CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

2 Bijlage 1 bij bijlage 1 Prommenz 251202 -P231260 Orionhof Haarlem, onderbouwing kadernotitie versie 5 0

commissie Ontwikkeling 8 januari 2026, gemeente HaarlemBij agendapunt: 20.30 uur Sociaal woningbouwproject Orionhof (FR)3.489 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

P240604

Padelbanen Lagedijkerweg 12, Schagen Goede onderbouwing van de Fysieke leefomgeving (GoFlo)

Orionhof, Haarlem Onderbouwing kadernotitie gemeente Haarlem

Versie 5.0

P241519

Orionhof, Haarlem Onderbouwing kadernotitie

Orionhof, Haarlem Onderbouwing k

adernotitie

Colofon opdrachtgever document

Stichting Ymere P241519_Kadernotitie

versie

5.0

datum

2 december 2025

auteur

M. Tas E. van IJzerloo, BSc

controle

I. Ligthart, BBE.

vrijgave

P. Wiebes

P241519

Orionhof, Haarlem Onderbouwing kadernotitie

Inhoud 1 Omgevingsaspecten 1.1 1.2 1.3 1.4

4

Natuurinclusiviteit en biodiversiteit ........................................................................................................................ 4 Bomen ......................................................................................................................................................................................... 8 Water en klimaatadaptie .............................................................................................................................................. 10 Bodemkwaliteit .................................................................................................................................................................... 12

1

Omgevingsaspecten 1.1

Natuurinclusiviteit en biodiversiteit

Het plangebied betreft de ontwikkeling Orionhof te Haarlem en bestaat uit 46 woningen, verdeeld over vijf blokken. De openbare ruimte tussen de woonblokken in bestaat uit groenelementen waaronder bosplantsoen, grasvelden en bomen. Ten behoeve van de ontwikkeling is in 2023 een ecologische quickscan uitgevoerd door Smit Groenadvies. Hierbij zijn de werkzaamheden getoetst aan de Wet natuurbescherming (Wnb). De wet verplicht een initiatiefnemer op de hoogte te zijn van mogelijk beschermde natuurwaarden binnen het werkgebied, zodat inheemse flora en fauna in stand blijven.

Figuur 1 | Huidige situatie binnen de rode contour (Bron: Cyclomedia.nl)

Uit de quickscan flora en fauna blijkt dat het plangebied geschikte openingen bevat voor verblijfplaatsen van beschermde diersoorten: gebouwbewonende en boombewonende vleermuizen, huismussen, spreeuwen en gierzwaluwen (Figuur 2 en Figuur 3). Ook zijn geschikte mogelijkheden voor verblijfplaatsen van broedvogels, zoals de kauw, waargenomen. Door de voorgenomen ontwikkeling vindt permanente vernietiging plaats van deze potentiële verblijfplaatsen, daarom is er aanvullend onderzoek nodig naar vleermuizen, huismussen, spreeuwen en gierzwaluwen, volgens de landelijk geldende protocollen.

Figuur 2 | Groenblijvend groen aanwezig potentieel als essentieel groen voor de huismus (Bron: Smit Groenadvies).

Figuur 3 | Boom met holte, potentiële toegang voor boombewonende vleermuis (Bron: Smit Groenadvies).

Naar aanleiding van de quickscan flora & fauna is in het onderzoeksseizoen van 2024 aanvullend onderzoek uitgevoerd door Smit Groenadvies. Uit het aanvullend onderzoek is gebleken dat binnen het plangebied een zomerverblijfplaats van een gewone dwergvleermuis, een verblijfplaats van een spreeuw en vijf verblijfplaatsen van kauwen zijn aangetroffen. Door de voorgenomen werkzaamheden zullen deze verblijfplaatsen verloren gaan. Hierdoor is een vergunning voor een flora- en fauna-activiteit benodigd en dienen alternatieve verblijfplaatsen gerealiseerd te worden voor de gewone dwergvleermuis en spreeuw. Voor de verblijfplaatsen van de kauwen is geen vergunning benodigd. Wel dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. Alternatieve verblijfplaatsen gewone dwergvleermuis Voor de gewone dwergvleermuis geldt dat er tijdelijke alternatieve verblijfplaatsen gerealiseerd dienen te worden en permanente alternatieve verblijfplaatsen. De verhouding van alternatieve verblijfplaatsen ten opzichte van originele zomerverblijfplaats is 1:4. Dit betekent dat er vier tijdelijke alternatieve verblijfplaatsen en vier permanente alternatieve verblijfplaatsen gerealiseerd dienen te

worden. De tijdelijke alternatieve verblijfplaatsen dienen zo dicht mogelijk in de buurt van de originele verblijfplaats opgehangen te worden. Voor zomerverblijfplaatsen geldt een wenselijke afstand van binnen 50 meter en een uiterste afstand van 200 meter. Wel is het van belang dat de tijdelijke verblijfplaatsen buiten de invloedsferen van de werkzaamheden hangen. De afmetingen voor tijdelijke alternatieve verblijfplaatsen zijn 15x30x1,5cm (bxhxd). Een mogelijke optie als tijdelijke verblijfplaats is de ‘VK MP 04 vleermuis gevelkast’ van Vivara Pro (Figuur 4). De tijdelijke alternatieve verblijfplaatsen dienen op verschillende hoogtes en windrichtingen geplaatst te worden om een verschillend microklimaat aan te bieden. De kasten dienen aan bebouwing opgehangen te worden, omdat de huidige verblijfplaats ook binnen bebouwing is aangetroffen en de gewone dwergvleermuis een gebouwbewonende soort is. De tijdelijke alternatieve verblijfplaats dient op vergelijkbare hoogte als de originele verblijfplaats opgehangen te worden. De tijdelijke verblijfplaatsen dienen zo min mogelijk in lichtbronnen gehangenen te worden. Ook moeten de inen uitvliegroutes vrij zijn van obstakels als bomen. Als permanente compensatie dienen er inbouwstenen gerealiseerd te worden voor de gewone dwergvleermuis. De afmetingen voor permanente alternatieve verblijfplaatsen zijn 15x80x2cm (bxhxd).

Een mogelijk optie als permanente alternatieve verblijfplaats is de ‘VMPM1e | Vleermuiskast’ met daarboven geschakeld een ‘VMPM1u | Vleermuiskast’ van Unitura (Figuur 4). Om verschillende microklimaten aan te bieden dienen de inbouwstenen in meerdere windrichtingen ingebouwd te worden. Ook moeten de in- en uitvliegroutes vrij zijn van obstakels. De permanente alternatieve verblijfplaats dient op vergelijkbare hoogte als de originele verblijfplaats gerealiseerd te worden. Voordat de huidige verblijfplaats ongeschikt gemaakt mag worden dienen de tijdelijke alternatieve verblijfplaatsen 3 maanden tussen april en oktober aanwezig te zijn. Ook mogen de tijdelijke verblijfplaatsen pas weer verwijderd worden als de permanente alternatieve verblijfplaatsen minstens 3 maanden tussen april en oktober aanwezig zijn.

Figuur 4 | Tijdelijke verblijfplaats VKMP04 Vleermuis gevelkast van Vivara (links), permanente verblijfplaats VMPM1e Vleermuiskast van Unitura (midden) en VMPM1u Vleermuiskast van Unitura (rechts) (Bron: Vivara en Unitura)

Alternatieve verblijfplaatsen spreeuwen Voor de spreeuw geldt net als bij de gewone dwergvleermuis dat er tijdelijke alternatieve verblijfplaatsen gerealiseerd dienen te worden. De verhouding van alternatieve verblijfplaatsen ten opzichte van originele verblijfplaats is 1:2. Dit betekent dat er twee tijdelijke alternatieve verblijfplaatsen en twee permanente alternatieve verblijfplaatsen gerealiseerd dienen te worden. De tijdelijke alternatieve verblijfplaatsen dienen zo dicht mogelijk in de buurt van de originele verblijfplaats opgehangen te worden. Voor verblijfplaatsen geldt een wenselijke afstand van binnen 200 meter. Wel is het van belang dat de tijdelijke verblijfplaatsen buiten de invloedsferen van de werkzaamheden hangen. De afmetingen voor tijdelijke alternatieve verblijfplaatsen zijn minimaal 12,5x12,5x12,5cm (bxhxd). Een mogelijke optie als tijdelijke alternatieve nestkast is de ‘Huismuskast HMT1’ van Unitura (Figuur 5). De tijdelijke alternatieven dienen gelieve op een noord- of oostpositie gehangen te worden om te voorkomen dat de verblijfplaatsen te warm worden in de middagzon. De kasten dienen aan bebouwing opgehangen te worden, omdat de huidige verblijfplaats ook binnen bebouwing is aangetroffen en de spreeuw een gebouwbewonende soort is. Ook moeten de in- en uitvliegroutes vrij zijn van obstakels als bomen.

Als permanente compensatie zijn twee opties mogelijk. Of er dient in het nieuwe gebouw een pannendak aanwezig te zijn welke toegankelijk is voor spreeuwen, indien dit niet mogelijk is moeten er inbouwstenen in de gevel gerealiseerd worden. Deze inbouwstenen dienen net als de tijdelijke verblijfplaatsen minimaal 12,5x12,5x12,5cm (bxhxd) groot te zijn. Ook is er een voorkeur om de inbouwstenen aan de oostelijke- of noordelijke gevel te hangen om te voorkomen dat de inbouwstenen te warm worden. Een mogelijke optie voor permanente alternatieve verblijfplaats is de ‘Nestkast spreeuw SPP1’ van Unitura (Figuur 5). Voordat de huidige verblijfplaats ongeschikt gemaakt mag worden dienen de tijdelijke alternatieve verblijfplaatsen 3 maanden aanwezig te zijn. Ook mogen de tijdelijke verblijfplaatsen pas weer verwijderd worden als de permanente alternatieve verblijfplaatsen minstens 3 maanden aanwezig zijn.

Figuur 5 | Tijdelijke verblijfplaats Huismuskast HMT1 van Unitura (links) en permanente verblijfplaats Nestkast spreeuw SPP1 van Unitura (rechts) (Bron: Unitura)

Natura 2000 De projectlocatie is gelegen op ongeveer één kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid, dat onder de bescherming van de Omgevingswet valt (Figuur 6). Volgens de Omgevingswet is een vergunning nodig voor Natura 2000-activiteiten. Dit zijn activiteiten die significante nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. De Omgevingswet geeft regels over die activiteiten om de natuur te beschermen. Onder een Natura 2000-activiteit valt ook schade die ontstaat als gevolg van stikstofdepositie (uitstoot en neerslag van stikstof). Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura 2000–gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet middels een AERIUS-berekening aangetoond worden wat de te verwachten stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden zal zijn. Deze berekening moet worden uitgevoerd om de stikstofdepositie op enig Natura 2000-gebieden te berekenen. Omdat de voorgenomen ontwikkeling sloop- en bouwwerkzaamheden kent, kan een effect op het toedoen van stikstofdepositie niet uitgesloten worden. Effecten door het toedoen van stikstofdepositie dienen berekend te worden middels een AERIUS-berekening.

Figuur 6 | Natura 2000-gebied nabij het plangebied (Bron: Smit Groenadvies)

1.2

Bomen

Bomen dragen bij aan verblijfskwaliteit, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Daarom dienen monumentale en gezonde bomen behouden te blijven en worden bomen toegevoegd in de openbare ruimte en op privaat terrein. Binnen het plangebied zijn bomen aanwezig (Figuur 7). Gemeente Haarlem stelt diverse eisen met betrekking tot het behouden en beschermen van de bestaande bomen binnen de ontwikkeling van Orionhof.

Figuur 7 | Aanwezige bomen en hun beschermde waarde binnen het plangebied (Bron: Gemeente Haarlem)

Zo wordt conform artikel 1, lid e van de Bomenverordening van gemeente Haarlem onder een gemeentelijke waardevolle boom verstaan: een bijzondere beschermwaardige boom of houtopstand of een boom of houtopstand van 50 jaar of ouder met een levensverwachting van minimaal 10 jaar. Dit houdt in dat alle bomen ouder dan 50 jaar ook als waardevolle boom behandeld moeten worden (Figuur 8). Binnen het plangebied zijn meerdere bomen aanwezig met een leeftijd >50 jaar.

Figuur 8 | Aanwezige bomen binnen het plangebied en hun leeftijd (Bron: Gemeente Haarlem)

Smit Groenadvies heeft in december 2023 een boominventarisatie uitgevoerd. De huidige staat van groei, conditie en toekomstverwachting staan beschreven in de presentatie. Een deel van de bomen kunnen niet gehandhaafd worden doordat deze op een locatie staan waar de nieuwe gebouwen komen te staan. De te kappen bomen zijn niet geïdentificeerd in dit rapport.

56

Figuur 9 | Boominventarisatie (Bron: Smit Groenadvies)

Op een 10-tal bomen is een Boom Effect Analyse (BEA) uitgevoerd, het betreft bomen 5, 6, 18, 20, 22, 37, 45, 48, 50, 56 (Figuur 9). Deze bomen kunnen beeldbepalend zijn binnen het ontwikkelplan en dienen daarom extra zorg en aandacht te krijgen tijdens de werkzaamheden. Daarnaast is het wenselijk om tijdens het uitwerken van het ontwerp rekening te houden met de bomen die kunnen worden behouden. Uit de BEA is onderstaande gebleken, voor adviezen en voorwaarden wordt verwezen naar het rapport van de BEA: • Boom 5 en 6 groeien in de verharding en dat blijft zo in de nieuwe situatie. Qua kroongrootte en nieuwbouw geldt er geen belemmering voor deze bomen; • Boom 18 kan qua kroon gehandhaafd worden. Binnen de ontwikkeling is het plan om op deze locatie verharding en een fietsenstalling onder de kroon te realiseren. Dat is mogelijk onder voorwaarden; • Boom 20 en boom 22 kunnen qua kroon gehandhaafd worden. Ondergronds is er geen belemmering; • De kroon van boom 37 komt tegen de gevels van de nieuwbouw. Meer dan 40% van de beworteling zal verdwijnen in verband met de bouwput. Om deze reden kan deze grote Aesculus niet gehandhaafd blijven; • Onder boom 45 is verharding aangetroffen, deze verharding is bedekt door Hedera-begroeiing. Aanleggen van een parkeerplaats, zoals beschreven in het plan, tot onder de kroon is (onder boomtechnische begeleiding) mogelijk.

Boom 48 en 50 blijven in de beplanting staan, deze kunnen zonder meer gehandhaafd worden. • Boom 56 kan met voldoende beschermende maatregelen gehandhaafd blijven.

1.3

Water en klimaatadaptie

De klimaatverandering brengt langdurige regenbuien, piekbuien, hittestress en perioden van droogte met zich mee. De ontwikkeling moet in staat zijn om de klimaatveranderingen op te vangen en overlast te voorkomen, nu en in de toekomst. Dit wordt gewaarborgd in onder andere de Waterschapsverordening van Rijnland. Conform deze Waterschapsverordening dient bij een verhardingstoename van 15% gecompenseerd te worden in de vorm van open water of een alternatieve waterberging binnen een straal van 5 km van de ontwikkelingslocatie. De veranderingen in gebruik binnen het plangebied zijn vastgelegd in een verhardingsstudie. Een samenvatting hiervan is opgenomen in Tabel 1. Tabel 1 | Veranderingen in verharding Gebruik Huidige Toekomstige Situatie Situatie Verhard (verkeer/ 1.590 m2 1.350 m2 (940 m2 trottoir) gemeentegrond) Halfverhard Verhard 1.170 m2 2.250 m2 bebouwing Onverhard 2.330 m2 2.000 m2 (80 m2 (groen) gemeentegrond) Buitenruimte 760 m2 250 m2 (voortuin - door (prive) bewoner in te vullen) Totaal 5.850 m2 5.850 m2

Berekening balans 1.350-1.590 = -240

Balans in toekomstige situatie -240 m2

2.250-1.170 = +1.080

+1.080 m2

2.000-2330 = -330

-330 m2

250-760 = -510

-510 m2

Zoals aangegeven in kolom 3 van Tabel 1 zal in totaal de verharding binnen het plangebied toenemen met 330 m2 (-240+1.080–510= +330), ervan uitgaande dat de categorie ‘buitenruimte’ in de verhardingsstudie volledig verhard is. Er is sprake van een toename van verharding, dus is er compensatie nodig in de vorm van open water of een alternatieve waterberging. Gemeente Haarlem eist dat conform het Stedelijk Water Haarlem, het ontwerp ook tijdens hitte een gezonde leefomgeving biedt. Hierbij dient ten minste 50% van de horizontale en verticale oppervlakten warmtewerend of verkoelend ingericht te worden om opwarming van het stedelijk gebied en gebouwen zelf te verminderen. Daarnaast is het van belang dat gebouwkoeling niet leidt tot opwarming van de verblijfruimtes in de directe omgeving. Bij de nadere uitwerking van het architectonische ontwerp kan in het kader van hittestress en wateroverlast gedacht worden aan: • (semi)intensieve- of extensieve groene daken; • lichtgekleurde daken (hoog albedo-effect); • blauwe daken; • groene gevels.

Met het gebruik van lichtere kleuren zorg je voor meer reflectie van zonlicht. Hierdoor wordt meer warmte teruggekaatst dan opgeslagen in de materialen, wat verkoelend werkt op het materiaal, de achter- of onderliggende ruimte en de omgeving. Een intensief groen dak is een dak waarop grotere planten groeien. Het dak wordt bedekt met gras, kruiden, struiken of zelfs bomen. Deze daken kunnen gebruikt worden als daktuin of parkje. Bij een semi-intensief groen dak maak je gebruik van kleinere planten zoals gras, kruiden en kleine struiken. Voor een semi-intensief groen dak is een minder dikke grond of bodemlaag nodig waardoor ook een minder grote draagkracht van de dakconstructie nodig is. Voor een extensief groen dak wordt het dak voorzien van mos/sedum/gras of kruiden. Dit type dak kan vaak goed toegepast worden zonder grote ingrepen aan bestaande gebouwen. Bij veel neerslag wordt het water op het dak langer vastgehouden en langzamer afgevoerd. Hierdoor komt er minder druk op het rioolstelsel. Sedum is hierbij zeer geschikt omdat deze plant veel water kan opslaan. Dit zorgt ervoor dat de plant ook bij lange periode van droogte blijft leven, dit zonder grote watervoorraad in de vaak dunne bodemlaag. Een groen dak zorgt ook voor verkoeling en bevordert de biodiversiteit.

Een blauw dak is een dak waarop tijdelijk een laag regenwater kan staan, dit zorgt ervoor dat het riool bij een regenbui minder wordt belast. Naast het treffen van maatregelen tegen hittestress en wateroverlast op verticale en horizontale oppervlakten, draagt het behouden/ aanplanten van groen ook bij aan het bergen van water en verkoeling van de openbare ruimte. Bomen nemen regenwater op met hun wortels en maken de grond beter doordringbaar zodat overtollig water eenvoudiger kan weglopen. Met hun bladeren vangen ze regendruppels op, waardoor het water niet in één keer de grond bereikt en het kan verdampen. Daarnaast werken bomen als natuurlijke airco, met de takken vol bladeren bieden bomen niet alleen schaduwplekken voor mens en dier, maar verdampen ze ook water, wat de lucht met een aantal graden kan afkoelen. Om deze reden worden de bomen in het plangebied zo veel mogelijk behouden en indien nodig verplant. Binnen het plangebied is al een groot aantal bomen aanwezig, dit draagt al in grote mate bij aan waterberging en het bieden van verkoeling/schaduw. Als laatste eist de gemeente Haarlem dat de voorgenomen ontwikkeling waterneutraal is en niet leidt tot extra aanvoer/afvoer van water. Hemelwater dient zoveel mogelijk vastgehouden te worden, in de bodem gebracht te worden en hergebruikt te worden in het plangebied.

Daarnaast mag conform de Hemelwaterverordening, regenwater wat op particulier terrein valt niet direct worden afgewenteld naar openbaar terrein. Hiervoor dient een hemelwaterberging op terrein aangelegd te worden (minimale capaciteit 70 liter per m²) voor compensatie van verharding eigen terrein Ymere. Het verhard oppervlakte van de bebouwing en privaat terrein in de toekomstige situatie is 2.910 m², waardoor 203.700 liter (ca. 204 m3) hemelwater opgevangen moet worden. Gemeente Haarlem hanteert een voorkeursvolgorde voor de afvoer van hemelwater. De voorkeursvolgorde is eerst infiltratie naar de bodem, dan afvoer via HWA of direct naar oppervlaktewater en als laatste gemengd riool. • Wadi; • Infiltratiekratten of -putten; • Rockflow. Wadi’s (Water Afvoer Drainage en Infiltratie), zijn groene greppels in stedelijke gebieden die regenwater opvangen, zuiveren en infiltreren in de grond. Een wadi bergt regenwater en zuivert het, waarna het water infiltreert in de ondergrond. Zo helpt de wadi tegen wateroverlast en droogte. In een wadi kunnen verschillende functies verwerkt zijn en kan in veel verschillende vormen en met verschillende materialen aangelegd worden (Figuur 10). Het kan zelfs zo simpel zijn als een lagergelegen grasveldje of een lagergelegen greppel zijn. Binnen het projectvoornemen worden Wadi’s aangelegd met drains en slokops. De wadi heeft een capaciteit van ca.

205 m3 om het hemelwater van gebouw en privaat terrein op te vangen.

Figuur 10 | Voorbeeld van een wadi (Bron: NLAdaptief)

Een infiltratiekrat is een sterk waterdoorlatend krat of box, waarin het regenwater wordt opgevangen en geleidelijk afgegeven aan de grond. Hierdoor is het mogelijk om een grotere hoeveelheid water te infiltreren op een beperkt oppervlak. Het water zal dus tijdelijk geborgen worden en door het waterdoorlatende textiel van de infiltratiekrat weer richting de grond verdwijnen. Infiltratiekratten hebben een beschikbare ruimte van 85% voor het opvangen van regenwater. Het aanleggen van infiltratiekratten is mogelijk binnen het projectvoornemen. Voor de plaatsing van een infiltratiekrat dient echter 1,5 meter afstand van de gevel aangehouden te worden, waardoor er weinig ruimte over blijft voor het plaatsen van een infiltratiekrat. Een infiltratieonderzoek kan de mogelijkheid voor infiltratiekratten of -putten weergeven. In verband met droge periodes en de toename in groen binnen het plangebied, is een optie om water ondergronds op te slaan in kratten/putten. Dit is geen maatregel tegen wateroverlast, maar dit water kan in droge perioden gebruikt worden voor de bewatering van het groen binnen het plangebied. Een Rockflow is een systeem voor het opvangen, vasthouden en infiltreren van regenwater, bestaande uit circulaire steenwolelementen. Door de steenwolelementen wordt het water gefilterd voordat het infiltreert.

Een Rockflow heeft 95% beschikbare ruimte voor het opvangen van regenwater. Ook hierbij geldt een afstand van 1,5 meter van de gevel voor het plaatsen van een Rockflow. De Rockflow kan zo worden ontworpen dat het systeem binnen 24 uur weer beschikbaar is voor een nieuwe piekbui. Voor het plaatsen van de Rockflow kan een groter oppervlakte worden gebruikt dan bij het plaatsen van infiltratiekratten. In de ontwerpfase dient verder een waterbergingsberekening gedaan te worden volgens de Rekentool Hoogheemraadschap Rijnland en een Klimaatstresstest. Er moet verder onderzocht worden welke vormen van waterberging binnen het plan het meest effectief en geschikt zijn.

1.4

Bodemkwaliteit

Er dient in het kader van de Omgevingsvergunning getoetst te worden of de bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie kan worden toegelaten. Ten behoeve van de realisatie van Orionhof te Haarlem is een representatief beeld nodig van de bodemkwaliteit. Uit de Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart 2023-2028 van gemeente Haarlem kan afgeleid worden wat de verwachte bodemkwaliteit in het plangebied is. Het plangebied valt in zone 5 (Figuur 11). In zone 5 is de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) gemiddeld licht verontreinigd met lood, PCB en PAK. Plaatselijk komen lichte verontreinigingen voor met cadmium, kobalt, koper, kwik, nikkel, zink en minerale olie. De ondergrond (0,5-2,0 m-mv) is plaatselijk licht verontreinigd met kobalt, koper, kwik, lood, zink, PCB, PAK en minerale olie. De kwaliteit van de diepe ondergrond in zone 5 (2,0-5,0 m-mv) is gemiddeld licht verontreinigd met kwik en lood. Plaatselijk matig verontreinigd met lood en licht verontreinigd met cadmium, kobalt, koper, kwik, nikkel, PCB, PAK en minerale olie. Wat betreft PFAS-verbindingen is de bovengrond gemiddeld niet verontreinigd met PFAS. Plaatselijk kan een lichte verontreiniging

met PFOS voorkomen. In de zandige tussenlaag (0,5-1,0 m-mv) kan plaatselijk een lichte verontreiniging met PFOS voorkomen.

Figuur 11 | Bodemkwaliteitskaart met plangebied bij de zwarte stip (Bron: Gemeente Haarlem)

Wanneer graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden, of grond afgevoerd wordt dient er verkennend bodemonderzoek uitgevoerd te worden conform de NEN5740. In december 2023 is daarom een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek volgt dat de zandige bovengrond licht verontreinigd is met kwik, lood en zink. De bovengrond wordt daartoe in het kader van de Regeling bodemkwaliteit en het Handelingskader PFAS gekwalificeerd als klasse ‘Wonen’. De zandige/venige ondergrond is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters en wordt in het kader van de Regeling bodemkwaliteit gekwalificeerd als ‘Altijd toepasbaar’. Het grondwater ter plaatse van het plangebied is tevens niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van Orionhof. Aan het begin van de planvorming dient rekening gehouden te worden met huidige bezettingen van ondergrondse ruimte voor kabels en leidingen, ruimtebehoefte bodemenergiesystemen, boomwortelpaketten, hemelwaterberging en grondwatervoorzieningen. Daarom is er een KLICmelding gedaan zodat inzichtelijk wordt wat er momenteel al aan ondergrondse infrastructuur in de bodem ligt. Er zijn diverse kabels en leidingen aanwezig in het plangebied (Figuur 12). Langs de noordzijde van het projectgebied ligt een leiding met een eis-voorzorgsmaatregel.

Tijdens de graafwerkzaamheden moet rekening gehouden worden met de aanwezigheid van deze kabels en leidingen.

Figuur 12 | KLIC plangebied (Bron: Kadaster KLIC-viewer)

Harmenkaag 11 1741 LA SCHAGEN 0224 – 299346 info@prommenz.nl www.prommenz.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16419436/1