11 Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
QUICKSCAN FLORIS VAN ANDRICHEMLAAN TE HAARLEM
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 05-01-2024
VERANTWOORDING
Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres: Tel: E-mail:
Uitvoering: Adres:
Gemeente Haarlem S. van Schagen +316 39 07 4936 svanschagen@haarlem.nl
Tel: E-mail:
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 72 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com
Projectleider:
J.I. Andringa
Auteur: Kwaliteitscontrole:
S.W.A. Osinga ing. J.C.H. den Hollander ing. S. van Lieshout
Projectcode: Status: Datum:
GHNA2305 Concept 11-1-2024
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. werkt volgens de kwaliteitsnormen van het Netwerk Groene Bureaus. Dit netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. De deskundigen werkende bij Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. voldoen hierdoor aan de volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gestelde eisen. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is ISO 9001:2015 gecertificeerd.
Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland. 2
SAMENVATTING
De gemeente Haarlem is voornemens een herontwikkeling uit te voeren binnen de voorzieningenstrook langs de Floris van Andrichemlaan te Haarlem. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. Onderzocht is of deze ontwikkeling in het projectgebied niet strijdig is met de Wet natuurbescherming. Alle gebouwen in het projectgebied bieden potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen. Tijdens de geplande werkzaamheden kunnen verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen verloren gaan. In één boom in het projectgebied is een holte waargenomen wat een potentiële verblijfplaats kan zijn voor boombewonende vleermuizen. Indien de boom word gekapt kan een verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen verloren gaan. De bomenrijen en groenstructuren in het projectgebied kunnen onderdeel uitmaken van foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. De herinrichting van het gebied kan een negatief effect hebben op foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Tijdens de werkzaamheden kunnen er individuen van vleermuizen worden verstoord of gedood. Het projectgebied is niet gelegen in een beschermd natuurgebied. De herontwikkeling van de voorzieningenstrook Floris van Andrichemlaan betreft een ontwikkeling die mogelijk een toename van stikstofemissies ten gevolge heeft.
De machines die worden gebruikt bij de werkzaamheden kunnen deze tijdelijke toename van stikstofemissies veroorzaken. Vanwege de relatief kleine afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied in combinatie met de grote schaal van de geplande ingreep kunnen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden gedurende de realisatiefase niet worden uitgesloten. De uitgangssituatie is ten tijde van schrijven nog niet bekend. Er is een berekening met behulp van de “AERIUS Calculator” benodigd om de effecten op Natura 2000-gebieden te berekenen. De bomen in het projectgebied vallen binnen de door de gemeenteraad van Haarlem vastgestelde bebouwde kom. De bepalingen ten aanzien van houtopstanden uit de Wet natuurbescherming zijn dan ook niet van toepassing voor het kappen van de bomen. Er is, afhankelijk van de werkzaamheden, nader onderzoek benodigd naar de kleine marterachtigen, vleermuizen en vogels met jaarrond beschermde nesten. Het onderzoek naar vleermuizen in de bebouwing dient afgestemd te zijn op de verwachte aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, en de ruige dwergvleermuis. Het onderzoek naar vleermuizen in de boomholtes dient afgestemd te zijn op de verwachte aanwezigheid van de ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en de watervleermuis.
Het onderzoek naar jaarrond beschermde nesten dient afgestemd te zijn op de mogelijke aanwezigheid van de boomvalk, ransuil en de sperwer. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen van vogels en de zorgplicht voor algemene soorten.
3
INHOUDSOPGAVE
1 Inleiding............................................................................................................................................. 5 1.1 Aanleiding en doel ......................................................................................................................... 5 1.2 Natuurbeschermingswetgeving ...................................................................................................... 5 1.2.1 Gebiedsbescherming .................................................................................................................. 5 1.2.2 Soortbescherming ...................................................................................................................... 6 1.2.3 Houtopstanden ........................................................................................................................... 7 1.2.4 Ontheffing en gedragscode ........................................................................................................ 7 1.3 Leeswijzer ...................................................................................................................................... 7 2 2.1 2.2
Projectgebied en ontwikkelingen .................................................................................................... 8 Projectgebied ................................................................................................................................. 8 Ontwikkelingen............................................................................................................................. 10
3 Soortbescherming .......................................................................................................................... 11 3.1 Bronnenonderzoek....................................................................................................................... 11 3.2 Habitatscan .................................................................................................................................. 11 3.2.1 Vleermuizen.............................................................................................................................. 11 3.2.2 Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................................... 12 3.2.3 Vogels ...................................................................................................................................... 12 3.2.4 Amfibieën.................................................................................................................................. 13 3.2.5 Reptielen .................................................................................................................................. 13 3.2.6 Vissen .......................................................................................................................................
13 3.2.7 Ongewervelden ........................................................................................................................ 13 3.2.8 Vaatplanten .............................................................................................................................. 14 3.2.9 Exoten ...................................................................................................................................... 14 3.2.10 Mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies .............................................................. 14 3.3 Effecten ........................................................................................................................................ 14 3.3.1 Effecten ontwikkelingen ............................................................................................................ 14 3.4 Aanbevelingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming ....................................................... 15 3.4.1 Aanvullende inventarisaties projectgebied ............................................................................... 15 3.4.2 Mitigerende maatregelen .......................................................................................................... 15 3.4.3 Ontheffing Wet natuurbescherming .......................................................................................... 16 4 4.1
Gebiedsbescherming ..................................................................................................................... 17 Effecten ........................................................................................................................................ 17
5
Houtopstanden ............................................................................................................................... 19
6 6.1 6.2
Conclusies en aanbevelingen ....................................................................................................... 20 Conclusies ................................................................................................................................... 20 Aanbevelingen ............................................................................................................................. 20
7 Literatuur......................................................................................................................................... 22 Bijlage 1: Foto-impressie .......................................................................................................................... 23 Bijlage 2: Tabel mogelijk aanwezige soorten ........................................................................................... 24 Bijlage 3: Kaart resultaten habitatscan ..................................................................................................... 26
4
1
INLEIDING
1.1
AANLEIDING EN DOEL De gemeente Haarlem is voornemens een herontwikkeling uit te voeren binnen de voorzieningenstrook aan de Floris van Andrichemlaan te Haarlem. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. De initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling dient er zorg voor te dragen dat de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Om deze reden is een toetsing van de geplande ontwikkeling aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Hiervoor dient te worden onderbouwd of er door de beoogde ontwikkeling geen beschermde soorten of natuurgebieden negatief worden beïnvloed. Indien overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten is mogelijk aanvullend onderzoek en/of een ontheffing noodzakelijk. In deze quickscan wordt geadviseerd over de vervolgstappen.
1.2
NATUURBESCHERMINGSWETGEVING De Wet natuurbescherming beslaat soortbescherming, gebiedsbescherming en in specifieke gevallen de bescherming van houtopstanden. Daarnaast is gebiedsbescherming in Nederland geregeld via beleid uit de Nationale Omgevingsvisie. Voor wat betreft de soortbescherming in de Wet natuurbescherming zijn er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen. Middels een provinciale verordening kunnen deze nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de wet. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. 1.2.1
GEBIEDSBESCHERMING
Natura 2000-gebieden Het is conform artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De regels omtrent NNN-gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De afspraken zijn vastgelegd in het ‘Besluit algemene regels ruimtelijke ordening’ en zijn uitgewerkt in de provinciale verordeningen. Het ruimtelijke beleid voor het NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. In het NNN geldt daarom het ‘nee, tenzij’-regime. Of een ingreep mag worden uitgevoerd in het NNN, hangt naast de instandhouding van de omvang van het NNN, in eerste instantie af van de mate van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.
5
1.2.2
SOORTBESCHERMING
Zorgplicht De zorgplicht is opgenomen in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Artikel 1.11 Wnb (zorgplicht) 1. Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. Europees beschermde soorten - Vogels De verbodsbepalingen voor wat betreft vogels zijn opgenomen in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.1 Wnb. 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2.
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen De verbodsbepalingen voor wat betreft Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.5 Wnb. 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.
Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationaal beschermde soorten De verbodsbepalingen voor wat betreft nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.10 Wnb. 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of; c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
6
1.2.3
HOUTOPSTANDEN
Houtopstanden De bepalingen voor wat betreft houtopstanden zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. Hieronder zijn de meest relevante onderdelen uit dit hoofdstuk beschreven. De bepalingen in de Wet natuurbescherming kennen een aantal uitzonderingen. De belangrijkste uitzondering betreft dat de bepalingen geen betrekking hebben op houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor het kappen van bomen die wel onder houtopstanden Wnb vallen geldt een meldplicht bij Gedeputeerde Staten en een herplantplicht.
1.2.4
ONTHEFFING EN GEDRAGSCODE
Voor het overtreden van de verboden uit de bovengenoemde artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming kan een ontheffing worden aangevraagd. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2. Er is sprake van een in de wet genoemd belang voor de betreffende soort of soortgroep. 3. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Ook kan er mogelijk middels een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode worden gewerkt. Dit is enkel mogelijk indien de handelingen niet van wezenlijke invloed zijn op de aanwezige beschermde soorten.
1.3
LEESWIJZER
In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het projectgebied gegeven, met huidige ecologische waarden. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het bronnenonderzoek en de habitatscan weergegeven waarbij de effectanalyse ten aanzien van de onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten is opgenomen. Hoofdstuk 4 geeft weer welke middels de Wet natuurbescherming beschermde gebieden in de omgeving van de projectgebieden voorkomen. Tevens zal hier worden aangegeven in welke mate de geplande ontwikkeling van invloed zal zijn op deze gebieden. In hoofdstuk 5 worden de effecten op de onder de Wet natuurbescherming beschermde houtopstanden beschreven waarbij de eventueel te nemen vervolgstappen zijn weergegeven.
7
2
PROJECTGEBIED EN ONTWIKKELINGEN
2.1
PROJECTGEBIED Het projectgebied is gelegen in de gemeente Haarlem in kilometerhok: X:105 (Rijksdriehoekscoördinaten). Afbeelding 1 geeft de globale ligging van het projectgebied weer.
/
Y:486
Afbeelding 1: Ligging projectgebied
Het projectgebied omvat de voorzieningenstrook Floris van Adrichemlaan te Beverwijk. Het projectgebied bevat flatgebouwen, een verzorgingshuis, een winkel, scholen, een kerk, groenstructuren en de Floris van Adrichemlaan. Om een overzicht te bieden zijn de gebouwen genummerd van 1 t/m 17 zoals weergegeven in afbeelding 1. Gebouw nummer 1 betreft een flatgebouw van elf etages hoog en is gelegen aan de Floris van Adrichemlaam. De begane grond van het flatgebouw is opgebouwd uit bakstenen waarbinnen zich een berging bevindt. Vanaf de eerste etage en hoger is het gebouw voornamelijk opgebouwd uit betonnen elementen. Het dak betreft een plat dak waarvan de dakbedekking bestaat uit grind. Aan de noord-, oost- en westzijde zijn parkeerplaatsen gelegen. Rondom het flatgebouw en bijbehorende parkeerplaatsen zijn verschillende groenstructuren gelegen. Gebouw nummer 2, 3,en 4 betreffen flatgebouwen van zes etages hoog. Deze flatgebouwen kennen een gelijkwaardige opbouw als gebouw nummer 1. De begane grond van het flatgebouw is opgebouwd uit bakstenen waarbinnen zich een berging bevindt. Vanaf de eerste etage en hoger is het gebouw voornamelijk opgebouwd uit betonnen elementen. Het dak betreft een plat dak waarvan de dakbedekking bestaat uit bitumen. Aan de noordzijde van de gebouwen zijn parkeerplaatsen gerealiseerd. Deze liggen aan de Akamastraat.
Aan de zuidzijde van de gebouwen zijn intensief beheerde grasvelden gelegen. Deze grenzen aan de Floris van Adrichemlaan. Tussen de grasvelden ten zuiden van gebouw 2 en 3, bevindt zich een betegelde speelplaats. Gebouw nummer 5 betreft een woonzorgcentrum en bestaat uit twee segmenten met een verschillende bouwstijl. Het meest zuidelijke deel van gebouw nummer 5 is voornamelijk opgebouwd uit betonnen elementen. Het meest noordelijke deel van gebouw nummer 5 betreft een flatgebouw van twaalf verdiepingen hoog en is opgebouwd uit
8
bakstenen. Het dak van gebouw nummer 5 betreft een plat dak waarvan de dakbedekking bestaat uit bitumen. Aan de westzijde van het noordelijk deel van gebouw nummer 5 zijn enkele parkeerplaatsen gelegen. Ten westen van deze parkeerplaatsen is een buitenruimte met bijbehorende groenstructuren aanwezig behorende bij het woonzorgcentrum. In deze groenstructuur bevinden zich drie coniferen. Gebouw nummer 6 betreft een appartementencomplex van drie bouwlagen hoog en is opgebouwd uit bakstenen. De gehele bouwlaag op de begane grond bestaat uit een supermarkt. Het dak van gebouw nummer 6 betreft een plat dak waarvan de dakbedekking bestaat uit bitumen. Het gebouw grenst aan de westzijde aan de Professor Donderslaan. Tussen gebouw nummer 6 en de Professor Donderslaan zijn een fietspad en een parkeergelegenheid gelegen. Ten zuidoosten is een intensief beheerd gazon aanwezig. Gebouw nummer 7 is een pand dat bestaat uit één bouwlaag en is opgebouwd uit bakstenen, beton en kunststof platen. Het dak betreft een plat dak waarvan de dakbedekking bestaat uit bitumen. Dit gebouw word omringd door gebouw nummer 6, 8, 9 en 10. Gebouw nummer 8 bestaat uit één bouwlaag en is opgebouwd uit bakstenen. Het dak betreft een plat dak met houten boeiboorden waarvan de dakbedekking bestaat uit bitumen. Dit gebouw grenst aan de noordzijde aan de Floris van Adrichemlaan.
Aan de zuidwestzijde zijn enkele parkeerplaatsen gelegen. Aan de oostzijde van gebouw nummer 8 grenst gebouw nummer 9. Dit betreft een brandweerkazerne. Aan de noordzijde van dit gebouw zijn meerdere uitritten gerealiseerd ten behoeve van het in- en uitrijden van de brandweerauto’s. Aan de zuidzijde zijn enkele parkeergelegenheden aanwezig. Ten zuiden van de brandweerkazerne zijn een kinderopvang en een school voor speciaal onderwijs gelegen, dit betreft gebouw nummer 10. Gebouw nummer 10 bestaat uit één bouwlaag en is opgebouwd uit bakstenen. Het dak betreft een plat dak met lokaal houten boeiboorden waarvan de dakbedekking bestaat uit bitumen. De oostzijde van gebouw nummer 9 en 10 grenst aan de Ramaerstraat. Aan de noordwestzijde van gebouw nummer 10 is een speelplein gelegen. Gebouw nummer 11 en 12 behoren tot bassischool De Globe. Gebouw nummer 11 is één bouwlaag hoog en is grotendeels opgebouwd uit bakstenen. Het dak van gebouw nummer 11 betreft een voor een deel een licht hellend dak met lokaal houten boeiborden waarvan de dakbedekking bestaat uit bitumen. Gebouw nummer 12 is twee bouwlagen hoog en is grotendeels opgebouwd uit bakstenen. Gebouw nummer 12 betreft een plat dak met lokaal houten boeiboorden waarvan de dakbedekking bestaat uit bitumen. Ten midden en ten noordwesten van gebouw 11 en 12 zijn betegelde speelpleinen gelegen.
Op en rond de speelpleinen zijn enkele bomen aanwezig. Rondom gebouw nummer 11 en 12 zijn groenstructuren aanwezig. Gebouw nummer 13 grenst met de noordzijde aan de Floris van Andrichemlaan, is grotendeels opgebouwd uit bakstenen en bestaat uit één bouwlaag. Het dak betreft een plat dak waarvan de dakbedekking bestaat uit bitumen. Aan de oostzijde bevindt zich een parkeergelegenheid. Ten zuidwesten van het gebouw is een kleine binnenplaats gelegen met daar omheen struikgewas. Achter het struikgewas bevindt zich een speeltuin. Aan de westzijde van de speeltuin is gebouw nummer 12 gelegen en aan de oostzijde van de speeltuin is gebouw nummer 14 gelegen. Gebouw nummer 14 bestaat uit twee bouwlagen en is grotendeels opgebouwd uit bakstenen. Het dak betreft een plat dak waarvan de dakbedekking bestaat uit bitumen. Gebouw nummer 14 is omringd met struikgewas. Aan de oostzijde van gebouw nummer 14 is een pad aanwezig welke de Semmelweisstraat en de parkeerplaats ten oosten van gebouw 13 verbindt. Gebouw nummer 15 betreft een katholieke bassischool en kinderopvang. Gebouw nummer 15 bestaat uit twee bouwlagen en is voor een deel opgebouwd uit bakstenen, houten platen en raampartijen. Het dak betreft een plat dak met houten boeiboorden waarvan de dakbedekking bestaat uit bitumen. Aan de westzijde van gebouw nummer 15 zijn een intensief beheerd grasveld en een schoolplein gelegen.
Aan de oostzijde van gebouw nummer 15 is een wandelpad aanwezig. Ten oosten van dit wandelpad is gebouw nummer 16 gelegen. Gebouw nummer 16 bestaat uit één bouwlaag en is grotendeels opgebouwd uit bakstenen. Het dak betreft een plat dak met lokaal houten boeiboorden waarvan de dakbedekking bestaat uit bitumen. Ten zuiden en ten oosten van gebouw 16 is een speelplein, een grasveld en dichte groenstructuren gelegen. Gebouw nummer 17 betreft een kerk. Gebouw nummer 17 is grotendeels opgebouwd uit bakstenen. Het dak betreft een voor een deel een plat en een hellend dak waarvan de dakbedekking bestaat uit bitumen. Aan de westzijde van gebouw nummer 17 is een wandelpad aanwezig welke de Floris van Adrichemlaan en de Semmelweisstraat verbindt. Rondom het gebouw bevinden zich verschillende groenstructuren. De oostzijde grenst aan de Professor Eijkmanlaan en de Noordzijde grenst aan de Floris van Andrichemlaan. Aan de noord-
9
oostzijde van gebouw nummer 17 bevind zich een plein dat grenst aan de Professor Eijkmanlaan en de Floris van Andrichemlaan. Rondom de 17 gebouwen binnen het projectgebied bevindt zich stedelijke en veelal uitheemse aanplant in de vorm van stuiken en hagen. Ook zijn er verspreid door het projectgebied standplaatsen van de Canadapopulier, gewone esdoorn, haagbeuk, ruwe iep en de Spaanse aak aanwezig. In bijlage 1 is een sfeerimpressie van het projectgebied weergegeven.
2.2
ONTWIKKELINGEN De gemeente Haarlem is voornemens een herontwikkeling uit te voeren binnen de voorzieningenstrook langs de Floris van Andrichemlaan te Haarlem. De exacte werkzaamheden zijn ten tijde van het schrijven van dit rapport nog niet bekend. Wel is bekend dat de gebouwen zullen worden vernieuwd en de scholen uitgebreid zullen worden. Ten gevolge van de geplande werkzaamheden worden mogelijk bomen gekapt en groenstructuren verwijderd. In verband met de onzekerheid van de exacte werkzaamheden zal in deze rapportage worden uitgegaan van een worst-case scenario waarbij alle potentieel beschermde functies in de uitgangssituatie verdwijnen.
10
3
SOORTBESCHERMING
3.1
BRONNENONDERZOEK Om een goede inschatting te kunnen maken welke beschermde soorten mogelijk gebruik maken van het projectgebied heeft een literatuurstudie plaatsgevonden. Hierbij zijn diverse bronnen met verspreidingsgegevens geraadpleegd. De geraadpleegde bronnen zijn onder andere: verspreidingsatlassen van de verschillende soortgroepen, eerder in de regio uitgevoerde onderzoeken, in de regio actieve werkgroepen en PGO’s, databanken met verspreidingsgegevens (waaronder de NDFF) en het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebieden. Daarnaast zijn alle beschermde natuurgebieden in de omgeving van het projectgebied in kaart gebracht. Uit het bronnenonderzoek volgt een lijst met beschermde soorten welke mogelijk in het projectgebied voor kunnen komen. De geraadpleegde bronnen zijn doorgaans op uurhokniveau, waardoor ook soorten welke bekend zijn uit de wijdere omgeving van het projectgebied zijn inbegrepen. Deze soorten hoeven niet direct in het projectgebied te worden verwacht. In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van alle beschermde soorten die bekend zijn voor te komen in de omgeving van het projectgebied. Provinciale vrijstelling De ‘Verordening vrijstellingen soorten’ betreft een vrijstelling van het verbod op doden en verstoren bij bestendig beheer en gebruik en ruimtelijke ingrepen.
Voor de provincie Noord-Holland zijn middels artikel 4 van de “Verordening vrijstellingen soorten Noord-Holland” soorten vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dit is geen vrijbrief, de zorgplicht blijft van toepassing voor de vrijgestelde soorten. Daarnaast geldt in de provincie Noord-Holland een meldingsplicht bij aanvang van de werkzaamheden indien gebruik wordt gemaakt van deze vrijstelling.
3.2
HABITATSCAN Tijdens de habitatscan is het projectgebied bezocht om te kijken of de uit de omgeving bekende soorten ook daadwerkelijk in het gebied voor kunnen komen, rekening houdend met het aanwezige habitat, de habitateisen en de verspreidingsgegevens van de betreffende soorten. Daarnaast kunnen er tijdens het veldbezoek nog soorten worden toegevoegd als het habitat geschikt lijkt voor de betreffende soort. De habitatscan heeft plaatsgevonden op 9 november en is uitgevoerd door ing. C.J. Aalbers en S.W.A. Osinga. Tijdens de habitatscan was het 9 °C geheel bewolkt en windkracht 3 Bft. De resultaten van de habitatscan zijn op kaart weergegeven in bijlage 3. 3.2.1
VLEERMUIZEN
In de omgeving van het projectgebied zijn de franjestaart, gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis bekend voor te komen. Alle gebouwen in het projectgebied bieden potentiële verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en de ruige dwergvleermuis. De vleermuizen kunnen onder andere de open stootvoegen, dilatatievoegen, openingen onder dakrand en kapot voegwerk gebruiken als toegang tot de spouwmuur.
Afbeelding 2: Open dilatatievoeg
Afbeelding 3: Open stootvoegen
11
Eén boom te zuiden van gebouw nummer 4 bevat een potentieel geschikte holte voor boom bewonende vleermuizen zoals de rosse vleermuis en de watervleermuis. Weergegeven in afbeelding 4.
Afbeelding 4: Mogelijk geschikte boomholte
De groenstructuren in het projectgebied kunnen dienen als foerageergebied van vleermuizen. De lijnvormige structuren binnen het projectgebied zoals de bomenrijen kunnen gebruikt worden door vleermuizen als vliegroute. In de omgeving van het projectgebied bevinden zich meerdere structuren zoals bosschages, parken en tuinen waardoor de groenstructuren binnen het projectgebied niet worden gezien als essentieel foerageergebied.
3.2.2
GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN
In de omgeving van het projectgebied zijn de boommarter, bunzing, eekhoorn, hermelijn, noordse woelmuis, steenmarter en wezel bekend voor te komen. De boommarter is een bosbewoner en leeft voornamelijk in uitgestrekte bosgebieden, maar ook in relatief kleine bosschages. De steenmarter is bekend voor te komen in de nabijheid van dorpen en in steden, maar leeft ook in natuurlijke gebieden. Beide soorten gebruiken onder andere boomholtes, ruimtes onder takkenhopen en holen onder de grond als verblijfplaats. In de bomen in het projectgebied zijn geen geschikte holtes waargenomen die door de boommarter of steenmarter als verblijfplaats kunnen worden gebruikt. Er zijn geen takkenbossen of ondergrondse holen van voldoende formaat aangetroffen, waar de boommarter of de steenmarter gebruik van zou kunnen maken. Wegens het gebrek aan mogelijke verblijfplaatsen worden beschermde functies van de boommarter en steenmarter uitgesloten voor te komen binnen het projectgebied. In het projectgebied zijn geen nesten of individuen van de eekhoorn waargenomen. Het huidige bekende verspreidingsgebied bevindt zich op circa 1.5 kilometer afstand van het projectgebied. Er zijn geen verbindingen aanwezig tussen het projectgebied en de huidig bekende verspreiding van de soort. Beschermde functies voor de eekhoorn worden derhalve uitgesloten voor te komen in het projectgebied.
De kleine marterachtigen de bunzing, hermelijn en de wezel gebruiken onder andere dicht struikgewas, takkenhopen en holen onder de grond als verblijfplaats. In het projectgebied is op verschillende locaties dicht struikgewas aanwezig en zijn kleine ondergrondse holen niet uitgesloten. Het struikgewas rondom de gebouwen 12 tot en met 17 bieden mogelijk verblijfplaatsen voor kleine marterachtigen (zie bijlage 3). Beschermde functies van kleine marterachtigen kunnen derhalve niet worden uitgesloten voor te komen in het projectgebied. De noordse woelmuis is een watergebonden soort en komt voornamelijk voor op natte terreinen en in hoge vegetaties met grasachtige planten. Het projectgebied biedt geen geschikt biotoop voor de noordse woelmuis. Beschermde functies binnen het projectgebied kunnen derhalve worden uitgesloten. In het projectgebied kunnen mogelijke algemene, vrijgestelde zoogdieren voorkomen, zoals de egel en algemene muizensoorten.
3.2.3
VOGELS
De bebouwing in het projectgebied biedt geen potentiële nestlocaties voor de boerenzwaluw, gierzwaluw, huismus, huiszwaluw en de spreeuw. Er zijn geen invliegopeningen in de veelal platte daken van de gebouwen binnen het projectgebied. Bij de dakranden en in de gevels zijn tevens geen geschikte invliegopeningen
12
aanwezig. Beschermde functies van de boerenzwaluw, gierzwaluw, huiszwaluw en huismus worden uitgesloten binnen het projectgebied. In de bomen in het projectgebied zijn zeven potentieel jaarrond beschermde nesten voor vogels uit de categorie 1 t/m 4 van de aangepaste lijst met jaarrond beschermde vogelnesten van het Ministerie van E, L & I aanwezig (zie afbeelding 5 en 6 ). De exacte locatie van de nesten zijn op de kaart in bijlage 3 weergegeven. De nesten kunnen door de boomvalk, ransuil en de sperwer als nestlocatie worden gebruikt.
Afbeelding 5: Potentieel jaarrond beschermd nest
Afbeelding 6: Mogelijke roestplaats ransuil
De bebouwing en groenstructuren in het projectgebied bieden geschikt broedbiotoop voor algemene broedvogels, zoals de ekster, houtduif en de zwarte kraai.
3.2.4
AMFIBIEËN
In de omgeving van het projectgebied is de rugstreeppad bekend voor te komen. De rugstreeppad komt voornamelijk voor in pionierssituaties bijvoorbeeld in de duinen of op braakliggend terrein met ondiepe plassen. Binnen het projectgebied zijn geen ondiepe plassen aanwezig die door de rugstreeppad als voortplantingswater gebruikt kunnen worden. Door het ontbreken van potentieel habitat wordt de rugstreeppad niet in het projectgebied verwacht voor te komen. In de groenstructuren in of nabij het projectgebied kunnen mogelijk algemene amfibieën zoals de bruine kikker en de gewone pad voorkomen.
3.2.5
REPTIELEN
In de omgeving van het projectgebied zijn geen beschermde reptielen bekend voor te komen. Vanwege het eveneens ontbreken van geschikt habitat, worden derhalve geen individuen van beschermde reptielen binnen het projectgebied verwacht voor te komen.
3.2.6
VISSEN
In de omgeving van het projectgebied zijn geen beschermde vissen bekend voor te komen. In het projectgebied is geen oppervlaktewater aanwezig, waardoor het voorkomen van beschermde soorten vissen is uitgesloten.
3.2.7
ONGEWERVELDEN
In de omgeving van het projectgebied zijn de platte schijfhoren en grote vos bekend voor te komen. De platte schijfhoren komt voor in zoet en helder water met een rijke begroeiing en wordt met name aangetroffen in wateren met onder andere draadalgvegetaties en krabbescheer of op de wortels van lisdodde en andere oevergebonden planten. Wegens het ontbreken van oppervlaktewateren in het projectgebied wordt de platte schijfhoren hier uitgesloten voor te komen. De grote vos komt voor in open bossen en bij bosranden met iepen en voldoende foerageermogelijkheden. In het projectgebied zijn exemplaren van de iep aanwezig. Het betreft echter enkel losstaande exemplaren zonder dekking of strooisellaag aan de voet van de boom waar rupsen kunnen ontpoppen. Tevens is er in de directe omgeving niet voldoende voedselaanbod aanwezig in de vorm van nectarplanten. Gezien het ontbreken van voldoende voedselaanbod en geschikt habitat voor de rupsen om te ontpoppen kunnen beschermde functies van de grote vos in het projectgebied worden uitgesloten voor te komen.
13
3.2.8
VAATPLANTEN
In de omgeving van het projectgebied zijn de akkerbloem, gladbiggenkruid, muurbloem, naakte lathyrus en de wilde ridderspoor bekend voor te komen. Exemplaren van de akkerbloem, muurbloem, naakte lathyrus en de wilde ridderspoor in de omgeving van het projectgebied betreffen verwilderde of aangeplante exemplaren. Deze soorten komen in de omgeving van het projectgebied adventief voor en genieten derhalve geen strikte bescherming. In het projectgebied zijn geen potentiële standplaatsen aanwezig voor de bovengenoemde soorten. Glad biggenkruid komt voornamelijk voor op open en droge voedselarme zandgronden. De bermen in het projectgebied zijn voedselrijk en intensief beheerd. In het projectgebied zijn geen potentiële standplaatsen voor glad biggenkruid aanwezig.
3.2.9
EXOTEN
Tijdens de habitatscan zijn geen invasieve, exotische plantensoorten aangetroffen binnen het projectgebied. Vanwege de winterperiode zijn veel planten echter niet zichtbaar geweest tijdens de habitatscan, waardoor de aanwezigheid van invasieve exoten niet kan worden uitgesloten. Om invasieve exotische plantensoorten in kaart te brengen kan een aanvullende inventarisatie worden uitgevoerd. De halsbandparkiet en de Nijlgans zijn tijdens de habitatscan aangetroffen binnen het projectgebied.
3.2.10
MOGELIJK AANWEZIGE BESCHERMDE SOORTEN EN FUNCTIES
Het projectgebied herbergt mogelijk meerdere functies voor beschermde diersoorten. In het projectgebied kunnen op basis van het aanwezige habitat de volgende soorten en functies niet op voorhand worden uitgesloten voor te komen. Tabel 1: Te verwachten beschermde soorten en functies Soort / soortgroep
Functies
Bescherming Wnb
Mogelijk aanwezig in:
Algemene amfibieën*
Leefgebied
Artikel 3.10 (Wnb, bijlage A)
Groenstructuren
Algemene zoogdieren*
Leefgebied
Artikel 3.10 (Wnb, bijlage A)
Groenstructuren
Algemene broedvogels
Nesten
Artikel 3.1 (VR)
Bebouwing
en
groenstructuren Broedvogels cat. 1 t/m 4
Jaarrond beschermde nesten
Artikel 3.1 (VR)
Bunzing, hermelijn en
Verblijfplaatsen
Artikel
wezel Vleermuizen
Verblijfplaats(en) Foerageergebieden Vliegroute(s)
3.10,
Struweel en bomen Bijlage,
Dicht struweel en holen in de
onderdeel A
grond
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)
Bebouwing Spouwmuur/dakrand Groenstructuur Bomenrij
3.3
EFFECTEN Indien beschermde soorten in het projectgebied of binnen de invloedssfeer hiervan kunnen voorkomen, wordt onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling effect heeft op deze soorten. Indien er effecten op deze soorten worden verwacht, zal worden gezocht naar compenserende of mitigerende maatregelen welke genomen kunnen worden tijdens de ontwikkeling om zo te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. Mochten deze maatregelen niet afdoende zijn, of praktisch niet in te passen in de plannen, zal mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn. 3.3.1
EFFECTEN ONTWIKKELINGEN
De te verwachten effecten op soorten en functies zijn opgedeeld in tijdelijke en permanente effecten. Deze zijn schematisch weergegeven in tabel 2. Daarnaast zijn de beschermde soorten en functies beschreven waar geen effecten op worden verwacht bij uitvoering van de werkzaamheden. Geen effecten Indien er geen kap- of snoeiwerkzaamheden worden uitgevoerd, worden geen negatieve effecten verwacht voor te komen op verblijfplaatsen van algemeen voorkomende amfibieën, zoogdieren en broedvogels.
14
Tijdelijke effecten De geplande werkzaamheden zullen mogelijk gepaard gaan met effecten van tijdelijke invloed door geluid en trillingen. Dit verstoort mogelijk de algemene soorten amfibieën, (broed)vogels en zoogdieren die gebruik maken van het projectgebied of in de directe omgeving voorkomen. De exacte mate van verstoring is nog niet te bepalen, maar mag niet leiden tot overtreding van verbodsbepalingen. Permanente effecten Tijdens het amoveren van bebouwing kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen verloren gaan. Tijdens de werkzaamheden kunnen er mogelijk vleermuizen worden verstoord of gedood. De herinrichting van het projectgebied kan mogelijk een negatief effect hebben op potentiële vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen. Tijdens werkzaamheden die worden uitgevoerd in de gebieden met dicht struweel kunnen er verblijfplaatsen van de bunzing, hermelijn en de wezel verloren gaan. Tijdens de werkzaamheden kunnen er mogelijk individuen van de kleine marterachtigen worden gedood. Tabel 2: Mogelijke effecten op beschermde soorten Soort / soortgroep
Effect
Verbodsbepaling
Algemene amfibieën*
Opzettelijk doden
Artikel 1.11 (Zorgplicht)
Algemene zoogdieren*
Opzettelijk doden
Artikel 1.11 (Zorgplicht)
Algemene broedvogels
Opzettelijk doden
Artikel 3.1 (VR) Lid 1
Opzettelijk vernielen / beschadigen nest
Artikel 3.1 (VR) Lid 2
Opzettelijk verstoren
Artikel 3.1 (VR) Lid 4
Broedvogels met jaarrond
Opzettelijk doden
Artikel 3.1 (VR) Lid 1
beschermde nesten
Opzettelijk vernielen / beschadigen nest
Artikel 3.1 (VR) Lid 2
Opzettelijk verstoren
Artikel 3.1 (VR) Lid 4
Opzettelijk doden
Artikel 3.10 (Bijlage A) Lid 1a
Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats
Artikel 3.10 (Bijlage A) Lid 1b
Opzettelijk doden
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 1
Opzettelijk verstoren
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 2
Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 4
Bunzing, hermelijn en wezel Vleermuizen
3.4
AANBEVELINGEN TEN AANZIEN VAN DE WET NATUURBESCHERMING
3.4.1
AANVULLENDE INVENTARISATIES PROJECTGEBIED
Het projectgebied herbergt mogelijk functies voor beschermde broedvogels met jaarrond beschermde nesten, kleine marterachtigen en vleermuizen. Of en waar deze zich in het projectgebied bevinden is nog onbekend. Het is aan te bevelen nader onderzoek uit te laten voeren naar vaste rust- en verblijfplaatsen van kleine marterachtigen en vleermuizen evenals de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van broedvogels. Het onderzoek naar kleine marterachtigen dient afgestemd te zijn op het mogelijk voorkomen van de bunzing, hermelijn en de wezel. Het onderzoek naar vleermuizen bij bebouwing dient afgestemd te zijn op de verwachte aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis. Het onderzoek naar jaarrond beschermde nesten dient afgestemd te zijn op de mogelijke aanwezigheid van de boomvalk, ransuil en de sperwer.
3.4.2
MITIGERENDE MAATREGELEN
Om overtreding op de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen de volgende maatregelen te worden genomen. Er zijn mogelijk verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen aanwezig binnen het projectgebied. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen zullen (indien verblijfplaatsen aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden. Er is mogelijk een verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen aanwezig binnen het projectgebied. Na een endoscopisch onderzoek en/of aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen zullen (indien verblijfplaatsen aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden. De bomenrijen en groenstructuren in het projectgebied maken mogelijk onderdeel uit van foerageergebieden en/of essentiële vliegroutes van vleermuizen. Om verstoring van foerageergebieden
15
-
-
-
-
-
3.4.3
en vliegroutes van vleermuizen te voorkomen, is het noodzakelijk dat het gebruik van nachtelijk diffuus licht in de actieve periode van vleermuizen (globaal maart – november) wordt vermeden; Er zijn meerdere jaarrond beschermde nesten aanwezig in het projectgebied. Indien de werkzaamheden plaatsvinden in het broedseizoen van vogels (globaal maart – augustus) of de bomen waarin de potentieel jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn worden gekapt, is aanvullend onderzoek benodigd Dit onderzoek dient te worden afgestemd op de aanwezigheid van jaarrond beschermde nestlocaties van de boomvalk, ransuil en de sperwer. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde functies zullen (indien beschermde functies aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden. Er zijn mogelijk verblijfplaatsen van marterachtigen aanwezig binnen het projectgebied. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen zullen (indien verblijfplaatsen aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden. Om de plannen voor het projectgebied te realiseren zullen mogelijk bomen en struweel worden verwijderd. Het is aan te bevelen het verwijderen van bomen en struweel buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart - augustus) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd.
Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van de algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden gedaan bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen. De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten.
ONTHEFFING WET NATUURBESCHERMING
De noodzaak voor een ontheffing van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming kan op voorhand niet worden uitgesloten. Uit aanvullende onderzoeken zal moeten blijken of er beschermde functies of dieren in het projectgebied voorkomen en welke negatieve effecten met de werkzaamheden mogelijk gepaard gaan. Indien aanvullende inventarisaties aantonen dat het projectgebied functies bevat voor marters, vleermuizen en vogels en verstoring niet voorkomen kan worden, dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Hier kunnen voorwaarden in de vorm van mitigerende maatregelen aan verbonden zijn.
16
4
GEBIEDSBESCHERMING
Binnen het projectgebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig. De dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden liggen op circa 5 kilometer van het projectgebied en betreft “Kennemerland-Zuid” (zie afbeelding 7). Op ruim 2 kilometer van het projectgebied ligt een gedeelte van het NNN gebied “Eendenkooi Vijfhuizen” (zie afbeelding 8).
Afbeelding 7: Projectgebied ten opzichte van Natura2000 (provincie Noord-Holland)
Afbeelding 8: Projectgebied ten opzichte van NNN (provincie Noord-Holland)
4.1
EFFECTEN Het projectgebied bevindt zich niet in de nabijheid van beschermde natuur. De dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden en delen van het NNN bevinden zich op voldoende afstand van het projectgebied om directe effecten uit te sluiten. 17
De herontwikkeling van voorzieningsstrook Floris van Andrichemlaan betreft een ontwikkeling die mogelijk een toename van stikstofemissies ten gevolge heeft. Hierdoor kan stikstofdepositie plaatsvinden in omliggende Natura 2000-gebieden, welke hier mogelijk negatieve effecten van ondervinden. De sloop- en bouwwerkzaamheden gedurende de realisatiefase kunnen een tijdelijke toename van stikstofemissies veroorzaken. Ten gevolge van de herontwikkeling van het projectgebied is er tevens sprake van een mogelijke permanente toename van stikstofemissies. Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen niet worden uitgesloten. De uitgangssituatie is ten tijde van schrijven nog niet bekend. Er is een berekening met behulp van de “AERIUS Calculator” benodigd om de effecten op Natura 2000-gebieden te berekenen. Deze berekening dient te voldoen aan de meest recente regelgeving.
18
5
HOUTOPSTANDEN
De bomen in het projectgebied vallen binnen de door de gemeenteraad vastgestelde bebouwde kom, zie afbeelding 9. De bepalingen ten aanzien van houtopstanden uit de Wet natuurbescherming zijn dan ook niet van toepassing voor het kappen van de bomen.
Afbeelding 9: Projectgebied en bebouwde komgrenzen van gemeente Haarlem (Provincie Noord-Holland)
19
6
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
6.1
CONCLUSIES De bebouwing in het projectgebied biedt potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen. Tijdens de geplande werkzaamheden kunnen verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen verloren gaan. De bomenrijen en groenstructuren in het projectgebied kunnen onderdeel uitmaken van een foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. De herinrichting van het gebied kan een negatief effect hebben op foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Tijdens de werkzaamheden kunnen er individuen van vleermuizen worden verstoord of gedood. In het projectgebied is dicht struikgewas aanwezig en zijn potentiële verblijfplaatsen voor kleine marterachtigen niet uit te sluiten. Indien er werkzaamheden plaatsvinden aan deze elementen, kunnen er mogelijk verblijfplaatsen van de bunzing, hermelijn, en de wezel verloren gaan. Tijdens de werkzaamheden kunnen er mogelijk individuen van marterachtigen worden gedood. In zes bomen in het projectgebied zijn potentieel jaarrond beschermde nesten aanwezig welke gebruikt kunnen worden door individuen van de boomvalk, ransuil en de sperwer als nestlocatie. Indien de werkzaamheden in het broedseizoen van vogels (globaal maart - augustus) plaatsvinden kunnen mogelijke nestlocaties van algemene broedvogels worden vernietigd en verstoord en kunnen individuen worden gedood.
In het projectgebied kunnen mogelijke algemene provinciaal beschermde amfibieën en zoogdieren aanwezig zijn. Overige beschermde soorten worden door het ontbreken van beschermd habitat niet verwacht in het projectgebied voor te komen. Het projectgebied is niet gelegen binnen beschermd natuurgebied. De herontwikkeling van de voorzieningenstrook Floris van Andrichemlaan betreft een ontwikkeling die mogelijk een toename van stikstofemissies ten gevolge heeft. Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen niet worden uitgesloten. De uitgangssituatie is ten tijde van schrijven nog niet bekend. Er is een berekening met behulp van de “AERIUS Calculator” benodigd om de effecten op Natura 2000-gebieden te berekenen. Deze berekening dient te voldoen aan de meest recente regelgeving. De bomen in het projectgebied vallen binnen de door de gemeenteraad van Haarlem vastgestelde bebouwde kom. De bepalingen ten aanzien van houtopstanden uit de Wet natuurbescherming zijn dan ook niet van toepassing voor het kappen van de bomen.
6.2
AANBEVELINGEN
Er is, afhankelijk van de werkzaamheden, nader onderzoek benodigd naar de kleine marterachtigen, vleermuizen en vogels met jaarrond beschermde nesten. Het onderzoek naar kleine marterachtigen dient afgestemd te zijn op de te verwachten aanwezigheid van de bunzing, hermelijn en de wezel. Het onderzoek naar vleermuizen dient afgestemd te zijn op de verwachte aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis. Het onderzoek naar jaarrond beschermde nesten dient afgestemd te zijn op de mogelijke aanwezigheid van de boomvalk, ransuil en de sperwer. In tabel 3 zijn de uit te voeren onderzoeken en onderzoekperiodes weergegeven. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden gedaan bij de Omgevingsdienst NoordHolland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen. Hierbij dient men in één richting te werken om de aanwezige fauna de gelegenheid te geven voor de werkzaamheden uit te vluchten.
Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen van vogels plaats moeten vinden (globaal maart – augustus), dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden.
20
Tabel 3: Te verwachten beschermde soorten en aanbevolen inventarisaties Soort / soortgroep
Aanvullend onderzoek
Onderzoeksperiode
Algemene broedvogels
Nesten, indien niet buiten het broedseizoen gewerkt wordt
Maart t/m augustus
Kleine marterachtigen
Verblijfplaatsen
Gehele jaar (mei t/m augustus)
Vleermuizen
Zomer- en kraamverblijfplaatsen
15 mei t/m 15 juli
Vleermuizen
Massawinterverblijfplaatsen
1 augustus t/m 10 september
Vleermuizen
Paarverblijfplaatsen en zwermplaatsen
15 augustus t/m 1 oktober
Vleermuizen
Winterverblijfplaatsen
1 december t/m 28 februari
Vleermuizen
Foerageergebied en vliegroutes
15 mei t/m 1 oktober
Nesten
Maart t/m augustus
Vogels
met
jaarrond
beschermde nesten
21
7
LITERATUUR
BIJ12 (2017) Kennisdocument gewone dwergvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument gierzwaluw, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument huismus, versie 2.1, BIJ12 februari 2023. BIJ12 (2017) Kennisdocument rosse vleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument rugstreeppad, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument ruige dwergvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument watervleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument zandhagedis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, (2011) Vleermuizen, Tirion Natuur uitgevers BV, Baarn. Netwerk Groene Bureaus (2017) Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, juli 2017. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2020) Vleermuisprotocol 2021, oktober 2020. Internet NDFF www.3dbag.nl/en/viewer www.gbif.org www.geoapps.noord-holland.nl/kaartenportaal www.natura2000.nl/gebieden/noord-holland www.parallel.co.uk/netherlands+ www.piscaria.nl www.provinciaalgeoregister.nl/georegister/ www.ravon.nl www.stowa.nl (limnodata neerlandica) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000 www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl
22
Bijlage 1:
Foto-impressie
23
Bijlage 2:
Tabel mogelijk aanwezige soorten
Tabel 1: Overzicht beschermde soorten in kilometerhok 105/486 Soortgroep Naam Bescherming
Afstand
Amfibieën
bastaardkikker1
Wnb A
< 5km
Amfibieën
bruine kikker1
Wnb A
< 4km*
Amfibieën
gewone pad1
Wnb A
< 5km
Amfibieën
kleine watersalamander1
Wnb A
< 5km
Amfibieën
meerkikker1
Wnb A
< 1km*
Amfibieën
rugstreeppad
HR IV & Bern II
< 3km*
Ongewervelden
platte schijfhoren
HR IV
< 4km
Ongewervelden
grote vos
Wnb A
< 4km
Vaatplanten
akkerboterbloem
Wnb B
< 5km
Vaatplanten
glad biggenkruid
Wnb B
< 4km*
Vaatplanten
muurbloem
Wnb B
< 5km
Vaatplanten
naakte lathyrus
Wnb B
< 5km
Vaatplanten
wilde ridderspoor
Wnb B
< 1km
Vleermuizen
franjestaart
HR IV & Bern II
< 5km
Vleermuizen
gewone dwergvleermuis
HR IV
< 1km*
Vleermuizen
laatvlieger
HR IV & Bern II
< 1km*
Vleermuizen
meervleermuis
HR IV & Bern II
< 5km
Vleermuizen
rosse vleermuis
HR IV & Bern II
< 1km*
Vleermuizen
ruige dwergvleermuis
HR IV & Bern II
< 1km*
Vleermuizen
watervleermuis
HR IV & Bern II
< 2km*
Vogels
blauwe reiger
Cat. 5
< 1km*
Vogels
boerenzwaluw
Cat. 5
< 5km
Vogels
boomkruiper
Cat. 5
< 1km*
Vogels
boomvalk
Cat. 4
< 5km
Vogels
bosuil
Cat. 5
< 2km*
Vogels
buizerd
Cat. 4
< 4km*
Vogels
ekster
Cat. 5
< 2km*
Vogels
gierzwaluw
Cat. 2
< 1km*
Vogels
groene specht
Cat. 5
< 1km*
Vogels
grote bonte specht
Cat. 5
< 4km*
Vogels
havik
Cat. 4
< 5km*
Vogels
huismus
Cat. 2
< 1km*
Vogels
huiszwaluw
Cat. 5
< 5km
Vogels
ijsvogel
Cat. 5
< 1km*
Vogels
kerkuil
Cat. 3
< 3km*
Vogels
koolmees
Cat. 5
< 1km*
Vogels
ooienvaar
Cat. 3
< 5km
Vogels
oeverzwaluw
Cat. 5
< 5km
Vogels
pimpelmees
Cat. 5
< 2km*
Vogels
ransuil
Cat. 4
< 2km*
Vogels
sperwer
Cat. 4
< 3km*
Vogels
spreeuw
Cat. 5
< 4km*
Vogels
tapuit
Cat. 5
< 5km*
Vogels
torenvalk
Cat. 5
< 5km*
Vogels
zwarte kraai
Cat. 5
< 1km*
Vogels
zwarte roodstaart
Cat. 5
< 1km
Zoogdieren
boommarter
Wnb A
< 5km*
Zoogdieren
bosmuis1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
bunzing
Wnb A
< 5km*
24
Soortgroep
Naam
Bescherming
Afstand
Zoogdieren
dwergmuis1
Wnb A
< 1km*
Zoogdieren
eekhoorn
Wnb A
< 5km*
Zoogdieren
egel1
Wnb A
< 1km*
Zoogdieren
haas1
Wnb A
< 2km*
Zoogdieren
hermelijn
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
huisspitsmuis1
Wnb A
< 1km*
Zoogdieren
konijn1
Wnb A
< 1km*
Zoogdieren
noordse woelmuis
HR IV
< 5km
Zoogdieren
rosse woelmuis1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
steenmarter
Wnb A
< 5km*
Zoogdieren
veldmuis1
Wnb A
< 1km*
Zoogdieren
vos1
Wnb A
< 4km*
Zoogdieren
wezel
Wnb A
< 1km*
Wnb A woelrat1 * = op basis van eerdere waarnemingen van Adviesbureau E.C.O.Logisch B.V. 1 = Vrijstelling Zoogdieren
< 5km
25
Bijlage 3:
Kaart resultaten habitatscan
26