20201137516 2. Bijlage 1 Bestemmingsplan Nieuw Boerhaave - toelichting & planregels
Tekst van het document
Er blijkt tevens uit het onderzoek dat natuurlijke bodemlagen minimaal vanaf 240 cm -Mv aan te treffen zijn vanwege de vroegere ophoging van het gebied, waarmee het risico op vergraving van het natuurlijk bodemarchief (ongeachte de archeologische waarde ervan) minimaal is. Er hoeven daarmee, ten behoeve van de archeologische monumentenzorg (AMZ), geen aanvullende maatregelen te worden genomen. Op het moment dat tijdens graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke meldingsplicht (conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11) deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Haarlem). 4.7.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.8
Cultuurhistorie
4.8.1 Inleiding Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat gemeenten bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Bij cultuurhistorische waarden gaat het over de positieve waardering van sporen, objecten, patronen en structuren die zichtbaar of niet zichtbaar deel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. In veel gevallen bepalen deze cultuurhistorische waarden de identiteit van een plek of gebied en bieden ze aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen
61
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
4.8.2 Onderzoek Het plangebied is niet gelegen binnen het beschermd stadsgezicht. Daarnaast heeft de bebouwing binnen het plangebied geen cultuurhistorische of monumentale waarden. 4.8.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.9
Duurzaamheid en energie
4.9.1 Inleiding In paragraaf 3.5.11 is reeds het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en energie besproken. Middels deze paragraaf wordt in gegaan op de maatregelen die worden genomen ten behoeven van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot duurzaamheid en energie. 4.9.2 Onderzoek BENG Gebouw 1 en gebouw 2 zullen worden gebouwd volgens de Bijna Energieneutrale Gebouw eisen (BENG), welke hoogstwaarschijnlijk ingaan per 1 januari 2021. De Europese richtlijn energieprestatie van gebouwen voorziet in de bijna energieneutrale eisen bij de realisatie van nieuwbouw. Deze doelen dragen bij aan het behalen van de klimaatdoelen uit het Parijs Akkoord. WKO-installatie In het ontwerp zijn een koude en warme bron opgenomen, welke gekoppeld worden op een centrale WKO-ruimte. In deze WKO-ruimte worden de technische componenten opgesteld zoals warmtepompen, verdelers, pompen e.d.. Vanaf dit centrale punt wordt de warmte en koude gedistribueerd naar de woningen, waarbij de afgifte plaats vindt middels vloerverwarming/- koeling. Een WKO-systeem slaat warmte en koude tijdelijk op in de bodem, met als doel om deze op een later moment nuttig te gebruiken voor de verwarming en koeling van het gebouw. In de winter wordt het gebouw verwarmd door middel van centraal opgestelde warmtepompen, waarbij via een warmtewisselaar warmte wordt onttrokken aan het grondwater.
Doordat het grondwater hierdoor afkoelt ontstaat er een koude bron, die in de zomer kan worden benut om het gebouw te koelen. Tijdens het koelen wordt de warmte uit het gebouw via een warmtewisselaar afgegeven aan het grondwater.grondwater. Hierdoor ontstaat er een warme bron, die in de winter kan worden gebruikt voor de verwarming van het gebouw. De uitwisseling van warmte en koude tussen het gebouw en het grondwater is een proces dat zich periodiek blijft herhalen. Bij toepassing van een WKO-systeem met warmtepompen in combinatie met vloerverwarming kan de ruimte worden verwarmd en gekoeld. Dit zal plaatsvinden met laagtemperatuurswarmte via de warmtepomp en met hoogtemperatuurskoeling direct uit de bron. Dit geeft een comfortabel binnenklimaat. 62
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
De toepassing van WKO zorgt voor een besparing op het energiegebruik en leidt tot minder CO2-uitstoot vergeleken met conventionele installaties voor koelen en verwarmen PV-installatie De beoogde ontwikkeling wordt voorzien van zonnepanelen, oftewel fotovoltaïsche panelen of PV-panelen. Een PV-paneel is een paneel dat een deel van de fotonen uit het zonlicht omzet in elektriciteit. De elektriciteit, welke op deze manier wordt omgezet is duurzaam opgewekt. Deze elektriciteit kan worden gebruikt door de centrale installaties zoals de warmtepompen e.d. of kan worden geleverd aan de appartementen om te voorzien in een deel van de energiebehoefte. Indien er meer elektriciteit wordt opgewekt dan verbruikt wordt dit terug geleverd aan het elektriciteitsnet. 4.9.3 Conclusie In lijn met de beleidskaders en ambities van gemeente Haarlem wordt op voldoende wijze ingezet op duurzaamheid en energie bij de beoogde ontwikkeling.
4.10 Groenparagraaf 4.10.1
Inleiding De hoofdgroenstructuur ligt vast in het Structuurplan Haarlem 2020. Doelstelling is zowel versterking van groen met ecologische waarde als van groen met stedelijke waarde. Bomen vormen een belangrijk tegenwicht voor de verstening van onze leefomgeving. Het Bomenbeleidsplan 2009-2019 geeft de visie van de gemeente Haarlem op bomen en schept samenhang in de uitvoering van het bomenbeleid. Uitgangspunt voor de bomenstructuur is de verdere uitbouw en verbetering van het Haarlemse bomenbestand. De bomen binnen het plangebied maken deel uit van de hoofdbomenstructuur. De gemeente Haarlem beschikt verder over een Haarlemse Monumentale Bomenlijst (2009). Door de waarden van monumentale bomen zal in beginsel geen omgevingsvergunning voor het kappen worden verleend voor deze bomen. De Bomenverordening Haarlem beschermt monumentale bomen. Dit bestemmingsplan biedt bescherming aan de groeiplaats van alle monumentale bomen in de openbare ruimte die (deels) binnen het plangebied liggen. Op die manier zijn niet alleen de monumentale bomen beschermd op basis van de Bomenverordening, maar op basis van het bestemmingsplan ook de ruimtes die de monumentale bomen nodig hebben om te kunnen groeien.
Voor het kunnen vastleggen van alle groeiplaatsen is er een actuele inventarisatie uitgevoerd waarbij bepaald is welke monumentale bomen er in het plangebied zijn op het moment dat het bestemmingsplan is opgesteld. Ook monumentale bomen die buiten het plangebied staan, maar waarvan de groeiplaats deels binnen het plangebied valt zijn daarbij meegenomen.
63
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
4.10.2
Onderzoek Boerhaavewijk is een relatief groene wijk met een aantal hoofdboomstructuren. Deze hoofdstructuren liggen vooral op doorgaande routes zoals de Amerikaweg, de Floris van Adrichemlaan, Boerhaavelaan, Fuikvaartweg, Professor Eijkmanstraat en de Louis Pasteurstraat. De bomen zijn net als de wijk zo’n 45 jaar oud en beeldbepalend voor de uitstraling van de wijk. Het aanwezige groen is enigszins versnipperd; vooral tussen de bebouwing en langs de Floris van Adrichemlaan. De kwaliteit van het groen is vaak goed, maar de gebruiksfunctie is niet optimaal. Het is niet overal goed toegankelijk. Dat geldt vooral voor het noordelijk deel en de randen van de wijk. Vaak zijn het achterkanten van bebouwing en plinten met bergingen die het gebruik van het groen bemoeilijken. Het aanwezige groen langs de Amerikavaart en de Aziëweg markeren de rand van de wijk. Ondanks de parkachtige inrichting is ook hier het gebruik beperkt. Verder ligt aan de oostzijde de Poelpolder enigszins verscholen in de wijk. Alleen bewoners die hier direct aan wonen, hebben zicht op en toegang tot het openbare groen van deze polder; een natuurlandschap met weinig recreatieve mogelijkheden. In de huidige situatie is er sprake van wat groen binnen het plangebied. Tevens is ten zuiden van het plangebied het Willem van Ospark gevestigd.
Uit de stedenbouwkundige randvoorwaarden blijkt dat binnen het plangebied de bestaande bomen dienen waar mogelijk behouden te worden. Daarnaast dienen de monumentale bomen (zie Afbeelding 4.3) hoe dan ook behouden te worden.
Afbeelding 4.6: Uitsnede monumentale bomenkaart nabije omgeving plangebied. In het plangebied is een bomeninventarisatie uitgevoerd (d.d. 18 februari 2014). 64
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
De bestaande bomenlaan, welke van de Boerhaavelaan naar de Louis Pasteurlaan loopt, blijft behouden en wordt ingepast binnen het plan. De bestaande bomenrij zal bijdragen een het creëren van een karakter dat past bij een openbare grote laan. Daarnaast wordt een collectieve tuin binnen het Hof van Jacob gerealiseerd, te omschrijven als een tuinachtige inrichting met openbaar toegankelijke wandelroutes langs verblijfsplekken en beleefmomenten. Een andere collectieve tuin wordt ingericht tussen de appartementen bestemd voor verzorgd wonen, met ruimte voor verblijfsplekken, wandelpad en tuinachtige inrichting. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling dienen een aantal bomen te worden gekapt. Ten behoeve van de te kappen bomen wordt een compensatieplan opgesteld. Met het nieuwbouwplan wordt de kwaliteit van het groen verbeterd. Het plangebied wordt openbaar gemaakt en de openbare ruimtes worden zo groen mogelijk ingericht met plantsoenen, bomen en wandelroutes. 4.10.3
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan het vergroenen van de stad door het compenseren van de te kappen bomen én het aanleggen van nieuw openbaar groen.
4.11 Kabels, leidingen, straalpaden en andere belemmeringen 4.11.1
Inleiding In bestemmingsplannen worden uitsluitend kabels en leidingen (gas, water, elektra, rioolpersleidingen) opgenomen die ruimtelijke relevantie hebben en/of van belang zijn in het kader van beheer, externe veiligheid of gezondheidsrisico's. Het gaat dan altijd om de hoofdtransportstructuur. De planologisch relevante leidingen. De ligging van de leiding is globaal vastgelegd op provinciale risicokaarten. In elk bestemmingsplangebied bevinden zich uiteraard ook kabels en leidingen voor distributie en huisaansluitingen, maar die worden niet in het plan opgenomen.
4.11.2
Onderzoek Er bevinden zich geen kabels en leidingen in het plangebied waarvoor een specifieke regeling nodig is. In dit licht zijn er geen belemmeringen voor het bestemmingsplan. Het plangebied ligt daarentegen wel binnen het invloedsgebied van de hogedrukaardgasleiding. In paragraaf 4.4 van deze toelichting is nader op deze ligging ingegaan en geconcludeerd dat deze leiding geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan.
4.11.3
Conclusie De aanwezige kabels en leidingen vormen geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.
65
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
4.12 Natuurwaarden 4.12.1
Inleiding Er is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebied- of landschap of als Nationaal Natuurnetwerk (NNN). Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Nationaal Natuurnetwerk De term EHS werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP) van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. In 2013 veranderde de naam van Ecologische Hoofdstructuur naar Nationaal Natuurnetwerk (NNN).
NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in of in de nabijheid van het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets'. Beleid Het ecologisch beleidsplan uit 2013 heeft als doel het kwalitatief verbeteren en verhogen van de ecologische waarden en de richtlijnen uit het beleid verankeren in planprocessen en beheer- en onderhoudsprogramma's. Duurzaamheid, biodiversiteit en participatie zijn onderwerpen die een belangrijke rol spelen bij de invulling en uitvoering hiervan. Het ecologische beleid bevat een afwegingskader bij projecten en andere ingrepen dat weergeeft waar men op moet letten bij projecten. Hierdoor is minder kans op vertraging. Ook wordt ingezet op het verbeteren van beheer en inrichting van de locaties met ecologische potentie. Dit kan alleen als beheer en inrichting zoveel mogelijk gebaseerd zijn op ecologische principes. Binnen Haarlem zijn verschillende gebieden aangegeven als ecologische hotspots of als ecologische potentiegebieden.
Deze laatste zijn waardevolle groene gebieden die zich door de juiste inrichting en beheer tot hotspots kunnen ontwikkelen. Geen van deze gebieden bevinden zich in het plangebied. 66
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
Daarnaast omvat het beleidsplan ook het ecologisch actieplan van de gemeente Haarlem met daarin de ambities voor de periode van 2013-2022 voor onder andere het afkoppelen van regenwater en het toepassen van gevelgroen. Bij nieuwe relevante ruimtelijke ontwikkelingen binnen het plangebied wordt het ecologisch beleidsplan Haarlem betrokken. 4.12.2
Onderzoek Soortenbescherming Door Ekoza is zowel een ecologische quickscan als een nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn opgenomen in respectievelijk bijlage 8 en bijlage 9 van deze toelichting. De resultaten worden hieronder verkort weergegeven. Ecologische quickscan Uit de ecologische quickscan volgt dat de voorgenomen werkzaamheden geen negatief effect zullen opleveren voor grondgebonden zoogdieren. Daarnaast is de aanwezige bebouwing op de locatie ongeschikt als nestlocatie voor de gierzwaluw en/of huismus. Geschikt habitat om te rusten, zich voort te planten of te overwinteren is voor beschermde reptielen, amfibieën en vissen in het plangebied niet aanwezig. Wel zijn de bomen en struiken binnen het plangebied geschikt als nestlocatie voor vogels. Actieve nesten mogen geen negatief effect ondervinden. De bomen en struiken dienen voor het broedseizoen (half maart) verwijderd te worden om te voorkomen dat broedvogels zich nestelen in de te verwijderen bomen en struiken. Indien het verwijderen niet plaats kan vinden voor het broedseizoen, dienen de bomen en struiken voor verwijdering te worden gecontroleerd op de aanwezigheid van actieve nesten. De bebouwing op de locatie is een potentiële vaste rust- en verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen.
Het plangebied biedt geschikte mogelijkheden voor verblijfplaatsen voor vleermuizen, namelijk in de spouw en achter de gevelplaten en randen van het platte dak. Onderzoek zal moeten uitwijzen wat de functie van het plangebied voor vleermuizen is en of een ontheffing in het kader Wet natuurbescherming nodig is. Essentieel foerageergebied is niet aanwezig binnen het plangebied, omdat er in de omgeving parken, andere tuinen en bomen zijn om te foerageren waardoor de tuin binnen het plangebied niet essentieel is. De gracht aan de westzijde van het plangebied kan dienen als vliegroute voor vleermuizen. Aangezien de gracht buiten het plangebied ligt zal de vliegroute geen negatief effect ondervinden. Wel wordt geadviseerd om nachtelijke verlichting aan de kant van het plangebied langs de gracht te voorkomen. Tot slot volgt uit de quickscan dat in het plangebied geen beschermde planten zijn waargenomen en deze ook niet te verwachten zijn. Nader onderzoek vleermuizen Uit het nader onderzoek blijkt dat twee paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis aanwezig zijn binnen het plangebied. De voorgenomen (sloop)werkzaamheden kunnen daardoor een negatief effect hebben op
67
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
vleermuizen. Voor de sloop van de bestaande bebouwing zullen maatregelen genomen moeten worden. De maatregelen dienen te worden genomen voor twee paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Voor de sloop is een ontheffing van de Wet natuurbescherming en een activiteitenplan noodzakelijk. Het plangebied wordt slechts door enkele gewone dwergvleermuizen gebruikt om te foerageren. Aangezien het om enkele foeragerende gewone dwergvleermuizen gaat, kan uitgesloten worden dat het om essentieel foerageergebied gaat. Een negatief effect op foeragerende vleermuizen wordt daarom uitgesloten. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Buiten het plangebied wordt de bomenlaan/watergang door meerdere gewone dwergvleermuizen en enkele rosse vleermuizen en laatvliegers gebruikt om te foerageren en passeren. Aangezien er geen werkzaamheden plaatsvinden aan de bomenlaan/watergang zal dat foerageergebied en vliegroute geen negatief effect ondervinden. Wel wordt geadviseerd om nachtelijke verlichting rond de bomenlaan/watergang te voorkomen. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Ontheffing vleermuizen Voor de twee paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis is een acitiveitenplan opgesteld en een ontheffing aangevraagd. Deze ontheffing is op 29 november 2019 verleend.
Gebiedsbescherming Het plangebied is in de nabijheid van de volgende Natura 2000-gebieden gelegen: Kennemerland-Zuid op ca. 3,7 km afstand; Polder Westzaan op ca. 10,7 km afstand; Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske op ca. 16 km afstand; Botshol op ca. 21,2 km afstand; Naardermeer op ca. 29,8 km afstand. Om het effect op deze Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling te beoordelen, is door Lycens een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 10 van deze toelichting. De conclusie uit dit onderzoek wordt hieronder weergegeven. Uit het onderzoek volgt dat in de bestaande situatie 'vergund recht' de hoogst berekende stikstofdepositie 0,01 mol/ha/j bedraagt. Gedurende de realisatiefase, zowel eerste als tweede fase, bedraagt de hoogst berekende stikstofdepositie eveneens 0,01 mol/ha/j. Uit de verschilberekening is naar voren gekomen dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie. Omdat er geen sprake van een toename van de stikstofdepositie in de (tijdelijke) aanlegfase en in de (permanente) gebruiksfase juist sprake is van een afname van de stikstofdepositie is het uitgesloten dat onderhavig plan (negatieve) effecten uitoefent op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000-gebieden.
68
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
4.12.3
Conclusie Het aspect natuurwaarden staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.
4.13 Verkeer en parkeren 4.13.1
Inleiding Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan.
4.13.2
Onderzoek Parkeren Door Fame Planontwikkeling is de totale parkeervraag voor de voorgenomen ontwikkeling berekend. Voor het berekenen van de parkeerbehoefte zijn de normen voor parkeren van de afzonderlijke functies bepaald o.b.v. de parapluplan parkeernorm Haarlem 2018 en CROW 381. De gemeente Haarlem hanteert in de basis de parkeernormen zoals beschreven in de nota Beleidsregels parkeernormen 2015. In de nota wordt beschreven dat de normen niet absoluut zijn en dat per bouwplan maatwerk en individuele beoordeling mogelijk zijn. Daarnaast zijn voor de categorie woningen een aantal aanpassingen op de normen gedaan zoals beschreven in de 1e Wijziging Beleidsregels Parkeernormen Haarlem van 25 januari 2018 en in het getekend raadsbesluit van 31 januari 2019. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 11 van deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat de totale parkeerbehoefte voor de voorgenomen ontwikkeling 187 parkeerplaatsen bedraagt. Vervolgens is onderzocht of een gecombineerd gebruik van parkeerplaatsen mogelijk is. Hiervoor is gebruik gemaakt van de aanwezigheidspercentages van het CROW. Op basis van een parkeerbalans met gecombineerd gebruik kan het aantal parkeerplaatsen worden teruggebracht in het plangebied naar 130 parkeerplaatsen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van 130 parkeerplaatsen op eigen terrein.
Derhalve wordt aan de parkeerbehoefte voldaan. Verkeersgeneratie Door Lycens is in het kader van het stikstofdepositieonderzoek (zie paragraaf 4.12) de verkeersgeneratie van de huidige en toekomstige situatie berekend. De verkeersgeneratie is berekend aan de hand van de kencijfers van het CROW (publicatie 381). De verkeersgeneratie voor de huidige en toekomstige situatie is weergegeven in respectievelijk tabel 4.1 en tabel 4.2.
69
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
Tabel 4.1: verkeersgeneratie huidige situatie (bron: Lycens)
Tabel 4.2: verkeersgeneratie toekomstige situatie (bron: Lycens) Het planeffect kan bepaald worden door de toekomstige verkeersgeneratie te verminderen met de huidige verkeersgeneratie. Het planeffect bedraagt derhalve 771 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal. Ontsluiting Door BonoTraffics is een onderzoek uitgevoerd naar de ontsluiting van het plangebied. Onderzocht is of een volledige ontsluiting via de Louis Pasteurstraat en Floris van Adrichemlaan of volledig via de Boerhaavelaanmogelijk is. Daarnaast is onderzohct of de aansluitingen van het plangebied op de omliggende openbare ruimte verkeersveilig zijn. De conclusies worden hieronder weergegeven. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 12 van deze toelichting. Verkeersafwikkeling Voor de verkeersafwikkeling is gekeken naar het effect van de projecten 'Boerhaave' en 'Damiate' in relatie tot het kruispunt Louis Pasteurstraat - Floris van Adrichemlaan en het kruispunt Frederik Ruyschstraat - Boerhaavelaan. Daarbij is de situatie in 2030 zonder deze ontwikkelingen afgezet tegen de situatie met de ontwikkelingen om een zuiver beeld te schetsen. Geconcludeerd wordt dat zowel bij een volledige ontsluiting van het plangebied 70
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
via de noordzijde als via de zuidzijde de verkeersafwikkeling op de kruispunten Louis Pasteurstraat - Floris van Adrichemlaan en Frederik Ruyschstraat Boerhaavelaan voldoende is. De planontwikkeling leidt weliswaar tot een toename van verkeer en een toename van de gemiddelde wachttijden en wachtrijen maar de berekende waarden zijn acceptabel en leiden niet tot (structurele) afwikkelingsproblemen. Dit betekent ook dat alle tussenvormen waarbij een deel van het verkeer via de noordelijke en een deel via de zuidelijke aansluiting afwikkelt geen problemen opleveren wat betreft verkeersafwikkeling (wachtrijen en wachttijden). Verkeersveiligheid De ontsluiting van het plangebied welke onderhavig bestemmingsplan mogelijk maakt (zie figuur 4.4) is wat betreft verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid goed mogelijk.
Figuur 4.7: mogelijke ontsluitingen plangebied Wat betreft verkeersveiligheid verdienen de aansluitingen op het omliggende wegennet wel enige aandacht wat betreft inrichting. 71
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
Er is echter een aantal verkeerskundige argumenten aan te voeren om het plangebied niet via drie (doodlopende) maar via één aansluiting voor het autoverkeer te ontsluiten. Eventueel aangevuld met een extra (afsluitbare) aansluiting t.b.v. het vracht- en calamiteitenverkeer: Het is voor bezoekers van het plangebied duidelijker en de locatie is makkelijker vindbaar; Het leidt tot minder omrijdbewegingen en/of parkeeroverlast in de omgeving (als het ene parkeerterrein vol is moet, uitgaande van de liggende schets, worden omgereden naar een andere parkeerplaats op het terrein); Een ontsluiting op één punt is wat betreft de verkeersafwikkeling goed mogelijk. Onderhavig bestemmingsplan maakt in principe alle ontsluitingen mogelijk. Bij de nadere planuitwerking kan gekozen worden om het plangebied via één ontsluiting te ontsluiten. 4.13.3
Conclusie De verkeer- en parkeeraspecten vormen geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
4.14 Vliegverkeer 4.14.1
Inleiding Met ingang van 1 februari 2003 is het zogenoemde Luchthavenindelingbesluit (LIB) van kracht. In het LIB, onderdeel van de gewijzigde Wet Luchtvaart (ofwel de "Schipholwet"), is rond de luchthaven Schiphol een beperkingengebied aangewezen. Hierbinnen gelden beperkingen van de maximale hoogte van objecten, en van vogel aantrekkende bestemmingen en vogel aantrekkend gebruik. De hoogtebeperkingen zijn opgelegd om ervoor te zorgen dat vliegtuigen op een veilige manier van en naar de luchthaven Schiphol kunnen vliegen. De beperkingen voor de vogel aantrekkende bestemmingen en vogel aantrekkend gebruik zijn opgelegd om te voorkomen dat zich in de nabijheid van de luchthaven concentraties vogels bevinden, die hinderlijk kunnen zijn voor vliegtuigen.
4.14.2
Onderzoek Onderhavig plan ligt niet in een beperkingen gebied en is evenmin gelegen in de nabijheid van de 20 Ke-contour. Daarnaast vormt de hoogte van de toe te laten bebouwing geen beperking en is met onderhavig plan geen sprake van een vogelaantrekkend gebied.
4.14.3
Conclusie Het aspect vliegverkeer vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
72
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
4.15 Waterparagraaf 4.15.1
Inleiding Een belangrijk ordenend principe bij ruimtelijke plannen is het waterbeheer: de zorg voor veiligheid tegen overstromingen en voor voldoende en gezond oppervlaktewater. Waterbeheerders worden in een zo vroeg mogelijk stadium betrokken bij het proces van ruimtelijke planvorming. De Watertoets is hiervoor het wettelijk geregelde procesinstrument, zie www.dewatertoets.nl. De resultaten van het doorlopen van dit proces van afstemming zijn weergegeven in deze waterparagraaf. Deze paragraaf benoemt de waterbeheerder, beschrijft het relevante beleid en het huidige watersysteem en gaat in op de effecten daarop van ruimtelijke ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.
4.15.2
Onderzoek De waterbeheerder in het plangebied Het hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheerfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol. Huidige situatie plangebied Veiligheid en waterkeringen Het plangebied grenst aan een waterkering. Deze waterkering ligt langs de Boerhaavelaan, zie onderstaande uitsnede van de Legger Regionale Waterkering.
73
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
Afbeelding 4.8: ligging en beschermingszone regionale waterkeringen (bron: Legger Hoogheemraadschap Rijnland) Een deel van het plangebied ligt binnen de buitenbeschermingszone van de regionale kering. De buitenbeschermingszone heeft tot doel het beschermen van de stabiliteit van de beschermingszone. Binnen deze zone is een vergunning nodig indien sprake is van explosiegevaar of een afgraving voor delfstoffen en specie of seismisch onderzoek. Hiervan is in voorliggend plan geen sprake. Grondwater en ontwatering Het grondwaterbeleid van de gemeente is erop gericht om grondwateroverlast op openbaar terrein te voorkomen. Daarom wordt in veel wijken in Haarlem de grondwaterstand verlaagd door een drainagesysteem. Deze systemen zorgen ervoor dat de grondwaterstanden gereguleerd kunnen worden. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsprogramma is het beleid met betrekking tot grondwaterbeheer en riolering opgenomen. Dit is reeds aan bod gekomen in hoofdstuk 3. De grondwaterstanden in Haarlem zijn over het algemeen vrij hoog. Om grondwateroverlast te voorkomen zijn dan ook onder een groot aantal wijken drainagesystemen aangelegd. Deze systemen hebben grote invloed op het functioneren van het lokale grondwatersysteem.
74
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
In voorliggend plan worden er geen kelders gegraven, zo vindt het parkeren op maaiveld plaats, waardoor de invloed van het plan op de grondwaterstand beperkt blijft. Bovendien is Schalkwijk opgehoogd met circa 2 meter zand en kent het een grondwaterstand die relatief diep is, minimaal 1 meter minus maaiveld (in droge perioden meer) en dat sprake is van wegzijging (=grondwaterstroming naar diepere watervoerende lagen). Compensatieregeling Indien verharding in een gebied toeneemt, zullen waterhuishoudkundige maatregelen getroffen moeten worden om waterbezwaar als gevolg van de toegenomen verharding te voorkomen. Gemeente Haarlem en het Hoogheemraadschap van Rijnland stellen als richtlijn dat - indien gebouwd wordt en hierbij meer dan 500 m2 onverhard oppervlak omgezet wordt naar verhard oppervlak - minimaal 15 procent van de toename aan verharding gecompenseerd dient te worden in de vorm van oppervlaktewater. Het uiteindelijk te compenseren oppervlak hangt af van overige maatregelen die de waterhuishouding in een gebied ten goede kunnen komen, zoals het vertraagd afvoeren van hemelwater middels grasdaken en ontkoppeling van het rioolstelsel, waarbij het ontkoppelde water in de bodem geïnfiltreerd wordt. In voorliggend plan is sprake van een toename aan verharding van meer dan 500 m2. Naar schatting betreft het een toename van circa 1.000 - 1.500 m2.
In het plangebied dient derhalve ten minste 15 procent van de toename te worden gecompenseerd. Met deze watercompensatie wordt in het inrichtingsplan voor de buitenruimte rekening gehouden. Afvalwater en riolering In de huidige situatie is het plangebied gemengd gerioleerd. Dat betekent dat huishoudelijk afvalwater en regenwater gezamenlijk worden ingezameld en afgevoerd naar de AWZI. Bij hevige regenbuien is de capaciteit van de riolering echter te klein om al het water te ontvangen en stort rioolwater over op de Amerikavaart (zie onderstaande afbeelding). Het afvalwater gaat naar AWZI Schalkwijk. Deze wordt binnen enkele jaren gesloten. Dan gaat het afvalwater naar AWZI Zwanenburg. In het plangebied is geen afvalwatertransportleiding aanwezig.
75
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
Figuur 4.9: locatie overstorten riolering (bron: Hoogheemraadschap Rijnland) Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is een gescheiden rioolstelsel verplicht. Hierbij wordt alleen huishoudelijk afvalwater via de riolering afgevoerd naar de AWZI. Schoon hemelwater wordt direct afgevoerd op oppervlaktewater (of via een infiltratiezone). Door het oppervlaktewater in de buurt is de afvoer van schoon regenwater naar oppervlaktewater eenvoudig te realiseren. Uitwerking vindt plaats in overleg met gemeente Haarlem en HHR. Het huishoudelijk afvalwater wordt ingezameld en aangesloten op het vuilwaterriool van Schalkwijk. Uitwerking vindt plaats in nauwe afstemming met de rioolbeheerder in verband met de capaciteit van het ontvangende rioleringssysteem. Waterspreekuur Het plan is in het kader van het wettelijk vooroverleg voorgelegd aan Rijnland. Rijnland heeft geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling.
76
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
4.15.3
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
4.16 Bezonning 4.16.1
Inleiding Bij bezonning bij ruimtelijke plannen gaat het om voldoende zon op de gevel en om schaduwwerking. Nieuwbouw kan schaduw veroorzaken op de openbare ruimte of tuinen van omwonenden. Voorkomen moet worden dat de schaduw te veel toeneemt. Sommige functies hebben juist een goede bezonning nodig, zoals tuinen, terassen of speelplekken. Er is geen wet- en regelgeving voor bezonning. Bezonningsdiagrammen geven inzicht in de bezonning van de gevels en (extra) schaduw op de omgeving.
4.16.2
Onderzoek Door 2by4 Architects is een bezonningstudie uitgevoerd voor de maanden maart, juni, september en december. Hierbij is de dag 21 van iedere maand als uitgangspunt genomen en is de bezonningssituatie voor de tijden 9:00 uur, 12:00 uur en 17:00 uur inzichtelijk gemaakt. De bezonningsstudie is als bijlage 13 opgenomen in deze toelichting en hieruit blijkt dat in alle maanden in de namiddag om 17:00 uur sprake is van een geringe toename van schaduwwerking voor de wonen die ten oosten van het plangebied zijn gelegen. Voor de maanden juni en september geldt dat naast de toename om 17:00 uur, voor een aantal woningen juist sprake is van een afname van schaduw. Omdat de toename van de schaduwwerking c.q. afname van de bezonning zich enkel voordoet in de middag om 17:00 uur, en hiermee de afname van bezonning als gering kan worden gekwalificeerd, wordt geconcludeerd dat voor de woningen ten oosten van het plangebied geen sprake is van een onevenredige aantasting van een goed woon- en leefklimaat. Op de overige woningen in de omgeving van het plangebied (aan de noord-, zuidoost- en zuidzijde van het plangebied) heeft de voorgenomen ontwikkeling geen invloed op de bezonning.
4.16.3
Conclusie Het aspect bezonning vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.
4.17 M ER-beoordeling
4.17.1
Inleiding De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De
77
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, dient een toets uitgevoerd te worden of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 4.17.2
Onderzoek Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de realisatie van circa 250 (zorg)woningen met bijbehorende voorzieningen. Daarmee is sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject, welke voorkomt op bijlage D categorie 11.2 van het Besluit m.e.r.. Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderhavige ontwikkeling valt daarmee ruim onder de drempelwaarden. Er geldt geen directe m.e.r.-beoordelingsplicht, een vormvrije m.e.r.-beoordeling is wel noodzakelijk. Indien hieruit blijkt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, geldt alsnog een m.e.r.-beoordelingsplicht. Omdat sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is een aanmeldnotitie opgesteld en ingediend bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag heeft hierover een besluit genomen (kenmerk: 2020/1137516) en geoordeeld dat geen significante negatieve effecten te verwachten zijn en dat een nadere m.e.r. beoordeling niet noodzakelijk is.
78
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
Volledigheidshalve is de aanmeldnotitie ook als bijlage 14 opgenomen in deze toelichting. Voor de goede orde moet worden opgemerkt dat de bijlagen bij de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. al als bijlagen bij deze toelichting zijn opgenomen en derhalve niet nogmaals zijn toegevoegd als bijlagen bij de aanmeldnotitie
79
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
80
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
Hoofdstuk 5 5.1
JURIDISCHE ASPECTEN
Inleiding De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is verder uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een verdere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente Haarlem. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Er is één landelijke voorziening waar alle ruimtelijke plannen voor een ieder volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn. Hiertoe moeten alle bestemmingsplannen voldoen aan landelijk vastgestelde standaarden. In de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) zijn de hoofdgroepen van bestemmingen bepaald, zoals Wonen, Bedrijven e.d. Ook geeft de SVBP2012 bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels.
Dat leidt ertoe dat de systematiek zoals gehanteerd in dit bestemmingsplan, op ondergeschikte onderdelen af kan wijken van de voorheen geldende planologische regelingen. Het juridische bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De planregels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen over de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels en ook de functie van visualisering van de bestemmingen.
5.2
Juridische planopzet Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meer locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van groot belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Denk hierbij aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling, het monitoren van beleid en de handhaving. Er is één landelijke voorziening waar alle ruimtelijke plannen voor iedereen volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn: www.ruimtelijkeplannen.nl. Hiertoe moeten alle bestemmingsplannen voldoen aan landelijk vastgestelde standaarden. In de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012) zijn de hoofdgroepen van bestemmingen bepaald, zoals Wonen, Bedrijven e.d.
81
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
Ook geeft de SVBP2012 bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. De regels van het bestemmingsplan vallen op grond van de SVBP2012 in 4 hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels 5.2.1 Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Dit artikel definieert de begrippen die in de regels worden gehanteerd. Daardoor wordt vermeden dat verschillende interpretaties van de begrippen tot verschillen van mening over de regelgeving zouden kunnen leiden. Bij toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normaal spraakgebruik. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten gemeten moeten worden. Een aantal bepalingen schrijft de regeling SVBP2012 dwingend voor. 5.2.2 Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Artikel 3 Gemengd - 1 Deze bestemming is bedoeld om de voorziene mix aan functies van de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Om deze mix aan functies in het gebied te bewerkstelligen is gewerkt met aanduidingen voor de zorgwoningen en woningen en is het bvo van een aantal functies gemaximeerd.
Artikel 4 Groen De openbare groen gebieden zijn specifiek bestemd als 'groen', dit betreft de aanwezige bomen en in te richten grasgebieden, oevers en taluds in het plangebied. In de bestemming groen is tevens water toegestaan, alsmede ondersteunde voorzieningen van het groengebied als (fiets)paden, bruggen, straatmeubilair en speelvoorzieningen. Artikel 5 Verkeer De bestaande openbare straten in het plangebied zijn opgenomen in de bestemming 'verkeer'. In deze bestemming zijn tevens de benodigde voorzieningen voor deze bestemming opgenomen, als een trottoir, straatverlichting en nutsvoorzieningen. Ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' zijn parkeerplaatsen op maaiveld toegestaan. Artikel 6 Wonen
82
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
Deze bestemming is bedoeld om het wonen binnen het plangebied toe te staan. Beroepsmatige activiteiten aan huis zijn binnen de bestemming 'wonen' toegestaan onder de voorwaarde dat deze activiteiten ondergeschikt zijn aan het wonen. In deze bestemming zijn tevens de benodigde bijbehorende voorzieningen toegestaan zoals groenvoorzieningen, waterlopen, waterpartijen, parkeervoorzieningen, bergingen, tuinen en erven. Artikel 7 Waarde - Archeologie De aanwezige archeologische verwachtingswaarden krijgen bescherming door het toekennen van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, ook bestemd voor de bescherming en de veiligstelling van archeologische waarden. Het bestemmingsplan houdt rekening met de (voorlopige) Archeologische Beleidskaart Haarlem. In het plangebied komt de categorie 4 voor. Categorie 4 In de gebieden die tot deze categorie behoren geldt een lage archeologische verwachting. Voor deze categorie geldt dat bij plannen waarbij bodemverstorende activiteiten plaatsvinden van 2.500 m² en groter en die dieper gaan dan 30 cm beneden maaiveld, een waardestellend archeologisch rapport moet worden overlegd bij de aanvraag van een omgevingsvergunning. Aan deze gebieden is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' toegekend.
Artikel 8 Waarde - Groeiplaats monumentale boom In dit bestemmingsplan zijn de groeiplaatsen voor monumentale bomen vastgelegd die in de openbare ruimte staan. Binnen deze dubbelbestemming geldt een bouwverbod en is een omgevingsvergunning nodig voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden (aanlegvergunning). Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om af te wijken van het verbod om te bouwen wanneer de aanvrager met een groentoets aantoont dat de groeiplaats van de monumentale boom niet onevenredig wordt aangetast. 5.2.3 Hoofdstuk 3: Algemene regels Artikel 9 Anti-dubbeltelregel Met deze regel wordt voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt. Bijvoorbeeld in het geval (onderdelen van) bouwpercelen - al dan niet tijdelijk - van eigenaren wisselen. De regeling is vooral van belang met het oog op nieuwbouw. Door verwerving van een extra (bouw)perceel of een gedeelte daarvan, kunnen de gronden niet meegenomen worden met de berekening van de bouwmogelijkheden van het nieuwe perceel als de nieuw verworven gronden al meegenomen zijn bij de berekening van een eerdere omgevingsvergunning. Het is dus niet toegestaan gronden twee keer in te zetten om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit te verkrijgen.
83
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
Artikel 10 Algemene bouwregels In dit artikel zijn de bouwregels voor alle bestemmingen opgenomen, met uitzondering van de dubbelbestemmingen. Artikel 11 Algemene gebruiksregels Dit artikel geeft algemene regels met betrekking tot ongewenst gebruik van gronden die in alle gevallen opgeld doen, tenzij dit in de specifieke gebruiksregels expliciet alsnog wordt toegestaan. Artikel 12 Algemene afwijkingsregels Het bestemmingsplan als bindende verordening is opgebouwd uit objectief vastgelegde ruimtelijke begrenzingen. De mogelijkheden en onmogelijkheden voor het bouwen en het gebruik zijn nauwkeurig vastgelegd. Die ruimtelijke en functionele begrenzing is een afgeleide van de basisgegevens van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT), stedenbouwkundige afwegingen en het bestaande gebruik. In de praktijk kunnen afwijkingen voorkomen. Ook kan, bij nieuwe ontwikkelingen, veranderde wetgeving of voorschreidend inzicht, toch behoefte zijn aan een andere maatvoering oif een andere functie van bouwwerken. Starheid van bestemmingsregels mag niet de oorzaak zijn van gekunstelde oplossingen, waarmee de kwalitatieve doelstelling van het bestemmingsplan niet gediend is. Door middel van dit artikel is enige mate van flexibiliteit mogelijk. Zo kan er een afwijking plaatsvinden voor de in het plan aangegeven maten tot ten hoogste 10%.
Het toepassen van een afwijkingsbevoegdheid gebeurt altijd met inachtneming van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht, zodat belanghebbenden de mogelijkheid tot bezwaar/beroep hebben wanneer op grond van dit artikel van het plan wordt afgeweken. Artikel 13 Overige regels Parkeren, laden en lossen Dit artikel legt een koppeling tussen de regels van het bestemmingsplan en de gemeentelijke beleidsregels voor het parkeren. De normen voor parkeren, stallen, laden en lossen zelf liggen namelijk niet vast in dit bestemmingsplan, maar in gemeentelijke beleidsregels. Die beleidsregels geven aan wanneer er sprake is van voldoende ruimte voor parkeren, stallen, laden en lossen. Uitgegaan wordt altijd van de gemeentelijke beleidsregels voor het parkeren zoals die gelden op het moment van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. Lid 13.1.3 geeft ook aan wat als strijdig gebruik van gronden en bouwwerken is aangemerkt. Strijdig gebruik is het gebruiken of laten gebruiken van gronden of
84
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
bouwwerken waarbij niet in voldoende mate ruimte is aangebracht en in stand wordt gehouden op eigen terrein voor parkeren, stallen, laden en lossen overeenkomstig het gemeentelijke beleid. Tot slot bepaalt lid 13.1.4 dat er afgeweken kan worden onder de voorwaarden zoals die zijn genoemd in de gemeentelijke beleidsregels voor het parkeren. Ook hiervoor geldt dat uitgegaan dient te worden van de gemeentelijke beleidsregels voor het parkeren zoals die gelden op het moment van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. Voorwaardelijke verplichting Om het gewenste eindbeeld te realiseren en te kunnen voldoen aan een goede ruimtelijke ordening is een aantal voorwaardelijke verplichting opgenomen in lid 13.2. Het betreft een voorwaardelijke verplichting ten aanzien van de inrichting van de openbare ruimte. 5.2.4 Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 14 Overgangsrecht Het overgangsrecht is van toepassing op bestaande situaties (gebruik en/of bebouwing) die op het moment van het van kracht worden van dit bestemmingsplan niet passen binnen het nieuwe plan. Het overgangsrecht houdt in dat gebruik en bebouwing dat in strijd is met het nieuwe bestemmingsplan, maar al aanwezig was ten tijde van de voorgaande plannen, onder voorwaarden, mag worden voortgezet.
Ook bouwwerken die op basis van een geldige omgevingsvergunning nog gebouwd mogen worden, worden onder het overgangsrecht geschaard. Het overgangsrecht is nadrukkelijk niet bedoeld voor bouwwerken die een gebruik kennen dat onrechtmatig is op het moment van het van kracht worden van dit bestemmingsplan. Er is geen sprake van legalisatie van al strijdig gebruik door dit bestemmingsplan en er kan ook nog steeds gehandhaafd worden. Ook bouwwerken die op de peildatum illegaal zijn, blijven illegaal. Artikel 15 Slotregel Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het onderliggende bestemmingsplan. Bijlage 1 bij de regels Zoneringslijst De Zoneringslijst is opgenomen in bijlage 1 van de regels en geeft – voor zover passend binnen de bestemming – op basis van de hindercategorie aan welk type activiteiten zijn toegestaan. Activiteiten die niet in de lijst omschreven staan kunnen – voor zover passend binnen de bestemming – worden beoordeeld op basis van de hinder die ze (kunnen) veroorzaken. Vanuit milieuoverwegingen (zoals lawaai en stank) zowel als vanuit ruimtelijke overwegingen (een bedrijf met een vloeroppervlak van 90 m2 ziet er geheel anders uit dan een bedrijf met 85
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
een vloeroppervlak van 350 m2) is het wenselijk niet alle werkfuncties toe te laten. Daarom is als bijlage achter de regels een zogeheten Zoneringslijst opgenomen. Deze lijst vormt het planologische toetsingskader bij het al dan niet toelaten van een nieuw bedrijf. In deze bijlage wordt uiteengezet hoe de lijst is samengesteld en hoe de toetsing aan de Zoneringslijst verloopt. Naast deze planologische toetsing vindt ook altijd een toetsing plaats aan de Wet milieubeheer (onder meer het verlenen van een milieuvergunning) wanneer een nieuw bedrijf (de wet spreekt over een inrichting) gevestigd wordt. Milieuzonering is het waar nodig ruimtelijk scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies. De in het gebied voorkomende activiteiten zijn overeenkomstig het huidige gebruik en bouwmogelijkheden in dit bestemmingsplan opgenomen. Voor bestaande werkfuncties die een hogere milieucategorie hebben dan het bestemmingsplan toelaat worden geen uitbreidingsmogelijkheden geboden. De milieuhinder van de bedrijfsfuncties moet passen binnen de voor het gebied geldende categorieën van de zoneringslijst. Bedrijven met een hogere milieuhindercategorie zijn alleen toegestaan waar dat is aangeduid op de verbeelding.
86
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
Hoofdstuk 6 6.1
UITVOERBAARHEID
Economische uitvoerbaarheid Bij ontwikkelingen die middels het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, is het noodzakelijk aan te tonen in hoeverre de beoogde plannen financieel haalbaar zijn en wie de risicodragende partij is. In dit kader is in afdeling 6.4 Wro bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen, indien een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Hiervan kan worden afgeweken indien het verhaal van de kosten van een grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is. Met dit bestemmingsplan wordt beoogd het vigerende juridisch-planologisch kader te herzien naar aanleiding van de gewenste realisatie van circa 250 (zorg)woningen met bijbehorende (zorg)voorzieningen. Er is hierdoor sprake van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Daarom is het opstellen van een exploitatieplan noodzakelijk, tenzij de kosten van de ontwikkeling anderszins verzekerd zijn. Tussen gemeente en de ontwikkelpartij is een anterieure overeenkomst gesloten waarin ingegaan wordt op het kostenverhaal. Hiermee zijn de kosten van de ontwikkeling anderszins verzekerd.
6.2
M aatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1 Wettelijk vooroverleg Overeenkomstig artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de volgende instanties: Provincie Noord-Holland Hoogheemraadschap van Rijnland Veiligheidsregio Kennemerland (VRK) Omgevingsdienst IJmond (ODIJ) In overleg met de VRK en de ODIJ is de paragraaf over externe veiligheid aangepast en is een onderzoek naar externe veiligheid uitgevoerd. De conclusie dat de externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling vormt, blijft onveranderd. Het bestemmingsplan gaf voor de provincie Noord-Holland geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft geen bezwaren tegen de planontwikkelingen, maar heeft daarbij nog wel gewezen op het actuele beleid van Rijnland en de verwerking daarvan in de toelichting behorende bij het bestemmingsplan.
87
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
6.2.2 Zienswijzen Gedurende een periode van 6 weken, van 26 augustus 2020 tot en met 7 oktober 2020, is een ieder in de gelegenheid gesteld om te reageren op het plan. Er zijn geen zienswijzen binnengekomen.
6.3
Handhaving Met dit bestemmingsplan beoogt de gemeenteraad een voor de burgers duidelijk en herkenbaar ruimtelijk beleid te formuleren. Op grond daarvan mag dan ook verwacht worden dat het college van burgemeester en wethouders handhavend optreedt als iemand de regels van het bestemmingsplan niet naleeft. De ruimtelijke kwaliteit van het gebied loopt namelijk gevaar als men in strijd met het bestemmingsplan een bouwwerk bouwt of als men in strijd met het bestemmingsplan gronden of bouwwerken gebruikt. Het achterwege laten van handhaving kan ertoe leiden dat zich ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen voordoen, die negatieve gevolgen hebben voor de ruimtelijke kwaliteit en de veiligheid. Daarom wordt hier het beleid over de handhaving uiteengezet en aangegeven hoe de handhaving van de bestemmingsplanregels wordt opgepakt. Volgens vaste jurisprudentie bestaat er een beginselplicht om handhavend op te treden. Dit houdt in dat, gelet op het algemeen belang dat gediend is met de handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift of regel het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moet maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen als er concreet zicht op legalisatie bestaat.
Verder kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. De gemeente Haarlem voldoet aan deze beginselplicht door daadkrachtig en consequent op te treden. Eens in de vier jaar stelt de gemeente Haarlem een integraal handhavingsbeleid vast waarin de projecten staan aangegeven die worden opgepakt. De opzet is dat de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving niet alle illegale situaties tegelijk aanpakt, maar wel een werkbaar aantal zaken, wat een uitstralend effect zal hebben. Nieuw vastgestelde bestemmingsplannen lenen zich bij uitstek voor deze projectmatige aanpak. Uiteraard wordt bij calamiteiten altijd opgetreden. Handhaving van de regels van bestemmingsplannen vindt in de gemeente Haarlem plaats langs bestuursrechtelijke weg. Rechtszekerheid en gelijke behandeling van burgers staan hierbij voorop. Daarbij is ook communicatie belangrijk. Hier kan bovendien een preventieve werking van uitgaan. De gemeente brengt vooral de relatie met de na te streven beleidsdoelstellingen onder de aandacht, zodat voor iedere inwoner, eigenaar en ondernemer duidelijk mag zijn hoe en wanneer het college handhaaft.
Ook voor dit plangebied zal de handhaving van de kaders van het bestemmingsplan ook plaatsvinden na het verstrekken van omgevingsvergunningen voor de activiteiten 'bouwen', 'het uitvoeren van een werk' en 'het gebruiken van gronden en bouwwerken'. Want niet alleen 88
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
handelingen zonder vergunning zijn onderwerp van handhaving, maar ook handelingen in afwijking van een omgevingsvergunning vormen een overtreding. Het gemeentelijk toezicht tijdens de vergunningplichtige activiteiten is gewaarborgd doordat inspecteurs in Haarlem volgens het Landelijk Toezichtprotocol werken. Deze inspecteurs classificeren projecten volgens het protocol, waarmee zij de noodzakelijke frequentie en het niveau van de controles tijdens de bouw bepalen. De rapportage van deze controles slaan zij digitaal op. Zo draagt het college zorg voor de handhaving van de bestemmingsplanregels.
89
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
Inhoudsopgave
Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8
Hoofdstuk 3 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13
Hoofdstuk 4 Artikel 14 Artikel 15
5 Inleidende regels
7
Begrippen Wijze van meten
7 15
Bestemmingsregels
19
Gemengd - 1 Groen Verkeer Wonen Waarde - Archeologie Waarde - Groeiplaats monumentale boom
19 21 23 25 27 31
Algemene regels
33
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Overige regels
33 35 37 39 41
Overgangs- en slotregels
43
Overgangsrecht Slotregel
43 45
3
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
4
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
Regels
5
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
6
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
1.1
aan-huis-verbonden beroep: het uitoefenen van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, educatief, kunstzinnig of technisch vlak of daarmee gelijk te stellen activiteiten niet zijnde detailhandel, dat een uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.
1.2
aanbouw en uitbouw: een aangebouwd gebouw behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.
1.3
aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
1.4
aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
1.5
aanlegvergunning: omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
1.6
achtergevelrooilijn: bebouwingsgrens aan de van de weg afgekeerde zijde van het bebouwingsvlak.
1.7
antenne-installatie: installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.
1.8
archeologisch deskundige: professioneel archeoloog die op basis van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie bevoegd is om archeologische onderzoek uit te voeren en programma's van eisen op te stellen en te toetsen.
1.9
archeologisch onderzoek: diverse vormen van onderzoek naar de archeologische waarde binnen een plangebied, uitgevoerd volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.
7
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
1.10
archeologisch rapport: in rapportvorm vervat verslag van een volgens de in de archeologische beroepsgroep gebruikelijke normen verricht archeologisch onderzoek, op basis waarvan een conclusie kan worden getrokken over de aanwezigheid en de waarde van archeologische resten.
1.11
archeologisch waardevol gebied: gronden waar archeologische waarden aanwezig of te verwachten zijn.
1.12
archeologische waarde: vindplaats of vondst met een oudheidkundige waarde. Het betreft hier met name archeologische relicten in hun oorspronkelijke ruimtelijke context.
1.13
bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
1.14
bebouwingspercentage: een op de verbeelding aangegeven percentage dat de grootte van het deel van het bouwvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd.
1.15
bedrijf: een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, alsmede verhuur, opslag en distributie van goederen.
1.16
begane grond: een bouwlaag waarvan het vloerniveau (nagenoeg) ter hoogte van het aansluitende peil ligt.
1.17
begeleid wonen: vormen van wonen waarbij de begeleiding door externen plaatsvindt, zodat zelfstandig wonen mogelijk wordt of blijft, met dien verstande dat de externen niet voortdurend of nagenoeg voortdurend aanwezig zijn en in de woning geen afzonderlijke ruimte voor de begeleiding aanwezig is.