2 Bijlage Uitgangspunten Programmabegroting 2027-2031
Tekst van het document
Uitgangspunten Programmabegroting 2027 - 2031
24 maart 2026 Afdeling Concerncontrol
Inhoudsopgave 1.
Uitgangspunten Programmabegroting 2027- 2031
3
1.1 Indexatie
3
1.2 Formatie en loonsom
5
1.3 Huren
6
1.4 Investeringen en kapitaallasten
6
1.5 Grexen
7
1.6 Kostenverdeling
7
1.7 Raming Algemene Uitkering
7
1.8 Vennootschapsbelasting
7
1.9 Weerstandsvermogen
8
2
1.
Uitgangspunten Programmabegroting 2027- 2031 De uitgangspunten voor het opstellen van de begroting wijken in de basis niet af van voorgaande jaren. Voor indexaties van lonen en prijzen is gebruik gemaakt van de op 12 maart 2026 gepubliceerde cijfers van het Centraal Economisch Planbureau. Op basis van deze uitgangspunten wordt de begroting opgesteld. De financiële consequenties die als gevolg van de verwerking ontstaan, worden verwerkt in het financieel kader van de Kaderbrief 2027, waarbij het uitgangspunt wordt gehanteerd dat we hiervoor 1 op 1 worden gecompenseerd door het Rijk middels de Meicirculaire 2026. De Meicirculaire 2026 is bij het opstellen van de Kaderbrief 2027 nog niet beschikbaar. Dit betekent dat eventuele verschillen tussen de Meicirculaire 2026 en de financiële consequenties als gehanteerd bij de Kaderbrief 2027 worden verwerkt in de Programmabegroting 2027-2031.
1.1 Indexatie Voorgestelde beleidslijn; • Indexatie van budgetten (dekking) is generiek en vindt plaats op primaire begrotingsbudgetten op basis van voorgestelde indices, waarbij geen maatwerk wordt geleverd, ook niet als dit is vastgelegd in contracten/overeenkomsten. De eventuele hieruit voortvloeiende verschillen, in de vorm van afwijkingen tussen bijdragen die met een subsidiepartner of verbonden partij zijn overeengekomen, dienen opgevangen te worden binnen het beleidsveld. Wanneer dit niet mogelijk is dient dit middels een onderbouwd voorstel ter besluitvorming te worden aangeboden via de P&C-cyclus. • Conform staand beleid vindt geen nacalculatie plaats op indexeringen (met uitzondering van lonen binnen de gemeentelijke organisatie waarbij de cao wordt gevolgd). Er is daarmee een (structureel) risico dat de gemeente op onderdelen in 2027 hogere kosten heeft dan begroot. De eventuele hieruit voortvloeiende tekorten dienen opgevangen te worden binnen het beleidsveld cq. dient middels een onderbouwd voorstel ter besluitvorming worden aangeboden via de P&Ccyclus wanneer dit niet mogelijk is. • Budgetten waar lastenverhogingen van de gemeente tegenover staan (verhoging OZB bijvoorbeeld) worden daarvoor gecompenseerd. Het betreft budgetten van o.m. vastgoed en onderwijs. Voorgesteld wordt de begroting 2027 te actualiseren naar loon-en prijspeil 2027 a.d.h.v.
onderstaande percentages: Omschrijving 2026 1. Loonontwikkelingen 2,0% 2. Materiele uitgaven 2,1% 3. Subsidies 2,0% 4. Langlopende rente nieuwe leningen 3,5% 5. Renteomslag 1,0% 6A. Belastingen en leges* 2,0% * muv Toeristen- en reclamebelasting
2027 4,2% 2,1% 3,6% 3,5% 1,0% 3,4%
3
Omschrijving 6B. Huren en pachten 7. Bijdrage Zandvoort 8. Gemeenschappelijke regelingen* * muv Spaarnelanden en SRO
2026 2,1% 2,0% 2,0%
2027 2,1% 4,2% 3,6%
1. Loonontwikkelingen Op basis van de actualisatie van de loonsom per 1 januari 2027 met daarbovenop 1,6% structureel miv 1 januari 2027 (nog niet verwerkte stijging lopende cao) en 2,6% structureel miv 1 april 2027 (datum waarop lopende cao afloopt). Totaal 4,2 % structureel miv 1 april 2027 cf, CPB loonvoet sector overheid voor 2027. 2. Materiele uitgaven Op basis van prijs materiële overheidsconsumptie (imoc %), 2,1 % 3. Subsidies Personele component op basis van loonvoet sector overheid, 4,2 % Materiële component op basis van Prijs materieel overheidsconsumptie, 2,1 % Berekening is als volgt: lonen 4,2 % x 0,7 en materieel 2,1 % x 0,3 = afgerond 3,6 %. In het coalitieakkoord 2022-2026 is opgenomen om alle subsidies, ook <€ 45.000 te indexeren. Subsidies worden conform bestaand beleid gecompenseerd via bovengenoemd gewogen percentage van 3,6 %. Er vindt geen verrekening plaats op basis van de werkelijke materiële kosten en loonkosten. De verzelfstandigde organisaties vallen onder het regime van de subsidies. Individuele organisaties en instellingen die subsidies ontvangen kunnen geen rechten ontlenen aan deze wijze van berekenen. 4. Langlopende rente nieuwe leningen 3,5 % 5. Renteomslag De rente-omslag wordt voor de begroting in een later stadium nog herberekend. De verwachting is dat de omslagrente gelijk blijft ten opzichte van vorig jaar, namelijk 1 %. 6A.
Belastingen en leges Personele component op basis van loonvoet sector overheid, 4,2 % Materiële component op basis van Prijs materieel overheidsconsumptie, 2,1 % Berekening is als volgt: lonen 4,2 % x 0,6 en materieel 2,1 % x 0,4 = afgerond 3,4 %. Dit met uitzondering van de toeristenbelasting waarvoor na afstemming met de hotelbranche eerder is besloten aan te sluiten op de werkelijke inflatie over het afgelopen jaar aan de hand van de consumentenprijsindex 2025, te weten 2,9%. Alsook met uitzondering van de reclamebelasting waarover is besloten om het tarief met ingang van 2026 jaarlijks standaard met 2% te indexeren. Leges worden verhoogd voor zover juridisch toegestaan (contracten, wetgeving, maximum rijkstarieven); - Afval-en rioolheffing worden niet geïndexeerd. De baten worden i.v.m. 100% kostendekkendheid berekend aan de hand van de ontwikkeling van de lasten (per saldo budgettair-neutraal).
4
Voorstellen tot afwijking van dit uitgangspunt worden expliciet en onderbouwd ter besluitvorming aangeboden. 6B. huren en pachten Voor huren en pachten wordt het inflatiepercentage aangehouden dat gelijk is aan die van de materiële kostencompensatie, door het CPB geraamd op 2,1 %. Daarbij worden de baten geïndexeerd, waarbij de volgende uitzonderingen gelden: Huren worden verhoogd voor zover juridisch toegestaan (contracten, wetgeving, maximum rijkstarieven); 7. Bijdrage Zandvoort Voor de bepaling van de hoogte van het indexeringspercentage is in artikel 9 lid 4 van het Dienstverleningshandvest met de gemeente Zandvoort het volgende opgenomen: “Op de financiële vergoeding zoals genoemd in het eerste lid en de efficiencykorting zoals genoemd in het tweede en 4 derde lid wordt vanaf 2018 een jaarlijkse indexering toegepast op basis van indexatie van het Centraal Planbureau (CPB)”. Aangezien het merendeel van de bijdrage bestaat uit een vergoeding voor loonkosten is afgesproken dat het indexpercentage van de jaarlijkse bijdrage aansluit bij het door Haarlem berekende indexpercentage voor lonen, voor 2026 geraamd op 4,2 %. 8.
Gemeenschappelijke regelingen Voor de indexatie van budgetten ter dekking van bijdragen aan gemeenschappelijke regelingen geldt als uitgangspunt dat de budgetten worden geïndexeerd aan de hand van de hierboven voorgestelde generieke indices, met bron/peildatum gelijk aan die van de subsidies. Wanneer andere percentages worden gehanteerd voor loon- en of materiële componenten, en of een andere verhouding tussen personeel en materieel dan bij onze subsidiepartners, en dit leidt tot een afwijkend gewogen index dan dienen de hieruit voortvloeiende verschillen opgevangen te worden binnen het beleidsveld waaruit de verbonden partij wordt bekostigd. Wanneer dit niet mogelijk is dient dit middels een onderbouwd voorstel ter besluitvorming te worden aangeboden via de P&Ccyclus. Gelet op eerdere afspraken wordt hierop een uitzondering gemaakt voor Spaarnelanden en SRO en zal voor deze partijen worden aangesloten bij de index zoals vastgelegd/overeengekomen met hen. Dit omdat het effect van indexering (grotendeels) kan worden doorgerekend aan de 'gebruikers'. Bij SRO gaat het om een conceptindex 2027 t.o.v. 2026 van 4,4%. Bij Spaarnelanden om een index 2027 t.o.v. 2026 van 3,6 %.
1.2 Formatie en loonsom Iedere afdeling wordt gebudgetteerd voor de toegestane formatie. De salarislasten worden opgehoogd met loonkostenstijging en worden verminderd met eventuele besluiten over de invulling van bezuinigingen. De salarisberekening gebeurt normatief met peildatum 1 maart 2026 zodat de effecten van kadernota en bestuursrapportage meegenomen kunnen worden. Hiermee wordt het (meest mogelijke) actueel beeld gepresenteerd aan de raad. Op basis van vastgesteld beleid vindt de berekening van de salarislasten plaats o.b.v. het gemiddelde van de 10e periodiek van de functionele schaal. De toegestane formatie 2027-2031 en de financiële uitwerking (per schaal) wordt door de afdeling HRM opgesteld en door het afdelingshoofd HRM vastgesteld na akkoord van de concerncontroller. De toegestane formatie wordt gebruikt om de personeelslasten voor 2027 te kunnen berekenen.
5
1.3 Huren De huurbaten van het gemeentelijk vastgoed worden, conform de afspraken cq. contracten met de huurders, één keer per jaar geïndexeerd, in principe op 1 januari dan wel op 1 juli. Deze indexatie gebeurt veelal conform de (dan) werkelijke (gepubliceerde) indexatiecijfers vanuit het CBS (Consumentenprijsindex), die op dit moment nog niet bekend zijn. Naast deze methode zijn er op onderdelen binnen de vastgoedportefeuille nog andere indexatiemethodes van toepassing: Contracten met SRO die worden geïndexeerd met het “SRO percentage”; -Contracten met culturele partijen met een standaard indexatie van 2,5%; -Contracten waarvan de huur is gebaseerd op de kapitaallasten in dat jaar (waardoor de huur elk jaar lager wordt); -Contracten voor woningen en woonwagenstandplaatsen die de wettelijke bepalingen uit de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte volgen. Als laatste wordt voor een aantal scholen jaarlijks de huur opnieuw vastgesteld op basis van het Bekostigingsstelsel (vergoeding die scholen van het Rijk krijgen om de school te onderhouden). Omdat deze percentages op dit moment nog niet (allemaal) bekend zijn worden de huren in beginsel geïndexeerd met de nu bekende prijs materiële overheidsconsumptie (imoc %), 2,1 %. Dit zorgt ervoor dat de werkelijke ontwikkeling van de huurbaten kan afwijken van nu opgenomen in de begroting.
Indien nodig worden afwijkingen van de begroting gepresenteerd in P&Cdocumenten en in het lopende begrotingsjaar verwerkt.
1.4 Investeringen en kapitaallasten De nieuwe investeringsbedragen dienen te worden aangeleverd met het prijspeil van het jaar waarvoor ze worden opgevoerd. De al eerder geraamde investeringsbedragen worden niet centraal geïndexeerd. Haarlem kent namelijk een meerjarenraming in constante prijzen waarbij investeringen in beginsel al met het juiste prijspeil begroot moeten worden. Waar zich in de praktijk (hoger dan geraamde) prijsstijgingen voordoen, kan per investering worden bekeken hoe dit wordt ingepast in het investeringsplan. Dit gebeurt binnen het financiële kader door te bezien welke ruimte er dan is vanwege onderbesteding, of waar ruimte te maken is door andere investeringen (deels) in tijd later te plannen. Prijsstijgingen direct gerelateerd aan indexatie zijn het meest aannemelijk wanneer investeringen (naar achteren) verschuiven in de tijd. Het is aan de aanleverende afdeling om deze component te verwerken in de aanlevering van de actualisatie van het IP. Indexatie gaat ten koste gaat van de beschikbare investeringsruimte, het netto-effect daarvan is in theorie dat er daardoor minder wordt geïnvesteerd en dat is niet wenselijk. De kapitaallasten worden centraal geraamd.
In de Programmabegroting 2027-2031 worden de kapitaallasten geraamd, die voortvloeien uit: • De tot en met 2025 in de jaarrekening opgenomen investeringsbedragen (activa); • De geraamde investeringen volgens het nieuwe Investeringsplan 2026-2030. De investeringen die worden geïnventariseerd voor de jaren 2031-2036 worden nog niet vastgesteld cq verwerkt in de begroting. • De bijkomende budgettaire lasten uit voorgestelde nieuwe of hogere investeringen komen in de analyse afzonderlijk naar voren. De rentecomponent (het zogenaamde rente-omslagpercentage) voor zowel de rendabele als de onrendabele investeringen bedraagt voorlopig 1 %, maar zal bij de Programmabegroting 2027-2031 nader berekend worden. Dit is vastgelegd in de Financiële verordening 2024, (2023/361130) en de
6
in 2025 door de raad vastgestelde geactualiseerde Nota activabeleid. Investeringen worden geactiveerd volgens de componentenmethode. In de nota activabeleid is vastgelegd dat investeringen van < € 100.000 niet worden geactiveerd.
1.5 Grexen Specifieke uitgangspunten voor de grondexploitatie en de ontwikkelzones worden respectievelijk in het Meerjaren Perspectief Grondexploitaties (MPG) en het Meerjaren Perspectief Zones (MPZ) opgenomen.
1.6 Kostenverdeling De afdelingen geven per afdeling aan hoe de personeelskosten moeten worden verdeeld over de programma’s en producten. Een belangrijk onderscheid hierbij is de verdeling tussen overhead- en lijnfuncties. De uitvraag geeft tevens inzicht in het totale aantal uren voor lijnfuncties. Door het saldo van de totale overheadkosten en -baten te delen door het totale aantal productieve uren (exclusief overhead) wordt de overheadopslag per (lijn)uur bepaald. Deze opslag wordt gebruikt bij de activering van investeringsuren, alsmede bij de berekening van de kostendekkendheid van belastingen en leges.
1.7 Raming Algemene Uitkering In de meerjarenraming 2026-2030 is de Algemene Uitkering vanaf 2026 in constante prijzen geraamd. Omdat 2027 de primaire begrotingsschijf wordt, zal de Algemene Uitkering herberekend moeten worden in lopende prijzen voor 2027. Dat wil zeggen dat de Algemene Uitkering dan opgehoogd wordt met het gestegen loon-en prijsniveau, prijspeil 1 januari 2027. Daarnaast wordt de Algemene Uitkering geactualiseerd aan de hand van de zogenaamde meicirculaire. De meicirculaire wordt te laat ontvangen om nog in de Kaderbrief 2027 te kunnen verwerken. Over de gevolgen van de meicirculaire wordt de raad afzonderlijk geïnformeerd en de consequenties worden verwerkt in de Programmabegroting 2027-2031. De Algemene Uitkering is onder andere gebaseerd op het aantal inwoners en de totale woningwaarde voor 2026. Als de gemeente (relatief tot de rest van het land) groeit, betekent dit over het algemeen ook dat baten uit de Algemene Uitkering groeien vanwege areaaluitbreiding. De Algemene Uitkering wordt door het Rijk in 2026 geherijkt met herverdeeleffecten voor gemeenten. De uitkomst van deze herijking is niet bekend voor het verschijnen van de Kaderbrief 2027 en wordt opgenomen in de Meicirculaire2026. Daarmee kan de verwerking niet eerder plaatsvinden dan bij de Programmabegroting 2027-2031.
1.8 Vennootschapsbelasting Voor de onderdelen parkeergarages, grondexploitaties en reclame zal een raming van de belastingdruk moeten worden opgegeven. Deze post zal als last in programma 7 worden opgenomen.
7
1.9 Weerstandsvermogen Om het weerstandsvermogen te kunnen beoordelen is er een norm vastgesteld. Wij gebruiken de volgende waarderingstabel: A > 2.0 Uitstekend B 1.4 - 2.0 Ruim voldoende C 1.0 - 1.4 Voldoende D 0.8 - 1.0 Matig E 0.6 - 0.8 Onvoldoende De weerstandscapaciteit bestaat uit de Algemene Reserve. Het vastgelegde kader is dat de ratio weerstandsvermogen minimaal 1,4 bedraagt.
8
Dit is een uitgave van gemeente Haarlem, Afdeling Concerncontrol 24 maart 2026
_______________________________ Postbus 511 2003 PB Haarlem Tel. 14 023 haarlem.nl 9