2 Bijlage I was-wordt lijst
Tekst van het document
Toelichting
Technische wijziging. Tekstueel
Technische wijziging. Tekstueel
Was in de GR per 1 januari 2019
3.
4. 5.
6.
7.
8.
9.
meerjarenraming met toelichting voor tenminste drie op het begrotingsjaar volgende jaren. In de begroting wordt aangegeven de naar raming door elke gemeente verschuldigde bijdrage voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft. In de begroting is het onderscheid van de drie verschillende percelen aangebracht. In de begroting zijn, per perceel, de salariskosten plus werkgeverslasten, uitvoeringskosten en overige kosten vermeld, met daarbij, per perceel aangegeven, de wijze waarop de in het derde lid van dit artikel genoemde bijdrage is berekend en vastgesteld. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de besturen van de deelnemende gemeenten voor een ieder ter inzage gelegd en algemeen verkrijgbaar gesteld. Artikel 190, tweede en derde lid, van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen bij het gemeenschappelijk orgaan hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het gemeenschappelijk orgaan voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, Indien het gemeenschappelijk orgaan afwijkt van de zienswijzen van de deelnemende gemeenten, zendt het de vastgestelde begroting aan de raden van de deelnemende gemeenten. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen Gedeputeerde Staten van hun zienswijze op de hoogte brengen.
Het gemeenschappelijk orgaan zendt jaarlijks de vastgestelde begroting met toelichting uiterlijk 1 augustus toe aan Gedeputeerde Staten.
Wordt in de GR per 1 juli 2024
3.
4. 5.
6.
7.
8.
9.
meerjarenraming met toelichting voor tenminste drie op het begrotingsjaar volgende jaren. In de begroting wordt aangegeven de naar raming door elke gemeente verschuldigde bijdrage voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft. In de begroting is het onderscheid van de drie verschillende percelen aangebracht. In de begroting zijn, per perceel, de salariskosten plus werkgeverslasten, uitvoeringskosten en overige kosten vermeld, met daarbij, per perceel aangegeven, de wijze waarop de in het derde lid van dit artikel genoemde bijdrage is berekend en vastgesteld. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de besturen van de deelnemende gemeenten voor een ieder ter inzage gelegd en algemeen verkrijgbaar gesteld. Artikel 190, tweede en derde lid, van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen bij het gemeenschappelijk orgaan hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het gemeenschappelijk orgaan voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, Indien het gemeenschappelijk orgaan afwijkt van de zienswijzen van de deelnemende gemeenten, zendt het de vastgestelde begroting aan de raden van de deelnemende gemeenten. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen gedeputeerde staten van hun zienswijze op de hoogte brengen.
Het gemeenschappelijk orgaan zendt jaarlijks de vastgestelde begroting met toelichting uiterlijk 15 september toe aan gedeputeerde staten.
Toelichting
Was in de GR per 1 januari 2019
Wordt in de GR per 1 juli 2024
Toelichting
10. De deelnemende gemeenten betalen jaarlijks de bijdrage als bedoeld in het derde lid van dit artikel. 11. Indien er sprake is van een afwijking van meer dan 10% het dan geldende begrotingskader inclusief indexering, waaraan de deelnemende gemeenten eerder hun goedkeuring hebben gegeven, dan wordt de conceptbegroting bij iedere gemeente afzonderlijk voorgelegd ter besluitvorming. Zodra iedere gemeente afzonderlijk een besluit heeft genomen zijn de bepalingen van dit artikel mede van toepassing op wijziging van de begroting. Artikel 24 Berekeningswijze perceel 1 1. Zowel de personeelskosten als de uitvoeringskosten/overhead die verbonden zijn aan de uitvoering van de administratie van leerplicht- en RMC taken van het RBL worden, naast de gedekte kosten vanuit het RMC-rijksbudget, zoals opgenomen in de begroting, omgeslagen over de aan perceel 1 deelnemende, gemeenten. 2. Tot de personeelskosten behoren: a. de salariskosten van de medewerkers van de uitvoerende gemeente tot het maximale bedrag behorende bij de functionele salarisschalen volgens het functiewaarderingssysteem van de uitvoerende gemeente; b. de kosten van bijzondere beloningen die de uitvoerende gemeente toekent op basis van het functioneren van de medewerker in de uitvoeringsorganisatie. 3. Tot de uitvoeringskosten behoren:
10. De deelnemende gemeenten betalen jaarlijks de bijdrage als bedoeld in het derde lid van dit artikel. 11. Indien er sprake is van een afwijking van meer dan 10% van het dan geldende begrotingskader inclusief indexering, waaraan de deelnemende gemeenten eerder hun goedkeuring hebben gegeven, dan wordt de ontwerpbegroting bij iedere gemeente afzonderlijk voorgelegd ter besluitvorming. Zodra iedere gemeente afzonderlijk een besluit heeft genomen zijn de bepalingen van dit artikel mede van toepassing op wijziging van de begroting. Artikel 24 Berekeningswijze perceel 1 Technische wijziging. 1. Zowel de personeelskosten als de Tekstueel uitvoeringskosten/overhead die verbonden zijn aan de uitvoering van de administratie van leerplicht- en Doorstroompunt taken van het RBL worden, naast de gedekte kosten vanuit het rijksbudget Doorstroompunt-, zoals opgenomen in de begroting, omgeslagen over de aan perceel 1 deelnemende, gemeenten. 2. Tot de personeelskosten behoren: a. de salariskosten van de medewerkers van de faciliterende gemeente tot het maximale bedrag behorende bij de functionele salarisschalen volgens het functiewaarderingssysteem van de faciliterende gemeente; b. de kosten van bijzondere beloningen die de faciliterende gemeente toekent op basis van het functioneren van de medewerker in de uitvoeringsorganisatie. 3. Tot de uitvoeringskosten behoren:
Was in de GR per 1 januari 2019
Wordt in de GR per 1 juli 2024
a. de overheadkosten verbonden aan de uitvoering door de uitvoeringsorganisatie, bij aanvang van de regeling vastgesteld op 20% van de personeelskosten. b. de directe kosten van het door de uitvoerende gemeente gebruikte registratiesysteem leerplicht / RMC, te weten de jaarlijkse exploitatiekosten (licentiekosten, technische kosten, backup beheer e.d.) en de kosten voortvloeiend uit de noodzakelijke GBAkoppelingen. c. kosten van de jaarlijkse accountantscontrole. 4. Van het totaal van de in het tweede en derde lid van dit artikel berekende kosten komt 75 % ten laste van de aan perceel 1 deelnemende gemeenten. 5. De overige 25 % van de totale kosten wordt ten laste gebracht van het jaarlijkse RMC-rijksbudget. 6. Verdeling van de in het vierde lid van dit artikel genoemde kosten vindt plaats naar rato van het aantal inwoners van 5 tot 23 jaar per gemeente op 1 januari van het voorafgaande jaar. Artikel 25 Berekeningswijze perceel 2 1. Zowel de personeelskosten als de uitvoeringskosten/overhead die verbonden zijn aan de uitvoering van de leerplichttaken van het RBL worden, naast de gedekte kosten vanuit het geoormerkte kwalificatieplicht-budget, zoals opgenomen in de begroting, omgeslagen over de aan perceel 2 deelnemende, gemeenten. 2. Tot de personeelskosten behoren: a.
de salariskosten van de medewerkers van de uitvoerende gemeente tot het maximale bedrag behorende bij de functionele salarisschalen volgens
a. de overheadkosten verbonden aan de uitvoering door de uitvoeringsorganisatie, bij aanvang van de regeling vastgesteld op 20% van de personeelskosten; b. de directe kosten van het door de faciliterende gemeente gebruikte registratiesysteem leerplicht / Doorstroompunt, te weten de jaarlijkse exploitatiekosten (licentiekosten, technische kosten, backup beheer e.d.) en de kosten voortvloeiend uit de noodzakelijke GBA- koppelingen; c. kosten van de jaarlijkse accountantscontrole. 4. Van het totaal van de in het tweede en derde lid van dit artikel berekende kosten komt 75 % ten laste van de aan perceel 1 deelnemende gemeenten. 5. De overige 25 % van de totale kosten wordt ten laste gebracht van het jaarlijkse rijksbudget Doorstroompunt-. 6. Verdeling van de in het vierde lid van dit artikel genoemde kosten vindt plaats naar rato van het aantal inwoners van 5 tot 23 jaar per gemeente op 1 januari van het voorafgaande jaar. Artikel 25 Berekeningswijze perceel 2 1. Zowel de personeelskosten als de uitvoeringskosten/overhead die verbonden zijn aan de uitvoering van de leerplichttaken van het RBL worden, naast de gedekte kosten vanuit het geoormerkte kwalificatieplicht-budget, zoals opgenomen in de begroting, omgeslagen over de aan perceel 2 deelnemende, gemeenten. 2. Tot de personeelskosten behoren: a.
de salariskosten van de medewerkers van de faciliterende gemeente tot het maximale bedrag behorende bij de functionele salarisschalen volgens
Toelichting
Technische wijziging. Tekstueel
Was in de GR per 1 januari 2019
Wordt in de GR per 1 juli 2024
het functiewaarderingssysteem van de uitvoerende gemeente; b. de kosten van bijzondere beloningen die de uitvoerende gemeente toekent op basis van het functioneren van de medewerker in de uitvoeringsorganisatie. 3. Tot de uitvoeringskosten behoren: a. de overheadkosten verbonden aan de uitvoering door de uitvoeringsorganisatie, bij aanvang van de regeling vastgesteld op 20% van de personeelskosten. b. kosten van de jaarlijkse accountantscontrole. 4. De bijdrage van de gemeenten die deelnemen aan perceel 2 vindt plaats naar rato van het aantal inwoners per gemeente van 5 tot 18 jaar op 1 januari van het voorafgaande jaar. Artikel 26 Berekeningswijze perceel 3 1. Zowel de personeelskosten als de uitvoeringskosten/overheadkosten die verbonden zijn aan de uitvoering van de RMC-taken van het RBL worden gedekt door de jaarlijkse middelen die door het ministerie van OCW voor uitvoering van de RMC-functie aan de RMC contactgemeente Haarlem ter beschikking worden gesteld, de Programmagelden die jaarlijks ten behoeve van de bestrijding van voortijdig schoolverlaten worden vastgesteld en de jaarlijkse Doeluitkering Jeugd/VSV.
het functiewaarderingssysteem van de faciliterende gemeente; b. de kosten van bijzondere beloningen die de faciliterende gemeente toekent op basis van het functioneren van de medewerker in de uitvoeringsorganisatie. 3. Tot de uitvoeringskosten behoren: a. de overheadkosten verbonden aan de uitvoering door de uitvoeringsorganisatie, bij aanvang van de regeling vastgesteld op 20% van de personeelskosten; b. kosten van de jaarlijkse accountantscontrole. 4. De bijdrage van de gemeenten die deelnemen aan perceel 2 vindt plaats naar rato van het aantal inwoners per gemeente van 5 tot 18 jaar op 1 januari van het voorafgaande jaar. Artikel 26 Berekeningswijze perceel 3 1. Zowel de personeelskosten als de uitvoeringskosten/overheadkosten die verbonden zijn aan de uitvoering van de Doorstroompunt-taken van het RBL worden gedekt door de jaarlijkse middelen die door het ministerie van OCW voor uitvoering van de Doorstroompunt-functie aan de Doorstroompunt contactgemeente Haarlem ter beschikking worden gesteld, de Programmagelden die jaarlijks ten behoeve van de bestrijding van voortijdig schoolverlaten worden vastgesteld en de jaarlijkse Doeluitkering Jeugd/VSV. 2. Tot de personeelskosten behoren: a. de salariskosten van de medewerkers van de faciliterende gemeente tot het maximale bedrag behorende bij de functionele salarisschalen volgens
2.Tot de personeelskosten behoren: a. de salariskosten van de medewerkers van de uitvoerende gemeente tot het maximale bedrag behorende bij de functionele salarisschalen volgens
Toelichting
Technisch. Tekstueel
Was in de GR per 1 januari 2019
Wordt in de GR per 1 juli 2024
het functiewaarderingssysteem van de uitvoerende gemeente; b. de kosten van bijzondere beloningen die de uitvoerende gemeente toekent op basis van het functioneren van de medewerker in de uitvoeringsorganisatie; 3.Tot de uitvoeringskosten behoren: a. de overheadkosten verbonden aan de uitvoering door de uitvoeringsorganisatie, bij aanvang van de regeling vastgesteld op 20% van de personeelskosten. b. kosten van de jaarlijkse accountantscontrole. 4. De financiële risico’s van onrechtmatige besteding van middelen voor uitvoering van de RMC-functie zijn voor rekening van de in artikel 8 eerste lid genoemde gemeenten die deelnemen aan perceel 3 (RMC), naar rato van het percentage dat bij de berekening van het subsidiebedrag van de RMC-middelen door het ministerie van OCW voor de betreffende gemeente is gehanteerd. Artikel 27 Jaarrekening 1. Na afloop van elk jaar legt de uitvoerende gemeente voor 1 april aan het gemeenschappelijk orgaan financiële verantwoording af, voorzien van een accountantsverklaring. 2. Het gemeenschappelijk orgaan stelt de jaarrekening vast uiterlijk 1 juli in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 3. Het gemeenschappelijk orgaan zendt jaarlijks een ontwerpjaarrekening met toelichting, uiterlijk op 15 april, toe aan de deelnemende gemeenten. 4.
Het gemeenschappelijk orgaan zendt jaarlijks de vastgestelde jaarrekening met alle daarbij behorende
het functiewaarderingssysteem van de faciliterende gemeente; b. de kosten van bijzondere beloningen die de faciliterende gemeente toekent op basis van het functioneren van de medewerker in de uitvoeringsorganisatie; 3. Tot de uitvoeringskosten behoren: a. de overheadkosten verbonden aan de uitvoering door de uitvoeringsorganisatie, bij aanvang van de regeling vastgesteld op 20% van de personeelskosten; b. Kosten van de jaarlijkse accountantscontrole.
Artikel 27 Jaarrekening 1. Na afloop van elk jaar legt de faciliterende gemeente voor 1 april aan het gemeenschappelijk orgaan financiële verantwoording af. 2. Het gemeenschappelijk orgaan stelt de jaarrekening vast uiterlijk 1 juli in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 3. Het gemeenschappelijk orgaan zendt jaarlijks de voorlopige jaarrekening met toelichting, uiterlijk op 30 april, toe aan de deelnemende gemeenten. 4. Het gemeenschappelijk orgaan zendt jaarlijks de vastgestelde jaarrekening met alle daarbij behorende
Toelichting
Technische wijziging. Tesktueel en geactualiseerd
Was in de GR per 1 januari 2019
Wordt in de GR per 1 juli 2024
toelichtende stukken uiterlijk 15 juli aan Gedeputeerde Staten. Artikel 28 Overige financiële bepalingen 1. De salariskosten genoemd in het vijfde lid van artikel 23 worden jaarlijks aangepast aan de actuele van toepassing zijnde CAR-UWO CAO voor gemeenteambtenaren en aangepast met het in Haarlem toegepaste indexcijfer voor lonen. Dit indexcijfer is in de begroting opgenomen. 2. De in het vijfde lid van artikel 23 genoemde uitvoeringskosten (overhead en automatisering) worden jaarlijks verhoogd met in Haarlem gehanteerde indexcijfer voor uitvoeringskosten. Dit indexcijfer is in de begroting opgenomen. 3. Betaling van de gemeentelijke bijdrage aan de uitvoerende gemeente geschiedt bij wijze van voorschot per kalenderkwartaal op basis van de begrote bijdragen zoals in de goedgekeurde begroting door de deelnemende gemeente schriftelijk aan de uitvoerende gemeente is medegedeeld. 4. Indien zich onvoorziene omstandigheden voordoen welke van dien aard zijn dat deze, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, niet voor rekening en risico van de uitvoerende gemeente kunnen komen, treden de deelnemende gemeenten in overleg om vanuit de gezamenlijke verantwoordelijkheid tot een oplossing te komen. 5.
Gemeenten treden ook in overleg als de van toepassing zijnde wetgeving voor de uitvoering van de tot de percelen 1 t/m 3 behorende taakuitvoering niet langer onder de gemeentelijke verantwoordelijkheid valt en dit leidt tot een zodanige vermindering van taken dat dit gevolgen
toelichtende stukken uiterlijk 15 juli aan gedeputeerde staten. Artikel 28 Overige financiële bepalingen 1. De salariskosten genoemd in het vijfde lid van artikel 23 worden jaarlijks aangepast aan de actuele van toepassing zijnde CAO gemeenten en aangepast met het in de faciliterende gemeente toegepaste indexcijfer voor lonen. Dit indexcijfer is in de begroting opgenomen. 2. De in het vijfde lid van artikel 23 genoemde uitvoeringskosten (overhead en automatisering) worden jaarlijks verhoogd met het in Haarlem gehanteerde indexcijfer voor uitvoeringskosten. Dit indexcijfer is in de begroting opgenomen. 3. Betaling van de gemeentelijke bijdrage aan de faciliterende gemeente geschiedt bij wijze van voorschot per kalenderkwartaal op basis van de begrote bijdragen zoals in de goedgekeurde begroting door de deelnemende gemeente schriftelijk aan de faciliterende gemeente is medegedeeld. 4. Indien zich onvoorziene omstandigheden voordoen die van dien aard zijn dat deze, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, niet voor rekening en risico van de faciliterende gemeente kunnen komen, treden de deelnemende gemeenten in overleg om vanuit de gezamenlijke verantwoordelijkheid tot een oplossing te komen. 5.
Gemeenten treden ook in overleg als de van toepassing zijnde wetgeving voor de uitvoering van de tot de percelen 1 t/m 3 behorende taakuitvoering niet langer onder de gemeentelijke verantwoordelijkheid valt en dit leidt tot een zodanige vermindering van taken dat dit gevolgen
Toelichting
Technische wijziging. Tekstueel en geactualiseerd.
Was in de GR per 1 januari 2019
Wordt in de GR per 1 juli 2024
heeft voor de omvang van de uitvoeringsorganisatie. De deelnemende gemeenten zijn in dat geval ieder naar rato van de bijdrage verantwoordelijk voor deze gevolgen, inclusief de financiële gevolgen waaronder eventuele wachtgeldverplichtingen. 6. Onder de in het vorige lid bedoelde kosten worden begrepen de personeelskosten, overheadkosten en overige uitvoeringskosten die zijn verbonden aan de uitvoering van de taken. 7. Extra dienstverlening kan worden ingekocht op verzoek van een deelnemende gemeente, voorover dit past binnen de werkingssfeer van de in artikel 3 genoemde te behartigen belangen. Het gemeenschappelijk orgaan beslist of akkoord wordt gegaan met het uitvoeren van de extra dienstverlening die de gemeente wil inkopen bij de uitvoerende gemeente. Hiertoe stelt de uitvoerende gemeente een offerte op voor de inkopende gemeente. 8. Bij inkoop van extra dienstverlening door deelnemende gemeenten wordt per product een eenheidsprijs vastgesteld. De hoeveelheid afgenomen producten wordt per gemeente vooraf per begrotingsjaar ingeschat en vooraf in rekening gebracht. Indien uit de realisatie blijkt dat de gemeente meer of minder producten binnen de extra dienstverlening heeft afgenomen dan wordt dit achteraf verrekend. De eenheidsprijs voor extra dienstverlening wordt door het Gemeenschappelijk orgaan vastgesteld en mede bepaald aan de hand van: a.
Kosten van aanschaf en onderhoud benodigde harden software; b. Personeelskosten benodigde medewerkers; c. Overheadkosten (huisvesting, organisatiekosten).
heeft voor de omvang van de uitvoeringsorganisatie. De deelnemende gemeenten zijn in dat geval ieder naar rato van de bijdrage verantwoordelijk voor deze gevolgen, inclusief de financiële gevolgen waaronder eventuele wachtgeldverplichtingen. 6. Onder de in het vorige lid bedoelde kosten worden begrepen de personeelskosten, overheadkosten en overige uitvoeringskosten die zijn verbonden aan de uitvoering van de taken.
Toelichting
Was in de GR per 1 januari 2019
Wordt in de GR per 1 juli 2024
Hoofdstuk 8 Personeel Artikel 29 Dienstverband 1. Met de medewerkers die taken uitvoeren wordt, voor zover het betreft de deelname aan perceel 1 t/m 3, door de uitvoerende gemeente een dienstverband aangegaan voor onbepaalde tijd, tenzij anders overeengekomen. 2. Op de in het eerste lid van dit artikel omschreven medewerkers van het RBL zijn de rechtspositieregelingen van de uitvoerende gemeente van toepassing, tenzij anders overeengekomen. 3. Voor medewerkers die voor de inwerkingtreding van deze regeling in dienst zijn bij een andere gemeente dan de uitvoerende gemeente gelden vanaf het moment van indiensttreding bij de uitvoerende gemeente de arbeidsvoorwaarden van de uitvoerende gemeente. De gemeente van herkomst is verantwoordelijk voor de in het kader van sociaal plan of sociaal statuut te maken overgangsafspraken en zij draagt hiervoor de eventuele kosten. 4. Voor medewerkers die niet bij de uitvoerende gemeente in dienst treden en in dienst zijn bij een andere gemeente dan de uitvoerende gemeente vóór en vanaf het moment van inwerkingtreding van deze regeling geldt dat zij worden gedetacheerd bij de uitvoerende gemeente en in dienst blijven bij de gemeente van herkomst. Op hen zijn de rechtspositieregelingen van de gemeente waar zij in dienst zijn van toepassing, tenzij anders overeengekomen. 5.
Het derde en vierde lid van dit artikel zijn niet van toepassing voor gemeenten die niet deelnemen aan perceel 2.
Hoofdstuk 8 Personeel Artikel 29 Dienstverband 1. Met de medewerkers die taken uitvoeren wordt, voor zover het betreft de deelname aan perceel 1 t/m 3, door de faciliterende gemeente een dienstverband aangegaan voor onbepaalde tijd, tenzij anders overeengekomen. 2. Op de in het eerste lid van dit artikel omschreven medewerkers van het RBL zijn de rechtspositieregelingen van de faciliterende gemeente van toepassing, tenzij anders overeengekomen. 3. Vacatures die vallen binnen de taakuitvoering van de percelen 1 t/m 3 worden ingevuld door de faciliterende gemeente. Werving vindt in eerste instantie plaats via een interne procedure, waarbij alle aan het perceel deelnemende gemeenten zijn betrokken. 4. Bij beëindiging van deze gemeenschappelijke regeling, zoals bedoeld in artikel 33, of bij uittreding door een gemeente, zoals bedoeld in artikel 32, treden de gemeenten in overleg over het teveel aan formatie waarvoor de faciliterende gemeente na opheffing of uittreding geen werkzaamheden meer heeft. Hierbij geldt het uitgangspunt dat de medewerker die bij de start van deze regeling in dienst is getreden bij de faciliterende gemeente teruggaat naar de oorspronkelijke gemeente en bij die gemeente weer in dienst treedt.
Toelichting
Technische wijziging. Tekstueel en geactualiseerd.
Was in de GR per 1 januari 2019 Vacatures die vallen binnen de taakuitvoering van de percelen 1 t/m 3 worden ingevuld door de uitvoerende gemeente. Werving vindt in eerste instantie plaats via een interne procedure, waarbij alle aan het perceel deelnemende gemeenten zijn betrokken. 7. Bij beëindiging van deze gemeenschappelijk regeling, zoals bedoeld in artikel 33, of bij uittreding door een gemeente, zoals bedoeld in artikel 32, treden de gemeenten in overleg over het teveel aan formatie waarvoor de uitvoerende gemeente na opheffing of uittreding geen werkzaamheden meer heeft. Hierbij geldt het uitgangspunt dat de medewerker die bij de start van deze regeling in dienst is getreden bij de uitvoerende gemeente teruggaat naar de oorspronkelijk gemeente en bij die gemeente weer in dienst treedt. Hoofdstuk 9 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing Artikel 30 Wijziging 1. Voor wijziging van de regeling is de unanieme instemming van de colleges van de deelnemende gemeenten vereist. 2. Een verandering van deelname aan een van de in artikel 5, 6 en 7 genoemde percelen wordt beschouwd als een in het eerste lid van dit artikel genoemde wijziging 3. Zowel het gemeenschappelijk orgaan als elk der deelnemende gemeenten is bevoegd tot het doen van voorstellen tot wijziging van de regeling. Artikel 31 Toetreding 1. Andere gemeenten kunnen toetreden tot de regeling. 2.
Bij toetreding tot deze regeling is sprake van in een artikel genoemde wijziging waarvoor unanieme instemming van de colleges van de deelnemende gemeenten vereist is.
Wordt in de GR per 1 juli 2024
Toelichting
6.
Hoofdstuk 9 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing Artikel 30 Wijziging 1. Voor wijziging van de regeling is de unanieme instemming van de colleges van de deelnemende gemeenten vereist. 2. Een verandering van deelname aan een van de in artikel 5, 6 en 7 genoemde percelen wordt beschouwd als een in het eerste lid van dit artikel genoemde wijziging 3. Zowel het gemeenschappelijk orgaan als elk der deelnemende gemeenten is bevoegd tot het doen van voorstellen tot wijziging van de regeling. Artikel 31 Toetreding 1. Andere gemeenten kunnen toetreden tot de regeling. 2. Bij toetreding tot deze regeling is sprake van een in artikel 30 lid 1 genoemde wijziging waarvoor unanieme instemming van de colleges van de deelnemende gemeenten vereist is.
Ongewijzigd
Technische wijziging. Tekst gecorrigeerd.
Was in de GR per 1 januari 2019
Wordt in de GR per 1 juli 2024
3. Aan de toetreding kunnen de colleges van de deelnemende gemeenten voorwaarden verbinden. Artikel 32 Uittreding 1. Een gemeente kan uittreden door toezending aan het gemeenschappelijk orgaan van een daartoe strekkend besluit van het college. 2. Gedurende drie jaren na de datum van toetreding tot de regeling is uittreding niet mogelijk, tenzij gemeenten daar in onderling overleg van afwijken en gemeenten unaniem hiermee instemmen. 3. Een deelnemende gemeente dient het voornemen tot uittreding uiterlijk twaalf maanden voor de datum van uittreding, schriftelijk gemotiveerd mede te delen aan het algemeen bestuur. 4. De uittreding vindt, behoudens door de colleges en gemeenteraden van de deelnemende gemeenten geaccepteerde afwijking, plaats op 1 januari van het tweede jaar, volgend op dat waarin het besluit tot uittreding in de registers is ingeschreven. 5. Indien een gemeente uittreedt, besluiten de colleges van de overige gemeenten over de voortzetting van de gemeenschappelijke regeling en de wijze waarop. 6. Het gemeenschappelijk orgaan regelt de financiële en overige gevolgen van de uittreding. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de uittredende gemeente de kosten draagt die het rechtstreekse gevolg zijn van de uittreding en dat de overige gemeenten geen financieel nadeel van de uittreding ondervinden. 7.
Alle rechten en verplichtingen van het gemeenschappelijk orgaan gaan bij uittreding over naar de uittredende gemeente naar evenredigheid van de grootte van de
3. Aan de toetreding kunnen de colleges van de deelnemende gemeenten voorwaarden verbinden. Artikel 32 Uittreding 1. Een gemeente kan uittreden door toezending aan het gemeenschappelijk orgaan van een daartoe strekkend besluit van het college. 2. Gedurende drie jaren na de datum van toetreding tot de regeling is uittreding niet mogelijk, tenzij gemeenten daar in onderling overleg van afwijken en gemeenten unaniem hiermee instemmen. 3. Een deelnemende gemeente dient het voornemen tot uittreding uiterlijk twaalf maanden voor de datum van uittreding, schriftelijk gemotiveerd mede te delen aan het algemeen bestuur. 4. De uittreding vindt, behoudens door de colleges en gemeenteraden van de deelnemende gemeenten geaccepteerde afwijking, plaats op 1 januari van het tweede jaar, volgend op dat waarin het besluit tot uittreding in de registers is ingeschreven. 5. Indien een gemeente uittreedt, besluiten de colleges van de overige gemeenten over de voortzetting van de gemeenschappelijke regeling en de wijze waarop. 6. Het gemeenschappelijk orgaan regelt de financiële en overige gevolgen van de uittreding. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de uittredende gemeente de kosten draagt die het rechtstreekse gevolg zijn van de uittreding en dat de overige gemeenten geen financieel nadeel van de uittreding ondervinden. 7.
Alle rechten en verplichtingen van het gemeenschappelijk orgaan gaan bij uittreding over naar de uittredende gemeente naar evenredigheid van de grootte van de
Toelichting
Ongewijzigd
Was in de GR per 1 januari 2019
Wordt in de GR per 1 juli 2024
bijdrage aan de gemeenschappelijke regeling in het jaar voorafgaande aan de uittreding. Artikel 33 Opheffing 1. De regeling kan worden opgeheven bij de daartoe strekkende besluiten van de colleges van alle deelnemende gemeenten. 2. De opheffing gaat in op de in het opheffingsbesluit genoemde datum. 3. Ingeval van opheffing van de regeling besluiten de colleges van de deelnemende gemeenten tot liquidatie en stellen daarvoor de nodige regels vast. Hierbij kan van de bepalingen van deze gemeenschappelijke regeling worden afgeweken. 4. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing. Hieronder wordt tevens verstaan eventuele gevolgschade voor de uitvoerende gemeente. 5. Het liquidatieplan bevat tevens een personeelsplan dat voor zoveel mogelijk voorziet in herplaatsing van het personeel en voorts in de financiële gevolgen voor het personeel. 6. De deelnemende gemeenten zijn belast met de liquidatie. Het gemeenschappelijk orgaan blijft na het tijdstip van de opheffing in functie, totdat de liquidatie is voltooid. 7. Alle rechten en verplichtingen van de regeling die resteren na uitvoering van het liquidatieplan gaan bij vereffening over naar de deelnemende gemeenten, naar evenredigheid van de grootte van hun bijdrage aan de regeling in het jaar voorafgaande aan de opheffing.
bijdrage aan de gemeenschappelijke regeling in het jaar voorafgaande aan de uittreding. Artikel 33 Opheffing 1. De regeling kan worden opgeheven bij de daartoe strekkende besluiten van de colleges van alle deelnemende gemeenten. 2. De opheffing gaat in op de in het opheffingsbesluit genoemde datum. 3. Ingeval van opheffing van de regeling besluiten de colleges van de deelnemende gemeenten tot liquidatie en stellen daarvoor de nodige regels vast. Hierbij kan van de bepalingen van deze gemeenschappelijke regeling worden afgeweken. 4. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing. Hieronder wordt tevens verstaan eventuele gevolgschade voor de faciliterende gemeente. 5. Het liquidatieplan bevat tevens een personeelsplan dat zoveel mogelijk voorziet in herplaatsing van het personeel en voorts in de financiële gevolgen voor het personeel. 6. De deelnemende gemeenten zijn belast met de liquidatie. Het gemeenschappelijk orgaan blijft na het tijdstip van de opheffing in functie, totdat de liquidatie is voltooid. 7. Alle rechten en verplichtingen van de regeling die resteren na uitvoering van het liquidatieplan gaan bij vereffening over naar de deelnemende gemeenten, naar evenredigheid van de grootte van hun bijdrage
Toelichting
Technische wijziging.
Was in de GR per 1 januari 2019
Artikel 34 Archief Het gemeenschappelijk orgaan draagt zorg voor de archiefbescheiden van de regeling overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de wettelijke voorschriften daaromtrent. De bewaring en het beheer van de archiefbescheiden berust bij de uitvoerende gemeente.
Hoofdstuk 10 Geschillenbeslechting
Wordt in de GR per 1 juli 2024 aan de regeling in het jaar voorafgaande aan de opheffing. Artikel 34 Archief Het gemeenschappelijk orgaan draagt zorg voor de archiefbescheiden van de regeling overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de wettelijke voorschriften daaromtrent. De bewaring en het beheer van de archiefbescheiden berust bij de faciliterende gemeente. Artikel 34a Evaluatie 1. Het gemeenschappelijk orgaan draagt zorg voor een jaarlijkse evaluatie van de regeling. In afwijking daarvan vindt de eerste evaluatie plaats in het derde kalenderjaar na inwerkingtreding van de regeling. 2. Onderdeel van de evaluatie, bedoeld in het eerste lid, is in ieder geval: a. de wijze waarop het gemeenschappelijk orgaan bijdraagt aan het belang waarvoor het is ingesteld en de kwaliteit van zijn taakuitvoering; b. de kostenverdeling; c. de governance van het gemeenschappelijk orgaan, waaronder de rollen en portefeuilleverdeling binnen het gemeenschappelijk orgaan, het voorzitterschap, de sturing en verantwoording; d. de samenstelling van het takenpakket van het gemeenschappelijk orgaan; e. de financiële afspraken zoals vastgelegd in deze regeling; f. de reserveontwikkeling; g. de positionering van het RBL Hoofdstuk 10 Geschillenbeslechting
Toelichting
Technische wijziging
Inhoudelijke wijziging. Nieuw artikel o.g.v. de nieuwe WGR
Was in de GR per 1 januari 2019
Wordt in de GR per 1 juli 2024
Toelichting
Artikel 35 Geschillenbeslechting Over meningsverschillen tussen de directie van scholen, ouders en leerlingen met de leerplichtambtenaar beslist de teammanager van het RBL of diens plaatsvervanger.
Artikel 35 Geschillenbeslechting 1. Voordat over een geschil als bedoeld in artikel 28 van de wet de beslissing van gedeputeerde staten wordt ingeroepen, spant het gemeenschappelijk orgaan zich sterk in om een en ander minnelijk met elkaar op te lossen. 2. Een geschil wordt geacht aanwezig te zijn indien de inspanningen, bedoeld in het eerste lid, niet tot overeenstemming hebben geleid, ook al wordt het geschil als zodanig door slechts een der partijen aangemerkt. 3. Om een minnelijke oplossing als bedoeld in het eerste lid te bereiken, kan het geschil worden voorgelegd aan een onafhankelijke mediator, die een advies uitbrengt. 4. De mediator, bedoeld in het derde lid, wordt door de partijen bij het geschil gezamenlijk benoemd en krijgt een door partijen in gezamenlijkheid geformuleerde opdracht. 5. Elke gemeente draagt de eigen kosten, voortvloeiend uit de procedures volgend uit dit artikel. Eventuele gezamenlijke kosten worden gelijkelijk verdeeld. Hoofdstuk 11 Slotbepalingen Artikel 36 Ingangsdatum en duur van de regeling 1. Deze wijziging van de gemeenschappelijke regeling gaat in op 1 juli 2024. 2. Deze gemeenschappelijke regeling is aangegaan voor onbepaalde tijd. Artikel 37 Citeertitel Deze gemeenschappelijke regeling kan worden aangehaald als: Gemeenschappelijke Regeling Schoolverzuim en Voortijdig Schoolverlaten Regio Zuid-Kennemerland en IJmond.
Aldus vastgesteld door ................... op ......te......
Inhoudelijke wijziging. Gaat over geschillen binnen de GR.
Hoofdstuk 11 Slotbepalingen Artikel 36 Ingangsdatum en duur van de regeling 1. Deze wijziging van de gemeenschappelijke regeling gaat in op 1 januari 2019. 2. Deze gemeenschappelijke regeling is aangegaan voor onbepaalde tijd. Artikel 37 Citeertitel Deze gemeenschappelijke regeling kan worden aangehaald als: ‘Gemeenschappelijke Regeling Schoolverzuim en Voortijdig Schoolverlaten Regio West-Kennemerland’. Aldus vastgesteld door [enz enz]
Technische wijziging.
Technische wijziging