CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

15 Bijlage A 6e - Addendum planmer warmteprogramma gemeente Haarlem

commissie Beheer 5 maart 2026, gemeente HaarlemBij agendapunt: Warmteprogramma 2026-2030 definitief vaststellen (RB)5.250 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

ADDENDUM Oplegnotitie planMER warmteprogramma gemeente Haarlem Klant:

Gemeente Haarlem

Referentie:

BL2167-RHD-XX-XX-RP-X-0001

Status:

Definitief/1

Datum:

11 februari 2026

Projectgerelateerd

HASKONING NEDERLAND B.V.

Contactweg 47 1014 AN Amsterdam Netherlands Mobility & Infrastructure Trade register number: 56515154 Telefoon: +31 88 348 95 00 E-mail: info@haskoning.com Website: haskoning.com

Titel document: Referentie: Status: Datum: Projectnummer: Opgesteld door:

Oplegnotitie planMER warmteprogramma gemeente Haarlem BL2167-RHD-XX-XX-RP-X-0001 Definitief/1 11 februari 2026 BL2167 Medior adviseur planstudies

Gecontroleerd door:

Senior adviseur planstudies

Classificatie:

Projectgerelateerd

Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. Haskoning Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat mogelijk persoonsgegevens van medewerkers van Haskoning Nederland B.V. Voordat publicatie plaatsvindt (of anderszins openbaarmaking), dient dit document te worden geanonimiseerd of dient toestemming te worden verkregen om dit document met persoonsgegevens te publiceren. Dit hoeft niet als wet- of regelgeving anonimiseren niet toestaat. Dit document kan zijn opgesteld met behulp van kunstmatige intelligentie (AI); alle door AI gegenereerde inhoud is beoordeeld en gevalideerd door onze experts. 11 februari 2026

ADDENDUM PLANMER WARMTEPROGRAMMA

BL2167-RHD-XX-XX-RP-X-0001

ii

Projectgerelateerd

Inhoud 1

Inleiding

2

1.1

Advies Commissie mer

2

1.2

Doel oplegnotitie

2

2

Reflectie op advies Commissie mer

3

2.1

Energiebesparingspotentieel

3

2.1.1 2.1.2

Advies Reflectie

3 3

2.2

Klimaatadaptatie (koude en hitte)

4

2.2.1 2.2.2

Advies Reflectie

4 5

2.3

Milieueffecten toekomstige warmtebronnen – geothermie

6

2.3.1 2.3.2

Advies Reflectie

6 6

2.4

Milieueffecten toekomstige warmtebronnen – aquathermie

8

2.4.1 2.4.2

Advies Reflectie

8 8

2.5

Externe veiligheid

9

2.5.1 2.5.2

Advies Reflectie

9 9

2.6

CO2-uitstoot

9

2.6.1 2.6.2

Advies Reflectie

9 9

3

Milieu-informatie in wijkwarmteplannen

10

3.1

Ruimtegebruik

11

3.2

Cumulatie van geluid

11

3.3

Laagfrequent en tonaal geluid

11

3.4

Trilling en elektromagnetische straling

12

3.5

Soortenbescherming

12

4

Vervolg

12

11 februari 2026

ADDENDUM PLANMER WARMTEPROGRAMMA

BL2167-RHD-XX-XX-RP-X-0001

1

Projectgerelateerd

1

Inleiding

Iedere gemeente in Nederland stelt een warmteprogramma op. Zo ook de gemeente Haarlem. In het geval van de gemeente Haarlem geldt hierbij ook de verplichting tot het opstellen van een planmilieueffectrapport (planMER), aangezien het Warmteprogramma kaderstellende keuzes bevat die gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Het Warmteprogramma van de gemeente Haarlem, met het bijbehorende planMER, zijn opgesteld en hebben in de maanden oktober en november 2025 ter inzage gelegen. Het Warmteprogramma is door het College op 18-11-2025 vastgesteld onder de voorwaarde dat de zienswijze van de raad geen aanleiding gaf het besluit te wijzigen of in te trekken. De gemeenteraad heeft op 18-12-2025 zienswijzen gegeven. Het College heeft aan de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie mer) gevraagd het PlanMER te toetsen en een advies te geven. De Commissie mer heeft geadviseerd het planMER op een aantal punten aan te vullen. Deze oplegnotitie wordt toegevoegd als een addendum op het planMER. Het bevat de gevraagde verduidelijking, aanvulling en reflectie op het advies van de Commissie mer. De oplegnotitie wordt, samen met het advies van de Commissie mer, aan het Haarlemse College van BenW voorgelegd.

1.1

Advies Commissie mer

‘’De aanpak van het MER voor het warmteprogramma is grotendeels gebaseerd op de aanpak die de gemeente Utrecht heeft gehanteerd. De structuur van het MER is helder en ook is het MER goed leesbaar. Daarnaast geeft het MER op veel milieuthema’s een duidelijk overzicht van de milieugevolgen van de alternatieven per wijktype. De Commissie concludeert ook dat het MER belangrijke informatie mist die nodig is om het belang van de leefomgeving goed te kunnen meewegen bij de besluitvorming over het warmteprogramma. Het gaat daarbij om drie hoofdpunten: •

•

•

1.2

Gebrek aan inzicht in de koudevraag en bijbehorende milieugevolgen: Het MER geeft onvoldoende inzicht in de gemeentelijke koudevraag en de milieueffecten daarvan, zoals geluid en hittestress. Omdat sommige warmteoplossingen (deels) ook de koudevraag invullen en bij andere aanvullende voorzieningen zoals airco’s nodig zijn, kunnen extra effecten optreden op energiegebruik en milieu. Onvoldoende uitwerking van onzekerheden en milieugevolgen van warmtebronnen: De beschikbaarheid van geothermie is onzeker, terwijl deze bron wel essentieel is voor de uitvoerbaarheid van het plan. Het MER gaat hier onvoldoende op in en besteedt ook te weinig aandacht aan mogelijke fasering en alternatieve warmtebronnen. Daarnaast zijn de milieugevolgen van aquathermie, bijvoorbeeld voor de aquatische ecologie en in relatie tot de Kaderrichtlijn Water, nog onvoldoende in beeld gebracht. Onvolledige beschrijving van milieugevolgen per wijktype en buurt: Voor een deel van de wijktypen en Haarlemse buurten ontbreekt nog milieu-informatie, onder andere op het gebied van geluid, trillingen en straling, ruimtegebruik, natuur en externe veiligheid, waardoor alternatieven niet volledig kunnen worden beoordeeld.’’

Doel oplegnotitie

Met deze notitie wordt inzichtelijk gemaakt hoe is omgegaan met het advies. Er wordt een reflectie gegeven op het advies en er wordt aangegeven wat deze reflectie betekent voor de effectbeoordeling in het planMER. Ook wordt aangegeven op welke manier het advies wordt meegenomen in het vervolgproces van de warmtetransitie in de gemeente Haarlem.

11 februari 2026

ADDENDUM PLANMER WARMTEPROGRAMMA

BL2167-RHD-XX-XX-RP-X-0001

2

Projectgerelateerd

Het Warmteprogramma en de planMER hoeven niet te worden aangepast. Door de oplegnotitie als addendum bij het planMER vast te stellen, worden de milieu-aandachtspunten richting de verdere uitwerking en uitvoering van het warmteprogramma geborgd. Hoofdstuk twee van de oplegnotitie bevat een reflectie en nadere uitwerking van: 1) het besparingspotentieel in relatie tot de warmtevraag, 2) de koudevraag, 3) de milieueffecten van toekomstige warmtebronnen, 4) ruimtegebruik, 5) externe veiligheid en 6) CO2-uitstoot. In de reflectie wordt aangegeven wat dit betekent voor de effectbeoordeling, zoals beschreven in het planMER. In hoofdstuk drie is nader ingegaan op de adviezen van de Commissie mer die een plek krijgen in het vervolgproces van de warmtetransitie in Haarlem. Op deze adviezen is in deze oplegnotitie niet gereflecteerd en aangevuld. Tot slot is in hoofdstuk vier het vervolg van het warmteprogramma in relatie tot milieu-informatie beschreven.

2

Reflectie op advies Commissie mer

2.1

Energiebesparingspotentieel

2.1.1

Advies

In het referentiescenario dat voor het MER is opgesteld, wordt aangegeven dat de warmtevraag van bestaande woningen tussen 2025 en 2050 daalt met gemiddeld 35%. Dit getal is overgenomen vanuit het MER dat is opgesteld voor de beleidsnota en het warmteprogramma voor de gemeente Utrecht. Een goede onderbouwing ontbreekt waarom dit kengetal van toepassing zou zijn op de Haarlemse woningvoorraad. De Commissie verwacht dat 35% gemiddelde besparing optimistisch is. Eerder onderzoek geeft Majcen et al. 2014. Relatie tussen energielabel, werkelijk energiegebruik en CO2-uitstoot van Amsterdamse corporatiewoningen bijvoorbeeld aan dat voor een isolatiestap van energielabel G naar A 38% isolatie te verwachten is, en veel woningen in Haarlem zijn op dit moment al beter geïsoleerd.

2.1.2

Reflectie

Energiebesparing bestaat uit een technisch aspect en een gedragsaspect. Met goede coaching en bewustwordingscampagnes is een kleine wist te behalen. Ingrijpende, technische maatregelen zoals dakisolatie en muurisolatie zijn nodig om de grote besparingen te realiseren. De Standaard voor Isolatie, als leidend principe De Standaard voor isolatie is een (vrijwillig) vergaande isolatieambitie die vanuit het rijk geadviseerd wordt en de gemeente Haarlem heeft opgenomen als leidend principe (en niet als uitgangspunt) in haar warmteprogramma. Wanneer de woningen/gebouwen in Haarlem in de toekomst geïsoleerd zouden zijn tot de Standaard, is de bijbehorende warmtebesparing 35,84% op het huidige verbruik (indicatieve berekening). Deze besparing is o.b.v. de gemiddelde besparing bij het toepassen van de standaard van de NPLW-referentiewoningen1 en de verhouding voor/na-oorlogse woningen in Haarlem. In de standaard voor isolatie is een warmtebesparing van ca. 25% op vooroorlogse, en 55% op naoorlogse woningen nodig om te voldoen aan de eis. Dit is alleen in theorie haalbaar. Uit ervaring blijkt dat de standaard voor isolatie geen realistisch doel is i.v.m. het ruimtelijke impact en capaciteit van de branche.

1

Isolatienormen woningen (Standaard en streefwaarden) | NPLW

11 februari 2026

ADDENDUM PLANMER WARMTEPROGRAMMA

BL2167-RHD-XX-XX-RP-X-0001

3

Projectgerelateerd

Omvang van de isolatieopgave De totale isolatieopgave betreft ruwweg 70.000 panden, met zowel woningen als utiliteit (BAG, actueel). Met 2050 als einddoel, zou dit betekenen dat 1.800 bestaande woningen per jaar geïsoleerd moeten worden. De opgave in Haarlem ziet er als volgt uit: • 84.517 panden totaal • 16.278 Label B (afgemeld) • 44.829 vooroorlogse panden met isolatieopgave • 23.410 naoorlogse panden met isolatieopgave Daarnaast is de nodige investering restrictief; in een soortgelijk onderzoek is nodige investering berekend van gemiddeld €56.000,- per woning om deze grondig te isoleren. Dit komt neer op een nodige investering van €100 miljoen per jaar, voor alleen de isolatieopgave. Ecologische bescherming Essentiele voorwaarde voor isolatie is dat er geen beschermde soorten verstoord of gedood worden. Dit betekent dat er officieel alleen geïsoleerd mag worden als er een Soorten Management Plan (SMP) is opgesteld. Deze stelt kaders voor de werkzaamheden die zowel vertragend werken, als beperkingen zijn voor welke maatregelen geplaatst mogen worden wat effectief betekent dat minder isolatie toegepast kan worden, en dat dit langzamer gaat. Doelmatigheid isolatie Het nodige isolatieniveau moet aansluiten op het nodige isolatieniveau voor de toekomstige warmtetechniek.

Wanneer woningen ruimschoots boven het nodige isolatieniveau worden gerenoveerd, is dat in principe kapitaalvernietiging. Deze middelen hadden beter elders ingezet kunnen worden. 15 – 20% Besparing Vanuit ervaring (expert-judgement) met vergelijkbare onderzoeken is een besparing van ongeveer 1520% realistisch afhankelijk van inspanning van de gemeente op dit dossier en de aanwezigheid van “moeilijk te isoleren gebouwen” (zoals monumenten) en het huidige gemiddelde energielabel in Haarlem dat al relatief goed is. Gezien de woningvoorraad in Haarlem, is te verwachten dat de ondergrens haalbaar is van deze bandbreedte. Conclusie De realistische energiebesparing wordt lager ingeschat dan het percentage van 35% dat wordt aangegeven in het planMER op basis van de isolatiestandaard. Uitgaande van het feit dat gebouwen in Haarlem al relatief goed geïsoleerd zijn, betekent dat, dat de isolatieopgave minder groot is dan in het planMER wordt aangegeven. Dit beperkt de negatieve impact op natuur en biodiversiteit. De effectbeoordeling is gelijk aan het planMER, omdat voor een substantieel deel van de gebouwvoorraad aanvullende isolatiemaatregelen nodig blijven en de gehanteerde effectbeoordeling daarmee robuust blijft.

2.2

Klimaatadaptatie (koude en hitte)

2.2.1

Advies

‘’De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, een onderbouwing te geven van de koudevraag en daarbij de uitgangspunten weer te geven. Neem dit vervolgens mee in de beoordeling van de alternatieven en welke milieugevolgen dit met zich meebrengt (onder andere geluid en hittestress).’’

11 februari 2026

ADDENDUM PLANMER WARMTEPROGRAMMA

BL2167-RHD-XX-XX-RP-X-0001

4

Projectgerelateerd

2.2.2

Reflectie

De warmtetransitie richt zich primair op het verduurzamen van de warmtevoorziening in de gebouwde omgeving, met als doel het verminderen van het gebruik van aardgas en de bijbehorende CO₂‑emissies. Zo ook het Haarlemse warmteprogramma. Het planMER heeft daarom bovenal betrekking op de milieueffecten van de warmtetransitie en niet op de milieueffecten van het voorkomen/beperken van hittestress. Echter is er wel samenhang. Deze beschouwing dient ter duiding van de samenhang tussen warmtetransitie en klimaatadaptatie en vormt geen zelfstandige uitbreiding van de scope van het planMER. De alternatieven Sommige duurzame warmteoplossingen, zoals zeer-lage-temperatuur warmtenetten met een WKO en individuele bodemwarmtepompen, kunnen in potentie zowel warmte als koude leveren. Daarmee kan op een geïntegreerde manier worden voorzien in de warmtevraag in de winter en de koudevraag in de zomer, wat efficiënt kan zijn en extra elektriciteitsverbruik kan beperken. Vooral bij nieuwbouw werkt dit goed, omdat de warmteafgiftesystemen in nieuwbouw ook geschikt zijn om te koelen. De potentie om te koelen met duurzame warmteoplossingen in de bestaande bouw is beperkt.

Bij warmteoplossingen die geen koude leveren, zoals MT-warmtenetten, of weinig koude leveren, zoals een lucht-waterwarmtepomp, kan door opwarming van de aarde in theorie een grotere behoefte ontstaan aan aanvullende koelvoorzieningen, bijvoorbeeld airco’s. Dit kan leiden tot een hogere elektriciteitsvraag, maar kan worden opgewekt door zon op dak. Dit kan zelfs netcongestieverzachtend werken, omdat opgewekte elektriciteit op zonnige dagen meteen kan worden gebruikt. Verbeterde isolatie en luchtdichtheid, die vaak onderdeel zijn van de warmtetransitie, kunnen in de winter bijdragen aan een lagere warmtevraag, maar in de zomer juist leiden tot een te warme woning als onvoldoende aandacht wordt besteed aan zonwering, ventilatie en (passieve) koeling. Koppelkansen Het KNMI voorspelt dat in 2050 het aantal koeldagen gaat verdubbelen. Dit is een autonome ontwikkeling waar we in principe rekening mee dienen te houden. De warmtetransitie biedt mogelijkheden om hittestress te beperken en overlast tegen te gaan, bijvoorbeeld door het combineren van energieprojecten met vergroening, waterberging, schaduwwerking en reflecterende materialen. In wijkuitvoeringsplannen kunnen deze koppelkansen concreet worden uitgewerkt. Koude, hitte en milieu De wijze waarop in de warmtetransitie wordt omgegaan met de toenemende koudevraag en met hittestress heeft meerdere milieueffecten.

Deze effecten treden op verschillende schaalniveaus op en raken meerdere milieuthema’s. • Systemen die warmte en koude combineren, zoals WKO, kunnen de totale energievraag beperken en daarmee leiden tot lagere emissies van broeikasgassen. • Individuele koelinstallaties en warmtepompen die worden gebruikt om te koelen kunnen bijdragen aan geluidbelasting, met name in dichtbebouwde wijken. Bij grootschalige toepassing kan dit een effect hebben op de leefkwaliteit. • Extra technische installaties aan gevels, daken of in de openbare ruimte kunnen het stedelijk beeld beïnvloeden en leiden tot verrommeling of extra ruimtebeslag. • Koelinstallaties en warmtepompen op de koelstand (buitenunits) voeren warmte af naar de buitenlucht. Bij grootschalig gebruik kan dit bijdragen aan hogere lokale temperaturen, vooral in stenige en dicht bebouwde gebieden (waar de hittestress al relatief hoog is), wat de hittestress versterkt. • Warmte en energie-infrastructuur kan, afhankelijk van de inpassing, leiden tot vermindering van groen en open ruimte, wat een negatief effect heeft op verkoeling, biodiversiteit en waterhuishouding. 11 februari 2026

ADDENDUM PLANMER WARMTEPROGRAMMA

BL2167-RHD-XX-XX-RP-X-0001

5

Projectgerelateerd

Een nuancering is: dat opwarming van het klimaat een autonome ontwikkeling is en daarmee ook de groei van het aantal airco’s. Daar waar autonoom een airco draait, draait na de warmtetransitie mogelijke warmtepomp, met vergelijkbare effecten voor de omgeving. Hooguit kan bij toepassing van een WKO een airco voorkomen worden en dus positief effect optreden. De milieueffecten van koude en hitte in relatie tot de warmtetransitie zijn op programmaniveau slechts beperkt concreet te maken, omdat het sterk afhangt van lokale keuzes in techniek, inpassing en gebruik. De daadwerkelijke milieugevolgen doen zich vooral voor op wijk en gebouwniveau. Daarom is het van belang deze effecten nadrukkelijk te betrekken bij de verdere uitwerking in wijkwarmteplannen en bij herinrichtingen van de openbare ruimte, waar mitigerende maatregelen kunnen worden uitgewerkt en gekoppeld aan klimaatadaptatie en verbetering van de leefomgeving. Conclusie Het warmteprogramma en het bijbehorende planMER richten zich primair op de milieueffecten van de warmtetransitie. De milieueffecten van een afzonderlijke koudetransitie maken daarvan geen onderdeel uit. Daarbij is de vraag naar koude-installaties een autonome ontwikkeling die in alle buurten zal ontstaan. Na de warmtetransitie zal de vraag naar airco’s deels worden opgevangen met WKO-systemen en/of zeer lage temperatuur warmtetten.

De warmtetransitie kan potentieel leiden tot vermindering van groen en openbare ruimte. Wijkwarmteplannen zijn een kans om de warmtetransitie te verbinden met andere opgaves en ervoor te zorgen dat beide opgaven optimaal met elkaar worden verbonden en dat de energietransitie niet leidt tot minder groen. Deze aspecten vormen daarom geen aanleiding om de effectbeoordeling in het planMER aan te passen, maar worden in de vervolgfase nadrukkelijk betrokken bij de uitwerking van wijkwarmteplannen en concrete projectbesluiten, waar gerichte mitigerende en adaptieve maatregelen kunnen worden uitgewerkt.

2.3

Milieueffecten toekomstige warmtebronnen – geothermie

2.3.1

Advies

De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming: • Aan te geven welke onzekerheden er zijn voor het benutten van geothermie als bron; • Te laten zien dat ook met minder vermogen en volume geothermie de alternatieven uitvoerbaar zijn, of dat aanvullende bronnen nodig zijn en/of dit impact heeft op fasering van de warmtetransitie.

2.3.2

Reflectie

De gemeente Haarlem werkt aan de financiering van 3D-seismisch onderzoek. De inschatting is dat het uitvoeren van 3D-seismisch onderzoek de meeste relevante informatie voor Haarlem oplevert om meer of voldoende zekerheid te verkrijgen over de zekerheid van geothermie als warmtebron. In het warmteprogramma is ervan uitgegaan dat er tenminste twee geothermiebronnen worden ontwikkeld in Haarlem. Zolang er echter nog geen doublet is geboord en er nog geen 3D-seismiek is geschoten, kan nog niet met zekerheid gesteld worden dat geothermie een substantiële bijdrage gaat levering aan de warmtevoorziening van de stad.

11 februari 2026

ADDENDUM PLANMER WARMTEPROGRAMMA

BL2167-RHD-XX-XX-RP-X-0001

6

Projectgerelateerd

De vraag is vervolgens: als geothermie niet of slechts in zeer beperkte mate kan bijdragen aan de warmtevoorziening van de stad, is er dan nog voldoende warmte? Kan Haarlem het warmteprogramma dan nog wel realiseren? In de bronnenstrategie is de volgende figuur opgenomen:

In bovenstaande figuur is de ontwikkeling van vraag en aanbod van warmte op elkaar afgestemd. De ontwikkeling van een geothermiebron tot aan productie duurt minimaal 7 jaar. Voor het huidige Warmteprogramma 2026-2030 is geothermie daarom niet relevant als warmtebron. Als geothermie niet realistisch blijkt, dan komt het plaatje, als er verder niets verandert, er als volgt uit te zien:

In bovenstaande figuren is het aanbod van aardwarmte op nul gezet. Af te lezen valt dat er binnen de termijn van dit warmteprogramma, dus tot 2030, het aanbod de vraagontwikkeling goed bij kan houden. Pas in de tweede helft van de jaren 30 zal bij onveranderd beleid de vraag het aanbod overstijgen. Dit betekent dat begin jaren 30 vooruitgekeken moet worden om ervoor te zorgen dat het aanbod van warmte voldoende blijft. De mogelijkheden die dan voor de hand liggen is om extra warmte vanuit de datacenters te onttrekken. Ook de (extra) bouw van grootschalige luchtwarmtepompen en E-boilers in combinatie met warmtebuffers biedt mogelijkheden om te zorgen dat er voldoende warmte beschikbaar komt in Haarlem.

11 februari 2026

ADDENDUM PLANMER WARMTEPROGRAMMA

BL2167-RHD-XX-XX-RP-X-0001

7

Projectgerelateerd

Conclusie De rol van geothermie in het huidige warmteprogramma is beperkt. Ook zijn specifieke locaties voor geothermie nog niet onderzocht, maar worden deze op korte termijn wel onderzocht. In het volgende warmteprogramma zal geothermie een prominentere rol krijgen. De effectbeoordeling blijft gelijk aan het planMER.

2.4

Milieueffecten toekomstige warmtebronnen – aquathermie

2.4.1

Advies

De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, op hoofdlijnen in beeld te brengen welke milieugevolgen door aquathermie optreden op de locaties. Geef aan wat de impact is op aquatische ecologie en of de milieugevolgen toelaatbaar zijn in het licht van de Kaderrichtlijn Water en andere natuurregelgeving. Als mogelijk sprake is van ontoelaatbare of niet mitigeerbare effecten, laat dan zien welke impact dit heeft op de uitvoerbaarheid van alternatieven.

2.4.2

Reflectie

In het Warmteprogramma zijn nog geen specifieke locaties voor Thermische Energie uit Oppervlaktewater (TEO) aangewezen. Ook zijn nog geen debieten/capaciteiten voor de TEO-installaties in beeld. Daarom zijn in het planMER geen milieugevolgen op de genoemde locaties in beeld gebracht, maar wel voor TEO in zijn algemeenheid. Hierbij gaat het om de mogelijke impact op de thermische, ecologische en geohydrologische kwaliteit van het oppervlaktewater. In zijn algemeenheid kunnen TEO-installaties zorgen voor temperatuurveranderingen van het water en inzuiging van organismen. Die effecten zullen zich heel lokaal voordoen, vlak bij de installatie. TEO-installaties kunnen ook een positief effect hebben op de kwaliteit van het water. Door een temperatuurverlaging kan het leefmilieu van organismen worden aangetast. Nu het Warmteprogramma is vastgesteld is een voorlopig warmtekavel vastgesteld. De komende periode wordt, met het aangewezen Warmtebedrijf Haarlem, de haalbaarheid van bronnen verder onderzocht t.b.v. de Wijkwarmteplannen voor de aangewezen buurten.

De gemeente gaat het komende halfjaar nader onderzoek uitvoeren naar geschikte locaties voor TEO en Thermische Energie uit Afvalwater (TEA) in combinatie met debieten/capaciteiten die nodig zijn voor de aangewezen buurten, de schaal van de installaties (een paar grote of meerdere kleine), de koudepluimen (en dus ruimtelijke spreiding binnen de gemeente) en andere milieueffecten. Op dit moment loopt een uitgebreid onderzoek, waarbij ook het Hoogheemraadschap van Rijnland is betrokken, naar de effecten van TEA installaties op kleine waterorganisme bij verschillende typen watersystemen en installaties. Eind Q1 2026 worden eerste resultaten verwacht. Deze resultaten worden betrokken bij het onderzoek (best mogelijke technieken toepassen). Overigens past Rijnland voor de vergunningverlening de STOWA Handreiking Aquathermie toe en die zijn conservatief. Een WKO moet geregenereerd worden. In plaats van aquathermie kunnen hiervoor ook droge koelers ingezet worden. Droge koelers zijn een soort industriële ventilatoren met warmtewisselaars die warmte uit de lucht halen om WKO’s te regenereren. Het grootste milieueffect van droge koelers is dat ze ventilatoren gebruiken om warme uit de lucht te onttrekken in de zomer, wat kan leiden tot geluidoverlast en uitstoot van koelere lucht.

Vanwege mogelijke geluidseffecten is het aan te raden droge koelers te plaatsen in gebieden waar de geluidbelasting al hoog ligt, of weinig mensen hinder kunnen ondervinden. Bijvoorbeeld op relatief hoge, platte daken.

11 februari 2026

ADDENDUM PLANMER WARMTEPROGRAMMA

BL2167-RHD-XX-XX-RP-X-0001

8

Projectgerelateerd

Conclusie Gemeente Haarlem onderzoekt geschikte locaties voor TEO en voor TEA. Wanneer locaties in beeld zijn, kan nader onderzoek worden gedaan naar de effecten die zich lokaal voor kunnen doen en hoe deze kunnen worden gemitigeerd. Dit wordt samen met het Hoogheemraadschap van Rijnland gedaan. De effectbeoordeling blijft gelijk aan het planMER.

2.5

Externe veiligheid

2.5.1

Advies

De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, om de externe veiligheidsrisico’s bij warmtepompsystemen inzichtelijk te maken.

2.5.2

Reflectie

Warmtepompen gelden over het algemeen als veilige installaties, mits zij correct zijn ontworpen, geïnstalleerd en beheerd. Bij grootschalige toepassing in de gebouwde omgeving kunnen echter verschillende veiligheidsrisico’s optreden, die aandacht vragen bij planvorming en uitvoering. Brand- en explosierisico’s Warmtepompen werken op elektriciteit. Het verkeerd installeren van een warmtepomp of gebrekkig onderhoud kan leiden tot oververhitting en soms tot brand. Warmtepompen maken gebruik van koudemiddelen (zoals propaan, CO₂ of synthetische middelen). Sommige natuurlijke koudemiddelen, zoals propaan (R290), zijn brandbaar. Bij lekkage in een slecht geventileerde ruimte kan een ontvlambaar mengsel ontstaan. Dit vraagt om naleving van veiligheidsnormen, reguliere controles en plaatsing van binnenunits in goed geventileerde ruimtes. Conclusie Warmtepompen kunnen meerdere risico’s voor externe veiligheid hebben, maar de effecten zullen lokaal zijn. Er zijn geen lokale kenmerken die het effect versterken. De effectbeoordeling blijft gelijk aan het planMER.

2.6

CO2-uitstoot

2.6.1

Advies

De Commissie ziet dat de gemeente Haarlem niet wil inzetten op gebruik van restwarmte uit afvalverbrandingsinstallatie en dat de alternatieven beperkt onderscheidend zijn. Zij beveelt wel aan om bij het warmteprogramma een beschouwing op te nemen over de verschillen van CO2-reductie (in de keten) van de alternatieven en daarbij ook in te gaan op leveringszekerheid van warmtebronnen zoals datathermie. Dit helpt om vragen die er komen over de CO2-reductie goed te kunnen beantwoorden.

2.6.2

Reflectie

Warmtesystemen zoals warmtenetten en individuele of collectieve warmtepompen worden vaak aangeduid als “CO₂vrij” of “emissievrij”. In de praktijk zijn zij echter niet per definitie volledig CO₂vrij, maar CO₂arm, waarbij de uiteindelijke klimaatimpact afhankelijk is van het totale systeemontwerp, de energiebronnen die worden ingezet en de wijze waarop pieken en flexibiliteit worden opgevangen. Deze beschouwing dient ter duiding van de CO₂-aspecten van de verschillende warmtealternatieven en vormt geen herbeoordeling of aanvulling van de effectbeoordeling in het planMER. 11 februari 2026

ADDENDUM PLANMER WARMTEPROGRAMMA

BL2167-RHD-XX-XX-RP-X-0001

9

Projectgerelateerd

Warmtenetten Een warmtenet kan in principe CO₂-vrij functioneren wanneer alle warmte volledig wordt geleverd uit duurzame warmtebronnen. In veel gevallen is de beschikbaarheid van deze bronnen niet continu of onvoldoende om de volledige warmtevraag af te dekken, met name tijdens koude perioden met hoge vraag. Om deze leveringszekerheid te waarborgen, beschikken warmtenetten vrijwel altijd over pieklasten back-upinstallaties, die: • worden ingezet bij extreme kou (vermogen dekkend), • nodig zijn bij onderhoud of storingen aan duurzame bronnen, • flexibiliteit bieden bij fluctuaties in aanbod. Deze piekinstallaties zijn in de huidige praktijk vaak gasgestookte ketels. Hoewel ze slechts een beperkt deel van het warmtevolume leveren (vaak enkele procenten tot ~ 15–20%), zijn ze verantwoordelijk voor een groot deel van de CO₂-emissies van het warmtesysteem. Met warmtebuffers of plaatsing van een extra industriële warmtepompen is het gasverbruik in de toekomst verder te beperken. Voor de toekomst wordt ook gedacht aan de toepassing van duurzame gassen voor de piek- en backup. Warmtepompen Warmtepompen hebben geen directe emissies op locatie, maar zijn volledig afhankelijk van elektriciteit. De mate waarin zij CO₂-vrij zijn, hangt af van: • de CO₂-intensiteit van de gebruikte elektriciteit, • het moment van verbruik (bijvoorbeeld piekuren), • de efficiëntie van de warmtepomp (COP).

Hoewel de Nederlandse elektriciteitsmix steeds verder verduurzaamt, is deze nog niet volledig CO₂-vrij, met name tijdens perioden van hoge vraag en lage duurzame opwek. Hiermee is de warmtelevering indirect gekoppeld aan CO₂-emissies op systeemniveau. Iedere soort warmtepomp heeft daarbij een andere COP en dus een andere elektriciteitsvraag. Leveringszekerheid Leveringszekerheid van datathermie voor een lange periode (30 jaar) is beperkt gegarandeerd, want een datacentrum kan na verloop van tijd stoppen of verplaatsen, waardoor ook die levering van warmte stopt. Dit zal dan moeten worden opgevangen door andere alternatieven, zoals andere datacenters, andere lokale restwarmtebronnen of individuele systemen. Daarbij is het voor warmtenetten vaak nog nodig een gasgestookte ketel te realiseren voor de piek en back-up last. Conclusie Geen van de alternatieven in het planMER zal in de komende jaren volledig CO ₂‑vrij zijn. Dit geldt zolang de elektriciteitsvoorziening en eventuele back ‑ups niet volledig duurzaam zijn en piekinstallaties nog fossiel zijn. De verwachting is dat de elektriciteitsvoorziening, back-ups en piekinstallaties wel steeds verder zullen verduurzamen. Op termijn zullen de alternatieven daardoor wel CO ₂‑vrij zijn. De effectbeoordeling blijft gelijk aan het planMER.

3

Milieu-informatie in wijkwarmteplannen

Niet alle adviezen en opmerkingen leiden tot een aanpassing of nadere uitwerking in deze oplegnotitie. Een deel van de adviezen zit op een detailniveau, locatie-specifieke afwegingen of uitvoeringsvraagstukken die beter passen bij de fase van de wijkwarmteplannen. Dit zijn de uitvoeringsplannen die volgen uit het Warmteprogramma. Deze adviezen worden daarom niet in het kader van het planMER nader uitgewerkt, maar worden meegenomen en opgevolgd bij de verdere uitwerking van de wijkwarmteplannen, waarin concrete keuzes en maatregelen per wijk worden uitgewerkt. Het gaat 11 februari 2026

ADDENDUM PLANMER WARMTEPROGRAMMA

BL2167-RHD-XX-XX-RP-X-0001

10

Projectgerelateerd

om adviezen over 1) ruimtegebruik, 2) cumulatie van geluid, 3) laagfrequent geluid, 4) trillingen en straling en 5) soortenbescherming.

3.1

Ruimtegebruik

Advies De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming om bij de beoordeling van het ruimtegebruik ook in te gaan op andere opgaven in dezelfde ruimte. Gebruik daarbij locatie-specifieke informatie. Reflectie Op buurtniveau kan de warmtetransitie vooral in de knel komen door concurrentie om schaarse ruimte in zowel de boven‑ als ondergrond, met name in dichtbebouwde stedelijke buurten. De grootste spanningen ontstaan waar de warmtetransitie samenvalt met andere grote opgaven, zoals woningbouw, netverzwaring, klimaatadaptatie, vergroening en mobiliteitstransities. Daarom is het van belang om in wijkwarmteplannen: • Vroegtijdig integraal af te wegen tussen ruimtevragers, • Energie‑infrastructuur te combineren met herinrichting van de openbare ruimte, • Keuzes te baseren op buurt‑specifieke data en ontwerpend onderzoek. In het planMER is overigens al aangegeven dat een integrale beschouwing op wijk of buurtniveau nodig is om een concreet inzicht te geven in de samenhang met andere ruimtevragers. De gemeente kiest ervoor om deze beoordeling en afwegingen te maken voor de Wijkwarmteplannen en de besluitvorming hierover.

3.2

Cumulatie van geluid

Advies De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, duidelijker de lokale informatie te gebruiken voor de buurt- en locatiespecifieke beoordeling of aandachtspunten. Reflectie Om cumulatie van geluid inzichtelijk te maken, wordt per buurt inzicht gegeven in de bestaande en verwachte geluidbelasting. Door deze buurtspecifieke benadering kan worden beoordeeld hoe de bijdrage van nieuwe bronnen, zoals warmtepompen, zich verhoudt tot het bestaande geluidsniveau. Op deze manier wordt inzichtelijk of en waar warmtepompen mogelijk hoorbaar kunnen zijn voor de omgeving, en of cumulatie van geluid kan leiden tot aandachtspunten voor de leefkwaliteit. Deze informatie vormt een belangrijke basis voor het treffen van gerichte mitigerende maatregelen in de wijkwarmteplannen. De gemeente kiest ervoor om deze beoordeling en afwegingen te maken voor de Wijkwarmteplannen en de besluitvorming hierover.

3.3

Laagfrequent en tonaal geluid

Advies De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, voor laagfrequent geluid generieke effectafstanden op te stellen. Koppel deze aan de specifieke wijktypen en lokale buurten (bijvoorbeeld met een GIS12-analyse en effectafstanden) zodat de omvang van de potentiële impact duidelijk wordt. Geef hiervan de beoordeling en neem dit mee in locatie-specifieke aandachtspunten.

11 februari 2026

ADDENDUM PLANMER WARMTEPROGRAMMA

BL2167-RHD-XX-XX-RP-X-0001

11

Projectgerelateerd

Reflectie Om de mogelijke effecten van laagfrequent en tonaal geluid goed te kunnen beoordelen, wordt met behulp van GIS‑analyses inzichtelijk gemaakt in hoeverre het kansrijk is om effectafstanden voor deze milieuthema’s toe te passen op buurtniveau. De gemeente kiest ervoor om deze beoordeling en afwegingen te maken voor de Wijkwarmteplannen en de besluitvorming hierover.

3.4

Trilling en elektromagnetische straling

Advies De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, voor trillingen en elektromagnetische straling generieke effectafstanden op te stellen. Koppelen deze aan de specifieke wijkentype en lokale buurten (bijvoorbeeld met een GIS13-analyse en effectafstanden) zodat de omvang van de potentiële impact duidelijk wordt. Geef hiervan de beoordeling en neem dit mee in locatie-specifieke aandachtspunten. Reflectie Om de mogelijke effecten van trillingen en straling goed te kunnen beoordelen, wordt met behulp van GIS‑analyses inzichtelijk gemaakt in hoeverre het kansrijk is om effectafstanden voor deze milieuthema’s toe te passen op buurtniveau. Door ruimtelijke gegevens over bronnen, bebouwing en gevoelige functies te combineren, kan per buurt worden beoordeeld of het hanteren van effectafstanden een zinvolle en toepasbare methodiek is. Dit biedt input om eventuele aandachtsgebieden te identificeren en vormt een basis voor verdere beoordeling en maatwerk in de wijkwarmteplannen (en de besluitvorming hierover).

3.5

Soortenbescherming

Advies De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, weer te geven bij welke buurten of locaties er specifieke aandachtspunten zijn voor beschermde soorten. Gebruik de data uit de NDFF (Nationale Flora en Faunabank) en andere gemeentelijke soorteninformatie. Zorg daarbij dat vleermuissoorten worden gespecifieerd. Reflectie De gemeente werkt momenteel aan een onderzoek naar voorkomende soorten in de gemeente. De resultaten van dit onderzoek worden gebruikt om meer duidelijkheid te geven over de effecten van de warmtetransitie op soortenbescherming in de wijkwarmteplannen.

4

Vervolg

De gemeente zal in de wijkwarmteplannen nader en meer gedetailleerd onderzoek doen naar milieueffecten. Daarbij wordt de generieke benadering op basis van wijktypen die in het planMER is gehanteerd, aangevuld met informatie over buurten. Hierdoor kunnen milieueffecten gerichter en beter onderbouwd worden beoordeeld en kunnen maatregelen beter worden afgestemd op de lokale situatie en kenmerken van de buurt.

11 februari 2026

ADDENDUM PLANMER WARMTEPROGRAMMA

BL2167-RHD-XX-XX-RP-X-0001

12

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16629549/1