2. Bijlage 1: Stedenbouwkundig Programma van Eisen
Tekst van het document
▫ In-/uitritten van parkeergarages dienen verkeersveilig ontworpen te worden (conform CROW-richtlijnen). Speciale aandacht voor uitritten haaks op doorgaande fietsroutes 5.6.4 Toegankelijkheid calamiteitendiensten Politie, ambulance en brandweer dienen ten alle tijden toegang te hebben tot de openbare ruimte en gebouw. Het stedenbouwkundig plan, het mobiliteitsplan, het ontwerp van de openbare ruimte en de gebouwontwerpen zullen daarop beoordeeld worden door de hulpdiensten. Hieronder volgende de kaders met betrekking tot toegankelijkheid op hoofdlijnen:
20
Gemeente Haarlem
Randvoorwaarden • Alle gebouwen zijn goed bereikbaar voor calamiteitendiensten waarbij de betreffende voertuigen op minimaal 10 meter van de hoofdentree van de gebouwen kunnen komen. • Bij de ingebruikname van de gebouwen (bij de sleuteloverdracht) is de openbare ruimte rond de gebouwen onbelemmerd toegankelijk voor de hulpdiensten en hun voertuigen Eisen 1. Eventuele verhoogd maaiveld is goed toegankelijk voor voertuigen van hulpdiensten. Maatgevend hierbij is een 25-tons-brandweerauto met een asdruk van 11,5 ton: zowel het dek als de hellingbaan moeten hierop berekend zijn. Dit geldt op alle plaatsen waar opstelplaatsen of overrijdbaarheid van ondergrondse bouwwerken een rol speelt. • Eventueel doodlopende straten dienen aan het einde een keermogelijkheid voor voertuigen van hulpdiensten te bevatten. • Toegangen tot de entrees van gebouwen dienen altijd een vrije doorgang voor brancards te hebben (onder andere van belang bij entrees waar de mogelijkheid bestaat dat de toegang wordt belemmerd door wild geparkeerde fietsen en scooters). • Calamiteitendiensten kunnen middels een transponder eventuele zakpalen centraal bedienen (systeem conform centrum Haarlem). • Calamiteitendiensten kunnen middels een pasje poorten en hekken tot collectieve binnenterreinen, garages en stallingen openen.
5.6.5 Afvalinzameling, laden & lossen, verhuisdiensten, pakketbezorging, personenvervoer, et cetera. Eisen • De ontwikkelende partijen tonen in het mobiliteitsplan, het stedenbouwkundig plan en het ontwerp openbare ruimte aan hoe de openbare ruimte autoluw gehouden gaat worden, maar de voorzieningen en woningen wel bereikbaar zijn voor laden en lossen, verhuisdiensten, pakketbezorging en bijzonder personenvervoer (gehandicaptenvervoer). • Foutief gebruik van de openbare ruimte (zoals laden en lossen op trottoir of fietspad, enz., enz.) dient op een ‘vriendelijke manier’ onmogelijk gemaakt te worden (inrichting gaat vóór regulering) én door het aanbieden van goede voorzieningen. • Afvalinzameling conform de eisen. Containers en locaties waar containers zijn opgesteld zijn toegankelijk voor de gangbare reguliere inzamelvoertuigen. • Verhuisdiensten dienen tot 10 meter van een (hoofd)entree te kunnen komen middels een ontheffingssysteem.
5.7 Sociale veiligheid Sociale veiligheid en het voorkomen van overlastsituaties zijn belangrijke thema’s waar zowel het stedenbouwkundig plan, het ontwerp voor de openbare ruimte als het gebouwontwerp aan getoetst gaat worden (in afstemming met de nood- en hulpdiensten). Met betrekking tot sociale veiligheid en het voorkomen van overlast wordt onderscheidt gemaakt in de kaders voor: 1. Openbare & collectieve buitenruimten; 2. Overgangen openbaar/privé: arcades, overstekken, entrees, et cetera ; 3. In de gebouwen: entreehal, traphuis, liften, garage, stallingen, et cetera. Uitgangspunt een sociaal veilige leef- en verblijfsomgeving voor de bewoners, bezoekers en passanten. Dit betekent een omgeving waarin men zich dag en nacht vrij kan bewegen zonder angst voorof blootstelling aan bedreigingen en criminaliteit. Hiernaast dient de openbare ruimte en de gebouwen zodanig ontworpen te worden dat er geen hangplekken ontstaan waar omwonenden, werknemers en bezoekers geconfronteerd worden met geluid- en stankoverlast. 5.7.1 Openbare & collectieve buitenruimten Het ontwerp en de inrichting van de openbare ruimte en de collectieve buitenruimte is van invloed op de manier waarop gebruikers de omgeving ervaren. Het is van belang dat de beoogde gebruikers goed worden gefaciliteerd en potentiële overlastgevers of criminelen worden ontmoedigd.
Randvoorwaarden • De openbare ruimte wordt zodanig ingericht dat mensen zich er dag en nacht veilig voelen. • De openbare ruimte wordt zodanig ingericht dat overlastplekken voor omwonenden en bezoekers worden voorkomen. Overzichtelijke gevels, geen nissen. Eisen • ‘s Avonds en ‘s nachts worden de openbare ruimte en collectieve ruimten voldoende verlicht. • De openbare ruimte is herkenbaar, eenduidig en eenvoudig om in te oriënteren.
• Alle plekken in de openbare ruimte, waaronder de plekken tussen de gebouwen zijn goed zichtbaar vanaf de openbare ruimte en vanuit de omliggende bebouwing (voldoende zichtrelaties). • Collectieve buitenruimten zijn goed toegankelijk voor de beoogde gebruikers en ontoegankelijk voor ongewenste bezoekers. Denk hierbij aan collectieve (verhoogde) binnenterreinen. Er dient hierbij inzichtelijk gemaakt te worden wat de beoogde gebruikers van deze ruimten zijn. • Voldoende toezicht vanuit de aangrenzende woningen 5.7.2 Overgangen openbaar/privé: plinten, arcades, entrees, et cetera • Een aantrekkelijke en heldere overgang tussen de openbare ruimte en privédomein is van essentieel belang voor een veilige beleving en het voorkomen van overlast voor de bewoners en gebruikers van de gebouwen. Randvoorwaarden • Alle overgangen van openbaar naar privé, dat wil zeggen de plint, entreegebied en overgangszones tussen woning en straat/pad worden sociaal veilig ontworpen. • Alle overgangen van openbaar naar privé, dat wil zeggen de plint, , entreegebied en overgangszone tussen de woning en de straat/pad worden zodanig ontworpen dat dit geen hangplekken worden met geluid- en stankoverlast voor de omwonenden en gebruikers en bezoekers van het gebouw tot gevolg. • Woningen op de begane grond krijgen aan de openbare ruimte zo veel mogelijk levendige functies zoals een woonkamer of keuken
• Balustrades worden zo vormgegeven dat optrekken/klimmen vanaf het maaiveld niet mogelijk is. • Geen dode hoeken, nisjes of andere potentiële overlastlocaties. 5.7.3 In de gebouwen: entreehallen, traphuizen, liften, garages, stallingen, et cetera • Anonimiteit, onveiligheid, overlast en criminaliteit zijn zaken die nadrukkelijk onderzocht en voorkomen moeten worden bij het appartementengebouw. Gebouwonderdelen die hierbij met name aandacht behoeven zijn de entreehal, traphuis, liften en gangen. Ook parkeergarage, collectieve fietsenstallingen en dienen zodanig ontworpen te worden dat bewoners zich er veilig voelen. Vanwege het aantal woningen dienen het niet alleen te voldoen aan de randvoorwaarden die het Bouwbesluit geeft ten aanzien van veiligheid, maar ook aan het Politiekeurmerk Veilig Wonen. Eisen • Het gebouw en de onderdelen daarvan, waaronder de garage, stallingen voldoen aan het Politiekeurmerk Veilig Wonen. • Collectieve ruimten in gebouwen zijn goed toegankelijk voor de beoogde gebruikers en ontoegankelijk voor ongewenste bezoekers. Collectieve ruimten zijn sociaal veilig. Er dient hierbij ook inzichtelijk gemaakt te worden wat de beoogde gebruikers van deze ruimten zijn. • Indien er gekozen wordt voor het plaatsen van brievenbussen in de entreehal, dan dienen deze niet in blokken geplaatst te worden, maar opgenomen in de zij- of achterwand.
Eisen • Plinten aan de openbare ruimten worden niet gedomineerd door ‘dode’ of weinig actieve functies zoals technische ruimten, fietsenstallingen, noodtrappenhuizen, et cetera. • Hoofdentrees zijn duidelijk herkenbaar (o.a. door hoogte en transparantie), zijn goed verlicht en worden niet aan het oog onttrokken door brievenbussenwanden.
Stedenbouwkundig programma van eisen, Oostpoort blok 1F, februari 2023
21
5.8 Duurzaamheid Oostpoort en dus ook kavel F wordt duurzaam ontwikkeld. In deze paragraaf is de Haarlemse Richtlijn duurzaam bouwen het kader waar minimaal aan voldaan moet worden. De richtlijn is in deze paragraaf op vier duurzaamheidsthema’s uitgewerkt, te weten: 1. Energie & warmte; 2. Klimaatadaptatie; 3. Natuurinclusief bouwen; 4. Circulariteit. 5.8.1 Energie & warmte Haarlem wil een duurzame, sociale en toekomstbestendige stad zijn. Om hieraan bij te dragen wil Haarlem in 2040 van het aardgas af. De gemeente maakt gebruik van de mogelijkheden die regelgeving biedt om energieneutraliteit bij de bouw te bevorderen. Het algemeen uitgangspunt is dat energieverbruik zo veel mogelijk wordt gereduceerd en dat de resterende vraag zo duurzaam mogelijk moet worden ingevuld. Randvoorwaarden • Alle nieuw te bouwen gebouwen moeten voldoen aan de eisen voor BENG (bijna energieneutrale gebouwen). • Gasaansluitingen zijn niet toegestaan. • Tracé alternatieve warmtebron moet gereserveerd worden voor alternatieve energiebron • Duurzaam gebruik daken (water/groen/energie). • Bodemwarmtevoorzieningen moeten in ieder geval passen binnen eventueel aanwezige (lokale) bodemenergieplannen. • Voorzieningen energietransitie en klimaatadaptatie meeontwerpen in de architectuurstijl van de bebouwing en de inrichting van de openbare ruimte (beeldkwaliteit). Eisen • Woningen: nul op de meter.
• Grotere daken energieleverend (meer opwekken dan gebruiken). • Gebouwen worden ontworpen om per saldo zo min mogelijk energie te verbruiken, met optimaal behoud van comfort voor
22
Gemeente Haarlem
de gebruikers. Het gaat hierbij om verwarming en koeling van gebouwen. • Gemeente Haarlem heeft een convenant getekend om 30 % van de bebouwing in gecertificeerd houtbouw uit te voeren
• De ontwikkeling dient minimaal 110 mm water per m² te kunnen bergen op eigen terrein gedurende een etmaal. • Opslag water: regenreservoirs voor buffering en het sproeien droge periodes. Tenminste 50% van alle horizontale en verticale oppervlakten van de gebouwen wordt warmtewerend of verkoelend ingericht/gebouwd om opwarming van het stedelijk gebied en gebouwen zelf te verminderen. Daken bedekt met zonnepanelen zijn uitgezonderd van de berekening, maar moeten altijd gecombineerd worden met een groen dak (ook gunstig voor levensduur en opbrengst van de zonnepanelen
5.8.2 Klimaatadaptatie Oostpoort wordt klimaatbestendig ingericht. Minder verharding en meer groen maken het gebied weerbaar tegen een veranderend klimaat. Groene daken en gevels dragen bij aan een schonere lucht, brengen verkoeling en helpen om de overlast van extreem weer (regen, hitte) op te vangen. Overtollig hemelwater mag niet worden afgevoerd via het gemengd riool maar moet worden afgekoppeld. Eisen • Het extra hemelwater wordt zoveel mogelijk bovengronds geborgen en vertraagd lozen op oppervlakte water. • Hevige neerslag (1/100 jaar, 70 mm in een uur) zorgt niet voor schade in en aan gebouwen, infrastructuur en voorzieningen. Bij hevige neerslag (1/250 jaar, 90 mm in een uur) blijven vitale en kwetsbare infrastructuur en voorzieningen functioneren en bereikbaar. • Bij een hevige bui op het bebouwd deel van privaat terrein wordt een groot deel van de neerslag verwerkt (geïnfiltreerd, opgevangen en/of vertraagd afgevoerd) op het terrein zelf of in extra (water)voorzieningen in of toegerekend aan het plangebied. • De berging wordt de eerste 24 uur daarna niet geleegd en is in maximaal 60 uur weer beschikbaar. • Overtollig hemelwater mag niet worden afgevoerd via het gemengd riool maar moet worden afgekoppeld. • Maatregelen die schade door bodemdaling tegengaan en kostenefficiënt zijn over de levensduur van 60 jaar worden in het ontwerp opgenomen.
• Mogelijk extra wateropvang in de kelders, groene daken, blauw groene daken, groene gevels, groene balkons • De ontwikkeling mag niet bijdragen aan een versnelde bodemdaling, verslechtering van waterkwaliteit en hittestress in bestaand het gebied.
5.8.3 Natuurinclusief bouwen Een gezonde en toekomstbestendige verdichte stad is een stad met veel groen en water. Haarlem zet in op het behouden en versterken van de kwantiteit en kwaliteit van natuur en groen in de stad. Groen is essentieel voor een klimaatbestendige en duurzame leefomgeving. Groen verbetert het milieu, zorgt voor een rijke biodiversiteit, vermindert luchtvervuiling, zorgt voor waterberging, dempt geluidshinder en verkoelt in warme periodes. Daarnaast heeft het een positief effect op de gezondheid en sociale verbindingen van mensen. Randvoorwaarden • Elke ruimtelijke ontwikkeling moet met een natuurtoets beoordeeld worden op ecologische effecten. Een quickscan ecologie, en indien nodig aanvullend (soorten specifiek) onderzoek, maakt standaard deel uit van de uit te voeren onderzoeken. Het ontwerp houdt rekening met uitkomsten van het ecologisch onderzoek en wordt hierop aangepast en past, als behoud niet mogelijk is, compenserende maatregelen toe. De compenserende maatregelen worden genomen voor de aangetroffen (beschermde) soorten. Eisen • Om een gezonde, aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving voor mens en dier te maken, moet de natuur een volwaardige plaats krijgen bij het ontwerpen van nieuwbouw en (openbare) ruimte hier omheen.
• Bouw natuurinclusief met behoud van en in aansluiting op bestaande ecologische waarden. Wanneer aangetoond kan worden dat dit niet mogelijk is dan dienen in het bouwproject compensatiemaatregelen te worden getroffen. • Aan natuurinclusief bouwen wordt invulling gegeven door het realiseren van groene daken (eventueel gecombineerd met groene gevels) en het aanbrengen van voorzieningen voor insecten , nestgelegenheid voor vogels (zoals gierzwaluwen en huismussen) en vleermuisverblijven. 5.8.4 Circulariteit Haarlem wil stappen zetten in de richting van een circulaire economie. De doelstelling is dat Haarlem per 2040 circulair is. Gebouwen zijn bij uitstek objecten waar veel winst te behalen. Op twee manieren kan circulair gebouwd worden. Ten eerste door de toepassing van gebruikte materialen in nieuwe gebouwen en ten tweede door bij het ontwerp van nieuwbouw rekening te houden met hergebruik van het gebouw en diens materialen. De bestaande stad is tenslotte de grondstoffenmijn van de toekomst. Randvoorwaarden • De Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht en geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Hiervoor geldt een wettelijke MPG-norm van 0,8. Eisen • De MPG-norm bedraagt bij voorkeur 0,6.
• Er moet een materialenpaspoort worden opgesteld en worden geregistreerd in het Madaster 7, of vergelijkbaar registratiesysteem. • Gebouwen worden zo efficiënt en adaptief mogelijk ontworpen qua kosten, materiaal en ruimte. Denk aan een hoge plint (zie paragraaf 4.6), extra dragend vermogen, flexibel indeelbare plattegronden, het over dimensioneren van de draagstructuur, et cetera.
• Het Grondstoffenplan gemeente Haarlem wordt gebruikt bij de engineering en ontwerp van de openbare ruimte. Wensen ten aanzien van gevelmateriaal • Energie van het transport reduceren door bak- en natuursteen uit nabijgelegen fabrieken en groeves te halen. • Toepassen van baksteen dat 30% hergebruikt materiaal in zich heeft. • Toepassen van baksteen dat minder energie vergt tijdens het productieproces. • Toepassen van demontabel metselwerk; door gebruik te maken van mortel met een chemische samenstelling die er bij demontage eenvoudig af te halen is, of het gebruik maken van stapeltechnieken met pinnen, beugels etc. • Toepassen van keramische gevelmaterialen die de Nederlandse traditie op een moderne, duurzame wijze doorzetten.
5.9 Milieu- en omgevingsaspecten 5.9.1 Algemeen In het bestemmingsplan Blok 1F staan de relevante milieu- en omgevingsaspecten genoemd. Hier moet rekening mee worden gehouden in de planuitwerking. Aanvullend staan we in dit SPvE nader stil bij een aantal onderwerpen. De regels in deze paragraaf vloeien voort uit hogere wet- en regelgeving of zijn afkomstig uit gemeentelijk beleid. Regels die gebaseerd zijn op wet- en regelgeving zijn randvoorwaardelijk; hiervan kan niet worden afgeweken, tenzij de wet zelf die mogelijkheid biedt. Vaak bepaalt de wet een ondergrens waaraan minimaal voldaan moet worden. De gemeente kan in sommige gevallen bepalen om boven die ondergrens te gaan zitten of om aanvullende eisen ten opzichte van de wet te stellen.
industrielawaai het woonmilieu mogen belasten is geregeld in de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer. Deze wet stelt dat in principe de geluidbelasting op de gevel van gevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld woningen, scholen of ziekenhuizen) niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Randvoorwaarden • Voor het gebouw dient een akoestisch onderzoek te worden verricht naar de geluidsbelasting van de weg bij woningen (wegverkeerslawaai). • Indien de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden, geldt een maximale ontheffingswaarde van 63 dB op grond van de Wet geluidhinder. • Indien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden moet in het kader van het te nemen besluit Hogere waarden door het bevoegd gezag, aangetoond worden dat wordt voldaan aan de Beleidsregel hogere waarden wet geluidhinder (2009) van Haarlem. • De woning dient ten minste één geluidsluwe zijde te hebben. Een geluidsluwe zijde is de zijde van een gebouw waar voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde. • Bij een geluidsbelasting hoger dan 48 dB vanwege wegverkeer, moet(en) de buitenruimte(n) die als gebruiksruimte(n) word(en)t gebruikt, aan de geluidsluwe zijde liggen. Eisen • Bij een geluidsbelasting hoger dan 53 dB vanwege wegverkeer, moeten verblijfsruimten zoveel mogelijk aan de geluidsluwe zijde liggen. Ook moet tenminste één slaapkamer aan de geluidsluwe zijde liggen.
• Voor gebouwen die gesitueerd zijn aan een binnenplein of plein waar veel activiteiten plaatsvinden (speelvoorzieningen) en bij horeca(terrassen), moet in het akoestisch onderzoek aandacht worden besteed aan de invloed van stemgeluid op de woningen.
5.9.2 Geluid De mate waarin wegverkeerslawaai, spoorwegverkeerslawaai en/of
Stedenbouwkundig programma van eisen, Oostpoort blok 1F, februari 2023
23
• De ‘strenge’ TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam.
Het bestemmingsplan bevat voor het thema geluid een voorwaardelijke verplichting die gekoppeld is aan de bouwregels (artikel 6 bestemmingsplan).
5.9.3 Natuur (stikstof)
Wetgeving met betrekking tot de bescherming van de natuur richt zich op twee hoofdthema’s. Het gaat hierbij om de bescherming van natuurgebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van planten diersoorten (soortenbescherming).
Randvoorwaarden • Ten allen tijden moet worden voldaan aan de zorgplicht als bedoeld in de Wet natuurbescherming. • Om het effect op de Natura 2000-gebieden te beoordelen moet een AERIUS-berekening (stikstofdepositieberekening) worden uitgevoerd aan de hand van de meest recent beschikbare AERIUS-calculator, zoals wordt voorgeschreven in de Wet natuurbescherming. • Indien de ontwikkeling leidt tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied moet aangetoond worden op welke wijze voldaan zal worden aan de Wet natuurbescherming (bijvoorbeeld door een ecologisch voortoets). Lees ook de toelichting van het bestemmingsplan, specifiek hoofdstuk 5. 5.9.4 Bezonning Bij bezonning bij ruimtelijke ontwikkelingen gaat het om voldoende zon op de gevel en om schaduwwerking. Nieuwbouw kan schaduw veroorzaken op de openbare ruimte of tuinen van omwonenden. Voorkomen moet worden dat de schaduw te veel toeneemt. Sommige functies hebben juist een goede bezonning nodig, zoals tuinen, terrassen of speelplekken. Er is geen wet- en regelgeving voor bezonning, maar de gemeente Haarlem hanteert de TNO-norm. TNO kent een ‘lichte’ en een ‘strenge’ norm: • De ‘lichte’ TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. 24
Gemeente Haarlem
Deze normen worden alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen immers - hoogbouw of niet - nooit direct zonlicht. Randvoorwaarden • Er wordt een bezonningsstudie verricht op basis van de TNOnormen in relatie tot de bestaande (woon)bebouwing in de omgeving en in relatie tot nieuwe binnenpleinen, pleinen waar veel activiteiten plaatsvinden (speelvoorzieningen) en horecaterrassen. Eisen • Er moet worden voldaan aan minimaal de ‘lichte’ TNO-norm. • Indien niet voldaan kan worden aan de ‘lichte’ TNO-norm, dient gemotiveerd te worden waarom de ontwikkeling alsnog aanvaardbaar wordt geacht met inachtneming van de maatschappelijke belangen van de ontwikkeling in relatie tot de negatieve effecten op de omwonenden. 5.9.5 Windhinder Omdat er sprake is van hoogbouw (30 meter of hoger) moet een Hoogbouw Effectrapportage worden opgesteld op basis van het beleid Hoogbouwprincipes (2018). Onderdeel hiervan is het uitvoeren van een onderzoek naar windhinder met de NEN 8100 als beoordelingskader. Dit is noodzakelijk omdat windhinder kan optreden rond hoge gebouwen. Daarbij is dan sprake van verhoogde windsnelheden, waardoor het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam of zelfs gevaarlijk kan zijn. Randvoorwaarden • Er dient een windhinderonderzoek te worden verricht conform de NEN 8100.
Eisen • Voor elke plek binnen en rondom de te ontwikkelen locatie geldt dat geen sprake mag zijn van windgevaar. Dit geldt voor
elke windrichting en dient te worden aangetoond aan de hand van het windhinderonderzoek. • Indien sprake is van een slecht of matig windklimaat dient te worden aangetoond welke maatregelen genomen worden om een hogere kwaliteitsklasse te bereiken in de toekomst, bijvoorbeeld door een inrichtingsplan voor de openbare ruimte. Het bestemmingsplan bevat voor het thema Windhinder een voorwaardelijke verplichting die gekoppeld is aan de bouwregels (artikel 6 bestemmingsplan). 5.9.6 Trillingen De kavel ligt circa 150 meter van het treinspoor. Op deze afstand bestaat het risico dat nieuwe bewoners en nieuwe gebruikers van gebouwen te maken krijgen met trillingshinder als gevolg van de ligging nabij het spoor. Het bestemmingsplan bevat voor het thema Trillingen een voorwaardelijke verplichting die gekoppeld is aan de bouwregels (artikel 6 bestemmingsplan). 5.9.7 Grondwaterneutraal bouwen Parkeervoorzieningen komen ondergronds of in de inpandige parkeergarage. Grondwaterneutraal bouwen is het uitgangspunt. Het bestemmingsplan bevat voor het thema Geohydrologie een voorwaardelijke verplichting die gekoppeld is aan de bouwregels (artikel 6 bestemmingsplan). 5.9.8 Waterhuishoudkundige voorzieningen Op dit moment is de kavel vrij van bebouwing.
Conform het Keur en beleid van het Hoogheemraadschap Rijnland zal de toename aan verhard oppervlak, als gevolg van het woongebouw, gecompenseerd moeten worden. Er zal dus water moeten worden toegevoegd. Het bestemmingsplan bevat voor het thema Water een voorwaardelijke verplichting die gekoppeld is aan de gebruiksregels (artikel 3 bestemmingsplan). 5.9.9 Inrichtingsplan Over de inrichting van de kavel is reeds het nodige gezegd. Het bestemmingsplan bevat in artikel 3 hier een voorwaardelijke verplichting over.
Ontwikkelzone Oostpoort blok 1F Stedenbouwkundig Programma van Eisen