11 Bijlage A 6a - PlanMER Warmteprogramma gemeente Haarlem
Tekst van het document
Locatie specifieke aandachtspunten Tot slot is er voor elke buurt een beoordeling gedaan op basis van specifieke (geografische) informatie per buurt, behorend bij de milieuaspecten. Zie hiervoor het onderstaande kader. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om buurten die bijvoorbeeld qua kenmerken afwijken van het wijktype, om specifiek beleid dat van toepassing is in een bepaalde buurt of archeologische waarden die in bepaalde buurten voorkomen. Op basis van deze informatie kan het zijn dat de beoordeling van het betreffende wijktype wijzigt voor een specifieke buurt. Bijvoorbeeld omdat de gemiddelde kenmerken van een buurt significant afwijken van het wijktype of omdat er andere specifieke aandachtspunten op lokaal (en buurtniveau) zijn. In de bijgeleverde bijlage 4 met aandachtspunten op buurtniveau is te zien welke buurten een andere beoordeling krijgen dan het wijktype. Meegenomen geografische componenten • Archeologische en cultuurhistorische waarden • De emissiezone • Ligging van het huidige warmtenet • Drinkwaterwingebieden- en beschermingszones • Leefgebieden van beschermde soorten in de gemeente Haarlem • Oppervlaktewateren voor thermische energieopwekking • Nabijgelegen Natura 2000-gebieden • Afwijkingen met betrekking tot de kenmerken van buurten ten opzichte van het wijktype.
4.1.3
Slotbeschouwing
De belangrijkste knelpunten die op buurt- en stadsniveau spelen per alternatief staan beschreven in hoofdstuk 9. Dit hoofdstuk moet worden gelezen als een opsomming van belangrijke aandachtspunten per alternatief naar aardgasvrij waarbij bij het kiezen van een voorkeurstechniek per buurt rekening gehouden moet worden. In dit hoofdstuk is ook een tabel opgenomen met de beoordelingen per alternatief voor alle aspecten in de aanleg- en gebruiksfase.
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
25
Projectgerelateerd
4.2
Beoordelingsmethodiek milieuthema’s
Het doel van het planMER is om de relevante milieueffecten van het warmteprogramma inzichtelijk te maken. In dit MER zijn 10 thema’s onderzocht. Voor elk thema is gekeken op welke milieuaspecten de voorgenomen activiteit impact heeft. Deze aspecten zijn weer verder uitgewerkt in indicatoren. Een indicator is een precieze omschrijving van wat er precies is onderzocht. Alle indicatoren die worden onderzocht in het MER zijn bij elkaar gezet in het beoordelingskader (zie Tabel 4-1). Daarnaast wordt in de laatste kolom van aangegeven of het milieueffect in de aanlegen/of gebruiksfase van een alternatief optreedt. Per milieuthema is onder Tabel 4-1 een nadere toelichten gegeven hoe het thema is onderzocht in dit planMER. Tabel 4-1: Beoordelingskader
Thema
Aspect
Indicator
Fase
Geluidhinder
Toename van het geluid op de gevels van geluidgevoelige gebouwen
Aanleg en gebruik
Hinder door trillingen
Hinder of schade door trillingen bij de aanleg
Aanleg en gebruik
Straling
Elektromagnetische straling
Toename van laagfrequente geluid en elektromagnetische straling
Aanleg en gebruik
Bodem
Bodemkwaliteit
De impact op biologische, chemische en fysische bodemkwaliteit
Aanleg en gebruik
Oppervlaktewater
Thermisch effect op waterleven (voornamelijk relevant in het geval van thermische energie uit oppervlaktewater) en effecten door wateronttrekking
Aanleg en gebruik
Geohydrologische impact op grondwaterkwaliteit en kwantiteit
Aanleg en gebruik
Thermische impact op grondwaterkwaliteit
Aanleg en gebruik
Drinkwater
Impact op kwaliteit van drinkwater in nabijgelegen leidingen
Aanleg en gebruik
Luchtkwaliteit en stikstofdioxide
Uitstoot van fijnstof en stikstofdioxide
Aanleg en gebruik
Beschermde soorten
Impact op beschermde soorten
Aanleg en gebruik
Geluid en trillingen
Water Grondwater
Luchtkwaliteit
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
26
Projectgerelateerd
Natuur en biodiversiteit
Beschermde gebieden
Impact op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-, NNN- en Natuurnetwerk Haarlem-gebieden
Aanleg en gebruik
Circulair materiaal gebruik
Hergebruik bestaand materiaal
Aanleg en gebruik
Totaal materiaal gebruik
Hoeveelheid materiaal dat in totaal nodig is
Aanleg en gebruik
Zichtbaarheid en beleving
Verrommeling van de buitenruimte
Aanleg en gebruik
Bovengronds ruimtegebruik en inpasbaarheid openbare ruimte
Totaal benodigd bovengronds ruimtegebruik en inpasbaarheid in de openbare ruimte
Aanleg en gebruik
Ondergronds ruimtegebruik
Inpasbaarheid in de grond
Aanleg en gebruik
Archeologische waarden
Behoud archeologische waarden
Aanleg en gebruik
Cultuurhistorische waarden
Behoud cultuurhistorische waarden en erfgoed
Aanleg en gebruik
Externe veiligheid
Externe veiligheid met betrekking tot geothermie
Aanleg en gebruik
Circulariteit
Ruimtelijke kwaliteit
Archeologie en cultuurhistorie
Externe veiligheid
Geluid en trillingen Op basis van de keuzen voor een alternatief wordt in meer of mindere mate geluid geproduceerd. Behalve geluid worden bij de aanleg en mogelijk ook tijdens de gebruiksfase trillingen veroorzaakt. Daarom worden de volgende twee aspecten onderzocht: 1) Geluidhinder vanwege de aanleg en de installatie, inclusief laagfrequent geluid, 2) Hinder of schade door trillingen. Voor zowel de aanleg- als gebruiksfase wordt een beoordeling gemaakt van de optredende geluidsbelasting. De verwachting is dat geluid en trilling effecten in de aanlegfase van warmtenetten kunnen optreden en dat geluidhinder bij all-electric technieken (bijvoorbeeld warmtepompen) in de gebruiksfase kan optreden. Geluidseffecten van warmtepompen kunnen technisch te mitigeren zijn, zodat de geluidseffecten van de warmtepompen binnen de geluidgrenswaarden uit het Bbl (op de erfgrens) blijven. Voor trillingen worden de te verwachten trillingsniveaus tijdens de aanlegfase onderzocht, en, indien relevant, ook in de gebruiksfase. Deze niveaus worden getoetst aan de streefwaarden uit SBR-richtlijn B: trillinghinder voor personen in gebouwen.
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
27
Projectgerelateerd
Afhankelijke van het gekozen alternatief kan er in meer of mindere mate hinder door geluid (inclusief laagfrequent geluid) en trillingen optreden, zowel bij de aanleg als tijdens de gebruiksfase. Er is per alternatief een inschatting gemaakt van de te verwachten hinder en de mogelijkheden om deze te mitigeren. Straling Wat betreft straling wordt op hoofdlijnen beschouwd wat de mogelijke aandachtspunten zijn met betrekking tot elektromagnetische straling in relatie tot het elektriciteitsnetwerk. Over dit thema is echter nog weinig informatie beschikbaar. Bodem Voor effecten van de alternatieven van aardgasvrij die gebruik maken van de ondergrond wordt de impact van de aanleg of het gebruik van een alternatief op de biologische, chemische en fysische bodemkwaliteit en het ontstaan en verspreiden van verontreinigingen onderzocht. Bij biologische en chemische kwaliteit wordt gekeken naar de effecten op de bestaande kwaliteit van de bodem door plaatselijke temperatuurverhoging, door het vrijkomen van nutriënten (bijvoorbeeld stikstof en fosfor) door vergraving of temperatuursverhoging en verarming/verrijking van parameters (bijvoorbeeld zware metalen en minerale olie) in de bodem.
Bij fysische kwaliteit wordt gekeken naar veranderingen in de bodemopbouw, meer in het bijzonder de degradatie van bodemlagen (klei door uitdroging en veen door verbranding aan de lucht) en thermische effecten door uitdroging (met gevolgen als zetting). Het onderzoek naar bodemkwaliteit wordt gedaan op basis van beschikbare bouwtechnische informatie over de technieken (bijvoorbeeld hoeveelheid boringen, diepte boringen, mate van verstoring van de bodem) en beschikbare openbare kennis over de bodemopbouw. Oppervlaktewater Voor oppervlaktewater onderzoekt het MER de impact die temperatuurverschillen hebben op het waterleven (bij de aanleg en gebruik van een aquathermie systeem). Effecten op de (ecologische) oppervlaktewaterkwaliteit zijn aan de orde als gebruik wordt gemaakt van het oppervlaktewater als warmtebron, waarbij water met een lagere temperatuur wordt terug geloosd. Dit is in meer of mindere mate het geval bij meerdere alternatieven. Ook de effecten van eventuele lozing van verontreinigende stoffen wordt meegenomen. De effecten zullen worden beoordeeld aan de hand van de STOWA Handreiking voor beoordeling van ecologische effecten van TEO-systemen.
Aspecten die onder meer een rol spelen bij de beoordeling zijn het debiet van de TEO, het temperatuurverschil tussen geloosd en ontvangend water, het karakter van het water waaruit wordt onttrokken (en waarop wordt geloosd), de periode waarin wordt geloosd en de aanwezige levende organismen. Voor oppervlaktewater wordt onderscheid gemaakt tussen open en gesloten systemen: •
Bij open systemen wordt water onttrokken uit een bron (zoals een rivier of kanaal), door een warmtewisselaar geleid en vervolgens weer geloosd. Hierbij vindt directe uitwisseling van water
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
28
Projectgerelateerd
•
plaats met de omgeving, wat invloed kan hebben op de temperatuur en kwaliteit van het ontvangende water. Bij gesloten systemen vindt géén directe uitwisseling van water plaats met de omgeving. De warmteoverdracht verloopt via een gesloten circuit met een warmtewisselaar. Hoewel er geen lozing plaatsvindt, kunnen ook gesloten systemen indirect thermische effecten veroorzaken, bijvoorbeeld door warmteafgifte aan de bodem, lucht of grondwater. Deze effecten worden in het planMER meegenomen in de beoordeling van ecologische impact, waar relevant eveneens op basis van de STOWA-handreiking.
In dit planMER ligt de nadruk op open systemen, vanwege hun directe interactie met het oppervlaktewater. Gesloten systemen worden meegenomen voor zover ze indirecte invloed hebben op oppervlaktewater, bijvoorbeeld via regeneratie van bodemenergiesystemen met aquathermie of via warmteafgifte aan de omgeving. Bij de beoordeling van effecten op oppervlaktewater wordt niet uitsluitend gekeken naar waterlichamen die onder de Kaderrichtlijn Water (KRW) vallen. Ook overige waterlichamen, zoals kleinere stedelijke vijvers, sloten en singels, worden meegenomen in de ecologische beoordeling. Hoewel deze wateren niet onder de formele KRW-doelstellingen vallen, kunnen ze lokaal ecologisch waardevol zijn en gevoelig voor temperatuurveranderingen of verstoring. In latere uitwerkingen wordt nadrukkelijk geadviseerd aandacht te besteden aan beide typen waterlichamen, zodat ook cumulatieve en lokale effecten goed in beeld komen. Er wordt getoetst op de impact op de vereisten van de Kaderrichtlijn Water. Aangegeven wordt of, en waar eventuele knelpunten kunnen optreden. Mochten er knelpunten optreden, dan wordt aangegeven welke mitigerende maatregelen er mogelijk zijn.
Grondwater Bij grondwater wordt bekeken wat de impact is van bodemenergiesystemen op functioneren van het (grond)watersysteem, grondwaterstand en stromingsrichting voor de volgende aspecten: 1) impact op grondwaterkwaliteit, 2) impact op grondwaterkwantiteit en 3) thermische impact op grondwaterkwaliteit. Voor de impact op grondwaterkwaliteit wordt gekeken naar de mogelijke effecten op het zoet/brak en brak/zout grensvlak, mogelijke effecten op redoxovergangen in de ondergrond en potentiële effecten op grondwaterverontreinigingen. Bij de impact op grondwaterkwantiteit wordt voornamelijk gekeken naar de afgeleide effecten van een grondwaterstandsdaling en/of grondwaterstandsstijging. Bij de toepassing van open/gesloten bodemenergiesystemen wordt immers al het onttrokken water ook weer geïnfiltreerd in de bodem. Een uitzondering hierop is het gebruik van water voor de aanleg van een systeem, dit wordt afzonderlijk beschouwd. Voor de afgeleide effecten van de onttrekking/infiltratie wordt gekeken naar de effecten op zettingen, effecten op natuurlijk/stedelijk groen, aardkundige waarden en archeologie. Tot slot wordt bij de thermische impact op grondwaterkwaliteit gekeken naar het effect op bacteriegroei.
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
29
Projectgerelateerd
Effecten op grondwater zijn aan de orde als er actief grondwater onttrokken of geïnfiltreerd wordt of als er energie wordt onttrokken of toegevoegd aan het grondwater (thermische effecten). Dit kan direct (via onttrekkingen/infiltratie bij open bodemenergiesystemen) of indirect door warmteuitwisseling via buizen/systemen die in de grond liggen. Waar meerdere warmte-koudeopslag systemen vlak naast elkaar worden aangelegd bestaat het risico op cumulatieve effecten. Hierbij wordt aangegeven waar dit kan optreden en wat de gevolgen daarvan zullen zijn. Daarnaast kan de mate waarin geboord/gegraven wordt in de bodem een effect hebben op het grondwater als bijvoorbeeld de beschermende werking van kleilagen hierdoor wordt verminderd (risico op kortsluitroutes). De lozing van werkwater voor de boringen en in het geval van open systemen water dat vrijkomt bij onderhoud van de bronnen is daarnaast ook een aandachtspunt. Voor grondwater wordt er onderscheid gemaakt tussen open- en gesloten systemen. Bij gesloten systemen is enkel sprake van een warmtewisselaar en vindt geen uitwisseling van water plaats met de omgeving. Bij open systemen wordt grondwater opgepompt en op een andere locatie weer geïnjecteerd. Aangegeven wordt of, en waar eventuele knelpunten kunnen optreden. Mochten er knelpunten optreden, dan wordt aangegeven welke mitigerende maatregelen er mogelijk zijn.
Drinkwater Bij het aspect drinkwater gaat het om de impact van warme buisleidingen op de kwaliteit van het drinkwater. Alle aspecten worden onderzocht op basis van de beschikbare bouwtechnische gegevens en onderzoeken over de impact van deze technieken op bovengenoemde wateraspecten. Het meest relevante effect op de drinkwaterkwaliteit is de temperatuurverhoging van het drinkwater in het distributienet, vooral omdat die leidt tot een verhoging van de biologische activiteit in het water. De invloed van de warmtebronnen en technieken op de kwaliteit van de drinkwaterbronnen zal verwaarloosbaar zijn, omdat deze warmtebronnen niet in de nabijheid van drinkwaterbronnen mogen worden gerealiseerd. Luchtkwaliteit Bij het thema luchtkwaliteit gaat het met name om de uitstoot van fijnstof (PM10, PM2.5) en stikstofoxiden (NOx) die vrijkomen bij de aanleg van nieuwe technieken en bij de inzet van piek- en back-up met (groen) gas. In Nederland worden de grenswaarden (omgevingswaarden) van de stoffen, waarvoor in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) omgevingswaarden zijn opgenomen, de laatste jaren nauwelijks meer overschreden. Voor elk alternatief wordt daarom een beschouwing op hoofdlijnen gedaan. In deze beschouwing wordt een analyse van de gebieds- of situatiebeschrijving opgenomen en onderzocht of er kans is op een mogelijke overschrijding van (rijks)omgevingswaarden.
Daarnaast wordt beoordeeld of het alternatief een positieve of negatieve impact op de lokale luchtkwaliteit heeft en of het alternatief aantoonbaar onderscheidend is ten opzichte van een andere. Hierbij wordt expliciet aangegeven welke bronnen relevant kunnen zijn voor de luchtkwaliteit (zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase). Naast de wettelijke (rijks)omgevingswaarden wordt ook de relatie gelegd met de aangescherpte EU-normen (vanaf 2030) en de WHO-advieswaarden
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
30
Projectgerelateerd
(advieswaarde, geen juridische verplichting). Ook de positieve milieugevolgen in beeld gebracht, zoals reductie van fijnstof en stikstof (NOx en NH3). Natuur en biodiversiteit Bij het thema Natuur en biodiversiteit wordt gekeken naar de volgende aspecten: 1) Beschermde soorten, 2) beschermde gebieden en 3) Natura 2000 en stikstof. Voor het in beeld brengen van de effecten op de door de Omgevingswet beschermde soorten wordt gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna, het Groenbeleidsplan (Gemeente Haarlem, 2022) en de aanwezige vegetatiekarteringen (FLORON en mogelijk andere). De meeste effecten worden verwacht op gebouw bewonende soorten zoals huismus, gierzwaluw en vleermuizen door aanpassingen (bijvoorbeeld isolatie) aan gebouwen. Aan de hand van beschikbare gegevens wordt onderzocht welke plekken worden gebruikt door diverse beschermde soorten dan wel geschikt zijn voor bijvoorbeeld verblijfplaatsen voor vleermuizen. Daarnaast wordt beoordeeld welke effecten ingrepen, (zoals) infrastructurele ingrepen, kunnen hebben op andere (grondgebonden) soorten. Hierbij wordt gekeken of verbodsbepalingen overtreden kunnen worden, zoals het verbod op het verstoren van rust- of verblijfplaatsen. Wanneer een verbodsbepaling overtreden kan worden wordt aangegeven in hoeverre de staat van instandhouding van de betreffende soort verslechtert.
De verschillende alternatieven worden beoordeeld op de impact op beschermde soorten en mogelijke en/of nodige mitigerende en/of compenserende maatregelen om negatieve effecten te voorkomen of te verminderen worden beschreven. De effecten op beschermde gebieden (Natura2000, Natuurnetwerk Nederland en Natuurnetwerk Haarlem) worden inzichtelijk gemaakt aan de hand van het provinciale natuurbeleid, de Natuurdoelanalyses en gemeentelijk natuurbeleid (Ecologisch Beleidsplan, Bomenverordening, Bomenbeleid en Groenbeleidsplan, zie paragraaf 8.6.1). De grenzen van het beschermde gebied worden aangegeven op kaart, inclusief een duidelijke ligging van het plangebied en de afstanden van de voorgenomen activiteit tot de beschermde gebieden. Ook als de ingreep niet in of direct naast een beschermd gebied ligt, kan het gevolgen hebben op een beschermd gebied (via zogenoemde externe werking). Voor de nabijgelegen Natura 2000-gebieden worden de instandhoudingsdoelstellingen voor de verschillende soorten en habitattypen weergegeven en of er sprake is van een behoud- of verbeterdoelstelling. Ook wordt er gekeken naar de actuele en verwachte oppervlakte en kwaliteit van de habitattypen en leefgebieden, en naar de actuele en verwachte populatieomvang aan de hand van meerjarige trends.
Beoordeeld wordt of de ingrepen mogelijk significant negatieve effecten hebben op beschermde habitats of soorten en, als dat het geval is, hoe die kunnen worden gemitigeerd dan wel gecompenseerd. Tot slot wordt er beoordeeld of er sprake is van een toe- of afname van stikstofdepositie als gevolg van de alternatieven. Dat kan in de permanente gebruiksfase bijvoorbeeld door afname van brandstof aangedreven installaties of processen (bijvoorbeeld afname gasstook voor verwarming).
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
31
Projectgerelateerd
Daarnaast kunnen er tijdelijke effecten optreden in de aanlegfase door de inzet van mobiele werktuigen (graafmachines, hijskranen, shovels) en/of bouwverkeer voor de aanvoer van materieel, materialen en mensen. Permanente effecten in de gebruiksfase en tijdelijke effecten in de aanlegfase dienen berekend te worden met de laatste versie van het rekenmodel AERIUS. Dit wordt gedaan voor een buurt in nabijheid van Natura 2000 gebied en waar een warmtenet kansrijk is Circulariteit Bij het thema circulariteit wordt naar één aspect gekeken, namelijk het totaal materiaalgebruik. Ook is een beschrijving gegeven van circulair materiaalgebruik. In het kader van circulair materiaalgebruik is momenteel nog geen definitieve keuze gemaakt ten aanzien van het hergebruik van bestaande materialen. Evenmin is er duidelijkheid over de wijze van aanbesteden die hierop van invloed kan zijn. Gezien deze onzekerheden is het aspect circulair materiaalgebruik is hiervoor geen effectbeoordeling uitgevoerd. Zodra er meer duidelijkheid ontstaat over de materiaalstromen en aanbestedingsstrategie, kan dit onderwerp opnieuw worden geëvalueerd en waar nodig worden geïntegreerd in de verdere besluitvorming.
Voor het aspect totaal materiaalgebruik is een kwalitatieve beschouwing gedaan van de verschillende alternatieven om deze op milieu-impact te kunnen wegen en de winst van eventueel hergebruik op milieu-impact in kaart te brengen. Hiervoor is een inschatting gemaakt van benodigd materiaalgebruik per alternatief en is dit vergeleken met het gemiddeld aantal WEQ’s per wijktype. Hierbij geldt dat hoe hoger het aantal WEQ’s, hoe meer materiaal er naar verwachting nodig is voor een alternatief. Ruimtelijke kwaliteit De impact op ruimtelijke kwaliteit wordt in kaart gebracht aan de hand van drie aspecten: 1) zichtbaarheid en beleving, 2) bovengronds ruimtegebruik en inpasbaarheid in de openbare ruimte en 3) ondergronds ruimtegebruik. Dit wordt op kwalitatieve wijze geanalyseerd en waar mogelijk semi-kwantitatief. Zichtbaarheid en beleving gaat om de hoeveelheid individuele technieken die zichtbaar is vanuit de openbare ruimte en wat dat doet met de beleving van deze ruimte (bijvoorbeeld wanneer aan elk huis een warmtepomp hangt). Bovengrondse ruimtegebruik en inpasbaarheid gaat om het totale bovengrondse benodigde ruimtegebruik in vierkante meter van de technieken. Om een inschatting te maken van de mogelijke inpasbaarheid is bepaald wat het gemiddelde percentage openbare ruimte per wijktype is.
Hoe hoger dat percentage, hoe groter de kans dat een alternatief ruimtelijk in kan worden gepast. Naast de bovengrondse impact wordt er ook gekeken naar de impact van warmtevoorzieningen op ondergronds ruimtegebruik. Ondergronds ruimtegebruik is voornamelijk relevant voor warmtenetten en ondergrondse warmtebronnen. Het ondergronds ruimtegebruik wordt bepaald
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
32
Projectgerelateerd
aan de hand van straatbreedte, waarbij het uitgangspunt is dat hoe breder de straat, hoe meer ruimte er is om bijvoorbeeld warmteleidingen aan te leggen. Archeologie en cultuurhistorie Voor archeologie en cultuurhistorie wordt gekeken naar de impact van de plannen in het warmteprogramma aan de hand van twee indicatoren: 1) behoud archeologische waarden en 2) behoud cultuurhistorische waarden en erfgoed. Hierbij is specifiek ook aandacht voor de impact van bodemenergie en van warmtebuizen in de ondergrond. Met betrekking tot archeologie worden zowel de aanwezige als te verwachten archeologische waarden beschouwd en hierbij worden de verwachte diepteligging ten opzichte van de verschillende alternatieven betrokken. Met betrekking tot cultuurhistorie en erfgoed worden ook de effecten van de isolatie en warmtevoorzieningen op het erfgoed beschreven. Hierbij wordt aangegeven hoe de beoogde omgang met waardevolle elementen is bij de uitvoering van de werkzaamheden, en de mogelijke mitigerende maatregelen die er nodig zijn. Het archeologische en cultuurhistorisch onderzoek wordt gedaan met een bureaustudie. Er wordt hiervoor gebruik gemaakt van openbare gegevens waaronder de cultuurhistorische en archeologische waardenkaarten. Omgevingsveiligheid Voor het warmteprogramma is alleen geothermie in relatie tot omgevingsveiligheid relevant.
Er zijn geen andere activiteiten in het warmteprogramma die tot omgevingsveiligheidsrisico’s kunnen leiden of activiteiten die in het bijzonder kwetsbaar zijn voor risico’s vanuit de omgeving. Omdat er voor geothermie ook nog geen concrete locaties zijn bepaald, kunnen de risico’s die daarmee samenhangen niet in detail bepaald worden. In dit planMER zijn daarom enkel aandachtspunten betreffende geothermie in relatie tot omgevingsveiligheid beschreven.
4.3
Beoordelingsschaal
De effecten worden met plussen en minnen op een zevenpuntschaal beoordeeld (van ++ naar --, zie) ten opzichte van de referentiesituatie. Voor de indicatoren waarvoor een (zeer) negatief effect verwacht worden, zal in het planMER ook worden aangegeven wat mogelijke mitigerende en/of compenserende maatregelen zijn. Tabel 4-2: Beoordelingsschaal
Score
Toelichting
++
Zeer positief effect ten opzichte van referentiesituatie.
+
Positief effect ten opzichte van referentiesituatie.
0/+
Licht positief effect ten opzichte van referentiesituatie
0
Neutraal/geen effect ten opzichte van referentiesituatie.
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
33
Projectgerelateerd
0/-
Licht negatief effect ten opzichte van referentiesituatie
-
Negatief effect ten opzichte van referentiesituatie.
--
Zeer negatief effect ten opzichte van referentiesituatie. Geen beoordeling mogelijk en/of onbekend en/of niet van toepassing
Dit planMER gaat in op de effecten die optreden als gevolg van de aanleg van de verschillende warmtevoorzieningen en de effecten die optreden tijdens het gebruik van de verschillende technieken. Per aspect kan het verschillen in welke fase de effecten optreden. Dit is aangegeven in het beoordelingskader en ook uiteengezet in de effectbeschrijving.
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
34
Projectgerelateerd
5
Referentiesituatie
Een referentiesituatie is de situatie die zou ontstaan als een bepaald project of plan niet wordt uitgevoerd, maar andere ontwikkelingen wel doorgaan. Het is de situatie in Haarlem zoals het nu is en die op basis van autonome ontwikkelingen wordt verwacht. De referentiesituatie vormt de basis waarmee de effecten van een project worden vergeleken in bijvoorbeeld een milieueffectrapportage (MER).
5.1
Huidige situatie gemeente
In Haarlem zijn al veel woningeigenaren en ondernemers aan de slag gegaan met het verduurzamen van hun woning of bedrijfspand. In de Waarderpolder en in Meerwijk worden warmtenetten ontwikkeld, in het Ramplaankwartier wordt intensief gewerkt aan de ontwikkeling van een concept met zonnewarmte, verschillende VvE's ontwikkelen samen collectieve warmtevoorzieningen en veel huiseigenaren isoleren en nemen warmtepompen. In de gemeente Haarlem liggen al enkele warmtenetten met een warmte-koude opslag (WKO) die reeds in werking zijn, zoals in de Slachthuisbuurt, de Waarderpolder, het Haarlemmerhoutkwartier en de Boerhaavewijk1. Deze vormen samen echter geen aaneengesloten warmtenet. In de huidige situatie van de gemeente Haarlem is er daarom voornamelijk sprake van enkele warmteleidingen in de vorm van lokale warmtevoorzieningen en warmte initiatieven.
5.2
Autonome ontwikkelingen
De referentiesituatie voor de effectbeoordeling is de toekomstige situatie zonder het voornemen, oftewel het Warmteprogramma. Deze wordt in het milieueffectrapport bepaald aan de hand van de huidige situatie in de omgeving van het voornemen met daarbij (de milieugevolgen van) toekomstige autonome ontwikkelingen. Autonome ontwikkelingen betreffen ontwikkelingen die onafhankelijk van het voornemen plaats zullen vinden en waarover een definitief besluit is genomen. Voor de referentiesituatie Haarlem is aangehouden dat: • •
• • • •
1
Alle huidige warmte-infrastructuur blijft behouden (bijvoorbeeld het aardgasnet, bestaande collectieve warmtesystemen en bestaande warmtepompen); Het warmtenet voor een nader te bepalen aantal appartementen van woningcorporaties in Meerwijk, waarover een definitief besluit is genomen, wordt aangelegd en verduurzaamd richting 2040, maar uitbreiding zijn als gevolg van uitvoering van het warmteprogramma; De bestaande gebouwen richting 2050 gemiddeld 35% energie besparen op hun warmtevraag onder invloed van isolatieprogramma’s; Ten gevolge van een warmer wordend klimaat de warmtevraag afneemt en de vraag om actieve koeling toeneemt (met meer airco’s). Naar verwachting zal het aantal geïnstalleerde (hybride) warmtepompen toenemen. Tennet de komende jaren extra hoogspanningscapaciteit realiseert bij Vijfhuizen (voor Haarlem, Schiphol en een deel van Amsterdam).
Warmteviewer Provincie Noord-Holland
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
35
Projectgerelateerd
•
Er onder invloed van autonome ontwikkelingen een toename van de elektravraag zal zijn. Het elektriciteitsnet wordt verzwaard en dat dit leidt tot meer kabels, HS/MS-stations en MS/LStransformatorstations.
5.3
Beleidskader
Op Europees, Rijks-, provinciaal en regionaal en gemeentelijk niveau zijn er diverse (beleids)kaders die relevant zijn voor de ontwikkeling en het gebied waarin de activiteiten gaan plaatsvinden. Het kan zijn dat er richting uitvoering van de warmtetransitie nog andere beleidskaders van toepassing zijn die niet in het huidige beleidskader zijn genoemd. Hieronder zijn de belangrijkste beleidskaders vanuit het thema energietransitie en ruimte omschreven. In hoofdstuk 8 zijn de beleidskaders van de milieuthema’s nader uitgewerkt. Tabel 5-1: Internationaal beleidskader
Internationale/Europese beleidskaders
Relevantie
Klimaatakkoord van Parijs
In 2016 heeft de Europese Unie mede namens Nederland het Klimaatakkoord van Parijs ondertekend. Doel van het akkoord is om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder 2 graden Celsius. Met een duidelijk zicht op 1,5 graden Celsius. De EU-lidstaten hebben met elkaar afgesproken dat de EU in 2030 minimaal 55% minder moet uitstoten. In 2050 wil de Europese Unie klimaatneutraal zijn. Dat betekent dat er dan netto geen broeikasgassen meer worden uitgestoten.
Europese Klimaatwet/Green deal
Met de Europese Klimaatwet heeft Europa in de wet vastgelegd klimaatneutraal te willen zijn in 2050. In vergelijking met 1990 moeten broeikasgassen in 2030 met 55% zijn afgenomen. De wet volgde op het klimaatakkoord. De warmtetransitie draagt voor Nederland in grote mate bij aan het behalen van deze doelstelling.
Kaderrichtlijn Water
De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die op 22 december 2000 van kracht is geworden. De doelstellingen binnen de KRW ondersteunen bij het realiseren en behouden van chemisch schoon en ecologisch gezond oppervlaktewater en grondwater. De Europese lidstaten hebben gezamenlijk afgesproken dat uiterlijk in 2027 een goede toestand bereikt moet zijn.
Tabel 5-2: Nationaal beleidskader
Nationale beleidskaders
Relevantie
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)
In het Besluit activiteiten leefomgeving stelt het Rijk algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Deze gelden voor alle partijen die actief zijn in de fysieke leefomgeving: burgers, bedrijven en overheid.
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
36
Projectgerelateerd
Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)
In het Besluit bouwwerken leefomgeving staan regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. Daarnaast heeft het Bbl regels over de staat en het gebruik van een bouwwerk. En over het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.
Besluit gemeentelijke instrumenten warmte transitie (Bgiw)
Aanvullende uitvoeringsregeling waarin belangrijke onderdelen van de Wgiw verder zijn uitgewerkt.
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden.
Klimaatwet
Met de Klimaatwet is wettelijk vastgelegd dat we in 2030 49% minder broeikasgassen moeten uitstoten en in 2050 95% minder ten opzichte van 1990. De warmtetransitie is een van de manieren waarmee Nederland deze doelstellingen wil behalen.
Mijnbouwwet
De mijnbouwwet reguleert het gebruik van bestaansbronnen in de diepe ondergrond. De Mijnbouwwet reguleert ook de informatieverstrekking over het gebruik van bestaansbronnen in de diepe ondergrond.
Nationaal Klimaatakkoord
Het Klimaatakkoord is een pakket van maatregelen en afspraken tussen bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden om gezamenlijk de uitstoot van Broeikasgassen in Nederland in 2030 ongeveer te halveren (vergeleken met 1990). In 2050 moet de uitstoot van broeikasgassen met 95% afgenomen zijn. Een van de afspraken die daarvoor is gemaakt, is dat dat Nederland uiterlijk in 2050 volledig aardgasvrij is.
Nationaal plan energiesysteem
Het Nationaal Plan Energiesysteem is de kabinetsvisie voor het energiesysteem tot 2050. In dit plan geeft het kabinet aan hoe we kunnen bouwen, besparen, verdelen en verbinden voor een duurzaam en rechtvaardig energiesysteem - nu en in de toekomst
Nationale omgevingsvisie (NOVI)
De NOVI komt voort uit de Omgevingswet. In deze nieuwe aanpak wordt als uitgangspunt gesteld dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Op deze manier komt de gemeente Haarlem in gebieden tot betere en meer geïntegreerde keuzes.
Omgevingswet
De Omgevingswet bundelt 26 wetten op het gebied van de fysieke leefomgeving met elkaar op het vlak van ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Hierbij gaat het om de balans tussen beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving met het oog op duurzame ontwikkeling.
Programma Energiehoofdstructuur (PEH)
Het Programma Energiehoofdstructuur richt zich op de benodigde ruimte voor de nationale onderdelen van het energiesysteem op land voor een klimaatneutraal energiesysteem in 2050. Het PEH is een instrument om met
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
37
Projectgerelateerd
gemeenten, provincies, havenbedrijven en netbeheerders afspraken te maken over de ruimte die hiervoor nodig is.
Structuurvisie Ondergrond (STRONG)
De structuurvisie richt zich op duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond waarbij benutten en beschermen met elkaar in balans zijn. Het is een gezamenlijke visie van de (toenmalige) ministeries van Infrastructuur en Waterstaat en het ministerie van Economische Zaken en Klimaat.
Wet collectieve warmte (Wcw)
Naar verwachting treedt de Wet collectieve warmte op z’n vroegst vanaf 1 januari 2026 in. Met de wet wordt beoogd de warmtetransitie in de gebouwde omgeving te bevorderen door het gebruik van collectieve Warmtevoorziening te faciliteren en tegelijkertijd de publieke belangen duurzaamheid, leveringszekerheid en betaalbaarheid beter te borgen. Ook worden er met de wet CO2 eisen gesteld aan de te leveren warmte bij collectieve systemen. Met deze wet kan de gemeente Haarlem haar publieke waarden borgen.
Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw)
De Wgiw stelt gemeenten in staat om maatregelen te nemen voor de transitie naar duurzame warmte door bevoegdheid te geven om lokale instrumenten en regelingen in te zetten. De Wgiw is op 10 december 2024 aangenomen door de Eerste Kamer en zal gefaseerd in werking treden. Wgiw artikel IA, IB, en IIA treden op 1 januari 2025 in werking, en Artikel IC treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.
Tabel 5-3: Provinciaal/regionaal beleidskader
Provinciale en regionale beleidskaders
Relevantie
Omgevingsvisie provincie Noord-Holland
Op 1 januari 2024 is de omgevingsvisie van provincie in werking getreden. In de omgevingsvisie staat hoe de provincie er uit moet zien in 2050, verdeeld over zeven thema’s: stad en land gezond; klimaatbestendig en water robuust; duurzame energie; vitale steden en dorpen; duurzaam, gezond en veilig bereikbaar; leven, landschap, erfgoed en cultuur; toekomstbestendige natuur en landbouw.
Energievisie en pMIEK provincie Noord-Holland
De provincie zet in op het zoveel mogelijk besparen van energie, het bundelen van vraag, aanbod en opslag en het samenbrengen van vraag en aanbod in energieknooppunten. Het pMIEK is een lijst van prioritaire projecten verspreid over de provincie.
Regionale Energie Strategie (RES 1.0 NoordHolland Zuid)
De energieregio neemt de verantwoordelijkheid om in 2030 2,7 Twh aan opwek vermogen te realiseren met wind- en zonne- energie. In de RES wordt aangegeven waar en hoe deze energie kan worden opgewekt. Het is een bundeling van bestaande projectlocaties en nieuwe zoekgebieden. Met instemming van de RES 1.0 zijn de zoekgebieden opgenomen in de
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
38
Projectgerelateerd
omgevingsvisie en worden deze verder uitgewerkt richting de RES 2.0 en daarna de 3.0.
Waterschapsverordening
De waterschapsverordening bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap. Samen met het omgevingsplan bevat de waterschapsverordening de regels voor de fysieke leefomgeving op lokaal niveau. Er staan regels in voor verschillende soorten activiteiten.
Tabel 5-4: Gemeentelijk beleidskader
Gemeentelijke beleidskaders
Relevantie
Omgevingsvisie Haarlem 2045 (2022)
In de Omgevingsvisie is aangegeven dat een Omgevingsprogramma Ruimte voor de energietransitie opgesteld gaat worden. Dit programma gaat over ruimte voor besparing, opwekking, distributie en opslag van energie. Het Warmteprogramma is het eerste onderdeel hiervan.
Haarlemse Transitie warmte (2021)
Het vigerende uitgangspunten en leidende principes zijn nog ook het kader voor het Warmteprogramma.
Duurzame warmte Haarlem: bronnen (2019)
Uit de bronnenkaart komen 3 zaken naar voren: A. De vraag naar warmte is groter dan het aanbod; inzet op isoleren blijft belangrijk. B. Er is nog geen zekerheid over de beschikbaarheid van geothermie als warmtebron; zet in op een mix van bronnen. C. Duurzaamheid van de bron is essentieel; wijs het benutten van ‘houtige’ biomassa af.
Sturingsinstrumenten voor collectieve warmtesystemen (2020)
Het bedrijventerrein Waarderpolder werd met dit besluit als warmtekavel (vooruitlopend op de nieuwe Warmtewet) aangegeven op basis waarvan een warmteconcessie is uitgegeven. De Spijkerboorbuurt, Archimedesbuurt en Erasmusbuurt in Meerwijk worden aangegeven als warmtekavel (Warmtewet) en hiervoor wordt een netwerk aangelegd met een publiek netwerk en er is een concessie uitgegeven aan een warmteleverancier.
Governance voor warmtenetten in Haarlem (2019)
Om samenhang aan te brengen tussen de verschillende (soorten) initiatieven, de energietransitie in goede banen te leiden en marktsturing te voorkomen m.b.t. de gemeentelijke doelstellingen heeft de gemeente een eigen handelingsperspectief opgesteld. Dit perspectief legt de doelen en uitgangspunten van de gemeente vast. De bestuurlijke doelen betreffen het realiseren van een duurzame stad, een betaalbare energietransitie en aanvaardbare (financiële) risico’s. Daaraan toegevoegd de ambitie om in 2040 Haarlem aardgasvrij te hebben gemaakt. De 10 geformuleerde uitgangspunten gaan over haalbaarheid, marktordening, draagvlak, tempo en duurzame randvoorwaarden.
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
39
Projectgerelateerd
Duurzame warmte Haarlem: Betaalbaarheid (2020)
De gemeente wil de energietransitie betaalbaar houden voor Haarlemmers. Het begrip betaalbaar houdt in dat financiële effecten voor huishoudens worden beperkt waarbij huishoudens met inkomens aan de onderkant relatief het sterkst worden ontzien. Er is al een aantal instrumenten om de energietransitie voor iedereen betaalbaar te houden. Er worden ook nog nieuwe instrumenten ontwikkeld. Welke instrumenten het beste kunnen worden gebruikt zal in de uitwerking van concrete energietransitie-projecten worden bepaald.
Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur gemeente Haarlem (2023) (AVOI)
De verordening biedt via een vergunningstelsel de regulering voor het al dan niet aanleggen van warmtenetten in de beperkte ruimte in de ondergrond en de ordening in de ondergrond. Het college stelt op grond van deze verordening nadere beleidsregels vast.
Bronnenstrategie Haarlem (2021)
Een strategisch meerjarenplan voor collectieve warmte. Haarlem heeft diverse mogelijkheden om toekomstige warmtenetten van collectieve warmte te voorzien. Twee centrale pijlers van het strategisch meerjarenplan voor collectieve warmte zijn het ontwikkelen van geothermiebronnen en het toepassen van restwarmte van datacenters. Deze twee pijlers bieden op korte en lange termijn de mogelijkheid om stabiele en duurzame warmtenetten te ontwikkelen in de gemeente en zo het gebruik van aardgas terug te dringen.
Convenant Toekomstbestendige Woningbouw (2022)
Het convenant Toekomstbestendige Woningbouw beoogt voor de gehele MRA-regio een uniforme uitvraag op de thema’s van duurzaamheid in bouwprojecten met het toetsingskader. Met het ondertekenen van het convenant, ging de gemeente akkoord met de systematiek en inhoud van het convenant. Het convenant moet nog geïmplementeerd worden in concreet beleid.
Update Routekaart Duurzaamheid 'Route voor CO2-reductie (2023)
Met de Routekaart stellen we de CO2-reductiedoelstelling vast op 60% in 2030 ten opzichte van 2017 én spreken we af dat we uitgaan van het streefdoel van 65%. De duurzaamheidsbegroting wordt ingezet om de effecten van deze, en andere ontwikkelingen, zichtbaar te maken. De Routekaart laat in transitiepaden de opgave voor CO2-reductie zien én laat zien wat er nodig is aan activiteiten om de doelstelling te bereiken. Er is een directe relatie tussen het Warmteprogramma en de Routekaart.
Ruimtelijke kaders • Vigerende bestemmingsplanen, later het Omgevingsplan van Haarlem • Ontwikkelvisies, SPvE's, PvE's ontwikkelzones en gebiedsontwikkelingen • Structuurvisie openbare ruimte: Haarlem 2040 groen en bereikbaar (2017) • Uitvoeringsprogramma Structuurvisie Openbare Ruimte 2020-2040 (2019) • Nota Ruimtelijke Kwaliteit (2012) • Beleid zonne-energie in beschermd stadsgezicht en op monumenten (2021) • Erfgoedverordening Haarlem 2023 (2022) 22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
40
Projectgerelateerd
• • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • •
Erfgoednota, Haarlems Erfgoed, Verbindende kracht in de stad (2024) Beleidsregels Hogere waarden Wet Geluidhinder (2009) Vaststellen geluidbelastingskaarten Haarlem 2021 (2023) Verordening aanwijzing interferentiegebieden bodemenergiesystemen gemeente Haarlem (2023) Beleidsregel gronden weigering vergunning bodemenergiesystemen interferentiegebied Schalkwijk (2023) Beleidsregel gronden weigering vergunning bodemenergiesystemen interferentiegebieden Zuidwest en Europaweg (2023) Handboek inrichting openbare ruimte Haarlem (2024) Natuur Netwerk Haarlem (2022) Groenbeleidsplan 2022-2030, “Haarlem gaat op groen” (2022) Bomenverordening 2021 (2021) Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur (2023) Meerjaren Onderhoudsprogramma (2023) Meerjarig uitvoeringsprogramma Groen en Klimaatadaptatie (2023) Mobiliteitsbeleid (2021) Strategisch Beheerplan Openbare Ruimte 2022-2030 (2022) Bodemkwaliteitskaart 2023-2028 en nota bodembeheer (2023) Verordening aanwijzing interferentiegebieden bodemenergiesystemen gemeente Haarlem (2023) Beleidsregel gronden weigering vergunning bodemenergiesystemen interferentiegebied Schalkwijk Beleidsregel gronden weigering vergunning bodemenergiesystemen interferentiegebieden Zuidwest en Europaweg (2023) Uitvoeringsprogramma Continuering Afvalscheiding (CAS) (2023) Strategisch plan klimaatadaptatie (2022), opgenomen in Plan Stedelijk Water 2024 - 2033
Speelbeleid Beleidsplan Haarlems Dierenwelzijn (2024).
Beleidskaders water • Gemeentelijk Grondwaterplan, opgenomen in Plan Stedelijk Water 2024 - 2033 • Hemelwaterverordening Haarlem 2022 (2022) • Plan Stedelijk Water 2024-2033 (2023) • Meerjarig uitvoeringsprogramma Groen en Klimaatadaptatie (2023) • Kaders van het Hoogheemraadschap van Rijnland t.a.v. aquathermie • Open – en gesloten bodemenenergiesystemen zijn omgevingsvergunning of -melding plichtig volgens de omgevingswet. • WKO (BES) zijn omgevingsvergunning of -melding plichtig volgens de omgevingswet. • Afwegingskader BES in Openbare Ruimte (wordt nog opgesteld).
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
41
Projectgerelateerd
Overige relevante kaders • Woonvisie Haarlem "Samen doorbouwen aan een Duurzaam (t)huis" (2020). In het najaar van 2025 wordt waarschijnlijk het nieuwe volkshuisvestingsprogramma vastgesteld die de Woonvisie Haarlem zal vervangen. • Economische Visie Haarlem (2020) • Strategisch Huisvestingsplan Onderwijs 2023-2038 (SHO) (2023)
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
42
Projectgerelateerd
6
Alternatieven
In dit planMER worden meerdere alternatieven voor het warmteprogramma naast elkaar onderzocht en met elkaar vergeleken. Alternatieven zijn mogelijke uitwerkingen van keuzes in het programma, waarmee onderzocht kan worden of bepaalde keuzes (milieu-)voor- en/of nadelen hebben. Door meerdere mogelijke alternatieven te onderzoeken wordt het plan of programma zorgvuldig afgewogen.
6.1
Toelichting alternatieven
De gemeente Haarlem onderzoekt vijf verschillende warmtevoorzieningen om naar een aardgasvrije stad toe te werken. In dit planMER worden de milieueffecten van de vijf warmtevoorzieningen onderzocht en met elkaar vergeleken: er zijn drie collectieve alternatieven en twee individuele alternatieven. Bij ieder alternatief horen warmtebronnen, energie-infrastructuur en aansluitingen in gebouwen. Hoewel de warmtevoorzieningen nog niet beschikken over een concreet detailontwerp, is er in de basis al een inschatting te maken van hoe de warmtevoorziening er in de praktijk uit zal komen te zien en uit welke systeemonderdelen deze zal bestaan. Hieronder zijn de alternatieven kort toegelicht, waarna de beoogde systeemonderdelen per alternatief zijn samengevat in een tabel. Gedetailleerde informatie over de vijf alternatieven is te lezen in een losse bijlage, bijlage 3. Alternatief 1: Grootschalig middentemperatuur warmtenet Een grootschalig middentemperatuur (MT) warmtenet brengt warm water van één of meerdere centrale warmtebronnen naar gebouwen via een netwerk van leidingen. In Figuur 6-1 is een voorbeeld te zien van hoe een grootschalig warmtenet eruit kan komen te zien, met geothermie als voorbeeld.
Figuur 6-1: Voorbeeld grootschalig warmtenet met geothermie als warmtebron (Haskoning)
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
43
Projectgerelateerd
Een MT-warmtenet heeft een temperatuur van tussen de 55 en 75°C en wordt meestal gevoed met midden temperatuurbronnen. Warmtebronnen De warmte is afkomstig uit een mix van grootschalige duurzame MT-warmtebronnen. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen warmtebronnen die gedurende het hele jaar warmte leveren aan het warmtenet (basislast), warmtebronnen die op specifieke momenten in het jaar (zoals tijdens een koude periode) bijspringen (pieklast) en back-up warmtebronnen om voor de warmtevoorziening te zorgen bij storingen. Ten behoeve van het warmteprogramma zijn in de Nadere uitwerking bronnenstrategie voor het Warmteprogramma Haarlem (Greenvis, 2025) zijn de potentie en verdeling van deze bronnen ten behoeve van de piek- of basislast voor het potentiële warmtenetgebied uitgewerkt. Warmtebronnen die in de gemeente Haarlem een rol kunnen gaan spelen zijn onder andere geothermie, datathermie, aquathermie (Thermische Energie uit Oppervlaktewater (TEO) en Thermische Energie uit Afvalwater (TEA) en restwarmte. Ook zijn voor een warmteoplossing op MT-warmtebronnen elektroboilers nodig, warmtebuffers en piek en back-up ketels. In de periode 2019 tot op heden is ingezet op de verkenning naar de mogelijkheden voor diepe geothermie in gemeente. Dit wordt momenteel gedaan in samenwerking met Aardyn en EBN.
Rekening houdend met een minimale afstand van 70 meter van kwetsbare bebouwing zijn op dit moment meerdere locaties (mogelijk) kansrijk voor ontwikkeling van geothermie. Omdat de mogelijkheden voor geothermie nog worden onderzocht, is het in dit planMER op slechts hoofdlijnen meegenomen. Zoekgebieden geothermie • Afvalwaterzuiveringsinstallatie Schalkwijk. Deze is niet meer in bedrijf. Deze ligt op de rand van het ‘geschikte gebied’ (waar minder breuken aanwezig lijken te zijn) en deze locatie heeft al een passende bestemming in het Omgevingsplan. • Bedrijventerrein Waarderpolder (daar is nu nog geen locatie beschikbaar, maar dat kan veranderen als (grote) bedrijven weggaan in de komende jaren). • Polanenpark. • Spaarnepark. In het ontwerp van het Spaarnepark wordt rekening gehouden met de optie dat er een geothermiebron ingepast moet worden. Het is een gunstige locatie om Haarlem stadsdeel zuidwest van warmte te voorzien. • Delftplein, ook wel ‘de noordelijke entree tot de stad’. Op dit moment is het gebied vooral een wirwar van infrastructuur met een aantal gebouwen en openbare gebieden. Het is een gunstige locatie om het noorden van Haarlem van warmte te voorzien.
Zoekgebieden datathermie • Datacenter Polanenpark: Polanenpark is een bedrijventerrein in de Haarlemmermeer, net buiten de gemeente Haarlem, en beschikt over een bestaand datacenter CyrusOne (60 MW) en ruimte voor een tweede datacenter. Verwacht wordt dat uit de bestaande datahal CyrusOne tenminste 25 MW kan worden uitgekoppeld. Industriële warmtepompen voegen daar nog energie aan toe. De warmtepompen brengen de temperatuur op MT-niveau voor het transport- en distributienetwerk. 22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
44
Projectgerelateerd
•
Datacenter Iron Mountain: Datacenter Iron Mountain ligt op het bedrijven- en industriepark de Waarderpolder. Uit eerdere analyses blijkt dat dit datacenter in staat is om ongeveer 13,5 MW aan warmte te leveren op een warmtenet dat de stad in gaat. Warmte uit het Datacenter Iron Mountain is op korte termijn beschikbaar.
Zoekgebieden aquathermie Er wordt gedacht aan toepassing van aquathermie in de Meerwijkplas, Molenplas, Ringvaart Haarlemmermeer, Zuider en Binnen Spaarne, Noorder Buiten Spaarne, Leidse Vaart. Ook kan warmte uit de afvalwaterzuiveringsinstallatie (AWZI) in de Waarderpolder gewonnen worden.
Infrastructuur en aanpassingen aan bestaande gebouwen De benodigde infrastructuur voor grootschalige MT-warmtenetten bestaat uit een transport- en distributienet, aan- en afvoerleidingen, warmteoverdrachtstations, warmteonderstations, hulpwarmteketels en warmtebuffers. De warmte wordt geleverd via een afleverset in het gebouw. De warmte is direct inzetbaar voor ruimteverwarming en warm tapwater. De woningen moeten voor deze techniek voldoende geïsoleerd zijn (naar een maximale warmtebehoefte van 70 kWh/m 2/jaar). Voor het koken zal moeten worden overgeschakeld op elektrisch koken. Een middentemperatuurwarmtenet kan geen koeling leveren. Ten behoeve van het warmteprogramma heeft de gemeente samen met Liander bepaald dat de verwachting is dat dit alternatief grotendeels past binnen de al geplande uitbreidingen van het middenspanningsnet. Wel zijn er extra transformatorhuisjes nodig. Onderdelen alternatief 1 In Tabel 6-1 is te lezen uit welke onderdelen alternatief 1 bestaat. Hierbij is uitgegaan van een situatie waarin alternatief in de gehele gemeente wordt toegepast. In de Haarlemse bronnenstrategie is een inschatting gemaakt van de hoeveelheid en het ruimtebeslag van de onderdelen. De zoekgebieden voor elektroboilers, warmtebuffers, HTO, warmteonderstations, warmteoverdrachtstations en piek – en back-up boilers is nog niet bekend. Tabel 6-1: Onderdelen alternatief 1
Alternatief 1: Grootschalig middentemperatuur warmtenet Installatie
Aantal
Ruimtegebruik per stuk
Geothermie
Twee doubletten
5.000 tot 10.000 m2
Datathermie
Twee uitkoppelingen
Beperkt en veelal tegen of in het datagebouw.
Thermische energie uit lucht (TEL)
Eén grootschalig TEL voor
8.300 m2
TEO en TEA
Zes TEO Eén TEA
1.800 m2
Elektroboiler
Vier
15 m2
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
45
Projectgerelateerd
Warmtebuffers en HTO
Vier
400 m2
Warmteonderstations
280
20 m2
Warmteoverdrachtstation
Vier (per Haarlems kwadrant 1 station)
4.000 m2
Piek- en back-upboilers (in gebouw met andere bronnen en installaties)
Acht, verdeeld over de stad
1.000 m2
Alternatief 2: Decentrale middentemperatuur warmtenetten Decentrale MT-warmtenetten zijn qua temperatuur en infrastructuur vergelijkbaar met een grootschalig warmtenet, maar in plaats van grote bronnen worden kleinschalige bronnen in de buurten ingezet. In Figuur 6-2 is te zien hoe een decentraal MT warmtenet eruit kan zien, met een voorbeeld TEO met warmte-koude opslag (WKO).
Figuur 6-2: Voorbeeld decentraal warmtenet TEO met warmte-koude opslag (Haskoning)
Warmtebronnen In Haarlem wordt rekening gehouden met verschillende warmtebronnen in en langs wijken om decentrale MT-warmtenetten van warmte te voorzien. Er wordt bijvoorbeeld gedacht aan bodemenergie, aquathermie, droge koelers en collectieve warmtepompen. Vaak worden de installaties voor de bronnen in warmtestations in de buurten geplaatst. Elk warmtenetwerk heeft een eigen warmtestation voor de opwekking van warmte.
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
46
Projectgerelateerd
Infrastructuur en aanpassingen aan bestaande gebouwen Voor decentrale MT-warmtenetten is ook nieuwe infrastructuur nodig. Decentrale warmtenetten bestaan uit warmtedistributiesystemen (ongeveer ter grootte van een buurt) en lage temperatuur (LT-) warmtebronnen in de buurten. Verder zijn er onder andere warmtestations en hulpwarmteketels nodig. De opwaardering naar 55 tot 75 °C zal zo dicht mogelijk bij de warmtebron plaatsvinden. De warmte wordt geleverd via een afleverset in het gebouw. De warmte is direct inzetbaar voor ruimteverwarming en warm tapwater. De woningen moeten voor deze techniek een redelijke isolatieschil hebben (maximale warmtebehoefte van 70 kWh/m 2/jaar). Voor het koken zal moeten worden overgeschakeld op elektrisch koken. Een decentraal MTwarmtenet kan geen koeling leveren. Warmtepompen en eventuele andere elektrische installaties in een warmtestation zijn afhankelijk van elektriciteit en het kan daarom noodzakelijk zijn om het middenspanningsnet voor alle warmtestations te verzwaren. Ten behoeve van het warmteprogramma heeft de gemeente samen met Liander bepaald dat de verwachting is dat dit alternatief grotendeels passen binnen de al geplande uitbreidingen van het middenspanningsnet. Wel zijn er extra transformatorhuisjes nodig. Onderdelen alternatief 2 In Tabel 6-2 hieronder is te lezen uit welke onderdelen alternatief 2 bestaat.
In de Haarlemse bronnenstrategie is een inschatting gemaakt van de hoeveelheid en het ruimtebeslag van de onderdelen. Hierbij is uitgegaan van een situatie waarin het alternatief in de gehele gemeente wordt toegepast. Tabel 6-2: Onderdelen alternatief 2
Alternatief 2: Decentrale middentemperatuur warmtenetten Installatie
Aantal
Ruimtegebruik per stuk
Aquathermie (TEO)
Eén per buurtnet (alternatief droge koelers)
360 m2 (als geen combinatie in Warmtestation mogelijk is)
Aquathermie (TEA) installatie, inclusief warmtepomp bij AWZI
Eén TEA
360 m2
WKO’s (OBES), put bovengronds
Ongeveer 1.000 doubletten
2 m2
Uitkoppeling diverse restwarmtebronnen
Nader te bepalen
Maatwerk/inpandig
Warmtebuffers (kleinschalig)
Acht
200 m2
Warmteonderstations
Onbekend. Naar inschatting 200, afhankelijk van de grootte van een decentraal net
20 m2
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
47
Projectgerelateerd
Warmtestations met piek- en back-upketels, warmtepompen en een elektroboiler en TEO
Gemiddeld één per buurt
300-500 m2
Middenspanningsstation (25-66 kV naar 3 - 23 kV)
Geen extra Er worden al drie gerealiseerd
2.000 m2
Hoogspanningsstation (110-150 kV naar 25-66 kV)
Geen extra. Er wordt er al één gerealiseerd
-
Hoogspanningsstation (220/380 kV naar 110-150 kV)
Geen extra. Er wordt er al één gerealiseerd
-
Alternatief 3: Zeer laagtemperatuur warmtenetten Bij een LT-warmtenet worden de gebouwen verwarmd met een temperatuur van 30-55°C. Bij een ZLT-warmtenet met een temperatuur van ongeveer 20°C. De warmte wordt aan het gebouw geleverd met een afgifteset, die meestal in de meterkast geplaatst wordt. In Figuur 6-3 is een schematische weergave te zien van hoe een (Z)LT warmtenet eruit kan zien, met als voorbeeld zonthermie met WKO.
Figuur 6-3: Voorbeeld laagtemperatuur warmtenet met zonthermie en warmte-koude opslag (Haskoning)
Bij een ZLT-warmtenet en bij sommige LT-warmtenetten zal de warmte in het gebouw nog moeten worden opgewaardeerd om gebruikt te kunnen worden. Afhankelijk van het gebruik en de geleverde temperatuur is er ook een aparte voorziening nodig voor warm tapwater. Dit kan bijvoorbeeld worden opgelost met een kleine warmtepomp of een elektrische boiler. In veel gevallen zal het warmteafgiftesysteem in de woning moeten worden 22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
48
Projectgerelateerd
aangepast naar een efficiënt verwarmingssysteem zoals vloerverwarming. Hiervoor moet het isolatieniveau van de woning zeer goed zijn, naar een warmtebehoefte van maximaal 50 kWh/m2/jaar. Om volledig aardgasvrij te worden moet er ook worden overgestapt op elektrisch koken. Een ZLT-warmtenet biedt de mogelijkheid om te koelen. Hier moet wel het warmteafgiftesysteem in de woning geschikt gemaakt voor worden. Warmtebronnen Potentiële bronnen voor (Z)LT-warmtenetten zijn vergelijkbaar met die in alternatief 2. Meestal is een open bodem energiesysteem (OBES) in combinatie met een bron voor de regeneratie van de OBES nodig. Hiervoor kunnen aquathermie, lokale restwarmte, lucht (drycoolers) of zonthermie worden ingezet. Infrastructuur en aanpassingen aan bestaande gebouwen Een (Z)LT warmtenet transporteert warmte van (zeer-)lage temperatuur. Het ondergrondse ruimtebeslag en de wijze van aanleg is vergelijkbaar met alternatieven 1 en 2. In tegenstelling tot middentemperatuur-warmtenetten zijn de buizen voor een (Z)LT-warmtenet gemaakt van kunststof (in plaats van staal met isolatiemateriaal eromheen). Onderdelen alternatief 3 Voor het aantal benodigde doubletten, de warmtebuffers en de warmteonderstations in Haarlem is een inschatting gemaakt op basis van het aantal beoogde benodigde installaties voor de stad Utrecht, op basis van de Utrechtse Beleidsnota Warmte 2025-2035.
Tabel 6-3: Onderdelen alternatief 3
Alternatief 3: Zeer laagtemperatuur warmtenet Installatie
Aantal
Ruimtegebruik per stuk
Aquathermie (TEO) installatie langs waterkant
Eén per net (waar geen TEO beschikbaar is, zijn droge koelers een alternatief)
360 m2
Uitkoppeling diverse restwarmtebronnen
Nader te bepalen
Maatwerk/inpandig
WKO’s (OBES), put bovengronds
Ongeveer 1.000 doubletten
2 m2
Warmteonderstations
50
20 m2
In/aan gebouwen: warmtepomp, boiler, buffervat
Iedere woning/gebouw
2 m2
Transformatorhuisjes (MS/LS)
Ongeveer 400 extra
20 m2
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
49
Projectgerelateerd
Middenspanningsstation (25-66 kV naar 3 - 23 kV)
Eén extra. Er worden al drie gerealiseerd
2.000 m2
Alternatief 4: Individuele luchtwarmtepompen Een luchtwarmtepomp (ook wel lucht-waterwarmtepomp genoemd) gebruikt warmte uit de lucht en elektriciteit om een gebouw te verwarmen. Met sommige typen warmtepompen kunnen gebouwen ook (actief) gekoeld worden. In Figuur 6-4 is een schematische weergave te zien van een individuele luchtwarmtepomp.
Figuur 6-4: Voorbeeld luchtwarmtepomp (Haskoning)
Wanneer alle woningen of gebouwen in Haarlem overschakelen naar een elektrische luchtwarmtepomp, moet vrijwel zeker het elektriciteitsnet worden verzwaard, zeker als de woningen of gebouwen niet voldoende geïsoleerd zijn en dus een hogere warmtevraag hebben. Het uitgangspunt bij dit alternatief is dat het elektriciteitsnet in de meeste buurten in Haarlem (nog) verzwaard moet worden als alle gebouwen verwarmd zouden worden met individuele luchtwarmtepompen. Niet alleen het laagspanningsnet, maar ook het middenspanningsnet moet verzwaard worden. Onderdelen alternatief 4 De totale ruimtevraag en benodigde installaties die noodzakelijk zijn voor de individuele luchtwarmtepomp zijn weergeven in Tabel 6-4. Voor de verzwaring van de elektriciteitsinfrastructuur gaat het alleen om de extra verzwaring voor de benodigde netcapaciteit voor de warmtetransitie. De in de Tabel 6-4 weergegeven aantallen zijn van toepassing wanneer individuele luchtwarmtepomp over de gehele gemeente wordt uitgerold. Deze getallen worden in de beoordelingen gebruikt om het aantal installaties bij de verschillende onderdelen relatief ten opzichte van elkaar te kunnen wegen. Voor het aantal benodigde transformatorhuisjes in Haarlem 22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
50
Projectgerelateerd
is een inschatting gemaakt op basis van het aantal beoogde benodigde installaties voor de stad Utrecht, op basis van de Utrechtse Beleidsnota Warmte 2025-2035. Tabel 6-4: Onderdelen alternatief 4
Alternatief 4: Individuele luchtwarmtepompen Installatie
Aantal
Ruimtegebruik per stuk
Transformatorhuisjes (MS/LS)
550
20 m2
In/aan gebouwen: warmtepomp, boiler, buffervat en buitenunit
Iedere woning/gebouw
2 m2
Middenspanningsstation (25-66 kV naar 3-23 kV)
Vijf extra. Er worden al drie gerealiseerd
2.000 m2
Hoogspanningsstation (110-150 kv naar 25-66 kV)
1 extra. Er wordt er al één gerealiseerd
5.000 m2
Hoogspanningsstation (220/380 kV naar 110-150 kV)
1 extra. Er wordt er al één gerealiseerd
55.000 m2
Alternatief 5: Individuele bodemwarmtepompen Een bodemwarmtepomp (ook wel bodem-waterwarmtepomp genoemd) gebruikt warmte uit de bodem en elektriciteit om een gebouw te verwarmen. Met bodemwarmtepompen kunnen gebouwen vaak ook (passief) gekoeld worden. Op Figuur 6-5 is een schematische weergave te zien van een individuele bodemwarmtepomp.
Figuur 6-5: Voorbeeld bodemwarmtepomp
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
51
Projectgerelateerd
Wanneer alle woningen of gebouwen in Haarlem overschakelen naar een bodemwarmtepomp, moet vrijwel zeker het elektriciteitsnet worden verzwaard, zeker als de woningen of gebouwen niet voldoende zijn geïsoleerd. Net als bij alternatief 4, is het uitgangspunt dat het elektriciteitsnet in de meeste buurten in Haarlem (nog) verzwaard moet worden als alle gebouwen verwarmd zouden worden met individuele bodemwarmtepompen. Niet alleen het laagspanningsnet, maar ook het middenspanningsnet en mogelijk ook op het hoogspanningsnet. Individuele bodemwarmtepompen hebben een relatief lage piekvraag voor elektriciteit in vergelijking met individuele luchtwarmtepompen en daarom is de noodzakelijke verzwaring van de elektriciteitsnetten mogelijk minder groot dan bij alternatief 4. De verzwaring bestaat uit de aanleg van extra transformatorhuisjes en bekabeling in de grond. De toepassing van bodemwarmtepompen heeft een aanzienlijk ondergronds ruimtebeslag bij woningen en gebouwen; per WEQ moet minimaal één ondergrondse bodemlus geplaatst moet worden. Het ondergrondse ruimtebeslag van een bodemlus is 7,5x7,5 meter. Het aanleggen van een bodemlus duurt één tot twee dagen. Bij grootschalige inzet van een gesloten bodem energiesysteem (GBES) moet rekening gehouden worden met interferentie tussen verschillende systemen.