CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

2 Rekenkameronderzoek naar overlast in de openbare ruimte - Weinig concreet beleid, veel resultaat

commissie Bestuur 13 november 2025, gemeente HaarlemBij agendapunt: 18:00 uur Rapport Rekenkamer - onderzoek naar overlast in de openbare ruimte (JW)18.594 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De buurtouders zijn nu actief in het grootste deel van Schalkwijk. Het is een voortdurend probleem om het vrijwilligerskorps op peil te houden. Vergrootte politieke erkenning kan daarbij helpen. De buurtouders van Schalkwijk helpen nu bij het opzetten van buurtouders in andere wijken. Buurtouders worden op drie manieren beloond voor hun werk. Enerzijds krijgen zij enige erkenning van de gemeente. Deels komt dit in de vorm van samenwerking met boa’s, wijkagenten, gebiedscoördinatoren en contacten met andere ambtenaren. Buurtouders ervaren de nauwe wijze waarop zij samenwerken met de gemeente en de politie als een belangrijk deel van de erkenning die zij krijgen voor hun inzet. Een ander deel van die erkenning is het tonen van erkentelijkheid door het bestuur van de gemeente. Hier ligt zowel voor raadsleden als voor het college een taak. De burgemeester is eenmaal op bezoek geweest en beloofde dat twee jaar later te herhalen, maar hier is door corona de klad in gekomen. De derde manier van erkenning is de subsidie die de buurtouders ontvangen. Dit wordt besteed aan onkostenvergoedingen voor vrijwilligers en de middelen die noodzakelijk zijn voor het werk. Er is daarentegen ruimte voor verbetering in de wijze waarop de buurtouders erkend en beloond worden voor hun werk.

Een voorbeeld van een mislukte poging tot erkenning is de aanleg van een pop-up speeltuin bij de Thomas Morestraat. Deze werd aangelegd, nadat de Wijkraad Meerwijk en de buurtouders jarenlang om een permanente speeltuin hadden gevraagd. In de wintermaanden werd het feestelijk geopend door een wethouder. Toen bleek dat er (in de wintermaanden) weinig gebruik van werd gemaakt, is het weer weggehaald. Er is wel gehandeld op verzoek van de inwoners, maar doordat de speeltuin niet in de lente- en zomermaanden bleef, kon nooit duidelijk worden of er behoefte aan was. Een ander voorbeeld is huisvesting. De gemeente ondersteunt de buurtouders wel door het verzorgen van een ruimte, maar daar krijgen ze niet de sleutel van. Daardoor kunnen ze er alleen tijdens specifieke tijden terecht. Doordat anderen bepalen hoe ze de ruimte mogen gebruiken, mogen ze er geen koelkast neerzetten of gebruik maken van de keuken. De koelkast is uiteindelijk illegaal geplaatst. Mogelijk speelt hierbij mee dat de degenen die verantwoordelijk zijn voor de keuken bij een andere groep horen dan de buurtouders.

23

‘Weinig concreet beleid, veel resultaat’ - Rekenkamer Haarlem

7. Overlastbeleving Het thema ‘overlastbeleving’ is onderzocht aan de hand van meerdere onderzoeksmethoden en databronnen. Zo zijn er enquêtes uitgezet onder inwoners die in 2024 een overlastmelding deden en onder buurtverenigingen waarmee de gemeente contact onderhoudt. Daarnaast zijn verdiepende telefonische interviews gehouden met een steekproef van overlastmelders en zijn straatinterviews afgenomen in alle stadsdelen van Haarlem. Ook hebben onderzoekers observatierondes uitgevoerd op representatieve routes, en zijn meldingsdata en monitoringsdata geanalyseerd. De resultaten van dit onderzoek laten zien dat inwoners vooral hinder ervaren van rommel op straat, te hard rijdende fietsen en auto’s, geluidsoverlast en parkeeroverlast. Observaties van de onderzoekers onderschrijven deze bevindingen. Hoewel het melden van overlast als laagdrempelig wordt ervaren, geven veel respondenten aan dat onduidelijkheid over de opvolging tot frustratie leidt. Met name het gebrek aan structurele terugkoppeling en de beperkte effectiviteit van oplossingen worden als knelpunten ervaren. Veel inwoners zien geen rol voor zichzelf weggelegd bij het voorkomen en bestrijden van overlast. Ook blijkt dat het aantal meldingen per type overlast niet altijd overeenkomt met de mate waarin een type overlast wordt ervaren, wat duidt op een discrepantie tussen beleving en meldingsbereidheid.

De Veiligheidsmonitor bevestigt dat Haarlem bovengemiddeld scoort op overlast in vergelijking met de veiligheidsregio Kennemerland, waarbij vooral verkeers- en verloederingsproblemen dominant zijn. Observaties in de stad tonen echter aan dat de intensiteit van overlast overwegend laag is, met rommel op straat als meest zichtbaar probleem.

7.1 Perspectief overlastmelders en buurtverenigingen Voor het onderzoek zijn enquêtes verstuurd naar inwoners die in 2024 een overlastmelding hebben gedaan. Daarnaast hebben buurtverenigingen waar de gemeente contact mee onderhoudt een enquête gekregen. Onder een steekproef van 10 inwoners die een overlastmelding hebben gedaan, oftewel: overlastmelders, zijn verdiepende telefonische interviews afgenomen. In deze interviews zijn sommige onderwerpen uit de enquête verder toegelicht. De data van de enquêtes zijn hieronder weergegeven. Bij onderwerpen die ook in de verdiepende interviews zijn behandeld worden deze data ook weergegeven. In de bijlage is een meer uitgebreide onderzoekverantwoording en beschrijving van de achtergronden van respondenten op de enquêtes weergegeven. De onderzoekers hebben ook gestructureerde mini-interviews op straat afgenomen bij passanten. Hiertoe hebben de onderzoekers in teams van twee routes door alle stadsdelen van Haarlem gelopen. De routes, die geverifieerd zijn door wijkagenten, zijn ontworpen om een representatief beeld van het stadsdeel te vormen. Zo liepen deze langs zogenaamde ‘hotspots’ van overlast, door woonwijken en zowel drukke als rustige straten. De interviews zijn afgenomen met inwoners die in dat stadsdeel woonden of werkten.

Belangrijk om te vermelden is dat het deze dag koud en regenachtig was, waardoor inclusie moeizaam is verlopen. In totaal hebben de onderzoekers met 19 respondenten gesproken, in leeftijd variërend van jonger dan 18 tot 75–84 jaar. Hiervan woonde 53% al meer dan tien jaar in hetzelfde postcodegebied. De beperkte steekproef leverde extra kleuring aan de op andere wijze verzamelde informatie.

24

‘Weinig concreet beleid, veel resultaat’ - Rekenkamer Haarlem

7.1.1

Ervaren overlast

Overlastmelders In de vragenlijst is aandacht besteed aan de mate waarin overlastmelders bepaalde vormen van overlast ervaren. In de figuren is te zien dat meer dan de helft van de overlastmelders aangeeft vaak of altijd overlast te ervaren door te hard rijden door fietsen (ook fatbikes) (57%) en rommel op straat (56%). Ook is aandacht besteed aan de mate waarin overlastmelders bepaalde vormen van overlast als belemmerend ervaren. Melders geven het vaakst aan (heel) veel belemmering te ervaren bij te hard rijden door fietsen (ook fatbikes) (62%). In figuren 3 en 4 is te zien welke vormen van overlast door overlastmelders worden ervaren en in welke mate zij zich daardoor belemmerd voelen. Straatinterviews Respondenten uit de straatinterviews hebben ervaringen met een breed spectrum aan soorten overlast in de openbare ruimte. De meest genoemde vormen van hinder zijn te hard rijdende (elektrische) fietsen en rommel op straat (beide 15 meldingen), gevolgd door hondenpoep (13), te hard rijdende auto’s, volle afvalcontainers, geluidsoverlast van mensen op straat (elk 11), parkeeroverlast (10), meeuwen 16, fout geparkeerde fietsen en geluidsoverlast door buren of buurtgenoten (elk 9). Verschillende respondenten passen hun gedrag aan om de ervaren overlast te verminderen.

Zo ruimen drie respondenten actief hondenpoep of zwerfafval op en gebruiken drie anderen oordopjes tegen het gekrijs van meeuwen rond 04:00–05:00 uur. Twee bewoners kiezen bewust voor rustigere routes of vermijden fietsenstroken vanwege te hard rijdende fietsers, waarbij één persoon nu vaker wandelt om fietsoverlast te ontwijken. Daarnaast geeft een respondent aan ’s avonds de deur niet meer uit te gaan uit angst voor jeugdoverlast. Hoewel de meeste problemen als relatief mild worden ervaren – rommel, hondenpoep en parkeeroverlast zijn vooral hinderlijk en niet acuut gevaarlijk – vallen verkeers- en geluidsoverlast wél op door hun frequentie en impact op het dagelijks leven. De beleving van verkeersveiligheid wordt met name beïnvloed door hoge snelheden van zowel fietsen als auto’s, terwijl geluidshinder niet alleen van buren, maar ook van voorbijgangers en dieren zoals meeuwen de nachtrust en ochtendroutine verstoort. Dierlijke overlast leidt bovendien tot concrete gedragsaanpassingen, zoals opruimacties en het dragen van oordopjes.

Buurtverenigingen In figuur 5 is te zien dat de meeste buurtverenigingen overlast ervaren van te hard rijdende fietsers (ook op fatbikes) (53%) en vernieling (44%). Ook is aandacht besteed aan de mate waarin buurtverenigingen bepaalde vormen van overlast als belemmerend ervaren. De buurtverenigingen geven relatief vaak aan (heel) veel belemmeringen te ervaren bij activiteiten door te hard rijden door fietsen (ook fatbikes) (57%), drugsoverlast (45%), vernieling (45%), fout of slordig geparkeerde fietsen (44%) en te hard rijden door auto’s (40%). Zie ook figuur 6 voor een overzicht van de mate waarin buurtverenigingen belemmeringen ervaren bij activiteiten door verschillende vormen van overlast.

16 Dat meeuwen negen keer worden gemeld is extra opmerkelijk, omdat de interviews zijn afgenomen in een periode (medio december)

dat meeuwenoverlast gering was. De verwachting is dat als deze interviews in de zomer zouden zijn afgenomen, meeuwen als overlastbron relatief vaker worden genoemd.

25

‘Weinig concreet beleid, veel resultaat’ - Rekenkamer Haarlem

Figuur 4 - Mate van belemmering per overlastvorm (buurtverenigingen)

Figuur 3 - Ervaren overlast per vorm (buurtverenigingen)

26

‘Weinig concreet beleid, veel resultaat’ - Rekenkamer Haarlem

7.1.2

Gemaakte meldingen

Overlastmelders Van alle overlastmelders heeft een kwart het afgelopen jaar één melding gedaan bij de gemeente, terwijl de rest meerdere meldingen heeft gedaan in het afgelopen jaar. Van de overlastmelders heeft 19% meer dan 5 keer een melding gedaan in het afgelopen jaar. In figuur 8 is te zien voor welke Figuur 5 - Aantal meldingen in het afgelopen jaar per melder (overlastmelders) vormen van overlast de overlastmelders een melding hebben gedaan. Ongeveer een derde geeft aan een melding te hebben gedaan voor rommel op straat (32%) en fout geparkeerde auto’s (31%). Opvallend is dat slechts 6% aangeeft een melding voor te hard rijden door fietsen (ook fatbikes) te hebben gedaan, terwijl deze vorm van overlast relatief vaak voorkomt en belemmerend is volgens de respondenten. Hierdoor correleert het aantal meldingen per type overlast niet altijd met het aantal keer dat het type overlast daadwerkelijk wordt ervaren. Het is overigens begrijpelijk dat te hard rijdende fietsers en fatbikes niet worden gemeld, omdat mensen die overlast ervaren verwachten dat de gemeente de overlastgever niet op heterdaad kunnen pakken en dat de gemeente dus ook niet in dit individuele geval kan en zal ingrijpen. Van de overlastmelders geeft 32% aan (nog) geen terugkoppeling te hebben gekregen over de melding(en) (zie figuur 9).

Verder gaf 30% van de overlastmelders aan dat de gemeente contact heeft opgenomen over de melding en 31% gaf aan dat de gemeente acties heeft ondernomen om de overlast op te lossen.

Figuur 6 - Meldingen naar overlastvorm (overlastmelders)

Figuur 7 - Acties na doen van melding (overlastmelders)

27

‘Weinig concreet beleid, veel resultaat’ - Rekenkamer Haarlem

Verdiepende interviews overlastmelders De overlastmelders die zijn gesproken bleken over het algemeen vrij positief te zijn over de manier waarop overlast kan worden gemeld in de gemeente. De meeste inwoners hadden veel ervaring met het doen van meldingen, sommige tot wel veertig keer, en waren daarom goed bekend met de verschillende kanalen via waar overlast kan worden gemeld: de gemeentelijke website, de telefoon of de app BuitenBeter. De weg naar de contactgegevens en het meldingsformulier konden alle inwoners vrij snel en gemakkelijk vinden. Vooral de gebruiksvriendelijkheid en laagdrempeligheid van de BuitenBeter app wordt positief gewaardeerd (“werkt als een trein”), maar ook de website is helder en spreekt voor zich. Suggesties voor verbeteringen ten aanzien van het doen van een melding hadden overlastmelders nauwelijks. Eén inwoner zou het handig vinden dat je persoonsgegevens automatisch worden ingevuld bij het doen van een melding op de website. Omdat inwoners vaak meerdere meldingen doen wordt dat als efficiënt gezien. Interessant is dat veel inwoners in dit deel van het gesprek al vrij snel overgingen tot het toelichten van de inhoud van hun overlastmeldingen en hoe zij het optreden van de gemeente op dit vlak ervaarden. Dat bleek voor hun van groter belang te zijn dan het procedurele deel bij het plaatsen van een melding.

De volgende sectie gaat dieper in op hoe zij de afhandeling van hun melding door de gemeente hebben ervaren.

Buurtverenigingen De meeste buurtverenigingen (82%, n=13) hebben in het afgelopen jaar meerdere meldingen over overlast gedaan bij de gemeente. Zes buurtverenigingen hebben zelfs meer dan 5 keer een melding gedaan (38%). Buurtverenigingen hebben het vaakst een melding gedaan voor overlast van jongeren (46%), gevolgd door fout of slordig geparkeerde fietsen en vernieling (beide 31%), drugsoverlast en rommel op straat (beide 23%). Zie ook figuur 10 voor een overzicht van de vormen van overlast waarvoor de buurtverenigingen een melding hebben gedaan. Ook bij de buurtverenigingen wordt duidelijk dat het aantal meldingen per type overlast niet altijd lijkt samen te hangen met het aantal keer dat het type overlast daadwerkelijk wordt ervaren (figuur 11). Van de buurtverenigingen die het afgelopen jaar meldingen van overlast hebben gedaan, gaf 23% aan (nog) geen terugkoppeling over de meldingen(en) gekregen te hebben (figuur 12). Verder gaf 31% van de buurtverenigingen aan dat de gemeente acties heeft ondernomen om de overlast op te lossen en ook gaf 31% aan dat de gemeente contact opnam over de melding(en).

Figuur 8 - Aantal meldingen in het afgelopen jaar per buurtvereniging (buurtverenigingen)

28

‘Weinig concreet beleid, veel resultaat’ - Rekenkamer Haarlem

Figuur 10 - Plaatsgevonden acties na doen van melding (buurtverenigingen)

Figuur 9 - Meldingen naar overlastvorm (buurtverenigingen)

7.1.3

Afhandeling melding(en)

Overlastmelders Van de overlastmelders die één melding in het afgelopen jaar hebben gedaan, geeft 5% aan een vast aanspreekpunt bij de gemeente te hebben gehad. Verder geeft 35% aan geen vast aanspreekpunt te hebben gehad, maar dat een vast aanspreekpunt wel prettig was geweest. De overige 60% van de respondenten die één melding hebben gedaan, geven aan dat zij geen vast aanspreekpunt hadden en dit ook niet nodig vinden. Van de overlastmelders die meerdere meldingen in het afgelopen jaar hebben gedaan, geeft 14% aan bij (sommige) meldingen een vast aanspreekpunt binnen de gemeente te hebben gehad. Van de overlastmelders die bij sommige meldingen een vast aanspreekpunt hadden, geeft 68% aan graag voor elke melding een vast aanspreekpunt te hebben gehad.

Figuur 12 - Vast aanspreekpunt overlastmelders (één melding) (overlastmelders)

Figuur 11 - Vast aanspreekpunt overlastmelders (meerdere meldingen) (overlastmelders)

29

‘Weinig concreet beleid, veel resultaat’ - Rekenkamer Haarlem

In de vragenlijst is verder aandacht besteed aan hoe tevreden de overlastmelders zijn met verschillende aspecten rondom het maken van een overlastmelding bij de gemeente. Een groot gedeelte van de overlastmelders is (zeer) tevreden over de mogelijkheid van het maken van een melding (69%). Ongeveer de helft van de respondenten is (zeer) ontevreden met de oplossing die door de gemeente is geboden (53%), terwijl iets minder dan de helft van de overlastmelders (zeer) ontevreden is met de wijze waarop de gemeente de melding afhandelde (47%).

Figuur X - Vast aanspreekpunt overlastmelders (meerdere meldingen)

Verdiepende interviews overlastmelders Figuur 13 - Mate van tevredenheid rondom overlastmelding (overlastmelders) Communicatie over de afhandeling Inwoners blijken verdeeld in hun beoordeling van de communicatie vanuit de gemeente als eenmaal een overlastmelding gedaan is. De overlastmelders constateren dat er na het doen van een melding wel een automatisch gegenereerd bericht wordt verstuurd, maar dat er daarna in veel gevallen opvolging of directe terugkoppeling ontbreekt. Sommigen kregen via de app wel een terugkoppeling, anderen weer niet. De oorzaak hiervan werd niet precies duidelijk uit de interviews. Omdat de gemeente geen terugkoppeling geeft, weten inwoners daardoor vaak niet wat er met hun melding gedaan wordt. Dit leidt tot frustratie onder inwoners, zeker ook omdat ze constateren dat de overlast niet verdwijnt. Snelheid van afhandelen De snelheid waarmee de gemeente een melding afhandelt is er erg afhankelijk van het type overlast dat gemeld wordt. Er valt geen coherent patroon te ontwaren in de antwoorden van de overlastmelders. De overlastmelders geven te kennen dat de gemeente snel reageert als het gaat om rommel op straat of om parkeeroverlast. Snelheid van afhandelen staat los van of de afhandeling adequaat is in de ogen van de inwoners.

Bij rondslingerende winkelkarren of fietsen duurt het langer (vier tot zes weken wordt genoemd) voordat de gemeente een reactie geeft. Eén overlastmelder heeft meer dan een jaar moeten wachten op de afhandeling van een klacht over geluidsoverlast van zijn onderbuurman. Effectiviteit van de oplossing Vrijwel alle inwoners hekelden het gebrek aan handhaving ten aanzien van vrijwel alle soorten overlastmeldingen die zijn gedaan. Een inwoner constateert dat er alleen in het stadscentrum voldoende handhavers op straat zijn, maar dat deze ontbreken in de buitenwijken. Bij fout parkeren blijken handhavers in de ogen van inwoners terughoudend te zijn in het uitdelen van boetes. Een proactieve houding aan de kant van de gemeente ontbreekt. Eén inwoner constateerde zelfs dat er niet wordt gehandhaafd bij overlast in de wijken “omdat handhavers worden aangevallen”. Ook sommige inwoners geven aan zelf niet (meer) mensen aan te spreken op straat op hun gedrag, omdat ze zich niet veilig voelen. De gesproken inwoners zijn te spreken over de oplossing voor grof vuil en rommel op straat. Na het doen van een melding wordt dat over het algemeen snel en effectief opgelost. Inwoners beoordelen het adequaat optreden van Spaarnelande, de vuilnisophaaldienst in de gemeente, als erg positief.

Weliswaar merken zij op dat het vuilnisprobleem niet structureel wordt opgelost, omdat er voortdurend opnieuw een melding moet worden gemaakt. De inwoners zijn daarom alsnog ontevreden over de oplossing: “je kunt het probleem een keer wegnemen, maar je moet het voorkomen”. Ook de inwoner die geluidsoverlast van zijn onderbuurman ervoer is tevreden met de door de gemeente geboden oplossing: sinds er een formele waarschuwing is gegeven heeft hij nagenoeg geen overlast meer.

30

‘Weinig concreet beleid, veel resultaat’ - Rekenkamer Haarlem

Correctheid van de afhandeling De meerderheid van de inwoners waarbij de melding is afgehandeld gaf aan correct te zijn behandeld door de gemeente bij het afhandelen van hun melding. Echter, één inwoner vond dat – omdat een terugkoppeling vanuit de gemeente ontbreekt – dat de gemeente niet correct handelt: “eigenlijk word ik niet correct behandeld, want ik krijg geen terugkoppeling. Ik zie het als een dialoog, ik verwacht een normaal antwoord terug. Ook als je belt doen ze niets, ze kunnen alleen doorverwijzen.”

Buurtverenigingen Een meerderheid van de buurtverenigingen gaf aan geen vast aanspreekpunt binnen de gemeente te hebben gehad tijdens de afhandeling van de meldingen (62%). Hiervan geeft de helft aan dat het ook niet nodig was (n=4), terwijl de andere helft aan gaf dat dat wel prettig was geweest (n=4). De twee buurtverenigingen die aangaven bij sommige meldingen een vast aanspreekpunt binnen de gemeente gehad te hebben, gaven beide aan graag voor elke melding een vast Figuur 14 - Vast aanspreekpunt buurtverenigingen (buurtverenigingen) aanspreekpunt gehad te hebben. In de vragenlijst is verder aandacht besteed aan hoe tevreden de buurtverenigingen zijn met verschillende aspecten rondom het maken van een overlastmelding bij de gemeente. Een groot gedeelte van de buurtverenigingen is (zeer) tevreden over de mogelijkheid van het maken van een melding (69%). In mindere mate zijn de buurtverenigingen (zeer) tevreden met de communicatie vanuit de gemeente tijdens het afhandelingsproces (39%) en de afhandeling van de melding door de gemeente (25%). Het minst tevreden zijn de buurtverenigingen met de snelheid waarmee de gemeente de melding heeft afgehandeld en de geboden oplossing.

Meer dan de helft van de buurtverenigingen is (zeer) ontevreden Figuur 15 - Mate van tevredenheid rondom overlastmelding (buurtverenigingen) over de snelheid waarmee de gemeente de melding heeft afgehandeld (61%). Daarnaast geeft 46% van de buurtverenigingen aan (zeer) ontevreden te zijn over de oplossing die door de gemeente is geboden.

31

‘Weinig concreet beleid, veel resultaat’ - Rekenkamer Haarlem

7.1.4

Eigen verantwoordelijkheden bij voorkomen en bestrijden overlast

Overlastmelders Een meerderheid van de overlastmelders ziet voor zichzelf geen rol weggelegd bij het voorkomen van overlast (64%) of het bestrijden van overlast (69%). Zij geven hierbij aan geen rol voor zichzelf te zien weggelegd omdat dit de verantwoordelijkheid van de politie/boa’s/wijkagent is en/of dit de verantwoordelijkheid van de gemeente is. Van de overlastmelders die voor zichzelf wel een rol zien weggelegd bij het voorkomen van overlast, geven de meesten aan een rol te zien bij het vroeg signaleren van problemen (62%). Van de overlastmelders die voor zichzelf een rol zien weggelegd bij het voorkomen van overlast, geven de meesten aan een rol voor zichzelf te zien bij het vaker maken van een overlastmelding bij de gemeente (63%). Respondenten die voor zichzelf geen rol zien bij het voorkomen/bestrijden van overlast geven het vaakst aan dat meer toezicht zou kunnen bijdragen aan het verminderen van de overlast in de buurt (69%).

Figuur 17 - Rol bij voorkomen van overlast (overlastmelders)

Figuur 16 - Rol bij bestrijden van overlast (overlastmelders)

Buurtverenigingen De meeste buurtverenigingen zien voor zichzelf een rol weggelegd bij het voorkomen van overlast (69%). In mindere mate zien buurtverenigingen een rol voor zichzelf weggelegd bij het bestrijden van overlast (50%). Zij zien het vaakst een rol voor zichzelf bij het voorkomen van overlast door ‘het stimuleren van dialogen tussen organisaties en handhaving’ (73%) en ‘problemen vroeg signaleren’ (64%). Bij het bestrijden van overlast zien de buurtverenigingen voor zichzelf het vaakst een rol bij het ‘samenwerken met handhaving/gemeenten’ en ‘het vergroten van sociale controle’ (beide 75%). Buurtverenigingen die voor zichzelf geen rol zien bij het voorkomen/bestrijden van overlast, geven het vaakst als reden dat dit de verantwoordelijkheid is van de politie/boa’s/wijkagent en/of de verantwoordelijkheid van ouders van overlast-gevende jongeren. Buurtverenigingen geven het vaakst aan dat meer toezicht (67%) en meer activiteiten voor jongeren (44%) kunnen bijdragen aan het verminderen van de overlast in de buurt.

32

‘Weinig concreet beleid, veel resultaat’ - Rekenkamer Haarlem

Figuur 18 - Rol bij voorkomen overlast (buurtverenigingen)

Figuur 19 - Rol bij bestrijden overlast (buurtverenigingen)

7.2 Observaties onderzoekers Medio december hebben onderzoekers in teams van twee routes door alle stadsdelen van Haarlem gelopen. De routes, die geverifieerd zijn door wijkagenten, zijn ontworpen om een representatief beeld van het stadsdeel te vormen. Zo liepen deze langs zogenaamde ‘hotspots’ van overlast, door woonwijken en zowel drukke als rustige straten. Onderzoekers hebben gedurende de wandeling afzonderlijk van elkaar observaties gemaakt van overlast. Overlastvormen die door beide onderzoekers zijn gesignaleerd zijn behouden. Onderzoekers hebben de geobserveerde overlastvormen waar mogelijk met een vijfpuntsschaal gescoord op intensiteit. Belangrijk om te vermelden is dat er weinig inwoners op straat waren omdat het op deze dag koud en regenachtig was. Het is dus mogelijk dat overlastvormen die direct door inwoners worden veroorzaakt, zoals geluidsoverlast, mogelijk minder vaak zijn geobserveerd dan dat deze voor zouden komen bij beter weer. Uit de 83 observaties blijkt dat zwerfvuil en parkeeroverlast de belangrijkste vormen van overlast in Haarlem vormen. Met 44 waarnemingen is ‘rommel op straat’ verreweg het meest frequent, gevolgd door fout of slordig geparkeerde fietsen (18) en fout geparkeerde auto’s (10). Alle andere overlastvormen—van te hard rijden tot vernieling, drugsgebruik en overlast door dak-/thuislozen—werden slechts één of enkele keren genoteerd.

De intensiteit van de geobserveerde overlast was over het algemeen laag. Bijna alle observaties van rommel op straat kregen een lage hinderlijkheidsscore: 52% van de gevallen werd beoordeeld met de laagste score (1) en 36% met een iets hogere, maar nog steeds lage score (2). Ernstigere vormen van overlast, zoals drugsgebruik, vernieling en overlast door dak- en thuislozen, werden slechts enkele keren waargenomen en kenden een matige intensiteit (bijvoorbeeld score 3 bij vernieling). De algemene indruk van de onderzoekers bevestigt dit beeld van beperkte overlast. De woonwijken waarin de observaties plaatsvonden waren netjes en rustig, en er waren weinig mensen op straat. De rommel die werd waargenomen, bleek vaak geconcentreerd rondom winkelgebieden en was niet verspreid over de gehele wijk. Samenvattend wijzen de observaties erop dat rommel op straat de meest zichtbare vorm van overlast vormt, maar dat deze overlast doorgaans als licht wordt ervaren. Verkeer-gerelateerde problemen, zoals fout geparkeerde fietsen en auto’s, zijn aanwezig maar minder dominant. Ernstigere vormen van overlast als drugsgebruik zijn zeldzaam en hebben als zodanig nauwelijks invloed gehad op het algemene straatbeeld tijdens de observaties.

De omstandigheden waaronder de observaties plaatsvonden, zoals het slechte weer en het rustige karakter van de wijken, kunnen mede verklaren waarom relatief weinig ernstige overlast werd waargenomen.

33

‘Weinig concreet beleid, veel resultaat’ - Rekenkamer Haarlem

7.3 Overlastmeldingen In deze paragraaf wordt vermeld hoeveel overlastmeldingen er in de afgelopen periode in Haarlem door de gemeente zijn geregistreerd naar categorie, moment van registratie en stadsdeel. In onderstaand overzicht worden de meldingen van 2023 en 2024 in beeld gebracht. Verkeersoverlast is met bijna 69% veruit de belangrijkste overlastvorm. 10000

8666

8000 6000 4000 2000

1442 329

33

Anders

Fysieke verloedering

2101

0 Milieuoverlast

Sociale overlast

Verkeersoverlast

Figuur 20 - Meldingen naar algemene categorie in Haarlem (aantal)

In onderstaande grafiek wordt gespecificeerd waaruit deze meldingen bestaan. Van de 69% gaan 47% van de meldingen over parkeeroverlast. Dit is daarmee de veruit belangrijkste bron van overlast. Wie kijkt naar niet verkeer-gerelateerde meldingen ziet dat vandalisme en hangjongeren (sociale overlast) met 12% en geluidsoverlast (milieuoverlast) met 8% van het totaal aantal meldingen de meest gemelde vormen van overlast zijn.

Figuur 21 - Meldingen naar specifieke categorie in Haarlem (aantal)

34

‘Weinig concreet beleid, veel resultaat’ - Rekenkamer Haarlem

Hieronder volgt het type overlastmeldingen dat in 2024 is binnengekomen bij de politie 17. De grootste overlastcategorie is overlast veroorzaakt door een verward persoon, wat goed te verklaren is doordat Haarlem centrumgemeente is. Daarnaast wordt de politie bij meldingen van een verward persoon vaak ingeschakeld. 1800 1600 1400 1200 1000 800 600 400 200 0

1584 960

990 693 396 85

71

4

Figuur 22 - Geregistreerde overlast Haarlem in 2024 (aantal) Tabel 5 - Meldingen per wijk in Haarlem in 2024

In tabel 5 wordt weergegeven hoeveel meldingen er per wijk in Haarlem zijn gemaakt in 202418. Dat Oude Stad met zijn uitgaancentrum het hoogst aantal meldingen per inwoner heeft, zal niet verbazen.19 Zuid-West is de meest welvarende wijken en heeft een hoger aantal meldingen per inwoner dan Schalkwijk. Dit duidt hoogstwaarschijnlijk op een grotere meldingsbereidheid in ZuidWest dan in Schalkwijk. Hieronder volgt een tabel met daarin de totale overlastregistraties in de gemeente Haarlem, per wijk. In de tabel zijn de wijken gesorteerd op volgorde, waarbij de wijken waar de meeste registraties van overlast binnenkomen bovenaan staan. In de laatste kolom staat ook de bevolkingsdichtheid van de betreffende wijk aangegeven. Wij impliceren hiermee niet dat er een direct verband zou bestaan tussen het aantal overlastregistraties en de bevolkingsdichtheid per wijk. Deze informatie is hooguit bedoeld om de gerapporteerde gegevens te contextualiseren.

Wijk

Stadsdeel

Bevolkingsdichtheid (# inwoners per m²)

Centrum Schalkwijk Schalkwijk

Totaal registraties overlast (2024) 1.222 340 313

Oude Stad Europawijk Boerhaavewijk Haarlemmerhoutkwartier Meerwijk Transvaalwijk Slachthuiswijk Ter Kleefkwartier Amsterdamsewijk

Zuid-West Schalkwijk Noord Oost Noord Oost

312 308 218 203 200 199

5.408 6.248 13.809 8.980 8.912 13.414

Molenwijk Te Zaanenkwartier Zijlwegkwartier Indischewijk Parkwijk Delftwijk Vondelkwartier

Schalkwijk Noord Zuid-West Noord Oost Noord Noord

194 178 161 151 150 148 104

4.508 5.772 12.835 12.791 4.473 10.053 2.899

Duinwijk Waarder- en Veerpolder Houtvaartkwartier Vogelenwijk Spaarndam

Zuid-West Oost Zuid-West Noord Noord

103 93 92 73 8

3.027 494 7.474 5.704 921

9.887 6.689 4.601

17 Dataportaal van de politie, data.politie.nl 18 CBS Dashboard Overlast in de buurt (2024) en Kerncijfers wijken en buurten (2023) 19 Waarder- en Veerpolder heeft meer overlast per inwoner, maar dat komt doordat het een groot oppervlak heeft met veel industrie en

weinig inwoners. Zie bijlage voor een overzicht van de wijken.

35

‘Weinig concreet beleid, veel resultaat’ - Rekenkamer Haarlem

Door het jaar heen blijkt dat de meeste meldingen in de zomermaanden binnenkomen, met uitzondering van augustus. 1600 1400 1200 1000 800 729

600 400 200 0

774

816 587

853 815

817 677

729

590

102 69

120 56

164 68

jan

feb

mrt

Anders

177

267

192

146 82

178

181

178

apr

mei

jun

jul

Fysieke verloedering

Milieuoverlast

166

272

713

566

251

143

196

127

124 71

120 93

aug

sep

okt

nov

dec

Sociale overlast

Verkeersoverlast

Figuur 23 - Meldingen naar maand per categorie in Haarlem (aantal)

7.4 Veiligheidsmonitor Voor dit onderzoek is ook gekeken naar de Veiligheidsmonitor 2021 en 2023. Deze documenten zijn in opdracht van de gemeente gemaakt. Zij leveren onder meer inzicht in veranderingen van overlast. Ook toont de Veiligheidsmonitor overzichten over de wijken waar bepaalde vormen van overlast meer voorkomen dan in andere wijken. De Veiligheidsmonitor 2023 laat zien dat problemen rondom parkeren als meest voorkomende vorm van overlast wordt ervaren, gevolgd door rommel op straat en te hard rijden. Rondhangende jongeren scoren hier aanmerkelijk lager dan deze drie. Fietsers en fatbikes worden niet genoemd. Uiteraard zijn fatbikes een snel groeiend thema dat in 2023 niet of minder speelde dan op het moment dat deze rapportage wordt opgeleverd. De Veiligheidsmonitor vergelijkt ook de waargenomen overlast in de gemeente Haarlem met die van de overige gemeenten van de Veiligheidsregio Kennemerland. De overige gemeenten zijn Zandvoort, Bloemendaal, Heemstede, Velsen, Beverwijk en Heemskerk. Haarlem scoort daar op vrijwel alle punten als de gemeente met bovengemiddeld veel overlast. Dit is begrijpelijk, omdat Haarlem dichter bevolkt is dan de andere gemeenten samen (of elk apart), meer dan de anderen een centrumfunctie heeft en nauwelijks buitengebied.

Een vergelijkbaar verhaal is te houden voor de vergelijking van Haarlem met PE Noord-Holland en het gemiddelde van Nederland. De bruikbaarheid van de monitor, die sinds 2021 wordt gemaakt, groeit als er een reeks van metingen op een rij worden gezet. De informatie maakt daardoor bijvoorbeeld de data uit de onderstaande tabel mogelijk. Tabel 6 - Overlast per cluster

Totale overlast per cluster Verloedering Sociale overlast Verkeersoverlast Milieuoverlast

2021 26% 14% 35% 12%

2023 26% 17% 34% 14%

36

‘Weinig concreet beleid, veel resultaat’ - Rekenkamer Haarlem

Het aantal metingen is nog wel te gering om een trend te kunnen vaststellen. Sociale overlast stijgt, maar dit kan een gevolg zijn van een lagere score van dit type overlast doordat mensen in de corona-tijd elkaar minder vaak tegenkwamen. Voor deze vorm van overlast is het noodzakelijk dat mensen die de last ervaren zich in de openbare ruimte ophouden. Er is een zekere regionale spreiding van de overlast. In de westelijk gelegen wijken wordt minder overlast ervaren. Wie de acht kaarten bestudeerd, moet echter constateren dat er grote verschillen zijn tussen de twee meetjaren.

Fysieke verloedering

Sociale overlast

Verkeersoverlast

Milieuoverlast

2021 2023 Figuur 24 – Regionale spreiding van overlast (bronnen: Veiligheidsmonitor Haarlem 2021 en dito 2023).20 Rood: significant slechter, blauw: significant beter.

Op grond van deze kaarten scoren in 2021 de wijken Delftwijk, Spaarndam, Transvaalwijk, Oude Stad, Amsterdamsewijk, Parkwijk, Boerhaavewijk en Meerwijk op één of meer vormen van overlast significant slechter. Twee jaar later zijn Amsterdamsewijk en Parkwijk niet meer in deze groep terug te vinden, maar de rest wel. Daarbij moet wel worden opgemerkt, dat er binnen deze zes een flinke verschuiving is van de vormen van overlast waar ze het significant slechter scoren. Dit laat vooral zien dat de monitor pas meerwaarde krijgt als ze met regelmaat wordt opgesteld.

20

Voor verklaring nummers, zie bijlage 2.

37

‘Weinig concreet beleid, veel resultaat’ - Rekenkamer Haarlem

8. Sturing door de raad De gesproken afvaardiging gemeenteraad van Haarlem heeft weinig direct contact met ambtenaren, boa’s, wijkagenten en buurtouders, maar baseert haar beeld van de stad vooral op eigen observaties en contacten. Raadsleden zijn zich bewust van het verschil tussen individueel en algemeen belang en voorkomen dat incidenten automatisch tot beleidswijzigingen leiden. Hoewel handhaving soms als brede oplossing wordt gezien, erkent de raad ook het belang van preventie, ondanks de moeilijk meetbare resultaten daarvan. In het kader van dit onderzoek is een uitnodiging aan de raad verzonden om in gesprek te gaan over dit onderwerp. Vier raadsleden uit vier fracties namen deel. Zij vertegenwoordigden de politiek van links tot rechts, maar vertegenwoordigden uitsluitend oppositiepartijen. Gezien het beperkte aantal raadsleden dat is opgekomen is het niet mogelijk verregaande conclusies te trekken over wat in de breedte van de raad leeft. De afwezigheid van vertegenwoordigers van coalitiepartijen maakt dit probleem extra groot. Uit het gesprek met de raad, maar ook uit de gesprekken met de burgemeester, ambtenaren en overige gesprekken kwam in ieder geval nog wel het volgende over de sturing door de raad naar voren. Er zijn volgens raadsleden weinig contacten tussen ambtenaren en de raad. Ook boa’s en wijkagenten hebben nauwelijks tot geen contact met de raad.

Ook is er, afgezien van één persoon die actief is bij de buurtouders en commissielid voor het CDA is, weinig contact tussen de buurtouders en de raad. Wel menen de raadsleden de gemeente goed te kennen. Ze ervaren Haarlem als een overzichtelijke gemeente: ‘alles is met de fiets goed bereikbaar’. De raad kent de gemeente dus vooral via eigen contacten. Ze beseffen dat ze daarbij het risico lopen vooral die geluiden te horen van mensen die in staat zijn zich te laten horen. Zo is de raad zich bewust van het fenomeen dat inwoners van het centrum klagen over geluidsoverlast in de kleine uurtjes, terwijl deze inwoners zelf in het centrum zijn gaan wonen. Op grond van meerdere interviews met ambtenaren en politici is de conclusie dat de meerderheid van de raad meestal onderscheid maakt tussen het belang van de klagers en dat van de horeca. Vervolgens neemt de raad een eigen politiek standpunt in dat niet automatisch in lijn is met die van de luidste partij. Dit duidt op een redelijk professionele houding van de raad. De ambtelijke organisatie ervaart wel dat de raad handhaving soms ziet als een ‘duizenddingendoekje’. Daar staat tegenover dat de aanwezige raadsleden zich terdege bewust zijn van het belang van preventie. Ze beseffen dat preventie slecht is te meten, maar vinden desondanks van belang dat het college wel laat zien wat er zoal met preventie wordt bereikt.

De raad is wel in staat om verschil te maken tussen het belang van een individuele burger en het algemeen belang. Als een burger bijvoorbeeld aan raadsleden vraagt iets te doen aan geluidsoverlast in de nachtelijke uren in het uitgaansgebied, leidt dit niet automatisch tot vragen in de gemeenteraad. Het algemeen belang, zo weten raadsleden, vraagt om een uitgaansgebied en geluidsoverlast in de late uren hoort daar nu eenmaal bij. De indruk bestaat wel, dat de uitslag van een referendum wordt gezien als een goede aanwijzing van wat het algemeen belang is. De conclusie is dus dat raadsleden menen goed overzicht te hebben over wat er in Haarlem gebeurt en het niet nodig vinden om dit te checken bij ambtenaren of boa’s. Ze zijn in staat onderscheid te maken tussen algemeen belang en privé belang.

38

‘Weinig concreet beleid, veel resultaat’ - Rekenkamer Haarlem

9. Lessen uit voorgaand onderzoek In dit onderdeel zijn lessen en best practices uit eerder (rekenkamer-)onderzoek in andere gemeenten verzameld om te reflecteren op de uitvoeringspraktijk van Haarlem. De onderzochte gemeenten, waaronder Utrecht, Delft, Oss, Soest, Amersfoort, Almelo en Leiden, laten zien dat een integrale, gebiedsgerichte aanpak en goede samenwerking tussen partners binnen én buiten de gemeentelijke organisatie cruciaal zijn voor het terugdringen van overlast. Ook blijkt dat bestuurlijke sturing op basis van goede informatie en ruimte voor maatwerk bij complexe problematiek, zoals jeugdoverlast en GGZ-gerelateerde overlast, essentieel is. Deze inzichten zijn gebaseerd op rekenkamerrapporten, evaluaties en gemeentelijke beleidsstukken, en bieden aanknopingspunten voor Haarlem om haar eigen beleid en uitvoering verder te versterken.

Organisatie en samenwerking binnen de gemeente •

•

•

•

Utrecht (Veiligheidshuis): In Utrecht concludeerde de Rekenkamer21 dat de gemeente sinds enkele jaren de aard en omvang van jeugdproblematiek veel beter in beeld heeft en effectiever samenwerkt met politie, OM, jeugdzorg e.d. via het Veiligheidshuis. Deze integrale aanpak – met één centraal loket voor probleemjongeren – heeft de bestuurlijke slagvaardigheid vergroot. Delft (Wijkaanpak): De Delftse wijkaanpak pakt leefbaarheidsproblemen integraal en gebiedsgericht aan. De rekenkamer adviseerde22 daarbij de interne organisatie flexibel in te richten: samenwerking tussen gemeentelijke afdelingen en stadsbrede partners moet de norm zijn, en organisatorische inbedding moet meekunnen met veranderende werkwijzen. In Delft werken afdelingen, woningcorporaties, welzijn en bewoners samen in wijkteams met gezamenlijke wijkprogramma’s. Oss (wijk Ruwaard): In Oss is een proeftuin gestart waarin gemeente, zorg, woningcorporaties en bewoners vanuit één integraal wijkteam werken 23. Daarin staat de bewoner centraal en worden preventie en collectieve (wijkbrede) aanpak vooropgesteld. Er is sterk verbeterde samenwerking tussen professionals, vrijwilligers en inwoners, en het veiligheidsgevoel stijgt aanzienlijk. In Ruwaard nam bijvoorbeeld de ervaren overlast af en het welzijn van bewoners toe dankzij deze integrale werkwijze.

Soest (capaciteit en partners): Ook kleine gemeenten als Soest laten zien dat voldoende capaciteit en ketensamenwerking essentieel zijn. In Soest daalde de jeugdoverlast fors, juist doordat gemeente, politie en jongerenwerk extra uren inzetten en nauwer samenwerken. De rekenkamer Soest raadt aan dialogen tussen jeugd en buurtbewoners te ondersteunen als structurele maatregel 24.

Bestuurlijke sturing en informatie •

Utrecht: Volgens de rekenkamer is het jeugd- en veiligheidsbeleid in Utrecht door de jaren heen sterk verbeterd25. De gemeente is nu “beter op de hoogte van de problemen”, gebruikt onderbouwde analyses en heeft zo de slagvaardigheid vergroot. Hierdoor kunnen college en raad beter sturen op geconstateerde knelpunten.

21 https://www.utrecht.nl/fileadmin/uploads/documenten/7.extern/Rekenkamer/Jeugd_en_Veiligheid_-

_Raadsvoorstel_3_december_2009.pdf 22 https://www.rekenkamers.nl/wpcontent/uploads/2020/02/rekenkamerrapport_53942.pdf#:~:text=blijf%20daarbij%20inzetten%20op%20flexibele,eveneens%20aangepast %20dient%20te%20worden 23 https://www.iph.nl/assets/uploads/2023/02/Samenwerken_aan_leefbare_en_vitale_buurten-Zo_doen_we_dat1644341226.pdf#:~:text=%E2%80%93%20De%20samenwerking%20tussen%20professionals%2C,substitutie%2C%20collectief%20aanbod% 20inzetten%2C%20het 24 https://www.rekenkamers.nl/wp-content/uploads/2020/11/20201111-Rapport-jeugdoverlast-Soest.pdf 25 https://www.utrecht.nl/fileadmin/uploads/documenten/7.extern/Rekenkamer/Jeugd_en_Veiligheid__Raadsvoorstel_3_december_2009.pdf

39

‘Weinig concreet beleid, veel resultaat’ - Rekenkamer Haarlem

•

Amersfoort: Ook Amersfoort werkt met een gestructureerde aanpak. Jaarlijks stelt het college een top-10 van prioriteiten op voor handhaving in de openbare ruimte. In de uitvoering brengen boa’s (buitengewone opsporingsambtenaren) meldingprioriteiten in praktijk, waarna evaluatie en terugkoppeling leiden tot bijstelling van het uitvoeringsprogramma. Een rekenkameronderzoek concludeert dat in Amersfoort “beleid en uitvoering goed op elkaar aansluiten” en dat het systeem van planning-evaluatie effectief werkt26. Zo is de gemeenteraad jaarlijks geïnformeerd en kan zij de uitvoering bijsturen.

Aanpak van jeugd- en uitgaansoverlast •

•

•

Soest (jongeren): De gecombineerde aanpak met politie en jongerenwerk in Soest heeft de overlast van hangjongeren sterk teruggedrongen. De rekenkamer meldt dat partners voldoende capaciteit hebben ingezet en de samenwerking goed functioneert27. Bovendien wordt aanbevolen jeugdigen en buurtbewoners actief met elkaar in gesprek te brengen (bijv. via buurtbemiddeling) om escalatie te voorkomen. Almelo (horeca/nachtleven): In Almelo heeft de gemeente samen met horeca-uitbaters, bewonersgroepen en politie een structureel overleg ingesteld. In dit overleg zijn concrete maatregelen afgesproken: korte communicatielijnen tussen bewoners en horeca, strenge deur- en geluidsbewaking (bijvoorbeeld ‘sfeerbeheerders’ tijdens uitgaansuren), het plaatsen van geluidsmeters en het direct opruimen van zwerfafval na weekendnachten. Uit een evaluatierapport28 blijkt dat hiermee de horeca-gerelateerde overlast duidelijk is afgenomen. De gezamenlijke aanpak (inclusief herinvoering van een collectieve horecaban voor herrieschoppers) heeft volgens betrokkenen het uitgaansklimaat verbeterd. Leiden (samenscholingsverbod): Als voorbeeld van een specifieke maatregel koos Leiden in 2024 voor een tijdelijk samenscholingsverbod rond een problematische locatie (een voetbal-kooi in Slaaghwijk)29. Tussen 21:00u en 07:00u mochten jongeren daar niet meer in groepen bijeenzitten.

Het doel was de rust in de wijk ‘s avonds te herstellen. Dit laat zien dat gemeenteraden/colleges gerichte verordeningen kunnen inzetten op knooppunten van overlast.

Afdelingsoverschrijdende samenwerking en innovatie •

•

Delft (flexibele wijkteams): Delft heeft een langlopende wijkaanpak: in elke wijk vormen gemeentelijke afdelingen, woningcorporaties, zorg- en welzijnsorganisaties en bewoners één team met eigen wijkplannen. De rekenkamer benadrukt dat deze integrale aanpak maatwerk levert en continu doorontwikkeld moet worden30. Flexibiliteit in de organisatie is cruciaal: als aanpak of prioriteiten wijzigen, moet ook de bestuurlijke inbedding snel kunnen schuiven. Oss (integrale proeftuin): De ‘Proeftuin Ruwaard’ illustreert een innovatieve gebiedsgerichte werkwijze: gemeente, zorg, welzijn én bewoners beslissen samen over preventie en inzet in de wijk 31. Dit creëert “één regisseur” en afstemming op leefstijlen, in plaats van losse projecten. In Ruwaard blijkt de samenwerking structureel te zijn verbeterd en het veiligheidsgevoel hoger dan in vergelijkbare wijken. Ook bij andere gemeentes worden integrale wijkteams succesvol toegepast als middel tegen overlast.

26

https://www.amersfoort.nl/sites/default/files/Rapport%20rekenkameronderzoek%20Handhaving%20in%20de%20openbare%20ruimte_1. pdf#:~:text=Op%20basis%20van%20dit%20onderzoek,ook%20aan%20het%20stelsel%20werkbaar 27 https://www.rekenkamers.nl/wp-content/uploads/2020/11/20201111-Rapport-jeugdoverlast-Soest.pdf 28 https://almelo.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/View/d942c217-adf0-4c4e-b473-22bf92b870ed 29 https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR722567/ 30 https://www.rekenkamers.nl/wpcontent/uploads/2020/02/rekenkamerrapport_53942.pdf#:~:text=blijf%20daarbij%20inzetten%20op%20flexibele,eveneens%20aangepast %20dient%20te%20worden 31 https://www.iph.nl/assets/uploads/2023/02/Samenwerken_aan_leefbare_en_vitale_buurten-Zo_doen_we_dat1644341226.pdf#:~:text=heeft%20daar%20vrijwel%20zeker%20invloed,dit%20door%20De%20Proeftuin%20komt

40

‘Weinig concreet beleid, veel resultaat’ - Rekenkamer Haarlem

Tabel 7 - Best practices per gemeente

Gemeente Soest

Amersfoort

Almelo

Leiden (Slaaghwijk)

Utrecht

Oss (Ruwaard)

Maatregel/aanpak Integrale jeugdaanpak met gemeente, politie en jongerenwerk; voldoende capaciteit en buurtdialoog Handhavingssystematiek met boa’s: college stelt jaarlijks topprioriteiten, boa’s voeren uit, jaarlijks bijgesteld na evaluatie Overlegstructuur café/bewoners/politie; afspraken zoals ramen dicht, extra beveiliging (‘sfeerbeheer’), geluidsmeters, extra schoonmaak Tijdelijk samenscholingsverbod op horecalocatie (21–07 uur) om jeugdgroepen te ontmoedigen Jeugdzorg/politie/OM integratie via Veiligheidshuis; datagedreven jeugdbeleid (duidelijke doelen per leeftijdsgroep) Proeftuin wijk: integrale samenwerking gemeente, zorg, woningcorporaties, bewoners

Effect/uitkomst Jeugdoverlast fors gedaald; actiever contact tussen jeugd en buurt Werkt effectief; inwoners ervaren boa’s positief; handhavingsbeleid sluit “goed op elkaar aan”

Bron Rekenkamer Soest (2020) Rekenkamer Amersfoort (2024)

Evaluatie 2025: afname horeca-gerelateerde overlast dankzij deze integrale aanpak

Gemeentelijke evaluatie Almelo (2025)

Doel: wijk ‘s avonds rustiger; nog te evalueren effecten (maatregel 2024)

Gemeente Leiden (2024)

Betere beeldvorming en meer slagvaardigheid bij gemeentelijk jeugdbeleid

Rekenkamer Utrecht (2009)

Verbeterd veiligheidsgevoel; ervaren overlast sterk afgenomen in pilotwijk

Proeftuin Ruwaard (2023)

41

‘Weinig concreet beleid, veel resultaat’ - Rekenkamer Haarlem

10.Beantwoording vragen en normenkader In dit hoofdstuk worden eerst de antwoorden op de onderzoeksvragen beschreven, waarna aan de hand van het normenkader in het kort de stand van zaken wordt weergegeven.

10.1

Onderzoeksvragen

Is het beleid van de gemeente Haarlem doelmatig en doeltreffend in het bestrijden van overlast? Het onderzoek laat een tweeledig beeld zien. De conclusie luidt dat de uitvoering wel en het beleid van de gemeente Haarlem niet doelmatig en doeltreffend is in het bestrijden van overlast. Het gemeentelijk beleid bevat wel ambities, maar deze zijn weinig concreet geformuleerd en kennen geen meetbare doelen, waardoor effectiviteit lastig is vast te stellen. Het bestrijden van overlast is doelmatig en doeltreffend, alhoewel er ruimte is voor verbetering. In de uitvoering functioneren de eerstelijnsmedewerkers goed, maar de coördinatie en afhandeling binnen de organisatie schieten tekort, vooral bij meldingen die meerdere afdelingen raken. Hier is winst te behalen. Een snellere en zo mogelijk adequate afhandeling leidt tot meer vertrouwen in de lokale overheid. Als de raad meer sturing wil, zal zij erop moeten toezien dat het beleid concreter wordt geformuleerd. Dit zal echter niet direct leiden tot betere uitvoering, sterker, gezien de huidige kwaliteit van de uitvoering, zou het effect zelfs averechts kunnen zijn. Een te gedetailleerd beleid kan uitvoerders in hun vrijheid belemmeren om op onvoorziene gebeurtenissen te reageren.

Wat is de bestuurlijke, geografische en demografische gemeentelijke context waarbinnen het onderzoek plaatsvindt? Deze vraag wordt beschrijvend beantwoord in hoofdstuk 4 ‘Context’.

Hoe groot is het probleem van overlast in Haarlem: ervaren inwoners veel overlast? Overlast blijkt moeilijk om in beeld te krijgen. Elke methode van onderzoeken kan een andere vorm van overlast als meest belangrijke vorm van overlast aanwijzen. Uit dit onderzoek blijkt, niet geheel verrassend, dat overlast in vele vormen voorkomt. Opmerkelijk is wel dat wie bij de verschillende groepen vraagt naar de belangrijkste vormen van overlast zowel overeenkomsten als verschillen tegenkomt. Jeugdoverlast, rommel op straat en verkeer worden door iedereen erkend. Alleen scoorde jeugdoverlast niet hoog bij de straatinterviews. Andere vormen van overlast, zoals overlast door meeuwen, worden veelal door inwoners ervaren, maar komen niet heel sterk terug in wat de organisatie omschrijft als ernstige vormen van overlast. Hoog scorende meldingen van inwoners blijken ‘statisch’ te zijn: rommel op straat en geparkeerde auto’s komen hoog in lijsten met overlaststatistieken voor, terwijl rijdende fietsers en fatbikes en te snel rijdende auto’s veel minder hoog scoren. De Veiligheidsmonitor 2023 laat zien dat problemen rondom parkeren als meest voorkomende vorm van overlast wordt ervaren, gevolgd door rommel op straat en te hard rijden. Rondhangende jongeren scoren hier aanmerkelijk lager dan deze drie. Fietsers en fatbikes worden niet genoemd.

Uiteraard zijn fatbikes een snel groeiend thema dat in 2023 niet of minder speelde dan momenteel.

42

‘Weinig concreet beleid, veel resultaat’ - Rekenkamer Haarlem

Meldingen leiden tot overmatige aandacht voor statische vormen van overlast, zoals parkeren en rommel. Bij de Veiligheidsmonitor krijgt verkeersoverlast door te hard rijden en verloedering (waaronder rommel) meer aandacht. Wijkagenten signaleren eerder jeugdoverlast en GGZ-problematiek, terwijl de enquêtes meer aandacht vragen voor fietsen en fatbikes. Buurtverenigingen storen zich bovendien meer aan drugsoverlast. Meten blijft zinvol, maar meten is pas weten als je weet wat je meet. Bij overlast gaat het niet alleen over de aanwezigheid van een vorm van overlast, maar ook over de impact van de vorm van overlast. Dat laatste is veel moeilijker te meten. Drugsoverlast kan bijvoorbeeld in het algemene straatbeeld nauwelijks voorkomen, terwijl degene die het wel waarneemt het als zeer bedreigend en dus als zeer belangrijk ervaart. Als de meetmethode invloed heeft op de uitkomst, bepaalt dat mede wat je waarneemt. Als een vorm van overlast bij alle metingen naar voren komt, staat vast dat die er is, maar als een bepaalde vorm van overlast bij een deel van de metingen naar voren komt, is die vorm er ook.

Hoe ervaren inwoners het melden van overlast en de afhandeling ervan? Het melden van overlast wordt door inwoners als laagdrempelig ervaren. Door veel inwoners wordt daarentegen wel onduidelijkheid over de opvolging ervaren, wat leidt tot frustratie. Met name het gebrek aan structurele terugkoppeling en de beperkte effectiviteit van oplossingen worden als knelpunten geduid.

Hoeveel meldingen ontvangt gemeente Haarlem en hoe zijn deze meldingen onderverdeeld in categorieën, locatie (wijken) en periode? Deze vraag wordt beschrijvend beantwoord in hoofdstuk 7 ‘Overlastbeleving’.

Welk beleid voert de gemeente Haarlem op het gebied van preventie van overlast? Hoe wordt dit beleid uitgevoerd? Worden de doelen bereikt? Het beleid is ten aanzien van overlast te vinden in het ‘Integraal Veiligheids- en Handhavingsbeleid 2023-2026’. Met betrekking tot overlast is dit beleid niet zo concreet dat er meetbare doelstellingen zijn geformuleerd. De ambitie op van het geprioriteerde thema ‘jeugdoverlast en jeugdcriminaliteit’ is dat er in 2026 effectieve aanpak staat. Er is niet omschreven wat een effectieve aanpak is. Hieruit volgt dat er binnen het beleid veel vrijheden zijn voor de uitvoering om jeugdoverlast aan te pakken. Bij de uitvoering van de bestrijding van overlast werkt de gemeente samen met relevante organisaties. Het meest belangrijke kritiekpunt dat bij de uitvoering naar voren kwam is dat meldingen niet altijd goed worden opgepakt door de achterwacht. Zowel boa’s als respondenten van de enquête geven aan dat meldingen te vaak lang blijven liggen. De indruk bestaat dat vooral meldingen die niet door één afdeling afzonderlijk kan worden opgelost, te vaak als ‘stiefprobleem’ blijven liggen. Het beleid ten aanzien van overlast leidt tot een breed scala aan activiteiten. Waar dat nodig is, is er samenwerking met andere organisaties, zoals scholen, politie, Buurts, buurthuizen, sportverenigingen of buurtouders.

De eerstelijnsambtenaren van de gemeente kunnen goed uit de voeten met de middelen waarover zij beschikken. De back office werkt traag. De indruk is ontstaan dat afdelingen meldingen het liefst op een andere afdeling afschuiven. Er kan niet worden geconcludeerd of doelen al dan niet worden bereikt: de doelen zijn zo ruim geformuleerd dat hier geen antwoord op kan worden gegeven. Als voorbeeld kan de aanpak jeugdoverlast worden genomen. De ambitie is om eind 2026 een ‘effectieve aanpak van jeugdoverlast (…) waarbij passende interventie zijn ingezet in goede samenwerking met ketenpartners’. Zonder definities voor bijvoorbeeld effectief, passend en goed staat hier niet meer dan een richting. De uitleg gaat ook niet verder. Bij nieuwe interventies staat dat Haarlem een stevige aanpak jeugdoverlast kent, waarin ‘samenwerking tussen veiligheids- en jeugddomein voorop staat. Op basis van meldingen van jeugdoverlast (…) en informatie van wijkprofessionals werken we aan een wijkgerichte aanpak waarin aandacht is voor preventie, vroegsignalering en repressie. Deze aanpak willen we de komende

43

‘Weinig concreet beleid, veel resultaat’ - Rekenkamer Haarlem

jaren verder versterken door nieuwe interventies te ontwikkelen die op individueel niveau, groepsniveau en wijkniveau effect hebben op jeugdoverlast’.32 Ook andere onderkopjes worden niet concreter dan het voornoemde. Er zijn geen normen opgenomen wanneer doelen zijn bereikt en geen prioritering tussen individuele, groeps- en wijkgerichte aanpak dan wel tussen preventie, vroegsignalering en preventie. Kortom, dit beleid geeft een richting aan, maar biedt het college vooral veel vrijheden. Een vergelijkbaar verhaal gaat op voor het ‘Actieprogramma Handhaving en Veiligheid 2023-2026’. Ook hier worden ambities weergegeven, maar opnieuw zijn er geen meetbare of strak afrekenbare doelen geformuleerd. Zo worden onder integrale aanpak jeugd onder meer de volgende doelen/ambities vermeld: ‘Inzet Preventie Interventie Team’, en ‘Faciliteren buurtouders’. Hierbij ontbreekt het aan zaken als middelen en gewenste uitkomsten.

In hoeverre werkt de gemeente Haarlem samen met andere instanties en belanghebbenden om overlast te voorkomen en aan te pakken? De ‘street level’-ambtenaren hebben goede contacten met scholen, politie, Buurts, buurthuizen, sportverenigingen, buurtouders en kunnen daardoor effectief optreden. De kracht van buurtouders en buurtverenigingen ligt in preventie. De kracht van gemeente, boa’s en politie is dat zij in staat zijn overlastproblemen aan te pakken.

In hoeverre is er sprake van coördinatie en samenwerking tussen verschillende domeinen binnen de gemeente in de aanpak van overlast? De coördinatie schiet te kort. Dit blijkt voornamelijk uit het feit dat de aanpak van het thema overlast versnipperd is belegd bij meerdere afdelingen zonder duidelijke coördinatie. Hierdoor ontbreekt centrale verantwoordelijkheid. Het ‘Integraal Veiligheids- en Handhavingsbeleid 2023-2026’ biedt daar ondanks de titel geen handvatten voor.

Zijn er lessen te leren van andere gemeenten of praktijksituaties die in Haarlem zouden werken om overlast aan te pakken? Een integrale, gebiedsgerichte aanpak en goede samenwerking tussen partners binnen én buiten de gemeentelijke organisatie zijn cruciaal voor het terugdringen van overlast. Ook blijkt bestuurlijke sturing op basis van goede informatie en ruimte voor maatwerk bij complexe problematiek, zoals jeugdoverlast en GGZgerelateerde overlast, essentieel te zijn.

Hebben raadsleden het gevoel adequaat invulling te kunnen geven aan hun controlerende en kaderstellende rol binnen dit dossier? Op basis van de gesprekken kan niet eenduidig worden geconcludeerd of raadsleden zich in staat achten om hun controlerende en kaderstellende rol binnen het dossier overlast adequaat in te vullen. De opkomst was te laag voor een algemene conclusie. De aanwezige raadsleden menen zelf een goed beeld van de stad te hebben, gebaseerd op eigen ervaringen en contacten, maar erkennen ook het risico dat zij vooral geluiden horen van mondige burgers. Tegelijkertijd ontbreekt structureel contact met ambtenaren, boa’s, wijkagenten en buurtouders, waardoor inhoudelijke verdieping en directe informatievoorziening over de uitvoering van beleid beperkt is. Door het lage aantal deelnemende raadsleden, uitsluitend uit de oppositie, en de afwezigheid van coalitiepartijen, is het beeld bovendien niet representatief voor de gehele raad. De indruk bestaat dat raadsleden bewust omgaan met het verschil tussen individueel en algemeen belang, maar of dit voldoende is voor een robuuste kaderstelling en controle, blijft onduidelijk.

32

Integraal veiligheids- en handhavingsbeleid 2023-2026, p. 10.

44

‘Weinig concreet beleid, veel resultaat’ - Rekenkamer Haarlem

10.2

Normenkader

Hieronder de conclusies ten aanzien van het normenkader op grond van de bevindingen in de voorgaande hoofdstukken. Onderzoeksvragen Normen Antwoord Hoe groot is het probleem van overlast in 1.a Haarlem: ervaren inwoners veel overlast?

1.b.1

Hoe ervaren inwoners het melden van overlast?

Melden is eenvoudig en men voelt zich met respect behandeld

1.b.2

Hoe ervaren inwoners de afhandeling van meldingen van overlast?

Inwoners ervaren de afhandeling van meldingen als correct & adequaat

Terugkoppeling ontbreekt vaak. Afhankelijk van het type melding kan de afhandeling meer adequaat

1.c

Hoeveel meldingen ontvangt gemeente Haarlem en hoe zijn deze meldingen onderverdeeld in categorieën, locatie (wijken) en periode?

Alle ervaringen met overlast worden gemeld

Niet alle meldingen komen in dezelfde overzichten terecht

2.d.1

Welk beleid voert de gemeente Haarlem op het gebied van preventie van overlast?

2.d.2

Hoe wordt dit beleid uitgevoerd?

2.d.3

Worden de doelen bereikt?

2.e

2.f

2.g

In hoeverre werkt de gemeente Haarlem samen met andere instanties en belanghebbenden om overlast te voorkomen en aan te pakken?

In hoeverre is er sprake van coördinatie en samenwerking tussen verschillende domeinen binnen de gemeente in de aanpak van overlast?

Zijn er lessen te leren van andere gemeenten of praktijksituaties die in Haarlem zouden werken om overlast aan te pakken?

Er is beleid In het beleid zijn prioriteiten aangegeven Het beleid bevat heldere doelen Beleid is uitvoerbaar Uitvoerders hebben voldoende middelen en kennis om het beleid uit te voeren Er is informatie over de mate van doelbereiking Het doel wordt bereikt Er zijn regelmatig contacten en afspraken met ketenpartners Er zijn regelmatig contacten en afspraken met belanghebbenden Er is overzicht over welke domeinen binnen de gemeente moeten reageren op overlast Er zijn heldere communicatiekanalen binnen de gemeente, zodat overlast zo snel als mogelijk wordt aangepakt -

Doelen zijn niet helder, maar organisatie kan er wel mee uit de voeten Voldoende in verhouding tot de ambities van politiek en organisatie Zie 2.d.1 Zie 2.d.1

Dit hangt sterk van het contact en de partij af

Back officie afdelingen schuiven meldingen te vaak naar elkaar door

-

45

‘Weinig concreet beleid, veel resultaat’ - Rekenkamer Haarlem

Bijlage 1 | Onderzoekverantwoording enquêtes en achtergrondinformatie respondenten Onderzoekverantwoording enquête Methoden en verantwoording Inwoners van de gemeente Haarlem die in 2024 een overlastmelding bij de gemeente hebben gemaakt hebben een digitale uitnodiging voor het onderzoek gekregen. Ook buurtverenigingen zijn gevraagd om mee te doen met het onderzoek. De vragenlijst voor de buurtverenigingen behandelde dezelfde thema’s als de vragenlijst voor overlastmelders. Vragen in de vragenlijst waren niet verplicht om in te vullen. Hierdoor is variatie in het aantal respondenten per vraag mogelijk. Het aantal respondenten is per vraag en antwoordoptie in de figuren weergegeven. Percentages tellen mogelijk niet overal op tot 100% omdat deze afgerond op hele decimalen worden weergegeven. In de vragenlijst is waar mogelijk B1-taalniveau gehandhaafd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16164514/4