid onderzocht. Deze twee alternatieven volgen uit het document ‘Spoor & Spaarne: twee perspectieven voor Haarlem’.

Beide alternatieven zijn ingevuld vanuit een bepaalde dominante invalshoek, waarbij beide alternatieven een bepaalde nadruk kennen qua beleidsinvulling. Aan de hand van het beoordelingskader zijn de effecten van de alternatieven in beeld gebracht. Effectbeoordeling voorkeursalternatief Op basis van alternatievenbeoordeling is de gemeente gekomen tot een concept-omgevingsvisie met daarin een voorkeursalternatief voor in de omgevingsvisie op te nemen nieuw beleid. Daarbij zijn elementen uit de twee alternatieven samengevoegd tot één omvattend geheel van strategische, richtinggevende hoofdlijnen

15-4-2021

OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045

Figuur 3-1: Procesaanpak OER

BH3405TPRP2104141528

20

voor nieuw omgevingsbeleid. Aan de hand van het beoordelingskader zijn de effecten van het nieuwe beleid in beeld gebracht. Passende Beoordeling Natura 2000 Omdat op voorhand niet uitgesloten kon worden dat het nieuwe beleid tot significante negatieve effecten in Natura 2000-gebieden leidt, is een passende beoordeling opgesteld. Daarin is beoordeeld of het nieuwe beleid tot significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden kan leiden en zo ja, op welke manier die effecten voorkomen kunnen worden (‘mitigerende maatregelen’). Beoordeling consistentie in beleid Met zogenaamde ‘botsproeven’ is beoordeeld in hoeverre het nieuwe beleid consistent is, verschillende beleidsonderdelen elkaar versterken en kunnen conflicteren. Beoordeling doelbereik Op basis van de beoordelingsaspecten van het OER die samenhangen met de ambities van de omgevingsvisie, is beoordeel in hoeverre het nieuwe beleid bijdraagt aan het behalen van die ambities. Mitigerende maatregelen Voor leefomgevingsaspecten waar het nieuwe beleid risico’s oplevert op negatieve effecten, en waar er ondanks het nieuwe beleid nog sprake is van een tekortschietend kwaliteitsniveau mogelijkheden voor verdere verbetering gegeven. Dat is gedaan in de vorm van beleidsopties of concrete mitigerende maatregelen.

Effectbeoordeling in lijn met karakter omgevingsvisie De omgevingsvisie bevat strategisch beleid op hoofdlijnen, verdere uitwerking van beleid vindt plaats in bijvoorbeeld programma’s of het omgevingsplan. Omdat het om hoofdlijnen van beleid gaat, is in het OER aansluitend daarop ook op hoofdlijnen beoordeeld wat de effecten zijn - in termen van kansen en risico’s. Dat is gedaan op basis van deskundigenoordeel, ook wel ‘expert-judgement’ genoemd. Modelberekeningen kunnen vanwege het karakter van het strategische beleid op hoofdlijnen niet gedaan worden en zijn ook niet zinvol. Bij verdere uitwerking van het beleid kan sprake zijn van m.e.r.(beoordelings)plicht, waarvoor voor het betreffende onderdeel dan een MER opgesteld moet worden. Dit OER kan dan als basis gebruikt worden, waarbij verdere detaillering noodzakelijk kan zijn. Bijvoorbeeld in de vorm van modelberekeningen.

3.2

Beoordelingskader

De kwaliteiten van de leefomgeving en de effecten van de omgevingsvisie zijn in beeld gebracht aan de hand van het beoordelingskader (zie onderstaande tabel). Het beoordelingskader volgt de brede en integrale benadering uit de Omgevingswet. Dit betekent dat naast de thema’s binnen de fysieke leefomgeving het beoordelingskader ook sociale en economische thema’s bevat. Met een dergelijk breed beoordelingskader kan het OER daadwerkelijk bijdragen aan een goede en brede weging van alle relevante belangen in de omgevingsvisie van de gemeente Haarlem. Het beoordelingskader is het resultaat van een analyse van opgaven in de fysieke leefomgeving en de ambities voor de omgevingsvisie. Bij het opstellen van te beschouwen beoordelingsaspecten is ook in ogenschouw genomen welke gegevens er beschikbaar waren. Het beoordelingskader is gaandeweg binnen de procesaanpak van het OER verder aangescherpt ten opzichte van de NRD, waarbij sommige beoordelingsaspecten zijn opgesplitst of samengenomen.

15-4-2021

OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045

BH3405TPRP2104141528

21

Tabel 3-1: Beoordelingskader OER. Laag

People

Planet

Profit

Thema

Beoordelingsaspecten

Gezondheid

Luchtkwaliteit, geluidhinder, gezonde leefstijl en leefomgeving, mogelijkheden tot ontspannen en groenbeleving

Veiligheid

Externe veiligheid, verkeersveiligheid

Sociale samenhang

Sociale cohesie in buurten, inclusiviteit

Wonen en voorzieningen

Woningaanbod en behoefte, voorzieningenaanbod en behoefte

Bodem en water

Bodemkwaliteit, grondwater, oppervlaktewater

Natuur en biodiversiteit

Stadsnatuur, beschermde soorten, beschermde natuurgebieden

Bodem en water

Bodemkwaliteit, bodemdaling, grond- en oppervlaktewater

Cultuurhistorie, erfgoed en archeologie

Cultuurhistorie en erfgoed, archeologie

Energie en grondstoffen

Energieverbruik, duurzame opwekking, circulariteit

Klimaat

Hitte, droogte, wateroverlast, broeikasgassen

Werkgelegenheid

Kwaliteit en kwantiteit werklocaties, werkgelegenheid en aanbod arbeidskrachten

Kennis en innovatie

Opleidingsniveau

Bereikbaarheid

Autobereikbaarheid, wandel- en fietsnetwerk, openbaar vervoer, duurzame en slimme mobiliteit.

Effecten van nieuw beleid en verdere doorwerking daarvan De mate waarin positieve dan wel negatieve effecten van het nieuwe beleid in de omgevingsvisie zich in de praktijk voor zullen doen is afhankelijk van de manier waarop het beleid na vaststelling van de omgevingsvisie verder wordt uitgewerkt in bijvoorbeeld omgevingsplan of uitvoeringsprogramma’s. De in dit OER beschreven kansen en risico’s op positieve en negatieve effecten zijn gebaseerd op kwalitatieve expert-inschattingen, voor zover die nu op basis van de omschrijving van het strategische beleid op hoofdlijnen in de omgevingsvisie gegeven kunnen worden.

15-4-2021

OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045

BH3405TPRP2104141528

22

4

Hoe staat de Haarlemse leefomgeving er voor?

4.1

Foto van de leefomgeving

De ‘Foto van de leefomgeving’ beschrijft de staat van de leefomgeving in de gemeente Haarlem. Hierbij wordt de huidige situatie en de autonome ontwikkeling tot 2030 gemeentebreed beschreven. De huidige situatie en de autonome ontwikkeling vormen samen de referentiesituatie voor dit OER. De beschrijving van de huidige situatie en de autonome ontwikkeling is in samengevatte vorm weergeven in het ‘Rad van de leefomgeving’, in de vorm van kwaliteitsniveaus hoe de leefomgeving er voor staat (zie figuur 4-1). In dit hoofdstuk wordt eerst op hoofdlijnen beschreven hoe de beschrijving van de referentiesituatie heeft plaatsgevonden, gevolgd door de resultaten daarvan. De volledige Foto van de leefomgeving en onderbouwing daarbij is opgenomen in bijlage A1.

4.2

Wijze van beschrijving referentiesituatie

De huidige situatie en autonome ontwikkeling zijn beschreven aan de hand van het toekennen van kwaliteitsniveaus. Daarmee is een overzichtelijk beeld ontstaan van waar de leefomgeving gemeentebreed op orde is, waar er problemen en knelpunten optreden en wat de autonome trends daarin zijn. Voor de toekenning van een kwaliteitsniveau aan de beoordelingsaspecten is per beoordelingsaspect een schaallat gedefinieerd. Op basis van deze schaallat is een kwaliteitsniveau toegekend aan de huidige situatie en de autonome ontwikkeling. In zijn algemeenheid geldt: bij kwaliteitsniveau groen is overwegend sprake van een goede kwaliteit, dat wil zeggen: er is geen sprake van overschrijding van wettelijke of beleidsnormen, knelpunten of anderszins. Bij rood is sprake van overwegend slechte kwaliteit, dat wil zeggen: er is sprake van overschrijding van normen of knelpunten. Bij oranje is er sprake van een wisselend beeld ten aanzien van de aanwezigheid van problemen en/of het risico op problemen, de kwaliteit zit dan tussen groen en rood in. Rad van de leefomgeving De resultaten van de beoordeling van de huidige situatie en autonome ontwikkeling worden weergeven in het zogenaamde ‘Rad van de leefomgeving’. Het rad visualiseert hoe de kwaliteit van de leefomgeving er in de gemeente Haarlem voor staat voor alle thema’s en beoordelingsaspecten.

In de beoordeling van de beoordelingsaspecten zijn de volgende kwaliteitsniveaus gehanteerd: Gemeentebreed overwegend geen sprake van knelpunten of problemen (‘goed’) Gemeentebreed overwegend wisselend sprake van wel en geen knelpunten/problemen of risico (‘oranje’) Gemeentebreed overwegend sprake van knelpunten/problemen (‘slecht’) In het rad wordt de huidige situatie weergeven door de witte aaneengesloten lijn, de autonome ontwikkeling wordt weergeven door de donkerblauwe stippellijn.

15-4-2021

OER OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045

BH3405TPRP2104141528

23

Voor het zo objectief, navolgbaar en reproduceerbaar mogelijk toekennen van kwaliteitsniveaus zijn de volgende factoren bepalend: 1. Beschikbare informatie en status daarvan Hierbij is onderscheid in: 1) Kwantitatieve informatie: dit betreft cijfermatige informatie, bijvoorbeeld data uit rekenmodellen of meetgegevens. 2) Kwalitatieve informatie: dit betreft niet-cijfermatige informatie, bijvoorbeeld kaartmaterieel met landschapstypen. 3) Expert-judgement: in dit geval is er geen kwantitatieve of kwalitatieve informatie beschikbaar en wordt teruggevallen op het oordeel van een expert. In zijn algemeenheid geldt dat kwantitatieve informatie het meest objectief, navolgbaar en reproduceerbaar is, en expert-judgement het minst. Kwalitatieve informatie zit er tussenin. Er is daarom gestreefd om de beoordeling zoveel mogelijk op basis van objectieve, kwantitatieve informatie te baseren. Bij beoordelingsaspecten waar dat niet beschikbaar is, is teruggevallen op kwalitatieve informatie. Daar waar ook geen kwalitatieve informatie beschikbaar is, is teruggevallen op expert-judgement. In de Foto van de leefomgeving (zie bijlage A1) is per beoordelingsaspect aangegeven welk type informatie is gebruikt. 2. Beschikbare referentiewaarde voor het definiëren van groen, oranje, rood Onder referentiewaarde wordt hier verstaan een waarde waaraan een kwaliteitsniveau wordt gerelateerd.

Hierbij is onderscheid gemaakt in: 1) Wettelijke normen; 2) Vastgestelde beleidsnormen of -doelstellingen; 3) Advieswaarden van instituten (bijvoorbeeld GGD, RIVM, WHO); 4) Vraag versus aanbod (vanuit maatschappij, markt); 5) Benchmark ten opzichte van landelijk gemiddelde, tijdreeksen (ontwikkelingen van de indicator over de afgelopen tijd) en geografische vergelijkingen (cijfers en trends van vergelijkbare gemeenten of de provincie Noord-Holland); 6) Expert-judgement. Bovenstaande opsomming moet als rangorde gezien worden qua objectiviteit, navolgbaarheid en reproduceerbaarheid. Per beoordelingsaspect is het afgelopen als een ladder. Daar waar er wettelijke normen beschikbaar zijn, zijn die gehanteerd. Bij afwezigheid van wettelijke normen is teruggevallen op vastgestelde beleidsnormen en zo verder. Daar waar geen enkele andere referentie beschikbaar is om een kwaliteitsniveau aan te relateren, is teruggevallen op expert-judgement. In de Foto van de leefomgeving (bijlage A1) is per beoordelingsaspect aangegeven wat voor referentiewaarde is gebruikt voor het toekennen van het kwaliteitsniveau.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12269725/2