2 Bijlage 1 Regionale uitvoeringsovereenkomst CJG en JGZ
Tekst van het document
Regionale uitvoeringsovereenkomst inzake
subsidiëring jeugdgezondheidszorg en Centrum voor Jeugd en Gezin regio Zuid-Kennemerland en IJmond 2026-2030
1/13
PARTIJEN
De gemeenten: 1. Beverwijk, 2. Bloemendaal, 3. Haarlem, 4. Heemskerk, 5. Heemstede, 6. Velsen, 7. Uitgeest 8. Zandvoort; Partijen sub 1 tot en met 8 hierna: “de Gemeenten”; en 9. Stichting Jeugd Kennemerland, hierna: “de Stichting”, 10. CJG Kennemerland B.V., hierna: “CJG”, 11. JGZ Kennemerland B.V., hierna: “JGZ”; Partijen sub 1 tot en met 11 hierna gezamenlijk te noemen “Partijen”
2/13
OVERWEGENDE DAT A. Door CJG en JGZ binnen de Gemeenten activiteiten worden verricht op het terrein van de jeugdgezondheidszorg en jeugdhulp zoals uitgevoerd door het Centrum voor Jeugd en Gezin. De gemeente Uitgeest alleen de activiteiten subsidieert van het JGZ (en niet CJG). B. Door de Gemeenten jaarlijks aan CJG en JGZ een subsidie wordt verstrekt. Door CJG en JGZ voor het jaar 2026 tevens een subsidie is aangevraagd, waarop de Gemeenten zullen beschikken. C. Partijen hebben geconstateerd dat de samenwerking tussen CJG en JGZ en de Gemeenten efficiënter kan worden vormgegeven. D. Partijen in dat kader de uitgangspunten en randvoorwaarden van de samenwerking wensen vast te leggen zodat wordt gewaarborgd dat het CJG en JGZ de activiteiten kunnen verrichten binnen het toegekende subsidiebudget; E. Partijen bovengenoemde uitgangspunten en randvoorwaarden vastleggen in deze regionale uitvoeringsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 4:36 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: 'uitvoeringsovereenkomst'). F.
Partijen daarnaast hun samenwerking voor de periode 2026–2030 nader hebben vormgegeven in het Samenwerkingsconvenant CJG/JGZ regio Zuid-Kennemerland en IJmond, waarin kaders zijn geschept met betrekking tot de meerjarige samenwerking en het proces van gezamenlijke verkenning van toekomstige governance- en samenwerkingsvormen, welk convenant in samenhang met deze uitvoeringsovereenkomst het kader vormt voor de samenwerking tussen Partijen. KOMEN OVEREEN ALS VOLGT 1.
Definities
a.
College: college van burgemeester en wethouders van één van de Gemeenten;
b.
Subsidiebeschikking: het subsidiebesluit van het college, welke ten grondslag ligt aan voorliggende overeenkomst;
3/13
2.
Doelstelling en reikwijdte samenwerking
a.
Deze uitvoeringsovereenkomst heeft tot doel borging van de continuïteit van de jeugdgezondheidszorgactiviteiten uitgevoerd door JGZ en jeugdhulpactiviteiten uitgevoerd door het Centrum voor Jeugd en Gezin door vastlegging van de uitgangspunten en randvoorwaarden van de samenwerking tussen de Gemeenten en de Stichting en CJG en JGZ.
b.
Partijen beogen nadrukkelijk geen civielrechtelijke afdwingbare verplichtingen overeen te komen als bedoeld in artikel 4:36 lid 2 van de Algemene Wet bestuursrecht. De verplichtingen van CJG en JGZ vloeien uitsluitend voort uit de subsidiebeschikkingen; artikel 13 van deze uitvoeringsovereenkomst ziet op de naleving en handhaving van die subsidieverplichtingen.
c.
De samenwerking tussen de Gemeenten en de Stichting heeft betrekking op de uitvoering van de taken/het programma, zoals nader blijkt uit Bijlage 1, voor 2026 uitgewerkt in de subsidieaanvragen en beschikkingen die zijn verleend door de Gemeenten aan respectievelijk JGZ en CJG, welke zullen worden aangehecht (Bijlage 2).
3.
Uitgangspunten voor de uitvoering
a.
De centrale doelstelling van de onderhavige uitvoeringsovereenkomst is het waarborgen van de continuïteit van de activiteiten van CJG en JGZ binnen de Gemeenten. Ten behoeve van het realiseren van deze centrale doelstelling hebben Partijen de volgende parameters gedefinieerd welke door CJG en JGZ nageleefd worden: Organisatorisch en financieel: I.
Stabiliteit en flexibiliteit: de organisatie dient stabiel te zijn en flexibel in te kunnen spelen op veranderingen in wetgeving en behoeftes/ontwikkelingen;
II.
Continuïteit in activiteiten: de activiteiten blijven overeenkomstig met de situatie voorafgaand aan de samenwerking zonder verstoring van bestaande werkwijze en processen;
III.
Kwaliteit en innovatie van uit het perspectief van de inwoner: er is sprake van een decentrale en wijkgerichte structuur waarin korte lijnen en ruimte voor innovatie
4/13
worden behouden teneinde expertise en betrokkenheid te bewaren en kwaliteit en continuïteit van de activiteiten in de regio te kunnen waarborgen. Ook wordt verder gebouwd aan ontwikkeling en versterking van stevige lokale teams in nauwe samenwerking met gemeenten en ketenpartners; IV.
Eén gecombineerde organisatie: JGZ en CJG worden in de eerste instantie verzelfstandigd onder de koepel van één Stichting.
V.
Samenwerking en afstemming met Gemeenten: de Stichting blijft dicht bij de Gemeenten met een duidelijke opdracht en met ruimte voor lokale verschillen, om efficiënt gebruik te maken van middelen en goede aansluiting te vinden bij gemeentelijk beleid. Er blijft ruimte voor maatwerk binnen regionale uniforme richtlijnen.
Inhoudelijk: VI.
Werken vanuit perspectief van de inwoner: overeenkomstig de situatie voorafgaand aan deze uitvoeringsovereenkomst blijft de Stichting dicht bij de leefwereld van gezinnen en jeugdigen, laagdrempelig aanspreekbaar en zichtbaar in de wijk en directe omgeving van gezinnen, passende ondersteuning wordt geboden;
VII.
Benutten van de kracht van de wijk: er wordt een wijkgerichte aanpak gehanteerd waarbij deel uit wordt gemaakt van lokale netwerken van voorzieningen en samenwerkingspartners om lokale netwerken en preventieve aanpak te versterken. Er dient ruimte te zijn voor lokale verschillen en de kracht van de wijk dient benut te worden;
VIII.
Integrale aanpak zonder schotten: de samenhang 0e/1e-lijns organisatie blijft in stand en interne doorontwikkeling en integratie blijft mogelijk om versnippering van hulp te voorkomen en een samenhangende aanpak te bieden;
IX.
Doelmatige ondersteuning en kostenbewustzijn: focus op vergroten van de veerkracht en het netwerk van gezinnen en jeugdigen, zodat zij beter om kunnen gaan met dagelijkse uitdagingen. In dat kader wordt aandacht besteed aan financiële duurzaamheid (er wordt gezorgd voor een efficiënte inzet van middelen met aandacht voor lange termijn financiële continuïteit).
4. a.
Kaders en randvoorwaarden gesubsidieerde activiteiten CJG voert de activiteiten ten behoeve van de Gemeenten (thans met uitzondering van Uitgeest en Heemstede, in de toekomst mogelijk inclusief de gemeente Heemstede) uit
5/13
met inachtneming van de kaders en randvoorwaarden als opgenomen in de subsidiebeschikkingen (Bijlage 2), toepasselijke wet- en regelgeving (o.m. Jeugdwet) en waar relevant regionale/ lokale beleidsmatige kaders. b.
JGZ voert de activiteiten ten behoeve van de Gemeenten uit met inachtneming van de kaders en randvoorwaarden als opgenomen in de subsidiebeschikkingen (Bijlage 2), toepasselijke wet- en regelgeving (o.m. WPG) en waar relevant regionale/ lokale beleidsmatige kaders.
c.
Partijen streven binnen de uitvoering van de activiteiten naar uniformering van tarieven, indexering en wijze van bekostiging van de activiteiten. Voor de jaarlijkse indexering van de bekostiging wordt de OVA-indexatie toegepast, overeenkomstig de door het Rijk vastgestelde systematiek en percentages. Partijen passen de OVA-indexatie toe over de volledige loonkostencomponent, waarmee de loonontwikkeling voor 100% wordt gecompenseerd. Het verschil tussen het voorlopige en het definitieve OVA-percentage over een jaar wordt verwerkt in de indexering van het daaropvolgende jaar en wordt niet met terugwerkende kracht toegepast. Indien aanpassing van de indexeringssystematiek aan de orde is, treden Partijen hierover tijdig met elkaar in overleg.
d.
De Stichting, CJG en JGZ zullen – al dan niet op het niveau van CJG respectievelijk JGZ – zorg dragen voor een gebruikelijke verzekering voor aansprakelijkheid ten aanzien van de door haar te verrichten activiteiten.
5.
Financieel kader en borging continuïteit Reserves
a.
CJG en JGZ bouwen een continuïteitsreserve op ten behoeve van het opvangen van financiële tegenvallers. Partijen hanteren hierbij een streefbandbreedte van minimaal 5% en maximaal 10% van het jaarlijks door de Gemeenten toegekende subsidiebedrag. Voor zover de reserve onder of boven deze bandbreedte uitkomt, treden Partijen met elkaar in overleg om te bepalen welke maatregelen wenselijk of noodzakelijk zijn om de reserve binnen de afgesproken grenzen te brengen. Partijen erkennen dat de Gemeenten als subsidieverstrekker een verantwoordelijkheid hebben voor de continuïteit van de uitvoering van wettelijke taken, waardoor van de
6/13
Stichting geen onnodig hoge reserve wordt verlangd. De continuïteitsreserve die is opgebouwd uit de door de colleges verstrekte subsidie, wordt in een subsidietijdvak uitsluitend besteed aan activiteiten waarvoor de subsidie in dat tijdvak is verleend en die niet kunnen worden bekostigd uit de subsidie die is verleend ten behoeve van dat tijdvak. Bestemming subsidiegeld bij einde subsidierelatie b.
Indien de subsidierelatie tussen één of meer Gemeenten en CJG en/of JGZ eindigt, zullen bij wijze van vereffening de niet bestede subsidiegelden van de betreffende Gemeente(n), worden terugbetaald aan die Gemeente(n), tenzij hierover schriftelijk andere afspraken zijn gemaakt.
c.
De Stichting, dan wel CJG en JGZ, richt de financiële administratie zodanig in dat de ontvangen en bestede subsidies per Gemeente inzichtelijk zijn. Voor zover dit bij inwerkingtreding van deze overeenkomst nog niet volledig mogelijk is, spannen Partijen zich gezamenlijk in om de hiervoor benodigde aanpassingen in de administratieve systemen en processen binnen een redelijke termijn te realiseren en hierover zo nodig nadere afspraken vast te leggen. Toepassing Wet normering topinkomens
d.
De Stichting, CJG en JGZ zullen de Wet normering topinkomens (WNT) voor zover van toepassing naleven en zullen bij toepassing jaarlijks verantwoording afleggen over de naleving van de WNT in haar jaarrekening.
6.
Vergoeding activiteiten en uitgangspunten
1.
Partijen zullen de activiteiten als bedoeld in Artikel 3 bekostigen op basis van een subsidierelatie.
2.
Partijen streven naar uniformering binnen de subsidierelatie van tarieven, indexering en wijze van bekostiging van de activiteiten.
3.
De Gemeenten worden betrokken bij de financiële bedrijfsvoering van de Stichting via de P&C Cyclus van Gemeenten met inachtneming van de subsidieverordening
7/13
7.
Rapportage en monitoring
1.
De Gemeenten benoemen (ten minste) één regionaal accounthouder. De Stichting benoemt één regionaal contactpersoon. Zij onderhouden regulier overleg over de uitvoering van de activiteiten en stemmen de benodigde informatie-uitwisseling af.
2.
Partijen voeren ten minste twee keer per jaar een voortgangsoverleg. In dit overleg worden de uitvoering van de activiteiten, relevante regionale ontwikkelingen en eventuele risico’s voor continuïteit of kwaliteit besproken.
3.
Per kwartaal verstrekt de Stichting een beknopte kwartaalrapportage met ten minste een overzicht van: o
aantal unieke cliënten;
o
signalen en trends in hulp- en ondersteuningsvragen;
o
eventuele bijzonderheden relevant voor continuïteit, kwaliteit of capaciteit. Waar gegevens niet beschikbaar zijn binnen bestaande systemen, treden Partijen in overleg over een passende invulling.
4.
Partijen treden in overleg wanneer zich omstandigheden voordoen die wezenlijke gevolgen kunnen hebben voor de uitvoering, waaronder voorzienbare budgetoverschrijding, risico’s voor continuïteit of substantiële organisatie- of governancewijzigingen. Een overlegverzoek bevat een duidelijke aanleiding en vraagstelling.
5.
Indien bijsturing wenselijk is, maken Partijen passende afspraken, die schriftelijk worden vastgelegd en aansluiten bij de subsidiekaders.
6.
Indien aanvullende afstemming nodig is buiten de reguliere overleggen, kan iedere Partij overleg verzoeken. De verzoekende Partij zorgt dan voor agenda en verslaglegging.
7.
Op verzoek van een College verstrekken de Stichting, CJG en/of JGZ informatie die redelijkerwijs nodig is voor de uitoefening van wettelijke taken door dat College of de gemeenteraad, met inachtneming van proportionaliteit, privacy en bedrijfsgevoelige informatie.
8/13
8.
De accounthouder en contactpersoon stemmen onderling af over een goede uitvoering van de overeenkomst en borgen de gemaakte afspraken binnen hun organisaties, met behoud van de zelfstandige verantwoordelijkheid van alle Partijen.
9.
De regionale afspraken en rapportages zoals opgenomen in dit artikel laten onverlet dat op gemeentelijk niveau aanvullende afstemming kan plaatsvinden over de inhoudelijke voortgang van de activiteiten binnen de subsidierelatie, in samenhang met lokale ontwikkelingen, het lokaal netwerk en de uitvoering van gemeentelijk beleid. Deze lokale afstemming vindt plaats binnen de kaders van deze overeenkomst en de betreffende subsidiebeschikkingen.
8.
Wijziging van de activiteiten
1.
Het College kan het CJG en/of JGZ verzoeken om, in aanvulling op de activiteiten zoals vastgelegd in Bijlage 2, aanvullende activiteiten te verrichten of activiteiten in de uitvoering te wijzigen. Een dergelijk verzoek wordt vooraf met de Stichting, CJG en/of JGZ besproken, waarbij aandacht wordt besteed aan uitvoerbaarheid, benodigde termijnen en eventuele gevolgen voor de kwaliteit en continuïteit van de activiteiten. Indien de voorgenomen wijziging gevolgen heeft voor één of meer andere Gemeenten, wordt deze wijziging slechts doorgevoerd indien alle betrokken Partijen hiermee instemmen.
2.
Indien activiteiten geheel of gedeeltelijk niet kunnen worden uitgevoerd of aanpassing behoeven, treden het College en de Stichting, CJG en/of JGZ tijdig met elkaar in overleg. Indien dit aanleiding geeft tot een wijziging van het subsidiebedrag of de omvang van de activiteiten, wordt hierover een besluit genomen conform de subsidiekaders. Indien de wijziging gevolgen heeft voor één of meer andere Gemeenten, wordt deze pas doorgevoerd nadat alle betrokken Partijen daarmee hebben ingestemd.
3.
Wijzigingsverzoeken van individuele Gemeenten worden beoordeeld in het licht van de regionale samenhang, uniformiteit en continuïteit van de uitvoering. De regionale accounthouder bewaakt bij dergelijke verzoeken het regionale perspectief en de gevolgen voor de gezamenlijke activiteiten door CJG en JGZ. Indien een voorgenomen wijziging mogelijk invloed heeft op de regionale inzet, de werkbaarheid voor de Stichting (en/of CJG en/of JGZ) of de uitvoering in andere gemeenten, vindt eerst regionale afstemming plaats tussen alle Partijen voordat het College een wijziging doorvoert.
9/13
9.
Looptijd en collectieve beëindiging uitvoeringsovereenkomst
1.
De uitvoeringsovereenkomst treedt in werking op 1 januari 2026 en heeft een looptijd tot en met 31 december 2030.
2.
Collectieve beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst kan alleen plaatsvinden als de Stichting, CJG en JGZ daarmee instemmen en op basis van volstrekte meerderheid van de Gemeenten.
3.
Besluitvorming over collectieve beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst dient tenminste zes maanden voorafgaand aan de beëindiging te hebben plaatsgevonden, tenzij Partijen anders afspreken.
4.
In geval van een voornemen tot een collectieve beëindiging zal de Stichting, CJG en/of JGZ alle gevolgen daarvan voor het al dan niet kunnen voortbestaan van de Stichting in beeld brengen. Op basis hiervan treden Partijen zo snel mogelijk met elkaar in overleg om te zorgen voor een passende vereffening.
5.
Indien de uitvoering van de in deze overeenkomst beschreven activiteiten door De Stichting, CJG en/of JGZ op enig moment geheel wordt overgenomen door een gemeenschappelijke regeling of een andere gezamenlijke regionale rechtspersoon, eindigt deze uitvoeringsovereenkomst van rechtswege per datum waarop die nieuwe structuur in werking treedt voor de betreffende activiteiten.
6.
Collectieve beëindiging van deze overeenkomst of een besluit tot overgang naar een andere governance- of financieringsstructuur vindt slechts plaats na een regionale beoordeling van de gevolgen voor de continuïteit, uniformiteit en kwaliteit van de activiteiten in de gehele regio. De regionale accounthouder bewaakt deze belangen en brengt hier advies over uit aan de Colleges.
10.
Individuele beëindiging
a.
Een Partij die de uitvoeringsovereenkomst wenst op te zeggen, informeert schriftelijk over de wens tot opzegging onder vermelding van de relevante redenen voor opzegging. Daarbij geldt een opzegtermijn van één jaar, tenzij alle Partijen instemmen met een eerdere opzegging. De uitvoeringsovereenkomst is door géén der Partijen opzegbaar gedurende de looptijd van de subsidiebeschikkingen van Gemeenten. 10/13
b.
Toetreding aan de uitvoeringsovereenkomst van Gemeenten met CJG en JGZ door een andere gemeente vergt instemming van alle Partijen.
c.
De toestemming tot opzegging door een Gemeente zal niet door Partijen worden onthouden, indien de uittredende partij haar verplichtingen volledig nakomt en met CJG en JGZ ‘afrekent’ voor financiële lasten als gevolg van de uittreding. Partijen zullen hierover in dat geval nadere afspraken maken.
11.
Wijziging uitvoeringsovereenkomst
Partijen kunnen gedurende de looptijd van deze uitvoeringsovereenkomst slechts op basis van instemming deze overeenkomst en/of de daarbij behorende bijlagen wijzigen dan wel aanvullen. De wijzigingen tussen partijen treden pas in werking na schriftelijke accordering door de bevoegde vertegenwoordiger(s) van alle Partijen. 12.
Publiekrechtelijke verantwoordelijkheid Gemeenten
Partijen zijn zich bewust van de bijzondere positie van de Gemeenten als overheid. De Gemeenten en haar bestuursorganen blijven bij de uitvoering van deze overeenkomst, binnen de grenzen van wet- en regelgeving en met inachtneming van beginselen van behoorlijk bestuur, onverminderd autonoom in de uitoefening van publiekrechtelijke verantwoordelijkheden en bevoegdheden. De Gemeenten hebben in dit verband altijd het recht om zich te laten leiden door de betrokken regelingen van publiekrechtelijke aard en de belangen die deze beogen te beschermen. 13.
Controle
1.
De Gemeenten behouden zich het recht voor de Stichting en/of CJG en/of JGZ te controleren op de uitvoering van de activiteiten en criteria in de subsidiebeschikkingen.
2.
De controle vindt plaats met inachtneming van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
3.
Indien bij controle blijkt dat de uitvoering tekortschiet, dan kan dat gevolgen hebben in het kader van het door de Gemeenten te nemen vaststellingsbesluit.
11/13
14.
Tekortkoming
1.
Indien de Stichting, CJG of JGZ de activiteiten niet of onvoldoende uitvoert conform de verplichtingen uit de subsidiebeschikkingen en de randvoorwaarden van deze overeenkomst die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten, stellen de Gemeenten de betreffende organisatie schriftelijk op de hoogte van het geconstateerde tekort en de noodzakelijke verbeterpunten.
2.
De betreffende organisatie krijgt een redelijke termijn om de tekortkoming te herstellen en kan een zienswijze indienen op het voorgenomen besluit tot wijziging of intrekking van de subsidie, conform de artikelen 4:7 en 4:8 Awb.
3.
Na afloop van de hersteltermijn vindt bestuurlijk overleg plaats tussen de Gemeenten en het bestuur van de Stichting.
4.
Na dit overleg nemen de Gemeenten, indien noodzakelijk, een besluit tot wijziging of intrekking van de subsidie op grond van artikel 4:48 of 4:49 Awb.
15.
Ontbinding
Indien er een gegronde reden blijkt die ontbinding van de onderhavige overeenkomst zou kunnen rechtvaardigen, treden Partijen in overleg. In dat overleg worden afspraken over een oplossing vastgelegd. 16.
Overdracht rechten en plichten
De overeenkomst kan door geen van de Partijen worden overgedragen aan een derde. 17.
Citeertitel
De overeenkomst wordt aangehaald als ‘Uitvoeringsovereenkomst subsidiëring CJG en JGZ. 18.
Geschillenregeling en toepasselijk recht
1.
Verschillen van mening tussen Partijen worden zoveel mogelijk langs minnelijke weg opgelost.
12/13
2.
Er is sprake van een geschil tussen Partijen in onderling overleg niet komen tot een oplossing voor vraagstukken en knelpunten die ontstaan bij de uitvoering van voorliggende overeenkomst.
3.
Alle geschillen, daaronder begrepen die welke door slechts één van de Partijen als zodanig worden beschouwd, die naar aanleiding van of in verband met de uitleg of de tenuitvoerlegging van de onderhavige overeenkomst mochten ontstaan, worden in eerste instantie voorgelegd aan een onafhankelijk mediator.
4.
Indien het geschil na mediation niet is opgelost, staat de gang naar de rechter open.
13/13