2 Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Na het Neolithicum steeg de zeespiegel, en aangezien het plangebied relatief laag gelegen was ten opzichte van de nabij gelegen strandwallen, zorgde dit voor vernatting in het gebied waardoor er veen ontstond. In het veen zijn lokaal en tijdelijk bewoningsmogelijkheden geweest die te herkennen zijn aan een veraard traject in het veen. Er is een middelhoge verwachting gegeven op de aanwezigheid van dergelijke resten in het veen uit de periode Bronstijd – Vroege Middeleeuwen in het plangebied. De verwachting is echter dat door de aanwezigheid van een dik zandig ophoogpakket, de zetting in het veen ervoor heeft gezorgd dat een eventuele vindplaats slecht tot niet goed bewaard is gebleven. Tevens hebben de aanleg van de parkeergarage en de heiactiviteiten in het plangebied waarschijnlijk ook voor verstoringen van de archeologisch relevante veenlaag gezorgd. De aanwezigheid en mate van verstoring van het archeologische relevante niveau uit het Neolithicum is zonder kennis van de bodemopbouw niet te voorspellen. Op basis van historisch kaartmateriaal is een lage verwachting opgesteld voor de periode Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd vanwege het ontbreken van bebouwing of ander archeologisch relevant landgebruik. Advies In het plangebied bestaat het voornemen om de huidige kantoorpanden te slopen en drie nieuwe woontorens te bouwen.
Het plangebied zal vrijwel geheel onderkelderd en onderheid worden. Op basis van het bureauonderzoek is een middelhoge verwachting gesteld op resten uit de perioden Neolithicum, en BronstijdVroege Middeleeuwen. Echter is het zeer waarschijnlijk dat de resten uit de Bronstijd-Vroege Middeleeuwen verstoord zullen zijn door de aanleg van de kelder van de huidige bebouwing en is de kans op het aantreffen van resten ter plaatse van de huidige parkeerkelder klein. Tevens heeft onderzoek in de omgeving uitgewezen dat een dikke zandige ophooglaag op veel plaatsen heeft gezorgd voor samendrukking van het veen, waardoor de archeologisch relevante veenlaag verloren is gegaan. Over de aanwezigheid en intactheid van het archeologisch relevante niveau uit het Neolithicum kunnen zonder kennis van de bodemopbouw van het plangebied geen conclusies getrokken worden. Daarom adviseren wij in het plangebied een verkennend booronderzoek uit te voeren om de aanwezigheid, locatie en bewoonbaarheid van duinafzettingen en bewoonbare veenlagen in het plangebied te toetsen. Dit onderzoek kan het beste plaatsvinden middels een mechanische boor. Transect adviseert dit te doen met een Aqualock boor met Sonic boormodule. De onderzoeksstrategie, het doel- en de vraagstelling van het verkennend booronderzoek dient in een Plan van
Mees Ruimte & Milieu | 20042.01.RO
Pagina | 47
Aanpak (PvA) te worden verwoord. Dit PvA moet voorafgaand aan de start van het booronderzoek aan het Bureau Archeologie van de gemeente Haarlem ter beoordeling worden voorgelegd. Archeologisch inventariserend veldonderzoek d.d. 5 maart 2024 Op basis van het advies uit het bureauonderzoek heeft een inventariserend veldonderzoek plaatsgevonden. Uit het veldonderzoek blijkt dat in het plangebied vanaf een diepte van 445-472 cm -Mv strandafzettingen aanwezig zijn. Deze strandafzettingen worden afgedekt door een dunne laag samengedrukt veen (30-70 cm), waarvan de top ontbreekt. Deze top is waarschijnlijk tijdens het aanbrengen van de moderne ophooglaag vergraven. Het ophoogpakket heeft een dikte van circa 400 cm. Doordat de strandafzettingen geen sporen van bodemvorming bevatten en vrijwel direct onder het veen al complete schelpen bevat, heeft het plangebied is een hoog energetisch, marien milieu gelegen. Het voorkomen van sporen van bewoning in de top van het strandzand wordt daarom als klein geschat. Zandopduikingen, die kunnen wijzen op strandwallen of geïsoleerde duinen, zijn in het plangebied niet aangetroffen. Daarom is de middelhoge archeologische verwachting op resten uit het Neolithicum-Bronstijd uit het bureauonderzoek naar laag bij te stellen.
Voor wat betreft archeologische resten uit de periode IJzertijd-Vroege Middeleeuwen kan worden gesteld dat vanwege het ontbreken van de top van het veen en de sterke compactie ervan, eventueel aanwezige archeologische resten verstoord zijn geraakt. Voor de periode IJzertijd-Vroege Middeleeuwen is daarom ook een lage verwachting vastgesteld. De archeologische verwachting op resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd blijft deze laag. In de boringen is geen (restant) van een bemestingslaag met stadsafval aangetroffen. Archeologische resten uit de periode Late Middeleeuwen of Nieuwe Tijd zullen daarom niet aanwezig zijn Advies Op basis van het archeologisch vooronderzoek is een lage archeologische verwachting vastgesteld. De kans dat met de voorgenomen sloop van de bestaande kantoorpanden en de bouw van drie nieuwe woontorens archeologische waarden verstoord zullen raken, is klein. Transect adviseert daarom dat in het kader van de toekomstige ontwikkelingen geen aanvullende maatregelen nodig zijn. Mochten er tijdens het uitvoeren van de graafwerkzaamheden toch archeologische vondsten aangetroffen worden, geldt een wettelijke meldplicht (Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11) deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (de gemeente Haarlem).
Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
CULTUURHISTORIE Algemeen Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2022 in werking treedt. Nota Belvedère (1999) Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in de Nota Belvedère beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland. Dit met als doel het aanzien van Nederland aan
Mees Ruimte & Milieu | 20042.01.RO
Pagina | 48
kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken.
Relatie tot ontwikkeling Tot begin 20e eeuw maakte het plangebied deel uit van het open veenweidelandschap tussen de ommuurde Haarlemse binnenstad en het Haarlemmermeer. De enige weg langs het gebied was de Zuidschalkwijkerweg die de lintbebouwing langs het Spaarne verbond met de oude stad. Aan de noordkant van het plangebied bevonden zich de landerijen van buitenplaats Oosterspaarn. Het Spaarne is nog steeds een van de belangrijkste lange (water-) lijnen door de stad. Sinds 5 december 1990 zijn de binnenstad van Haarlem en de Haarlemmerhout aangewezen als 'beschermd stadsgezicht' in de zin van de Monumentenwet 1988. Per 5 oktober 2011 is via een besluit ex artikel 35 van de Monumentenwet het 'beschermde stadsgezicht' uitgebreid met gebieden in Haarlem Zuid en Haarlem Zuidwest. Ten opzichte van de projectlocatie zijn de beschermd stadsgezichten Haarlem / Haarlemmerhout en Haarlem Zuid het meest nabij gelegen. De projectlocatie is buiten de beschermde stadsgezichten gelegen. Binnen de projectlocatie zijn geen monumenten gelegen. Uit figuur 8 blijkt dat de Slachthuisbuurt over een aantal gemeentelijke monumenten beschikt en aan de overzijde van het Spaarne een aantal rijksmonumenten gelegen zijn. Figuur 17. Uitsnede monumentenkaart Haarlem, plangebied rood omcirkeld.
In het kader van de Hoogbouweffectrapportage (HER, paragraaf 4.2) zijn de effecten van de nieuwbouw op de cultuurhistorische waarden van de binnenstad onderzocht. Hiervoor verwijzen wij terug naar paragraaf 4.2 en de volledige HER die als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing te vinden is (bijlage 2). Vanuit de rand van het historische centrum kan de ontwikkeling waargenomen worden. Door de kronkeling van het Spaarne is dat naar verwachting niet op elke plek het geval. Door de relatief beperkte hoogte binnen het ensemble wordt Schipholpoort vanuit cultuurhistorisch oogpunt hooguit in beperkte mate als storend ervaren.
Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
Mees Ruimte & Milieu | 20042.01.RO
Pagina | 49
BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Algemeen Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. Tabel 1. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering.
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. Functiemenging In bestaande gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), wordt de SvB 'functiemenging' toegepast. Zoals in de VNG-publicatie reeds is aangegeven kan bij functiemengingsgebieden gedacht worden aan: stadscentra, dorpskernen en winkelcentra; horecaconcentratiegebieden; zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en in lintbebouwingen; (delen van) woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Vanwege de bijzondere kenmerken van gebieden kan met enige vorm van functiemenging, niet worden gewerkt met een systematiek van richtafstanden en afstandsstappen: vanwege de zeer korte afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies is een dergelijke systematiek niet geschikt voor functiemengingsgebieden. De SvB 'functiemenging' hanteert drie categorieën A, B en C met specifieke criteria voor de toelaatbaarheid.
Mees Ruimte & Milieu | 20042.01.RO
Pagina | 50
Categorie A Categorie B Categorie C
Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit zijn toereikend. Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. De activiteiten genoemd onder B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.
Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie kent de bestemming ‘Dienstverlening’ in de huidige situatie. In de nieuwe situatie worden hier woningen en commerciële voorzieningen toegevoegd. Omliggende bestemmingen betreffen overwegend ‘Dienstverlening’, ‘Gemengd - 5’ ‘Recreatieve doeleinden’, en ’Wonen’. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat sprake is van gemengd gebied. Ten zuidwesten van de projectlocatie zijn twee panden gelegen met een dienstverlenende functie. Voor een locatie met de bestemming ‘Dienstverlening’ geldt milieucategorie 1 , waarvoor een richtafstand van nul meter wordt gehanteerd in een gemengd gebied. Verder ten westen in een sportveld gelegen, waarvoor milieucategorie 3.1, met een richtafstand van 30 meter geldt. De afstand tussen de toekomstige woontorens en het sportveld bedraagt circa 45 meter waardoor aan de richtafstand wordt voldaan. Interne milieuzonering De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een gebouw met 625 appartementen en 3.193 m2 aan bvo commerciële voorzieningen. Woningen leveren geen milieuhinder op ten aanzien van andere woningen. Gezien wonen en bedrijvigheid in hetzelfde gebouw gerealiseerd zal worden, is er sprake van functiemenging. Binnen het plangebied wordt wonen en werken mogelijk gemaakt binnen hetzelfde gebouw.
In de plint zullen de gemeenschappelijke voorzieningen worden gerealiseerd, welke binnen categorie A vallen. Deze activiteiten kunnen dus aanpandig aan woningen worden uitgevoerd. In het gebouw bevinden zich ook de transformatorruimtes. De voorkeur is om een minimale afstand van 4 meter aan te houden tot gevoelige functies (zoals wonen). De transformatorruimtes bevinden zich op de begane grond en worden omringd door verkeersruimtes (gang en trappenhuis) en fietsenstalling en zijn op meer dan 4 meter gelegen van de gevoelige functies. Derhalve zijn woningen en de beoogde niet-woonfuncties goed inpasbaar binnen het beoogde gebouw.
Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
BEZONNING Algemeen Er zijn geen wettelijke vastgestelde eisen voor de bezonning van openbare ruimten, woningen en dergelijke. In het Bouwbesluit zijn wel eisen opgenomen ten aanzien van het benodigde equivalente daglichtoppervlak. Hierbij wordt echter beoogd de toetreding van daglicht (en niet van direct zonlicht) te reguleren. Daarbij wordt geen rekening gehouden met de invloed van belemmeringen en dergelijke welke zijn gelegen op andere percelen.
Mees Ruimte & Milieu | 20042.01.RO
Pagina | 51
De commissie woningwaardering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten hanteert een beoordelingssysteem wat in grote lijnen neerkomt op: De bezonning in een vertrek is als ‘matig’ te karakteriseren indien er gedurende 11 maanden van het jaar sprake is van ten minste twee mogelijke bezonningsuren. De bezonning in een vertrek is als ‘goed’ te karakteriseren indien er gedurende 11 maanden van het jaar sprake is van ten minste drie mogelijke bezonningsuren. Voor zover van toepassing is voor deze periode van 11 maanden uitgegaan van de dagen tussen 5 januari en 5 december. Het is mogelijk dat gemeenten hieraan gerelateerde normen hanteren. In de gemeente Den Haag wordt bijvoorbeeld bij de beoordeling van de bestemming- en bouwplannen veelal gebruik gemaakt van een vergelijkbare norm. Hierbij wordt uitgegaan van het criterium van ten minste twee mogelijke bezonningsuren per dag voor de gevels van woningen gedurende de periode van 19 februari tot en met 21 oktober (op 0.75 meter boven de vloer van de laagst gelegen verdieping van de woonfunctie). Hierbij is het toegestaan de bezonningsuren van de voor- en achtergevels bij elkaar op te tellen. De uren dat de zon minder dan 10° boven de horizon staat mogen hierbij niet worden meegerekend. Daarnaast geldt dat het aantal mogelijke bezonningsuren ten gevolge van de nieuwe bebouwing met maximaal de helft af mag nemen.
Relatie tot ontwikkeling Door Peutz is een bezonningsonderzoek uitgevoerd. De rapportage d.d. 3 februari 2021 is bijgevoegd als bijlage bij onderhavige ruimtelijke onderbouwing. Wegens het ontbreken van een wettelijke normstelling heeft een globale toetsing plaatsgevonden volgens een veel gebruikte richtlijn, de licht TNO-norm. Volgens de lichte TNO-norm is er sprake van voldoende bezonning van een woning bij tenminste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari t/m 21 oktober. Uit het onderzoek volgt dat de bezonning van bestaande woningen voldoet aan het criterium van minimaal 2 mogelijke zon-uren in de periode 19 februari t/m 21 oktober, of waar de bezonning niet voldoet, dat dit niet het gevolg is van de onderzochte ontwikkeling.
Conclusie Het aspect bezonning vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
BODEM Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.
Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen, kantoorruimtes, commerciële ruimtes en een restaurant. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wbb, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. Ten behoeve van de planrealisatie is derhalve een bodemonderzoek uitgevoerd door onderzoeksbureau Kwinfa.
Mees Ruimte & Milieu | 20042.01.RO
Pagina | 52
Hieronder zij de resultaten kort weergegeven. De volledige rapportage is opgenomen in de bijlage van deze ruimtelijke onderbouwing. Bodemonderzoek Kwinfra d.d. 30 mei 2023 Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten kan een oordeel worden gegeven over de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van onderhavige onderzoekslocatie. Analyseresultaat grond De sporen baksteenhoudende bovengrond is ten hoogste licht verontreinigd met kwik, lood, PAK en PCB. De zintuiglijk schone bovengrond is ten hoogste licht verontreinigd met kwik en lood. De sporen baksteen houdende ondergrond is licht verontreinigd met lood, PAK en PCB. De zintuiglijk schone ondergrond is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters. Analyseresultaat grondwater Het grondwater is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters. Gezien de aangetoonde lichte verontreinigingen wordt de hypothese onverdacht niet bevestigd. Conclusie en advies De aangetoonde verontreinigingen met zware metalen, PAK en PCB kunnen vermoedelijk gerelateerd worden aan de aangetroffen zintuiglijke bijmengingen en/of verhoogde achtergrondwaarden. De onderzoeksresultaten geven een representatief beeld van de milieuhygiënische bodemkwaliteit en mede gezien de aangetoonde mate van verontreiniging is er geen aanleiding tot het uitvoeren van aanvullend onderzoek.
De onderzoeksresultaten van onderhavig bodemonderzoek vormen geen belemmering voor de afgifte van een omgevingsvergunning.
Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
DUURZAAMHEID Algemeen Haarlem zet vaart achter de ontwikkelingen om de stad toekomstbestendig te maken. De verduurzamingsopgave pakt de gemeente samen met haar partners in de stad op. In de richtlijn ‘Duurzaam bouwen’ van de gemeente is de Haarlemse duurzaamheidsambitie vertaald naar concrete uitgangspunten, onderverdeeld in 5 verschillende thema’s: Mobiliteit Klimaatadaptatie Circulariteit energie en warmte Groen en ecologie Mobiliteit Uitstoot van CO2 en stikstof moet aan banden worden gelegd volgens het klimaatakkoord en het ‘Programma Aanpak Stikstof’ (PAS). Het klimaatakkoord streeft naar het stimuleren van elektrisch personenvervoer, verduurzaming van de logistiek en een reductie van 8 miljard minder zakelijke (auto)kilometers in 2030. Er is een transitie nodig naar duurzame mobiliteit. De stad wordt zo ingericht dat de fiets, het OV of te voet een vanzelfsprekende keuze is. Het gebruik van het (elektrisch) openbaar vervoer wordt gestimuleerd.
Mees Ruimte & Milieu | 20042.01.RO
Pagina | 53
Klimaatadaptatie De gevolgen van klimaatverandering komen sneller en zijn heviger dan verwacht. Door onze gebouwde omgeving klimaatbestendig en water-robuust in te richten, zijn we voorbereid op de verandering van het klimaat. Haarlem neemt zo veel mogelijk maatregelen om de stad weerbaar te maken tegen een veranderend klimaat. De ambitie is om in 2050 klimaatbestendig te zijn. Een gezonde en toekomstbestendige stad is een stad met minder stenen en veel groen en water. Dat draagt bij aan een schonere lucht, brengt verkoeling en helpt om de overlast van extreem weer (regen, hitte) op te vangen. Bovendien dragen groen en water positief bij aan de ruimtelijke kwaliteit en versterken de natuur, ecologie en biodiversiteit van de stad. Ook gebouwen kunnen bijdragen aan een klimaatadaptieve stad, bijvoorbeeld door groene (of blauwe) daken en gevels. Door natuurinclusief bouwen worden kansen voor het verbeteren van ecologische kwaliteit benut. Een toekomstbestendig watersysteem is voorbereid op wateroverlast en -tekort. Circulariteit Haarlem wil in 2040 circulair zijn. Dit betekent dat zowel bedrijven als bewoners en gemeente de principes van de circulaire economie toepassen: ze maken gebruik van hernieuwbare energiebronnen, produceren alleen grondstoffen die opnieuw te gebruiken zijn en kunnen allemaal een bijdrage leveren aan de circulaire keten.
Energie en warmte Haarlem wil in 2040 van het aardgas af. Dat betekent ten eerste dat we ons energieverbruik moeten beperken. Het doel voor energiebesparing is 30 tot 50%. De resterende warmtevraag zal uit duurzame bronnen komen. Opwekking van elektriciteit moet 100% duurzaam zijn in 2030. We moeten op zoek naar nieuwe manieren om onze gebouwen te verwarmen en te koelen, te koken en water te verwarmen. Groen en ecologie Met een gezonde leefomgeving wordt bedoeld dat de gezondheid van toekomstige bewoners en gebruikers zoveel mogelijk wordt gestimuleerd door de manier waarop de gebouwen en de omgeving zijn ontwikkeld. Denk daarbij aan fysieke factoren, zoals materiaalkeuze, maar ook aan gedragsbeïnvloeding, waarbij bewegen centraal staat. Door groen en water dragen de ontwikkelingen bij aan de ruimtelijke kwaliteit en de natuur, ecologie en biodiversiteit van het gebied. Door natuurinclusief bouwen worden kansen voor het verbeteren van ecologische kwaliteit benut.
Relatie tot ontwikkeling Het gaat om bewustwording van de invloed op het welzijn van het individu en het collectief, en op ecologisch en economisch gebied. Met dit project zal impact worden gemaakt door invulling te geven aan de onderstaande 4 strategische pijlers: Public impact: Elementen als architectonische vormgeving, bruikbaarheid, materiaalgebruik en hoe de ontworpen ruimte straks wordt beleefd, spelen hierbij een rol. Voor dit project wordt voor deze strategische pijler impact gemaakt door: - Verbinding leggen tussen mensen - door het creëren van communities - Inspirerende architectuur - Slim gebouw - Aandacht voor sport - Verhogen van gevoel van veiligheid Ecological impact: Hierbij wordt gekeken naar de korte en lange termijnsgevolgen, plaatselijk en globaal. De aanbouw, gekozen materialen, afval en het efficiënt omgaan met energie hebben allemaal hun invloed op de mate waarin de natuurlijke omgeving wordt belast. Being is een uitgesproken voorstander van circulair bouwen. Voor dit project wordt voor deze strategische pijler impact gemaakt door: - Streven naar circulaire sloop - Onderzoeken mogelijkheden - modulaire bouw
Mees Ruimte & Milieu | 20042.01.RO
Pagina | 54
- Verhogen biodiversiteit - Slimme mobiliteit door elektrische deelauto’s - Voldoende fietsparkeerplekken - Toepassen van zonnepanelen - Gebruik van WKO - Waterberging - Zo veel mogelijk gebruik van - circulaire materialen Econmical impact: Door onszelf bewust te maken van de mogelijke en wenselijke consequenties voor de toekomstige gebruikers kunnen we hier het verschil maken. Voor dit project wordt voor deze strategische pijler impact gemaakt door: - Starters concept: voor starters met een cruciaal beroep - Verbetering van publieke ruimte door invulling plint - Aandacht voor jeugd - Shared living/ gedeelde publieke ruimten Personal impact: Groen ondernemen met sociale en economische groei is geen utopie. Wie blijvend succes ambieert heeft ook oog voor de commerciële en economische waarde van een project, voor alle belanghebbenden. Daarom is er regelmatig goed overleg met alle partijen, van investeerders en gemeentes tot werknemers en andere betrokkenen. Voor dit project wordt voor deze strategische pijler impact gemaakt door: - Samen blijven wonen d.m.v. aanbod sociale,- (60%) en middeldure (40%) huur - Commerciële ruimte t.b.v. werkgelegenheid - Voorkomen van tweedeling in de stad d.m.v. divers woning aanbod - Doorstroom mogelijkheden
Torendak en zonnepanelen Er is geen beplanting opgenomen onder de zonnepanelen. De hellingshoek van de zonnepanelen is erg bepalend voor het al dan niet aanslaan van beplanting en of er voldoende zonlicht is voor de beplanting om te kunnen groeien. De verwachtig is dat er geen voldoende zonlicht tussen de panelen valt. Daarnaast willen we installaties en panelen uit het zicht houden en liever niet verhoogd aanbrengen. Water wordt opgevangen op een polderdak en door middel van een uv systeem wordt het water vertraagd afgevoerd van de platte daken en het verhoogd plein. Geplooide voet Een geplooid tapijt, die reageert op de omgeving. Een doorwaadbaar en toegankelijke voet van het gebouw, gestuurd door het groen. Het landschap draagt bij aan reduceren van de windhinder op maaiveld. Het tapijt wordt geplooid en ingezet om optimale verblijfsplekken te garanderen. Door te plooien sturen we de zichtbaarheid en toegankelijkheid, maken we randen aan de pleinruimtes en weren we het geluid en fijnstof van de Europaweg en Schipholweg. Het maaiveld is met uitzondering van de aanwezige landschappelijke elementen verhardt. Halfverharding op maaiveld in deze hoogstedelijke ruimte is erg kwetsbaar en is niet toegepast. Door de diepte van de parkeergarage is de gronddekking beperkt. Om toch planten met een bepaalde hoogte te integreren is het geplooide maaiveld concept bedacht.
Dit concept voorziet in op de parkeerkelder geplaatste plantenbakken waardoor extra gronddiepte ontstaat. Duinachtige top De daktuinen zijn de ultieme verblijfsplekken met zicht over de stad. De lommerijke parken van Haarlem en het Hollandse duinlandschap vinden als herkenbaar landschap hun plek tussen en op de gebouwen.
Mees Ruimte & Milieu | 20042.01.RO
Pagina | 55
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de richtlijn ‘Duurzaam bouwen’.
EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp.
Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd.
Relatie tot ontwikkeling Met Spaarnepoort worden geen risicovolle activiteiten toegevoegd aan het plangebied. De nieuw te bouwen woningen worden beschouwd als kwetsbare objecten. Door Prevent is op 5 juni 2024 onderzoek uitgevoerd naar het aspect externe veiligheid. Dit onderzoek is als bijlage terug te vinden. Aan de hand van de gegevens op de signaleringskaart externe veiligheid is nagegaan welke risicovolle activiteiten en bronnen in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn.
Mees Ruimte & Milieu | 20042.01.RO
Pagina | 56
Figuur 18. Uitsnede signaleringskaart externe veiligheid (bron: Prevent).
In het rapport is geconcludeerd dat: Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting; Het projectgebied niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen (1 en 2 in figuur 18); Het projectgebied wel ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute (4a, 4b en 5 in figuur 18); Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen (3 in figuur 18). Inrichtingen Volgens artikel 13 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) moet gekeken worden naar inrichtingen binnen dan wel in de directe omgeving van het projectgebied. Op de veiligheidskaart is zwembad Boerhaavebad zichtbaar. Gezien de afstand van meer dan 400 meter vormt deze inrichting geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast is op de veiligheidskaart het gasontvangststation W053 van de Gasunie zichtbaar. Voor deze inrichting geldt een risicoafstand (PR 10-6) van 25 meter. Het gasontvangstation is op een afstand van minimaal 850 meter gelegen, waardoor ook deze inrichting geen belemmering vormt. Vervoer gevaarlijke stoffen over het spoor De voorgenomen locatie is niet in de nabijheid van het spoor gelegen.
Vervoer gevaarlijke stoffen over het water In het rond het projectgebied komen geen watergangen voor waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaats vindt.
Mees Ruimte & Milieu | 20042.01.RO
Pagina | 57
Buisleidingen De risicokaart toont alle aardgasleidingen vanaf een diameter van 50 mm en een druk van 16 bar, alle buisleidingen voor brandbare vloeistoffen vanaf een diameter van 100 mm en alle overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke norm is op 5 meter afstand van de buis. Deze wettelijke norm is het plaatsgebonden risico 10-6. Op ruim 725 meter van de projectlocatie bevindt zich een buisleiding. De buisleiding heeft een diameter van 324 millimeter en een maximale werkdruk van 4.000 kilopascal, waardoor een risicoafstand van 140 meter geldt. De buisleiding zal om deze reden geen risico vormen voor de projectlocatie. Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg Voor transportroutes voor gevaarlijke stoffen over (spoor)wegen en vaarwegen is het wettelijk toetsingskader voor externe veiligheid bij ruimtelijke besluiten opgenomen in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Conform het Bevt moet er onderzoek plaatsvinden naar het groepsrisico wanneer een ontwikkeling zich binnen 200 meter van deze route plaatsvindt. De Schipholweg is een gemeentelijke N-weg (nr. 4a/4b in figuur 18) die aansluit op het provinciale deel van de N205 (nr. 4c in figuur 18). Verder vindt over de Europaweg (nr. 5 in figuur 18) transport plaats van gevaarlijke stoffen (bestemmingsverkeer t.b.v. bevoorrading LPG tankstation).
De Schipholweg en de Europaweg zijn gelegen op minder dan 200 meter van het plangebied. Hierdoor is nader onderzoek naar het groepsrisico noodzakelijk. De nieuwbouwlocatie aan de Schipholpoort 40-100 is gelegen op: 16,5 meter afstand van de dichtstbijzijnde doorgaande rijstrook van de Schipholweg (N205) en op 30 meter afstand van het hart van de Schipholweg (N205). 15 meter afstand van de dichtstbijzijnde doorgaande rijstrook van de Europaweg en op 31 meter afstand van het hart van de Europaweg. Door de Omgevingsdienst IJmond is aangegeven dat voor de toetsing als ruime schatting kan worden uitgegaan van 50-100 GF3-transporten per jaar. Op basis van het bovenstaande wordt voor het oostelijk deel van de N205 (nr 4b/4c in figuur 18) tot de Europaweg en voor de Europaweg uitgegaan van 100 GF3transporten per jaar en voor het westelijk deel van de N205 na de Europaweg (Schipholweg ter hoogte van het plangebied, nr. 4a in figuur 18) van 50 GF3-transporten per jaar. Toetsing aan vuistregels plaatsgebonden risico In de handleiding Risicoanalyse Transport (HART) zijn vuistregels opgenomen voor het plaatsgebonden risico. Op grond van vuistregel 2 voor het plaatsgebonden risico (paragraaf 1.2.4.1 HART) geldt dat een weg binnen de bebouwde kom geen PR=10-6 contour heeft. De Schipholweg(N205) beschikt niet over een plaatsgebonden risicocontour (PR=10-6 contour).
De normen voor het plaatsgebonden risico in het Bevt vormen geen belemmering voor de ontwikkeling. Toetsing aan vuistregels groepsrisico Voor de toetsing aan het groepsrisico (10% van de oriëntatiewaarde) zijn in het HART de volgende vuistregels opgenomen voor wegen binnen de bebouwde kom (50 km/uur): Vuistregel 1: Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe. Vuistregel 2: Wanneer GF3 minder is dan de drempelwaarde in Tabel 1-8 (eenzijdige bebouwing) of in Tabel 1-9 (2-zijdige bebouwing) wordt 10% van de oriëntatiewaarde niet overschreden De bestaande en de nieuwe situatie zijn getoetst aan de tabellen in het HART. Vuistregel 1: is niet van toepassing Vuistregel 2: Ter hoogte van het plangebied is er bij de Schipholweg en de Europaweg sprake van tweezijdige bebouwing. Voor de toetsing is uitgegaan van Tabel 1-9. In het plangebied worden in de nieuwe situatie 625 appartementen gerealiseerd. Voor de woningen wordt uitgegaan van 2,4 personen per woning (50% aanwezig gedurende de dagperiode en 100% aanwezig Mees Ruimte & Milieu | 20042.01.RO
Pagina | 58
gedurende de nachtperiode). Nb. Dit betreft nadrukkelijk een worst-case, aangezien een groot deel van het programma binnen dit project kleine woningen zijn voor een éénpersoonshuishouden. Voor de kleinschalige werkfuncties is uitgegaan van 1 persoon per 30 m2 b.v.o. gedurende de dagperiode. Voor de horecafunctie is uitgegaan van 1 persoon per 10 m2 b.v.o. gedurende de dagperiode en de nachtperiode. Dit geeft een maximale personendichtheid in het plangebied van 863 personen in de dagperiode en 1.520 personen in de nachtperiode. In de 2 hectarevlakken in het plangebied die gebruikt zijn voor de toetsing is per hectarevlak ca. 2/3 deel van de nieuwe bebouwing in het plangebied gelegen. Per hectarevlak zijn hierdoor maximaal ca. 1.013 personen aanwezig. Bij een afstand van 30 meter tot het hart van de Schiphol wordt bij een personendichtheid van meer dan 400 personen per hectare in tabel 1-9 een drempelwaarde gevonden die kleiner is dan 50 GF3 transporten. Voor de nieuwe situatie wordt hiermee een drempelwaarde gevonden die kleiner is dan de bepaalde vervoersintensiteit van de Schipholweg van 50 GF3 transporten per jaar. Op basis van de vuistregels voor het groepsrisico kan worden geconcludeerd dat het groepsrisico mogelijk hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Om dit te bepalen is een berekening met RBM II vereist.
Bij een afstand van 30 meter tot het hart van de Europaweg wordt bij een personendichtheid van 300 personen per hectare in tabel 1-9 een drempelwaarde gevonden van 90 GF3 transporten. Voor de nieuwe situatie wordt hiermee een drempelwaarde gevonden die lager is dan 90 GF3 transporten en daarmee kleiner is dan de bepaalde vervoersintensiteit van de Europaweg van 100 GF3 transporten per jaar. Op basis van de vuistregels voor het groepsrisico kan worden geconcludeerd dat het groepsrisico mogelijk hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Om dit te bepalen is een berekening met RBM II vereist. 4.9.2.1 Berekening groepsrisico Schipholweg en Europaweg met RBM II Voor de bestaande en nieuwe situatie binnen het plangebied is de bevolking handmatig ingevoerd. De gebruikte personendichtheden zijn weergegeven in onderstaande tabel.
Voor de bestaande en nieuwe situatie is de ingevoerde bebouwing in RBMII weergegeven met de locatie waar het hoogste groepsrisico is berekend. Voor de bestaande situatie wordt voor de Schipholweg een groepsrisico berekend van maximaal 0,144 maal de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico van de Schipholweg neemt door de voorgenomen ontwikkeling met 9,7 % toe tot maximaal 0,158 maal de oriëntatiewaarde. Voor de bestaande situatie wordt voor de Europaweg een groepsrisico berekend van maximaal 0,154 maal de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico van de Europaweg neemt door de voorgenomen ontwikkeling met 22,7% toe tot maximaal 0,189 maal de oriëntatiewaarde. Geconcludeerd kan worden dat het groepsrisico langs de Schipholweg bij de bestaande en nieuwe omgevingssituatie hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico langs de Schipholweg neemt door de voorgenomen ontwikkeling toe met minder dan 10% toe en blijft ruim onder de oriëntatiewaarde. Op grond van artikel 8 van het Bevt is voor Schipholweg geen verantwoording van het groepsrisico vereist. Geconcludeerd kan worden dat het groepsrisico langs de Europaweg bij de bestaande en nieuwe omgevingssituatie hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico langs de Europaweg neemt door de voorgenomen ontwikkeling toe met meer dan 10% maar blijft ruim onder de oriëntatiewaarde.
Op grond van artikel 8 van het Bevt is voor de Europaweg een verantwoording van het groepsrisico vereist.
Mees Ruimte & Milieu | 20042.01.RO
Pagina | 59
4.9.2.2 Verantwoording groepsrisico Bij de toelichting van het bestemmingsplan (of in voorliggend geval de ruimtelijke onderbouwing in het kader van een omgevingsvergunning) moet bij de verantwoording worden ingegaan op: 1. de aanwezige dichtheid van personen in het invloedsgebied en de volgens het geldende bestemmingsplan mogelijke dichtheid van personen in het invloedsgebied; 2. de als het gevolg van het bestemmingsplan of omgevingsbesluit redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan of de vergunning betrekking heeft; 3. het groepsrisico voor de bestaande situatie en geldende bestemde situatie; 4. de bijdrage van het betreffende bestemmingsplan of omgevingsbesluit aan de hoogte van het groepsrisico; 5. maatregelen ter beperking van het groepsrisico die zijn overwogen en die zijn opgenomen; 6. de mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan. Ad. 1 en 2 De personendichtheid in het plangebied bedraagt in de bestaande (bestemde) situatie 319 personen in de dagperiode. In de nieuwe situatie bedraagt de personendichtheid maximaal 863 personen in de dagperiode en 1.520 personen in de avond/nacht periode. Het aantal personen neemt door de ontwikkeling in het plangebied rekenkundig toe met 544 personen in de dagperiode en 1.520 personen in de avond/nacht periode. Ad.
3 en 4 Voor de bestaande situatie wordt voor de Europaweg een groepsrisico berekend van maximaal 0,154 maal de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico van de Europaweg neemt door de voorgenomen ontwikkeling met 22,7 % toe tot maximaal 0,189 maal de oriëntatiewaarde. Ad. 5 Gezien de relatief korte afstand van de te realiseren bebouwing tot de Europaweg wordt het treffen van aanvullende bouwkundige maatregelen zoals het aanbrengen van scherfwerend glas vanwege de hoogte van de optredende drukgolf en warmtestraling bij een BLEVE ter hoogte van het plangebied niet als een reëel te treffen maatregel beschouwd. Verder zijn de extra meerkosten hiervan inclusief de aanpassing van de kozijnen dermate hoog dat deze niet in verhouding staan tot het reducerende effect hiervan gezien de korte afstand tot de Europaweg. Verder wordt opgemerkt dat de hoogte van het berekende groepsrisico in de nieuwe situatie (iets hoger dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde maar ruim onder de oriëntatiewaarde) hierbij ook een belangrijk afwegingsaspect is geweest. Ad. 6 Gezien de vorm van het plangebied is er een beperkte ruimte aanwezig om de bebouwing anders te situeren op grotere afstand van de Europaweg. Een andere positionering van de bebouwing binnen het plangebied zal daarom geen significant effect op de hoogte van het groepsrisico.
Om een beeld te krijgen van het maximale effect van een andere ruimtelijke indeling op de hoogte van het groepsrisico is een berekening gemaakt van het groepsrisico waarbij de bebouwing (met een gelijk footprint oppervlak) zo ver mogelijk van de Europaweg en direct tegen de Schipholpoort is gelegen. Hierbij is een groepsrisico berekend van 0,157 maal de oriëntatie waarde (2% toename groepsrisico ten opzichte van de bestaande bestemde situatie). Vanuit stedenbouwkundig en ruimtelijk oogpunt is een dergelijke lange bouwmassa binnen het plangebied echter niet gewenst. Een andere mogelijkheid om tot een lager groepsrisico te komen is om het bebouwd volume en daarmee de personendichtheid te beperken. Om dit inzichtelijk te brengen is het groepsrisico berekend voor de nieuwe situatie (met ongewijzigde gebouwenlocatie) waarbij het aantal personen 10% en 20% lager is dan de nu aangevraagde nieuwe situatie. Hierbij is een groepsrisico berekend van resp. 0,166 maal de oriëntatiewaarde (7,8 % toename) en 0,157 maal de oriëntatie waarde (2 % toename). Vanwege de optimalisatie van de ontwikkeling is ten opzichte van de eerdere ontwerpen de personendichtheid juist iets toegenomen vanwege
Mees Ruimte & Milieu | 20042.01.RO
Pagina | 60
financiële haalbaarheid van het project. Het verlagen van het bouwvolume en daarmee de personendichtheid en het groepsrisico is daarmee vanuit financieel haalbaarheidsperspectief niet goed mogelijk. Verder wordt opgemerkt dat de hoogte van het berekende groepsrisico in de nieuwe situatie (iets hoger dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde maar ruim onder de oriëntatiewaarde) hierbij ook een belangrijk afwegingsaspect is geweest. Rampbestrijding en zelfredzaamheid Vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van de Schipholweg (N205) en de Europaweg moet op grond van artikel 7 van het Bevt in de toelichting van het bestemmingsplan worden in gegaan op: 1. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp met gevaarlijke stoffen op de Schipholweg (N205) en de Europaweg, en; 2. voor zover het plan of de vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp met gevaarlijke stoffen voordoet. Op grond van artikel 9 van het Bevt stelt het bevoegd gezag de veiligheidsregio in de gelegenheid om advies uit brengen. Op 17 april 2024 is door de Veiligheidsregio Kennemerland advies uitgebracht aan de gemeente Haarlem. De inhoud van dit advies is in de onderstaande beschouwing meegenomen.
Scenario’s brandbare gassen Door een externe beschadiging van een tankwagen met GF3-stoffen (zoals propaan of LPG) kan de tank openscheuren waardoor de gehele inhoud aan brandbaar gas direct vrijkomt. Als dit direct ontsteekt ontstaat er een vuurbal en een drukgolf (zogenaamde koude BLEVE). Als dit gas later ontsteekt ontstaat er een gaswolkexplosie of wolkbrand. Als een tankwagen met GF3 -stoffen betrokken raakt bij een brand kan na enige tijd de tank bezwijken waardoor de gehele inhoud aan brandbaar gas direct vrijkomt en ontsteekt (zogenaamde warme BLEVE). Als maatgevend scenario wordt voor wegen (vanwege de hogere kans) uitgegaan van een koude BLEVE. Bij dit scenario kunnen tot een afstand van 200 meter personen die buiten aanwezig zijn komen te overlijden door de optredende (kortdurende) warmtestraling. Het optreden van een koude BLEVE kan door de optredende kortdurende warmtestraling bij de gebouwen in het plangebied leiden tot onherstelbare schade aan de gebouwen in het plangebied (waarbij alle aanwezige personen komen te overlijden) of tot gemiddelde schade aan gebouw (brandhaarden, vervorming van hout en kunststof, breuk dubbelglas) waarbij een deel van de aanwezige personen zal komen te overlijden of gewond zal raken. Bestrijdbaarheid Het optreden van een koude BLEVE is een snel scenario dat direct plaatsvindt.
Voor dit scenario zijn er vanuit bestrijdbaarheidsperspectief geen mogelijkheden om dit scenario te voorkomen. Bij de dreiging van een warme BLEVE door brand rondom/nabij een tankwagen met brandbare gassen bestaat er voor de brandweer gedurende enige tijd de mogelijkheid om de tankwagen te koelen met water om een warme BLEVE te voorkomen. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. Advies Veiligheidsregio Voor de bestrijding van de calamiteit en de eventueel ontstane secundaire branden, is er in de nabijheid van het plangebied voldoende openwater aanwezig dat als bluswater kan fungeren (het Spaarne). Na het optreden van een koude of warme BLEVE of plasbrand kunnen in het plangebied branden ontstaan die door de brandweer kunnen worden geblust. Hierbij is het van belang dat het plangebied goed bereikbaar is voor hulpdiensten. Het plangebied is via de Schipholweg, de Europaweg en de Schipholpoort vanuit 3 richtingen te bereiken. Er is sprake van voldoende bereikbaarheid. Op de tekening voor de omgevingsvergunning is in drie opstelplaatsen voorzien (1 aan de Europaweg en 2 aan de Schipholweg). Advies Veiligheidsregio Het plangebied is voldoende, vanuit verschillende richtingen bereikbaar voor de hulpverleningsdiensten. Bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen zullen al snel meerdere voertuigen van de hulpverleningsdiensten
Mees Ruimte & Milieu | 20042.01.RO
Pagina | 61
betrokken zijn, waardoor de toegang van de stad Haarlem via de Schipholweg gedurende langere tijd geblokkeerd zal zijn. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Mobiliteit van de aanwezigen Binnen het plangebied zijn geen nieuwe functies voorzien die specifiek gericht zijn op minder zelfredzame personen. De planvorming betreft de realisatie van woningen, kleinschalige werkruimten en horeca. Uitgangspunt is dat de personen in de gebouwen zelfredzaam zullen zijn. Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. Het optreden van een koude BLEVE is een snel scenario waarbij er geen tijd beschikbaar is om te kunnen vluchten. Bij het optreden van een warme BLEVE is voorafgaand in beginsel voldoende tijd aanwezig om de betreffende gebouwen te ontruimen. Indien bij een dreigende BLEVE door de hulpdiensten wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen van de bron af kunnen vluchten. In geval van een calamiteit op de Schipholweg (N205) kan via de Schipholpoort en het Wijnruitpad in zuidelijke richting worden gevlucht.
In geval van een calamiteit op de Europaweg kan via de Schipholpoort en het fietspad langs de Schipholweg in westelijke richting worden gevlucht naar veilig gebied. Advies Veiligheidsregio De aanwezige personen in het plangebied zijn, bij aanvang van de calamiteit, voornamelijk op hun zelfredzaamheid aangewezen. De bouwwerken in het plangebied hebben voldoende nooduitgangen en vluchtwegen die van de Schipholweg en Europaweg weg leiden. Om de mate van zelfredzaamheid te verhogen adviseer ik u de volgende maatregel te realiseren. 1. Risicobewustzijn: Zorg voor een goede informatievoorziening aan de aanwezige personen, zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit. U kunt hierbij denken aan publieke voorlichtingscampagnes als ’Denk vooruit’. Restrisico De beschouwde risicobron kan in de voorziene situatie leiden tot incidenten met effecten of slachtoffers binnen het plangebied. De genoemde maatregel kan de omvang van mogelijke incidenten reduceren tot een omvang die beter beheersbaar wordt geacht voor de hulpverleningsdiensten. Bij het in gebruik nemen van de bebouwing zal aan het bovenstaande aandacht worden besteed.
Conclusie De normen voor externe veiligheid zoals aangegeven in het Bevi en het Bevb vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De normen voor het plaatsgebonden risico in het Bevt vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Op grond van het Bevt is voor de Europaweg een verantwoording van het groepsrisico vereist en moet worden ingegaan op de aspecten bestrijdbaarheid bij een ongeval met gevaarlijke stoffen (BLEVE) op de Schipholweg (N205) en de Europaweg en de zelfredzaamheid van personen in het plangebied. Deze aspecten zijn beschouwd. Door de Veiligheidsregio Kennemerland is advies uitgebracht aan de gemeente Haarlem. De inhoud van dit advies is in de beschouwing meegenomen en het uitgebrachte advies wordt overgenomen.
Mees Ruimte & Milieu | 20042.01.RO
Pagina | 62
GELUID Algemeen In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: woningen; onderwijsgebouwen; ziekenhuizen; verpleeghuizen; verzorgingstehuizen; psychiatrische inrichtingen; kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen.
Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van onder andere 625 woningen, oftewel geluidsgevoelige objecten in het kader van de Wet geluidhinder. Derhalve is het uitvoeren van akoestisch onderzoek noodzakelijk. Door Deerns is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage d.d. 23 juni 2023 is bijgevoegd als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. Resultaten akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Het doel van het onderzoek is het berekenen van de geluidbelasting op de gevel van de te realiseren appartementen en deze te toetsen aan de van toepassing zijnde geluidgrenswaarden. Daarnaast heeft de gemeente Haarlem een hogere waarde beleid waarin voorwaarden zijn opgenomen waaraan getoetst dient te worden. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting (Lden) inclusief aftrek ex. artikel 110g ter plaatse van de nieuw te realiseren appartementen ten gevolge van de Schalkwijkerstraat ten hoogste 42 dB bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeurswaarde. Tevens blijkt dat geluidbelasting inclusief aftrek ter plaatse van de nieuw te realiseren appartementen ten gevolge van de Schipholweg ten hoogste 62 dB bedraagt. Hiermee wordt de voorkeurswaarde van 48 dB met 14 dB overschreden. Aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt voldaan.
Daarnaast blijkt dat geluidbelasting inclusief aftrek ter plaatse van de nieuw te realiseren appartementen ten gevolge van de Europaweg ten hoogste 57 dB bedraagt. Hiermee wordt de voorkeurswaarde van 48 dB met 9 dB overschreden. Aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt voldaan. Aangezien de berekende geluidbelasting ten gevolge van de Schipholweg en de Europaweg niet voldoen aan de voorkeurswaarde is het noodzakelijk om maatregelen te overwegen teneinde te kunnen voldoen aan de voorkeurswaarde. Hiervoor geldt dat de voorkeursvolgorde van het treffen van maatregelen bron-overdrachtontvanger is. Bronmaatregelen bestaan onder andere uit het plaatsen van stiller asfalt, het reduceren van de rijsnelheid en/of verkeersintensiteit. Voor de aanleg van stiller asfalt zal doorgaans een reductie van maximaal circa 4 dB gerealiseerd kunnen worden. Een dergelijke reductie is niet afdoende om te kunnen voldoen aan de
Mees Ruimte & Milieu | 20042.01.RO
Pagina | 63
voorkeurswaarde. De aanleg van stiller asfalt is daarmee geen realistische bronmaatregel. Daarnaast is het mogelijk om de snelheid en/of de verkeersintensiteit te reduceren. De Europaweg en de Schipholweg zijn belangrijke ontsluitingswegen. Om deze reden zullen het reduceren van de snelheid en/of verkeersintensiteit voor zowel de Europaweg als de Schipholweg stuiten op bezwaren vanuit verkeerskundig oogpunt. Het is aldus niet realistisch om bronmaatregelen te treffen. Het realiseren van een geluidscherm (of wal) tussen de bron en de ontvanger is een overdrachtsmaatregel. Voor deze situatie geldt dat teneinde te kunnen voldoen aan de voorkeurswaarde ter plaatse van alle appartementen een geluidscherm gerealiseerd dient te worden met afmetingen van ongeveer de hoogte en de breedte van het te realiseren gebouw. Een dusdanig hoog en breed geluidscherm stuit op bezwaren vanuit stedenbouwkundig oogpunt. Het treffen van overdrachtsmaatregelen is aldus niet realistisch. Daarnaast is het mogelijk om maatregelen te treffen bij de ontvanger teneinde de geluidbelasting te reduceren tot de voorkeurswaarde. Mogelijke maatregelen zijn het realiseren van een 2e gevel of het realiseren van afschermingen aan de gevel of op balkons. Echter zal het realiseren van een 2e gevel en/of afschermingen aan gevels of balkons stuiten op financiële en stedenbouwkundige bezwaren.
Het treffen van maatregelen bij de ontvanger is aldus niet realistisch. Gezien de situering van de gebouwen en wegen in de directe omgeving is het niet mogelijk de afstand tussen de bron en de ontvanger te vergroten. Het vergroten van de afstand tussen bron en ontvanger is aldus niet realistisch. Uit bovenstaande blijkt dat het treffen van maatregelen teneinde te kunnen voldoen aan de voorkeurswaarde niet realistisch zijn en/of niet afdoende geluidreducerende werking hebben. Hogere waarden Aangezien het treffen van maatregelen niet realistisch is en/of niet afdoende geluidreducerende werking heeft dienen er hogere waarden te worden aangevraagd. Het plan voldoet behoudens de geluidluwe zijde/buitenruimte aan de voorwaarden uit de beleidsregels van de gemeente Haarlem. In overeenstemming met de gemeente Haarlem is afgesproken dat indien geluidluw gespuid kan worden er geen belemmeringen zijn voor de realisatie van deze woningen. Het is mogelijk om middels geluidgedempte roosters geluidluw te kunnen spuien. Geconcludeerd wordt dat het realiseren van appartementen aan de Schipholweg en Europaweg te Haarlem vanuit akoestisch oogpunt mogelijk is.
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
GROEN Algemeen De herontwikkeling van de bestaande opstallen en buitenruimte naar het voorliggende nieuwbouwplan met parkeergarage, woontorens en commerciële plint kan gevolgen hebben voor de bestaande groenstructuur. Op basis van gemeentelijk beleid en uitgangspunten vanuit het SpvE (zie paragraaf 2.2.2) stelt de gemeente eisen aan nieuwbouwontwikkelingen en omgaan met groen. In deze paragraaf wordt beoordeeld wat de huidige groenvoorraad binnen het plangebied is en hoe hier mee om wordt gegaan in de nieuwe situatie.
Relatie tot ontwikkeling Bestaand groen
Mees Ruimte & Milieu | 20042.01.RO
Pagina | 64
Op 2 november 2023 is door Pius Floris een bomeneffectanalyse uitgevoerd voor de te kappen bomen aan de Schipholpoort te Haarlem. Het doel van de bomenschouw is het vaststellen dan wel uitsluiten van nesten in de te kappen bomen. Ook wordt beoordeeld in hoeverre de bomenkap mogelijk negatieve effecten heeft op foerageergebieden van vleermuizen en schuilgelegenheid voor huismus. Binnen het projectgebied staan 15 particuliere bomen (+ 1 stobbe). De gemeentelijke bomen staan in grasstroken langs de fietspaden en hiervan is er niet één met een ‘monumentaal karakter’. Van de onderzochte bomen binnen het onderzoeksgebied staan er veertien in een gazon en twee in de verharding. Er is van één boom alleen de stobbe aangetroffen. Er staan twaalf lindes (Tilia cordata ‘Rancho’), één Japanse Kaukasische els (Alnus x spaethii ‘Spaeth’), één dubbelbloemige paardenkastanje (Aesculus hippocastanum 'Baumannii') en één boomhazelaar (Corylus colurna). Ze zijn allemaal vrij uniform betreffende leeftijd en omvang. In figuur 19 is de huidige situatie en nieuwe situatie te zien. De buitenruimte krijgt een vernieuwde inrichting.(o.a. rode lijnen) en bomen (groene bollen) ten opzichte van de het plan te zien. De bomen zijn (nog) niet landmeetkundig ingemeten, hierdoor kan de exacte plaats afwijken. Figuur 19. Tekening bestaand en nieuw.
Op één boom na verkeren alle bomen in een goede conditie. De toekomstverwachting is grotendeels vergelijkbaar met de conditie en varieert daarom tussen de >10 en >20 jaar. De els en boomhazelaar in het trottoir staan rondom in de verharding. De lindes staan in een gazon en hebben een ruime groeiplaats. De paardenkastanje staat in een ruim plantvak in het midden van een rotonde met onderbeplanting. Op basis van de boomveiligheidscontrole (BVC) komt naar voren dat alle bomen op hun huidige standplaats en huidige voorkomen te handhaven zijn. Er gelden geen beheersmaatregelen in het kader van boomveiligheid. De bomen verkeren, qua onderhoud, in goede staat (regulier). Bomenbalans Uit de keuring komt samengevat het volgende naar voren: 15 bomen zijn goedgekeurd. 1 boom is als attentieboom gekwalificeerd i.v.m.: o Kastanjebloedingsziekte (beginstadium aantasting). 15 bomen dienen (regulier) gesnoeid te worden. Effectanalyse De volgende punten hebben de grootste effecten op de bomen: Bomen binnen bouwvlak van het nieuwe complex; Profielwijzigingen, verwijderen en aanbrengen van verharding. De wijzigingen zijn behoorlijk groot en omvangrijk. 14 bomen staan binnen de contouren van het toekomstige complex waardoor behoud op de huidige locatie onmogelijk is. Mees Ruimte & Milieu | 20042.01.RO
Pagina | 65
Op basis van de effect analyse en het huidige ontwerp is geconcludeerd dat alleen boom 4 op de huidige positie duurzaam behouden kan blijven. Voor deze geldt basismaatregelen tijdens de uitvoering. Alle andere bomen zijn alleen te handhaven als individu door middel van verplanting. Pius Floris heeft een aantal maatregelen in hun rapportage aangegeven die als randvoorwaarden gelden bij duurzaam boombehoud om de bomen te kunnen behouden op hun huidige standplaats. Nieuw ontwerp In het nieuwe ontwerp wordt het te verwijderen groen en bomen gecompenseerd. De opstelling van de bouwblokken zorgt voor verschillende typen verblijfsplekken en doorgangen. Aan de voorzijde van het blok hebben deze plekken een stedelijk karakter door de inpassing van terrassen van commerciële functies en zithoeken voor de bewoners en omwonenden in de wijk. De binnentuin heeft een groen en intiem karakter. De functies in de plint hebben hun hoofdentree aan de publieke ruimte. Zo wordt het blok verweven met de activiteiten rond het kavel en draagt het bij aan een levendige indruk op het maaiveld. Er worden twee soorten landschappen gecreëerd. Op het maaiveld verschijnt een ‘geplooide voet’, een geplooid tapijt, dat reageert op de omgeving. Dit is vormt een doorwaadbaar en toegankelijke voet van het gebouw, gestuurd door groen.