CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

16 Bijlage 14 bij bijlage A Plan mer beoordeling

commissie Ontwikkeling 13 mei 2026, gemeente HaarlemBij agendapunt: 20:30 uur Vaststellen Masterplan Hart voor Oostpoort en openen grondexploitatie (FR)15.395 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Pagina | 38

Plan-mer-beoordeling Masterplan Hart voor Oostpoort, Haarlem projectnummer 0505018.100 17 april 2026 Gemeente Haarlem

Beschermde houtopstanden Het gehele plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom. Bomen binnen deze bebouwingscontour zijn op grond van de omgevingswet niet beschermd. Daarmee is geen sprake van beschermde houtopstanden binnen het plangebied. Soortbescherming Binnen het plangebied is geschikt leefgebied aanwezig voor algemene broedvogels, vleermuizen, (kleine) marterachtigen, algemene zoogdieren en algemene amfibieën. Algemene broedvogels Binnen het plangebied is geen sprake van jaarrond beschermde nesten. Voor algemene broedvogels geldt dat bomen, struiken en andere structuren in het plangebied nestgelegenheid bieden. Tijdens het terreinbezoek zijn enkele algemene broedvogels waargenomen (zwarte kraai, ekster, spreeuw en stadsduif). Vleermuizen Voor vleermuizen geldt dat in het plangebied geen vaste rust- of verblijfplaatsen zijn aangetroffen, maar dat de watergang met bomenrij aan de noordzijde mogelijk als essentiële vliegroute fungeert (zie Figuur 3-23).

Figuur 3-23 Weergave van potentiële (essentiële) vliegroute in het plagbied. De vliegroute wordt (mogelijk) aangetast door het planvoornemen. Bron achtergrond: ESRI, luchtfoto 2025.

Boommarter, steenmarter en kleine marterachtigen Voor steenmarter, boommarter en kleine marterachtigen geldt dat het aanwezige braamstruweel aan de noordwestzijde van het plangebied mogelijk als verblijfplaats fungeert. De potentiële verblijfplaats van marterachtigen staat weergegeven in Figuur 3-24.

Pagina | 39

Plan-mer-beoordeling Masterplan Hart voor Oostpoort, Haarlem projectnummer 0505018.100 17 april 2026 Gemeente Haarlem

Figuur 3-24 Weergave van potentiële verblijfplaats (kleine) marterachtigen in het plangebied. Bron achtergrond: ESRI, luchtfoto 2025.

Vrijgestelde soorten zoogdieren Voor algemeen voorkomende (vrijgestelde) soorten als bosmuis, dwergmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en woelrat is er binnen het plangebied biotoop aanwezig. Het plangebied kan habitat vormen voor deze soorten. Amfibieën Voor algemeen voorkomende (vrijgestelde) soorten als bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander is binnen het plangebied biotoop aanwezig.

Effecten Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden De voorgenomen ontwikkeling kan zowel leiden tot tijdelijke effecten (gedurende de realisatiefase) als permanente effecten (tijdens de gebruiksfase) in Natura 2000-gebieden. De omliggende Natura 2000‑gebieden liggen buiten het invloedsgebied van de meeste storingsfactoren, zoals verdroging of geluid‑ en lichtverstoring. Uitzondering hierop vormen de effecten van verzuring en vermesting door stikstofdepositie. Gezien de afstand tot stikstofgevoelige habitattypen in de Natura 2000‑gebieden en de aard van de werkzaamheden is een stikstofonderzoek uitgevoerd naar zowel de realisatiefase als de gebruiksfase (Antea Group, april 2026). Uit het onderzoek blijkt dat zowel de realisatiefase als de gebruiksfase leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Voor de realisatiefase geldt dat de bouw van 900 woningen en 19.000 m2 niet-wonen functies leidt tot een toename van stikstofdepositie van 0,02 mol/ha/jaar in Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid. Voor de gebruiksfase geldt dat de voorgenomen ontwikkeling leidt tot 0,03 mol/ha/jaar in Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid. Daarnaast wordt een toename van 0,01 mol/ha/jaar verwacht in drie andere Natura 2000Pagina | 40

Plan-mer-beoordeling Masterplan Hart voor Oostpoort, Haarlem projectnummer 0505018.100 17 april 2026 Gemeente Haarlem

gebieden, namelijk 1) Noordhollands Duireservaart, 2) Polder Westzaan en 3) Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. Dit betekent dat negatieve effecten in Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie niet op voorhand uitgesloten kunnen worden. Hiervoor moeten mitigerende maatregelen uitgewerkt worden. Natuurnetwerk Nederland Er is geen NNN-gebied in het plangebied aanwezig. De werkzaamheden binnen het plangebied leiden ook niet tot aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het dichtstbijzijnde NNN-gebied. Op grond van de provinciale Omgevingsverordening Noord-Holland is een toetsing van externe werking niet vereist. De verstoring door de werkzaamheden van het planvoornemen is vergelijkbaar met de bestaande achtergrondverstoring die al aanwezig is in het gebied. Er zijn geen vervolgstappen of aanvullend onderzoek nodig. Overig provinciaal beleid provincie Noord-Holland Er is sprake van ruimtebeslag binnen de begrenzing van het BPL waardoor de landschappelijke kenmerken, zoals de aanwezige weidevogelleefgebieden mogelijk aangetast worden. Het betreft een zeer klein oppervlak waardoor effecten op het BPL kunnen worden uitgesloten. Daarnaast veranderen de waarden en kenmerken van het BPL niet na afronding van de werkzaamheden en zijn de werkzaamheden bovendien van tijdelijke aard. Effecten op het BPL zijn uitgesloten.

Wel dient het ruimtebeslag te worden gemeld bij het bevoegd gezag van de provincie Noord‑Holland. Beschermde houtopstanden Er worden geen beschermde houtopstanden gekapt door de uitvoering van het plan. Daarnaast bevinden zich geen beschermde houtopstanden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden, waardoor negatieve effecten op beschermde houtopstanden kunnen worden uitgesloten. Een nadere toetsing van beschermde houtopstanden en mitigerende maatregelen zijn daarom niet noodzakelijk. Soortbescherming Algemene broedvogels Voor algemene broedvogels geldt dat bomen, struiken en andere structuren in het plangebied nestgelegenheid bieden. Er kan als gevolg van de werkzaamheden mogelijk verstoring van algemene broedvogels in het plangebied optreden. Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Ow (artikel 11.37 Bal). Indien nesten aanwezig zijn, kunnen effecten voorkomen worden door mitigerende maatregelen te treffen als buiten het broedseizoen werken. Vleermuizen De watergang met bomenrij aan de noordzijde die mogelijk als essentiële vliegroute fungeert, wordt mogelijk gekapt als gevolg van de werkzaamheden. Aanvullend onderzoek conform het vleermuisprotocol (NGB, 2021) is nodig om aan te tonen of de watergang met bomenrij een (essentiële) vliegroute betreft.

Indien het een essentiële vliegroute betreft en de bomenrij verwijderd wordt, zijn er effecten te verwachten. Steenmarter, boommarter en kleine marterachtigen Voor steenmarter, boommarter en kleine marterachtigen geldt dat het aanwezige braamstruweel mogelijk als verblijfplaats fungeert. Wanneer dit struweel wordt verwijderd of ingrijpend wordt gesnoeid, kan er een effect optreden. Nader onderzoek is dan verplicht. Algemeen voorkomende zoogdieren Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten op algemeen voorkomende (vrijgestelde) soorten optreden. Binnen de provincie Noord-Holland geldt een vrijstelling voor deze algemene soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel is voor deze soorten de zorgplicht van toepassing. Dit houdt in de negatieve effecten zo veel als mogelijk dienen te worden voorkomen dan wel beperkt. Amfibieën De watergangen in het plangebied vormen geen geschikt habitat voor de rugstreeppad, waardoor negatieve effecten op deze soort zijn uitgesloten. Er is binnen het plangebied wel biotoop aanwezig voor de algemeen voorkomende (vrijgestelde) soorten als bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander. Pagina | 41

Plan-mer-beoordeling Masterplan Hart voor Oostpoort, Haarlem projectnummer 0505018.100 17 april 2026 Gemeente Haarlem

Deze kunnen tijdens de actieve periode (circa eind februari t/m oktober) in het plangebied aanwezig zijn. Ook voor amfibieën geldt binnen de provincie Noord-Holland een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor deze soorten is ook de zorgplicht van toepassing: negatieve effecten dienen zo veel als mogelijk te worden voorkomen dan wel beperkt.

Mitigerende maatregelen Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Uit het stikstofonderzoek blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een toename van stikstofdepositie in zowel de realisatiefase als de gebruiksfase. Hierdoor zijn negatieve effecten door stikstofdepositie niet op voorhand uitgesloten en is het noodzakelijk om in de verdere planuitwerking maatregelen uit te werken waarmee de uitstoot van stikstof verlaagd wordt. Binnen de voorgenomen ontwikkeling zijn verschillende mogelijkheden om mitigerende maatregelen te treffen om de uitstoot van stikstof te beperken. Denk bijvoorbeeld aan het verder stimuleren van duurzame mobiliteit, de bouw van het programma op een andere manier faseren en/of het verkleinen van het programma. Dit laatste is kansrijk voor de voorgenomen ontwikkeling omdat in het stikstofonderzoek de effecten van het gehele programma in beeld zijn gebracht, inclusief blok 1F. Voor blok 1F met 100 woningen is al een omgevingsvergunning verkregen. Dit betekent dat voor het overige programma (800 woningen en 19.000 m2) bij de wijziging van het omgevingsplan aangetoond moet worden dat de ontwikkeling niet leidt tot een toename van stikstofdepositie. Dergelijke mitigerende maatregelen moeten bij de verdere planuitwerking geconcretiseerd worden, zodat aangetoond kan worden dat de ontwikkeling niet leidt tot negatieve effecten door stikstofdepositie.

Soortbescherming Algemene broedvogels Voor algemene broedvogels geldt dat werkzaamheden bij voorkeur buiten het broedseizoen plaatsvinden. Wanneer werkzaamheden toch binnen deze periode noodzakelijk zijn, moet vooraf een ecologisch onderzoek worden uitgevoerd om vast te stellen of actieve nesten aanwezig zijn. Indien dit het geval is, worden werkzaamheden uitgesteld totdat de nesten zijn verlaten. Vegetatie kan voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt worden gemaakt om vestiging van broedvogels te voorkomen, mits dit zorgvuldig en ecologisch verantwoord gebeurt. Vleermuizen Voor vleermuizen geldt dat, om vast te stellen of het kappen en/of rooien van bomen en groen mogelijk invloed heeft op de functie van de essentiële vliegroute, dient nader onderzoek uitgevoerd te worden conform het vleermuisprotocol (NGB 2021). Dit onderzoek bestaat uit meerdere bezoeken, waaronder een kraamperiode‑bezoek. Indien uit dit onderzoek blijkt dat een essentiële vliegroute aanwezig is en deze door de werkzaamheden wordt aangetast, zijn mitigerende maatregelen en mogelijk een vergunningplicht noodzakelijk. Maatregelen kunnen bestaan uit het behoud of compenseren van de vliegroute en het ecologisch begeleiden van werkzaamheden om verstoring van vleermuizen te voorkomen.

Steenmarter, boommarter en kleine marterachtigen Voor steenmarter/boommarter en kleine marterachtigen geldt dat indien het aanwezige braamstruweel verwijderd of ingrijpend gesnoeid wordt, nader onderzoek naar aanwezigheid van de soorten verplicht is. Dit moet uitgevoerd worden gedurende minimaal zes weken in de actieve periode, bijvoorbeeld met wildcamera’s of struikrovers. Wanneer uit dit onderzoek blijkt dat vaste rust‑ of verblijfplaatsen aanwezig zijn, kunnen werkzaamheden alleen doorgaan met mitigerende maatregelen en een vergunningsaanvraag op basis van de Omgevingswet. Algemeen voorkomende zoogdieren en amfibieën Voor vrijgestelde soorten, waaronder algemene zoogdieren en amfibieën, geldt de algemene zorgplicht. Deze houdt in dat verstoring zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Dit omvat maatregelen zoals gefaseerd maaien, dieren gelegenheid geven om het werkgebied tijdig te verlaten, het voorkomen van het insluiten van Pagina | 42

Plan-mer-beoordeling Masterplan Hart voor Oostpoort, Haarlem projectnummer 0505018.100 17 april 2026 Gemeente Haarlem

fauna en het toepassen van uitklimroutes of afscherming bij open sleuven. Hierdoor kan schade aan individuen worden voorkomen, ondanks dat deze soorten wettelijk zijn vrijgesteld van een vergunningplicht.

Conclusie Gebiedsbescherming Er zijn als gevolg van het plan effecten te verwachten op beschermde gebieden als gevolg van stikstofdepositie. Dit betekent dat in de verdere planuitwerking mitigerende maatregelen uitgewerkt moeten worden om de uitstoot van stikstof te beperken. Er zijn naar verwachting voldoende maatregelen binnen het plan mogelijk, waardoor er vooralsnog geen aanzienlijke milieueffecten ten aanzien van beschermde gebieden worden verwacht. Soortbescherming Er is geen sprake van een negatief effect op beschermde soorten, zoals algemene broedvogels, vleermuizen en (kleine) marterachtigen, mits de nadere onderzoeken en daaruit volgende mitigerende maatregelen in acht worden genomen. Deze onderzoeken moeten uitgevoerd worden bij de verdere uitwerking van het plan, zoals een Omgevingsplanwijziging. Hiermee worden mogelijk negatieve effecten voorkomen dan wel beperkt. Voor de betreffende soorten zijn voldoende mitigerende maatregelen mogelijk. Zo zijn voldoende mogelijkheden in en rondom het plangebied om nieuwe habitats en leefgebieden voor beschermde soorten te realiseren. Hiermee zijn er naar verwachting geen aanzienlijke milieueffecten ten aanzien van natuur.

3.8

Archeologie Voor de voorgenomen ontwikkeling is door Antea Group (2026) een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Het doel van dit onderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Daarmee wordt inzicht verkregen in mogelijke risico’s voor het archeologisch bodemarchief als gevolg van de voorgenomen ingrepen. Voor het plangebied geldt een onderzoeksplicht conform het beleid van de gemeente Haarlem.

Huidige situatie Archeologische waarden Sinds de jaren tachtig van de twintigste eeuw zijn in en rondom de Zuiderpolder archeologische onderzoeken uitgevoerd. Daarbij zijn archeologische resten aangetroffen uit de late prehistorie, de middeleeuwen en de nieuwe tijd, met name op strandwallen en in veengebieden. Door grootschalige ophogingen en bodemverstoringen in de twintigste eeuw is de archeologische verwachting binnen het plangebied zelf echter in sterke mate verlaagd. In de meeste gevallen werd vervolgonderzoek daarom niet noodzakelijk geacht.

Pagina | 43

Plan-mer-beoordeling Masterplan Hart voor Oostpoort, Haarlem projectnummer 0505018.100 17 april 2026 Gemeente Haarlem

Figuur 3-25 Locatie van het plangebied op de informatiekaart van de gemeente Haarlem (Bron: BAAC-rapport, 2020)

Figuur 3-25 laat zien welke gebieden volgens de Archeologische Monumentenkaart (AMK) een archeologische waarde hebben en waar archeologische onderzoeken zijn uitgevoerd. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn daarnaast diverse archeologische waarnemingen en vondsten geregistreerd. Het merendeel van deze vondsten betreft losse keramiekvondsten uit verschillende perioden, variërend van de prehistorie tot de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Direct grenzend aan het plangebied bevinden zich meerdere archeologische waardevolle terreinen. Ten oosten van het plangebied ligt een drietal AMK-terreinen, waaronder een beschermd archeologisch rijksmonument (rood gestreept op bovenstaand figuur). De andere twee terreinen (groen en oranje) vormen samen de Zuiderpolder. Deze terreinen liggen op de oudste strandwal van Haarlem en worden gekenmerkt door een (hoge) archeologische waarde. Booronderzoek in het zuidwestelijke deel van het plangebied heeft aangetoond dat daar lokaal oud duinzand voorkomt, waar sprake is van kleinschalige duinvorming. Op basis hiervan blijft in deze zone een middelhoge archeologische verwachting bestaan voor vindplaatsen uit het neolithicum tot en met de bronstijd.

Ten aanzien van ondergrondse bouwhistorische waarden geldt dat uit geraadpleegde historische kaarten geen aanwijzingen naar voren zijn gekomen voor behoudenswaardige bouwhistorische structuren binnen het plangebied. De enige historisch bekende structuur betreft een molen die in de jaren veertig van de twintigste eeuw is verdwenen.

Pagina | 44

Plan-mer-beoordeling Masterplan Hart voor Oostpoort, Haarlem projectnummer 0505018.100 17 april 2026 Gemeente Haarlem

Archeologische verwachtingskaart De provincie Noord-Holland heeft, aanvullend op de nationale archeoregio’s, enkele specifieke regio’s aangewezen als ‘regio van archeologisch belang’. De gemeente Haarlem valt echter niet binnen een dergelijke provinciale aanduiding. Wel heeft de provincie Noord-Holland de strandwal van Spaarnwoude aangewezen als aardkundig monument, waarmee het provinciale belang van deze landschappelijke eenheid wordt onderstreept. Op de archeologische verwachtingskaart in Figuur 3-26 is te zien dat binnen het plangebied grotendeels een lage archeologische verwachting geldt. Uitzondering hierop vormen enkele locaties binnen en direct grenzend aan het plangebied die zijn aangewezen met een hogere archeologische verwachting, met name in het zuidoostelijke deel. Deze zones hangen samen met de ligging nabij oude strandwal- en duinafzettingen, waar archeologische resten uit eerdere perioden niet op voorhand kunnen worden uitgesloten.

Figuur 3-26 Locatie van het plangebied op de archeologische verwachtingskaart de van gemeente Haarlem (Bron: Baac, 2021)

Effecten Uit het archeologisch bureauonderzoek blijkt dat het aannemelijk is dat binnen het grootste deel van het plangebied geen behoudenswaardige archeologische resten worden aangetroffen. Een uitzondering hierop is een kleine zone in het zuidwesten van het plangebied waar sprake is van Oud Duinzand in de ondergrond, waar een middelhoge archeologische verwachting van kracht blijft. Pagina | 45

Plan-mer-beoordeling Masterplan Hart voor Oostpoort, Haarlem projectnummer 0505018.100 17 april 2026 Gemeente Haarlem

Door middel van het bureauonderzoek is het grootse gedeelte van het plangebied vrijgegeven voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling (Figuur 3-27). Voor de zone ten zuiden van de Diakenhuisweg, in het zuidwestelijke deel van het plangebied, waar op grotere diepte (vanaf circa 3,4 m t.o.v. het NAP en circa 1,9 m t.o.v. het maaiveld) oud duinzand kan voorkomen waarin in de omgeving neolithische tot bronstijd-activiteiten zijn aangetoond, wordt geadviseerd om, indien de uiteindelijke werkdieptes dieper reiken dan dit niveau, aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren. Uit dit aanvullende onderzoek kunnen eventueel mitigerende maatregelen volgen. Daarmee worden geen aanzienlijke nadelige effecten verwacht.

Figuur 3-27 Advieskaart plangebied Haarlem-Oostpoort (Bron: Antea Group)

Conclusie Er worden geen aanzienlijke nadelige gevolgen verwacht ten aanzien van het thema archeologie.

3.9

Water De mogelijke effecten op water worden beschreven aan de hand van vier aspecten: het watersysteem, grondwater, hemelwater en waterkwaliteit.

Huidige situatie Watersysteem In het plangebied vormt de brede watergang langs de Amsterdamsevaart, als primaire watergang, de belangrijkste waterstructuur (Figuur 3-28). Deze watergang loopt in oost-westrichting parallel aan de weg en Pagina | 46

Plan-mer-beoordeling Masterplan Hart voor Oostpoort, Haarlem projectnummer 0505018.100 17 april 2026 Gemeente Haarlem

het spoortracé. Naast de Amsterdamsevaart loopt in het plangebied een andere watergang ten noorden van het spoortracé. Aan de oostzijde sluit deze aan op een grotere watergang ten oosten van de N200, die direct langs de plangrens loopt en onderdeel uitmaakt van het regionale watersysteem. Verder bevinden zich binnen het gebied enkele kleinere waterpartijen, voornamelijk rond de Camera Obscuraweg en nabij de viaducten. Deze dragen lokaal bij aan de afvoer- en in beperkte mate aan de buffering van water. Het slotenpatroon in het gebied is minder fijnmazig dan in oudere poldergebieden.

Figuur 3-28 Watergangen in plangebied

Langs de Amsterdamsevaart is een regionale waterkering aanwezig (zie Figuur 3-29), deze is vastgelegd in de vigerende legger van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het betreft hier twee regionale boezemkades aan beide oevers van de watergang. Rondom de boezemkade zijn verschillende zones aangewezen, waaronder de kernzone, het profiel van vrije ruimte, de beschermingszone en de buitenbeschermingszone. Deze zones zijn bedoeld om de waterveiligheid te waarborgen en om toekomstige versterking van de kering mogelijk te houden. Ontwikkelingen binnen deze zones zijn gereguleerd via de het Hoogheemraadschap en kunnen vergunning‑ of meldingsplichtig zijn, afhankelijk van de aard en locatie van de ingreep.

Pagina | 47

Plan-mer-beoordeling Masterplan Hart voor Oostpoort, Haarlem projectnummer 0505018.100 17 april 2026 Gemeente Haarlem

Figuur 3-29 Regionale keringen in het plangebied

Grondwater Het plangebied ligt in een laaggelegen stedelijk gebied met variërende grondwaterstanden. Het grondwater komt lokaal ondiep voor, met name in zones nabij watergangen en groengebieden. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een gemaalgestuurd polderstelsel; het afvoer‑ en peilbeheer vindt plaats binnen het stedelijke boezemsysteem van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het waterpeil wordt daarbij gestuurd via de primaire boezemwateren, zoals het Spaarne, de Mooie Nel en de Ringvaart, waarop ook de Amsterdamsevaart is aangesloten. Het grondwatersysteem functioneert daarmee in samenhang met het oppervlaktewatersysteem en het stedelijk peilbeheer. Daarnaast vindt er geen structurele grondwateronttrekking plaats binnen het plangebied. Hemelwater Het plangebied is grotendeels verhard, met een groot aandeel infrastructuur en bebouwing waardoor de infiltratiemogelijkheden beperkt zijn. Hemelwater wordt grotendeels via het rioolstelsel afgevoerd, terwijl een beperkt deel via de watergangen wordt afgevoerd. Door de sterke verharding wordt water beperkt lokaal vastgehouden waardoor de vatbaarheid voor versnelde afvoer en overstortbelasting in het plangebied relatief groot is. Waterkwaliteit Door de beperkte infiltratiecapaciteit verlaat hemelwater het gebied grotendeels via verhardingen en het rioolstelsel.

Deze situatie maakt het lokale grond- en oppervlaktewatersysteem kwetsbaar voor diffuse verontreiniging, zoals het meenemen van stoffen vanaf verhardingen, emissies uit verkeer en mogelijke historische bodemverontreinigingen afkomstig uit de nabijgelegen Waarderpolder. Door het ontbreken van natuurlijke zuiveringsprocessen, zoals bodemfiltratie en vegetatie, is de zelfreinigende capaciteit van het watersysteem beperkt. Binnen het plangebied zijn geen oppervlaktewaterlichamen aangewezen in het kader van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Er gelden daardoor geen specifieke KRW‑doelstellingen voor waterkwaliteit binnen het plangebied. Wel blijft het algemene uitgangspunt van toepassing dat nieuwe ontwikkelingen niet mogen leiden tot verslechtering van de bestaande waterkwaliteit.

Effecten Watersysteem De ontwikkelingen uit het Masterplan leiden tot een uitbreiding en herinrichting van het bestaande watersysteem. De watergang langs de Amsterdamsevaart, gelegen aan de noordzijde van het spoor, wordt verbreed, waardoor het wateroppervlak en de bergingscapaciteit toenemen. Daarnaast wordt de bestaande vijver naast het zuidelijke stationsplein vergroot.

Pagina | 48

Plan-mer-beoordeling Masterplan Hart voor Oostpoort, Haarlem projectnummer 0505018.100 17 april 2026 Gemeente Haarlem

De ingrepen van het masterplan zijn ontworpen met het oog op duurzaam waterbeheer en onderhoud op de lange termijn, en sluiten aan op het bestaande regionale watersysteem. Door de combinatie van verbreding van watergangen, vergroting van waterpartijen en een verbeterde hemelwaterverwerking verschuift het watersysteem van een afvoergericht systeem naar een multifunctioneel systeem waarin buffering een prominentere rol heeft dan voorheen. De verbreding van de watergang ten noorden van het spoor kan gevolgen hebben voor de ligging van de beschermingszones rondom de regionale boezemkade. Deze zones wijzigen niet automatisch bij ingrepen in het watersysteem. Wanneer de verbreding leidt tot aanpassing van het waterkerend profiel, kan een leggerwijziging van het Hoogheemraadschap van Rijnland noodzakelijk zijn, waarbij de zones worden aangepast. Dit heeft geen negatieve gevolgen voor het watersysteem. Grondwater Het Masterplan leidt niet tot structurele wijzigingen in het grondwatersysteem. Het plangebied blijft onderdeel van het stedelijke boezemsysteem en er worden geen wijzigingen in het peilbeheer voorzien. De bestaande peilvakindeling blijft gehandhaafd in het plan en er vindt geen actieve regulering van grondwaterstanden plaats door middel van nieuwe gemalen of peilaanpassingen. Er zullen als gevolg van het Masterplan geen structurele grondwateronttrekkingen plaatsvinden.

Als onttrekkingen plaatsvinden zullen deze uitsluitend tijdelijk en projectgebonden zijn, bijvoorbeeld tijdens de bouwfase. Daarmee is er geen blijvend effect op de grondwaterstanden. De samenhang tussen grondwater, oppervlaktewater en stedelijk peilbeheer blijft intact. De ontwikkeling leidt daarmee niet tot een verslechtering van het grondwatersysteem. Hemelwater De ontwikkeling leidt tot een wijziging in de manier waarop hemelwater wordt afgevoerd en geborgen, maar niet tot een fundamentele aanpassing van het bestaande rioolstelsel. De ontwikkeling sluit aan op het bestaande rioolsysteem, waarbij de belasting van het riool actief wordt verminderd door het toepassen van aanvullende maatregelen voor lokale verwerking en tijdelijke berging van hemelwater. Daarmee krijgt het riool een functie als afvoer‑ en bergingssysteem. Door de geplande toename van verhard oppervlak ontstaat een waterbergingsopgave. Bij een verhardingstoename van 500 m² of meer is op grond van het geldende waterbeleid verhardingscompensatie binnen de peilgebieden in de openbare ruimte vereist. Deze compensatie vindt plaats in de vorm van de aanleg van extra oppervlaktewater (15% van de verhardingstoename) of door alternatieve waterberging (55 mm/m²). Compensatie vindt in het masterplan plaats door de verbreding van de watergang en de vergroting van de vijver.

Binnen de bouwblokken en op privaat terrein wordt eveneens voorzien in tijdelijke berging van hemelwater, onder meer via groene daken en semipermeabele binnenplaatsen bij de bouwblokken. Iedere ontwikkeling draagt daarmee zelfstandig bij aan het bergen en vasthouden van het regenwater dat op het eigen perceel valt. Deze aanpak vermindert de directe afvoer van hemelwater en beperkt de piekbelasting op zowel het rioolstelsel als het oppervlaktewatersysteem. Ook zijn maatregelen in de openbare ruimte ingepast: meer groenblauw ontwikkeling in het Spoorpark, de stationspleinen en de woonstraten en het aanbrengen van wadi’s en zachte oppervlakken. Hiermee wordt invulling gegeven aan de waterbergingsopgave in de openbare ruimte op een manier die functioneel en onderhoudstechnisch uitvoerbaar is. De maatregelen uit het plan dragen samen bij aan het verwerken van hemelwater binnen het plangebied. Er worden voldoende maatregelen in het plan voorgesteld om tot een robuust en klimaatadaptief hemelwatersysteem te komen, waarin buffering en infiltratie een belangrijkere rol spelen dan in de huidige situatie. Naar verwachting zal er geen aanzienlijk effect op het hemelwater plaatsvinden. Waterkwaliteit Het masterplan houdt expliciet rekening met de toename van verhard oppervlak door maatregelen te introduceren die deze toename compenseren.

Afgezien van de extra verharding introduceert de ontwikkeling geen nieuwe significante bronnen van waterverontreiniging. Verder streeft het plan naar behoud van bestaande Pagina | 49

Plan-mer-beoordeling Masterplan Hart voor Oostpoort, Haarlem projectnummer 0505018.100 17 april 2026 Gemeente Haarlem

wateroppervlakken ter ondersteuning van de aanwezige flora en fauna. Verbreding van watergangen en vergroting van waterpartijen kan bijdragen aan het versterken van de waterkwantiteit en -kwaliteit. Als gevolg van het aanbrengen van wadi’s en zachte oppervlakken en het benutten van gebouwen als tijdelijke buffervoorziening wordt de directe afvoer van mogelijk verontreinigd afstromend water beperkt. Het beoogde woon‑werkmilieu is ook niet extra belastend voor de waterkwaliteit ten opzichte van de huidige situatie. Het plan leidt hiermee niet tot een verslechtering van de waterkwaliteit.

Mitigerende maatregelen Voor deze fase van de planvorming omtrent het masterplan zijn geen mitigerende maatregelen nodig. Bij de verdere planuitwerking van het masterplan in het omgevingsplan moet een weging van het waterbelang uitgevoerd worden. Op dat moment moeten de genoemde maatregelen uit het masterplan verder uitgewerkt zijn zodat aangetoond kan worden of toename van verharding voldoende wordt gecompenseerd met waterberging. Richting deze weging van het waterbelang kan overwogen worden om aanvullende (optimaliserende) maatregelen te treffen om het waterysteem nóg robuuster te maken en toekomstige knelpunten te voorkomen: • Extra groene daken (bijv. 100% groendak op de mobiliteitshub) – vermindert piekafvoer en hittestress, waardoor minder druk op watergangen en riolering ontstaat. • Ondergrondse wateropslag (buffers onder pleinen of straten) – vergroot de lokale bergingscapaciteit, waardoor wateroverlast bij extreme buien wordt beperkt. • Afkoppelen van regenwater op perceelniveau (bijv. regentonnen, infiltratiekratten) – verlaagt de belasting van de riolering en vermindert overstortmomenten. • Slimme monitoring van waterstanden en infiltratiecapaciteit – maakt vroegtijdige sturing en beheer mogelijk, waardoor knelpunten sneller worden gesignaleerd en voorkomen.

• Strenger materialenbeleid voor plinten en verharding (lage emissie, niet uitlogend) – vermindert diffuse verontreiniging richting bodem- en oppervlaktewater.

Conclusie Het Masterplan brengt door de toename van bebouwing en verhard oppervlak een grotere belasting van het watersysteem met zich mee. Deze belasting wordt deels opgevangen door een samenhangend pakket aan maatregelen die zijn meegenomen in het Masterplan. Zo wordt door de combinatie van uitbreiding van watergangen, lokale hemelwaterberging en aanvullende mitigerende maatregelen de resterende wateropgave beheersbaar gehouden en het watersysteem versterkt. Deze maatregelen dienen wel verder te worden uitgewerkt, geconcretiseerd en vastgelegd in besluiten in de latere fasen van de planvorming. Daarmee worden geen aanzienlijk nadelige milieugevolgen verwacht ten aanzien van het thema water.

3.10

Klimaat De ontwikkelingen uit het Masterplan vinden plaats in een stedelijke context waarin klimaat gerelateerde factoren, zoals droogte en hittestress van belang zijn voor de toekomstige inrichting en het functioneren van het gebied.

Huidige situatie Droogte De huidige waterbergingscapaciteit binnen het plangebied is minimaal. Dit komt door een combinatie van verharding en de bestaande watergangen, die weinig retentieruimte bieden en vooral een afvoerende functie hebben. Het watersysteem heeft van zichzelf een beperkte buffer om neerslag vast te houden en beschikbaar te houden voor aanvulling van het grond- en oppervlaktewater. Dit maakt het plangebied kwetsbaar in perioden van droogte. Hittestress Het stedelijk hitte-eilandeffect geeft het gemiddelde temperatuurverschil tussen de stad en het omliggende landelijke gebied weer, berekend voor het zomerseizoen (juni, juli, augustus). Stedelijke gebieden zijn doorgaans

Pagina | 50

Plan-mer-beoordeling Masterplan Hart voor Oostpoort, Haarlem projectnummer 0505018.100 17 april 2026 Gemeente Haarlem

warmer doordat gebouwen, wegen en andere verharde oppervlakken veel warmte opslaan en langzaam afgeven, terwijl verkoelende processen zoals verdamping en schaduwwerking beperkt zijn. Binnen het plangebied is het stedelijk hitte-eilandeffect overwegend matig tot laag voor een sterk verharde omgeving, met waarden die liggen tussen de 0,8 en 1,4 °C (Figuur 3-30). De hoogste waarden komen voor aan de westzijde van het plangebied, richting de stad, waar de bebouwingsdichtheid en het stedelijk hitte-eiland effect aanzienlijk toenemen. Richting het oosten neemt de temperatuur af door een afname van bebouwing en een toename van verkoelende factoren als groen- en waterstructuren.

Figuur 3-30 stedelijk hitte-eilandeffect in het plangebied

Effecten Droogte In het masterplan zijn maatregelen opgenomen die gericht zijn op het vasthouden en tijdelijk bergen van water, waardoor negatieve effecten van droogte worden beperkt. Het systeem verschuift daarmee van een overwegend afvoergericht watersysteem naar een meer robuust en klimaatadaptief systeem. Het masterplan zorgt ervoor dat water niet versneld uit het gebied wordt afgevoerd, maar juist zo veel mogelijk lokaal wordt vastgehouden. Dit gebeurt door de verbreding van bestaande watergangen, de vergroting van waterpartijen en de integratie van water en groen in de openbare ruimte, zoals in het Spoorpark en op de stationspleinen. Daarnaast wordt regenwater via zachte oppervlakken, wadi’s en infiltratievoorzieningen vertraagd afgevoerd en deels geïnfiltreerd, wat bijdraagt aan het aanvullen van het grond‑ en oppervlaktewater op een duurzame manier. Ook op gebouwniveau wordt water tijdelijk vastgehouden, onder meer via groene daken en bergingsvoorzieningen. Hierdoor blijft water langer beschikbaar in het gebied. Hoewel de Veerplas een belangrijke rol blijft spelen in de opvang van piekafvoeren, draagt de inrichting van het plangebied er met deze maatregelen aan bij dat het gebied minder kwetsbaar wordt voor droogte dan in de huidige situatie.

Op basis van het masterplan kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling niet leidt tot een verdere versnelling van waterafvoer, maar juist maatregelen introduceert die het vasthouden van water stimuleren. Daarmee worden de negatieve effecten van droogte beperkt en deels opgevangen, en wordt het watersysteem in het plangebied beter voorbereid op langere droge perioden. Hittestress De toename in verhard oppervlak kan leiden tot een intensivering van stedelijk hitte-eilandeffect en daarmee een verhoogd risico op hittestress. Tegelijkertijd is de huidige situatie al sterk verhard en kent het plangebied een matig stedelijk hitte-eilandeffect voor een stedelijke omgeving. Het masterplan houdt rekening met dit risico en Pagina | 51

Plan-mer-beoordeling Masterplan Hart voor Oostpoort, Haarlem projectnummer 0505018.100 17 april 2026 Gemeente Haarlem

het huidige stedelijk hitte-eilandeffect door in te zetten op een ruimtelijk samenhangend groen‑blauw systeem. In het plan zijn maatregelen opgenomen om het aandeel groen en water te versterken, onder meer in de vorm van het Spoorpark, vergroende stationspleinen, groene woonstraten en de uitbreiding van watergangen en andere waterlichamen. Daarnaast worden in het masterplan bomenstructuren, groene daken en natuurvriendelijke oevers toegepast, die bijdragen aan schaduwwerking en verdamping en daarmee aan verkoeling van de openbare ruimte. Hoewel de toename van verharding betekent dat het risico op hittestress niet volledig kan worden weggenomen, zorgt de combinatie van voorgestelde maatregelen ervoor dat effecten beperkt worden. Op basis van het Masterplan kan worden gesteld dat de ontwikkeling geen onevenredige toename van hittestress tot gevolg heeft.

Conclusie De ontwikkelingen uit het Masterplan vinden plaats in een klimaatgevoelige stedelijke omgeving, waar droogte en hittestress relevante aandachtspunten zijn. Het masterplan speelt hierop in met een samenhangend pakket aan maatregelen gericht op water vasthouden, vergroening en verkoeling, waardoor geen aanzienlijk nadelige gevolgen ten aanzien van droogte en hittestress worden verwacht. Omdat de voorgenomen maatregelen de potentiële negatieve milieueffecten voldoende beheersen, zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk.

3.11

Landschap en cultuurhistorie Het plangebied vormt de overgangszone tussen de stad Haarlem en het omliggende polder- en veenlandschap, waarbij infrastructuur en waterstructuren een bepalende rol spelen. Van oudsher vormen de Amsterdamsevaart en later het spoor belangrijke dragers voor transport, wat heeft geleid tot een functioneel en infrastructureel karakter van het gebied. Hoewel binnen het plangebied zelf weinig historische bebouwing aanwezig is, wordt de cultuurhistorische context mede bepaald door de directe omgeving. Ten oosten van het plangebied ligt het open landschap van Spaarnwoude en de Veerplas, evenals de Stelling van Amsterdam. Deze elementen maken de historische relatie tussen stad, landschap en infrastructuur nog steeds goed zichtbaar en geven context aan de ontwikkeling van het plangebied als stedelijke overgangszone.

Huidige situatie Landschap Het landschap binnen het plangebied is ontstaan uit de wisselwerking tussen natuurlijke veenprocessen en menselijk ingrijpen. Oorspronkelijk maakte het gebied deel uit van een laaggelegen veenlandschap, waarin ontwatering, inklinking en waterbeheer het gebruik bepaalden. In de twintigste eeuw leidde verdere verstedelijking en industrialisatie, met name richting de Waardepolder, tot ophoging en verharding, waardoor veel oorspronkelijke landschappelijke structuren zijn vervaagd. De aanleg van de Amsterdamsevaart, gevolgd door het spoor en de N200, heeft het gebied getransformeerd tot een belangrijk infrastructuurknooppunt rondom station Haarlem Spaarnwoude. De Amsterdamsevaart loopt in oost-westelijke richting door het plangebied en vormt een belangrijke landschappelijke structuur. In oostelijke richting opent het gebied zich naar het veenweidelandschap van Spaarnwoude en de Veerplas. Dit gebied ten oosten van het plangebied heeft een beschermde status en maakt onderdeel uit van de Stelling van Amsterdam, een UNESCO-werelderfgoed. Daarnaast behoort het gebied rondom de Veerplas, ten noorden van de N200, tot het Natuurnetwerk Nederland. Deze nabijheid van beschermde gebieden versterkt het karakter van het plangebied als schakel tussen stedelijk gebied en landschap.

Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn geen tastbare cultuurhistorische waarden aanwezig, zoals beschermde rijks- of gemeentelijke monumenten. De cultuurhistorische context wordt echter versterkt door de directe nabijheid van het open landschap van Spaarnwoude, de Veerplas en de Stelling van Amsterdam, die net buiten het plangebied liggen. Daarnaast bevindt zich ten westen van het plangebied een joodse begraafplaats, die is aangewezen als gemeentelijk monument.

Pagina | 52

Plan-mer-beoordeling Masterplan Hart voor Oostpoort, Haarlem projectnummer 0505018.100 17 april 2026 Gemeente Haarlem

Effecten De voorgenomen ontwikkeling leidt tot een transformatie van een overwegend infrastructureel en versnipperd gebied naar een stedelijk gebied met een duidelijke ruimtelijke structuur en een versterkte relatie met het omliggende landschap. Omdat binnen het plangebied geen beschermde rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig zijn, tast de ontwikkeling tast geen beschermde cultuurhistorische objecten binnen het plangebied aan. Ook de Stelling van Amsterdam wordt niet aangetast. Daarnaast houdt het masterplan nadrukkelijk rekening met de cultuurhistorische waarden in de directe omgeving. Het masterplan voorziet in een versterking van de stadspoortfunctie van het plangebied door een herkenbare entree van Haarlem te realiseren, waarin infrastructuur, stedelijke bebouwing en landschap samenkomen. Door aandacht voor zichtlijnen, bouwhoogten en de overgang van stedelijk naar landschappelijk gebied wordt rekening gehouden met de cultuurhistorische context van het plangebied. De positionering en hoogteopbouw zijn zodanig afgestemd dat de overgang naar het open landschap van Spaarnwoude en de Veerplas geleidelijk verloopt.

Conclusie Aangezien er binnen het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn en er rekening wordt gehouden met omliggende cultuurhistorische waarden, worden bij de ontwikkeling van het masterplan Hart voor Oostpoort geen negatieve effecten op het gebied van landschap en cultuurhistorie verwacht.

3.12

Luchthavenindelingbesluit Schiphol Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de regio rond Schiphol gelden restricties die zijn vastgelegd in het Luchthavenindelingbesluit (LIB) Schiphol. Het doel van dit besluit is het waarborgen van de veiligheid van het vliegverkeer en het beperken van risico’s in de omgeving van de luchthaven. Voor het Masterplan moet worden beoordeeld of er sprake is van effecten ten aanzien van Schiphol.

Huidige situatie Figuur 3-31 geeft weer in welke zones er restricties gelden op gebied van geluid en omgevingsveiligheid. Het plangebied ligt volledig buiten deze restrictiezones, waardoor er op gebied van geluid en omgevingsveiligheid geen effecten worden verwacht ten aanzien van Schiphol.

Pagina | 53

Plan-mer-beoordeling Masterplan Hart voor Oostpoort, Haarlem projectnummer 0505018.100 17 april 2026 Gemeente Haarlem

Figuur 3-31 Beperking bebouwing bij Luchthavenindelingbesluit Schiphol ten aanzien van geluid en omgevingsveiligheid

Wel gelden binnen het plangebied beperkingen ten aanzien van de bouwhoogte als gevolg van Schiphol. Op Figuur 3-32 is te zien dat het plangebied binnen de gele zone valt. Hier geldt een toetshoogte vanaf 40 meter t.o.v. NAP. Dit betekent dat binnen het plangebied alleen bebouwing hoger dan 40 meter kan worden toegestaan indien is aangetoond dat deze bebouwing de bedrijvigheid van Schiphol niet belemmert.

Pagina | 54

Plan-mer-beoordeling Masterplan Hart voor Oostpoort, Haarlem projectnummer 0505018.100 17 april 2026 Gemeente Haarlem

Figuur 3-32 Maatgevende kaart bij toetshoogtes bij Luchthavenindelingbesluit Schiphol

Effecten Het plangebied ligt buiten het LIB-beperkingengebied, wat betekent dat er geen negatieve effecten ten aanzien van geluid en omgevingsveiligheid ten aanzien van Schiphol worden verwacht. De bouwblokken, zoals beschreven in het Masterplan, variëren tussen de 13 en 21 meter en de torenhoogtes verschillen tussen de 26 en 40 meter. Daarmee wordt de toetshoogte uit het LIB niet overschreden.

Conclusie Er worden geen aanzienlijk nadelige gevolgen verwacht ten aanzien van het LIB Schiphol.

Pagina | 55

Plan-mer-beoordeling Masterplan Hart voor Oostpoort, Haarlem projectnummer 0505018.100 17 april 2026 Gemeente Haarlem

3.13

Gezondheid De ontwikkeling van het Masterplan Hart voor Oostpoort vindt plaats in een gebied waar verschillende omgevingsfactoren de gezondheid van toekomstige bewoners en gebruikers kunnen beïnvloeden. Huidige situatie In Figuur 3-33 is de geschatte gestapelde invloed van geluid en luchtkwaliteit op de gezondheid binnen het plangebied weergegeven. Het percentage geeft de ziektelast weer die wordt veroorzaakt door langdurige blootstelling aan omgevingsgeluid en luchtverontreiniging. Uit de kaart blijkt dat het milieugezondheidsrisico (MGR) in het plangebied relatief hoog is. De hoogste waarden concentreren zich in het industrieterrein en met name nabij de intensief gebruikte infrastructuur, zoals de N200, het spoor en drukke verkeersroutes. Hier stapelen emissies uit weg- en railverkeer zich op, wat leidt tot verhoogde geluidsniveaus en verslechterde luchtkwaliteit. Naarmate de afstand tot deze bronnen groter wordt, neemt het risico geleidelijk af en ontstaan relatief lagere waarden in de meer beschutte delen van het plangebied. In algemene zin is er ook een duidelijk onderscheid te zien tussen de gebieden die wel en niet binnen het bedrijventerrein vallen.

Figuur 3-33 Milieugezondheidsrisico weergegeven als percentage van de hoeveel van de totale ziektelast door omgevingsgeluid en luchtvervuiling (RIVM 2020)

Effecten De transformatie van het plangebied naar een stedelijk woon‑werkmilieu vindt plaats in een gebied waar de milieudruk vanuit verkeer en industrie relatief hoog is. Hoewel de ontwikkeling geen nieuwe milieubelastende bronnen toevoegt, wordt er een aanzienlijk programma aan woningen en werkfuncties gerealiseerd. Hiermee neemt de blootstelling van mensen in dit risicogebied toe. In het masterplan zijn verschillende maatregelen opgenomen die negatieve gezondheidseffecten kunnen mitigeren. Het gaat bijvoorbeeld om een autoluwe gebiedsstructuur, gesloten bouwblokken, geluidsluwe binnenterreinen en een groen-blauwe inrichting van de openbare ruimte. Deze ingrepen verminderen lokaal de verkeersdruk en verbeteren luchtkwaliteit, geluidssituatie en verblijfsklimaat. Deze maatregelen dragen bij aan het reduceren van hinder. Hiermee vertaalt het Masterplan zijn centrale thema’s – gezond en gemengd stedelijk wonen, duurzame mobiliteit en klimaatadaptatie – naar een fysieke omgeving die naar verwachting geen aanzienlijk nadelige milieugevolgen teweegbrengt en mogelijk zelfs positieve effecten veroorzaakt.

Pagina | 56

Plan-mer-beoordeling Masterplan Hart voor Oostpoort, Haarlem projectnummer 0505018.100 17 april 2026 Gemeente Haarlem

Mitigerende maatregelen Hoewel voor de eindsituatie geen mitigerende maatregelen nodig zijn, vraagt de realisatiefase wel aandacht. In de eerste ontwikkelfasen blijft de bestaande milieudruk vanuit infrastructuur en omliggende bedrijvigheid grotendeels aanwezig, terwijl de blootstelling van nieuwe bewoners en gebruikers toeneemt. Om tijdelijke effecten op de korte termijn op de gezondheid te beperken, kunnen optimaliserende maatregelen worden uitgewerkt. Denk bijvoorbeeld aan: • Een gefaseerde ontwikkeling van het programma. Hiermee kunnen de meest geluid- en luchtbelaste locaties pas worden ontwikkeld nadat structurele maatregelen uit het masterplan zijn gerealiseerd. • Spelregels stellen aan de aanleg- en uitvoeringsfase. Bijvoorbeeld om de inzet van emissieloos of emissiearm bouwmaterieel te stimuleren of het werken in strikte werktijden. Dit draagt bij aan het beperken van hinder tijdens de realisatiefase. • Aanvullende eisen aan ventilatie en luchtinlaat bij woningen nabij infrastructuur. Met de situering van luchtinlaten aan geluidsluwe zijden en toepassing van fijnstoffilters kan de binnenmilieubelasting worden gereduceerd.

Conclusie Er worden geen aanzienlijk nadelige gevolgen verwacht ten aanzien van het thema gezondheid.

Pagina | 57

Plan-mer-beoordeling Masterplan Hart voor Oostpoort, Haarlem projectnummer 0505018.100 17 april 2026 Gemeente Haarlem

4.

Conclusie De gemeente Haarlem heeft het ontwerp-Masterplan Hart voor Oostpoort opgesteld voor de ontwikkeling van circa 900 woningen en circa 19.000 m2 bvo aan functies voor werken, voorzieningen en speciaal programma. Daarnaast maken ook infrastructurele aanpassingen onderdeel uit van het masterplan. Op basis van de uitgevoerde plan-mer-beoordeling blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling geen aanzienlijke negatieve milieugevolgen met zich meebrengt. Waar mogelijk aanzienlijk (negatieve) milieueffecten zijn gesignaleerd, kunnen deze met mitigerende en compenserende maatregelen afdoende worden beperkt of voorkomen. Deze maatregelen dienen wel verder te worden uitgewerkt, geconcretiseerd en vastgelegd in besluiten in de latere fasen van de planvorming. Bijvoorbeeld in voorschriften in het stedenbouwkundig plan en bijbehorend spelregelkader, het omgevingsplan en omgevingsvergunningen.

Pagina | 58

Over Antea Group Antea Group is het thuis van 1800 trotse ingenieurs en adviseurs. Samen bouwen wij elke dag aan een veilige, gezonde en toekomstbestendige leefomgeving. Je vindt bij ons de allerbeste vakspecialisten van Nederland, maar ook innovatieve oplossingen op het gebied van data, sensoring en IT. Hiermee dragen wij bij aan de ontwikkeling van infra, woonwijken of waterwerken. Maar ook aan vraagstukken rondom klimaatadaptatie, energietransitie en de vervangingsopgave. Van onderzoek tot ontwerp, van realisatie tot beheer: voor elke opgave brengen wij de juiste kennis aan tafel. Wij denken kritisch mee en altijd vanuit de mindset om samen voor het beste resultaat te gaan. Op deze manier anticiperen wij op de vragen van vandaag en de oplossingen voor morgen. Al 70 jaar.

Contactgegevens Zutphenseweg 31D 7418 AH Deventer Postbus 321 7400 AH Deventer

Copyright © Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs. De informatie die in dit rapport is opgenomen is uitsluitend bestemd voor geadresseerde(n) en kan persoonlijke of vertrouwelijke informatie bevatten. Gebruik van deze informatie, door anderen dan de geadresseerde(n) en gebruik door hen die niet gerechtigd zijn van deze informatie kennis te nemen, is niet toegestaan. De informatie is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt door de geadresseerde, voor het doel waarvoor dit rapport is vervaardigd. Indien u niet de geadresseerde bent of niet gerechtigd bent tot kennisneming, is openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden niet toegestaan, tenzij na schriftelijke toestemming door Antea Group en wordt u verzocht de gegevens te verwijderen en direct een melding te maken bij security@anteagroup.nl. Derden, zij die niet geadresseerd zijn, kunnen geen rechten aan dit rapport ontlenen, tenzij na schriftelijke toestemming door Antea Group.

www.anteagroup.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16864970/1