CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

11 Bijlage A 6a - PlanMER Warmteprogramma gemeente Haarlem

commissie Beheer 5 maart 2026, gemeente HaarlemBij agendapunt: Warmteprogramma 2026-2030 definitief vaststellen (RB)29.264 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Als de systemen te dicht bij elkaar staan, beïnvloeden ze elkaar en daalt het rendement. Haarlem heeft al verschillende verordeningen voor bodemenergie vastgesteld om bodemenergie zo optimaal mogelijk te benutten en om interferentie te voorkomen (vooral in het geval van open bodem energiesystemen). De totale ruimtevraag en benodigde installaties die noodzakelijk zijn voor het individuele bodemwarmtepomp zijn weergeven in de onderstaande tabel. Voor de verzwaring van de elektriciteitsinfrastructuur gaat het alleen om de extra verzwaring voor de benodigde netcapaciteit voor de warmtetransitie. Onderdelen alternatief 5 De in Tabel 6-5 weergegeven aantallen zijn van toepassing wanneer individuele bodemwarmtepomp over de gehele gemeente wordt uitgerold. Deze getallen worden in de beoordelingen gebruikt om het aantal installaties bij de verschillende onderdelen relatief ten opzichte van elkaar te kunnen wegen. Voor het aantal benodigde transformatorhuisjes, middenspanningsstations en hoogspanningsstations in Haarlem is een inschatting gemaakt op basis van het aantal beoogde benodigde installaties voor de stad Utrecht, op basis van de Utrechtse Beleidsnota Warmte 2025-2035. Tabel 6-5: Onderdelen alternatief 5

Alternatief 5: individuele bodemwarmtepomp Installatie

Aantal

Ruimtegebruik per stuk

GBES (lus bovengronds)

> 80.000

1 m2

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

52

Projectgerelateerd

In/aan gebouwen: warmtepomp, boiler, buffervat

Iedere woning/gebouw

4 m2

Transformatorhuisjes (MS/LS)

400 extra

20 m2

Middenspanningsstation (25-66 kV naar 3 - 23 kV)

2,5 extra. Er worden al drie gerealiseerd

2.000 m2

Hoogspanningsstation (110-150 kV naar 25-66 kV)

1 extra. Er wordt er al één gerealiseerd

5.000 m2

Hoogspanningsstation (220/380 kV naar 110-150 kV)

1 extra. Er wordt er al één gerealiseerd

55.000 m2

6.2

De alternatieven samengevat

In Tabel 6-6 hieronder is samengevat uit welke onderdelen een alternatief bestaat. Met vinkjes is aangegeven of een onderdeel van toepassing is in een alternatief. Tabel 6-6: Samenvatting alternatieven

Centrale installaties buiten de wijken

Grootschalig midden temperatuur warmtenet

Decentrale midden temperatuur warmtenetten

Zeer lage temperatuur warmtenet

Individuele luchtwarmtepomp

Individuele bodemwarmtepomp

2.

3.

4.

5.

Onderdelen warmtesysteem

1.

Alternatief

Grote installaties in de wijken Kleine installaties in de wijken

 

Transformatorhuisjes in de wijken Nieuwe leidingen voor warmte in de wijken

 





 

Verzwaren elektriciteitsnet in de wijken

Installaties bij de woning

Boren warmtebron bij de woning

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

53

Projectgerelateerd

7

Wijktypen

De gemeente Haarlem telt in totaal 111 buurten. Gezien het detailniveau van een warmteprogramma wordt in dit planMER onderzoek gedaan naar ‘wijktypen’; een bundeling van buurten op basis van vergelijkbare kenmerken. In de uitvoering van het Warmteprogramma kunnen, waar nodig, milieueffecten nader worden onderzocht voor specifieke buurten (onderdeel van het opstellen van Uitvoeringsplannen). In dit hoofdstuk zijn de Haarlemse wijktypen nader toegelicht.

7.1

Toepassing wijktypen

De gemeente Haarlem geeft in het warmteprogramma per buurt aan welke warmteopties goede keuzes zijn in respectievelijk 2030 en 2040. Deze aanpak komt overeen met de Handreiking Warmtetransitie Lokale Warmte van het NPLW2. De buurtaanpak maakt maatwerk mogelijk, omdat elke buurt unieke kenmerken heeft zoals de leeftijd van gebouwen en de beschikbare infrastructuur. Dit zorgt ervoor dat oplossingen beter aansluiten bij de specifieke behoeften van de buurt. Het is daarom van belang om informatie over milieueffecten te onderzoeken op datzelfde buurtniveau. De gemeente Haarlem telt 111 buurten.3 Het is niet haalbaar om al deze buurten ten opzichte van elkaar te vergelijken of per buurt alle vijf alternatieven af te wegen binnen dit planMER. Daarom zijn buurten gebundeld op basis van overeenkomende kenmerken of ‘wijktypologieën’. In dit planMER noemen we dit ‘wijktypen’.

7.1.1

Wat een wijktype is

De wijktypologie is ontwikkeld door de Hogeschool van Amsterdam (HvA) in samenwerking met gemeenten en kennisinstellingen binnen het onderzoeksprogramma Urban Technology. Deze typologie werd voor het eerst toegepast in relatie tot kwetsbaarheid en milieueffecten in het onderzoek Urban Climate Design: Improving thermal comfort in Dutch neighbourhoods van Laura Kleerekoper (2016). In 2023 is de methodiek verder uitgebreid en versterkt door HvA-onderzoek binnen het samenwerkingsinitiatief Klimaateffectatlas, onder de titel ‘Computer leert wijktypen bepalen voor heel Nederland’. Binnen dit onderzoek zijn de gemeenten Den Haag, Amsterdam, Utrecht, Deventer en Berkelland geanalyseerd op kenmerkende eigenschappen van hun wijken. Op basis van deze eigenschappen zijn wijktypen gedefinieerd: veralgemeniseerde categorieën waarin buurten of wijken worden ingedeeld op basis van ruimtelijke en fysieke kenmerken. De kenmerken waarop deze indeling is gebaseerd, omvatten onder andere het bouwjaar van woningen, de structuur van het straatbeeld en het type bebouwing (zoals rijtjeshuizen of appartementen). In Nederland zijn op basis van deze systematiek veertien verschillende wijktypen te onderscheiden. Met deze classificatiemethode kan een specifieke buurt aan de hand van 2 3

Handreiking Warmteprogramma Haarlem in Cijfers

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

54

Projectgerelateerd

kenmerken worden ingedeeld binnen een wijktype. Kleerekoper (2016) gebruikte deze typering om de kwetsbaarheid van buurten voor klimaatverandering in kaart te brengen.

7.1.2

Wijktypen uit de Klimaateffectatlas als basis

Op basis van overeenkomende ruimtelijke kenmerken van buurten tezamen kunnen uitspraken worden gedaan over mogelijke milieueffecten. Er is gebruikgemaakt van de indeling van wijktypen volgens de Klimaateffectatlas omdat de wijktypologieën die gebruikt zijn voor het bepalen van de gevoeligheid voor klimaatverandering, zoals in de Klimaateffectatlas, ook geschikt zijn om te gebruiken voor inzicht in de gevolgen van de warmtetransitie. De ruimtelijke kenmerken die relevant zijn komen overeen tussen de twee vraagstukken. Zo geeft bijvoorbeeld de gevoeligheid van een wijktype voor hittestress ook inzicht in mogelijke milieueffecten bij de overstap naar aardgasvrije alternatieven. De indeling van buurten onder een wijktype is daarom een startpunt voor het planMER. In dit planMER zijn de kenmerken van de wijktypen vervolgens specifiek gemaakt voor de gemeente Haarlem. Dit zorgt voor maatwerk, passend bij de gemeente Haarlem. Ook is aangegeven als een buurt significant afwijkt van een wijktype. De effectbeoordeling kan dan als het nodig is op buurtniveau zijn bijgesteld.

7.2

Wijktypen in Haarlem

In Figuur 7-1 is te zien welke wijktypen in de gemeente Haarlem voorkomen. Deze indeling komt niet helemaal overeen met de indeling uit de Klimaateffectatlas. De gemeente Haarlem heeft op basis van haar eigen Nota Ruimtelijke Kwaliteit (2012) en lokale kennis de indeling aangepast. Meer informatie hierover is te lezen in 10.1.

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

55

Projectgerelateerd

Figuur 7-1: Wijktypen in Haarlem

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

56

Projectgerelateerd

7.2.1

Toelichting wijktypen Haarlem

Alleen de wijktypen die voorkomen in de gemeente Haarlem zijn beschreven. De volgende paragraaf geeft een korte beschrijving van de in Haarlem aanwezige wijktypen, waarbij voor iedere buurt enkele unieke kenmerken zijn toegelicht. Historische binnenstad In de meeste Nederlandse steden bevindt het centrum zich in de historische binnenstad, die het begin vormde van de steden die wij vandaag kennen. Dit is daarmee ook het oudste wijktype in veel steden, vaak grotendeels gebouwd voor 1910. Bebouwing bestaat uit gesloten bouwblokken van drie tot vijf verdiepingen waarin verschillende functies samen komen. Een gesloten bouwblok is een structuur van aaneengeschakelde gebouwen dat gesloten is of een besloten binnenruimte heeft.4 Binnensteden staan vaak bekend om hun drukte, doordat hier wonen, winkelen, bedrijven en recreatie samenkomen. De straten zijn vaak smal en voor het grootste deel verhard met klinkers met enkele, soms monumentale, soorten groen. Dit groen kan ook in de vorm van losse bomen zijn, die door de binnenstad heen staan. De Haarlemse historische binnenstad komt over het algemeen overeen met de gemiddelde landelijke kenmerken van de binnenstad. Tuindorp Tuindorpen bestaan uit eengezinswoningen in jaren 30-stijl, tot stand gekomen tussen 1910 en 1940. Woningen zijn twee tot drie verdiepingen hoog en hebben ruime voor- en achtertuinen.

Straten zijn over het algemeen ruim en er is veel groen. Langs de straten zijn ruime parkeerplaatsen, vaak aan beide zijden van de straat. Het niveau van groen verschilt per tuin, dit is afhankelijk van de inwoners. Analyses van de gemiddelde kenmerken van het Haarlemse tuindorp laat zien dat de straatbreedten rond de vijf meter uitkomen. Het percentage openbare ruimte in het Haarlemse tuindorp is relatief klein. Volkswijk Volkswijken bestaan uit gesloten bouwblokken met eengezinswoningen van twee tot drie verdiepingen hoog, verbonden door middel brede straten. Volkswijken hebben smalle straten en kleine tuinen. Vaak ontbreken voortuinen en zijn de achtertuinen ondiep in vergelijking met de andere buurten. Er is weinig gemeentelijk groen, maar er is veel ruimte voor de auto door parkeerplekken aan beide zijden van de straat. Verder is er in de openbare ruimte veel verharding. De Haarlemse volkswijk komt over het algemeen overeen met de gemiddelde landelijke kenmerken van een volkswijk. Naoorlogse woonwijk Naoorlogse woonwijken bestaan uit eengezinswoningen van twee tot drie verdiepingen hoog die gebouwd zijn sinds 1945. De straten in dit type buurten zijn relatief breed, met veel verharding voor parkeerruimte langs de wegen. De meeste woningen zijn rijtjeswoningen of twee-onder-eenkapwoningen met voor- en achtertuin. In de openbare ruimte is er weinig ruimte voor groen.

Hiervoor is tijdens de aanleg van deze buurten weinig ruimte gecreëerd. De Haarlemse naoorlogse 4

Rapport PBL: Krachtwijken met karakter verdieping

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

57

Projectgerelateerd

woonwijk komt over het algemeen overeen met de gemiddelde landelijke kenmerken van een naoorlogse woonwijk. Tuinstad laagbouw Tuinstad laagbouw bestaat uit open bouwblokken van eengezinswoningen met twee tot drie verdiepingen. Open bouwblokken zijn een structuur van gebouwen waarbij er geen besloten binnenruimte is, maar min of meer vrije ruimte rondom het bouwblok. Deze woningen hebben vaak een eigen tuin en daarnaast is er half-openbaar groen in de woonblokken. Ook langs de brede straten tussen de bouwblokken is ruimte voor groen, in de vorm van een rij met bomen of een groenstrook. Tuinstad laagbouw is tussen 1945 en 1960 gerealiseerd en heeft vooral een woonfunctie. De Haarlemse tuinstad laagbouw komt over het algemeen overeen met de gemiddelde landelijke kenmerken van een tuinstad laagbouw. Tuinstad hoogbouw Tuinstad hoogbouw bestaat uit open bouwblokken van vier tot tien verdiepingen met veel open ruimte tussen de blokken. In deze buurten is geprobeerd om in een beperkte ruimte veel woningen te creëren met een focus op luchtigheid, licht en ruimte in binnen- en buitenruimtes. Dit is bijvoorbeeld vertaald in een ruime opzet tussen de gebouwen. Dit gebeurde tussen 1950 en 1965. Woningen hebben geen eigen tuinen en binnenplaatsen zijn soms verhard om voldoende parkeerruimte te creëren. Straten zijn breed en overal is het een middelverharde buurt.

De Haarlemse tuinstad hoogbouw komt over het algemeen overeen met de gemiddelde landelijke kenmerken van een tuinstad hoogbouw. Hoogbouw Hoogbouw wijken bestaan uit vrije bouwblokken van minimaal zes verdiepingen hoog. Deze gebouwen hebben een brede mix van functionaliteiten: werken, wonen en recreatie komen er samen. Tussen de gebouwen zijn middelbrede geasfalteerde straten en parkeerruimte is veelal ondergronds te vinden. Langs de straten is minimaal ruimte voor groen, indien aanwezig betreffen het voornamelijk bomen. De Haarlemse hoogbouw komt over het algemeen overeen met de gemiddelde landelijke kenmerken van hoogbouw. Echter is de gemiddelde straatbreedte in de Haarlemse hoogbouw wat breder dan het landelijke gemiddelde. Bloemkoolwijk Bloemkoolwijken zijn gebouwd tussen 1970 en 1990, en bestaan uit eengezinswoningen in strokenbouw of open bouwblokken. Strokenbouw zijn rijen van gebouwen ten opzichte van een straat of dijk. Het wegnetwerk van bloemkoolwijken is een unieke karakteristiek. Het wordt gekenmerkt door veel bochten en lussen, waar andere buurten meer kruisingen en rechte straten hebben. Ook is de grote hoeveelheid van groen direct aan woonerven uniek, woningen hebben een voor- en achtertuin. Bij de aanleg van bloemkoolwijken is bewust met groen omgegaan als middel voor woonkwaliteit. Hier tegenover staat dat er weinig rekening gehouden is met de auto.

Bloemkoolwijken liggen vaak wat verder weg van centrumvoorzieningen, waardoor menig inwoners een of twee auto’s heeft. Als gevolg is er een hoge parkeerdruk in de meeste bloemkoolwijken. De

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

58

Projectgerelateerd

hoofdfunctie van bloemkoolwijken is wonen. De Haarlemse bloemkoolwijk komt over het algemeen met de genoemde omschrijving overeen. Bedrijventerrein Bedrijventerreinen liggen vaak aan de rand van steden of dorpen en hebben als functie de huisvestiging van bedrijven. De ligging is meestal op logistieke aantrekkelijke punten, bijvoorbeeld langs snelwegen of waterwegen. Op bedrijventerreinen is er vaak weinig ruimte voor groen gereserveerd en is er veel verharding. De Haarlemse bedrijventerreinen komen hiermee overeen. Bovendien is het percentage openbare ruimte op het bedrijventerrein relatief laag. Villawijk Een villawijk is een wijk met grote vrijstaande huizen met veel ruimte tussen de woningen en grote tuinen. Villawijken liggen buiten het centrum van steden. Je vindt ze ook vaak aan de randen van dorpen. De ruime woningen in villawijken behoren tot de duurdere woningen. De meeste villa’s dienen als woning, maar vaak worden ze ook gebruikt door makelaars, artsen of notarissen. De Haarlemse villawijk komt met deze kenmerken overeen. Daarbij kenmerkt de Haarlemse villawijk zich door relatief brede straten en een gemiddeld middelhoog percentage openbare ruimte. Vinex wijk Opvallend aan dit wijktype zijn de verschillende soorten eengezinswoningen in strokenbouw: tweeondereen-kapwoningen, vrijstaande woningen en appartementen.

In deze wijken is in het straatprofiel mogelijk meer ruimte voor groenstroken en bomen. De huizen hebben vaak een voortuin en een ruime achtertuin. De straten zijn relatief breed: gemiddeld 20 meter. Er is ruimte voor parkeerplekken en een krappe boomspiegel. In de openbare ruimte en vooral in privétuinen is veel verharding. De Haarlemse kenmerken van een vinex wijk komen hiermee overeen en laten een middelhoog percentage openbare ruimte zien. Vooroorlogse woonwijk De vooroorlogse woonwijk bestaat uit bebouwing van verschillende perioden, vooral van voor 1945. In veel Nederlandse dorpen bestaat de kern uit historische boerderijen en kerk- of handelsgebouwen. De ruimte ertussen is in de loop van de jaren met bebouwing gevuld. Ook is er langs de aansluitingswegen tussen steden en het omliggende platteland lintbebouwing ontstaan met afwisselend historische bebouwing en nieuwe gebouwen. De Haarlemse vooroorlogse wijk komt hiermee overeen en heeft een relatief brede straatbreedte. Het percentage openbare ruimte is in de Haarlemse vooroorlogse woonwijk laag. Groen In de wijktypen ‘groen’ bestaat meer dan 70% van het oppervlak uit groen. Dit kan in steden gebeuren wanneer er bijvoorbeeld een park of stadsbos naast een stuk bebouwing samen worden gegroepeerd als buurt.

De gebieden die in Haarlem aangewezen zijn als groen en niet-gedefinieerd bestaan voor het grootste deel uit woningen en vakantiewoningen, groen, buitengebied en parken, water, polders en sportvelden.

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

59

Projectgerelateerd

Divers Gebieden die niet onder één van de bovenstaande categorieën vallen zijn geclassificeerd als ‘divers’. Eén Haarlemse buurt valt onder het buurttype ‘divers’. Bij ‘divers’ is er, naast groen, sprake van een verscheidenheid van verschillende woningtypen zoals grondgebonden woningen en appartementenblokken. Ook is er een waterzuiveringsinstallatie in het wijktype divers. Vernieuwd Het wijktype ‘vernieuwd’ is een mengsel van oudere wijktype waar er naast de bestaande woningen inbreiding heeft plaats gevonden. Inbreiding is een stedelijke ontwikkelingsstrategie waarbij nieuwe woningen, voorzieningen of andere functies worden toegevoegd binnen het bestaande stedelijke gebied. Deze inbreiding zorgt ervoor dat dit wijktype geen eenduidig onderscheidende kenmerken heeft ten opzichte van de andere wijktypen.

7.3

Kenmerken van de Haarlemse wijktypen

In dit planMER zijn de door de Klimaateffectatlas benoemde kenmerken van wijktypen aangevuld met unieke kenmerken van de gemeente Haarlem. Tabel 7-1 geeft een overzicht van de kenmerken die voortkomen uit de Klimaateffectatlas en de unieke kenmerken van Haarlem. Bouwjaar Het bouwjaar van een woning of buurt kan de bouwtendens van een periode weerspiegelen en illustreert wat er in de bouwperiode voor woningbehoeftes waren. Per postcode is het percentage van de bebouwing bekeken per interval van 5 jaar. Bouwjaar is een onderscheidend kenmerk voor de thema’s archeologie en cultuurhistorie en is ook van belang met betrekking tot de isolatiewaarden en warmtebehoefte van woningen. Het bouwjaar is overgenomen uit de Klimaateffectatlas. Woningtype Per postcode is het percentage van bebouwing bekend voor de categorieën ‘appartement’, ‘rijtjeshuis’, ‘2-onder-1-kap’ en ‘vrijstaand’. Uiteindelijk is er besloten om de hoekwoning en tussenwoning samen te voegen tot rijtjeswoning. Dit is aangevuld met de bouwvorm van deze woningen: in blokken, vrijstaand of lintbebouwing bijvoorbeeld. Aan de hand van het kenmerk woningtype is het mogelijk om in te schatten hoe de verschillende alternatieven er op straatniveau en gebouwniveau Haarlem uit kunnen zien. Het woningtype is voortgekomen uit de Klimaateffectatlas. Hoogte gebouwen De bouwhoogte van gebouwen zegt veel over een wijktype.

Zo zijn de woonlagen in een volkswijk lager dan bijvoorbeeld in een tuinstad hoogbouw. Per postcode is het percentage van de bebouwing bekend per interval van 1 meter. De hoogste categorie is ‘> 30m’. Uit deze dataset is de meest voorkomende waarde per wijktype gekozen. Dit is naar verdiepingen vertaald. De hoogte van gebouwen is overgenomen uit de Klimaateffectatlas.

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

60

Projectgerelateerd

Straatbreedte Straatbreedte refereert naar hoe breed een straat is. De breedte van een straat wordt gedefinieerd als de ruimte die er gemiddeld per strekkende meter straat beschikbaar is. Hiervoor is de hoeveelheid ruimte bepaald die er onder het wegoppervlak over is na aftrekt van eventueel aanwezige boomwortels en huidige ondergrondse infrastructuur en bijbehorende bufferafstanden. De breedte van straten is een uniek kenmerk dat wordt gebruikt om aannames te doen over de mogelijke effecten voor de thema’s geluidhinder, ruimtelijke kwaliteit en drinkwater. De straatbreedte is voortgekomen uit een analyse die eerder in opdracht door de gemeente Haarlem werd uitgevoerd door Aveco de Bondt (2024)5. Fijnmazigheid wegennet: meters weg per hectare De fijnmazigheid van het wegennet refereert naar de hoeveelheid straat en de graad van vertakking van dit wegennet in een buurt. Om de fijnmazigheid per buurt in kaart te brengen is gekeken naar de weglengte in meters per hectare. Uitkomsten op buurtniveau zijn vervolgens vertaald naar de gemiddelde weglengte in meters per hectare per wijktype. Hiervoor is een GIS-analyse uitgevoerd. De fijnmazigheid van het wegennet, in meters weg per hectare, is een uniek kenmerk dat wordt gebruikt voor de thema’s geluidhinder, luchtkwaliteit en bodemkwaliteit. Openbare ruimte Openbare ruimte is ruimte die voor iedereen toegankelijk is.

Voor dit kenmerk is gekeken naar het percentage openbare ruimte per wijktype. Aan de hand van een GIS-analyse is bepaald hoeveel publieke ruimte in een buurt aanwezig is. Hierbij is gekeken naar openbaar groen en grijs en publiek bezit. Wegen en parkeerplaatsen zijn uit de analyse gehaald. Vervolgens is een gemiddelde per wijktype bepaald. Het kenmerk openbare ruimte is een uniek kenmerk dat wordt gebruikt om de milieueffecten te bepalen voor de thema’s geluidhinder, elektromagnetische velden en ruimtelijke kwaliteit. Groen Sommige buurten zijn groener dan andere en daarom van belang voor een betere wijktype-bepaling. Voor iedere postcode is het totale percentage groen berekend en de percentages in de categorieën ‘gras’, ‘heesters’ en ‘bomen’. Het percentage groen is voortgekomen uit de Klimaateffectatlas. Verharding openbare ruimte De verdeling van verhard en onverhard is meegenomen in de wijktype dataset omdat in een historische binnenstad vaak meer verharding op buurt- of straatniveau is dan bijvoorbeeld in een tuinstad of villawijk. Voor iedere postcode is het gemiddelde percentage verharding toegevoegd. Verharding van de openbare ruimte wordt gebruikt voor het kenmerk hittestress gevoeligheid. Het percentage verharding is voortgekomen uit de Klimaateffectatlas.

Functie van de wijk Het percentage van panden die de functie 'wonen' hebben per buurt- of straatniveau wordt berekend om de typologie bedrijventerrein van de overige typologieën te onderscheiden. Daarnaast 5

Analyse drukte in de ondergrond, Aveco de Bondt (2024)

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

61

Projectgerelateerd

geeft de indeling van functies, anders dan wonen, ook inzicht in het bepalen van historische binnensteden. In de historische binnenstad zijn panden vaak opgedeeld in functies zoals winkels en wonen. De functie van de wijk (oftewel buurt) geeft een indicatie van hoe buurten gebruikt worden en wat voor bewegingen en handelingen er plaatsvinden. Hiermee draagt het kenmerk bij aan het algemene beeld en onderlinge onderscheid van wijktypen. De data is afkomstig uit de Klimaateffectatlas. Woningequivalent Een woningequivalent (WEQ) is een eenheid van warmtevraag voor een woning. Een WEQ staat gelijk aan 27 tot 30 gigajoule per jaar (GJ/a). Hierbij wordt ervan uitgegaan dat dit de warmtevraag van één woning representeert. In realiteit is WEQ een gemiddelde en varieert de exacte warmtevraag, bijvoorbeeld door verschil in isolatieniveau of grootte van een woning. Om de verschillen in warmtevraag per buurt in kaart te brengen is het kenmerk WEQ per hectare berekend. Vervolgens is een gemiddelde per wijktype bepaald. Het aantal WEQs per hectare is een uniek kenmerk dat wordt gebruikt om de mogelijke milieueffecten voor de thema’s grondwater, ruimtelijke kwaliteit en circulariteit te bepalen. Energielabels Energielabels geven informatie over de isolatiegraad van woningen. Het geeft indirect informatie over de warmtevraag en hangt samen met het WEQ.

Informatie over energielabels worden in dit planMER niet gebruikt om mogelijke milieueffecten te bepalen. WEQ’s zijn leidend. Tabel 7-1: Overzicht kenmerken wijktypen

Woningequivalenten

Straatbreedte (in m)

Fijnmazigheid weggennet

Percentage groen

Percentage openbare ruimte

Hoogte van gebouwen (in m)

Functie wijktype

Woningtype

Bouwjaar

Historische binnenstad

Voor 1910

Flatwoningen, bovenbenedenwoningen en eengezinswoningen

Wonen, werken en recreatie

3–5

11.1 (H)

15 – 35%

340 (M)

1 – 2 (H)

53,22 (H)

Tuindorp

19101940

Overwegend eengezinswoningen

Wonen, werken en recreatie

2–3

12,4 (H)

30 – 50%

298 (M)

2 – 5 (M)

36,87 (M)

Volkswijk

18501940

Overwegend eengezinswoningen

Wonen

2–3

8,3 (H)

15 – 20%

312 (M)

2 – 5 (M)

55,46 (H)

Naoorlogse woonwijk

Na 1945

Overwegend eengezinswoningen

Wonen

2–3

20,2 (M)

30 – 55%

312 (M)

>5 (L)

41,7 (M)

Tuinstad laagbouw

1945 – 1960 en later

Overwegend flatwoningen

Wonen

2–3

20,3 (M)

40 – 50%

298 (M)

>5 (L)

40,06 (M)

Tuinstad hoogbouw

1950 – 1965 en later

Overwegend flatwoningen

Wonen

4 – 10

21 (M)

35 – 80%

371 (H)

>5 (L)

50,69 (H)

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

62

Projectgerelateerd

Hoogbouw

Na 1960

Flatwoningen en eengezinswoningen

Wonen

6 – 20

13 (H)

10 – 20%

372 (H)

>5 (L)

22,33 (L)

Bloemkoolwijk

1970 1990

Overwegend eengezinswoningen

Wonen

3–5

26,9 (M)

35 – 60%

341 (M)

>5 (L)

32,29 (M)

Villawijk

Van alle tijden

Overwegend eengezinswoningen

Wonen

1–4

16,6 (M)

50 – 65%

252 (M)

>5 (L)

23,50 (L)

Bedrijventerrein

Van alle tijden

Verspreide bebouwing

Dienstverl ening

2–3

12,8 (H)

9 – 35%

165 (M)

>5 (L)

0,25 (L)

Groen

Van alle tijden

Voornamelijk groen

Recreatie, wonen

1–4

39,3 (L)

40 – 75%

146 (L)

>5 (L)

0,49 (L)

Divers

Van alle tijden

Verschillende bouwtypen

Wonen, werken en recreatie

33,3 (L)

40 – 50%

266 (M)

>5 (L)

11,21 (L)

Vernieuwd

Van alle tijden

Flatwoningen, eengezinswoningen en overige woningtypen

Wonen, werken en recreatie

2–6

20,2 (M)

20 – 40%

287 (M)

>5 (L)

35,73 (M)

Vinex-wijk

Jaren 90

Strokenbouw, gesloten bouwblok, eengezinswoningen, twee-onder-een kap, vrijstaand, appartementen

Wonen

2–4

19,8 (M)

40 – 50%

402 (H)

>5 (L)

36,22 (M)

Vooroorlogse woonwijk

Voor 1945

Strokenbouw, verspreid, eengezinswoningen, twee onder een kap en vrijstaand

Wonen

V

3,5 (H)

20 – 30%

123 (L)

>5 (L)

5,71 (L)

Toelichting afkortingen H M L V

Hoog risico op milieueffecten bij bepaalde milieuthema’s Midden risico op milieueffecten bij bepaalde milieuthema’s Laag risico op milieueffecten bij bepaalde milieuthema’s Variabel, onbekend

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

63

Projectgerelateerd

8

Milieuthema’s

Dit hoofdstuk bevat een overzicht van het relevante beleidskader, de referentiesituatie, een generieke effectbeoordeling en, indien van toepassing een effectbeoordeling per wijktype. Ook bevat ieder milieuthema, indien van toepassing, een toelichting van lokale aandachtspunten en aandachtspunten met betrekking tot warmtebronnen waarvoor een zoekgebied is gedefinieerd.

8.1

Geluid en trillingen

In deze paragraaf zijn de milieueffecten met betrekking tot het thema geluid en trillingen beschreven. Hierin wordt stilgestaan bij cumulatieve geluidhinder en de mate van trillingen. Tabel 8-1: Beoordelingskader Geluid en trillingen

Thema

Aspect

Indicator

Geluidhinder

Toename van het geluid op de gevels van geluidgevoelige gebouwen

Geluid en trillingen Hinder of schade door trillingen bij aanleg

8.1.1

Hinder of schade door trillingen bij de aanleg

Beleidskader geluid en trillingen

Tabel 8-2: Beleidskader geluid en trillingen

Kader

Randvoorwaarden en uitgangspunten

Nationaal beleid

Omgevingswet (2024)

Spoorweglawaai: De gemeente stelt in het omgevingsplan gebiedsgerichte geluidsnormen vast voor geluidgevoelige gebouwen. Hierbij vormen de waarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de basis. Als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, dan is er geen verplichting om geluidbeperkende maatregelen te onderzoeken. Als dat geluid de grenswaarde overschrijdt, kan een geluidgevoelige bestemming op die locatie alleen worden toegestaan met maatregelen aan het gebouw, zoals een dove gevel. Voor geluid van spoorwegen is de standaardwaarde 55 dB en de grenswaarde 70 dB. Wegverkeerslawaai: Net als bij spoorwegverkeer stelt de gemeente ook voor wegverkeer in het omgevingsplan de geluidsnormen vast voor gevoelige gebouwen. Voor gemeentewegen is de standaardwaarde 53 dB en de grenswaarde 65 dB. Windturbinelawaai: Zolang het Besluit windturbines nog niet van kracht is (verwacht in 2025), geldt een tijdelijke regeling. Windturbines moeten voldoen

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

64

Projectgerelateerd

aan een maximaal geluid van 47 dB Lden (gemiddeld over het etmaal) en 41 dB Lnight (in de nacht) op de gevels van geluidgevoelige gebouwen. Industrielawaai: Voor industrieterreinen regelt de gemeente in het omgevingsplan dat het geluid van activiteiten niet hoger mag zijn dan het geluidproductieplafond. Dit plafond vervangt op termijn de oude systematiek van gezoneerde industrieterreinen.

Besluit bouwwerken leefomgeving (2025)

Wat betreft trillingen als gevolg van bouw- en sloopwerkzaamheden, staan in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) regels voor het verrichten van de bouw- en sloopwerkzaamheden in de dagperiode. De regels gaan onder meer over het beperken van trillinghinder. Het doel van de regels is om de veiligheid in de directe omgeving bij het bouwen en slopen te waarborgen en de gezondheid te beschermen.

Provinciaal beleid

Actieplan geluid

De provincie Noord-Holland is op grond van de Europese richtlijn Omgevingslawaai, verplicht om elke vijf jaar een geluidkaart en een actieplan geluid op te stellen. De provincie heeft daar een plandrempel benoemd en mogelijk te treffen geluidbeperkende maatregelen om aan die plandrempel te voldoen. In het ontwerp Actieplan geluid 2025-2029 wordt de N208 (de Westelijke Randweg) genoemd als een wegvak waarlangs geluidschermen kansrijk zijn (lees voldoende geluidreductie bewerkstelligen in verhouding tot de te maken kosten).

Gemeentelijk beleid De gemeente Haarlem is eveneens op grond van de Europese richtlijn Omgevingslawaai, verplicht om elke vijf jaar een geluidkaart en een actieplan geluid op te stellen. De Europese richtlijn is opgenomen in de Omgevingswet. Het college van B&W heeft op 25 juli 2023 (2023/434659) de geluidkaart vastgesteld. Uit de geluidkaart blijkt dat de meeste geluidhinder afkomstig is van wegverkeerslawaai.

Actieplan geluid

In vervolg op de geluidkaart geeft het actieplan een opsomming van het beleid dat bijdraagt aan geluidreductie en een aantal maatregelen. In het actieplan wordt een plandrempel vastgesteld, als het geluid hoger is dan deze plandrempel, dan moet gestreefd worden naar een verlaging tot maximaal deze waarde. De plandrempel bedraagt voor geluid van wegverkeer 70 dB langs hoofdroutes en 65 dB buiten de hoofdroutes, in 30 km/uur-zones. Voor geluid vanwege industrielawaai (het gezoneerde industrieterrein Waarderpolder) wordt aangesloten bij landelijk wetgeving: het geluid over het gehele etmaal mag gemiddeld niet hoger zijn dan 55 dB(A) en in de nacht niet hoger dan 45 dB(A).

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

65

Projectgerelateerd

8.1.2

Geluidhinder

Huidige situatie Geluiden in de omgeving kunnen een grote bijdrage leveren aan de beleving van de leefomgeving. Te veel geluid is vaak onwenselijk of zelfs schadelijk. Gezondheidseffecten als slaapverstoring, gehoorschade, risico op hart- en vaatziekten of verminderd prestatievermogen en leerproblemen bij kinderen willen we uiteraard zoveel mogelijk voorkomen [PlanMER NOVI, 2019]. Geluidhinder is gedefinieerd als het vaak of soms last hebben van geluid van wegverkeer, railverkeer, vliegtuigen, buren, industrie, bedrijvigheid, laden/lossen en spelende kinderen. Ernstige geluidhinder ervaren door inwoners van 19 jaar en ouder wordt voornamelijk veroorzaakt door brommers of scooters (11%), buren (9%), wegverkeer met snelheden hoger dan 50 km/h (7%), en vliegverkeer (4%) [RIVM, 2016a]. Voor al deze bronnen geldt dat het percentage gehinderden hoger ligt dan het Nederlandse gemiddelde. Ernstige geluidhinder is een afgeleide van geluidhinder en gedefinieerd als het percentage mensen die geluidhinder beoordelen met een 7-10 op de schaal 0 (helemaal niet hinderlijk) tot 10 (heel erg hinderlijk) [Compendium voor de Leefomgeving, 2008]. Het geluidbelaste oppervlak met geluid dat hoger is dan 55 dB was in 2016 in de gemeente Haarlem met 62,3% hoger dan het Nederlandse gemiddelde van 34,8% [Telos PBL, 2019]. In Figuur 8-1 is het geluid vanwege wegverkeer weergegeven.

Hieruit blijkt dat het meeste geluid afkomstig is van de N208 (Westelijke Randweg), A200 en de N205 (Schipholweg) en de daarop aansluitende wegen. Langs deze wegen zal naar verwachting de meeste hinder optreden. In Figuur 8-2 is het geluid vanwege spoorwegverkeer weergegeven. Er is in een beperkte zone langs de spoorlijnen sprake van een hoog geluid en daarmee potentieel geluidhinder. In Figuur 8-3 is het geluid vanwege industrielawaai weergegeven. In Haarlem is sprake van één gezoneerd industrieterrein (Waarderpolder) en het geluid van dit terrein komt nauwelijks buiten het terrein zelf. In de nabijgelegen woongebieden zal waarschijnlijk beperkt hinder optreden. In Figuur 8-4 is het geluid vanwege vliegverkeer weergegeven. In het overgrote deel van Haarlem is het geluid niet hoger dan 48 dB. Ondanks dit lage niveau is het aannemelijk dat er in zekere mate sprake is van hinder door vliegverkeer. Het gemiddelde ervaren ernstige geluidhinder van weg, trein en vliegtuigverkeer in de gemeente Haarlem ligt met 26,0% hoger dan het landelijk gemiddelde waar gemiddeld 21,5% van de bevolking ernstige geluidhinder ervaart [Telos PBL, 2019].

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

66

Projectgerelateerd

Figuur 8-1: Geluid van wegverkeer (Lden) 2021

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

67

Projectgerelateerd

Figuur 8-2: Geluid van spoorwegverkeer (Lden) 2021

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

68

Projectgerelateerd

Figuur 8-3: Geluid van industrielawaai (Lden) 2021

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

69

Projectgerelateerd

Figuur 8-4: Geluidscontouren vliegverkeer Schiphol 2016

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

70

Projectgerelateerd

Autonome ontwikkeling De waar te nemen trend is dat de ‘geluiddeken’ toeneemt, door meer verkeer, woningen en evenementen. Het wegverkeerslawaai in steden kan gaan afnemen als er een groei is in elektrisch rijden. Aangezien bij hogere snelheid het bandengeluid bepalend is, heeft het elektrisch rijden ter hoogte van rijkswegen en provinciale wegen naar verwachting geen effect op de mate van geluidoverlast. In de praktijk kan het zijn dat bewoners in de toekomst minder geluidbelasting ervaren als gevolg van een toename in elektrisch rijden en stiller wegdek, waarmee de perceptie van geluidbelasting op de omgeving ten gevolge van wegverkeer afneemt. De geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer kan daarentegen weer toenemen door de (naar verwachting hoge) groei van het verkeer en aanleg van nieuwe wegen [RIVM, 2016a]. Het Actieplan Geluid 2024-2028 van Haarlem geeft beleidskaders voor het reduceren van omgevingslawaai. Het streven is om bij geluidgevoelige gebouwen langs hoofdroutes geen geluid meer te hebben dat hoger is dan 70 dB en bij geluidgevoelige gebouwen langs de overige wegen niet hoger dan 65 dB. Er is ook sprake van een plandrempel voor industrielawaai, waar al aan voldaan wordt omdat er geen woningen buiten de industrieterreinen liggen waar het geluid hoger is dan deze plandrempel.

Om ervoor te zorgen dat het geluid bij geluidgevoelige gebouwen deze plandrempel niet meer overschrijdt, kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen. In stedelijk gebied komt dan met name het toepassen van een stiller wegdek of het verlagen van de snelheid (bijv. van 50 naar 30 km/uur) in aanmerking als maatregel. In het geval van verkeersmaatregelen geldt dat het beleid vanuit het Haarlems Verkeer en Vervoerplan leidend zijn. In dit plan wordt met name ingezet op stimulatie van gebruik van de fiets of het openbaar vervoer door voorzieningen voor de fiets of het openbaar vervoer in te zetten [Gemeente Haarlem, 2014]. Als de doelstelling uit het Actieplan Geluid wordt gehaald, zal er gemiddeld over de gehele gemeente sprake zijn van een beperkte afname van de geluidhinder. Generieke effectbeoordeling geluidhinder Cumulatief geluid Cumulatief geluid is het totale geluid dat door de verschillende geluidbronsoorten tezamen wordt geproduceerd. Bij de berekening van het cumulatieve geluid wordt rekening gehouden met de hinderlijkheid van het geluid. Zo wordt het geluid van spoorwegverkeer als minder hinderlijk ervaren dan het geluid van wegverkeer en industrielawaai juist hinderlijker.

Bij de cumulatie van geluid speelt mee dat een geluidbronsoort die ongeveer 10 dB of nog minder geluid produceert ten opzichte van de andere bronnen geen effect heeft op het cumulatieve geluid. Concreet betekent dit dat een geluid producerende installatie in een omgeving met weinig geluid wel leidt tot hoger cumulatief geluid en dus meer hinder dan een geluidbron in een drukke omgeving met veel geluid waar al veel hinder wordt ervaren.

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

71

Projectgerelateerd

Daarnaast speelt de persoonlijke beleving van geluid een belangrijke rol. Deze subjectieve ervaring verschilt per individu en wordt beïnvloed door factoren zoals gevoeligheid voor geluid, de omgeving, emotionele toestand en verwachtingen. Aangezien er nog weinig onderzoek is gedaan naar hoe mensen geluid subjectief beleven, kan dit aspect niet worden meegenomen in de effectbeoordeling in deze rapportage. In een drukke stadswijk zal het geluid van een buitenunit van een luchtwarmtepomp minder opvallen en minder bijdragen aan het totale geluid. Bewoners zijn daar al gewend aan achtergrondgeluid van bijvoorbeeld verkeer, waardoor een extra geluidsbron minder storend wordt ervaren. In een rustige buitenwijk kan dezelfde warmtepomp juist sneller als hinderlijk worden ervaren, omdat de omgeving normaal gesproken stiller is en mensen gevoeliger zijn voor nieuwe geluiden. In gebieden in Haarlem met veel geluid van wegverkeer of van spoorwegen is het geluid al hoog. Bewoners in deze gebieden ervaren geluid anders dan mensen die in stillere zijstraten wonen. Laagfrequent geluid (LFG) Laagfrequent geluid bevindt zich in het frequentiebereik van 20 tot 125 Hz.

Hoewel mensen geluiden tussen 20 en 20.000 Hz kunnen horen, heeft LFG bijzondere eigenschappen: het verzwakt minder snel over afstand dan hogere tonen en is moeilijker te weren met geluidswerende maatregelen zoals isolatie of schermen. LFG wordt vaak ervaren als een zachte brom. Of mensen dit geluid als hinderlijk ervaren, verschilt sterk per persoon. Factoren zoals gehoorgevoeligheid, mentale gesteldheid (bijvoorbeeld stress of vermoeidheid) en de hoeveelheid ander omgevingsgeluid spelen hierbij een rol. Hierdoor kan het voorkomen dat twee mensen in hetzelfde huis LFG heel verschillend waarnemen. LFG kan afkomstig zijn van diverse bronnen. Voor de warmtevoorzieningen zijn onder andere transformatorhuisjes, zwaar verkeer en werktuigen relevante veroorzakers. Tonaal geluid Een andere vorm van geluid die als storend kan worden ervaren is tonaal geluid: een constante toon met een vaste frequentie. Dit type geluid valt vaak meer op en wordt als hinderlijker ervaren dan geluid zonder duidelijke toon. Dat komt doordat het menselijk gehoor gevoelig is voor regelmatige patronen en herhalende frequenties. Bepaalde onderdelen van de warmtevoorzieningen, zoals transformatorhuisjes, warmteoverdrachtstations en warmtebuffers, kunnen tonaal geluid veroorzaken. Zo produceren transformatorhuisjes vaak een bromtoon rond de 50 of 60 Hz, afhankelijk van de frequentie van het elektriciteitsnet.

In warmteoverdrachtstations en warmtebuffers kunnen apparaten zoals pompen, ventilatoren en warmtewisselaars bij constante werking ook een tonaal geluid genereren. Dit type geluid valt vooral op in stille omgevingen of tijdens de nacht. Om hinder te beperken, kunnen maatregelen worden genomen zoals het toepassen van geluidsisolatie, regelmatig onderhoud en het optimaliseren van de installatie.

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

72

Projectgerelateerd

Alternatief 1 – Grootschalig midden temperatuur warmtenet Aanleg

De warmte wordt op stedelijk niveau geproduceerd. Hiervoor worden diverse bronnen en technieken ingezet, waaronder collectieve luchtwarmtepompen, geothermie, thermische energie uit afval- en oppervlaktewater, warmtebuffers, grootschalige elektrische boilers en waterstof. Om de geproduceerde warmte naar de buurten te transporteren, moeten transportleidingen worden aangelegd en in de buurten warmteoverdrachtstations worden gebouwd. Op strategische locaties binnen de gemeente worden installaties gerealiseerd: onder andere één geothermie-installatie, aquathermie-installaties en collectieve luchtwarmtepompen. Deze grootschalige, collectieve installaties moeten zorgvuldig worden ingepast in de leefomgeving. Binnen de buurten zelf worden warmteoverdrachtstations gerealiseerd. De werkzaamheden op de bouwlocaties en het bijbehorende bouwverkeer kunnen door het gebruik van zware machines bij de aanleg van installaties en transport- en distributieleidingen geluidhinder opleveren. Mogelijk treedt in beperkte mate laagfrequent geluid op door zwaar materieel, maar dit wordt vanwege de tijdelijke aard niet als maatgevend beschouwd voor de totale geluidhinder. Aangezien er sprake is van een warmteproductie op stedelijk niveau en binnen de wijken alleen kleinere installaties worden geplaatst, worden de effecten van geluid in de aanlegfase als licht negatief beoordeeld.

Gebruik

Tijdens de gebruiksfase veroorzaakt het transport van warmte via distributieleidingen geen significante geluidhinder. Wel kunnen installaties zoals aquathermie-eenheden, warmteoverdrachtstations en pieklastvoorzieningen geluid produceren. Voor deze installaties is een vergunning vereist, waarbij wordt getoetst aan de geldende geluidsnormen. Dit kan inhouden dat geluidbeperkende maatregelen moeten worden getroffen. Binnen de buurten zijn warmteoverdrachtstations voorzien, waarvoor strenge eisen gelden voor het geluid dat ze produceren. Dat mag niet hoger zijn dan 40 dB(A) op grens van het perceel van nabij gelegen geluidgevoelige gebouwen. Vanwege de geldende normen voor het geluid van de warmteoverdrachtstations wordt geen toename van het geluid in de gebruiksfase verwacht en wordt dit als neutraal beoordeeld.

Alternatief 2 – Decentrale midden temperatuur warmtenet Aanleg

Er wordt gebruik gemaakt van bodemwarmte met seizoensopslag in de vorm van warmte-koude-opslag (WKO). De bronnen bevinden zich in of in de directe nabijheid van de buurt waar de warmte wordt benut. In de buurt worden daarom warmteoverdrachtstations en installaties voor basis- en pieklast, zoals een open bodem energiesysteem (OBES) of collectieve warmtepomp voor het opwaarderen van warmte-koude opslag (WKO)-warmte, gerealiseerd.

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

73

Projectgerelateerd

Voor de OBES moeten bovendien boringen worden verricht, wat extra hinder kan veroorzaken. De werkzaamheden op de bouwlocaties en het bijbehorende bouwverkeer kunnen door het gebruik van zware machines bij de aanleg van installaties en transport- en distributieleidingen geluidhinder opleveren. Mogelijk treedt in beperkte mate laagfrequent geluid op door zwaar materieel, maar dit wordt vanwege de tijdelijke aard niet als maatgevend beschouwd voor de totale geluidhinder. Vanwege het feit dat veel installaties en leidingen in de buurten moeten worden aangelegd, wordt het geluid in de aanlegfase als negatief beoordeeld. Gebruik

Het transport van warmte via distributieleidingen veroorzaakt geen significante geluidhinder. De installaties zelf kunnen echter wel (lichte) geluidsemissie veroorzaken. Voor deze installaties is een vergunning vereist, waarbij wordt getoetst of de geluidsemissie voldoet aan de geldende normen. In dit alternatief worden relatief veel installaties binnen de buurt geplaatst. Dit verhoogt het risico op geluidhinder in de gebruiksfase. Hoewel er wettelijke waarden bestaan voor het geluid van deze installaties, is er een risico dat de geluidhinder toeneemt. Gelet op het grote aantal installaties dat in de buurt wordt geplaatst wordt het geluid in de gebruiksfase als licht negatief beoordeeld.

Alternatief 3 – Zeer lage temperatuur warmtenet Aanleg

Er wordt gebruikgemaakt van bodemwarmte met een zeer lage temperatuur met seizoensopslag in de vorm van WKO. In dit alternatief vindt het opwaarderen van de warmte plaats in de woning zelf. Hiervoor is elektriciteit nodig, wat betekent dat er extra transformatorhuisjes en elektriciteitskabels moeten worden aangelegd. Daarnaast worden er ook installaties van beperkte omvang in de wijk gerealiseerd, waardoor de verwachte geluidsoverlast tijdens de aanleg beperkter is. De werkzaamheden op de bouwlocaties en het bijbehorende bouwverkeer kunnen door het gebruik van zware machines bij de aanleg van installaties en transport- en distributieleidingen geluidhinder opleveren. Mogelijk treedt in beperkte mate laagfrequent geluid op door zwaar materieel, maar dit wordt vanwege de tijdelijke aard niet als maatgevend beschouwd voor de totale geluidhinder. Het feit dat veel installaties en leidingen in de buurten moeten worden aangelegd, wordt het geluid in de aanlegfase als negatief beoordeeld.

Gebruik

Het transport van warmte via distributieleidingen veroorzaakt geen significante geluidhinder. De installaties kunnen echter wel lichte geluidsemissie veroorzaken. In vergelijking met het decentraal MT warmtenet worden er minder installaties in de buurt

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

74

Projectgerelateerd

geplaatst die geluid kunnen produceren. Voor deze installaties is een vergunning vereist, waarbij wordt getoetst aan de geldende geluidsnormen. De extra transformatorhuisjes die nodig zijn voor dit alternatief produceren geluid, met een geluidssterkte tussen 28 dB(A) en maximaal 38 dB(A) op één meter afstand van de buitenwand van een MS/LS-station. Overdag is het geluidsniveau hoger vanwege het grotere elektriciteitsverbruik. Deze transformatorhuisjes kunnen ook laagfrequent geluid produceren, maar de kans op overlast is klein omdat ze moeten voldoen aan internationale richtlijnen. Om eventuele hinder te beperken, geldt een minimale afstand van 4 meter tussen een transformatorhuisje en woningen of andere gebouwen waar mensen langdurig verblijven. De te bouwen installaties in de buurten kunnen beperkt geluidhinder veroorzaken. Daarom wordt het geluid in de gebruiksfase als licht negatief beoordeeld. Alternatief 4 – Individuele luchtwarmtepompen Aanleg

Er worden luchtwarmtepompen aangelegd bij alle woningen in een buurt. De werkzaamheden worden geheel aan de woning uitgevoerd en veroorzaken geen significante geluidhinder. Voor dit alternatief moet het elektriciteitsnet aanzienlijk worden verzwaard. Dit vereist de aanleg van extra transformatorhuisjes en elektriciteitskabels. De werkzaamheden kunnen door het gebruik van zware machines bij de verzwaring van het elektriciteitsnet geluidhinder opleveren. Mogelijk treedt in beperkte mate laagfrequent geluid op door zwaar materieel, maar dit wordt vanwege de tijdelijke aard niet als maatgevend beschouwd voor de totale geluidhinder. Het risico op geluidhinder tijdens de aanlegfase wordt daarom voor dit alternatief als neutraal beoordeeld.

Gebruik

De transformatorhuisjes kunnen dicht bij geluidgevoelige gebouwen worden geplaatst. Als de transformator maximaal draait dan is op 1 meter afstand van het huisje een geluid te horen van tussen de 30 en 32 dB. De luchtwarmtepompen bij de woningen hebben een buitenunit die geluid produceert. De hoeveelheid geluid is afhankelijk van de omgevingstemperatuur en de gewenste binnentemperatuur: hoe kouder het buiten is of hoe warmer het binnen moet zijn, hoe harder de warmtepomp draait. Ook bij gebruik voor koeling in de zomer produceert de warmtepomp geluid. Volgens Europese regelgeving mogen luchtwarmtepompen tot 6 kW maximaal 65 dB(A) produceren en warmtepompen van 6 tot 12 kW maximaal 70 dB(A). In de praktijk zijn moderne warmtepompen door technologische ontwikkelingen vaak stiller. De gemeente Haarlem hanteert een maximale geluidsnorm van 40 dB op de perceelsgrens, in overeenstemming met het Besluit Bouwwerk en Leefomgeving (BBL). Er zijn speciaal ontworpen stille varianten beschikbaar, en het geluidsniveau kan verder worden verlaagd door een geschikte plaatsing en het gebruik van een geluid afschermende omkasting. De kans op hinder door deze installaties is aanzienlijk groter

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

75

Projectgerelateerd

als er sprake is van aaneengesloten bebouwing (zoals rijtjeswoningen). Bij vrijstaande woningen is de afstand tussen de woning en de omliggende percelen groter. In de navolgende figuren is voor beide situaties een inschatting gegeven van het geluid vanwege warmtepompen bij een hoog en een laag emissieniveau. Hieruit blijkt dat met het treffen van geluidbeperkende maatregelen de hinder aanzienlijk kan worden beperkt. Denk hierbij aan omkasting.

Figuur 8-5: Geluid bij hoog emissieniveau warmtepomp op gevel (Haskoning)

Figuur 8-6: Geluid bij laag emissieniveau warmtepomp op gevel (Haskoning)

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

76

Projectgerelateerd

Figuur 8-7: Geluid bij hoog emissieniveau warmtepomp op plat dak (Haskoning)

Figuur 8-8: Geluid bij laag emissieniveau warmtepomp op plat dak (Haskoning)

Hoewel luchtwarmtepompen niet continu draaien en vaak zijn uitgerust met een stille modus, kan bij grootschalige toepassing in een buurt een continue geluidsbelasting van 40 dB ontstaan. In drukke stedelijke gebieden kan deze extra geluidsbelasting wegvallen tegen het achtergrondgeluid van verkeer, terwijl in rustige woonwijken de subjectieve beleving van geluidhinder sterker kan zijn. Er is nog weinig onderzoek gedaan naar de verschillen tussen cumulatieve en subjectieve geluidservaring bij grootschalige toepassing van luchtwarmtepompen in

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

77

Projectgerelateerd

verschillende stedelijke contexten. Verdere studie naar deze verschillen kan bijdragen aan gerichte maatregelen om geluidhinder te beperken. Naast de mogelijke lichte geluidhinder door extra transformatorhuisjes zijn er aanzienlijke risico’s verbonden aan de grootschalige inzet van luchtwarmtepompen in een buurt. Dit alternatief wordt daarom als zeer negatief beoordeeld voor de gebruiksfase. Bij toepassing van dit alternatief als voorkeursoplossing is het van belang om te monitoren of de installatie van buitenunits voldoet aan de richtlijnen uit het Haarlems afwegingskader verduurzamen monumenten (meer over dit afwegingskader in 8.9.1 en waar nodig mitigerende maatregelen te treffen. In hoofdstuk 9 over mitigerende maatregelen wordt aanbevolen om de effecten van meerdere buitenunits op het cumulatieve geluidsniveau in dichtbebouwde buurten met meerlaagse bebouwing nader te onderzoeken. Alternatief 5 – Individuele bodemwarmtepomp Aanleg

Ook voor alternatief 5 zijn extra transformatorhuisjes en elektriciteitskabels nodig. De aanleg hiervan kan tijdelijk geluidhinder veroorzaken. Voor de installatie van individuele bodemwarmtepompen wordt gebruikgemaakt van een gesloten bodemenergiesysteem (GBES). Voor elke woning moet een boring worden uitgevoerd met een zware mechanische boorwagen. Vanwege het gewicht van deze boorwagen zijn rijplaten nodig. Tijdens de boring wordt boorvloeistof gebruikt, waarbij grond en vloeistof naar boven komen en tijdelijk moeten worden opgeslagen. Daarnaast is er transport van materieel nodig. Deze werkzaamheden veroorzaken geluidhinder tijdens de aanlegfase. Hoewel de duur van de werkzaamheden per woning relatief kort is — variërend van enkele dagen tot enkele weken — moeten deze werkzaamheden bij iedere woning afzonderlijk plaatsvinden. Daarom wordt alternatief 5 voor de aanlegfase als licht negatief (0/-) beoordeeld.

Gebruik

De extra transformatorhuisjes kunnen in de gebruiksfase lichte geluidhinder veroorzaken, maar bij naleving van de richtlijnen wordt het risico als laag ingeschat. Bodemwarmtepompen hebben geen buitenunit met ventilatoren, zoals bij luchtwarmtepompen, waardoor het geluidsniveau buiten minimaal is. Binnen ligt het geluidsniveau van een bodemwarmtepomp doorgaans tussen de 30 en 45 dB(A), gemeten bij de installatie — vergelijkbaar met een traditionele cv-installatie. Het risico op geluidhinder in de gebruiksfase wordt daarom voor alternatief 5 als neutraal beoordeeld.

Conclusie generieke effectbeoordeling geluidhinder In Tabel 8-3 is een overzicht opgenomen van de onderdelen van de alternatieven die in meer of mindere mate geluid produceren, zoals hierboven voor de alternatieven is beschreven. Op basis van de geluidhinder van de verschillende onderdelen is het effect van het alternatief bepaald in de aanlegfase en de gebruiksfase.

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

78

Projectgerelateerd

Tabel 8-3: Generieke effectbeoordeling geluidhinder

Fase

Alternatief 1

Alternatief 2

Alternatief 3

Alternatief 4

Alternatief 5

Aanlegfase

0/-

-

-

0

0/-

Gebruiksfase

0

0/-

0/-

--

0

De beoordeling zoals is opgenomen in Tabel 8-3 is gebaseerd op het gegeven dat alle wijken in Haarlem over een vergelijkbare opbouw beschikken. In werkelijkheid zijn er kenmerken die per wijktype verschillen en die van invloed zijn op de beoordeling van de optredende geluidhinder. Deze factoren zijn hieronder nader toegelicht. Effectbeoordeling geluidhinder per wijktype Bij de aanleg van een warmtenet wordt per straat distributieleidingen aangelegd. Het aantal meters straat per wijktype is daarmee bepalend voor de omvang van de werkzaamheden en dus voor de mate van geluidhinder tijdens de aanlegfase van de alternatieven 1, 2 en 3. Wijktypen met een hoge weglengte per hectare vereisen relatief meer werkzaamheden, wat leidt tot een verhoogd risico op geluidhinder. In Figuur 8-9 is op basis van het kenmerk ‘aantal meter weg per hectare’ een inschatting gemaakt van het risico op hinder in de aanlegfase van een warmtenet.

Figuur 8-9: Risico voor geluidhinder in de aanlegfase op basis van weglengte

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

79

Projectgerelateerd

De meeste wijktypen in Haarlem hebben een gemiddelde weglengte van meer dan 300 meter per hectare. De wijktypen hoogbouw, tuinstad hoogbouw en vinex wijk steken er bovenuit met een gemiddelde weglengte van tussen de 370 en 400 meter per hectare. Daarnaast speelt de afstand tussen de werkzaamheden en de omliggende bebouwing een rol. In buurten met smalle straten ligt de bebouwing dicht op de weg en is er een groter risico op geluidhinder. In Figuur 8-10 is op basis van het kenmerk ‘straatbreedte’ een inschatting gemaakt van het risico op hinder in de aanlegfase van een kabels en leidingen.

Figuur 8-10: Risico voor geluidhinder op basis van kenmerk straatbreedte

Specifiek voor warmtepompen (voornamelijk alternatief 4) geldt dat hoe dichter gebouwen op elkaar staan, hoe groter de kans dat er geluidsoverlast ontstaat als er geen mitigerende maatregelen worden genomen. In wijktypen waar het gemiddelde WEQ per hectare relatief hoog ligt, kan worden aangenomen dat gebouwen relatief dicht op elkaar staan. De historische binnenstad, tuinstad hoogbouw en de volkswijk hebben een relatief hoog gemiddeld aantal WEQ per hectare en zijn ingeschat met een hoog risico op geluidhinder vanwege de smalle straten. Ook de bloemkoolwijk, naoorlogse woonwijk, tuindorp, tuinstad laagbouw, vernieuwd en de vinex wijk scoren relatief hoog, maar zijn ruimer van opzet en vallen daardoor onder een middelhoog risico. 22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

80

Projectgerelateerd

Figuur 8-11: Risico voor geluidhinder op basis van WEQ's per hectare

Conclusie effectbeoordeling geluidhinder per wijktype Op basis van bovenstaande factoren is voor een aantal wijktypes de beoordeling van de optredende geluidhinder bijgesteld: •

•

•

De historische binnenstad heeft gemiddeld de smalste straten van de wijktypen in de gemeente Haarlem. Op basis van dit gegeven wordt de optredende geluidhinder in de aanlegfase voor alternatief 1 bijgesteld naar negatief. Alternatief 2 en 3 waren al als negatief beoordeeld. De gemiddelde weglengte per hectare is in de wijktypen groen en vooroorlogse wijk het laagst. Voor deze buurten is de beoordeling voor alternatief 1 bijgesteld naar neutraal en voor alternatieven 2 en 3 naar licht negatief. Hoogbouw heeft een relatief laag gemiddeld aantal WEQ per hectare, maar voor de beoordeling blijft een negatieve beoordeling staan omdat er meerdere woningen boven elkaar liggen. Voor deze wijktypen blijft de effectbeoordeling voor warmtepompen op negatief staan, maar voor wijktypen met laag risico vanwege de WEQ’s wordt de mate van hinder iets positiever bijgesteld.

De bovenstaande beschrijving van effecten en de beschreven bijstellingen resulteren in de in Tabel 8-4 opgenomen effectbeoordeling voor geluidhinder per wijktype.

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

81

Projectgerelateerd

Tabel 8-4: Effectbeoordeling geluidhinder per wijktype

Wijktype Historische binnenstad

Fase

Alternatief 1

Alternatief 2

Alternatief 3

Alternatief 4

Alternatief 5

Aanleg

-

-

-

0

0/-

Gebruik

0

0/-

0/-

--

0/-

Aanleg

0/-

-

-

0

0/-

Gebruik

0

0/-

0/-

--

0/-

Aanleg

0/-

-

-

0

0/-

Gebruik

0

0/-

0/-

--

0/-

Aanleg

0

0/-

0/-

Gebruik

0

0/-

0/-

-

0

Aanleg

0/-

-

-

0

0/-

Gebruik

0

0/-

0/-

-

0

Aanleg

0/-

-

-

0

0/-

Gebruik

0

0/-

0/-

--

0/-

Aanleg

-

-

-

0

0/-

Gebruik

0

0/-

0/-

--

0

Aanleg

-

-

-

0

0/-

Gebruik

0

0/-

0/-

--

0/-

Aanleg

0/-

-

-

0

0/-

Gebruik

0

0/-

0/-

--

0/-

Aanleg

0/-

-

-

0

0/-

Gebruik

0

0/-

0/-

--

0/-

Aanleg

0/-

-

-

0

0/-

Gebruik

0

0/-

0/-

-

0

Aanleg

0/-

-

-

0

0/-

Gebruik

0

0/-

0/-

--

0/-

Volkswijk

Tuindorp

Vooroorlogse woonwijk

Naoorlogse woonwijk

Tuinstad laagbouw

Tuinstad hoogbouw

0/-

Hoogbouw

Bloemkoolwijk

Vinex-wijk

Villawijk

Vernieuwd

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

82

Projectgerelateerd

Wijktype

Fase

Alternatief 1

Alternatief 2

Alternatief 3

Alternatief 4

Alternatief 5

Aanleg

0/-

-

-

0

0/-

Gebruik

0

0/-

0/-

-

0

Aanleg

0

0/-

0/-

0

0/-

Gebruik

0

0/-

0/-

-

0

Aanleg

0/-

-

-

0

0/-

Gebruik

0

0/-

0/-

-

0

Bedrijven

Groen

Divers

Geluidbelasting In bovenstaande Tabel 8-4 is het al aanwezige geluid in de buurten buiten beschouwing gelaten, omdat er veelal sprake is van een grote variatie in het geluidbelast oppervlak per buurt. In Tabel 8-5 is voor de belangrijkste wijktypen aangegeven wat het minimale, maximale en gemiddelde percentage oppervlak is met geluid vanwege wegverkeer dat hoger is dan 55 dB (Lden). Tabel 8-5: Percentage geluidbelasting oppervlak per wijktype

Percentage oppervlak boven 55 dB Wijktype

Minimaal

Maximaal

Gemiddeld

Bloemkoolwijk

9%

32%

19%

Historische binnenstad

31%

73%

45%

Hoogbouw

76%

88%

82%

Naoorlogse woonwijk

8%

56%

34%

Tuindorp

14%

75%

41%

Tuinstad hoogbouw

14%

66%

44%

Tuinstad laagbouw

43%

70%

56%

Villawijk

39%

64%

53%

Vinex-wijk

28%

54%

41%

Volkswijk

6%

70%

39%

Vooroorlogse woonwijk

11%

11%

11%

Locatie specifieke aandachtspunten en warmtebronnen Het gemiddelde percentage weglengte, WEQ en straatbreedte op buurtniveau wijkt in enkele gevallen af van het gemiddelde per wijktype. In bijlage 4 is te zien welke buurten afwijken van het gemiddelde per wijktype.

22 september 2025

BK8237-MI-RP-250906-1154

83

Projectgerelateerd

In de zoekgebieden en kansrijke locaties voor warmtebronnen kan geluidhinder ontstaan, voornamelijk in de aanlegfase. Deze locaties krijgen daarom een negatievere beoordelingen ten opzichte van het wijktype. Het heersende niveau voor geluid en trillingen is naast bovengenoemde afwegingen ook sterk afhankelijk van het type wegverharding en vooral de staat van onderhoud van de verharding. Een klinkerverharding klinkt aanzienlijk luider dan een asfaltverharding bij dezelfde snelheid. Bij een goed onderhouden weg zitten er geen gaten in de weg en is de weg vlak, de hinder vanwege geluid en trillingen neemt toe naar mate de staat van onderhoud slechter is. Lokale factoren zijn ook verkeersdrempels (dwars over de weg of als een druppel op een kruising), die kunnen leiden tot meer trillingen in het geval er vrachtwagens overheen rijden. Aangezien we in dit onderzoek niet konden beschikken over gedetailleerde informatie over verhardingen en obstakels, is de invloed van deze aspecten niet meegenomen in de beoordeling.

8.1.3 Trillingen Huidige situatie en autonome ontwikkelingen Er is op dit moment geen informatie beschikbaar over de referentiesituatie met betrekking tot trillingen. Generieke effectbeoordeling trillingen Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn van mensen en dieren of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Trillingen kunnen ontstaan door verschillende activiteiten en bronnen, waaronder: • • •

Verkeer: zoals vrachtwagens, treinen en trams. Industriële machines: bijvoorbeeld stansmachines en draaiende motoren. Bouw- en sloopwerkzaamheden: zoals heien en breken.

De aard en intensiteit van trillingen hangen af van de eigenschappen van de bron. Zwaardere voertuigen of machines veroorzaken doorgaans sterkere trillingen. Hoe sneller de beweging, hoe groter de trilling. Abrupte of krachtige bewegingen versterken de trilling. De bron (zoals een machine of voertuig) geeft energie af die zich als mechanische trilling voortplant, vaak voelbaar in gebouwen via vloeren, wanden of funderingen. Sommige trillingen ontstaan door hoge geluidsniveaus of laagfrequent geluid, zoals bij overvliegende straaljagers of stationair draaiende locomotieven. Deze trillingen worden via de lucht overgedragen en vallen onder de regelgeving voor geluid, niet onder bodemtrillingen. De intensiteit van trillingen neemt af naarmate de afstand tot de bron groter wordt. Toch kunnen trillingen ook op grotere afstand hinder veroorzaken of zelfs schade aan gebouwen opleveren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16629558/1