CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

2 Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan

gemeenteraad 28 september 2023, gemeente HaarlemBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Spaarndamseweg 1324.180 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Op welke wijze exact invulling wordt gegeven aan de compensatieplicht zal nog nader worden afgestemd. Daarnaast zal rekening gehouden moeten worden met het voorzien in voldoende waterberging. De daken zullen zoveel mogelijk groen worden uitgevoerd. De groendaken dragen bij aan de ecologische waarde en kennen een bufferende werking waarmee regenwater langer kan worden vastgehouden. Opgemerkt wordt dat deze groendaken naar verwachting niet de oplossing zijn voor de gehele compensatieopgave. Wel kunnen groendaken bijvoorbeeld bijdragen aan de mogelijkheden om de piekbelasting van hemelwater op te vangen.

O 16087-4-RA-011 55

De beoogde ontwikkeling heeft verder in zijn geheel een beperkte invloed op de waterhuishouding en de afvalwaterketen. De beoogde ontwikkeling zal op zorgvuldige wijze worden aangesloten op het rioleringsstelsel. Resumerend kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling naar verwachting geen verslechtering van het watersysteem als gevolg heeft. Bij de uitwerking van de bouwplannen zullen de van toepassing zijnde regels van het Hoogheemraadschap Rijnland in acht worden genomen. Waar nodig vindt daarbij nadere afstemming plaats. 4.11.4 C o n c l u s i e

De beoogde ontwikkeling zal geen negatieve effecten hebben op het lokale watersysteem. Bij de uitwerking van de bouwplannen zullen de van toepassing zijnde regels van het Hoogheemraadschap Rijnland in acht worden genomen. Waar nodig vindt daarbij nadere afstemming plaats. De kwaliteit, kwantiteit en veiligheid van het water blijven gewaarborgd. Derhalve levert het aspect water geen belemmering op voor de beoogde ontwikkeling. 4.12 B e z o n n i n g

4.12.1 A l g e m e e n

De realisatie van nieuwbouw kan gevolgen hebben voor de schaduwwerking in de omgeving. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het wenselijk om jaarrond een aangenaam bezonningsklimaat in de omgeving te behouden. Derhalve is de schaduwwerking van de beoogde bebouwing inzichtelijk gemaakt. 4.12.2 To e t s i n g s k a d e r

Binnen Nederland worden er geen formele eisen gesteld aan de bezonning van woningen of andere bouwwerken. Gemeenten zijn dus vrij om hun eigen eisen te stellen aan de bezonning. Wel bestaan er de zogenaamde 'lichte' en 'strenge' TNO-norm voor bezonning van woonkamers. Deze vinden hun oorsprong in het woonwaarderingsstelsel uit 1962. Volgens de lichte TNO-norm is er sprake van een voldoende bezonning bij tenminste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober (gedurende 8 maanden) ter plaatse van het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam. Volgens de strenge TNO-norm is er sprake van een goede bezonning bij tenminste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari tot en met 22 november (gedurende 10 maanden) ter plaatse van het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam. Er zijn ons echter geen gemeenten bekend die de strenge TNOnorm hanteren. Gemeenten met eigen bezonningseisen hebben deze meestal gebaseerd op de lichte TNO-norm. Gemeente Haarlem heeft aangegeven bij de beoordeling van de bezonningssituatie in eerste aanleg aan te sluiten op de lichte TNO-norm. De gemeente kent echter geen beleid waarin deze bezonningsnormen zijn vastgelegd.

O 16087-4-RA-011 56

4.12.3 B e o o r d e l i n g

In het kader van een goede ruimtelijke ordening vraagt de schaduwwerking van de beoogde bebouwing op de omgeving om aandacht. De maximale bouwhoogte bedraagt 24 meter. Uit de bezonningsstudies, welke onder andere zijn uitgevoerd ten behoeve van het stedenbouwkundig plan, komt naar voren dat in het voor- en najaar door het nieuwe gebouw niet tot nauwelijks zon weggenomen wordt van de gevels van de omliggende woningen, zie figuur 4.8. f4.8 Bezonningssituatie 21 maart

In de zomer is de impact van het gebouw op de bestaande omliggende bebouwing zelfs geheel te verwaarlozen, zie figuur 4.9. Dit komt deels de relatief ruime afstand tussen de beoogde bebouwing en de bestaande bebouwing. Het plangebied wordt immers omsloten door wegen.

O 16087-4-RA-011 57

f4.9 Bezonningssituatie 21 juni

Een effect op de bezonning zal dus voornamelijk optreden als de schaduwen lang zijn, in de wintermaanden. In figuur 4.10 wordt deze situatie weergeven. Opgemerkt wordt dat zowel bij de lichte als zware TNO-norm in ieder geval december buiten beschouwing wordt gelaten. De zon staat dan dermate laag dat het in veel gevallen niet redelijkerwijs haalbaar is om te voldoen aan de bezonningsnorm. f4.10 Bezonningssituatie 21 december

Resumerend gesteld zal de beoogde ontwikkeling naar alle verwachting niet leiden tot een afname van de bezonning waarmee het aantal bezonningsuren ter plaatse van omliggende woningen dusdanig afneemt zodat niet meer wordt voldaan aan de zogeheten lichte TNOnorm. Door de geïsoleerde ligging, in combinatie met de beperkte bouwhoogte, zijn de effecten van de beoogde ontwikkeling op de omgeving wat bezonning betreft relatief beperkt. Ten aanzien van bezonning wordt de situatie na realisatie van de beoogde ontwikkeling aanvaardbaar geacht.

O 16087-4-RA-011 58

4.12.4 C o n c l u s i e

Na de realisatie van de beoogde ontwikkeling is geen sprake van een onacceptabele schaduwwerking in de omgeving van de beoogde bebouwing. Naar verwachting zal de beoogde ontwikkeling niet leiden tot een situatie waardoor het aantal bezonningsuren ter plaatse van omliggende woningen dusdanig afneemt zodat niet meer wordt voldaan aan de zogeheten lichte TNO-norm. Door de geïsoleerde ligging, in combinatie met de beperkte bouwhoogte, zijn de effecten van de beoogde ontwikkeling op de omgeving wat bezonning betreft relatief beperkt. Het aspect bezonning levert hiermee geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling. 4.13 W i n d h i n d e r

4.13.1 A l g e m e e n

De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van bebouwing welke 50% boven de gemiddelde hoogte van de omgevingsbebouwing uitsteekt, waardoor in het kader van een goede ruimtelijke ordening rekening gehouden dient te worden met het aspect windhinder. In de voorliggende paragraaf zal het aspect windhinder nader beschouwd worden. 4.13.2 We t t e l i j k k a d e r

In Nederland bestaat tot op heden geen wetgeving ter voorkoming van windhinder. Echter, voor een goede ruimtelijke ordening is het nodig dat het aspect windhinder wordt meegenomen in de afwegingen. Daarvoor is het in kaart brengen van mogelijke windhinder of windgevaar in de beoordeling noodzakelijk. De beoordeling van het windklimaat met betrekking tot windhinder en windgevaar, is daarbij in Nederland vastgelegd in de norm NEN 8100. Hierin wordt aangegeven wanneer onderzoek naar wind bij bouwwerken nodig is, hoe het onderzoek moet worden uitgevoerd, aan welke eisen moet worden getoetst en hoe rapportage moet plaatsvinden. Omdat de geplande bebouwing meer dan 50% boven de gemiddelde hoogte van de omgevingsbebouwing uitsteekt, is in deze situatie sprake van een onbeschutte ligging. De geplande bebouwing valt hiermee in de categorie onbeschut gelegen gebouwen tot 30 meter hoogte, waarvoor het oordeel van een windhinderdeskundige is vereist voor de beslissing of een windklimaatonderzoek noodzakelijk is. In dit geval wordt, gezien de zeer open ligging van het plangebied, een windklimaatonderzoek noodzakelijk geacht. Windhinder is iets wat in geen geval geheel te voorkomen is: als het stormt is de wind hinderlijk, wat voor maatregelen er ook getroffen worden. Het is daarom ook de kans op windhinder, die maatgevend gehouden wordt voor de beoordeling van het windklimaat.

Voor windhinder wordt een drempelwaarde v DR;H aangehouden van 5 m/s uurgemiddelde windsnelheid op loop- of verblijfsniveau. Bij deze windsnelheid gaan mechanische effecten bij de ervaring van het windklimaat een rol spelen zoals bijvoorbeeld het omslaan van paraplu’s, in de ogen waaien van stof en in meer extreme vorm het dichtwaaien van een autoportier en dergelijke. O 16087-4-RA-011 59

Aan de hand van onderstaande tabel 4.7, afkomstig uit de NEN 8100, kan een beoordeling worden gegeven van de te verwachten mate van windhinder. t4.7 Criteria windhinder volgens NEN 8100 Overschrijdingskans

Kwaliteitsklasse

p(vLOK > vDR;H) in procenten van het aantal uren per jaar

Activiteit I. Doorlopen

II. Slenteren

III. Langdurig zitten

Goed

Goed

< 2,5

A

Goed

2,5 – 5

B

Goed

Goed

Matig

5 – 10

C

Goed

Matig

Slecht

10 – 20

DD

Matig

Slecht

Slecht

≥ 20

E

Slecht

Slecht

Slecht

Afhankelijk van de activiteitenklasse wordt de waardering van het lokale windklimaat gekwalificeerd met ‘goed’, ‘matig’ of ‘slecht’ (zie tabel 4.7). Bij een goed windklimaat ondervindt men geen overmatige windhinder. In een situatie zonder overmatige windhinder heeft het merendeel van het publiek onder normale omstandigheden geen last van windhinder. Bij een matig windklimaat ervaart men af en toe overmatige windhinder. In een slecht windklimaat ervaart men regelmatig overmatige windhinder. In een dergelijke situatie heeft het merendeel van het publiek last van windhinder. Er wordt naar gestreefd, om binnen de verschillende activiteitenklassen, een goed, eventueel nog matig windklimaat te realiseren. Activiteitenklasse ‘langdurig zitten’ is dusdanig kritisch dat deze met terughoudendheid wordt toegepast. Voor windgevaar wordt 15 m/s uurgemiddelde windsnelheid als drempelwaarde v DR;G gehanteerd. Op basis van tabel 4.8, afkomstig uit de NEN 8100, wordt bepaald of sprake is van windgevaar. t4.8 Criteria windgevaar volgens NEN 8100 Overschrijdingskans

Kwalificatie

p(vLOK > vDR;G) in procenten van het aantal uren per jaar 0,05 < p < 0,30

Beperkt risico

p ≥ 0,30

Gevaarlijk

De norm stelt: “Situaties waarvoor een overschrijdingskans geldt van 0,05 < p < 0,30 mogen alleen worden geaccepteerd als deze vallen binnen activiteiten klasse I (doorlopen). Voor activiteiten klasse II en III geldt de eis p ≤ 0,05. Situaties met een overschrijdingskans van p ≥ 0,30 zijn evident gevaarlijk en behoren te allen tijde te worden vermeden; het publiek mag hier niet aan worden blootgesteld.” O 16087-4-RA-011 60

4.13.3 B e o o r d e l i n g

Door Peutz is met behulp van Computational Fluid Dynamics (CFD) een indicatief onderzoek (bijlage 6) verricht naar de te verwachten windklimaatsituatie rondom de geplande bebouwing. Het doel van het onderzoek was het vaststellen en beoordelen van het te verwachten windklimaat in de directe omgeving van de geplande bebouwing. Opgemerkt dient te worden dat het windremmende effect van geplande begroeiing, gezien het beperkte effect bij jonge aanplant, vooralsnog niet in de berekening is meegenomen. In figuur 4.11 wordt in een horizontale doorsnede op hoofdhoogte (1,75 meter boven plaatselijk maaiveldniveau) de berekende hinderkans met kleurcontouren voor de geplande bebouwingssituatie weergegeven. De kleuren komen overeen met de kwaliteitsklassen (A-E) uit tabel 4.7. Uit de resultaten van het onderzoek kan geconcludeerd worden dat voor de geplande situatie aan de oost- en zuidzijde van de geplande bebouwing overwegend een lage hinderkans te verwachten is, waarmee het windklimaat voor het criterium doorlopen als goed beoordeeld wordt. Aan het Spaarne is hiermee een goed te verwachten windklimaat, en is het een prettig gebied om te verblijven. Ten westen van de geplande bebouwing is een matig windklimaat vastgesteld. Hier wordt een goede terreininrichting geadviseerd om het windklimaat te verbeteren.

Rond de geplande bebouwing is geen sprake van een slecht windklimaat of overschrijding van het gevaarcriterium. f4.11 Het te verwachten windklimaat in de geplande bebouwingssituatie, beoordeeld volgens de NEN 8100

O 16087-4-RA-011 61

Naar aanleiding van de resultaten van de geplande situatie is aanvullend het effect van geplande begroeiing inzichtelijk gemaakt. In figuur 4.12 wordt in een horizontale doorsnede op hoofdhoogte (1,75 meter boven plaatselijk maaiveldniveau) de berekende hinderkans met kleurcontouren voor de geplande bebouwingssituatie weergegeven. f4.12 Het te verwachten windklimaat in de geplande bebouwingssituatie, beoordeeld volgens de NEN 8100

Sp aa r

nd a

m

se

we

rug terb

g

Scho

Uit de resultaten blijkt dat ten gevolge van de geplande begroeiing het windklimaat rond de geplande bebouwing duidelijk verbeterd. Op de Spaarndamseweg neemt de hinderkans af, waardoor het gebied met een matig windklimaat kleiner wordt. Ten zuidoosten van de geplande bebouwing, boven aan de trap, is tevens een afname van de hinderkans vastgesteld, waardoor hier nu sprake is van een goed (groen) windklimaat voor de activiteit doorlopen. Voor het plaatsen van gebouwentrees dient bovendien gestreefd te worden naar een hinderkans van lager dan 5%, hetgeen overeenkomt met een beoordeling goed voor het criterium slenteren. De beoogde entree van het gebouw is gesitueerd aan de zuidzijde, waar sprake is van een goed windklimaat voor slenteren. Mocht de gebouwentree echter worden geplaatst op een positie waar een hogere hinderkans is vastgesteld dienen lokale windafschermende maatregelen te worden toegepast, zoals schermen of het plaatsen van O 16087-4-RA-011 62

de entree in een nis. Op de kade, waar windgevoelige functies zijn beoogd en een aangenaam verblijfsklimaat wordt nagestreefd , is sprake van een goed windklimaat. 4.13.4 C o n c l u s i e

Geconcludeerd kan worden dat in de omgeving van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar windklimaat. Aan de kade, alwaar een aantrekkelijk verblijfsgebied gecreëerd zal worden, is daarnaast sprake van een goed windklimaat. 4.14 L a d d e r v o o r d u u r z a m e v e r s t e d e l i j k i n g

4.14.1 We t t e l i j k k a d e r

In oktober 2012 is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Het Rijk wil met de introductie van de ladder vraaggerichte programmering bevorderen. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen (bijvoorbeeld kantoorlocaties, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen) moet in het bestemmingsplan worden gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt van het ruimtegebruik. De (per 1 juli 2017 herziene) ladder voor duurzame verstedelijking (vanaf heden 'Ladder') werkt volgens twee stappen: - Beschrijving/beoordeling van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt; - Indien de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Ook wanneer de ’Ladder’ niet van toepassing is, zal gemotiveerd moeten worden dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. In het kader van uitvoerbaarheid moet hiertoe aandacht worden besteed aan de behoefte van het plan. 4.14.2 B e o o r d e l i n g

Voordat wordt getoetst aan de Ladder, dient te worden vastgesteld of het plan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarvan is in beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. De beoogde ontwikkeling omvat de toevoeging van meer dan 11 woningen ten opzichte van de planologische mogelijkheden, dat conform jurisprudentie als ondergrens voor de definitie stedelijke ontwikkeling geldt. Om deze reden moet de 'Ladder' voor de beoogde ontwikkeling worden doorlopen. Onderstaand worden daarom de stappen van de 'Ladder' doorlopen voor de beoogde ontwikkeling.

O 16087-4-RA-011 63

Beschrijving/beoordeling van de behoefte

In zowel provinciaal, regionaal als gemeentelijk woonbeleid wordt de vraag naar woningen aangekaart (zie paragraaf 3.3.2, 3.4.1 en 3.5.4). Thans is op provinciaal niveau sprake van een woningtekort. De provincie wil dan ook de woningproductie versnellen. In de beleidsstukken aangaande woningbouw wordt aangegeven dat vraag is naar kwalitatief, betaalbare en passende woningen. Conform woningmarktonderzoek door Rigo (2020) is de actuele vraag naar woningen in de regio Zuid-Kennemerland/IJmond groter dan het (potentiële) aanbod. Met name in Haarlem is meer vraag dan aanbod. Zowel aan sociale huurwoningen als aan koopwoningen is in alle prijsklassen daarbij een tekort. Daarnaast zijn appartementen, zowel huur als koop, meer gevraagd dan aangeboden. Aangegeven wordt dat Haarlem sterk in trek is bij woningzoekenden van buiten de gemeente, en dat binnen Haarlem veel mensen willen verhuizen. Daarnaast neemt het aantal huishoudens in de regio toe. In 2030 zullen 13.150 extra woningen nodig zijn om deze groei te kunnen accommoderen. Hiervan zijn 8.200 woningen voorzien in Haarlem zelf. Woningzoekenden uit de omgeving van Haarlem, en dan met name vanuit Amsterdam, zien Haarlem als een aantrekkelijke stad om in te wonen. Een groot aandeel betreft starters. De woningmarkt is echter thans moeilijk toegankelijk voor starters.

Haarlemmers met lage en middeninkomens vinden steeds moeilijker betaalbare woonruimte. Daarnaast stijgen de prijzen en wachttijden voor woonruimte. Starters in de huursector zijn de afgelopen jaren geconfronteerd met afname van aanbod in de particuliere sociale (gereguleerde) huur en forse prijsstijgingen in de vrije sectorhuur. Voorgaande, in combinatie met het feit dat het aantal eenpersoonshuishoudens toeneemt, zorgt ervoor dat er voorzien moet worden in passende en betaalbare woningen voor starters en overige jongeren. De beoogde ontwikkeling, welke de realisatie van kwalitatief hoogwaardige en betaalbare huurappartementen betreft, sluit goed aan op deze vraag. Resumerend kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling zowel aansluit op de vraag naar woningen binnen Haarlem, als de vraag naar woningen op provinciaal en gemeentelijk niveau. Ontwikkeling binnen/buiten bestaand stedelijk gebied

De beoogde ontwikkeling wordt binnen bestaand stedelijk gebied op een goed bereikbare locatie gerealiseerd. Gebruik wordt gemaakt van reeds bebouwde gronden, waarmee op duurzame wijze gebruik wordt gemaakt van de ruimte. Gezien voorgaande hoeft niet verder gemotiveerd te worden waarom de behoefte aan de beoogde ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden opgevangen.

O 16087-4-RA-011 64

4.14.3 C o n c l u s i e

Er kan gesteld worden dat er een behoefte is aan de beoogde ontwikkeling van 150 appartementen, aangezien er een sterke vraag naar woningen in Haarlem. Deze behoefte kan worden opgevangen binnen bestaand stedelijk gebied waarmee sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling. 4.15 D u u r z a a m h e i d

Als er te veel broeikasgassen (zoals CO 2 en methaangas) in de lucht komen, stijgt de temperatuur op aarde. Hierdoor verandert het klimaat, stijgt de zeespiegel en kunnen planten of dieren verdwijnen. In het kader van duurzaamheid is het dan ook van groot belang dat er rekening wordt gehouden met het klimaat. Bij nieuwbouw is het mogelijk zoveel mogelijk rekening te houden met duurzaamheid. Er dient immers bewuster met het milieu te worden omgegaan om zodoende de aarde ook voor toekomstige generaties leefbaar te houden. Daarom hebben bijna alle landen in 2015 in Parijs het klimaatakkoord ondertekend. Het akkoord heeft als doel de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder 2 graden Celsius, met een duidelijk zicht op 1,5 graden Celsius. Ook voor gemeente Haarlem is duurzaamheid een belangrijk aspect. Alle woningen moeten in 2050 daarom van het gas af zijn. Gemeente Haarlem is bovendien onderdeel van de Energieregio Noord-Holland Zuid, en deelregio IJmond & Zuid-Kennemerland. Thans is voor deze regio een concept Regionale Energie Strategie (RES) opgesteld. Dit betreft een langjarige samenwerking, waarbij inzichtelijk wordt gemaakt hoe er voor minder CO2-uitstoot gezorgd gaat worden. Bij de beoogde ontwikkeling wordt rekening gehouden met het aspect duurzaamheid. De beoogde ontwikkeling zal niet op aardgas worden aangesloten.

Op het dak zullen zonnepanelen worden gesitueerd. Duurzaamheid zal in het ontwerp worden geborgd, waarbij eveneens rekening gehouden wordt met de gevolgen van de klimaatverandering. In de uitwerking van het gebouw zal aandacht uitgaan naar natuurinclusief bouwen en klimaatadaptie. Zo zullen nestmogelijkheden voor vogels, vleermuizen en insecten worden voorzien in het gebouw. De daken zullen zoveel als mogelijk als groendak uitgevoerd worden. Dit heeft niet alleen een ecologische waarde, maar zorgt ook dat regenwater langer vastgehouden kan worden. Ook heeft dit een isolerende werking. De beoogde ontwikkeling zal in de toekomst een geringe milieubelasting kennen. Er is immers sprake van woonfuncties, die onder andere niet op aardgas worden aangesloten en worden voorzien van zonnepanelen. Daarom sluit de beoogde ontwikkeling aan op de gemeentelijke ambitie inzake duurzaamheid.

O 16087-4-RA-011 65

4.16 M i l i e u e ff e c t r a p p o r t a g e

4.16.1 We t t e l i j k k a d e r

Op grond van de Wet milieubeheer is het verplicht ten aanzien van plannen en besluiten die (mogelijk) grote gevolgen kunnen hebben voor het milieu, een procedure voor milieueffectrapportage (m.e.r.) te doorlopen. De m.e.r. is bedoeld om milieubelangen meer expliciet af te wegen bij het opstellen van plannen en het uitvoeren van projecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen 'm.e.r.-plichtige activiteiten' waarvoor een volledig milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld en 'm.e.r.--beoordelingsplichtige activiteiten' waarbij moet worden afgewogen of sprake kan zijn van significante negatieve gevolgen voor het milieu (indien significant wordt een MER opgesteld). Op 1 september 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Hierbij zijn drempelwaarden opgenomen vanaf wanneer er voor plannen en besluiten een milieueffectrapportage opgesteld moet worden. 4.16.2 B e o o r d e l i n g

Om te kunnen beoordelen of vanuit het Besluit m.e.r. de verplichting bestaat een m.e.r.-(beoordelings)procedure te doorlopen, dienen de ontwikkeling die mogelijk gemaakt worden door het bestemmingsplan te worden getoetst aan de C- en D-lijst uit dit Besluit. De beoogde ontwikkeling van 150 woningen valt in het Besluit m.e.r. onder één van de categorieën waarvoor afgewogen dient te worden of er sprake is van een m.e.r.(beoordelings)plicht. De beoogde ontwikkeling valt in het kader van een stedelijk ontwikkelingsproject in het Besluit milieueffectrapportage in de D-lijst onder D.11.2 . 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Hierbij zijn drempelwaarden opgenomen vanaf wanneer een stedelijk ontwikkelingsproject een milieueffectrapportage behoeft. Er is sprake van een m.e.r.-(beoordelings)plicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: − een oppervlakte van 100 hectare of meer; − een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat; of − een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m 2 of meer. Deze drempelwaarden wordt in de voorliggende situatie niet overschreden. Dit betekent dat er dus geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt.

Op basis van artikel 2 lid 5 gelezen in samenhang met categorie D.11.2, Kolom 3 van het Besluit milieueffectrapportage dient voor het te nemen besluit wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld. Voor de beoogde ontwikkeling is een aanmeldingsnotitie in het kader van de m.e.r.beoordeling opgesteld. Gezien de aard en beperkte omvang van de beoogde ontwikkeling en het feit dat de wijziging geen betekenisvolle milieueffecten tot gevolg heeft kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling geen nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben. O 16087-4-RA-011 66

4.16.3 C o n c l u s i e

Dit aspect levert geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling, daar op basis van de aanmeldingsnotitie geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling geen nadelige gevolgen voor het milieu heeft.

O 16087-4-RA-011 67

5

Uitvoerbaarheid

5.1 A l g e m e e n

Wettelijk bestaat op grond van artikel 3.1.6 (lid 1, sub f ) van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de verplichting inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid. 5.2 E c o n o m i s c h e u i t v o e r b a a r h e i d

De verantwoordelijkheid ligt bij de initiatiefnemer om de financiële uitvoerbaarheid te garanderen. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is een anterieure overeenkomst gesloten, waarin de kosten duidelijk worden en de financiële uitvoerbaarheid is toegelicht. De initiatiefnemer zal geheel voor eigen rekening en risico overgaan tot de ontwikkeling en realisatie van het plan. 5.3 M a a t s c h a p p e l i j k e u i t v o e r b a a r h e i d

Het bestemmingsplan zal de wettelijk van toepassing zijnde procedure doorlopen waarbij een ieder in de gelegenheid wordt gesteld een zienswijze in te dienen. In voorliggende situatie is zorgvuldig invulling gegeven aan het participatieproces. De initiatiefnemers zijn in gesprek over de plannen met de gemeente Haarlem, bewoners van omliggende woningen en andere belanghebbenden. Ook is er een buurtpeiling gehouden om te inventariseren wat er speelt in de omgeving. Daarnaast zijn er twee klankbordgroepen van start gegaan om verder invulling te geven aan de plannen. Een klankbordgroep bestaande uit jongeren, en met een klankbordgroep die bestaat uit omwonenden en andere belanghebbenden. Op deze wijze, en door middel van diverse bijeenkomsten, zijn omwonenden en overige belanghebbenden betrokken bij de totstandkoming van de nieuwbouwplannen. Het participatietraject is in 2019 gestart, en in 2022 afgesloten met een slotbijeenkomst. Voor het participatietraject is een eindverslag (bijlage 14) opgesteld waarin nader wordt toegelicht hoe het proces eruit zag, en wat de uitkomsten waren van het traject.

In voorliggende situatie wordt de beoogde ontwikkeling maatschappelijk aanvaardbaar geacht, aangezien in de regio een sterke vraag is naar woningen, en de beoogde ontwikkeling bovendien voorziet in de realisatie van nieuwbouw op een locatie waar thans sprake is van verouderde bebouwing, maar die uitermate geschikt is voor woningbouw. De beoogde ontwikkeling zal daarbij de leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit van de omgeving ten goede komen.

O 16087-4-RA-011 68

5.4 V o o r o v e r l e g

Het voorontwerpbestemmingsplan is op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) toegestuurd aan de zogenaamde vooroverlegpartners. Hierop zijn vier reacties binnengekomen, te weten van de GGD, het Hoogheemraadschap van Rijnland, de Veiligheidsregio Kennemerland en Omgevingsdienst IJmond. De adviezen van deze partijen zijn meegenomen in het voorliggend bestemmingsplan. In een separate notitie (bijlage 15) wordt toegelicht op welke wijze de reacties in het bestemmingsplan zijn verwerkt. Daarnaast is een groot aantal adviezen van toepassing op de uiteindelijke uitvoering van de beoogde ontwikkeling. Bij de uitwerking van het bouwplan zal rekening gehouden worden met deze adviezen.

O 16087-4-RA-011 69

6

Juridische plantoelichting

6.1 L e e s w i j z e r j u r i d i s c h e r e g e l i n g

In deze paragraaf wordt een beschrijving gegeven van de juridische regeling van het bestemmingsplan. De juridische regeling bestaat uit een verbeelding en een set regels. De verbeelding en regels zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en dienen dan ook altijd in samenhang geraadpleegd en gelezen te worden. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting. Deze heeft in beginsel geen rechtskracht. De toelichting beschrijft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is geconformeerd aan de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening, welke van kracht zijn per 1 juli 2008. Voor de bestemmingen en regels is gebruikgemaakt van de RO Standaarden 2012. De RO Standaarden 2012 zijn onder andere verankerd in de Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). De SVBP2012 regelt de standaardisering en uniformering van bestemmingen en regels. 6.2 L e e s w i j z e r r e g e l s

De regels van dit bestemmingsplan zijn verdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1: Inleidende regels

Hoofdstuk I bevat inleidende regels zoals begripsbepalingen (artikel 1) en regels voor de wijze van meten (artikel 2). Deze regels zijn noodzakelijk voor een juiste interpretatie van de bestemmingsregels. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels

In hoofdstuk II zijn de afzonderlijke bestemmingen opgenomen die voor het plangebied van toepassing zijn. Dit is in feite de kern van de juridische regeling. Welke bestemming aan een bepaald stuk grond is toegekend, blijkt uit de verbeelding. De bestemming wordt in de bestemmingsregels nader toegelicht. Het overgrote gedeelte van het plangebied zal de bestemming 'Wonen' kennen. Deze gronden zijn bestemd voor wonen, horeca tot en met categorie 1, bijbehorende gemeenschappelijke voorzieningen, bijbehorende parkeervoorzieningen met bijbehorende in- en uitritten, dakterrassen en daktuinen en bijbehorende voorzieningen. Daarnaast zullen de gronden deels de bestemming 'Groen' en 'Verkeer' kennen. Deze gronden met de bestemming 'Groen' zijn bestemd voor groenvoorzieningen, voet- en fietspaden, voorzieningen van openbaar nut en bij de bestemming behorende waterlopen en waterpartijen (waterberging), bruggen, speelvoorzieningen, kunstwerken, kunstobjecten, O 16087-4-RA-011 70

waterberging, bergbezinkbassins, (ondergrondse) afval- en recyclecontainers, warmtekoudetransport. De gronden met de bestemming 'Verkeer' zijn bestemd voor straten en wegen, voet- en fietspaden, ongebouwde parkeervoorzieningen en bij de bestemming behorende groenvoorzieningen, tuinen, waterlopen en waterpartijen, waterpleinen, speelvoorzieningen, kunstwerken, kunstobjecten, voorzieningen van openbaar nut, waterberging, bergbezinkbassins, (ondergrondse) afval- en recyclecontainers, ondergrondse bergruimtes, ondergrondse installatieruimtes, in- en uitritten en toegangen, warmtekoudeopslag, warmte-koudetransport. Alsmede worden hier zitbankjes ten behoeve van de horeca toegelaten. Ten behoeve van het behoud en de bescherming van archeologische waarden is bovendien een dubbelbestemming toegekend aan de gronden in het bestemmingsplan. Daarnaast kennen de gronden ter plaatse van het plangebied de gebiedsaanduiding 'geluidzone – industrie'. Deze gronden zijn mede bestemd voor het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting op nieuwe geluidsgevoelige bebouwing als gevolg van industrielawaai.

Hoofdstuk 3: Algemene regels

Hoofdstuk III bevat algemene bepalingen die op het gehele plangebied van toepassing zijn: − anti-dubbeltelregel; − algemene bouwregels; − algemene gebruiksregels; − algemene aanduidingsregels; − algemene afwijkingsregels; − overige regels. Deze algemene bepalingen zijn van belang voor een juiste interpretatie van de bestemmingsbepalingen. Daarnaast zijn in dit hoofdstuk een algemene afwijkingsregels opgenomen die ruimte bieden van de bepalingen die in de voorafgaande hoofdstukken zijn opgenomen, af te wijken. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 zijn de overgangs- en slotbepalingen ondergebracht. In de overgangsbepalingen wordt onder andere vastgelegd hoe om te gaan met het gebruik en bouwen voor zover dit in strijd is met de bepalingen van het bestemmingsplan. In de slotbepaling is de benaming van het bestemmingsplan vastgelegd.

Zoetermeer, Dit rapport bevat 71 pagina's. O 16087-4-RA-011 71

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13197820/1