CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

2 Bijlage 1 Ruimtelijk en Technisch PvE Zwembad Noord

commissie Samenleving 6 juni 2024, gemeente HaarlemBij agendapunt: 22:00u Krediet beschikbaar stellen voor nieuwbouw zwembad De Planeet (ER)32.343 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

7 alinea's met “opening”: 534 602 605 667 693 722 736

Vloeren

Vloeren dienen als betonconstructies te worden uitgevoerd, al dan niet (deels) geprefabriceerd. Vloeren rond bassins en ter plaatse van ruimtes waar water- en/of afvoerinstallaties aanwezig zijn, dienen uitgevoerd te worden als vrijdragende vloeren met onderliggende plenum/kruipruimte. Perronvloeren dienen volledig (monolitisch) beton te zijn, toepassing van bekistingsplaatvloeren is toegestaan. Bassin-, buffer- en keldervloeren mogen worden uitgevoerd als (constructieve) vloeren op zand (zie 13 Funderingsconstructies). Het wedstrijdbad en de (langs) perrons dienen, in verband met de lengte, voorzien te zijn van een waterdichte, constructieve dilatatie, welke volledig doorgezet wordt in de constructie. Vrijdragende vloeren welke de buitenschil vormen (bijvoorbeeld boven (geventileerde) kruipruimtes, welke zich buiten de thermische schil bevinden) dienen geïsoleerd te worden, de isolatiewaarde bedraagt minimaal 6,0 m²K/W. 24

Trappen en hellingen

Trappen en hellingbanen in publieksruimtes dienen uitgevoerd te worden in beton, al dan niet geprefabriceerd. Betontrappen en bordessen dienen uitgevoerd te worden met schrobranden. Om esthetische redenen mag afgeweken worden van beton en de trap bijvoorbeeld in staal of hout uitgevoerd worden, doch alleen in overleg met OG en niet in zwembadruimtes. Trappen in technische ruimtes en koekoek mogen uitgevoerd worden in thermisch verzinkt staal.

3

Ten behoeve van het betreden van dakvlakken, anders dan direct benaderbaar vanaf een technische ruimte of een verkeersruimte, dienen aluminium (kooi)ladders te worden toegepast. Het laagste gelegen dakvlak dient te worden voorzien van een ladder opsteekpunt, vanaf het laagstgelegen dak of het, via technische ruimtes/verkeersruimtes, bereikbare dak dienen andere dakvlakken bereikt te kunnen worden: horizontaal vrij bereikbaar of via (kooi)ladders. Bassintrappen Wedstrijdbad en doelgroepenbad: zie 72 Vaste Gebruikersvoorzieningen Buffers dienen voorzien te zijn aan binnen- en buitenzijde van klimbeugels ten behoeve van de bereikbaarheid. 27

Daken

Uitvoeringswijze daken is ter keuze aan ON. Akoestische voorzieningen mogen geïntegreerd worden in dakplaten (bijvoorbeeld perforatie). Bij geperforeerde dakplaten aandacht voor de dampdichtheid van de constructie. Dakplaten in zicht dienen voorzien te zijn van een coating in kleur. Niet in zicht zijnde dakplaten in een niet zwembad omgeving (zwemzaal, doucheruimtes, kleedruimtes) mogen alleen (sendzimir) verzinkt zijn (zonder coating). Dakplaten in de zwembad omgeving dienen altijd gecoat uitgevoerd te worden, ongeacht of deze wel of niet in zicht zijn. Dakplaten dienen op afschot gelegd te worden of afschot dient in isolatie opgenomen te worden. 28

(Hoofd)draagconstructies

De uitvoeringswijze van (hoofd)draagconstructies is ter keuze aan de ON: beton, staal of hout of combinaties van deze constructiewijzen of innoverende materialen1. Indien staalconstructies toegepast worden, dienen deze in de zwemzalen en ruimtes, welke in directe aanraking komen met een zwemzaal/de zwemzalen dan wel voorzien zijn van gelijke luchtbehandelingsinstallatie als de zwemzaal/-zwemzalen, uitgevoerd te worden als thermisch verzinkte staalconstructies. Staalconstructies in zwemzalen mogen niet lager dan 450+ perronvloer worden toegepast. Staalconstructies mogen, om esthetische redenen (naast thermisch verzinken waar dat geëist wordt) ook van een coating in kleur worden voorzien. Niet verzinkte staalconstructies dienen altijd van een fabrieksmatig aangebrachte coating voorzien te zijn. In het gehele werk mogen geen RVS constructies of RVS bevestigingsmiddelen toegepast worden, behoudens ‘Gebied A’ conform NPR 9200.

1

Mits deze voldoen aan de eisen vanuit het Bouwbesluit en geschikt zijn voor het beoogde doel en gebruik.

4

30

AFBOUW

31

Buitenwandopeningen

Algemeen Buitenkozijnen, ramen en deuren mogen in hout of aluminium uitgevoerd worden, afhankelijk van het ontwerp. Indien in het ontwerp vliesgevels worden opgenomen, dienen deze uitgevoerd te worden in aluminium, in kleur gemoffeld. Aluminium kozijnen mogen met houten stelkozijnen gemonteerd worden. De houten stelkozijnen dienen beschermd te zijn tegen weersinvloeden (van buitenaf) of condens of vocht (van binnenuit). Indien, om esthetische redenen, voor houten kozijnen, ramen deuren (of andere materialen) gekozen wordt, dient dit onderbouwd te worden met een onderhoudsplan. Ter plaatse van de entree/tochtportaal dienen automatische deuren te worden toegepast: uitgevoerd als schuifdeuren of als tourniquet, afhankelijk van het ontwerp. De minimale vrije doorgang bedraagt 1,80 meter. Ter plaatse van de in/uitgang van de ontmoetingsruimten is geen tochtportaal aanwezig.

Indien automatische (schuif)deuren met een tochtportaalfunctie worden toegepast, dienen deze als volgt programmeerbaar te zijn: gesloten ingaand en uitgaand zomerstand – toegang via sensoren beide zijden, centrale vrijgave; ingaand en uitgaand winterstand – toegang via sensoren beide zijden, centrale vrijgave; alleen uitgaand via sensor, ingaand via sleutelschakelaar/RFID lezer (beide schuifdeuren bij tochtportaal, alleen buitendeur zonder tochtportaal); vrijgave en opensturing bij brand/ontruiming; vrijgave, maar dicht blijven (handmatig te openen) bij brand/ontruiming; Tourniquetdeuren hebben een tochtpreventie van zich zelf. Beglazing Alle buitenkozijnen dienen uitgevoerd te worden met triple beglazing of vacuüm glas, rond de zwemzalen tevens als beglazing in een zwembadbestendige uitvoering en het binnenblad tot een hoogte van minimaal 1,20 m. + vloer uitgevoerd als gelaagd veiligheidsglas. Rond zwemzalen geen beglazing toepassen lager dan 450+ perronvloeren (lage borstwering). Hang- en sluitwerk Buitendeuren voorzien van hang- en sluitwerk met een minimale klasse SKG**. Vluchtdeuren (Pa) voorzien van paniekbalken. Vluchtdeuren met alleen een vluchtfunctie aan de buitenzijde niet voorzien van beslag (geen bediening). Vluchtdeuren die van buitenaf wel toegankelijk moeten zijn, voorzien van bediening paniekbalk middels dagbediening.

Overige buitendeuren en vluchtdeuren met bediening van buitenaf voorzien van stormankers. Buitendeurkozijnen dienen voorbereid te zijn voor toekomstige elektrische ontgrendeling: mogelijkheid om elektrische sluitplaten toe te passen, bekabeling in kozijn/wand weggewerkt tot boven systeemplafond. Aan de buitenzijde opnemen van een inbouwdoos en mantelbuis tot boven het plafond t.b.v. kaartlezer/RFID. De hoofdtoegang en de secundaire toegang dienen reeds voorzien te zijn van elektronische ontgrendeling en paslezer. 32

Binnenwandopeningen

Algemeen Binnendeurkozijnen dienen stootvast en vochtbestendig te zijn, indien uitgevoerd in hout, voorzien van kunststof of kunststeen neuten. Houten binnendeurkozijnen in gebied vanaf toegang kleedgebied (kleedruimtes, bergruimtes, zwemzalen, etc.) voorzien van volledig kunststof deuren (kunststof kantlatten, kunststof raatvulling, kunststof topblad. In algemene ruimtes mogen 5

deuren uitgevoerd worden in massieve houten deuren met een HPL toplaag in kleur of met print ter keuze ontwerpende ON (hardhouten kantlatten, dubbele bovenregel en onderregel, kanalenspaan vulling, HPL toplaag). Houten kozijnen dienen afgewerkt te worden met een hoogwaardig dekkend verfsysteem en voorzien te zijn van hoekbescherming aan de niet-spanningszijde op de stijlen tot 1,20 m. hoog. Indien kozijnen uitgevoerd in aluminium, de deuren ook in aluminium uitvoeren. Deuren in kozijnen/puien welke speciale eisen hebben (geluid, brandveiligheid, vochtbestendigheid) dienen overeenkomstig uitgevoerd te worden. Binnenkozijnen en -puien in thermische scheidingen (Δ ruimtetemperatuur > 5K) als thermisch isolerend kozijn/glas uitvoeren. Indien dorpels benodigd zijn, deze uitvoeren als halfrond, opstap/sponning niet groter dan 8 mm. Dorpels uitvoeren in hardsteen of kunststeen. De volgende binnendeuropeningen dienen uitgevoerd te worden als automatische schuifdeuren: van entree naar centrale hal; van centrale hal naar kleedgebied; van douches naar de baden.

Genoemde automatische deuren dienen programmeerbaar te zijn als volgt: gesloten (centraal bediend); automatisch open en dicht – toegang via sensoren beide zijden, centrale vrijgave; open via sturing middels lokale vrijgave sleutelschakelaar/RFID; vrijgave en opensturing bij brand/ontruiming; vrijgave, maar dicht blijven (handmatig te openen) bij brand/ontruiming. Beglazing In natte ruimtes geen beglazing toepassen lager dan 450+ perronvloeren (lage borstwering). In zwemzalen en kleedruimtes beglazing uitvoeren als gelaagd veiligheidsglas. In verkeersruimtes beglazing uitvoeren als gelaagd veiligheidsglas tot een hoogte van (minimaal) 1,0 meter. Hang- en sluitwerk Binnendeuren voorzien van hang- en sluitwerk t.b.v. zwaar gebruik. Schilden uitvoeren in spuitgiet aluminium, voorplaat sloten scharnieren en sluitplaten uitvoeren in messing, krukken en knoppen uitvoeren in aluminium. Het toepassen van RVS hangen sluitwerk en bevestigingsmiddelen is niet toegestaan. Alle binnendeuren in verkeersruimtes (van verkeersruimtes naar verblijfsruimtes, bergruimtes, sanitaire ruimtes, overige ruimtes) voorzien van deurdrangers met glijstangarmatuur en schopplaten. Toiletruimtes (van voorportaal naar toiletruimtes) behoeven niet voorzien te worden van deurdrangers.

Type slot en beslag afstemmen op gebruik, voorbeeld: toilet- en douchedeuren voorzien van vrij-/bezetsloten, keukendeuren voorzien van beugels en glasopening. Kleed- en toiletruimtes voor minder validen voorzien van deurbeugels (binnenzijde). Daar waar deuren afgesloten kunnen worden, deze voorzien van nachtschootsignalering én elektrische sluitplaat, inclusief bekabeling in kozijn/wand weggewerkt tot boven systeemplafond. Aan beide zijden van de deur opnemen van een inbouwdoos en mantelbuis tot boven het plafond t.b.v. (toekomstige) standsignalering óf RFID/Mifare lezer. Vooralsnog worden acht deuren opgenomen worden in een elektronisch sluitsysteem, maar alle deuren dienen wel voorbereid te zijn. Dit geldt niet voor toiletdeuren en douchedeuren. Het toegangscontrolesysteem is verder opgenomen in par. 71 vaste verkeersvoorzieningen.

6

Toegangsluiken Kruipruimtes dienen vanuit omloopgangen of technische ruimtes of verblijfsruimtes bereikbaar te zijn middels luiken bestaande uit houten kozijnen met multiplex luiken, welke gasdicht aansluiten in de sponning. Bufferruimtes (en evt. bouwkundig filter) dienen vanuit de technische ruimtes maaiveld bereikbaar te zijn middels luiken/mangaten, welke waterdicht zijn uitgevoerd en voorzien zijn van een transparant, waterdicht deksel. De vrije doorgang bedraagt minimaal 600 mm. 33

Vloeropeningen

Ten behoeve van de bereikbaarheid van kruipruimtes dienen (vloer)luiken opgenomen te worden. Vloerluiken dienen opgenomen te worden in een luikomranding geïntegreerd in de (omliggende) vloer. Vloerluiken dienen voorzien te zijn van een gelijke afwerking als de omliggende vloerafwerking. Vloerluiken dienen voorzien te zijn van ingebouwde ogen of inhakmogelijkheden om de luiken uit te nemen. Vloerluiken (inclusief afwerking) zwaarder dan 15 kg dienen voorzien te zijn van schroefhulzen zodat deze uit getakeld kunnen worden. Vloerluiken bij voorkeur niet plaatsen in verkeersruimtes, sanitaire ruimtes of verblijfsruimtes, doch alleen in bergruimtes. Vloerluiken mogen geen vluchtweg vormen voor onderliggende ruimtes (technische ruimtes, verblijfsruimtes). In dat geval dient een vluchtkoekoek voorzien te zijn. Een koekoek als toegang of vluchtweg naar/vanuit (eventuele) kelders dient voorzien te zijn van een roostervloer en een afsluitbaar en bedienbaar luik (deel van het rooster wat opklapt), óf voorzien te zijn van een omheining (2,0 meter hoog) welke zorgt voor een afsluiting van de koekoek. Keldervloeren, buffervloeren en bassinvloeren dienen voorzien te zijn van vuilwaterputten/leegzuigputten. In buffers bouwkundige putten opnemen groot 500 x 1.000 x 500 mm (lxbxd), in technische ruimtes (omloop bassins, filterruimte) en bassins groot 500 x 500 x 500 mm.

De bouwkundige putten dienen voorzien te zijn van kunststof of metalen deksels of roosters. 34

Balustrades en leuningen

Ter plaatse van trappen dienen metalen leuningen toegepast te worden. Alle trapleuningen ook voorzien van (tussen)regel voor kleine kinderenkinderen. Ter plaatse van tribunes dienen glazen balustrades, eventueel met metalen leuningen te worden toegepast. Ter plaatse van overige vloerverschillen als bedoeld in Bouwbesluit art. 2.17 dienen metalen balustrades met leuningen te worden toegepast. Bij trapbreedtes >3,50 m. dient een tussenleuning te worden toegepast. Metalen balustrades en leuningen dienen gecoat te worden of uitgevoerd als gebeitst en gepassiveerd RVS (m.u.v. de zwemzaal en aanverwante ruimtes, waar geen RVS toegepast mag worden (NPR9200)). 37

Dakopeningen

Alle dakopeningen dienen conform opgave constructeur gerealiseerd te worden. Afhankelijk van de grootte dienen ravelingen in de constructies opgenomen te worden of dient de opening constructief als schacht doorgezet te worden. Ten behoeve van de bereikbaarheid van en onderhoud aan daken en installaties op het dak dienen dakluiken te worden toegepast. De dakluiken dienen vanuit een technische ruimte of een speciaal voor de toegang gerealiseerde ruimte bereikbaar te zijn. Dakluiken dienen zich op voldoende afstand van de dakrand te bevinden, zodat veilige toegang mogelijk is zonder speciale voorzieningen.

7

Indien het ontwerp door ON voorziet in dakramen of lichtstraten dienen deze uitgevoerd te worden in aluminium met gelaagd veiligheidsglas. Eventueel te openen delen dienen elektrisch geopend te kunnen worden (voorzien van motoren, elektrische sluiting, op afstand bedienbaar). Dakramen, lichtstraten etc. dienen goed bereikbaar te zijn voor bewassing en onderhoud. 38

Inbouwpakketten

De wisselcabines, familiecabines en de toiletten kleedruimtes/zwemzaal dienen te worden uitgevoerd als geheel vrijhangend in een volkern materiaal met HPL toplaag. De douchecabines personeelsruimte mogen eveneens in volkern/HPL uitgevoerd worden, hoewel daar aandacht voor het voorkomen van spatwater onder de volkern wand naar de naastgelegen kleedruimte. Gebruik van RVS hang- en sluitwerk of bevestigingsmiddelen is niet toegestaan. Wisselcabines dienen voorzien te zijn van zitbanken in volkern/HPL en een dubbele haak t.b.v. ophangen van handdoek of kleding, de verschoonmeubels in de familiecabines mogen geïntegreerd in volkern/HPL uitgevoerd worden. De wisselcabines dienen uitgevoerd te worden als doorloopcabines met een scheiding tussen vuile voeten(schoenen) zone en schone (blote) voetenzone. Bij niet gebruik staan de deuren van de familie- en wisselcabines open en zijn de dubbele haak zichtbaar. Onder ‘semi vrijhangend’ wordt verstaan: zoveel als mogelijk vrijhangend, daar waar ondersteuningspootjes nodig zijn om de stabiliteit te waarborgen is dit toegestaan. De groepskleedruimtes dienen voorzien te zijn van zitbanken en een hakenrail met naar de muur gerichte haken. De zitbanken in de groepskleedruimtes dienen vrijhangend aan de wanden te zijn en voorzien van volkern/HPL zitregels.

Ten behoeve van toegankelijkheid door mensen met een lichamelijke beperking dient een deel van de banken in de groepskleedruimtes verbreed (lees: dieper) uitgevoerd te worden en dient de hakenrail lager geplaatst te worden. Eén van de groepskleedruimtes dient daarnaast voorzien te zijn van een plafond tillift met rail en een zogenoemde 2-punts juk. Elke hoek in de groepskleedruimte dient bereikbaar te zijn. De groepskleedruimtes, toiletruimtes personeel, mindervalide kleedkamers en overige toiletruimtes (centrale hal/horeca/ontmoetingsruimten) mogen niet als inbouwpakket uitgevoerd worden en dienen bouwkundig gerealiseerd te worden (steenachtige/MS-wanden, betegeld). 40

AFWERKINGEN

41

Buitenwandafwerkingen

Tot 450+ vloerniveau (zwemzalen en kleedruimtes) worden steenachtige materialen toegepast. De afwerking van dit gevelmateriaal dient sterk, robuust, vandalismegevoeligheid: laag, onderhoudsvriendelijk en eenvoudig te reinigen zijn. Denk aan schoon werk metselwerk, schoon werk beton, e.d. Ter plaatse van de entreegevel en de uitgang(/ingang) ontmoetingsruimten geldt hetzelfde. Metselwerk en schoonwerk beton dient te worden voorzien van een antigraffiti impregnatie. Afwerkingen van andere buitenwanden dan hierboven genoemd zijn ter keuze aan de ON, met in acht neming van hetgeen genoteerd in paragraaf buitenwandopeningen als (aluminium) puien, vliesgevels, deur- en raamkozijnen etc. zijn uiteraard afgewerkt conform hun specifieke eigenschappen. Vliesgevels, puien en deur- en raamkozijnen tot maaiveldniveau voorzien van geïsoleerde kantplanken, boven maaiveldniveau voorzien van aluminium waterslagen in een geluidgedempte uitvoering met zijschotten. Buitenwanden dienen verder voorzien te zijn van afdekkappen. Eventuele esthetische versieringen ter keuze aan ontwerpende partij van ON.

8

42

Binnenwandafwerkingen

Bij de keuze voor en het ontwerp van binnenwandafwerkingen speciale aandacht voor hetgeen gemeld in paragraaf 2.4. Materialisatie op voorstel van ontwerper van ON, doch met het oog op het bedoelde gebruik. Binnenwandafwerkingen in verkeersruimtes (droog) dienen tot een hoogte van (minimaal) 1,20 m. + vloer afwasbaar en stootvast te zijn. In gangen en in de containerruimte toepassen van smetplanken en hoekbeschermers (buitenhoeken, inclusief dagzijden binnenwandopening). In gangen droge gebieden toepassen van RVS- plinten in gangen natte gebieden toepassen van holplinttegels (zelfde tegels als de ter plaatse toegepaste vloertegels). Holplinttegels, inclusief hulpstukken (binnenhoekjes, buitenhoekjes). (Hol)plinttegels in het wandvlak verwerken. In de containerruimte aanbrengen van aanrijdbeveiliging ter voorkoming van beschadiging kozijnen en wanden door afvalcontainers. Installaties (waterleidingen, mantelbuizen, elektraleidingen, afvoerbuizen) dienen in de wand weggewerkt te zijn, behoudens leidingwerk t.b.v. drukloze boilers (zie 53.2). Tegelwandafwerkingen in toiletten, douches en voorportaal douches tot (minimaal) 5 cm. boven systeemplafonds. Ter plaatse van uitstortgootstenen wandtegels opnemen, breedte minimaal 90 cm. Vanaf plinttegel/vloer tot 5 cm. Boven systeemplafond (of, indien geen systeemplafond: tot 2,60m.

+ vloer Wandtegelwerk in doucheruimtes voorzien van een vochtscherm, inclusief kimafdichting. Wandtegelwerk symmetrisch per wand uitzetten en nooit minder dan een halve tegel gebruiken. Zoveel als mogelijk sanitaire toestellen op hart van tegelwerk plaatsen: rekening houden met hoogte tegelwerk en afmetingen ruimte. Spiegels op tegelmaat vlak en volledig in tegelwerk verlijmen – wastafels derhalve altijd op tegelmaat plaatsen. Wandtegelwerk bassins voorzien van alle benodigde hulpstukken (grijprandtegels, afgeronde hoeken, etc.). De antislip waarde van de tegels dient te voldoen aan de eisen als genoemd in VS 0. Indien schoon werk beton als (binnen)wandafwerking wordt ontworpen, dien deze in natte ruimtes gehydrofobeerd te worden. Indien binnenwanden worden voorzien van sauswerk, dienen de wanden voorbehandeld te zijn (uitgevlakt en voorgestreken). Ten behoeve van beleving gebruik dienen drie wanddelen afgewerkt te worden met een fotoprint: een wand in de horeca, een wand op de tribune en een wand op een nader te bepalen locatie. ON dient rekening te houden met een formaat van (elk) maximaal 14 m². In de zwemzalen dienen akoestisch absorberende wandafwerkingen opgenomen te worden, teneinde de akoestische eisen te behalen. In overige (grote) ruimtes waar akoestische eisen gelden mogen, indien nodig, akoestische panelen toegepast worden om de eisen te behalen. 43

Vloerafwerkingen

Ten behoeve van het realiseren van afschotten (ter plaatse van tegelvloeren) of ten behoeve van het aanbrengen van vloerafwerkingen (toplagen) dienen dekvloeren te worden toegepast. Constructieve dilataties dienen in de dekvloeren én de afwerkingen te worden doorgezet. De dekvloeren dienen voorzien te worden van voldoende dilataties (niet constructief) om werkingen en scheurvorming te voorkomen. Niet constructieve dilataties dienen eveneens in de afwerkingen te worden doorgezet. Dilataties zoveel als mogelijk als dilatatieprofiel toepassen. Dilatatie met kit alleen toegestaan in inwendige hoeken. De overloopgoten van de bassins dienen te worden getegeld en voorzien van roosters (anti-slip, rolrooster), uitgevoerd in de dwarsrichting (korte zijde goot).

9

Afvoer van vuilwater op de perrons en in de kleedruimtes middels vuilwatergoten (lijngoten). Deze dienen voorzien te zijn van deksels/roosters, welke eenvoudig uitgenomen moeten kunnen worden voor onderhoud. De deksels/roosters dienen anti-slip te zijn, conform de omliggende vloeren. Plasvorming op perrons, douches en kleedruimtes (schone voetenzone) mag niet voorkomen. Perronvloeren en vloeren in kleedruimtes (inclusief schoenengang), bergruimtes zwemzaal, toiletruimtes, doucheruimtes, werkkasten, lockerruimtes, EHBO ruimte/overlegruimte badpersoneel (badmeesterspost), keuken, magazijn keuken en opstelruimte koeling/vriezer keuken dienen voorzien van zijn van vloertegelwerk. In de toiletten dient het aantal voegen zo veel als mogelijk beperkt te zijn (zo groot mogelijke tegels of een andere vloerafwerking). Overige ruimtes mogen van een andere vloerafwerking voorzien worden. Toepassing van gietvloeren of troffelvloeren als vloerafwerking is niet toegestaan. Vloertegelwerk bassins voorzien van alle benodigde hulpstukken (grijprandtegels, afgeronde hoeken, etc.). De antislip waarde van de tegels dient te voldoen aan de eisen als genoemd in bijlage 1. Tegelvloeren in bassins, op perrons zwemzalen en in douches dienen voorzien te zijn van een vochtscherm + kimafdichting. Deze vloeren dienen op afschot richting lijnvormige afvoergoten (zie 52 afvoeren).

Tegelvloeren in overige ruimtes dienen voorzien te zijn van afschot richting afvoerputjes (zie 52 afvoeren). Ter plaatse van de hoofdentree dient een gecombineerde schoonloopmat/droogloopmat te worden toegepast. De mat dient te worden samengesteld uit stroken borstelmat en stroken drooglooptapijt. Bijvoorbeeld: Storax ‘Combi classic Borstel’ gecombineerd met ‘Combi classic Heavy’. De schoon-droogloopmat dient verzonken in de vloer opgenomen te worden, zodat de bovenzijde afgewerkt rooster gelijkligt met de dorpels van de entreedeuren/afgewerkte vloer binnen. 44

Trap- en hellingafwerkingen

Stalen trappen technische ruimtes dienen thermisch verzinkt uitgevoerd te zijn. Onafgewerkte betontrappen dienen gehydrofobeerd te worden in natte ruimtes. Betontrappen (schoonwerk) dienen voorzien te worden van schrobranden en ingestorte anti-slip profilering. Trappen dienen voorzien te zijn van markeringen t.b.v. mensen met een visuele beperking. Houten trappen (in overleg, zie 24 Trappen en Hellingen) dienen voorzien te zijn van een slijtvaste afwerking en ingefreesde anti slip rubbers. 45

Plafondafwerkingen

Alle verblijfsruimtes, kleedruimtes, bergruimtes zwembad en sanitaire ruimtes, m.u.v. de zwemzalen dienen voorzien te zijn van plafonds. In de zwemzalen mogen de dakplaten in zicht, doch dienen voldoende maatregelen getroffen te worden om de akoestiek (met name de naglamtijd) te realiseren conform eis. De plafonds in alle ruimtes (behoudens zwemzalen en centrale hal/horeca) dienen minimaal op 2,60 m. + vloer te zijn aangebracht. plafond in centrale hal/horeca dient minimaal op 3,20 m. + vloer aanbracht te zijn; plafond in de zwemzalen, indien toegepast, dienen aangebracht te zijn op basis van de vereiste vrije ruimte, armaturen/installaties, constructiehoogte en bouwfysische voorzieningen. De vrije hoogtes in de zwemzalen bedragen: Wedstrijdbad

KNZB-eis B-accommodatie

Doelgroepenbad

KNZB-eis D-accommodatie

10

Overige bergruimtes, werkkasten en technische ruimtes behoeven niet (maar mogen wel) van een plafond voorzien te zijn. Plenum boven plafonds dienen bereikbaar te zijn voor inspectie en onderhoud. Daar waar geen systeemplafond wordt uitgevoerd, doch een andere (vaste) plafondafwerking, dienen voldoende toegangsluiken gerealiseerd te worden, teneinde het plenum en daarin gelegen installatiedelen te bereiken en te bedienen/onderhouden/controleren. De toegangsluiken hebben een miniumale vrije doorlaat van 580 x 580 mm. In het kader van de NPR9200 inspectie dienen alle draagconstructies in zwemzalen, daarmee direct in verbinding staande ruimtes en ruimtes met dezelfde luchtbehandeling geheel inspecteerbaar te zijn. Boven plafonds of akoestische panelen moet inspectie mogelijk zijn. Plafonds mogen uitgevoerd worden als systeemplafonds met uitneembare panelen m.u.v. het plafond in de centrale hal en de horeca: hier dient een esthetisch beter plafond toegepast te worden, bijvoorbeeld een getimmerd plafond, of een plafond met houten lamellen of dergelijke (ter ontwerp aan ON). Alle plafonds aan de randen voorzien van zwarte kantlatten. Indien plafonds of akoestische maatregelen worden toegepast in de zwemzalen, dienen deze balvast te zijn (waterpolo). (Systeem)Plafonds dienen akoestisch en bouwfysisch te voldoen aan de eisen van de ruimte waar ze worden toegepast.

De plafonds in het wedstrijdbad, dan wel de dakplaten in zich in de betreffende ruimtes dienen voorzien te zijn van een markering in de vorm van een rechte lijn boven de (zwem)banen (ten behoeve van rugslagzwemmen) In de doucheruimte zwemzalen dienen watervaste plafonds (bijvoorbeeld volkern) toegepast te worden. Toe te passen schroeven mogen geen standaard volkern schroeven zijn, maar dienen thermisch verzinkt en gecoat te zijn. RVS schroeven zijn niet toegestaan. 47

Dakafwerkingen

De daken dienen te worden uitgevoerd als ‘warme daken’ uitgevoerd, bij voorkeur met toegevoegd een vegetatiedak (groen dak) met een volgende opbouw (van boven naar beneden: Sedumlaag / plantenlaag; toplaag dakbedekking, geschikt voor een grijswatersysteem (gebruik hemelwater); glasvlieslaag; afschotlaag (isolatie); basisisolatie; dampremmer; dakbeschot/dakplaat. De isolatie en glasvlieslaag dient mechanisch bevestigd te worden aan het dakbeschot/de dakplaten. Indien de dakplaten niet op afschot zijn gelegd, dient de isolatie voorzien te worden van een afschotlaag. Indien de dakplaten in zicht blijven mogen de bevestigingen van de dakisolatie/-bedekking niet zichtbaar zijn. De dampremmer dient in de gevel doorgezet te worden en één geheel te vormen (aansluiting buitenwand/dak). De isolatiewaarde van de dakisolatie dient minimaal 8,0 m²K/W te bedragen. Ter plaatse van brandscheidingen dient de isolatie overeenkomstig de daarvoor geldende eisen te zijn. Indien daken worden uitgevoerd als geprofileerde dakplaat, dienen deze op brandscheidingen, bij thermische scheidingen en bij geluidsscheidingen voorzien te zijn van cannelurevullingen in zowel de boven- als de onder cannelures. Cannelurevullingen dienen te worden gerealiseerd van een voor de eigenschap bedoeld materiaal (vaak een minerale wol) in vorm gemaakt voor de betreffende dakplaat.

Bij brandscheidingen dienen de cannelurevullingen aan beide zijden van de constructie minimaal 500 mm. door te lopen.

11

Dakbedekkingen dienen voorzien te worden van een looppad van rubberen of betonnen drainagetegels (breedte looppad: 0,60 m.) langs alle dakranden op 4,0 meter van de dakrand, dit vormt dan tevens de markering van de veilige zone. Daarnaast dienen de daken voorzien te zijn van valbeveiliging en dient de ON op moment van aanvaarding twee sets vesten behorende bij de valbeveiliging te leveren. Vanaf toegang dak (ladder opsteekpunt laagste dak of toegangsdeur vanaf technische ruimte of verkeersruimte of vanaf dakluik) dient een pad met rubberen of betonnen tegels (totaal 0,60 m. breed) tot aan de randmarkering (looppad rondom) aangebracht te worden. Rondom dakvensters en lichtstraten dient een looppad van rubberen of betonnen drainagetegels te worden toegepast, breed minimaal 0,60 m. Ter plaatse van brandscheidingen betontegels (drainage d.m.v. rubberen oplegplaatjes of drainagetegels) toepassen op de dakbedekking. Rondom technische installaties op de daken dient een looppad van rubberen drainagetegels te worden toegepast (breedte minimaal 0,90 m.). Ter plaatse van PV-installaties geldt dit pad alleen tussen de PV-velden en aan beide kopzijden van de velden. Ladder opsteekpunt: zie par. 26 Daken 48

Afwerkingspakketten

Bij toepassing van cannelurevullingen dienen (onderzijde dakplaat, zichtzijde ruimte) voorgevormde aftimmeringen opgenomen te worden, teneinde de cannelurevulling te beschermen/ niet in zicht te hebben. Bij brandscheidingen deze afwerking toepassen ook als de cannelures niet in zicht zijn. Ten behoeve van diverse afwerkingen dienen de benodigde klein timmerwerken opgenomen worden (koven, omkastingen, architraven, dagkanten, etc.). De detaillering dient zodanig uitgevoerd te worden dat de hoeveelheid klein timmerwerk zo veel als mogelijk beperkt blijft. Timmerwerk mag de algehele kwaliteit of onderhoudsbehoefte van het constructiedeel of afwerking niet verslechteren respectievelijk verhogen. MDF als aftimmermateriaal is niet toegestaan in de zwemzalen, kleedruimtes of bergruimtes. Vloerverwarmingsverdelers in verkeersruimtes of verblijfsruimtes dienen in de wand weggewerkt te zijn. Indien de vloerverwarmingsverdelers in een werkkast of bergruimtes zijn toegepast, dienen deze voorzien te zijn van een bouwkundige omkasting. Houten timmerwerken en omkastingen dienen met een dekkend verfsysteem afgewerkt te worden. Ten behoeve van alle, in deze vraagspecificatie, opgenomen zaken dient rekening gehouden te worden met te realiseren voorzieningen als sparingen, mantelbuizen, etc.

Naast de, voor het werk, benodigde sparingen en mantelbuizen dient ON rekening te houden met de volgende voorzieningen: 60 meter mantelbuis 40 mm in (cementdek)vloer; 15 sparingen maximaal ø50 mm in steenachtig materiaal (waaronder beton); 15 sparingen maximaal ø80 mm in hout materiaal (bijvoorbeeld receptiebalie of bar). Doorvoeringen ten behoeve van installaties of inrichtingen door wanden en vloeren dienen te voldoen aan de eisen voor de betreffende vloeren en wanden ten aanzien van waterdichting, geluidwerendheid, brandwerendheid, etc. Brandwerende doorvoeringen dienen geregistreerd te worden voor toekomstige inspectie/keuring.

12

50

INSTALLATIES WERKTUIGBOUWKUNDIG

50

Algemeen

Werktuigkundige installaties (zowel in technische ruimtes als op daken) dienen goed bereikbaar te zijn voor onderhoud en inspectie. Deuren, toegangsluiken en te inspecteren/onderhouden onderdelen dienen goed en veilig bereikbaar te zijn en onderdelen (verbruiksartikelen) dienen eenvoudig uitgenomen en geplaatst te kunnen worden. Grotere installatiedelen op daken, welke regelmatig gecontroleerd moeten worden of regelmatig bereikbaar moeten zijn (condensor/verdamper warmtepomp, luchtbehandelingskast), dienen bereikbaar te zijn middels een gevelopening vanuit een verkeersruimte of technische ruimte (bereikbaar met een vaste trap). Installatiedelen mogen niet opgehangen worden of (inwendig) voorzien zijn van RVS bevestigingsmiddelen. Toe te passen bevestigingsmiddelen dienen minimaal thermisch verzinkt te zijn (bijvoorbeeld: Würth, Dynaplus, Belplastof) en/of thermische verzinkt én gecoat. Alle W-installaties met elektronische componenten dienen via het Gebouwbeheersysteem gestuurd en gemonitord te kunnen worden (met uitzondering van wastafelkranen, tenzij deze onderdeel uit maken van een Legionella beheerprogramma). Bedienings-/regelkasten t.b.v. service en onderhoud voor installatiedelen op daken dienen inpandig geplaatst te worden en goed bereikbaar, zodat reset of uitlezing niet op het dak hoeft plaats te vinden. Bedienings-/regelkasten (lokaal) t.b.v.

service en onderhoud voor inpandige installaties dienen op goed bereikbare plaatsen geplaatst te worden. Warmteopwekking en Luchtbehandeling berekenen conform VDI-2098 Blatt 1 - Technische Gebäudeausrüstung von Schwimmbädern - Hallenbäder 51

Warmte-opwekking

Op grond van de totale warmtebehoefte van de, door ON te ontwerpen, accommodatie dient de warmteopwekking op de volgende punten bepaald te worden; de totale warmtebehoefte van zwembad te bepalen door ON; uitgegaan dient te worden van een laagtemperatuur warmteopwekking; ON dient primair uit te gaan van een ontvangststation hoog temperatuur warmtenet met een warmtewisselaar t.b.v. het laagtemperatuur traject; de aanvoertemperatuur zal 70°C bedragen en de retourtemperatuur mag minimaal 40°C bedragen; verder dient ON alle voorzieningen op te nemen (constructief, ruimtelijk, regeltechnisch) dat de warmteopwekking middels warmtepompen gerealiseerd wordt (laagtemperatuur); Warmtepompen mogen niet als 4-pijps systeem worden geïnstalleerd: separate warmtepomp en koelinstallatie toepassen. 52

Afvoeren

Droogweerafvoer (DWA) ON dient zorg te dragen voor aansluiting van DWA op het (openbaar) riool. Door ON dient vóór aansluiting op het openbaar riool een inspectieput te worden opgenomen in het leidingwerk met een inwendige diameter van 800 mm. En een mangat van 600 mm, voorzien van een gietijzeren putdeksel. Mangat dient opgemetseld te zijn tot bovenzijde straatwerk. Leidingwerk t.b.v. de DWA aansluiting mag niet uitgevoerd worden in PVC, doch dient in PP uitgevoerd te worden (aansluiting op PVC uitlegger). Voor het verwijderen van (afval)water in de kelders/technische ruimtes dienen vuilwaterputten opgenomen te worden, voorzien van dompelpompen. De dompelpompen dienen dubbel uitgevoerd te worden en de vloer dient van een ‘water op de vloer’ alarm te zijn voorzien. Ruimtes met tegelvloeren dienen voorzien te zijn van vloerputten. Toe te passen vloerputten dienen voorzien te zijn van uitneembare emmers/klokken en vastschroefbare deksels.

13

In werkkasten/bergruimtes waar schoonmaakmaterieel wordt geplaatst (schrob-/zuigmachine) dient een afvoer ø 75 mm. voorzien van een schroefdeksel voorzien te zijn t.b.v. het legen van de afvalwatertank van de schrobzuigmachine. Deze afvoer dient circa 15 cm. Boven de afgewerkte vloer uit te steken circa 15 cm uit de wand (deze leiding is dus opbouw, in tegenstelling tot de algemene eis van inbouw). Ten behoeve van de bar dient een afvoer ø 50mm. voorzien te worden voor afvoer van de glazenspoelbak, een afvoer van ø 40 mm ten behoeve van een ijsblokjesmachine, een afvoer van ø 50 mm ten behoeve van een koffie apparaat en een ø50 mm ten behoeve van een nader te bepalen afvoerend apparaat. In de keuken dienen voldoende afvoeren opgenomen te worden voor de afvoer van handenwastafel, schrobwater, afwaswater (doorschuif vaatwasmachine), wasmachine, condensor wasdroger. Afvoeren van keuken dienen in PE uitgevoerd te worden. De split unit in de serverruimte dient voorzien te zijn van een afvoer. De Anolyt afvoer van de zoutelektrolyse dient op het hoofdriool (afvoer) aangesloten te worden, nét voor deze het pand verlaat. Hemelwaterafvoer (HWA) Regenwater dient primair opgevangen te worden en hergebruikt voor toiletspoelen en/of beregening groenvoorzieningen. Dit dient minimaal 36 mm (bui 10 Rioned) te bedragen, doch bij voorkeur meer.

Overtollig regenwater dient (vertraagd) afgevoerd te worden middels infiltratie in de bodem in de openbare ruimte. Van het verhard oppervlak, in te ontwikkelen gebied, dient 60 mm regenwater opgevangen te worden en te infiltreren in de bodem. 53

Water

53.1/2

Drinkwater/verwarmd tapwater

De, door ON aan te (laten) leggen watermeter (NUTS) dient te worden voorzien van een betrouwbare, digitale meter, welke in principe correct registreert, bijvoorbeeld MOD-Bus meter: een pulse meter is niet toegestaan. Indien de watermeter niet geleverd kan worden met een dergelijke meter dient een extra meter te worden geplaatst in serie met de hoofdwatermeter welke wel is uitgerust met een correcte meter. De druk in de (drink)waterleiding dient gedurende het gebruik en in relatie tot het gebruik voldoende hoog te blijven. Ook de brandslanghaspels dienen voldoende druk te hebben. Indien noodzakelijk dient een drukverhogingsinstallatie te worden toegepast (hydrofoor). Vanaf de hoofdwatermeter dient een verdeler te worden opgenomen, welke de verschillende groepen voedt. De gehele installatie dient legionella vrij opgeleverd te worden en dient eenvoudig beheerd te kunnen worden zonder dat de kans op een Legionella besmetting vergroot. ON dient een Legionella risico inventarisatie en beheersplan van de aan te leggen installatie vooraf af te stemmen met OG en de beheersactiviteiten in beeld te brengen. De douche installatie dient voorzien te zijn van een automatisch spoelsysteem, waarbij zowel de heetwater (toevoer) als de koudwater (toevoer) automatisch gespoeld worden en de douches (op insteltijden volgens beheersplan) thermisch gespoeld worden.

Indien de wetgeving deze mogelijkheid biedt, mogen separate groep(en) - ter keuze aan de ON – buiten de Legionella scope gehouden worden door deze afgescheiden worden van de overige drinkwaterinstallaties middels een daartoe goedgekeurde terugslagklep. Denk hierbij aan brandslanghaspels. ON dient zorg te dragen dat het ontwerp en de realisatie van de drinkwaterinstallatie zo min mogelijk kans op een Legionella besmetting heeft. Primair betekent dit dat alle koud waterleidingen (watertemperatuur <15°C) geïsoleerd uitgevoerd moeten worden. Indien nodig dienen koud waterleidingen (bijvoorbeeld waar deze door warme ruimtes lopen of relatief lang stil kunnen

14

staan en daardoor opwarmen) doorgelust aangesloten te worden en (bijvoorbeeld) te eindigen op een permanente verbruiker (suppletiewater WZ-installaties) of bijvoorbeeld circulerend aangesloten te worden over een koelbatterij. Ten behoeve van de zoutelektrolyse en de vaatwasser (keuken) dienen wateronthardingsinstallaties opgenomen te worden. Een wateronthardingsinstallatie t.b.v. een koffie apparaat zal door de leverancier van het koffie apparaat verzorgd worden (buiten levering ON). ON dient de nodige tappunten op te nemen voor alle voorzieningen en installaties als opgenomen in deze vraagspecificatie. Zo ook kranen voor spoelbak in bar, koffie apparaat bar, warme dranken apparaat bar, koffie apparaat ontmoetingsruimten, koffieapparaat personeelsruimte, wasmachine, etc. Ten behoeve van kranen op wastafels, in meubels verwerkt, etc. dienen onder het werkblad/de wastafel hoekstopkranen toegepast te worden. In de drinkwaterinstallatie dienen, op de daartoe benodigde plaatsen, controleerbare terugslagkleppen te worden toegepast. Voor zover gebruikersinstallaties deze benodigd hebben, dienen deze ín de drinkwaterinstallatie opgenomen te worden (direct vóór het tappunt).

In ieder geval dient, ten aanzien van gebruikersinstallaties rekening gehouden te worden met: koffiezetapparaat (horeca); koffiezetapparaat (ontmoetingsruimte 1); koffiezetapparaat (ontmoetingsruimte 2); koffiezetapparaat (kantine personeel); waterontharder keuken (ontmoetingsruimten). Ten behoeve van de schoonmaak van (tegel)vloeren dienen voldoende koud water tappunten opgenomen worden in zwemzalen, douches zwemzalen en kleedruimtes zwemzalen, zó dat de slanglengte van het schoonmaakmaterieel (door exploitant te verzorgen) maximaal 15 meter bedraagt. In werkkasten dienen tappunten (koud- en warmwater) opgenomen te worden voor uitstortgootstenen. Decentrale warmwaterbereiding mag, zeer incidenteel door middel van close-up of close-in boilers. Close-up boilers mogen in werkkasten opbouw zijn. Deze als drukloos uitvoeren, voorzien van drukloos armatuur. Het leidingwerk naar en van de boiler en het armatuur (kraan) mag opbouw zijn (verchroomd). In de buitenruimte dienen 2 (koud water) tappunt opgenomen te worden t.b.v. onderhoud groenvoorzieningen: één stuks aangesloten op het koud water net, voorzien van een sleutelkraan, terugslagklep (controleerbaar) met ¾” aansluiting en de aanduiding ‘drinkwater’ en één stuks aangesloten op de hemelwaterkelder, voorzien van drukinstallatie, sleutelbediende kraan ¾” met de aanduiding: ‘grijswater, géén drinkwater’.

ON dient uit te gaan van een warmtepompboiler (primair) met kathodische bescherming, eventueel aangevuld met (secundair) heatpipes, (eventueel) in combinatie met elektrische boiler(s) (of andere systemen), ter keuze ON, om het water door te verwarmen of de installatie te pasteuriseren. Periodieke thermische spoeling (volgens beheersplan) van douches dient mogelijk te zijn. Warmwaterbereiding (centraal) gaat mogelijk in de toekomst plaats vinden middels een warmtenet of warmte/koude opslag. ON dient uit te gaan van een toekomstige warmteoverdracht middels een separate warmtewisselaar (hoog temperatuur/hoog temperatuur), parallel aan de warmtewisselaar (HT/LT) voor de warmtebereiding. 53.3/5

Bedrijfswater/Waterbehandeling

Algemeen De waterbehandelingsinstallatie dient onderverdeeld te worden in twee verschillende systemen, met eigen circulatie, filtratie, temperatuur en behandeling. De twee systemen zijn: wedstrijdbad; 15

doelgroepenbad. De wetgeving ten aanzien van zwembaden is per 1 januari 2024 drastisch gewijzigd: van een middelenwetgeving is het een doelwetgeving geworden. De installatie dient zó ontworpen te worden dat de vereiste parameters volgende de wetgeving behaald worden. Het is aan ON vrij om te bepalen hoe dit bereikt wordt. Desalniettemin zal OG richting zoeken in de voorgaande wetgeving ten aanzien van, met name, de rondpomp- en filtercapaciteit (WHVBZ/BHVBZ). Circulatie De rondpompcapaciteit dient door ON bepaald te worden. De voorgaande wetgeving dient daarbij als leidraad gevolgd te worden, tenzij ON aannemelijk kan maken hier sterk van af te wijken. Toe te passen pompen dienen minimaal IE-klasse 5 motoren te hebben (IE5). De huidige wetgeving baseert de rondpomp- en filtercapaciteit op inhoud en waterdiepte (waarbij een turnovertijd wordt bepaald) óf op basis van bezoekersaantallen (gemiddeld aantal bezoekers per uur over de openstellingsperiode). Circulatie dient te geschieden middels centrifugaalpompen. Pompen met ingebouwde haarvangers zijn niet toegestaan, danwel mogen wel toegepast worden, maar zonder gebruik te maken van de ingebouwde haarvangfunctie. De pompen dienen voorzien te zijn van toerenregeling.

In de nachtsituatie dient nachtverlaging toegepast te worden, waarbij de circulatie beperkt wordt en niet over de overloopgoten gevoerd wordt, maar via een compensatieklep circuleert. Filtratie Het is aan ON te kiezen voor trommelfilters vóór de bufferkelders. Vanuit OG ligt hier geen verplichting. Indien trommelfilters worden toegepast behoeven geen haarvangers toegepast te worden voor de circulatiepompen, anders toepassen van kunststof of RVS haarvangers met transparant acrylaat deksel. Circulatie bij voorkeur in full flow over de filters, hiervan mag afgeweken worden indien een bypass een UV-installatie in full flow wordt toegepast. Zwemwater mag niet in circulatie zonder gefilterd of door UV-licht bestraald te zijn. De filters dienen uitgevoerd te worden als gesloten kunststof (druk)filters. Toepassing van biflow filters of (merk:) Technol is niet toegestaan. Het is aan ON vrij te kiezen voor zandfilters, meerlaags filters of glasparelfilters. Filters dienen uitneembaar uit het gebouw te zijn: dienen onder een afneembaar dak geplaatst te worden, of de technische ruimte in de kelder dient voorzien te zijn van een gevelopening zodat filters vervangen kunnen worden. De filters dienen semi-automatisch bediend te worden. Dit betekent dat het spoelproces, nafiltratieproces en terug naar normaal proces automatisch worden gestuurd, maar de commando’s ter plaatse gegeven worden.

De benodigde tijd voor het spoelproces en het nafiltratieproces dient door ON ingesteld te worden, doch door bediener van de installaties dient het vroegtijdig gestopt te kunnen worden om het nafiltratieproces te starten. De zandfilters bestaan elk uit: filtertank voorzien van doppenbodem (of strainers); corrosie bestendig verdeel systeem mangat van minimaal Ø450 mm inspectieluik/vulopening bovenin de filtertank, eventueel gecombineerd met mangat; automatische ontluchting;

16

transparante kijkglazen onder het bovenste verdeelsysteem en direct boven het ongefluïdiseerde filterbed, zodat een deel van het kijkglas vrij blijft tijdens expansie van het zandbed. Kijkglazen tegenover elkaar plaatsen verlichting bij één van de kijkglazen t.b.v. beschijnen filteroppervlak; teneinde de volgende zaken goed te kunnen waarnemen c.q. te beoordelen en te controleren: een compleet filterfront bestaande uit PVC leidingwerk, voorzien van de benodigde pneumatisch bediende vlinderkleppen, manometers, aftap, monsterwaterkranen, etc. vlinderkleppen dienen van het merk Wouter Witzel te zijn. Vlokmiddeldosering Ten behoeve van het afvlokken/coaguleren van fijne vervuiling in het filter dient per systeem vóór de filters een vlokmiddelinstallatie te worden toegepast. Natriumbicarbonaatdosering Een belangrijke parameter is het bicarbonaat gehalte. Een doseerinstallatie natriumbicarbonaat, van voldoende grootte voor de drie systemen dient te worden opgenomen. De opslag toepassen met een dubbele tank: een oplosvat (zonder roerwerk) en een overloopvat. Desinfectie en pH-correctie Voor de desinfectie/ oxidatie en pH-correctie van het zwemwater van de twee systemen dient een zoutelektrolyse installatie (ZEI) van het fabricaat Van den Heuvel Watertechnologie, type “Chlorinsitu® -V of gelijkwaardig te worden toegepast.

De zoutelektrolyse dient in een separate, goed geventileerde, ruimte opgesteld te zijn. Deze ruimte dient vanaf buiten direct bereikbaar te zijn. De zoutopslag dient in een bulkvat plaats te vinden. Het bulkvat mag in de techniekruimte kelder worden toegepast, doch dient in een separate afgesloten ruimte opgesteld te worden om bij calamiteiten (overdruk tijdens vullen) zoutschade te voorkomen. De overdruk moet weg kunnen vloeien middels een opening naar buiten (bouwkundige ontlasting). De Natronloog dient opgevangen te worden en op gezette tijden geloosd, gelijktijdig met het spoelproces van de filters, hiermee wordt de natronloog al grotendeels geneutraliseerd. De afvoerleiding dient geplaatst te worden op de hoofd afvoerbuis, nét voor deze het pand verlaat. UV-installatie Ter afdoding van bacteriën (o.a. cryptosporidium) en om het gebonden chloor te reduceren dient per systeem een UV-installatie in full flow geplaatst te worden. De installaties uitvoeren met een stappenregeling en op tijdprogramma. Chloor- en pH regeling Voor de vrijchloor- en pH-regeling van de systemen, dient per systeem een microprocessor gestuurd meet- en regelsysteem, bestaande uit een chloor- en pH-regelaar, een doorstroomarmatuur, een vrijchloormeetcel en een pH-elektrode, te worden geïnstalleerd, bij voorkeur van het merk Küntze..

Warmtewisselaars Ten behoeve van het opwarmen van het zwemwater dienen zwemwaterbestendige warmtewisselaars toegepast te worden. Ter keuze aan ON deze in full stream of in bypass te plaatsen (o.a. afhankelijk van temperatuurtraject warmteopwekking). De watertemperaturen zijn omschreven in paragraaf 2.6.1.3 Zwemwatermonitoring Voor het meten en registreren van de waterkwaliteit van alle bassins/systemen dient een geautomatiseerd monitoringssysteem geleverd en geïnstalleerd te worden. Doel van deze installatie is de handmetingen te vervangen. Het monitoringssysteem, bij voorkeur van het merk Swan, dient gekoppeld te worden aan het GBS en te worden uitgerust met een alarmeringssysteem.

17

In overleg met het bevoegd gezag dient de installatie in bedrijf gesteld te worden en de risico inventarisatie (door exploitant) aangepast te worden. In overleg met en met toestemming van het bevoegd gezag kunnen de aanzuigpunten, leidingwerk en meetwaterpomp van de monitoring worden gecombineerd met de automatisering. Indien geen toestemming, zal dit separaat uitgevoerd moeten worden. Leidingwerk Het leidingwerk dient uitgevoerd te worden in PVC en dient te voldoen aan drukklasse 8 bar (perszijde). Vrijverval leidingen mogen aan een lagere drukklasse voldoen. Roosters Het geconditioneerde zwemwater wordt bij alle bassins via invoerroosters in de bouwkundige en/of beweegbare bodem ingevoerd en 100% via overloopgoten afgevoerd. De invoerroosters dienen voorzien te zijn van tegelflenzen en uitgevoerd in slagvast kunststof op tegelmaat. De inblaasroosters dienen inregelbare openingen met een maximale opening van 8 mm te hebben. Onder water mogen geen afzuigroosters (circulatie) worden toegepast, anders dan onder de beweegbare bodems (compensatieklep). Afzuigroosters t.b.v. monitoring of automatisering mogen worden toegepast, mits voorzien van een vacuümbeveiliging en hoog geplaatst (max. 300 mm onder de waterspiegel).

Buffervoorzieningen Voor het opvangen van de circulatie, verdringingswater en golfbewegingen via de overloopgoten van de baden, alsmede voor het bufferen van een voorraad water voor het spoelen van de filters dient, per systeem, een bufferkelder van voldoende grootte opgenomen te worden. De grootte dient gebaseerd te zijn op netto inhoud (inhoud onder onverlopen, inlaten, etc) en dient aangetoond te worden. Ten behoeve van de opslag van spoelwater van de filters en afvalwater van de douches dient een afvalwaterkelder van voldoende grootte opgenomen te worden. Doel van deze afvalwaterkelder is terugwinning van warmte en gedoseerd lozen van afvalwater op het riool. Ten behoeve van de grijswaterinstallatie dient een bufferkelder opgenomen te worden waar hemelwater wordt verzameld (zie verder 52 Afvoeren). Niveaumeetinrichting De buffers, de spoelwaterbuffer en de hemelwaterbuffer dienen voorzien te zijn van een niveaumeetinrichting ten behoeve van het meten en regelen van de niveaus van het systeem (inschakelen suppletie, laagwaterbeveiliging (drooglopen pompen), etc. De niveaumeetinrichting uitvoeren met druksensoren en visuele waarneming buiten de buffer/tank. Suppletievoorziening Ten behoeve van het op niveau houden van het waterniveau in de buffers en verversing van het water (na spoeling of wateruitloop door bezoekers) dienen suppletievoorzieningen opgenomen te worden.

De suppletie dient plaats te vinden (conform huidige wetgeving) in de bufferkelders en niet rechtstreeks in de circulatieleiding of het bassin. De suppletievoorziening van elk systeem dient te zijn voorzien van een (tussen)watermeter met modbus aansluiting (geen pulsteller) en aangesloten op het GBS (energiemonitoring). Appendages De nodige appendages dienen toegepast te worden, teneinde het proces goed te laten verlopen (terugslagkleppen, manometers, thermometers, flowmeters, afsluiters, aftapvoorzieningen, ontluchtingen, etc.) 53.4

Grijswatercircuit

Ten behoeve van waterbesparing wordt het hemelwater opgevangen (zie 52 Afvoeren). Dit water wordt hergebruikt voor toiletspoelen en/of beregening groenvoorzieningen.

18

Hiertoe dienen de benodigde installaties te worden toegepast, waaronder (niet limitatief) filterinstallatie afvangen grove vervuiling, drukverhogingsinstallatie/pomp, leidingwerk (separaat materiaal van drinkwaterleiding), aanduiding op leidingen ‘geen drinkwater’, distributie naar toiletten/urinoirs en tappunt groenvoorzieningen, aanduidingen ‘geen drinkwater’ bij tappunt groenvoorziening en ‘dit toilet/urinoir wordt gespoeld met regenwater’. De installatie dient voorzien te worden van een driewegklep óf suppletievoorziening op de hemelwaterbuffer (afhankelijk van wetgeving) om, bij een lage bufferstand, water te kunnen suppleren, teneinde de toiletten/urinoirs te kunnen spoelen. 54

Gassen

Persluchtinstallaties Ten behoeve van pneumatische installaties en recreatieve elementen dienen schroefcompressoren te worden toegepast, inclusief toebehoren. De schroefcompressor(en) dienen op de persluchtketel te worden gemonteerd. De persluchtketel dient vervaardigd te zijn conform Europese norm (CE) 87/404. De schroefcompressoren dienen van een geluidwerende omkasting voorzien te zijn. De schroefcompressoren dienen voorzien te zijn van een ontvochtigingsinstallatie. Op het perronniveau dient een aansluiting te zijn (snelkoppeling) voor de perslucht (recreatieve elementen). 55

Koude-opwekking en distributie

Ten behoeve van het welzijn in de horeca, kantoren, personeelsruimtes en ontmoetingsruimten dienen deze ruimtes gekoeld te worden bij hogere buitentemperaturen. Hiertoe dienen separate koelmachine(s) opgenomen te worden (geen combinatie met warmtepompen) met koude batterij op de luchtbehandelingskasten. Ook als er geen warmtevraag is, dienen ruimtes te (kunnen) worden gekoeld, het betreft de volgende ruimtes: centrale hal en horeca ontmoetingsruimte 1 ontmoetingsruimte 2 kantoren / personeelsruimte serverruimte Buiten het stookseizoen bij een daggemiddelde buitentemperatuur van minimaal 10 °C en maximaal 30 °C is de operatieve temperatuur binnen maximaal 25 °C Eventueel aanwezige actieve componenten voor koeling en/of buitenzonweringsvoorzieningen zijn op vertrekniveau handmatig na te regelen. In het eerste geval met een bandbreedte van minimaal 2 °C rond een standaardsetpoint van 24,5 °C. Met de bedienunit is de temperatuur met voldoende 'snelheid' te beïnvloeden: temperatuureffect minimaal 1 °C per half uur na verstelling. Indien sprake is van verificatie mbv temperatuur-overschrijdingsberekeningen dan dient referentiejaar RA2008T1 (NEN 5060) aangehouden te worden (overschrijdingskans 1%).

De koude distributie (transport van medium) dient plaats te vinden middels energiezuinige circulatiepompen met frequentieregeling, welke actief geschakeld worden, afhankelijk van warmtevraag. Een separate koude verdeler dient te worden toegepast. De luchtbehandelingskasten welke de ruimtes ventileren uit bovenstaande tabel dienen te worden voorzien van een koelbatterij. Daar waar nodig dienen op ruimteniveau naverwarmers/koelers te worden toegepast. De serverruimte dient/mag voorzien worden van een separate splitunit. De serverruimte dient voorzien te zijn van een separate koeling middels een spli-unit. Deze dient goed toegankelijk te zijn en mag niet boven de elektronica hangen (19”kast, wandcontactdozen, servers, routers, etc.).

19

56

Warmtedistributie

In het kader van toekomstige flexibiliteit dient te worden uitgegaan van een laag temperatuur warmtedistributie. Het uitgangspunt ten aanzien van de warmteopwekking is een hoog temperatuur warmtenet. De voorzieningen t.b.v. dit warmtenet, inclusief de warmtewisselaar van hoog naar laag temperatuur behoort tot de werkzaamheden van ON. De warmtedistributie zal voornamelijk geschieden middels luchtverwarming, aangevuld met stralingswarmte. De stralingswarmte dient te worden gerealiseerd middels vloerverwarming, eventueel aangevuld met wandverwarming. Stralingswarmte toepassen in de ruimtes volgens onderstaande tabel. De warmtedistributie (transport van medium) dient plaats te vinden middels energiezuinige circulatiepompen met frequentieregeling, welke actief geschakeld worden, afhankelijk van warmtevraag. Vloer-(/Wand)verwarmingsverdelers in nissen plaatsen of weggewerkt in een wand. De verwarming ten behoeve van de zwemwaterbehandeling zal middels zwemwaterbestendige TSA’s in fullstream plaats moeten vinden. De grootte en capaciteit van de TSA’s dient te worden uitgelegd op het volledige rondpompdebiet (full flow). Voor de onderstaande ruimtes geldt dat de operatieve temperatuur binnen (combinatie van de luchttemperatuur en stralingstemperatuur) in het stookseizoen (bij een daggemiddelde buitentemperatuur van minimaal -10 °C en maximaal 10 °C) minimaal 20 °C bedraagt.

centrale hal en horeca ontmoetingsruimte 1 ontmoetingsruimte 2 kantoren / personeelsruimte kleedruimten personeel serverruimte Actieve componenten voor verwarming zijn in het stookseizoen op vertrekniveau handmatig na te regelen met min. +/- 2 °C rond een standaardsetpoint van 21 °C. Met de bedienunit is de temperatuur met voldoende 'snelheid' te beïnvloeden: temperatuureffect minimaal 1 °C per half uur na verstelling. Daar waar nodig dienen op ruimteniveau naverwarmers te worden toegepast. Daar waar sprake is van een grotere werkplek administratieve (kantoor) werkzaamheden (bijvoorbeeld receptiebalie) of open kantoorruimten is lokale handmatige naregeling mogelijk met behulp van een microklimatiseringssysteem (bv verwarmde stoel of een in het bureaublad geïntegreerd verwarmingssysteem). 57

Luchtbehandeling

Voor de verschillende (temperatuur- en gebruiks) zones dienen afzonderlijke luchtbehandelingskasten opgenomen te worden ten behoeve van luchtverversing, luchtverwarming en warmteterugwinning, minimaal als volgt: Nr.

Omschrijving zone

LBK 01

Wedstrijdbad

LBK 02

Doelgroepenbad

LBK 03

Kleedruimtes en douches zwemzalen

LBK 04

Horeca, Personeels- en ontmoetingsruimten

De luchtbehandeling mag niet als BA-OPT systeem uitgevoerd worden.

20

Luchtbehandelingskasten t.b.v. zwemzalen dienen uitgevoerd te worden in een zwembadbestendige uitvoering, bij voorkeur met een kunststof behuizing. Ventilatoren dienen als direct drive gelijkstroommotoren uitgevoerd te worden. Warmteterugwinning dient plaats te vinden middels een kruisstroomwisselaar of warmtewiel. In de zwemzalen en kleedruimtes moet een kruisstroomwisselaar toegepast worden, ten behoeve van de algemene ruimtes mag een warmtewiel toegepast worden. Dakkappen uitvoeren in aluminium, gemoffeld in kleur. Dakkappen dienen van de dakrand verwijderd te zijn, de afstand tot de dakrand dient minimaal de hoogte van de dakkap te zijn (gemeten vanaf dakvlak tot bovenzijde dakkap). Ten behoeve van de afvoer van kooklucht (frituur, oven) dient een afzuigkap te worden toegepast. Deze dient uitgevoerd te worden als inductiekap, met eigen toevoer en separate afvoer. Indien de afvoer wordt voorzien worden van een warmteterugwinningsinstallatie behoeft de afzuigkap niet voorzien te worden van een inductiefunctie en mag de toevoerlucht LBK horeca/algemeen gebruikt worden (zie verder 58 regeling klimaat en sanitair). 58

Regeling klimaat en sanitair

Voor de regeling, de bewaking, de optimalisatie en de registratie van de werktuigkundige- en waterbehandelingsinstallaties dien een regelinstallatie te worden geïnstalleerd in de diverse regelkasten. De regelinstallatie dient te worden gekoppeld aan een gebouwbeheersysteem (zie 68 Gebouwbeheersysteem). Softwarematig dienen de gewenste regelingen, sturingen en dergelijke in de onderstations georganiseerd te zijn. Ten behoeve van de regeling, sturing en monitoring dient een regeltechnische omschrijving opgesteld te worden (ontwerpfase). Diverse regelkasten/onderstations verzorgen de regeling van de afzonderlijke disciplines. De regeling vindt in principe centraal plaats, met uitzondering van ruimte naregeling (o.a. kantoren, personeelsruimtes en ontmoetingsruimten). De vuilwaterputten voorzien van alarmering; Alle regel- en bedieningskasten voorzien van inwendige verlichting en verlichting uitwendig voor de kastdeur. Alle regel- en bedieningskasten voorzien van twee stuks ingebouwde wandcontactdozen t.b.v. aansluiting onderhoudsgereedschap (laptop, elektrisch gereedschap, etc.) De luchtbehandeling wordt geregeld op basis van de volgende parameters of een combinatie hiervan: temperatuur; luchtvochtigheid; CO2 (kantoren) druk. De temperatuur van verblijfsruimtes (m.u.v. zwemzalen en kleedruimtes) kan op ruimteniveau na-geregeld worden.

De regeling van de luchtbehandelingskast voor de gebouwdelen welke een koelbehoefte hebben (zie 55 Koude opwekking en –distributie) dient te worden voorzien van zomernachtventilatie waarmee gekoeld kan worden als de buitentemperatuur voldoende is gedaald ten opzichte van de ruimtetemperatuur. Hierdoor behoeft minder gekoeld te worden en is aan het begin van de dag de ruimte koel zonder gebruik te maken van extra energie voor de warmtepomp. 60

INSTALLATIES ELEKTROTECHNISCH

61

Centrale elektrotechnische voorzieningen

Algemeen Elektrotechnische installaties, zoals verdeelkasten, bedienkasten, componenten en kabeltracés dienen goed bereikbaar te zijn voor onderhoud en inspectie. Deuren, toegangsluiken en te inspecteren/onderhouden onderdelen dienen goed en veilig bereikbaar te zijn en onderdelen (verbruiksartikelen) dienen eenvoudig uitgenomen en geplaatst te kunnen worden. Verdeelkasten dienen toegankelijk en bereikbaar te zijn en voor de toegangsdeur/-luik dient voldoende vrije ruimte te zijn 21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14198669/1