CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

2 Bijlage 1 Nota Garanties en Leningen 2025

commissie Bestuur 3 april 2025, gemeente HaarlemBij agendapunt: 17:20 uur Nota Garanties en Leningen (FR)8.482 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Nota Garanties en Leningen (2025) Uitgangspunten en richtlijnen voor het verstrekken van garanties en leningen en de daarmee gepaarde bewaking

Haarlem, februari 2025

Inhoud Samenvatting...........................................................................................................................................4 Hoofdstuk 1: Inleiding .............................................................................................................................5 1.1 Definities en typologieën...............................................................................................................5 1.2.1 Verstrekte geldleningen .........................................................................................................6 1.2.2 Gegarandeerde geldleningen .................................................................................................6 1.3 Leeswijzer ......................................................................................................................................7 Hoofdstuk 2: Regelgevend kader ............................................................................................................8 2.1 Wet Financiering Decentrale Overheden (Fido) ............................................................................8 2.2 Gemeentewet................................................................................................................................8 2.3 Besluit Begroting en Verantwoording (BBV)

.................................................................................9 2.4 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) (staatssteun)............................9 2.4.1 Europese regelgeving .............................................................................................................9 2.4.2 Renteopslag (marktconformiteit) .........................................................................................10 2.5 Besluit leningvoorwaarden decentrale overheden (Bldo)...........................................................11 2.6 Motie ...........................................................................................................................................11 Hoofdstuk 3: Garanties en leningen......................................................................................................12 3.1 Individuele garanties en leningen................................................................................................12 3.1.1 Nee, tenzij.............................................................................................................................12 3.1.2 Garanties versus leningen ....................................................................................................12 3.2 Achtervang woningcorporaties

...................................................................................................15 3.2.1 Het borgstelsel......................................................................................................................15 3.2.2 Risico gemeente ...................................................................................................................16 3.2.3 Soorten overeenkomsten .....................................................................................................16 3.2.4 Methodiek achtervang woningcorporaties ..........................................................................16 3.3 Revolverende fondsen.............................................................................................................17 Hoofdstuk 4: processen.........................................................................................................................18 4.1 Processen individuele leningen en garanties ..............................................................................18 4.1.1 Aanvragen.............................................................................................................................18 4.1.2 Beoordelen ...........................................................................................................................18 4.1.3 Verstrekken

..........................................................................................................................19 4.1.4 Bewaking ..............................................................................................................................19 4.2 Processen achtervang woningcorporaties...................................................................................21 4.3 Proces revolverende fondsen......................................................................................................21 Bronnen.................................................................................................................................................22 Bijlagen ..................................................................................................................................................23 Nota Garanties en Leningen (2025)

2

Bijlage 1: Memo aan Treasury Commissie betreffend aanvraag individuele garantie / lening.........23 Bijlage 2: Memo reactie op aanvraag individuele garantie / lening ..................................................23

Nota Garanties en Leningen (2025)

3

Samenvatting Het kan soms voorkomen dat stadspartners financiële steun behoeven. Financiële steun vanuit de gemeente kan in de vorm van een garantstelling voor een door derden te verstrekken lening of het rechtstreeks verstrekken van een lening vanuit de gemeente. Ook kan de gemeente in het belang van de stad een achtervangpositie innemen voor woningbouwcorporaties die bijdragen aan de stad. Daarnaast is het nog mogelijk dat de gemeente via revolverende fondsen leningen voor een specifiek doel verstrekt aan organisaties en/of burgers. Het uitgangspunt van de gemeente is dat er in principe geen (individuele) garanties en leningen worden verstrekt. In de praktijk blijken er zo nu en dan toch uitzonderingen te zijn op dit uitgangspunt waardoor het beleid van de gemeente omschreven kan worden als “nee, tenzij..”. Hier refereert de tenzij aan het maatschappelijke belang van het verlenen van een garantie of lening (zie 3.1.1). Wanneer het maatschappelijk belang groter wordt geacht dan de bijbehorende risico’s voor de gemeente n er geen sprake is van ongeoorloofde staatssteun, kan de gemeente een lening of garantie verstrekken. Deze geactualiseerde nota biedt inzicht in de mogelijkheden tot het verstrekken van garanties en leningen op basis van het wettelijk kader en de daarbij te volgen processen. De wijzigingen ten opzichte van de voorgaande versie uit 2021 zijn beperkt.

Het gaat onder andere om het toevoegen van meerdere definities en het veranderde proces omtrent de achtervang van woningcorporaties Voor (individuele leningen en garanties wordt er per tenzij-situatie afgewogen of het maatschappelijk belang gediend wordt, of een garantie dan wel een lening het best passende middel is, hoe de financiële situatie van de verkrijger is, welke zekerheden er kunnen en moeten getroffen worden en wat de grootste risico’s zijn. Door het borgingsstelsel vanuit het WSW is de kans dat achtervangposities van de gemeente voor woningcorporaties effectief wordt nihil. Mocht dit risico toch optreden is het risico voor de gemeente beperkt tot het (gedeeltelijk) verstrekken van renteloze leningen aan het WSW (zie 2023/1919637 en zie paragraaf 3.2). De financiële beoordeling vindt plaats door het WSW en de Aw. Bij het uitzetten van leningen door middel van revolverende fondsen is de kredietbeoordeling door het SVn leidend. De gemeente heeft (voornamelijk) een taak in het bepalen van het doel van de lening, de daarbij behorende beschikbare bedragen en het aangaan van nieuwe deelnemingsovereenkomsten met het SVn.

Nota Garanties en Leningen (2025)

4

Hoofdstuk 1: Inleiding De gemeente geeft in samenwerking met stadspartners uitvoering aan de gemeentelijke doelstellingen uit de programmabegroting. Deze stadspartners zijn veelal maatschappelijke instellingen, verbonden partijen zoals deelnemingen en voormalige diensten getransformeerd tot gemeenschappelijke regelingen, woningcorporaties, publiek private samenwerkingsvormen en andere derden. Bij deze organisaties prevaleert het maatschappelijke doel boven het behalen van winst waardoor het kan voorkomen dat zij, om de continuïteit te waarborgen en/of de maatschappelijke doelen te behalen, soms financiële steun behoeven. Financiële steun vanuit de gemeente kan in de vorm van een garantstelling voor een door derden te verstrekken lening of het rechtstreeks verstrekken van een lening vanuit de gemeente. Deze nota bevat een uitleg van de verschillende soorten leningen en garanties, de wet- en regelgeving, en de werkwijzen per soort lening of garantie.

1.1 Definities en typologieën Onderstaand worden de definities, die gebruikt worden in deze nota, beschreven. Garantie Met het begrip garantie geeft men aan dat men ergens voor instaat. Een ander woord voor garantie is waarborg. Door het afgeven van een garantie staat de gemeente borg. Er is geen directe uitstroom van liquide middelen. Burgerlijk Wetboek boek 7, Artikel 850, lid 1 Borgtocht is de overeenkomst waarbij de ene partij, de borg, zich tegenover de andere partij, de schuldeiser, verbindt tot nakoming van een verbintenis, die een derde, de hoofdschuldenaar, tegenover de schuldeiser heeft of zal krijgen. Door het verstrekken van een garantie neemt de gemeente het risico voor haar rekening dat de geldnemer in gebreke blijft bij het betalen van rente en aflossing van de lening. Als die situatie zich zou voordoen, doet de geldverstrekker een beroep op de gemeente als (achter)borgsteller om de betalingen van rente en aflossing over te nemen. In dat geval verandert een niet uit de balans blijkende verplichting veelal in een balansverplichting. Lening Een lening is een geldbedrag dat door een partij wordt verstrekt aan een andere partij op voorwaarde dat het later terug wordt betaald. Er is een directe uitstroom van liquide middelen. Veelal wordt hier, naast de terugbetaling van de hoofdsom, een vergoeding (rente) voor betaald.

Burgerlijk Wetboek boek 7, Artikel 129, lid 1 De overeenkomst van geldlening is de kredietovereenkomst waarbij de ene partij, de uitlener, zich verbindt aan de andere partij, de lener, een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen. Kredietnemer Een kredietnemer, of schuldenaar, is een persoon of organisatie die het geld ontvangt na het aangaan van een kredietovereenkomst cq een lening. De kredietnemer heeft na het ontvangen van de middelen een terugbetalingsverplichting (aflossing) en zal gewoonlijk een rentetarief betalen gedurende de looptijd van de overeenkomst. In deze nota dient de kredietnemer een maatschappelijk doel te dienen met de middelen die worden ontvangen. Nota Garanties en Leningen (2025)

5

Kredietverstrekker Een kredietverstrekker is een persoon, (financiële) instelling of organisatie die geld uitleent aan particulieren of organisaties. In deze nota zijn er twee soorten kredietverstrekkers, 1) de gemeente zelf bij het verstrekken van een individuele lening; 2) een financiële instelling vallend onder het toezicht van de Europese Centrale Bank (ECB) in het geval van het verstrekken van een garantie door de gemeente. Kredietwaardigheid De mate waarin een persoon of onderneming openstaande schulden kan vereffenen met eigen (toekomstige) middelen noemt men de kredietwaardigheid. De kredietwaardigheid van een onderneming wordt vaak geschat middels een rating gebaseerd op de financiële positie en de prognose omtrent deze positie. De Treasury Commissie bepaalt deze kredietwaardigheid zo goed en objectief mogelijk. Rente(risico)-opslag Het betreft de rente-opslag die door de geldnemer aan de gemeente betaald wordt naast de rente betaald aan de geldverstrekker bij een garantie, of bovenop de (IBOR) marktrente bij een lening. Deze rente opslag dient als compensatie ven de kredietrisico’s die de gemeente loopt bij het verstrekken van een garantie of lening.

1.2.1 Verstrekte geldleningen De uitstaande leningen zijn op dit moment beperkt en het overgrote deel bestaat uit leningen die, via het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting (SVn), zijn uitgezet als revolverende fondsen. Bij afbetaling van deze uitgeleende gelden komt het geld direct weer beschikbaar voor nieuwe leningen. Het gaat hier bijvoorbeeld om fondsen voor starters, duurzaamheid en monumenten. Verstrekte geldleningen

31-12-2024

Leningen aan organisaties

0,3

Revolverende fondsen (via SVn)

19,2

Totaal verstrekte geldleningen

19,5

(Bedragen x € 1 miljoen)

1.2.2 Gegarandeerde geldleningen De portefeuille voor gegarandeerde geldleningen is met bijna € 1,3 miljard een stuk omvangrijker. Het overgrote deel bestaat uit achtervang voor particuliere woningbouw en woningcorporaties Gegarandeerde geldleningen

31-12-2024

Gemeente als achtervang Particuliere woningbouw Woningcorporaties

1.218 335 883

Gemeente als directe risicodrager Culturele instellingen en sportverenigingen Nutsbedrijven

50,3 2,6 47,7

Totaal gegarandeerde geldleningen

1.268

(Bedragen x € 1 miljoen)

Per 1 januari 2011 is de achtervangfunctie van de gemeenten voor nieuwe borgstellingen van de particuliere woningbouw overgenomen door het Rijk. De gemeentelijke achtervang blijft alleen gelden voor garanties die zijn verstrekt vóór 1 januari 2011. De komende jaren zal dan ook de

Nota Garanties en Leningen (2025)

6

omvang van deze door de gemeente enkel afnemen. Ter illustratie, bij de vorige versie van deze nota in 2021 bedroeg de achtervang voor particuliere woningbouw nog € 605 miljoen. De achtervang op woningcorporaties bedraagt € 883 miljoen. Door de methodiekwijziging uit 2021 (2021/288718) is er sprake van een gelijkmatige verdeling van de achtervang over de meerdere gemeenten waarin de corporaties actief zijn. De achtervang is geen directe achtervang, maar werkt via een borgstelsel waarbij het risico voor de gemeente beperkt blijft tot het eventueel moeten verstrekken van renteloze leningen. Gezien de omvangrijke positie van de gemeente wordt in Hoofdstuk 3.2 uitleg gegeven over de werking van het borgstelsel en de bijbehorende risico’s voor de gemeente. De individuele garanties die de gemeente heeft verstrekt (€ 50 miljoen in totaal) bestaan voornamelijk uit garanties voor (nuts)ondernemingen als Spaarnelanden en de Huisvuilcentrale (HVC), waarvan de gemeente beide mede-eigenaar is.

1.3 Leeswijzer Het wettelijk kader voor het verstrekken van garanties en leningen wordt in Hoofdstuk 2 uiteengezet op zowel Europees, Nederlands als Haarlems niveau. In Hoofdstuk 3 worden de verschillende vormen van leningen en garanties besproken en in Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de werkprocessen per soort: individuele garanties en leningen, de achtervang voor de woningcorporaties en de revolverende fondsen.

Nota Garanties en Leningen (2025)

7

Hoofdstuk 2: Regelgevend kader Onderstaand worden de verschillende regelgevende kaders weergegeven, waarbij zowel de Nederlandse, de Europese als de Haarlemse regelgeving wordt betrokken.

2.1 Wet Financiering Decentrale Overheden (Fido) De Wet Financiering Decentrale Overheden (Wet Fido) geeft aan decentrale overheden de mogelijkheid leningen en garanties te verstrekken aan instellingen mits hiermee een publiek belang, ten behoeve van de uitoefening van de publieke taak, gediend is. Wat het publiek belang (precies) is, staat niet nader omschreven in de wet. Dit om de decentrale overheden, zoals een gemeenteraad, de ruimte te geven om zelf te bepalen wat zij een publiek belang achten. Ook dient er een prudent karakter te zijn, dit heeft betrekking op zowel de kredietwaardigheid van de tegenpartij als op een beperkt marktrisico van de uitzetting. Wet financiering decentrale overheden, artikel 2 1. Openbare lichamen kunnen uitsluitend ten behoeve van de uitoefening van de publieke taak leningen aangaan, middelen uitzetten of garanties verlenen. Voor het overige houden zij hun liquide middelen in ’s Rijks schatkist aan. 3. In afwijking van het eerste lid kunnen openbare lichamen hun liquide middelen in de vorm van leningen uitzetten bij andere openbare lichamen, met dien verstande dat openbare lichamen geen leningen kunnen verstrekken aan openbare lichamen ten aanzien waarvan zij met het financiële toezicht zijn belast. Bij regeling van Onze Ministers worden met betrekking tot deze leningen nadere regels gesteld. Wet financiering decentrale overheden, artikel 2a 2.

Openbare lichamen kunnen derivaten hanteren of de ingevolge artikel 2, vierde lid, uitgezonderde middelen uitzetten indien deze derivaten of uitzettingen een prudent karakter hebben en niet zijn gericht op het genereren van inkomen door het lopen van overmatig risico. Bij regeling van Onze Ministers worden ter zake van de uitvoering van dit lid nadere regels gesteld. De “Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden” (Ruddo) geeft uitwerking van het begrip prudent karakter uit artikel 2, tweede lid van de wet Fido. Regeling Uitzettingen en derivaten decentrale overheden, artikel 2a lid 1 Openbare lichamen gaan geen leningen aan met het enkele doel de aangetrokken gelden tegen een hoger rendement uit te zetten. Het bewust aantrekken van geld om dit vervolgens uit te lenen (met als doel het behalen van rendement) is verboden. Uitgangspunt moet zijn dat niet eerder wordt geleend dan het moment dat de gelden daadwerkelijk nodig zijn. Tijdelijk overtollige geleende gelden voor projectfinanciering moeten dan ook worden uitgezet bij dezelfde organisatie waar de lening is aangegaan. Haarlem hanteert geen projectfinanciering maar totaalfinanciering. Er wordt geld aangetrokken wanneer er een financieringsbehoefte is, zonder deze financiering rechtstreeks te koppelen aan een specifieke uitgaande kasstroom voor een project of een lening.

2.2 Gemeentewet Een besluit over het verstrekken van leningen en garanties dient voor wensen en bedenkingen aan de Raad te worden voorgelegd. De wensen en bedenkingen van de Raad zijn niet bindend (Artikel 212 van de Gemeentewet).

Nota Garanties en Leningen (2025)

8

Artikel 212, lid 1 De raad stelt bij verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie vast. Deze verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan. De verordening waarover gesproken wordt is in Haarlem de “Financiële verordening gemeente Haarlem 2024” (2023/361130). In artikel 19, lid 2 en lid 3, van deze verordening staat het volgende vermeld. Financiële verordening, artikel 19: Lid 2: Het college neemt bij het uitzetten en het aantrekken van middelen de volgende kaders in acht: a. voor het aantrekken van financieringen met een looptijd langer dan één jaar worden tenminste twee prijsopgaven bij verschillende financiële instellingen gevraagd, waarvan de keuze schriftelijk gemotiveerd wordt vastgelegd; en b. er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van de Wet financiering decentrale overheden. Lid 3: Bij het verstrekken van leningen, garanties en risicodragend kapitaal bedingt het college indien mogelijk zekerheden. Het college motiveert in zijn besluit het publieke belang van deze verstrekkingen.

2.3 Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) De artikelen 36, 50 en 57 van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) verlangen bij begroting en jaarrekening een volledige opgave van alle verstrekte leningen en garanties en de bijbehorende risico’s. In de “Notitie Rente 2023” van de Commissie BBV staan (in Hoofdstuk 2) richtlijnen hoe leningen en de daaruit vloeiende rente boekhoudkundig moeten worden verwerkt.

2.4 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) (staatssteun) 2.4.1 Europese regelgeving Vanuit Europese regelgeving mag er geen sprake zijn van staatssteun en concurrentievervalsing (Artikel 107 en 108 van het VWEU). Om staatssteun te voorkomen moet de gemeente marktconforme voorwaarden (onder andere rente) vragen aan instellingen aan wie een lening of garantie wordt verstrekt. Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, artikel 107, lid 1 Behoudens de afwijkingen waarin de Verdragen voorzien, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. Het is aan de gemeente om te bepalen of er bij het uitzetten of verstrekken van middelen sprake is van staatssteun en of die staatssteun meldingsplichtig is. Er is geen sprake van staatssteun: -

Als de uitzetting of verstrekking marktconform gebeurt. Als de steun wordt verstrekt voor de uitvoering van een wettelijke taak.

Nota Garanties en Leningen (2025)

9

-

-

Als de steun niet hoger is dan € 300.000 per onderneming (algemeen) of € 750.000 (DAEB)per drie belastingjaren of de garantie niet groter is dan € 1,5 miljoen (deminimissteun). Let hierbij wel op cumulatie met andere steun aan dezelfde onderneming. Als bij deelnemingen de inbreng van nieuw kapitaal marktconform gebeurt.

Een garantie is, als zij niet marktconform is, in beginsel meldingsplichtig. Het voordeel ontstaat omdat een onderneming met een overheidsgarantie meestal onder gunstiger voorwaarden een lening kan krijgen dan zonder garantie. De omvang van de steun wordt gekwantificeerd door het verschil tussen de twee rentestanden. Uiteraard is het ook zo dat een onderneming een lening vaak alleen kan krijgen met een garantie. Zonder die garantie zou de onderneming niet in aanmerking komen voor de lening. Een belangrijke voorwaarde voor een “geen staatssteun oordeel” is dat de garantie niet meer dan 80% van de uitstaande lening mag betreffen van de geborgde partij. Als een lening wordt verstrekt die niet marktconform is (een renteloze lening, een lening tegen een lagere rente of een langere looptijd) kan er sprake zijn van staatssteun. Het staatssteunbedrag is gelijk aan het verschil tussen het bedrag dat de onderneming zou betalen voor een marktconforme rente en het bedrag dat de gemeente in rekening brengt minus het de-minimisbedrag.

2.4.2 Renteopslag (marktconformiteit) Bovenstaand zijn de termen marktconformiteit en rente al meerdere keren ter sprake gekomen. De Treasury Commissie stelt de (marktconforme) voorwaarden voor een lening of garantie vast. Voor het aantonen van marktconformiteit is de gehanteerde rente in veel gevallen bepalend. Gekeken wordt of de partij die de middelen ontvangt een marktconforme rente betaald. Door marktconforme rente te rekenen wordt ongeoorloofde staatssteun voorkomen en worden de risico's van de gemeente (gedeeltelijk) afgedekt. Ook heeft de gemeente per saldo een schuld en daarmee zelf ook rentekosten voor het aantrekken van liquide middelen (die vervolgens weer worden doorgezet als lening). Er dient voorkomen te worden dat de gemeente een hogere rente betaald dan ontvangt. Wanneer de gemeente een lening verstrekt komt die rente ten gunste van de gemeente, verstrekt de gemeente een garantie dan wordt er gebruik gemaakt een rente-opslag (ten gunste van de gemeente) om marktconformiteit te waarborgen en de kans op ongeoorloofd staatsteun te doen afnemen. Om te bepalen wat een marktconforme rente is, gebruikt de commissie een aantal hulpmiddelen, waarvan de belangrijkste hulpmiddelen onderstaand besproken worden.

Voor het bepalen van een marktconforme rente heeft de Europese Commissie opslagen op de (eenjaars-)IBOR, de rente die banken onderling in rekening brengen, voor verschillende categorieën van kredietwaardigheid van instellingen gepubliceerd (EC, 2008). De onderstaande opslagen dienen in beginsel te worden toegepast bij leningen, afhankelijk van de rating van de betrokken onderneming en de geboden zakelijke zekerheden: Opslagen voor leningen in basispunten* Risicocategorie Zeer goed (AAA-A) Goed (BBB) Bevredigend (BB) Zwak (B)

Zekerheidstelling Hoog Normaal Laag 60 75 100 220

75 100 220 400

100 220 400 650

Slecht/Financiële moeilijkheden (CCC en lager) 400 650 1000 *: Normaal gesproken worden 100 basispunten aan het basispercentage toegevoegd. Dit geldt voor: i) leningen aan ondernemingen met een bevredigende rating en hoge zakelijke zekerheden; of ii) leningen aan

Nota Garanties en Leningen (2025)

10

ondernemingen met een goede rating en normale zakelijke zekerheden. In het geval van leningnemers zonder kredietverleden of waarvan de rating op grond van een analyse van de balans wordt bepaald, zoals bepaalde special-purpose-entiteiten of startende ondernemingen, dient het basispercentage te worden vermeerderd met ten minste 400 basispunten (afhankelijk van de beschikbare zakelijke zekerheden); de opslag kan nooit lager zijn dan die welke op de moederonderneming van toepassing zou zijn.

Bij garanties mag volgens de Commissie, ingeval de kredietnemer een kleine of middelgrote onderneming is (conform bijlage 1 bij de verordening (EG) nr. 70/2001: minder dan 250 werknemers én ofwel jaaromzet € 50 miljoen niet overschrijdt, ofwel jaarlijks balanstotaal € 43 miljoen niet overschrijdt, die het zelfstandigheidscriterium in acht nemen) een vereenvoudigde beoordeling gedaan worden om na te gaan of met een kredietgarantie al dan niet steun is gemoeid. In dat geval, en mits alle overige voorwaarden van punt 3.2 van de Mededeling van de commissie omtrent staatssteun in de vorm van garanties, onder a: de kredietnemer verkeert niet in financiële moeilijkheden. Financiële moeilijkheden omvatten bijvoorbeeld, maar zijn niet beperkt tot, een negatieve eigen vermogen en/of een niet sluitende meerjarenbegroting, b: de omvang van de garantie valt goed te meten op het tijdstip van toekenning en c: de garantie dekt niet meer dan 80% van de uitstaande lening, zijn vervuld, wordt een staatsgarantie geacht geen steun te vormen indien voor het daadwerkelijk door de staat gegarandeerde bedrag de in de onderstaande tabel genoemde minimumjaarpremie („safe harbourpremie”) in rekening wordt gebracht op basis van de rating van de kredietnemer. Safe harbour-premies garanties

Hoogste kwaliteit (AAA) Zeer sterke betalingscapaciteit (AA) Sterke betalingscapaciteit (A) Toereikende betalingscapaciteit (BBB) Betalingscapaciteit gevoelig voor ongunstige omstandigheden (BB) Betalingscapaciteit dreigt in het gedrang te komen door ongunstige omstandigheden (B) Betalingscapaciteit afhankelijk van aanhoudend gunstige omstandigheden (CCC-C)

Jaarlijkse premie 0,40% 0,40% 0,55% 0,80% 2,00% 3,8-6,3% niet mogelijk

In of bijna in een situatie van wanbetaling (DDD-D)

niet mogelijk

Kredietkwaliteit

2.5 Besluit leningvoorwaarden decentrale overheden (Bldo) In aanvulling op de wet Fido is het Besluit leningvoorwaarden decentrale overheden (Bldo) in werking getreden. Het Bldo schrijft voor dat geldleningen of garanties slechts door gemeenten kunnen worden aangegaan of verstrekt wanneer de wederzijdse betalingsverplichting wordt uitgedrukt in euro of in één van de nationale munteenheden van de lidstaten van de Europese Unie die deelnemen aan de Economische en Monetaire Unie (Artikel 1). Daarnaast kunnen geldleningen door gemeenten slechts worden aangegaan of verstrekt, indien de hoofdsom niet onderhevig is aan enige vorm van indexatie (Artikel 2).

2.6 Motie In april 2011 is door de raad een motie aangenomen die het college opdraagt geen leningen meer aan derden te verstrekken alvorens daartoe een door de raad bekrachtigd besluit is genomen. De bevoegdheid om leningen te verstrekken is op grond van de Gemeentewet, artikel 160, eerste lid, een exclusieve bevoegdheid van het college. Alleen als er ingrijpende gevolgen zijn verbonden aan het uitoefenen van deze bevoegdheid kan het zo zijn dat het college niet eerder overgaat tot het

Nota Garanties en Leningen (2025)

11

uitoefenen van deze bevoegdheid dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld wensen en bedenkingen hierover kenbaar te maken. Hiervoor biedt artikel 169, lid 4 de wettelijke basis. De motie is destijds afgedaan door de raad voor te stellen om op besluiten van het college om leningen te verstrekken de voorhangprocedure van het Protocol Actieve Informatieplicht van toepassing te laten verklaren (Gemeentewet, Artikel 169, Lid 4). In de praktijk geldt bij het verstrekken van leningen dat het collegebesluit wordt besproken in de commissie Bestuur. De lening wordt pas na bespreking geëffectueerd. Resumerend gelden de volgende procedures: Verstrekken garantie: Collegebesluit Verstrekken lening: Collegebesluit met (lichte) voorhangprocedure

Hoofdstuk 3: Garanties en leningen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de mogelijkheden bij het verstrekken van de verschillende soorten leningen en garanties.

3.1 Individuele garanties en leningen Eerst wordt ingegaan op het verstrekken van individuele garanties en leningen en de bijbehorende uitgangspunten en verschillen.

3.1.1 Nee, tenzij Voor het vertrekken van nieuwe (individuele) leningen en/of garanties hanteert de gemeente Haarlem het uitgangspunt: ‘’nee, tenzij’’. Dit houdt in dat de gemeente in principe niet optreedt als kapitaalverstrekker. De gemeente is terughoudend in deze rol omdat het marktverstoring wil voorkomen en staatsteun (op uitzondering na) niet is toegestaan. Het tenzij-scenario komt dan ook alleen voor bij marktfalen. Dit houdt in dat commerciële banken of andere kapitaalvestrekkers, ondanks een positieve business case, niet bereid zijn kapitaal te verstrekken of dit enkel te doen tegen buitenproportionele tarieven. Indien er sprake is van een “tenzij” dient aangetoond te worden dat het maatschappelijk belang voor de gemeente groter is dan de bijbehorende risico’s én dat er geen realistische mogelijkheden zijn bij de banken. Het wegen van het publiek belang is moeilijk en laat zich niet in een model gieten, het wegen van het publieke belang is een politieke aangelegenheid.

3.1.2 Garanties versus leningen De gemeente kan in een tenzij-scenario kiezen voor het verstrekken van een lening, of voor het verstrekken van een garantie. Wanneer er gekeken wordt naar de verschillen, voor- en nadelen, tussen beide opties ontstaat het volgende beeld. Prikkel voor kredietverstrekker om kredietwaardigheid schuldenaar te beoordelen en te monitoren (Tijdig) zicht op kritische financiële situatie kredietnemer. Effect op netto schuldquote Effect op gecorrigeerde netto schuldquote Mogelijkheid om financiële risico’s te dekken Mogelijkheid om (aanvullende) voorwaarden te bepalen Mandaat

Garantie

Lening

Wettelijke plicht

n.v.t

negatief n.v.t. n.v.t. positief negatief

positief negatief n.v.t. positief positief Collegebesluit met voorhang

Collegebesluit

Nota Garanties en Leningen (2025)

12

De kwalificaties “negatief” en “positief” geven weer wat het effect van de vorm is op het onderwerp in de eerste kolom, “n.v.t.” houdt in dat er geen effect is.

Onderstaand wordt per regel uit de voorgaande tabel een korte uitleg gegeven. Prikkel voor kredietverstrekker om de kredietwaardigheid schuldenaar te beoordelen en te monitoren Bij een garantstelling van de gemeente heeft de kredietverstrekker (vaak een commerciële bank) een hoge mate van zekerheid dat aan de aflossings-en renteverplichtingen voldaan wordt. Het risico dat de gemeente niet aan zijn achtervang verplichting kan voldoen is immers nihil. Door deze zekerheid is de prikkel van de kredietverlener om de kredietwaardigheid van kredietnemer te beoordelen en te monitoren laag. Echter, vanuit wetgeving (Basel III) zijn kredietverstrekkers ook verplicht een eigen businesscase-analyse doen, zonder dat zij daarin mogen meewegen dat er een garantie effectief zal zijn waardoor de kredietverstrekker per definitie geen risico loopt. Bij het direct verstrekken van een lening is de gemeente de kredietverstrekker. Bij de gemeente is er een hoge prikkel, aangezien zij risicodrager is en er geen andere instantie met de overeenkomst is gemoeid. In de praktijk vindt bij de gemeente eenzelfde beoordeling plaats bij het verstrekken van een garantie als bij het verstrekken van een lening. Zicht op financiële situatie Het zicht op de financiële situatie van kredietnemer is bij een garantie lastiger dan bij een lening.

Bij een lening is het (tijdelijk) uitblijven van de aflossing en/of rente direct zichtbaar in de eigen administratie, de betaling komt namelijk niet of te laat binnen. Bij een garantie wordt er betaald aan de kredietverstrekker. Dit wordt zichtbaar in de administratie van de kredietverstrekker en is niet direct inzichtelijk voor de gemeente. De gemeente wordt vaak pas geïnformeerd bij langdurig achterblijven van betalingen waardoor de kans is vergroot dat de situatie onomkeerbaar is geworden. De gemeente is bij een garantie afhankelijk van de informatie van de kredietverstrekker. Let wel, het is mogelijk om voorwaarden te stellen over de informatie verschaffing naar de gemeente, wat de gemeente gewoonlijk ook vast legt in een samenwerkingsovereenkomst die wordt opgemaakt bij het aangaan van de garantie.. Hierdoor wordt gepoogd een gelijkwaardigere informatiepositie te bemachtigen. Effect op (gecorrigeerde) netto schuldquote (NSQ) Een voordeel van een garantie is dat het geen direct effect heeft op de NSQ. De geldstromen lopen namelijk niet via de gemeente. De gemeente hoeft daarom (per saldo) geen lening af te sluiten om deze vervolgens door te zetten naar de kredietnemer. De balans wordt hierdoor niet groter en het heeft geen invloed op de NSQ. Wel worden de garanties verantwoord in de niet uit de balans blijkende verplichtingen.

Het verstrekken van een lening heeft direct invloed op de liquide middelen van de gemeente en daarmee op de netto schuldquote. Het gaat hier niet om meer of minder risico, maar over een verantwoordingsverschil. Op deze manier kan een vertekend beeld ontstaan wat betreft de financiële positie van de gemeente. Wel komen de garanties naar voren in de “Niet uit de balans blijkende verplichtingen”, in de paragraaf Financiering en bij grotere kans op het in gebreke blijven van een geldnemer in de paragraaf Weerstandsvermogen en risico’s. Wanneer men kijkt naar de netto schuldquote gecorrigeerd voor leningen, worden zowel uitgezette leningen als garanties buiten beschouwing gelaten. Ook dient beseft te worden dat het nadelige effect voor de NSQ tijdelijk is, na terugbetaling van de lening is er geen effect meer. Een structureel effect is er enkel bij het niet kunnen terugbetalen van de lening, maar dat is ook het geval bij het verlenen van een garantie.

Nota Garanties en Leningen (2025)

13

Mogelijkheid om financiële risico’s te dekken Bij zowel garanties als leningen is het mogelijk om het financiële risico af te dekken door middel van een risico-opslag. Het verschil in de praktijk is dat bij een het verstrekken van een lening de risicoopslag verwerkt wordt in het rentepercentage dat de gemeente rekent. Bij het bepalen van een risico-opslag bij een garantie wordt de “normale” rente betaald aan de kredietverstrekker en de opslag los daarvan bepaald en ontvangen door de gemeente. In paragraaf 2.4.2 in deze nota is eerder stilgestaan bij het rekenen van een opslag en de bepaling hiervan. Mogelijkheid om aanvullende voorwaarden te bepalen Bij een lening heeft de gemeente meer mogelijkheden om zelf voorwaarden te bepalen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan aflossingstermijnen en het moment daarvan in het jaar, maar ook aan een eventuele aflossingsvrije periode om de geldnemer beter in staat te stellen om aan de betalingsverplichting te voldoen. Bij een garantie is het ook mogelijk om voorwaarden te stellen, maar dit zijn in principe secundaire voorwaarden. Dit komt doordat de geldverstrekker, vaak een commerciële bank, de voorwaarden grotendeels bepaalt en de voorwaarden van de gemeente daarop aanvullend zijn. In het geval dat de gemeente de geldverstrekker is dan is er meer vrijheid in het bepalen van de voorwaarden.

Mandaat Op basis van de Gemeentewet (artikel 160) is het aangaan van leningen en garanties een bevoegdheid is van het college. Motie 660 uit 2011 heeft ertoe geleid dat Haarlems beleid is om bij leningen in principe een voorhangprocedure te hanteren (zie ook 2.6). Gezien dit in het proces geen effect heeft op de financiële risico’s die een gemeente loopt, maar enkel op de doorlooptijd, is de verwachting niet dat dit onderdeel deel uitmaakt van de afweging. Resumerend: afweging tenzij-scenario In het geval van een tenzij-situatie dient er per geval beoordeeld te worden of het verlenen van een garantie of van een lening de meest passende vorm is, zonder dat er bij voorbaat een voorkeur is voor één van deze twee keuzes. Leidend is welke vorm van financiering de juiste zekerheden biedt aan de gemeente en de risico’s op het niet terug ontvangen, dan wel het daadwerkelijk actief worden van de garantstelling, zoveel mogelijk verkleind. De twee belangrijkste onderdelen bij deze afweging en de uitvoering hiervan zijn: 1) Er moet niet enkel gekeken worden naar de situatie gedurende de looptijd van de lening/garantie, maar meer nog naar de mogelijke structurele nadelen voor de gemeente. 2) Er moet goed vastgelegd worden welke periodieke gegevens de gemeente beoordeeld en op welke wijze dit gebeurt.

Op basis hiervan moet een goede inschatting gemaakt kunnen worden van de financiële situatie van de garantie- dan wel lening-ontvanger. Gezien de aanvrager van financiering bij de gemeente komt met een financieringsprobleem en daar een oplossing voor zoekt is de verwachting niet dat de partij zelf een voorkeur heeft voor een garantie dan wel een lening. De wijziging in deze huidige nota ten overstaan van de vorige omtrent het al dan niet hebben van een voorkeur voor een garantie of lening leidt naar verwachting dan ook niet tot extra financieringsaanvragen. In Hoofdstuk 4.1 wordt ingegaan op de processen omtrent het aanvragen, verstrekken en beoordelen van individuele leningen en garanties.

Nota Garanties en Leningen (2025)

14

3.2 Achtervang woningcorporaties De achtervang voor woningcorporaties werkt via het borgingsstelsel van het WSW. Onderstaand wordt weergegeven hoe dit borgingsstelsel is ingericht en wat de bijbehorende risico’s voor de gemeente zijn. Vervolgens wordt weergegeven wat voor soort achtervangovereenkomsten er aangegaan kunnen worden.

3.2.1 Het borgstelsel Voor woningcorporaties in Nederland is er een onderlinge waarborgmaatschappij, het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW). Het WSW borgt leningen van financiers aan woningcorporaties. Door borg te staan voor rente- en aflossingsverplichtingen van corporaties zorgt het WSW ervoor dat corporaties toegang hebben tot de kapitaalmarkt, tegen optimale voorwaarden. Daarnaast is de WSW de toezichthouder van de corporaties. Om aanspraken op de borg te voorkomen wordt een risicobeoordelingsmodel gebruikt. Op basis van meerdere financiële ratio’s en 24 vragen gericht op bedrijfsrisico verkrijgt het WSW inzicht in de omvang en beheersing van de risico’s per corporatie en worden (onder andere) maxima gesteld aan de borgstellingen per corporatie. Hiermee verkleint het WSW de kans dat corporaties niet aan betalingsverplichtingen kunnen voldoen. Mocht een corporatie zelf toch niet aan de betalingsverplichting kunnen voldoen neemt het WSW de betalingsverplichtingen over. Om te voorkomen dat het WSW een aanspraak krijgt op zijn borgstelling kent het stelsel verschillende buffers, namelijk: 1. De deelnemende corporatie heeft zelf een vermogensbuffer en kasstroom. 2. Vervolgens heeft het WSW als eerste buffer een risicovermogen om aanspraken op de borg op te vangen. 3. Als tweede buffer is er een onderlinge waarborg van corporaties.

Corporaties dienen op verzoek 2,6% (Reglement van Deelneming WSW, Bijlage II) van hun geborgde schuldrestant aan het WSW. 4. Ten slotte is er constructie met het Rijk en de gemeenten. Deze ‘achtervangers’ verlenen indien nodig renteloze leningen. Dit werkt als volgt, wanneer er aanspraak gemaakt wordt op de achtervangers worden via de volgende methodiek renteloze leningen aan het WSW verschaft: - Het Rijk verstrekt in alle gevallen de helft (50%) van de renteloze leningen. - Alle gemeenten die achtervanger zijn van het WSW verstrekken gezamenlijk een kwart (25%) van de renteloze leningen. - De gemeenten die vermeld staan in de leningen waarvan de WSW de betalingsverplichting overneemt verstrekken het resterende kwart (25%). Onderstaand is het borgingsstelsel schematisch weergegeven.

Nota Garanties en Leningen (2025)

15

Bron: WSW (2025)

3.2.2 Risico gemeente Het risico voor de gemeente gaat gepaard met punt 4. De eerste drie punten zijn daarbij onderdelen die de kans op het effectief worden van punt 4 verminderen. Het risico dat achtervanggemeenten daadwerkelijk renteloze leningen aan het WSW moeten verstrekken wordt zeer klein geacht. Dit wordt gesteld op basis van risicomodellen en stresstesten. Zoals in bovenstaande afbeelding te zien is komen bij betalingsproblemen de eerste € 2,3 miljard ten laste van de corporaties zelf en het risicovermogen van het WSW en staan er grote waarde bezit (een veelvoud) als onderpand tegenover de geborgde leningen waardoor sanering ook al kan leiden tot het genereren van inkomende kasstromen voor corporaties. Tot op heden is er ook nog nooit een achtervangpositie van een gemeente effectief geworden.

3.2.3 Soorten overeenkomsten De gemeente hanteert, omtrent het innemen van een achtervangpositie voor woningcorporaties, de ongelimiteerde achtervangovereenkomst (generiek). Een woningcorporatie kan, los van de WSWeisen, ongelimiteerd leningen aangaan waarbij de gemeente de achtervangpositie inneemt. WSW hanteert hierbij een verdeelsleutel waardoor het financiële risico voor de gemeente nihil is. Dit risico is beschreven in paragraaf 3.2.2 en verder toegelicht in het collegebesluit 2023/1919637. In Hoofdstuk 4.2 wordt ingegaan op het proces bij het aangaan van achtervangpositie voor een woningcorporatie is ingericht.

3.2.4 Methodiek achtervang woningcorporaties Per 1 augustus 2021 is er een nieuwe methodiek ingegaan wat betreft de achtervangpositie. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) stellen dat de achtervangpositie per gemeente met de voorgaande methodiek sterk kon afwijken van de waarde van de woningen van de corporaties in de betreffende gemeente. In de nieuwe methodiek wordt de achtervang-positie van een gemeente automatisch naar verhouding van marktwaarde van DAEB-objecten (objecten Diensten van Algemeen Economisch Belang) in de gemeente wordt bepaald. Er is daardoor geen tussenkomst van de gemeente meer nodig bij het aantrekken van leningen door corporaties. Dit moet leiden tot een gelijkwaardige en meer actuele achtervang van gemeenten ten behoeve van woningcorporaties (2021/288718). Per 1 mei 2024 is de achtervangovereenkomst nog eenmaal aangepast. De belangrijkste wijzigingen betreffen het

Nota Garanties en Leningen (2025)

16

toevoegen van definities ter bevordering van de leesbaarheid en zijn er enkele bepalingen toegevoegd om de toepasbaarheid te vergroten (2023/1919637).

3.3 Revolverende fondsen Tot slot zijn er budgetten beschikbaar gesteld voor revolverende fondsen op het gebied van startersleningen, duurzaamheidsleningen, leningen voor duurzame stedelijke ontwikkeling, blijversleningen en monumentenleningen. Deze fondsen worden beheerd door het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting (SVn). Deze stichting ontwikkelt financieringsinstrumenten die in te zetten zijn om doelstellingen op het gebied van wonen te realiseren. Deze fondsen worden op de balans gewaardeerd onder vlottende activa, rekening-courant niet financiële instellingen. Het is feitelijk niet meer dan een rekening courant dat uitstaat bij het SVn. Het is aan de raad om te bepalen welke omvang er uitgeleend mag worden per soort lening. In Hoofdstuk 4.3 wordt ingegaan op het proces bij het verstrekken van leningen door middel van revolverende fondsen.

Nota Garanties en Leningen (2025)

17

Hoofdstuk 4: processen In dit hoofdstuk worden de verschillende processen voor de individuele leningen en garanties, achtervangposities voor woningbouwcorporaties en het verstrekken van leningen door middel van revolverende fondse toegelicht.

4.1 Processen individuele leningen en garanties Onderstaand worden de werkwijzen en rollen besproken voor het aanvragen, beoordelen, verstrekken en de in te richten bewaking besproken voor individuele leningen en garanties.

4.1.1 Aanvragen Bij de aanvraag van een garantie of lening zijn drie belangrijke voorwaarden van toepassing: 1. Het verstrekken van een lening of garantie draagt bij aan het publieke belang en dient een gemeentelijke doelstelling die de eigen inwoners ten goede komt. 2. De aanvragende organisatie kan geen financiering (tegen redelijke voorwaarden) krijgen zonder inmenging van de gemeente. 3. De aanvragende organisatie is instaat om de verschuldigde aflossing en rente te voldoen, er is dan ook sprake van een positieve business case. Vanuit de beleidsafdeling, die de behoefte tot het afgeven van een garantie of lening signaleert, wordt een memo opgesteld en aangeleverd bij de Treasury Commissie. Om de juiste gegevens te achterhalen en het aanvraagproces zo zorgvuldig mogelijk te laten verlopen zal het opleveren van de benodigde basisinformatie die in de memo moet worden opgenomen (zie Bijlage 1) een taak zijn van de beleidsafdeling. Als het goed is sluit de aanvraag van een organisatie aan bij een doelstelling van de afdeling en kan de afdeling beoordelen in hoeverre het publiek belang is gediend.

4.1.2 Beoordelen De feitelijke beoordeling van de aanvraag vindt plaats door de Treasury Commissie, die maandelijks bijeenkomt. De beoordeling van de aanvraag houdt in dat er tenminste zorgvuldig is gekeken naar de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4. 5.

Onderbouwing publieke belang Financiële informatie en ratio’s (bijvoorbeeld; solvabiliteit, quick ratio, current ratio) Opzet en houdbaarheid (positieve) businesscase en weerstandsvermogen Kredietwaardigheid en risico’s (samenhangend met punt 2 en 3) Eigen inzicht

De Treasury Commissie bestaat uit de concerncontroller, het afdelingshoofd financiën, en medewerkers vanuit de afdelingen financiën en concerncontrol. Als de Treasury Commissie de aanvraag niet negatief beoordeelt, dat wil zeggen dat de financiële risico’s (in combinatie met de te stellen zekerheden) lager worden inschat dan het publieke belang, kan de beleidsafdeling overgaan tot het opstellen van het collegebesluit. De Treasury Commissie informeert de beleidsafdeling hierover middels een reactie op de ontvangen memo vanuit de beleidsafdeling (zie Bijlage 2). In het (door de beleidsafdeling) op te stellen collegebesluit moet het advies met de bijbehorende gestelde voorwaarden en geïdentificeerde risico’s vanuit de Treasury Commissie betrokken worden. Bij afronding van het besluit dient de Treasury Commissie nog eenmaal te beoordelen of haar advies juist is verwerkt. Voordat de lening door de gemeente of kredietverstrekker (bij een garantie) wordt verstrekt, dienen alle vereiste zekerheden ook in een overeenkomst met de kredietnemer te worden vastgelegd.

Nota Garanties en Leningen (2025)

18

4.1.3 Verstrekken De bevoegdheid voor het aangaan en ondertekenen van kapitaalmarktovereenkomsten, waaronder dus het verstrekken van leningen en garanties, is een collegebevoegdheid (zie ook Hoofdstuk 2) waarbij de burgemeester ondertekend. De bevoegdheid tot het verstrekken van garanties wordt niet gemandateerd. Bij het verstrekken van een garantie of lening stelt de gemeente (minstens) de volgende standaard voorwaarden: - Geldverstrekker (bij een garantie); De lening wordt verstrekt door een geldverstrekker die onder toezicht staat van de ECB. - Acute informatieplicht; Het college wordt onmiddellijk bericht als de organisatie een betalingsverplichting niet kan nakomen. - Periodieke informatieplicht; Binnen vier maanden van het verstrijken van het boekjaar worden de jaarstukken ingediend bij de medewerker financiën van de Treasury Commissie. Dit sluit aan bij de indieningsdatum van uiterlijk 1 mei die voor grote subsidierelaties en verbonden partijen van toepassing is. - Verzekeringsplicht onderpand; Aanvrager verzekert de objecten waarvoor een garantie is verstrekt op basis van herbouwwaarde. - Onderhoudsplicht onderpand; Aanvrager houdt de objecten waarvoor de garantie is verstrekt in goede staat. - Bestemmingsplicht; Het object waarvoor garantie is verstrekt, behoudt de initiële bestemming.

- Overige; De objecten waarvoor garantie is verstrekt worden niet bezwaard of vervreemd. Daarnaast worden er afhankelijk van de omstandigheden waaronder de garantie of lening wordt verstrekt specifieke voorwaarden geformuleerd. De zekerheid voor de gemeente en de voorwaarden van de garantie of lening worden in een aparte overeenkomst met de kredietnemer vastgelegd.

4.1.4 Bewaking Met het verstrekken van leningen en garanties gaan risico’s gepaard. Het inrichten van goed beheer zorgt er niet voor dat er geen risico’s meer zijn, maar wel dat deze worden benoemd, bewaakt en zoveel mogelijk worden beperkt. De zorgvuldigheid die betracht wordt bij het aanvragen en beoordelen van de garantie of lening stopt dan ook niet na het verstrekken ervan. Naast de informatie over rente- en aflossingsverplichtingen wordt er ook gebruik gemaakt van andere informatie, zoals jaarcijfers. Ook wordt er gekeken naar informatie die van toepassing is op de opgenomen voorwaarden. Deze gegevens vormen de basis voor een financiële- en risicoanalyse van de lening of garantie. Getrapt beheer Om de (financiële) positie van de betreffende organisatie te beoordelen is het noodzakelijk dat de beleidsafdeling en de Treasury Commissie samenwerken. De afdeling heeft de inhoudelijke kennis met betrekking tot het doel en/of het publieke belang waarvoor de lening of garantie is aangegaan en staat in principe dichter bij de kredietnemende organisatie. Dit zorgt ervoor dat zij de eerste

Nota Garanties en Leningen (2025)

19

signaleringsfunctie invullen voor de bedrijfsmatige prestaties (bedrijfsvoering en financieel). Het is de verantwoordelijkheid van de afdeling om dit inzicht (in combinatie met de jaarstukken) met de Treasury Commissie te delen. Deze gegevens kunnen direct bij de Treasury Commissie worden aangeleverd (treasury@haarlem.nl) vanuit de kredietnemer, maar de beleidsafdeling is verantwoordelijk voor aanlevering wanneer automatische aanlevering uitblijft. De verantwoordelijkheid van de lening of garantie ligt dan ook primair decentraal. De combinatie van de beleidsafdeling, Treasury Commissie en controllers zorgen voor de beste combinatie van specialistische kennis voor een goed beheer en informatievoorziening naar het college en de raad. Onderstaande tabel geeft deze samenwerking en rolverdeling weer.

Administratief beheer

Beleidsafdeling (ondersteund door ID/Financiën) Geen

Treasury Commissie -

Financieel economisch beheer

-

-

-

Primair verantwoordelijk voor het beheren en beperken van risico’s Periodiek gesprekken met geldnemer over financiële ontwikkeling en kredietrisico Het verkrijgen van de benodigde informatie en documentatie indien automatische aanlevering uitblijft Controle naleving voorwaarden

-

-

Vastleggen van verloop hoofdsom, rente en aflossing. Beheer geldstromen en signalering bij achterblijven hiervan Desgewenst aansluiten bij periodieke gesprekken met kredietnemer Desgewenst geven van technisch advies en ondersteuning aan beleidsafdeling. Jaarlijks beoordelen financiële situatie kredietnemer

Het administratieve beheer is primair de verantwoordelijkheid van de medewerker Financiën vanuit de Treasury Commissie. Dit behelst het beheren van de geldstromen, het aanvragen van saldobevestigingen en het signaleren van wanbetalingen. Om de accuraatheid van de cijfers te garanderen worden de verstrekte garanties en leningen centraal geadministreerd. Controle en actualisatie vindt plaats per sluitingsmoment zodat periodiek een actueel beeld van de garantie- en leningenportefeuille beschikbaar is. De medewerker Financiën vanuit de Treasury Commissie stuurt (voor verstrekte leningen) een saldobevestiging naar kredietnemers ter bevestiging van onderlinge vorderingen en schulden per 31 december. Het financieel economisch beheer van een individuele lening of garantie is primair de verantwoordelijkheid van de beleidsafdeling. Het betreft hier het tijdig signalering van ontwikkelingen die kunnen leiden tot een verhoogd kredietrisico. De verantwoordelijkheid hiervan ligt decentraal omdat daar ook het publiek belang en de verantwoordelijkheid voor het doorlopen van het risicomanagementproces ligt. Het gaat dan specifiek om het volgen van de financiële positie, de zekerheden, voorwaarden en de risico’s. Zoals hierboven onder de standaardvoorwaarden is gemeld zijn organisaties verplicht hun jaarstukken uiterlijk 1 mei toe te sturen.

De medewerker Financiën uit de Treasury Commissie bewaakt de volledigheid van de vereiste informatie en rappelleert indien nodig. Nota Garanties en Leningen (2025)

20

De Treasury Commissie beoordeelt jaarlijks, in het najaar, op basis van een totaaloverzicht garanties en leningen (uitgezette gelden) en in samenspraak met de controller van de betreffende afdeling of er wijzigingen hebben plaatsgevonden in de financiële positie, de zekerheden, de voorwaarden en/of de risico’s van de kredietnemer. Dit gebeurt met de aangeleverde informatie vanuit de kredietnemer en de afdeling (op het front van bedrijfsvoering en risico’s) als basis.

4.2 Processen achtervang woningcorporaties Met de huidige methodiek wordt in Haarlem niet meer per lening van de corporatie voor achtervang getekend. De VNG vindt het wenselijk dat het achtervang-risico dat een gemeente loopt een afspiegeling is van de waarde van het bezit dat een corporatie in die gemeente heeft. De waarde van de leningen van een corporatie wordt zodanig over gemeenten verdeeld dat dit een afspiegeling is van de activiteiten van die corporatie per gemeente. Jaarlijks wordt door het WSW de marktwaarde van de DAEB-panden per corporaties in een gemeente bepaald en gekeken naar welk aandeel van de totale marktwaarde van de DAEB-panden van de corporatie dit is. Dit verhoudingspercentage wordt vervolgens vermenigvuldigd met het totaal aan geborgde leningen van de corporatie, wat leidt tot de achtervangpositie van Haarlem voor de corporatie. Er is dus geen actieve tussenkomst meer van de gemeente bij het aangaan van een achtervangpositie, wel wordt de gemeente jaarlijks over haar achtervang en de portefeuilles van de corporatie geïnformeerd door het WSW.

4.3 Proces revolverende fondsen Het bepalen van de omvang (het budget) ten behoeve van een bepaald revolverend fonds gebeurt door het college (met een lichte voorhangprocedure) dan wel door de raad1. Tot dit vastgestelde bedrag kunnen leningen verstrekt worden, dit gebeurt door Stichting Volkshuisvesting (SVn). Het aangaan van een nieuwe deelnemingsovereenkomst met het SVn gebeurt altijd in samenwerking met Concerncontrol waarbij ook gekeken wordt welk deel van het toegekende bedrag op de rekening bij de SVn geplaatst wordt. De SVn voert naast het verstrekken van de leningen namens de gemeente ook de beoordeling van de kredietwaardigheid van geïnteresseerden. Als de SVn geen lening verstrekt, doet de gemeente dat ook niet en de kredietbeoordeling door SVn is daarmee leidend. SVn voert ook de administratie van het leningenbeheer. Het aantal lopende aanvragen en het fondsdeel is te alle tijden op te vragen via de website van het SVn. De aflossing en rente op de leningen komen weer terug in het gemeentelijk fonds zodat er weer geld beschikbaar komt voor nieuwe leningen (het revolverende karakter).

1 Het verlenen van een lening is een collegebevoegdheid (met lichte voorhangprocedure), zie ook Hoofdstuk

2.2 en Hoofdstuk 2.6. Bij het instellen van een nieuwe leningsoort en/of doel wordt een verordening vastgesteld door de raad. Indien er (aanvullend) budget nodig is, bijvoorbeeld voor het dekken van eventuele renteverliezen is dat een raadsbevoegdheid. In de praktijk zal ook gelijk bepaald worden voor welk maximaal (totaal)bedrag er aan leningen verstrekt mag worden vanuit het SVn. Bij een mogelijke ophoging van dit bedrag is een collegebesluit met lichte voorhangprocedure een geschikte manier om de aanvullende behoefte aan de raad voor te leggen.

Nota Garanties en Leningen (2025)

21

Bronnen Basel III (2025) Commissie BBV (2023), Notitie rente 2023 Europees wetgever (1957), Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Rome Europese Commissie (2001), Betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen, (EG nr. 70/2001) Europese Commissie (2008), Mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld, (2008/C 14/02) Europese Commissie (2008), Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun in de vorm van garanties, (2008/C 155/02) Gemeente Haarlem (2020), Nota Garanties en leningen, (2020/1146570) Gemeente Haarlem (2021), Nieuwe achtervangovereenkomst met het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (2021/288718) Gemeente Haarlem (2023), Nieuwe achtervangovereenkomst tussen gemeente en Waarborgfonds Sociale Woningbouw (2023/1919637) Gemeente Haarlem (2024), Financiële verordening, (2023/361130) Nederlands wetgever, Burgerlijk wetboek Nederlandse wetgever, Gemeentewet Nederlandse wetgever (2001), Besluit leningvoorwaarden decentrale overheden Nederlandse wetgever (2013), Wet financiering decentrale overheden Nederlandse wetgever (2014), Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden Nederlandse wetgever, Gemeentewet WSW (2024),

Reglement van Deelneming

Nota Garanties en Leningen (2025)

22

Bijlagen Bijlage 1: Memo aan Treasury Commissie betreffend aanvraag individuele garantie / lening In de memo aan de Treasury Commissie beschrijft de medewerker van de beleidsafdeling ten minste de volgende punten over de organisatie die een aanvraag doet voor een individuele garantie/lening: o o o o o

o o o o o o o o

Om welke en om wat voor organisatie gaat het? Hoe verhoudt de aanvrager zich tot de gemeente? Motivatie van het publiek belang dat met lening/garantie wordt gerealiseerd. (aan te leveren vanuit beleidsafdeling) Voor welk bedrag wordt een lening/garantie aangevraagd? Kan de organisatie aantonen dat het haar niet lukt om de financiële middelen tegen (redelijke en) marktconforme voorwaarden te verkrijgen bij een bank (zonder garantstelling)? (Bijlage 1) Is het verstrekken van de garantie / lening essentieel voor het voortbestaan van de aanvrager? Heeft er zich in het verleden een vergelijkbare situatie voorgedaan? Is er (mogelijk) sprake van staatssteun? (uitvraag bij Juridische Zaken) Welke zekerheden de organisatie denkt te kunnen bieden Financiële gegevens van de organisatie (Bijlage 2) Onderbouwde businesscase inclusief gehanteerde aannames (Bijlage 3) Contactgegevens betrokkene van organisatie Contactgegevens betrokkene van gemeente

Bijlage 2: Memo reactie op aanvraag individuele garantie / lening Wanneer de Treasury Commissie de aanvraag(memo) ontvangt vanuit de medewerker van de beleidsafdeling, dan wordt getoetst of de punten zoals genoemd in Bijlage 1 voldoende zijn aangehaald en duidelijk zijn beschreven in de opgestelde memo en of er aanvullende stukken of informatie noodzakelijk is om te komen tot een gedegen advies. Vervolgens schrijft de Treasury Commissie een reactie op de ontvangen aanvraag individuele garantie/lening, die is verstuurd vanuit de medewerker van de beleidsafdeling, met ten minste de volgende punten: o Bevindingen van de volledigheid van de ingestuurde aanvraag o Bevindingen van de financiële positie van de aanvrager o Bevindingen van de business case o Bevindingen en eisen wat betreft de te treffen zekerheden (met onder andere de renteopslag) en eventuele adviezen o Gesignaleerde (financiële) risico’s voor de gemeente o Mogelijke bevindingen en adviezen omtrent de condities, bijvoorbeeld: aflossings-wijze en -momenten, looptijd en/of eventuele voorkeur voor het verstrekken van een garantie dan wel lening o Algeheel advies met betrekking tot het aangaan van de garantie/lening Deze bevindingen en adviezen dienen te worden verwerkt in het op te stellen collegebesluit. Ook dienen de zekerheden vastgelegd te worden in een overeenkomst met de kredietnemer.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15303620/1