2. Bijlage 1: Richtlijn Programmabegroting 2024-2028
Tekst van het document
Concept Richtlijn Programmabegroting 2024 - 2028 [Ondertitel] 28 maart 2023 Afdeling Concerncontrol [Afdeling]
Inhoudsopgave 1.
Richtlijn Programmabegroting 2024 - 2028
3
1.1 Indexatie
3
1.2 Formatie en loonsom
5
1.3 Huren
5
1.4 investeringen en kapitaallasten
6
1.5 Grexen
6
1.6 Kostenverdeling
6
1.7 Raming Algemene Uitkering
7
1.8 Vennootschapsbelasting
7
1.9 Weerstandsvermogen
7
2
1.
Richtlijn Programmabegroting 2024 - 2028 De richtlijnen voor het opstellen van de begroting wijken in basis niet af van voorgaande jaren. Voor indexaties van lonen en prijzen is gebruik gemaakt van de op 9 maart 2023 gepubliceerde cijfers van het Centraal Economisch Planbureau. Op basis van deze uitgangspunten wordt de begroting opgesteld. De financiële consequenties die als gevolg van de verwerking ontstaan, worden verwerkt in het financieel kader van de Kadernota 2024, waarbij het uitgangspunt wordt gehanteerd dat we hiervoor 1 op 1 worden gecompenseerd door het Rijk middels de Meicirculaire 2023. De Meicirculaire is bij het opstellen van de Kadernota 2024 nog niet beschikbaar. Dit betekent dat eventuele verschillen tussen de Meicirculaire en de financiële consequenties als gehanteerd bij de Kadernota 2024 worden verwerk in de Programmabegroting 2024.
1.1 Indexatie Voorgestelde beleidslijn; -Indexatie is generiek en vindt plaats op primaire begrotingsbudgetten obv voorgestelde indices, waarbij geen maatwerk wordt geleverd, ook niet als dit is vastgelegd in contracten/overeenkomsten. De hieruit voortvloeiende verschillen dienen opgevangen te worden binnen het beleidsveld cq. dient middels een onderbouwd voorstel ter besluitvorming te worden aangeboden middels de P&C cyclus wanneer dit niet mogelijk is. Zie voor Gemeenschappelijke regelingen Bijlage 1. -Conform staand beleid vindt geen nacalculatie plaats op indexeringen (met uitzondering van lonen binnen de gemeentelijke organisatie waarbij de cao wordt gevolg). Er is daarmee een (structureel) risico dat de gemeente op onderdelen in 2024 hogere kosten heeft dan begroot, gegeven de verschillen in 2022 tussen geraamde inflatie en werkelijke inflatie en de mogelijke verschillen tussen geraamde inflatie 2023 en werkelijke inflatie. De eventuele hieruit voortvloeiende tekorten dienen opgevangen te worden binnen het beleidsveld cq. dient middels een onderbouwd voorstel ter besluitvorming worden aangeboden middels de P&C cyclus wanneer dit niet mogelijk is. -Budgetten waar lastenverhogingen van de gemeente tegenover staan (verhoging OZB bijvoorbeeld) worden daarvoor gecompenseerd. Het betreft budgetten van o.m. vastgoed en onderwijs.
Voorgesteld wordt de begroting 2024 te actualiseren naar loon-en prijspeil 2024 adv onderstaande percentages: Omschrijving 1. Loonontwikkelingen 2. Materiele uitgaven 3. Subsidies 4. Langlopende rente nieuwe leningen 5. Renteomslag 6. Belastingen en overige eigen inkomsten 7. Bijdrage Zandvoort
2023 3,5% 2,2% 3,1% 1,5% 1% 2,2% 3,5%
2023* 4,5% 3,8% 2,5% 4,5%
2024 5,2% 3,9% 4,8% 4% 1% 3,9% 5,2%
3
*Bij de Kadernota 2023 is het % voor materiele uitgaven naar boven bijgesteld. Dit werkte door in het gehanteerde % 2023 voor subsidies en belastingen en overige eigen inkomsten. Gezien de in 2022 oplopende rente is ook het gehanteerde % voor de lange rente 2023 bij de Programmabegroting 2023-2027 naar boven bijgesteld. 1. Loonontwikkelingen obv Loonvoet sector overheid, 5,2% 2. Materiele uitgaven obv prijs materiele overheidsconsumptie (imoc %), 3,9% 3. Subsidies personele component obv Loonvoet sector overheid, 5,2% materiele component obv Prijs materieel overheidsconsumptie, 3,9% Berekening is als volgt: lonen 5,2% x 0,7 en materieel 3,9% x 0,3 = afgerond 4,8%. In het coalitieakkoord is opgenomen om alle subsidies, ook <45k te indexeren. Subsidies worden conform bestaand beleid gecompenseerd via bovengenoemd gewogen percentage van 4,8%. Er vindt geen verrekening plaats op basis van de werkelijke materiële en loonkosten. De verzelfstandigde organisaties vallen onder het regime van de subsidies. Individuele organisaties en instellingen die subsidies ontvangen kunnen geen rechten ontlenen aan deze wijze van berekenen. 4. Langlopende rente nieuwe leningen 4% 5. Renteomslag De rente-omslag wordt voor de begroting in een later stadium nog herberekend. De verwachting is dat de omslagrente gelijk blijft ten opzichte van vorig jaar, 1%. 6.
Belastingen en overige eigen inkomsten obv prijs materiele overheidsconsumptie (imoc %), 3,9% Voor de belastingen en algemene baten (huren, pachten etc.) wordt het inflatiepercentage aangehouden dat gelijk is aan die van de materiële kostencompensatie, door het CPB geraamd op 3,9%. Daarbij worden de baten geïndexeerd, waarbij de volgende uitzonderingen gelden: -Huren, pachten en leges worden verhoogd voor zover juridisch toegestaan (contracten, wetgeving, maximum rijkstarieven); -Afval-en rioolheffing worden niet geïndexeerd. De baten worden i.v.m. 100% kostendekkendheid berekend aan de hand van de ontwikkeling van de lasten (per saldo budgettair-neutraal). Voorstellen tot afwijking van dit uitgangspunt worden expliciet en onderbouwd ter besluitvorming aangeboden. 7. Bijdrage Zandvoort Voor de bepaling van de hoogte van het indexeringspercentage is in artikel 9 lid 4 van het Dienstverleningshandvest met de gemeente Zandvoort het volgende opgenomen: “Op de financiële vergoeding zoals genoemd in het eerste lid en de efficiencykorting zoals genoemd in het tweede en 4 derde lid wordt vanaf 2018 een jaarlijkse indexering toegepast op basis van indexatie van het Centraal Planbureau (CPB)”. Aangezien het merendeel van de bijdrage bestaat uit een vergoeding voor loonkosten is afgesproken dat het indexpercentage van de jaarlijkse bijdrage
4
aansluit bij het door Haarlem berekende indexpercentage voor lonen, voor 2024 geraamd op 5,2%. Gemeenschappelijke regelingen Voor de indexatie van bijdragen gemeenschappelijke regelingen is het voorstel als uitgangspunt te hanteren dat deze passen binnen de hierboven voorgestelde generieke indices en bron/peildatum. Wanneer andere percentages worden gehanteerd voor loon- en of materiele componenten en of een andere verhouding tussen personeel en materieel dan bij onze subsidiepartners en dit leidt tot een afwijkend gewogen percentages (en daarmee een groter beslag op de algemene middelen dan bij gebruik van de generieke indices) dient dit aannemelijk gemaakt te worden en expliciet en onderbouwd (inhoudelijke en aan de hand van bestuurlijke besluitvorming binnen de GR alsook DVO’s/contracten tussen de GR en Haarlem) ter besluitvorming te worden aangeboden middels de P&C cyclus.
1.2 Formatie en loonsom Iedere afdeling wordt gebudgetteerd voor de toegestane formatie. De salarislasten worden opgehoogd met loonkostenstijging en worden verminderd met eventuele besluiten over de invulling van bezuinigingen. De salarisberekening gebeurt normatief met peildatum 1 augustus 2023, zodat de effecten van kadernota en bestuursrapportage meegenomen kunnen worden. Hiermee wordt het (meest mogelijke) actueel beeld gepresenteerd aan de Raad. Op basis van vastgesteld beleid vindt berekening plaats van de salarislasten naar een gemiddelde van de 10de periodiek van de functionele schaal. De toegestane formatie 2023-2027 en de financiële uitwerking (per schaal) wordt door de afdeling HRM opgesteld en door het afdelingshoofd HRM vastgesteld na akkoord van de concerncontroller. De toegestane formatie wordt gebruikt om de personeelslasten voor 2024 te kunnen berekenen. De personeelsbegroting is inclusief de medewerkers van gemeente Zandvoort, die per 1-1-2018 in dienst zijn getreden bij de gemeente Haarlem.
1.3 Huren De huurbaten van het gemeentelijk vastgoed worden conform de afspraken cq contracten met de huurders één keer per jaar geïndexeerd, in principe op 1 januari dan wel op 1 juli. Deze indexatie gebeurt veelal conform de (dan) werkelijke (gepubliceerde) indexatiecijfers vanuit het CBS (Consumentenprijsindex), die op dit moment nog niet bekend zijn. Naast deze methode zijn er op onderdelen binnen de vastgoedportefeuille nog andere indexatiemethodes van toepassing: -Contracten met SRO die worden geïndexeerd met het “SRO percentage”; -Contracten met culturele partijen met een standaard indexatie van 2,5%; -Contracten waarvan de huur is gebaseerd op de kapitaalslasten in dat jaar (waardoor de huur elk jaar lager wordt); -Contracten voor woningen en woonwagenstandplaatsen die de wettelijke bepalingen uit de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte volgen. Omdat deze percentages op dit moment nog niet (allemaal) bekend zijn worden de huren in beginsel geïndexeerd met de nu bekende geharmoniseerde consumentenprijsindex (cpi, %), de 3,2% voor materiële uitgaven. Dit zorgt ervoor dat de werkelijke ontwikkeling van de huurbaten kan afwijken van nu opgenomen in de begroting. Indien nodig worden afwijkingen van de begroting
5
geïnformeerd in P&C documenten in het lopende begrotingsjaar verwerkt.
1.4 investeringen en kapitaallasten De nieuwe investeringsbedragen worden weergegeven naar het prijspeil van het jaar waarvoor ze worden opgevoerd. Omdat Haarlem een meerjarenraming in constante prijzen kent, worden reeds opgenomen investeringen niet verder geïndexeerd. De al eerder geraamde investeringsbedragen worden niet verder geïndexeerd. Indexatie gaat ten koste gaat van de beschikbare investeringsruimte, het netto-effect daarvan is in theorie dat er daardoor minder wordt geïnvesteerd en dat is niet wenselijk. Waar zich in de praktijk prijsstijgingen voordoen, kan per investering worden bekeken hoe dit wordt ingepast in het investeringsplan binnen het financiële kader door te bezien welke ruimte er dan is vanwege onderbesteding, of waar ruimte te maken is door andere investeringen (deels) in tijd later te plannen. Tot nu toe is het steeds mogelijk gebleken de stijging in de actualisatie van het investeringsplan op te nemen. De huidige sterke prijsstijgingen vergroten wel het risico dat de ruimte niet aanwezig is. De kapitaallasten worden centraal geraamd. In de Programmabegroting 2024-2028 worden de kapitaallasten geraamd, die voortvloeien uit: De tot en met 2022 in de jaarrekening opgenomen investeringsbedragen (activa); De geraamde investeringen volgens het nieuwe Investeringsplan 2023-2028.
De investeringen die worden geïnventariseerd voor de jaren 2029-2033 worden nog niet vastgesteld cq verwerkt in de begroting. De bijkomende budgettaire lasten uit voorgestelde nieuwe of hogere investeringen komen in de analyse afzonderlijk naar voren. De rentecomponent (het zogenaamde rente-omslagpercentage) voor zowel de rendabele als de onrendabele investeringen bedraagt voorlopig 1,0%, maar zal bij de Programmabegroting nader berekend worden (de zogenaamde omslagrente). Dit is vastgelegd in de Financiële verordening 2018, 1e wijziging 2020 (2020/0027757) en de Nota activabeleid 2021-2024 (2021/183455). Investeringen worden geactiveerd volgens de componentenmethode. In de nota’s activabeleid is vastgelegd dat investeringen van < € 100.000 niet worden geactiveerd.
1.5 Grexen Specifieke uitgangspunten voor de grondexploitatie worden in het Meerjaren Perspectief Grondexploitaties opgenomen.
1.6 Kostenverdeling
De afdelingen geven per afdeling aan hoe de personeelskosten moeten worden verdeeld over de programma’s en producten. Een belangrijk onderscheid hierbij is de verdeling tussen overhead- en lijnfuncties. De uitvraag geeft tevens inzicht in het totale aantal uren voor lijnfuncties. Door het
6
saldo van de totale overheadkosten en -baten te delen door het totale aantal productieve uren (exclusief overhead) wordt de overheadopslag per (lijn)uur bepaald. Deze opslag wordt gebruikt bij de activering van investeringsuren, alsmede bij de berekening van de kostendekkendheid van belastingen en leges.
1.7 Raming Algemene Uitkering
In de meerjarenraming 2023-2026 is de algemene uitkering vanaf 2023 in constante prijzen geraamd. Omdat 2024 de primaire begrotingsschijf wordt, zal de algemene uitkering herberekend moeten worden in lopende prijzen voor 2024. Dat wil zeggen dat de algemene uitkering dan opgehoogd wordt met het gestegen loon-en prijsniveau, prijspeil 1 januari 2024. Daarnaast wordt de algemene uitkering geactualiseerd aan de hand van de zogenaamde meicirculaire. De meicirculaire wordt te laat ontvangen om nog in de Kadernota 2024 te kunnen verwerken. Over de gevolgen van de meicirculaire wordt de raad afzonderlijk geïnformeerd en de consequenties worden verwerkt in de Programmabegroting 2024-2027. De algemene uitkering is onder andere gebaseerd op het aantal woningen en inwoners voor 2023. Als de gemeente (relatief tot de rest van het land) groeit betekent dit ook dat baten uit de algemene uitkering groeien vanwege areaaluitbreiding.
1.8 Vennootschapsbelasting
Voor het onderdeel parkeergarages zal een raming van de belastingdruk moeten worden opgegeven. Deze post zal als last op programma 7 worden opgenomen.
1.9 Weerstandsvermogen
Om het weerstandsvermogen te kunnen beoordelen is er een norm vastgesteld. Wij gebruiken de volgende waarderingstabel: 6 A > 2.0 Uitstekend B 1.4 - 2.0 Ruim voldoende C 1.0 - 1.4 Voldoende D 0.8 - 1.0 Matig E 0.6 - 0.8 Onvoldoende De weerstandscapaciteit bestaat uit de Algemene Reserve. Het vastgelegde kader is dat de ratio weerstandsvermogen minimaal 1,4 bedraagt.
7
Dit is een uitgave van gemeente Haarlem, [Kies datum]
Tekst: [Naam], Fotografie: [Naam], Ontwerp: [Naam], Drukwerk: [Naam] ________________________________ Postbus 511 2003 PB Haarlem Tel. 14 023 haarlem.nl 8