CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

20201102311 02. Bijlage 1 Ontwerp Reparatieplan C Haarlem 2020

commissie Ontwikkeling 7 januari 2021, gemeente HaarlemBij agendapunt: Ontwerp bestemmingsplan Reparatieplan C vrijgeven voor inspraak24.423 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 14 van 188

Figuur 2: Horizontale verplaatsing van een blindganger van een vliegtuigbom.

3.2.2 Cartografische onnauwkeurigheid Het is gebleken dat bij de inpassing van de diverse kaarten (de huidige ondergrond, geallieerde stafkaarten etc.) en luchtfoto’s enige onnauwkeurigheid onvermijdbaar is. Voor dit vooronderzoek zijn diverse luchtfoto’s besteld, die zijn ingepast in het Geografisch Informatiesysteem (GIS). De afwijking bij het inpassen van deze luchtfoto’s is variabel en is afhankelijk van het aantal herkenningspunten op de luchtfoto. Bij het intekenen van NGE-Risicogebieden op basis van deze luchtfoto’s wordt een buffer in acht genomen ter ondervanging van deze cartografische afwijking. De gemiddelde buffer bedraagt circa tien meter. Deze relatief kleine afwijking kan worden gehanteerd door de vele herkenningspunten die zowel in de Tweede Wereldoorlog als in het heden aanwezig waren en nog altijd aanwezig zijn. Sommige bronnen, met name de Operations Record Books (ORB’s), maken gebruik van het Nord du Guerre coördinatenstelsel om de locatie van oorlogshandelingen weer te geven. Piloten van bommenwerpers en jachtbommenwerpers noteerden hun waarnemingen met een coördinaat in de logboeken. Het Nord du Guerre coördinatenstelsel is opgedeeld in kilometervakken, die zijn weergegeven op de geallieerde stafkaart. Bij het noteren van coördinaten vanaf deze kaart is sprake van drie soorten onnauwkeurigheden: 1.

Notatie onnauwkeurigheid In de notatie van coördinaten zit altijd een afwijking, deze afwijking is afhankelijk van het aantal cijfers, waarmee het coördinaat is genoteerd. Bij een zescijferig coördinaat bedraagt deze onnauwkeurigheid 100 m. Bij een achtcijferige notatie 10 meter. Dit houdt in dat bij een achtcijferig coördinaat geen punt maar een vak van 10x10 meter wordt aangeduid waarbinnen het doelwit zich bevindt. 2. Projectie van de geallieerde stafkaart De geallieerde stafkaart is samengesteld op basis van vooroorlogse kaarten, die gedurende de oorlogsjaren zijn geüpdatet en aangevuld met nieuwe informatie. Door de beperking van de techniek en gebrek aan de mogelijkheid om gebieden goed in te meten, is de kaart onnauwkeurig, zie Figuur 3. In het figuur zijn twee afbeeldingen opgenomen. Links is de huidige nauwkeurige ondergrond weergegeven waarbij een deel van een straat is opgemeten. In het figuur rechts is een deel van de geallieerde stafkaart weergegeven, waarbij hetzelfde deel van de straat is opgemeten. Het verschil in afstand bedraagt 13 m. Bij productie van kaarten worden de kaartelementen vertekend om een overzichtelijk kaartbeeld te creëren, bijvoorbeeld wegen zijn breder weergegeven dan dat ze in werkelijkheid op schaal zouden moeten worden ingetekend, anders zouden ze niet zichtbaar zijn.

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 15 van 188

Figuur 3: Weergave verschil huidige ondergrond en geallieerde stafkaart.

3. Waarnemingsonnauwkeurigheid van de piloot. Veel verkenningsvluchten en luchtaanvallen werden onder slechte omstandigheden uitgevoerd. Vaak was het nacht, bewolkt, slecht weer of lagen de vliegtuigen onder vuur van Duits luchtafweergeschut. Daarnaast waren de navigatiemiddelen in de Tweede Wereldoorlog niet zo ver ontwikkeld. Piloten hadden tijdens de missies vermoedelijk de stafkaarten bij zich om zich te kunnen oriënteren. Hierdoor kunnen waarnemingen slecht genoteerd zijn en afwijken van de werkelijkheid. Gebrekkige waarneming leidde ertoe dat Haarlem bijvoorbeeld werd verward met vliegvelden Schiphol, Valkenburg en Schellingwoude en als zodanig werd aangevallen 4. Projectie op de bommenkaart De dienst gemeentewerken van Haarlem heeft nog tijdens de Tweede Wereldoorlog een bommenkaart opgesteld, waarop de bekende bominslagen stonden aangegeven. De bommenkaart geeft een goed beeld van de aantallen en de locaties van de bombardementen op Haarlem. De nauwkeurigheid van deze kaart is echter niet groot; de kaart is immers ten eerste met de hand getekend en ten tweede digitaal ingepast in GIS. Tot slot is gebleken dat in sommige gevallen de aangegeven locaties niet correct zijn. Zo zijn op de kaart blindgangers aangegeven die na raadpleging geen blindgangers bleken te zijn, maar gedetoneerde bommen. Ook zijn sommige locaties niet correct aangegeven.

Tot slot hebben de symbolen op de bommenkaart een doorsnede van vijftig meter. Dit verhoogt de onnauwkeurigheid van deze kaart.

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 16 van 188

Figuur 4: Doorsnede van de symbolen op de bommenkaart (Bron: Beeldbank NHA).

De combinatie van deze onnauwkeurigheden leidt tot een relatief grote onnauwkeurigheid bij het intekenen van oorlogshandelingen op basis van ORB’s, indien mogelijk wordt daarom altijd een tweede bron (bijv. luchtfoto) gebruikt om het betreffende NGE-Risicogebied af te bakenen. 3.2.3 Onduidelijke locatieomschrijving of In de verschillende geraadpleegde bronnen is informatie aangetroffen, waarvan de locatieverwijzing onvoldoende concreet is om een gebied af te kunnen bakenen:  Neergestorte vliegtuigen In het geval van de neergestorte vliegtuigen blijkt dat de locatieomschrijving vaak niet specifiek is. Zo wordt bijvoorbeeld als locatie van een neergestort vliegtuig ‘Haarlem’ gegeven. Op basis van die vage locatieomschrijving is het niet mogelijk een gebied af te bakenen. 

3.3

Onbekende locaties Met name bij de naoorlogs geruimde NGE door de EOD is de locatie vaak onbekend. Als locatieomschrijving wordt vaak een straatnummer genoemd, terwijl het goed kan zijn dat het NGE is aangetroffen in een weiland op driehonderd meter van het straatnummer. Bij de munitieruimrapporten dient dus rekening te worden gehouden dat de aangegeven locatie niet altijd de locatie van het aangetroffen NGE hoeft te zijn. AFBAKENING NGE-RISICOGEBIEDEN

Op basis van de beoordeling en evaluatie van het bronnenmateriaal is bepaald of ten gevolge van een oorlogshandeling mogelijk NGE kunnen zijn achtergebleven. Als dat het geval is, is een NGERisicogebied afgebakend. Deze risicogebieden zijn na overleg tussen de Historici en Senior OCEdeskundige zo goed mogelijk afgebakend, waarbij de richtlijnen voor afbakening in het WSCS-OCE leidend zijn geweest. In verschillende gevallen is echter gebleken dat moest worden afgeweken van deze richtlijnen. Waar dit het geval is, is dit aangegeven. Daarnaast biedt in een aantal gevallen het WSCS-OCE geen richtlijn voor het afbakenen van risicogebieden. In deze gevallen heeft de afbakening plaatsgevonden op basis van “expert judgement” van de Historici en de Senior OCE-deskundige.

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 17 van 188

Onderstaand wordt per type oorlogshandeling beschreven hoe de NGE-Risicogebieden zijn afgebakend. 3.3.1 Naar aanleiding van bombardementen Het WSCS-OCE hanteert bepaalde richtlijnen voor het afbakenen van risicogebieden naar aanleiding van bombardementen. Zoals ook uit dit onderzoek is gebleken, zijn niet alle bombardementen conform deze richtlijn af te bakenen. Er zijn vrijwel bij iedere locatie waar meerdere bombardementen hebben plaatsgevonden uitzonderingen. In deze paragraaf zijn de verschillende manieren van afbakenen beschreven. In dit onderzoek is sprake van drie soorten bombardementen: 1. Bombardementen van lage hoogte door Mosquito bommenwerpers met meerdere bommen. 2. Bombardementen van geringe tot grote hoogte met lichte en middelzware bommenwerpers, zoals de Britse Wellington, Blenheim en Albacore bommenwerpers. 3. Bombardementen van grote hoogte door middelzware Ventura en Whitley bommenwerpers. Tijdens het onderzoek is op een aantal moeilijkheden gestuit:  Geen bruikbare luchtfoto’s; in verschillende gevallen is gebleken dat geen luchtfoto’s beschikbaar zijn van kort na de aanvallen. De luchtfoto’s zijn van enige tijd na de aanval, waardoor de kans bestaat dat er nog meer luchtaanvallen hebben plaatsgevonden in de periode tussen de aanval en de opnamedatum van de luchtfoto.

 Ten oosten en ten zuiden van Haarlem zijn gebieden onder water gezet (geïnundeerd), waardoor kraters niet meer op luchtfoto’s konden worden waargenomen.  De bebouwing maakte krateranalyse onmogelijk.  De verschillende geraadpleegde bronnen waren niet consistent, waardoor verschillende bronnen elkaar tegen spraken. Het afbakenen van NGE-Risicogebieden naar aanleiding van bombardementen heeft op de volgende manieren plaatsgevonden:  Bombardement van lage hoogte. In Haarlem hebben enkele bombardementen plaatsgevonden door Mosquito bommenwerpers van lage hoogte. De afbakening van deze aanvallen is per keer verschillend. Zo is van één bombardement bekend dat slechts één bom van één vliegtuig niet is gedetoneerd. Het NGERisicogebied naar aanleiding van dit bombardement is dan ook relatief klein afgebakend. Bij andere bombardementen van Mosquito’s zijn de risicogebieden groter, aangezien er mogelijk meer blindgangers zijn achtergebleven of de locatieomschrijving op een groter gebied duidt. 

Tapijtbombardement krateranalyse. Volgens het WSCS-OCE dient een inslagenpatroon te worden afgebakend volgens de indicatie tapijtbombardement. Dit is een gebied dat is getroffen door een bombardement met middelzware en/of zware bommenwerpers met als doel schade aan te richten over een groot gebied. Op basis van een analyse van het inslagenpatroon is de maximale afstand tussen twee opeenvolgende inslagen binnen een inslagpatroon bepaald. Het verdachte gebied is afgebakend door deze afstand, vermeerderd met de cartografische onnauwkeurigheid en de horizontale verplaatsing, te projecteren op de buitenste inslagen van het inslagenpatroon. In enkele gevallen zijn risicogebieden afgebakend op basis van een soortgelijke krateranalyse. In de gevallen dat de luchtfoto’s zich niet leenden voor een krateranalyse, bijvoorbeeld doordat de bommen in bebouwd gebied neerkwamen of doordat de kwaliteit van de luchtfoto’s onvoldoende was voor een goede analyse, zijn geen risicogebieden afgebakend naar aanleiding van een krateranalyse.

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 18 van 188

Tapijtbombardement geen krateranalyse. Het WSCS-OCE biedt geen richtlijn voor het afbakenen van bombardementen van middelzware en/of zware bommenwerpers waarvan het niet mogelijk is om krateranalyse toe te passen. Zo komt het in dit onderzoek voor dat geen kraters zijn waar te nemen, bijvoorbeeld in een stedelijk gebied. In deze gevallen zijn de bombardementen situationeel afgebakend.

3.3.2 Naar aanleiding van luchtaanvallen met boordgeschut Het WSCS-OCE biedt geen richtlijn voor het afbakenen van NGE-Risicogebieden naar aanleiding van beschietingen met boordwapens. Aanvallen met boordgeschut zijn lastig af te bakenen omdat vaak: 1. niet exact bekend is waar de aanvallen hebben plaatsgevonden; 2. in het geval van een “strafing” (aanval met boordgeschut) de wapens al ruim van te voren worden afgevuurd, waardoor niet bekend is wat de spreiding is. 2 Om bovenstaande redenen is het risicogebied gelijk gesteld aan het risicogebied naar aanleiding van bombardementen of raketaanvallen. In gevallen waar alleen een luchtaanval heeft plaatsgevonden met boordwapens is het risicogebied situationeel afgebakend. Daar waar bekend is dat aanvallen zijn uitgevoerd met boordmitrailleurs, wordt geen risicogebied afgebakend. Met boordmitrailleurs worden kogels (Klein Kaliber Munitie, KKM) afgeschoten welke in de meeste gevallen geen springstof bevatten. De kogel is het projectiel dat wordt verschoten. 3.3.3 Naar aanleiding van neergekomen vliegtuigen De richtlijn in het WSCS-OCE schrijft voor dat in het geval van een crashlocatie van een vliegtuig het risicogebied situationeel dient te worden afgebakend. In de meeste gevallen is gebleken dat de exacte locatie van de neergekomen vliegtuigen niet te achterhalen is op basis van het geraadpleegde bronnenmateriaal.

In dit HVO-NGE is op basis van locatieomschrijving één NGE-Risicogebied afgebakend. 3.3.4 Naar aanleiding van de aanwezigheid van verdedigingsstellingen Uit de luchtfoto’s, de Defence Overprints en de overige kaarten uit de archieven is gebleken dat in de gemeente Haarlem diverse verdedigingsstellingen hebben gelegen. Deze zijn onder te verdelen in: • Verdedigingswerk Dit is een groepering van wapenopstellingen en/of geschutopstellingen. Volgens het WSCS-OCE is het grondgebied binnen de grenzen van het verdedigingswerk verdacht. Hierbij dient de cartografische onnauwkeurigheid te worden toegevoegd. • Wapenopstelling Een wapenopstelling is een opstelling voor handvuurwapens, machinegeweren en/of andere (semi)automatische wapens, niet zijnde onderdeel van een verdedigingswerk. Uitgangspunt is dat de locatie van de wapenopstelling verdacht is op de aanwezigheid van NGE. Omdat een wapenopstelling op basis van luchtfoto’s is afgebakend, dient rekening te worden gehouden met de cartografische onnauwkeurigheid. • Geschutopstelling Locatie van geschut, niet zijnde onderdeel van een verdedigingswerk. Volgens het WSCS-OCE is het risicogebied een gebied met een straal van 25 m. rondom het hart van de geschutsopstelling, maar niet verder dan een eventueel aangrenzende watergang. Hierbij dient de cartografische onnauwkeurigheid te worden toegevoegd. 2

Een film van aanvallen met boordwapens: https://www.youtube.com/watch?v=L1HrOu4SW8o.

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 19 van 188

• Loopgraaf Een loopgraaf is meestal te herkennen aan een zigzaggend patroon. Uitgangspunt is dat het gebied binnen de contouren van de loopgraaf verdacht is. Omdat een loopgraaf op basis van luchtfoto’s is afgebakend, dient de cartografische onnauwkeurigheid te worden toegevoegd om de contour van de loopgraaf. • Mangat Dit is een gat in de grond met schuilfunctie, niet in gebruik genomen als schuttersput. Mangaten zijn volgens het WSCS-OCE niet verdacht tenzij er aanwijzingen zijn dat ze in gebruik zijn genomen als schuttersput. Het is aannemelijk dat de mangaten die zich bevinden in gebieden waar ook grondgevechten hebben plaatsgevonden, zijn gebruikt als schuttersput. De mangaten die zijn gebruikt als schuttersput zijn verdacht op mogelijk achtergebleven NGE. 3.3.5 Naar aanleiding van neergekomen projectiel luchtafweergeschut Meerdere keren is in de bronnen een melding aangetroffen van een neergekomen granaat van luchtafweergeschut. Volgens het WSCS-OCE is een krater van een gedetoneerde incidentele luchtafweergranaat niet verdacht tenzij er indicaties zijn dat het geen incidentele luchtafweergranaat betreft. In één geval is een NGE-Risicogebied afgebakend naar aanleiding van een neergekomen luchtafweergranaat. Het betrof in dit geval een blindganger.

Dit NGE-Risicogebied is situationeel afgebakend, aangezien het WSCS-OCE geen richtlijnen biedt voor het afbakenen van een NGERisicogebied voor blindgangers van luchtafweerprojectielen. Vanwege de grote hoeveelheid luchtafweergeschut in de omgeving van Haarlem, kan niet worden uitgesloten dat er granaten van luchtafweergeschut in de gemeente zijn neergekomen. Granaten van luchtafweergeschut worden op vliegtuigen afgevuurd met tijdschokbuizen. Dit betekent dat de granaten detoneren als zij een schok ervaren, bijvoorbeeld door het raken van een vliegtuig. Als ze geen vliegtuig raken, moeten zij na een vooraf ingestelde tijd alsnog detoneren en verscherven in de buurt van het vliegtuig. Als de tijdschokbuizen niet functioneren, valt de granaat als blindganger op de grond, waar deze alsnog detoneert of als blindganger achterblijft. Het is niet in te schatten waar granaten van luchtafweergeschut zijn neergekomen, omdat het luchtafweergeschut meebeweegt met de overvliegende vliegtuigen. Granaten kunnen tot vele kilometers van het afweergeschut neerkomen. Om deze reden is het niet mogelijk een NGE-Risicogebied af te bakenen ten gevolge van neergekomen luchtafweergranaten, tenzij een concrete inslaglocatie bekend is.

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 20 van 188

Beoordelen en evalueren bombardementen

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 21 van 188

4

BEOORDELEN EN EVALUEREN BOMBARDEMENTEN

Uit de inventarisatie van het bronnenmateriaal is gebleken dat er diverse luchtaanvallen in de gemeente Haarlem hebben plaatsgevonden. Deze luchtaanvallen waren in veel gevallen vergissingsbombardementen en bomafworpen door vliegtuigen in nood. Enkele luchtaanvallen zijn echter ook gericht op doelwitten binnen Haarlem uitgevoerd. Zo is de gasfabriek verschillende keren aangevallen, is de Centrale Werkplaats van de Nederlandse Spoorwegen gebombardeerd en zijn treinen en schepen aangevallen. In dit hoofdstuk worden deze bombardementen en beschietingen vanuit de lucht beoordeeld, waarbij wordt bepaald of sprake is van een NGE-Risicogebied. 4.1

INCIDENTELE BOMBARDEMENTEN, 1940

In 1940, het eerste jaar van de Tweede Wereldoorlog, vonden zes bombardementen plaats op Haarlems grondgebied. De eerste bominslag vond plaats op 27 mei 1940, toen een kleine bom in het noordelijke deel van Haarlem insloeg. Hierbij werden geen slachtoffers veroorzaakt. Dit was niet bij ieder bombardement op Haarlem in 1940 het geval. Het bombardement op de Rozenprieel op 3 oktober leidde tot veel slachtoffers en grote schade. De bombardementen in 1940 worden in deze paragraaf nader toegelicht. 4.1.1 Bominslag weiland Sperwerstraat, 27 mei 1940 Het boek Zonder Waarschuwing maakt melding van een bominslag op 27 mei 1940, ’s nachts rond 2.00 uur (zie bijlage 3: MAA, p. 27). De bom viel op het land van de boer Cor Vink, achter de speeltuin Meerlebos bij de Sperwerstraat. De boer verklaarde in 1989 in een interview met de auteurs van het boek: "Toen ik de volgende morgen de wei inliep om de koeien te melken, zag ik in het land een kleine bomkrater van ongeveer twee meter breed en een meter diep. Het had niet veel om het lijf. Ik heb nog twee kleine stukjes opgepakt, een onderdeel met een soort propeller eraan en een stuk van de staart.” De speeltuin Meerlebos aan de Sperwerstraat is de huidige Speeltuin DVS.

De locatie van de speeltuin en de aangrenzende weilanden zijn weergegeven in de luchtfoto van 8 februari 1943, de eerst beschikbare kwalitatief goede luchtfoto van na de bominslag Op de luchtfoto is geen krater waargenomen.

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 22 van 188

Figuur 5: Weilanden nabij de Sperwerstraat op een luchtfoto van 8 februari 1943.

Het is niet bekend waar de bom exact is neergekomen. Ook is niet te achterhalen welk vliegtuig deze bommen afwierp. In het geraadpleegde bronnenmateriaal wordt slechts melding gemaakt van één neergekomen bom. Het overige geraadpleegde bronnenmateriaal maakt geen melding van deze bominslag. Naar aanleiding van de bominslag op 27 mei 1940 wordt geen NGE-Risicogebied afgebakend. Conclusie Naar aanleiding van de bominslag in de nacht van 27 mei 1940 wordt geen NGE-Risicogebied afgebakend. 4.1.2 Bominslag in de Waarderpolder, 31 mei 1940 In het boek Zonder Waarschuwing (zie bijlage 3: MAA p.27) wordt melding gemaakt van een neergekomen bom op het weiland van boer Dijkzeul in de Waarderpolder op 31 mei 1940. In het overige bronnenmateriaal is geen informatie aangetroffen met betrekking tot deze bominslag. Mogelijk is de bom afgeworpen door een vliegtuig dat in nood verkeerde. Het is niet bekend waar het land van boer Dijkzeul zich in de Tweede Wereldoorlog bevond. Op een luchtfoto van 28 oktober 1940 zijn geen bomkraters waarneembaar. Het gebied waarbinnen de bom kan zijn neergekomen, is weergegeven in Figuur 6.

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 23 van 188

Figuur 6: Waarderpolder in de Tweede Wereldoorlog (rode onderbroken lijn) op de geallieerde stafkaart.

Het tijdstip waarop de bom neerkwam, is niet bekend. Om deze reden kan ook niet worden vastgesteld door welk vliegtuig de bom is afgeworpen, en of er mogelijk meer bommen zijn afgeworpen. De bron waarin het bombardement wordt vermeld maakt slechts melding van één bominslag. Het overige bronnenmateriaal maakt geen melding van deze gebeurtenis. Aangezien het geraadpleegde bronnenmateriaal slechts één bom vermeld, wordt naar aanleiding van deze gebeurtenis geen NGERisicogebied afgebakend. Conclusie Naar aanleiding van de bominslag in de nacht van 31 mei 1940 wordt geen NGE-Risicogebied afgebakend. 4.1.3 Bominslagen bij de Zomerweg en de Buitenrustbrug, 20 juni 1940 Op 20 juni 1940 vielen tussen 1.40 en 1.41 uur bommen in de Romolenpolder. Er vielen geen doden en gewonden. Tien bomkraters in het weiland waren het gevolg. Twee houten vlonders en een weg werden vernield. De bommen vielen nabij de bebouwde kom. Dit blijkt uit informatie uit het Nationaal Archief (zie bijlage 4: toegang 2.04.53.15, inventaris 75). Informatie uit het boek Zonder Waarschuwing (zie bijlage 3: MAA, p. 27) maakt melding van bominslagen op 200 meter afstand van de Buitenrustbrug, en bominslagen aan de Zomerweg.

Figuur 7: Uitsnede van het rapport van de Inspectie Luchtbeschermingsdienst (Bron: Nationaal Archief, Toegang 2.04.53.15).

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 24 van 188

In het boek Zonder Waarschuwing (zie bijlage 3) wordt dit bombardement toegeschreven aan bommenwerpers van het Britse Coastal Command die in de nacht van 19 op 20 juni IJmuiden aanvielen. Hudson bommenwerpers van 206 Squadron en drie Albacore torpedobommenwerpers van 826 squadron vielen met korte tussenpozen de haven van IJmuiden aan. Mogelijk bombardeerden deze vliegtuigen per abuis Haarlem. Uit de bombardementsgegevens van Coastal Command (zie bijlage 6) blijkt dat deze vliegtuigen inderdaad IJmuiden aanvielen. Om 22.10 uur (23.10 uur Nederlandse tijd) viel een Hudsonbommenwerper van 206 Squadron de zuidzijde van de binnenhaven van IJmuiden aan met vier brandbommen en 2 bommen van 250 lbs. De brandbommen vielen in het water, maar de bommen van 250 lbs vielen op de havenkant. De resultaten van de overige Hudson-bommenwerpers worden niet vermeld. De drie Albacore-bommenwerpers vielen IJmuiden aan om 23.55 uur (0.55 uur Nederlandse tijd) met in totaal twaalf 250 lbs brisantbommen. Er werden geen treffers waargenomen.

Figuur 8: Uitsnede bombardementsgegevens Coastal Command (Bron: TNA, AIR 24/373).

In het Nationaal Archief3 is een lijst geraadpleegd van de oorlogshandelingen in de gemeente Velsen, waartoe IJmuiden behoorde. Hieruit blijkt dat in de nacht van 19 op 20 juni 1940 meerdere bominslagen plaatsvonden in IJmuiden. Om 23.15 uur vielen twee brisantbommen op het Sluiseiland (Zuidersluis). Om 23.30 uur vielen nogmaals bommen, ditmaal twee brisantbommen op Fort IJmuiden. Enkele uren later, om 4.40 en 5.15 uur, vielen wederom brisantbommen. Om 0.55 uur, het tijdstip waarop de Albacore-bommenwerpers hun twaalf 250 lbs brisantbommen afwierpen, wordt in IJmuiden geen bominslag gemeld. Op basis van deze gegevens hebben vermoedelijk de drie Albacore-bommenwerpers van 826 Squadron hun twaalf bommen bij Haarlem afgeworpen. Op de bommenkaart (Beeldbank Noord-Hollands Archief (NHA), fotonummer 51-001344) van de gemeente Haarlem is het bombardement weergegeven met de cijfers 1 tot en met 10. Een uitsnede van de bommenkaart is weergegeven in Figuur 9.

3 Nationaal Archief, toegang 2.04.53.15: Inventaris van het archief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken: Inspectie Bescherming Bevolking tegen Luchtaanvallen, 1937-

1946, inventaris 75: Noord-Holland. In deze toegang is een overzicht aangetroffen van de oorlogshandelingen in de gemeente Velsen tussen 15 mei en 15 december 1940.

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 25 van 188

Figuur 9: Bominslagen in de Romolenpolder, rood omcirkeld op de bommenkaart (Bron: Beeldbank NHA).

Een luchtfoto van 10 juli 1940 is geraadpleegd ter verificatie van de bommenkaart. Op deze luchtfoto zijn inslagen zichtbaar op een andere locatie dan op de bommenkaart is aangegeven.

Figuur 10: Bominslagen op een luchtfoto d.d. 10 juli 1940, rood omcirkeld.

Aan de hand van het geraadpleegde bronnenmateriaal wordt geconcludeerd dat de drie Albacorebommenwerpers van Coastal Command niet IJmuiden, maar per abuis Haarlem hebben gebombardeerd. Daarnaast wordt geconcludeerd dat de bominslagen op de bommenkaart verkeerd zijn aangegeven. Op de luchtfoto van 10 juli 1940 zijn immers tien bomkraters zichtbaar op andere locaties in de Romolenpolder dan op de bommenkaart. Deze tien bomkraters komen overeen met de tien

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 26 van 188

bomkraters die worden vermeld in de informatie uit het Nationaal Archief. Aangezien tien van de twaalf bommen met zekerheid zijn gedetoneerd, zijn mogelijk twee brisantbommen van 250 lbs als blindgangers achtergebleven. Het bombardement in de nacht van 19 op 20 juni 1940 is aanleiding voor het afbakenen van een NGERisicogebied, waarbinnen mogelijk twee blindgangers van 250 lbs brisantbommen zijn achtergebleven. Het NGE-Risicogebied wordt afgebakend op basis van de zichtbare kraters op de luchtfoto van 10 juli 1940. De maximale afstand tussen twee opeenvolgende inslagen van het inslagenpatroon wordt hierbij als uitgangspunt genomen. Deze maximale afstand bedraagt ca. 95 meter. Aan deze 95 meter wordt een straal van vijftien meter toegevoegd ter ondervanging van de cartografische onnauwkeurigheid. Daarnaast wordt een buffer toegevoegd ter ondervanging van de ondergrondse horizontale verplaatsing van een blindganger van een vliegtuigbom. Deze buffer bedraagt twintig meter. Het totale NGE-Risicogebied bedraagt derhalve 130 meter rond de zichtbare bomkraters en is weergegeven in Figuur 11.

Figuur 11: NGE-Risicogebieden n.a.v. het bombardement op 20 juni 1940.

Conclusie Naar aanleiding van het bombardement van 20 juni 1940 wordt een NGE-Risicogebied afgebakend, waarbinnen NGE van afwerpmunitie van 250 lbs G.P. kunnen zijn achtergebleven. 4.1.4 Bombardement op de Edisonstraat, 26 op 27 juni 1940 Uit het archief van de Haarlemse luchtbeschermingsdienst (zie bijlage 4: NHA, toegang 1539) is gebleken dat in de nacht van 26 op 27 juni rond 2.15 uur bommen insloegen bij de Leidsevaart. De luchtbeschermingsdienst rapporteerde vier bominslagen. Eén bom was neergekomen in een weiland ter hoogte van Leidsevaart 84, waardoor in de omgeving ruiten waren gesprongen en pannen van de daken waren geslagen. Een tweede bom was gedetoneerd in de Leidsevaart ongeveer veertig meter ten noorden van de bom in het weiland. Een motorbootje en een kano waren totaal vernield. De derde bom kwam neer midden op de Leidsevaart tegenover de Maxwellstraat, waardoor een gat in het wegdek was ontstaan van twee bij twee meter. Deze bominslag had de aanvoerbuis van de waterleiding vernield, waardoor de straat onder liep. De vierde bom was ingeslagen in de woning Edisonstraat 4, waardoor

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 27 van 188

twee mensen om het leven kwamen. Eén agent werd ingezet om te zoeken naar blindgangers van vliegtuigbommen. In het archiefstuk wordt geen melding gemaakt van het aantreffen van blindgangers.

Figuur 12: Rapport van de luchtbeschermingsdienst (Bron: NHA, toegang 1539).

De dag na de bombardementen werden foto’s genomen van de schade. De foto’s zijn opgenomen in de beeldbank van het Noord-Hollands Archief en zijn weergegeven in Figuur 13 en Figuur 14.

Figuur 13: De verwoeste woning Edisonstraat 4 (Bron: Beeldbank NHA, fotonummer NL-HlmnHA_Hrlm_19352).

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 28 van 188

Figuur 14: Herstel van bomschade aan de Leidsevaart (Bron: Beeldbank NHA, fotonummer NLHlmNHA_Hrlm_19361).

De bominslagen zijn als volgt weergegeven op de bommenkaart van Haarlem uit 1943. Het gaat om de nummers 11 tot en met 14. De locaties komen bij benadering overeen met de locaties die zijn vermeld in het overige bronnenmateriaal.

Figuur 15: Bominslagen in de nacht van 26 op 27 juni op de bommenkaart (11 t/m 14, Bron: Beeldbank NHA).

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 29 van 188

Ook in de literatuur wordt dit bombardement vermeld. In Zonder Waarschuwing (zie bijlage 3, MAA pp. 27-29) wordt vermeld dat de bommen waren afgeworpen door een Handley Page Hampden bommenwerper van 144 Squadron van de Britse luchtmacht. Het toestel kon door technische problemen het oorspronkelijke doel, Bonn, niet bereiken. Daarop werd besloten Schiphol als alternatief doel aan te vallen. Om 2.10 wierp het vliegtuig vier bommen van 500 lbs af van een hoogte van 19.500 voet. Ter verificatie van het boek Zonder Waarschuwing zijn de Operations Record Books (ORB’s, zie bijlage 6) van het hoofdkwartier van het Britse Bomber Command en van het uitvoerende 144 Squadron geraadpleegd. Uit het raadplegen van deze ORB’s is gebleken dat de Hampden om 1.10 uur Engelse tijd (2.10 uur Nederlandse tijd) Schiphol door een gat in de bewolking zag, en besloot te bombarderen. De piloten namen geen resultaten waar door de bewolking. Een uitsnede van de ORB is weergegeven in Figuur 16.

Figuur 16: Uitsnede van de ORB van 144 squadron (Bron: TNA, AIR 27/980).

De tijd tussen de afworp door de Hampden en de inslagen die in Haarlem werden gerapporteerd komen overeen. Daarom wordt geconcludeerd dat de Hampden bommenwerper per abuis Haarlem heeft gebombardeerd. Alle bronnen melden vier afgeworpen bommen die allen zijn gedetoneerd. Geconcludeerd wordt dat naar aanleiding van het bombardement in de nacht van 26 op 27 juni geen blindgangers zijn achtergebleven. Conclusie Het bombardement van 26 op 27 juni 1940 is geen aanleiding voor het afbakenen van een NGERisicogebied. 4.1.5 Bombardement op het Binnenpad, 26 juli 1940 In het archief van de luchtbeschermingsdienst van de gemeente Haarlem (zie bijlage 4: NHA, Toegang 153) is informatie aangetroffen over de afworp van twee bommen op het Binnenpad en een onbekend aantal drijvende mijnen in de wateren rond Spaarndam. De afworp vond plaats om 3.45 uur in de nacht

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 30 van 188

van 25 op 26 juli 1940. De bommen detoneerden en beschadigden een villa. Van tientallen huizen sneuvelden de ruiten en de openbare verlichting viel uit. Het Binnenpad werd onbegaanbaar. Om 8.15 uur detoneerde een drijvende mijn in het vaarwater ‘het IJ’ nabij Zijkanaal C. Om 14.17 uur detoneerde nogmaals een drijvende mijn in het vaarwater van het Noorder Buiten Spaarne. Hierbij raakte de wal over een lengte van vier meter beschadigd. In het boek Zonder Waarschuwing (zie bijlage 3: MAA, p. 43) wordt vermeld dat de bommen vlakbij de werf van Stapel vielen, waar ongeveer tien kleine vissersboten lagen. Bij Van Hattum en Blankevoort lagen baggerschuiten aangemeerd. Deze vaartuigen konden door de Duitsers worden gebruikt voor de invasie van Engeland. Om deze reden werden deze schepen aangevallen. De bominslagen en gedetoneerde mijnen zijn weergegeven op de bommenkaart van de gemeente Haarlem met de nummers 16 t/m 19. De locaties van de inslagen op de bommenkaart komen overeen met het rapport van de luchtbeschermingsdienst.

Figuur 17: Uitsnede van de bommenkaart (Bron: Beeldbank NHA).

De ORB’s van het Britse Coastal Command (zie bijlage 6) zijn geraadpleegd. Uit deze ORB’s is gebleken dat de aanval werd uitgevoerd door Blenheim bommenwerpers van het 53e Squadron. Zes Blenheims werden uitgestuurd voor een operatie tegen schepen in een meer nabij Haarlem. Vier bommenwerpers konden door omstandigheden niet aanvallen. Twee Blenheims (Blenheim T en R) vielen echter wel aan. T-53 bombardeerde een onbekend doel, vloog door en wierp tien ‘rounds’ in het meer bij Haarlem. Uit de bombardementsgegevens van het squadron (zie bijlage 6) blijkt dat het tien drijvende mijnen (WBombs) betrof.

Figuur 18: Beschrijving van de aanval door Blenheim T van 53 squadron (Bron: TNA, AIR 24/373).

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 31 van 188

De Blenheim ‘R’ steeg op om 1.10 uur en voerde een duikbombardement uit vanuit het noorden met zicht op gebouwen aan het noordeinde van het meer, ten westen van de sluisdeuren. De bemanning vermoedde dat de bommen ietwat over het doel waren geschoten, maar zagen brand nadat de bommen waren afgeworpen. Aantallen afgeworpen bommen worden niet vermeld. Vervolgens werden W-Bombs afgeworpen in het kanaal aan het noordeinde van de stad. Volgens de ORB van het hoofdkwartier van Coastal Command ging het om vier drijvende mijnen. Om 3.54 landde het vliegtuig weer op vliegbasis Detling.

Figuur 19: Beschrijving van de aanval door Blenheim R van 53 squadron (Bron: TNA, AIR 27/503).

Uit het geraadpleegde bronnenmateriaal blijkt dat in de nacht van 25 op 26 juli 1940 twee Blenheim bommenwerpers Haarlem hebben aangevallen. Eén Blenheim bombardeerde een onbekend doel alvorens tien drijvende mijnen in ‘het meer’ te gooien. Geconcludeerd wordt dat dit ‘het IJ’ betreft, waar de volgende dag een explosie van een dergelijke mijn plaatsvond. Uit het boek Zonder Waarschuwing blijkt dat in de periode hierna nog vaker dergelijke ´mysterieuze´ explosies plaatsvonden. De tweede Blenheim bombardeerde schepen in het IJ bij Spaarndam, maar zoals in de ORB wordt vermeld, schoten de bommen over het doel en troffen het Binnenpad. Vervolgens wierp het vliegtuig nog vier drijvende mijnen in het Noorder Buiten Spaarne. Uit de geraadpleegde ORB’s van het 53 e Squadron is niet gebleken met hoeveel brisantbommen de Blenheim-bommenwerpers bewapend waren. Het is dan ook niet bekend of de twee gedetoneerde brisantbommen de enige afgeworpen bommen waren. Op de eerst beschikbare luchtfoto van na de aanval, d.d. 28 oktober 1940, zijn de inslagen van de brisantbommen bij Spaarndam niet zichtbaar. Vermoedelijk is de kwaliteit van deze luchtfoto onvoldoende om de inslagen waar te nemen. Als de bommen van een licht kaliber waren, zijn de bomkraters mogelijk te klein om op een luchtfoto zichtbaar te zijn.

De locatie-aanduidingen op bommenkaart en het archiefmateriaal van de Haarlemse luchtbeschermingsdienst duiden op twee bominslagen op en nabij het Binnenpad. Gezien de schade (weg onbegaanbaar, ruiten gesprongen in de wijde omgeving) en het feit dat er twee bominslagen werden gemeld, wordt door REASeuro geconcludeerd dat twee bommen van 250 of 500 lbs zijn afgeworpen. Dit komt overeen met het aantal gedetoneerde vliegtuigbommen. Naar aanleiding van de afgeworpen W-Bombs in het Noorder Buiten Spaarne en het IJ wordt geen NGERisicogebied afgebakend. Het gebied waarbinnen deze bommen kunnen zijn neergekomen, strekt zich over enkele kilometers. Omdat de mijnen konden drijven, kunnen de mijnen zelf nog verder zijn afgedreven. Daarnaast wordt in het boek Zonder Waarschuwing vermeld dat zich gedurende de jaren 1940-1941 nog enkele ‘mysterieuze explosies’ deze wateren voorkwamen. Een drijvend platform bij de fabriek van Figee werd hierdoor beschadigd. Ook vielen er doden toen een roeier met zijn roeispaan een W-Bomb aantikte. Een onbekend aantal W-Bombs is dus vermoedelijk gedetoneerd. Om deze redenen is het afbakenen van een NGE-Risicogebied niet mogelijk.

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 32 van 188

Conclusie Naar aanleiding van de op 26 juli 1940 afgeworpen W-Bombs en brisantbommen wordt geen NGERisicogebied afgebakend. 4.1.6 Bombardement op de Rozenprieel, 3 oktober 1940 In de nacht van 2 op 3 oktober 1940 vonden in Haarlem twee bombardementen plaats. Dit blijkt uit informatie uit het boek Zonder Waarschuwing (zie bijlage 3: MAA, pp. 45-50). Het eerste bombardement vond plaats om 1.20 uur. “Drie of vier” bommen werden afgeworpen door een Duits vliegtuig, dat vermoedelijk onderweg was naar Schiphol en in nood verkeerde. De bommen detoneerden achter Byzantiumstraat 13 en op de lak- en oliefabriek van Savrij. In de fabriek ontstond een uitslaande brand, die korte tijd later (om 2.35 uur) werd waargenomen door een Whitley bommenwerper van het 58e Squadron van Bomber Command. Dit toestel was onderweg naar Rotterdam, maar kon het doel niet lokaliseren vanwege de bewolking. Toen de piloot de brand aan bakboordzijde waarnam, besloot hij dit self illuminating target (‘zichzelf verlichtend doelwit’, de brandende fabriek) aan te vallen. In twee bomb runs werden zes bommen van 250 lbs, twee van 500 lbs en zestig 4 lbs staafbrandbommen op de stad afgeworpen.

Figuur 20: De afgebrande fabriek van Savrij, getroffen tijdens het bombardement van 1.20 uur (Bron: Beeldbank NHA, fotonr. NL-HlmNHA_54008060).

De eerste run vond plaats van een hoogte van 3.000 voet (ruim 900 meter), waarbij de bommen ongeveer vijftig meter naast de brandende fabriek insloegen. De bommen van deze run vielen in de wijk Rozenprieel, in de Voortingstraat, Camphuysstraat, Keystraat en de Bakkerstraat (4 bommen). De tweede run werd in een dalende bocht ingezet. De explosies en branden van deze run waren vanuit de lucht waar te nemen. De bommen waren ingeslagen op het wegdek van de Leidsevaart ter hoogte van de Rijkskweekschool (bom nummer 5) en op een leegstaand huis op de hoek Koninginneweg – Olieslagerslaan (bom nummer 6). Ook viel een bom door de kassen van kwekerij van Tubergen (bom nummer 7), en één in het Florapark (bom nummer 8). De drie laatste brisantbommen vielen in de Eindenhoutstraat 36, in de tuin van het huis Vredenhofstraat – Bos en Hovenstraat en vlakbij het Duitse autopark in Den Bout (bom nummers 9, 10 en 11). De grootste schade werd veroorzaakt door de

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 33 van 188

staafbrandbommen, die in de driehoek Wagenweg – Lorentzplein – Koninginneweg insloegen. In totaal vielen volgens dit boek tijdens het tweede bombardement dus elf brisantbommen en een onbekend aantal brandbommen. Ook in rapporten van de Haarlemse luchtbeschermingsdienst (zie bijlage 4: NHA, Toegang 1539) worden de twee bombardementen uitgebreid omschreven. In het Proces-verbaal van de dienst wordt vermeld dat om 1.20 vijf bommen insloegen. Bommen sloegen in de fabriek van Dyserinck en een naastliggend perceel. Nog twee bommen kwamen neer op de Schalkwijkerweg bij de Slachthuisstraat. Tot slot viel een bom op perceel Byzantiumstraat 13. Volgens dit archiefstuk zijn dus vijf bommen gevallen bij het Duitse bombardement om 1.20 uur. Om 2.35 uur werd nogmaals luchtalarm gegeven. Ditmaal vielen vier brisantbommen in de Voortingstraat, Camphuysstraat, de Keystraat en de Bakkerstraat (1, 2, 3 en 4). Op de hoek Plein – Lorentzplein viel een brisantbom in een autogarage (5). Twee brisantbommen (6 en 7) kwamen neer op het wegdek van de Schalkwijkerweg. Eén brisantbom kwam neer op een woning in de Eindenhoutstraat (8), en één in de tuin van een woning aan de Vredenhofstraat (9). Een brisantbom kwam neer op de achterkant van een perceel aan de Zonnelaan (10). Tot slot kwam een bom neer in den Hout (11), dicht bij een Duits autopark.

In totaal werden volgens dit archiefstuk om 2.35 uur dus elf brisantbommen afgeworpen. Uit een rapport van de dag na het bombardement bleek de brisantbom op de Eindenhoutstraat echter een viertal brandbommen te zijn geweest, waardoor het om tien brisantbommen lijkt te gaan.

Figuur 21: Rectificatie van de bom op de Eindenhoutstraat (Bron: NHA, toegang 2185).

Om 2.40 uur werden nogmaals bominslagen gemeld. Eén bom sloeg in op de Leidsevaart (1), op het wegdek vóór de Rijkskweekschool voor onderwijzers. Ruiten en dakpannen sneuvelden. Gelijktijdig viel één bom op de hoek Koninginneweg – Olieslagerslaan (2). Twee brisantbommen kwamen neer in een kwekerij aan de Koninginneweg (3 en 4). Nog twee brisantbommen kwamen neer op een schoolgebouw en een woning in het Florapark (5 en 6). Tijdens deze tweede alarmperiode kwam tevens een groot aantal brandbommen neer in het gebied Wagenweg – Lorentzplein – Koninginneweg.

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 34 van 188

Figuur 22: De verwoeste kassen van de kwekerij aan de Koninginneweg (Bron: Beeldbank NHA, fotonr. NLHlmNHA_Hrlm_25600).

Het gemeentearchief meldt in totaal vijf brisantbommen om 1.20 uur, en zestien brisantbommen en een ‘groot aantal’ brandbommen omstreeks 2.40 uur. Op de bommenkaart wordt melding gemaakt van zestien brisantbommen en achttien brandbommen, volgens de legenda op de volgende locaties:

Figuur 23: Uitsnede van de legenda van de bommenkaart, 3 oktober 1940 (Bron: Beeldbank NHA).

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 35 van 188

In Figuur 24 zijn de bominslagen van 3 oktober 1940 op de bommenkaart met rood omcirkeld.

Figuur 24: Uitsnede van de bommenkaart. Inslagen van 3 oktober 1940 zijn rood omcirkeld (Bron: Beeldbank NHA).

De informatie van de bommenkaart komt overeen met de informatie van de archieven en de literatuur. In de ‘Dagberichten van de Befehlhaber der Ordnungspolizei Den Haag betreffende vijandelijke luchtaanvallen, 1940-1941’ (zie bijlage 4: NIOD, Toegang 077, inventaris 1328) wordt een totaal van zestien brisantbommen en ongeveer twintig brandbommen gemeld. Het wordt niet vermeld of het Duitse of Engelse bombardementen betreft. Een uitsnede van het Dagbericht van 4 oktober 1940 is weergegeven in Figuur 25.

Figuur 25: Uitsnede van het dagbericht van 4 oktober 1940 (Bron: NIOD, toegang 077, inv. 1328).

In het boek Zonder Waarschuwing staat dat het bombardement om 1.20 uur werd uitgevoerd door een Duitse bommenwerper in nood, die vóór de landing op Schiphol de bommen moest dumpen. Over deze noodafworp zijn geen gegevens beschikbaar. Het is daarom niet bekend hoeveel bommen deze bommenwerper heeft afgeworpen tijdens deze noodafworp. Hetzelfde boek vermeld dat het bombardement van 2.35 uur werd uitgevoerd door een Britse Whitley bommenwerper van het 58 e Squadron van Bomber Command. Dit wordt bevestigd door informatie uit de ORB’s (zie bijlage 6) Een Whitley bommenwerper wierp tussen 1.10 en 1.40 uur Britse tijd (2.10 en 2.40 uur Nederlandse tijd) bommen af op een loods op ongeveer tweeëneenhalve kilometer van de elektriciteitscentrale van Haarlem. Zestig staafbrandbommen en een totaal van 2.000 lbs aan brisantbommen werden afgeworpen op de loods die al in brand stond. Dit komt naar voren in de bombardementsgegevens van het hoofdkwartier van Bomber Command. In de gegevens van het 58e Squadron wordt het bombardement nader toegelicht. Ook uit deze informatie blijkt dat de aanval in twee runs is uitgevoerd. Een uitsnede van deze ORB is weergegeven in Figuur 26.

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 36 van 188

Figuur 26: ORB van het 58e Squadron (Bron: TNA, AIR 27/543).

Uit het geraadpleegde bronnenmateriaal blijken diverse discrepanties met betrekking tot het aantal afgeworpen bommen. In onderstaande tabel is de informatie uit de diverse geraadpleegde bronnen samengevat. Literatuur 3 of 4

NHA NIOD 1.20 5 In totaal 16 uur brisantbommen brisantbommen en ongeveer 20 2.40 6x 250 lbs en 2x 500 Zestien uur lbs afgeworpen, elf brisantbommen, staafbrandbom men. ingeslagen. 60 x 4 lbs groot aantal brandbommen. brandbommen. Tabel 1: Aantal bommen volgens de verschillende bronnen.

ORB Niet beschikbaar Totaal 2.000 lbs Brisantbommen, zestig 4 lbs brandbommen.

Bommenkaart In totaal 19 brisantbommen en 18 brandbommen.

De literatuur en het gemeentearchief melden over het eerste bombardement verschillende aantallen bominslagen. Het aantal varieert tussen drie en vijf brisantbommen. Van deze eerste aanval is niet bekend hoeveel bommen zijn afgeworpen. Ook over het tweede bombardement zijn de geraadpleegde bronnen inconsistent. In de literatuur worden meer bominslagen omschreven dan het totale aantal bommen dat zou zijn afgeworpen. Documentatie van de luchtbeschermingsdienst uit het NHA maakt zelfs melding van zestien ingeslagen brisantbommen. De ORB’s melden een totaal van één ton (2.000 lbs) brisantbommen, wat niet overeenkomt met het totaal van 2.500 lbs die wordt gemeld in het boek Zonder Waarschuwing. Het bronnenmateriaal biedt geen eenduidig beeld van het aantal gedetoneerde en ontbrande brisant- en brandbommen. De verwarring die uit het bronnenmateriaal blijkt, kan zijn veroorzaakt door de chaos bij de Haarlemse autoriteiten ten tijde van het bombardement. Twee vliegtuigen wierpen op drie momenten kort achter elkaar grote hoeveelheden bommen op de stad. Mogelijk zijn bominslagen dubbel gemeld, of zijn meerdere malen ingeslagen brandbommen genoteerd als brisantbommen. Het is daarom niet bekend hoeveel brisantbommen daadwerkelijk zijn afgeworpen en hoeveel er zijn gedetoneerd. De eerst beschikbare luchtfoto van na het bombardement die een deel van het getroffen gebied toont, d.d.

28 oktober 1940, is onderzocht op oorlogsschade. De kwaliteit van de foto en het feit dat het bebouwd gebied betreft, maken krateranalyse echter onmogelijk. De onduidelijkheden die zijn gebleken uit het geraadpleegde bronnenmateriaal bemoeilijken het afbakenen van een NGE-Risicogebied aanzienlijk. Het is immers niet bekend hoeveel bommen zijn afgeworpen, en hoeveel zijn gedetoneerd. Een krateranalyse naar aanleiding van deze bombardementen is niet mogelijk. De beschikbare luchtfoto’s zijn van onvoldoende kwaliteit voor een dergelijke analyse. De afgeworpen staafbrandbommen zijn over een zeer groot gebied verspreid neergekomen. Ook hiervan is niet bekend hoeveel zijn ontbrand. Geconcludeerd wordt dat naar aanleiding van de bombardementen geen NGE-Risicogebied kan worden afgebakend. Onduidelijkheid over de doelwitten, aantallen brand- en brisantbommen en de aantallen gedetoneerde bommen maakt een afbakening van een NGE-Risicogebied onmogelijk.

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 37 van 188

Conclusie Naar aanleiding van de bombardementen op 3 oktober 1940 kan geen NGE-Risicogebied worden afgebakend. 4.2

VERGISSINGSBOMBARDEM ENTEN, 1941

In 1941 werden wederom bommen afgeworpen op Haarlem. De bombardementen waren gericht op respectievelijk Schellingwoude, IJmuiden en Haarlem. In veel gevallen kwamen de bommen door vergissingen in de stad Haarlem neer. Deze bombardementen worden in deze pargraaf beoordeeld en geëvalueerd. 4.2.1 Bombardement bij het station, 1 maart 1941 ’s Morgens vroeg op 1 maart 1941 wierp een Britse bommenwerper van het 44e squadron van Bomber Command bommen op Haarlem. Dit blijkt uit de geraadpleegde literatuur (zie bijlage 3: MAA, p57 en ZWA 1, p. 62). Op de Parklaan ter hoogte van de Hooimarkt was een gat in het wegdek geslagen. In het baanvak Haarlem-Amsterdam ter hoogte van de Gonnetstraat werd een bomkrater geslagen. Op het Phoenix-terrein was een bomkrater te zien en bij de fabriek Flohil aan de Hooimarkt was een bom ontploft. In de kruidenierswinkel aan de Barendsestraat 30 was een blindganger neergekomen, evenals in de binnenplaats van de firma Brocades en Stheeman. De twee blindgangers werden in de dagen na het bombardement door Duitse eenheden geruimd. De locaties waar de bommen neerkwamen, zijn weergegeven in Figuur 27.

Figuur 27: Locaties waar de bommen insloegen op 1 maart 1941.

In de archiefstukken van de luchtbeschermingsdienst van Haarlem en in archiefstukken van de Ordnungspolizei (zie bijlage 4: NHA, Toegang 1539 en NIOD, Toegang 077, inventaris 1328) worden zes brisantbommen vermeld, die om 4.45 uur nabij het station detoneerden. De bominslagen van dit bombardement zijn tevens op de bommenkaart van de gemeente Haarlem weergegeven (zie de gele icoontjes met de nummers 55 t/m 60 in Tekening 02). Op deze bommenkaart staat echter aangegeven dat deze bommen niet zijn gedetoneerd. In de beeldbank van het Noord-Hollands Archief (NHA) zijn enkele afbeeldingen aangetroffen van het bombardement, waaruit blijkt dat vier van de zes ingeslagen

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 38 van 188

bommen wel degelijk zijn gedetoneerd, zoals ook omschreven is in de literatuur. Twee bommen detoneerden niet. Deze afbeeldingen zijn weergegeven in de onderstaande figuren.

Figuur 28: Bomkrater op het Phoenix-terrein (Bron: NHA, fotonummer NL-HlmNHA_Hrlm_02347).

Figuur 29: Bomkrater aan de Hooimarkt bij de Parklaan (Bron: NHA, fotonummer NL-HlmNHA_54008286_01).

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 39 van 188

Figuur 30: Inslagopening van de blindganger bij de firma Brocades en Stheeman (Bron: NHA, fotonummer KNA003004473).

Figuur 31: Blindganger (omcirkeld) in de kruidenierswinkel aan de Barendsestraat (Bron: NHA, fotonummer NLHlmNHA_Hrlm_16838).

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 40 van 188

In het boek Zonder Waarschuwing (zie bijlage 3) wordt het bombardement nader verklaard. Uit de analyse van deze auteurs bleek dat piloten met het Duitse Wilhelmshaven als doelwit de weg kwijt raakten, en besloten een alternatief doel te zoeken. Toen de piloten lichten waarnamen, concludeerden zij foutief dat het de watervliegbasis Schellingwoude was. Omstreeks half 5 ’s morgens wierpen de piloten hun bommen af, die niet op Schellingwoude, maar op Haarlem neerkwamen. Ook uit de Operations Record Books (ORB’s) van de Engelse luchtmacht en het analyseren van bovenstaande foto’s blijkt dat het een verdwaalde bommenwerper betrof. Uit de ORB’s (zie Figuur 32) blijkt dat een Handley Page Hampden bommenwerper die nacht om 3.40 uur Engelse tijd (4.40 uur Nederlandse tijd) vier bommen van het kaliber 500 lbs en twee bommen van 250 lbs SAP (Semi-Armor Piercing) afwierp. De tijd van afwerpen en het aantal afgeworpen bommen komt exact overeen met de gegevens uit het overige archiefmateriaal.

Figuur 32: Uitsnede van de ORB van 44 squadron (Bron: TNA, AIR 27/448).

Uit de analyse van het feitelijke bronnenmateriaal blijkt dat de zes afgeworpen bommen allemaal zijn gedetoneerd of geruimd: 1. Bominslag op het Phoenix-terrein (gedetoneerd). 2. Bominslag op de hoek Hooimarkt-Parklaan (gedetoneerd). 3. Bominslag in het baanvak Haarlem-Amsterdam ter hoogte van de Gonnetstraat (gedetoneerd). 4. Bominslag bij de fabriek Flohil aan de Hooimarkt (gedetoneerd). 5. Blindganger in de kruidenierswinkel aan de Barendsestraat (geruimd). 6. Blindganger bij de firma Brocades en Stheeman (geruimd). Omdat alle afgeworpen bommen zijn gedetoneerd of geruimd, wordt naar aanleiding van het bombardement van 1 maart 1941 geen NGE-risicogebied afgebakend. Conclusie Naar aanleiding van het bombardement op 1 maart 1941 wordt geen NGE-Risicogebied afgebakend. 4.2.2 Bombardement op de Gemeentereiniging, 14 april 1941 Op 14 april 1941 werden Blenheim bommenwerpers van de Britse luchtmacht uitgestuurd voor een bombardement op de elektriciteitscentrale van Haarlem. Door het bombardement werd de verbrandingsoven van de stadsreiniging vernield, evenals twee seinwachtershuisjes. Ook viel een bom op het perceel Oudeweg 8 (het terrein van de centrale werkplaats). Hoewel de luchtbeschermingsdienst vermoedde dat er blindgangers waren, werden deze bij een nader onderzoek niet gevonden. Dit blijkt uit de literatuur (zie bijlage 3, MAA pp. 60-63, ZWA 1 p. 179, MID p. 144 en TEM p.

156). De ligging van

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 41 van 188

de energiecentrale (1), de stadsreiniging (2), de gashouders (3) en de centrale werkplaats (4) zijn weergegeven in onderstaande figuur.

Figuur 33: De energiecentrale (1), de stadsreiniging (2), de gashouders (3) en de centrale werkplaats (4) op de geallieerde stafkaart.

Ook in archiefstukken van de luchtbeschermingsdienst komt het bombardement naar voren (zie Figuur 34 en bijlage 4: NHA, Toegang 1539). Uit het archief blijkt dat twaalf bommen zijn neergekomen. Vier bommen waren door één vliegtuig afgeworpen om 17.15 uur en acht door een ander vliegtuig om 17.33 uur. Men dacht dat het bombardement was gericht op de Centrale Werkplaats van de Spoorwegen, de gebouwen van het Gas- en Elektriciteitsbedrijf, de spoorlijn Amsterdam-Haarlem en/of in aanbouw zijnde havenwerken in de Waarderpolder.

Figuur 34: Uitsnede van het archiefstuk van de luchtbeschermingsdienst (Bron: NHA, Toegang 1539).

Eén van de bommen kwam neer in een weiland aan de zuidoostelijke zijde van de Oudeweg en detoneerde zonder schade aan te richten. De tweede bom kwam neer op de in aanbouw zijnde haven en beschadigde deze. Vijf bommen kwamen neer op het terrein van de Gemeentereiniging, waarvan er drie detoneerden. Eén vernielde de ontsmettingsoven en twee veroorzaakten kraters op het terrein. Een laatste bom viel op twee woningen op het terrein van de Centrale Werkplaats. Derhalve wordt van slechts acht bommen de locatie vermeld: - Eén in het weiland ten zuidoosten van de Oudeweg. - Eén in de in aanbouw zijnde haven.

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 42 van 188

-

Vijf op het terrein van de gemeentereiniging. Eén op het terrein van de Centrale Werkplaats.

De locatie van de overige bominslagen blijkt niet uit het archiefstuk van de Haarlemse luchtbeschermingsdienst. Op 15 april 1941 stelden Duitse eenheden een onderzoek naar blindgangers in. Deze werden echter niet gevonden. Op de Haarlemse bommenkaart staan de inslagen aangegeven met de nummers 61 t/m 72.

Figuur 35: Bominslagen op 14 april 1941, nummer 61 t/m 72 (rood omcirkeld) op de bommenkaart (Bron: Beeldbank NHA)

Archiefstukken van het NIOD, de ‘Dagberichten van de Befehlhaber der Ordnungspolizei Den Haag betreffende vijandelijke luchtaanvallen, 1940-1941’ (zie bijlage 4: NIOD, Toegang 077, inventaris 1328) maken geen melding van twaalf, maar van slechts zeven bominslagen. Hiervan zouden twee bommen niet zijn gedetoneerd. Aangezien dit een initiële melding betreft van zeer kort na de aanval, waren nog niet alle bominslagen gemeld.

Figuur 36: Melding van het bombardement op Haarlem (Bron: NIOD, Toegang 077).

Een aanvullende melding in dagberichten volgde op 16 april 1941. Uit dit bericht (zie Figuur 37) blijkt dat twaalf bommen waren afgeworpen, die allemaal waren gedetoneerd.

72334/RO-160069 versie 1.0

DR Update Haarlem NGE-Risicokaart

Pagina 43 van 188

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12275751/1