20201165296 2. Bijlage 1 Statuten Haarlems Mediafonds
Tekst van het document
STATUTEN VAN DE STICHTING: Stichting Haarlems Stimuleringsfonds Lokale Journalistiek, gevestigd in de gemeente Haarlem STATUTEN Artikel 1 - Naam en vestigingsplaats 1. De stichting draagt de naam: Stichting Haarlems Stimuleringsfonds Lokale Journalistiek. In de communicatie wordt gebruikt de naam: Haarlems Mediafonds. 2. De stichting is gevestigd in de gemeente Haarlem. Artikel 2 - Doel 1. De stichting heeft ten doel het bevorderen van de kwaliteitsjournalistiek, teneinde inwoners, instellingen en bedrijven in de Haarlemse regio beter te informeren over wat er speelt in de stad Haarlem en directe omgeving, en het verrichten van al hetgeen met het vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn. Tot het doel behoort niet het doen van uitkeringen aan de oprichter of aan hen die deel uitmaken van organen van de stichting. 2. Onder kwaliteitsjournalistiek wordt in deze statuten verstaan het vervaardigen van kritische, betrouwbare en onafhankelijke journalistieke producten met voldoende diepgang, op basis van zorgvuldig onderzoek. 3. De stichting beoogt het algemeen nut. 4. De stichting heeft geen winstoogmerk kan slechts commerciële activiteiten verrichten indien en voor zover de inkomsten daaruit (zijnde het saldo van de baten en de lasten) binnen een redelijke termijn geheel of nagenoeg geheel ten goede komen aan de hiervoor omschreven doelstelling.
Artikel 3 - Stimuleringsfonds 1. Ter realisering van de doelstelling beheert de stichting een fonds, waaruit financiële bijdragen aan initiatieven ter bevordering van voornoemde journalistieke producten kunnen worden gedaan. 2. Bij de oprichting van de stichting ontvangt zij eenmalig een bijdrage van de gemeente Haarlem. 3. Uitgangspunt bij de toekenning van een bijdrage uit het fonds is dat er per jaar meerdere aanvragen van (verschillende) aanvragers kunnen worden gehonoreerd. 4. Bij de toekenning van een bijdrage uit het fonds hanteert de stichting als randvoorwaarden: a. voldoende journalistieke kwaliteit en diepgang van de voorgenomen journalistieke producten; b. een relatie van het onderwerp van de voorgenomen journalistieke producten met Haarlem of de Haarlemse regio; c. maatschappelijke relevantie van de voorgenomen journalistieke producten; d. betrokkenheid van de bestaande lokale media bij de voorgenomen journalistieke producten, voor wat betreft aanvraag en publicatie, waarbij de (crossmediale) samenwerking met meerdere mediaorganisaties de voorkeur geniet. 5. Bij de toekenning van een bijdrage uit het fonds geldt als aanbeveling de mate waarin de voorgenomen journalistieke producten nieuw talent, inhoudelijke vernieuwing, toevoeging op bestaande journalistieke publicaties en/of samenwerking stimuleren. Artikel 4 – Reglement Haarlems Mediafonds 1.
Het bestuur stelt met inachtneming van het bepaalde in artikel 13 van deze statuten, een reglement vast waarin de procedure voor het aanvragen, beoordelen en toekennen van een bijdrage uit het fonds wordt vastgelegd. 2. Tevens vermeldt het reglement de maximale financiële bijdrage per journalistiek product.
Pagina 1 van 7
3. Bij de opstelling van de in het reglement opgenomen beoordelingscriteria hanteert de stichting als uitgangspunten dat: a. de aanvrager er zorg voor draagt dat de normen van de journalistieke beroepsethiek en kwaliteit zullen worden nageleefd; b. het voorgenomen journalistieke product niet in strijd zal zijn met wet- en regelgeving, plagiaat is uitgesloten en anonieme bronnen alleen worden gebruikt als het algemeen belang dat vraagt en als er meerdere bronnen zijn; c. de aanvrager volgens journalistieke beginselen werkt, waartoe de code van Bordeaux behoort; d. de aanvrager werkt met inachtneming van onafhankelijkheid, betrouwbaarheid en deskundigheid in berichtgeving, analyse en opinie, zonder directe beïnvloeding van buitenaf, waarbij opiniërende artikelen als zodanig herkenbaar zijn; e. het voorgenomen journalistieke product bijdraagt aan het bevorderen van berichtgeving over zaken waarbij Haarlem en de directe omgeving een belangrijke rol spelen; f. het gerealiseerde journalistieke product vrij en zonder kosten beschikbaar moet worden gesteld. Artikel 5 - Vermogen 1. Het tot verwezenlijking van het doel van de stichting bestemde vermogen wordt gevormd door: a. bijdragen van de gemeente Haarlem; b. bijdragen van andere subsidiegevers en financiers; c. giften en donaties; d. hetgeen verkregen wordt door erfstellingen of legaten; e. hetgeen op andere wijze verkregen wordt.
2. Erfstellingen kunnen slechts onder het voorrecht van boedelbeschrijving worden - aanvaard. 3. De stichting zal niet meer vermogen aanhouden dan redelijkerwijs nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden ten behoeve van de doelstelling van de instelling. De beheerskosten voor de stichting dienen in redelijke verhouding te staan tot de bestedingen ten behoeve van het doel van de stichting. 4. De bestuurders ontvangen geen beloning voor hun werkzaamheden. De bestuurders genieten geen financieel voordeel uit hoofde van het vervullen van hun functie. Indien er vacatiegeld wordt betaald zal dit niet bovenmatig zijn. De in de uitoefening van hun functie gemaakte kosten kunnen aan hen worden vergoed, waartoe het bestuur richtlijnen kan uitgeven. De door het bestuur vast te stellen richtlijnen voor het betalen van vacatiegelden en vergoeding van kosten sluiten aan bij het door de Gemeente Haarlem vastgestelde beleid ter zake. Artikel 6 - Bestuur: samenstelling, benoeming, schorsing en ontslag 1. Het bestuur van de stichting bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf bestuurders. Een niet voltallig bestuur behoudt zijn bevoegdheden. Het bestuur -- kan uit zijn midden een voorzitter, een secretaris en een penningmeester aanwijzen. 2. De bestuurders worden benoemd door het bestuur, waarbij geldt dat: a.
het bestuur bij oprichting wordt geïnitieerd door de gemeente Haarlem. Collegeleden, raadsleden, schaduwraadsleden en medewerkers van de gemeente Haarlem zijn van benoeming uitgesloten; b. de bestuurders werkzaam zijn (geweest) in de journalistiek en media dan wel verbonden zijn (geweest) aan een onderwijs- of onderzoeksinstelling op die terreinen; c. de bestuursleden geheel onafhankelijk zijn van de Haarlemse lokale media. 3. In vacatures wordt zo spoedig mogelijk, maar in elk geval binnen drie maanden na het ontstaan ervan, voorzien. 4. Wanneer door nalatigheid, verschil van mening of enige andere reden de benoeming van een bestuurslid uitblijft, wordt daarin - overeenkomstig artikel 2:299 Burgerlijk Wetboek - voorzien door de rechtbank te Haarlem, op verzoek van iedere belanghebbende of op vordering van het Openbaar Ministerie.
Pagina 2 van 7
5. Iedere bestuurder moet voldoen aan de volgende vereisten: a. een bestuurder is een natuurlijk persoon; b. een bestuurder heeft het vrije beheer over zijn vermogen; c. een bestuurder is in de laatste vijf jaar niet door de rechtbank ontslagen als bestuurder van een stichting. Ten hoogste de helft van het aantal bestuurders mag met een andere bestuurder - een familieband hebben. Onder familieband wordt verstaan bloed of aanverwantschap tot en met de vierde graad en de hoedanigheid van echtgenoot, geregistreerd partner of andere levensgezel. 6. Bestuurders worden benoemd voor een periode van maximaal vier jaar. 7. Bestuurders treden af volgens een door het bestuur op te stellen rooster. Als een bestuurder zijn functie verliest voordat hij volgens het rooster aftreedt, neemt zijn opvolger op het rooster de plaats in van zijn voorganger. 8. Een volgens rooster aftredende bestuurder is éénmaal onmiddellijk herbenoembaar. Het bestuur kan bepalen dat een eerste benoemingsperiode niet in aanmerking wordt genomen bij de toepassing van het vorige lid als die periode twee jaar is of - korter is dan twee jaar. 9. Een bestuurder die niet onmiddellijk herbenoembaar is, kan weer tot bestuurder - worden benoemd als minimaal vijf jaar zijn verstreken na de laatste dag dat hij bestuurder was. 10.
Alle bestuurders kunnen een vergoeding krijgen van de kosten die zij redelijkerwijs hebben gemaakt in de uitoefening van hun functie. 11. Een bestuurder kan worden geschorst door het bestuur. Na een schorsing roept het bestuur een nieuwe vergadering bijeen, die wordt gehouden binnen vier weken na de schorsing. In die vergadering wordt besloten of de schorsing wordt opgeheven, de schorsing wordt verlengd of de betreffende bestuurder wordt ontslagen. Een schorsing kan in totaal nooit langer dan drie maanden duren. De schorsing vervalt als geen besluit tot verlenging wordt genomen binnen de hiervoor vermelde termijn van vier weken of als na verloop van drie maanden geen besluit tot ontslag van de betreffende bestuurder is genomen. 12. Een bestuurder verliest zijn functie: a. door zijn overlijden; b. door zijn faillissement, door het op hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen of doordat hij surseance van betaling verkrijgt; c. door zijn ondercuratelestelling of de onderbewindstelling van zijn gehele vermogen; d. door zijn vrijwillig aftreden; e. door zijn ontslag gegeven door de gezamenlijke overige bestuurders, ten minste twee in getal; f. door het verstrijken van de periode waarvoor hij is benoemd, tenzij met inachtneming van het bepaalde in artikel 6 leden 7 en 8 herbenoeming heeft plaatsgevonden; g. door zijn ontslag door de rechtbank.
13. Besluiten als bedoeld in artikel 6 leden 11 en 12 sub e worden genomen met een meerderheid van ten minste twee derde van de uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin twee derde van de bestuurders aanwezig of vertegenwoordigd zijn. Is in de vergadering waarin een besluit als hiervoor bedoeld aan de orde is het vereiste aantal bestuurders niet aanwezig of vertegenwoordigd, dan kan na die vergadering een nieuwe vergadering worden bijeengeroepen, te houden niet eerder dan drie en niet later dan zes weken na de eerste vergadering. In de nieuwe vergadering kan het besluit als hiervoor bedoeld worden genomen met een meerderheid van tenminste tweederde van de uitgebrachte stemmen, ongeacht het aantal aanwezige of vertegenwoordigde bestuurders. Artikel 7 - Bestuur: taken en bevoegdheden 1. Het bestuur is belast met het besturen van de stichting. Elke bestuurder is tegenover de stichting gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Een bestuurder vermijdt elke vorm en schijn van persoonlijke bevoordeling of belangenverstrengeling tussen hem en de stichting.
Pagina 3 van 7
2. Het bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van de stichting en van alles betreffende de werkzaamheden van de stichting, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de stichting kunnen worden gekend. 3. Het bestuur is niet bevoegd te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot het verkrijgen, vervreemden of bezwaren van registergoederen noch tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt, of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een ander verbindt. 4. Het bestuur stelt een beleidsplan vast en actualiseert dit beleidsplan periodiek. Het beleidsplan geeft inzicht in de door de stichting te verrichten werkzaamheden, de wijze van werving van gelden, het beheer van het vermogen van de stichting en de besteding daarvan. 5.
Het bestuur zorgt ervoor dat: - er niet meer vermogen wordt aangehouden door de stichting dan nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden ten behoeve van het doel van de stichting; en - de kosten van werving van gelden en de beheerskosten van de stichting in redelijke verhouding staan tot de besteding ten behoeve van het doel van de stichting. 6. Het bestuur zorgt ervoor dat de administratie van de instelling zodanig is ingericht, dat daaruit duidelijk blijkt de aard en omvang van: - de onkostenvergoedingen en vacatiegelden die toekomen aan de afzonderlijke bestuurders; - de kosten die gemaakt zijn voor de werving van gelden en voor het beheer van de stichting en de aard en omvang van andere uitgaven van de stichting; - de inkomsten van de stichting; - het vermogen van de stichting. 7. Een bestuurder neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming als hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de stichting en de met haar verbonden organisatie. Wanneer alle bestuurders een tegenstrijdig belang hebben en hierdoor geen bestuursbesluit kan worden genomen, wordt het besluit genomen door het bestuur onder schriftelijke vastlegging van de overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen. 8.
Bij belet of ontstentenis van een of meer bestuurders zijn de overige bestuurders, of is de enige overgebleven bestuurder, tijdelijk met het bestuur belast. Bij ontstentenis of belet van alle bestuurders is een door het bestuur daartoe voor onbepaalde tijd aan te wijzen persoon tijdelijk met het bestuur belast. Onder belet wordt in elk geval verstaan schorsing en het geval waarin om welke reden ook gedurende een aaneengesloten periode van minimaal tweeënzeventig uur door de stichting of een medebestuurder geen contact met een bestuurder kan worden verkregen, met dien verstande dat het bestuur kan besluiten dat een andere periode van toepassing is. Artikel 8 - Bestuur: vertegenwoordiging 1. Het bestuur vertegenwoordigt de stichting. 2. De vertegenwoordigingsbevoegdheid komt bovendien toe aan twee gezamenlijk handelende bestuurders, van wie ten minste één moet zijn de voorzitter, de secretaris of de penningmeester, dan wel de bestuurder die, blijkens inschrijving in het handelsregister, als waarnemer een van deze functies vervult. 3. De in beide vorige leden van dit artikel opgenomen bevoegdheid van het bestuur en bestuurders tot vertegenwoordiging van de stichting bestaat ook indien tussen de stichting en één of meer bestuurders een tegenstrijdig belang bestaat. 4.
Het bestuur kan besluiten tot het verlenen van incidentele dan wel doorlopende volmacht aan één of meer bestuurders en/of aan anderen, zowel gezamenlijk als afzonderlijk, om de stichting binnen de grenzen van die volmacht te vertegenwoordigen.
Pagina 4 van 7
Artikel 9 - Bestuur: bijeenroeping, vergaderingen, besluitvorming 1. De voorzitter alsmede ten minste twee van de overige bestuurders gezamenlijk zijn bevoegd een vergadering van het bestuur bijeen te roepen. 2. De bijeenroeping van de vergaderingen van het bestuur geschiedt schriftelijk, met inachtneming van een termijn van ten minste zeven dagen, de dag van bijeenroeping en die van de vergadering niet meegerekend, onder opgave van de dag, het aanvangstijdstip en de plaats van de vergadering alsmede van de te behandelen onderwerpen (agenda). De bestuurder die voor dit doel een adres aan de stichting heeft gemaakt kan tot de vergaderingen van het bestuur worden opgeroepen door een langs elektronische weg aan dat adres toegezonden leesbaar en reproduceerbaar bericht. 3. De vergaderingen van het bestuur worden gehouden bij voorkeur in Haarlem dan wel op de plaats te bepalen door degene die de vergadering bijeen roept. 4. Indien werd gehandeld in strijd met enige bepaling van de twee vorige leden kan het bestuur niettemin rechtsgeldige besluiten nemen, mits alle bestuurders ter vergadering aanwezig of vertegenwoordigd zijn. 5. Een bestuurder kan aan een andere bestuurder schriftelijk volmacht verlenen om zich ter vergadering te doen vertegenwoordigen. Een elektronisch vastgelegde volmacht geldt als een schriftelijke volmacht.
Een bestuurder kan slechts één medebestuurder ter vergadering vertegenwoordigen. In de vergaderingen van het bestuur heeft iedere bestuurder één stem. Voor zover in deze statuten geen grotere meerderheid is voorgeschreven, worden de besluiten door het bestuur genomen met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Een besluit kan slechts worden genomen in een vergadering waarin tenminste de helft van het aantal bestuurders aanwezig of vertegenwoordigd is. Bij staking van stemmen is een voorstel verworpen. Staken de stemmen bij een stemming over de benoeming van personen, dan beslist het lot. Artikel 10 - Leiding van de vergaderingen, notulen, besluitvorming buiten vergadering 1. De voorzitter leidt de vergaderingen van het bestuur; bij zijn afwezigheid voorziet de vergadering zelf in haar leiding. 2. De voorzitter van de vergadering bepaalt de wijze waarop de stemmingen in de vergaderingen worden gehouden. 3. Het door de voorzitter in de vergadering uitgesproken oordeel omtrent de uitslag van een stemming is beslissend. Hetzelfde geldt voor de inhoud van een genomen besluit, voor zover werd gestemd over een niet schriftelijk vastgelegd voorstel.
Wordt onmiddellijk na het uitspreken van het oordeel van de voorzitter de juistheid daarvan betwist, dan vindt een nieuwe stemming plaats, als de meerderheid van de vergadering of, als - de oorspronkelijke stemming niet hoofdelijk of schriftelijk plaatsvond, een stemgerechtigde aanwezige dit verlangt. Door deze nieuwe stemming vervallen de rechtsgevolgen van de oorspronkelijke stemming. 4. Van het verhandelde in de vergaderingen van het bestuur worden notulen gehouden door de daartoe door de voorzitter van de vergadering aangewezen persoon. De notulen worden – nadat zij zijn vastgesteld – door de voorzitter en de secretaris ondertekend. 5. Het bestuur kan ook op andere wijze dan in een vergadering besluiten nemen, mits alle bestuurders zich schriftelijk vóór het voorstel hebben verklaard. Onder een schriftelijke verklaring wordt mede begrepen een langs elektronische weg toegezonden leesbaar en reproduceerbaar bericht, aan het adres dat het bestuur voor dit doel heeft vastgesteld en aan alle bestuurders bekend heeft gemaakt. Artikel 11 – Ondersteuning bestuur 1. Het bestuur kan zich ter uitoefening van zijn taak laten bijstaan door een ondersteunende organisatie. Bij gelijke geschiktheid wordt de voorkeur gegeven aan een organisatie gevestigd in Haarlem. 2. Deze ondersteuning wordt aangesteld en afgezegd door het bestuur en maakt geen deel uit van het bestuur.
Het bestuur bepaalt de taken van die de ondersteuning uitvoert. Het bestuur kan de ondersteuning een vergoeding voor werkzaamheden toekennen. Pagina 5 van 7
3. Het bestuur kan zich daarnaast laten bijstaan door een of meer door hem aan te wijzen adviseurs. Het bestuur kan een adviseur een vergoeding voor gemaakte kosten toekennen. Artikel 12 - Boekjaar; financiële verslaggeving en jaarverslag 1. Het boekjaar van de stichting is het kalenderjaar. 2. Het bestuur sluit per de laatste dag van het boekjaar de boeken van de stichting af en maakt daaruit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na afloop van het boekjaar, een balans en een staat van baten en lasten op over het verstreken boekjaar. De penningmeester zendt deze stukken vóór het einde van de in de voorgaande zin bedoelde termijn aan alle bestuurders. Deze stukken worden door het bestuur in een vergadering, te houden binnen vier maanden na afloop van het boekjaar, vastgesteld en ten blijke daarvan door alle bestuurders ondertekend. 3. Het bestuur kan, alvorens tot de vaststelling van de balans en de staat van baten en lasten over te gaan, deze stukken doen onderzoeken door een door hem aan te wijzen accountant als bedoeld in artikel 2:393 lid 1 Burgerlijk Wetboek. Deze deskundige brengt omtrent zijn onderzoek verslag uit aan het bestuur en legt daaromtrent een verklaring af. Het bestuur is verplicht zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na afloop van het jaar, een inhoudelijk verslag (hierna: jaarverslag) op te stellen.
Dit verslag vermeldt in elk geval: a. het aantal aanvragen per subsidieronde in het verslagjaar, met het totaalbedrag van de aangevraagde subsidies; b. een overzicht van de gehonoreerde aanvragen, met de na(a)m(en) van de aanvrager(s), de titel van de aanvraag, de toegekende financiële bijdragen en de verschenen publicaties die (mede) met bijdragen vanuit het fonds mogelijk zijn gemaakt. Van nog niet gepubliceerde/uitgezonden producties vermeldt het jaarverslag alleen de na(a)m(en) van de aanvrager(s), onderwerp en titel van de aanvraag blijven anoniem tot na publicatie/uitzending. Het jaarverslag wordt tevens op de website van de stichting gepubliceerd. Artikel13 - Reglementen 1. Het bestuur kan naast het reglement als bedoeld in artikel 4 een of meer (andere) reglementen vaststellen waarin wordt opgenomen al hetgeen naar zijn oordeel regeling of nadere regeling behoeft. 2. Het bestuur kan elk door hem gemaakt reglement wijzigen en ook intrekken. Een reglement mag nooit in strijd zijn met de statuten of de wet. 3. Een reglement wordt schriftelijk vastgelegd met vermelding van de dag waarop het van kracht wordt. Deze datum kan niet zijn gelegen vóór de datum waarop het besluit werd genomen. Artikel 14 - Statutenwijziging 1. De oprichtingsstatuten zijn opgesteld door de gemeente Haarlem in afstemming met het bestuur bij oprichting.
Het bestuur is bevoegd de statuten te wijzigen. Het bestuur behoeft daartoe vooraf goedkeuring van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Haarlem. 2. Het besluit tot statutenwijziging kan slechts worden genomen met een meerderheid van ten minste twee derde van de uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin alle bestuurders aanwezig of vertegenwoordigd zijn. Is in de vergadering waarin een besluit tot statutenwijziging aan de orde is, het vereiste aantal bestuurders niet aanwezig of vertegenwoordigd, dan kan na die vergadering een nieuwe vergadering worden bijeengeroepen, te houden niet eerder dan drie en niet later dan zes weken na de eerste vergadering. In de nieuwe vergadering kan het besluit tot statutenwijziging worden genomen met een meerderheid van tenminste tweederde van de uitgebrachte stemmen, ongeacht het aantal aanwezige of vertegenwoordigde bestuurders. 3. Bij de oproeping tot de vergadering, waarin een voorstel tot statutenwijziging zal worden gedaan, dient dit steeds te worden vermeld. Tevens dient bij de oproeping een afschrift van het voorstel, bevattende de woordelijke tekst van de voorgestelde wijziging, te worden gevoegd. De termijn van de oproeping bedraagt in dit geval ten minste twee weken.
Pagina 6 van 7
4. Een statutenwijziging treedt in werking op het door het bestuur bepaalde tijdstip, maar pas nadat daarvan een notariële akte is opgemaakt. Bestuurders die bevoegd zijn tot vertegenwoordiging van de stichting zijn tevens bevoegd deze akte te doen verlijden. Het bestuur kan een of meer bestuurders en/of anderen, zowel gezamenlijk als afzonderlijk, machtigen de akte van statutenwijziging te doen verlijden. Een verleende machtiging impliceert, tenzij daarin anders is vermeld, de bevoegdheid tot het verlenen van opdracht aan de notaris. Artikel15 - Fusie; splitsing; omzetting Op een besluit van het bestuur tot fusie of splitsing in de zin van Titel 7 van Boek 2 Burgerlijk Wetboek en op een besluit van het bestuur tot omzetting van de stichting in een andere rechtsvorm overeenkomstig artikel 2:18 Burgerlijk Wetboek, is het bepaalde in de leden 1, laatste zin, 2 en 3 van artikel 14 zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing, een en ander onverminderd de eisen van de wet. Artikel 16 - Ontbinding en vereffening 1. Het bestuur is bevoegd de stichting te ontbinden. Op het besluit tot ontbinding is het bepaalde in artikel 14, leden 1, laatste zin, 2 en 3 zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. 2. Het bestuur stelt bij zijn besluit tot ontbinding de bestemming vast van een eventueel batig saldo. Deze bestemming dient in overeenstemming te zijn met het doel van de stichting.
3. Als de stichting ten tijde van de ontbinding gerangschikt is als een algemeen nut beogende instelling, wordt het batig saldo (derhalve ná aftrek van eventuele restitutie van geoormerkte subsidies) besteed ten behoeve van een algemeen nut beogende instelling. 3. De vereffening geschiedt door de bestuurders, tenzij bij het besluit tot ontbinding een of meer andere vereffenaars zijn benoemd.
Pagina 7 van 7