11 Bijlage A 6a - PlanMER Warmteprogramma gemeente Haarlem
Tekst van het document
RAPPORT PlanMER warmteprogramma gemeente Haarlem
Klant:
Gemeente Haarlem
Referentie:
BK8237-MI-RP-250906-1154
Status:
Definitief/1
Datum:
22 september 2025
Projectgerelateerd
HASKONING NEDERLAND B.V.
Contactweg 47 1014 AN Amsterdam Netherlands Mobility & Infrastructure
Trade register number: 56515154 Telefoon: +31 88 348 95 00 E-mail: info@rhdhv.com Website: haskoning.com
Titel document: Ondertitel: Referentie: Status: Datum: Projectnummer: Auteur(s):
PlanMER warmteprogramma gemeente Haarlem
Gecontroleerd door:
Senior adviseur planstudies
Classificatie:
Projectgerelateerd
BK8237-MI-RP-250906-1154 Definitief/1 22 september 2025 BK8237 Medior adviseur
Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. Haskoning Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat mogelijk persoonsgegevens van medewerkers van Haskoning Nederland B.V. Voordat publicatie plaatsvindt (of anderszins openbaarmaking), dient dit document te worden geanonimiseerd of dient toestemming te worden verkregen om dit document met persoonsgegevens te publiceren. Dit hoeft niet als wet- of regelgeving anonimiseren niet toestaat. 22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
ii
Projectgerelateerd
Inhoud Samenvatting
1
Onderzochte alternatieven
1
Beoordelingskader en methode
3
De uitkomsten
6
Beoordeling per wijktype
8
Aandachtspunten en mitigerende maatregelen
11
1
Inleiding
13
1.1
Het warmteprogramma
13
1.2
Waarom een warmteprogramma
13
1.3
Juridische grondslag voor een planMER
14
1.4
Doel van de mer-procedure bij het warmteprogramma
15
1.5
Rol van de milieueffectrapportage bij het warmteprogramma
15
1.6
Leeswijzer
16
2
Parallelle processen
17
2.1
Reacties op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau
17
2.2
Samenhang met andere gemeenten
18
3
Scope warmteprogramma gemeente Haarlem
21
3.1
Een warmteprogramma
21
3.2
Warmtevoorziening
21
3.3
Waar het planMER niet over gaat
22
4
Methodiek van het planMER
23
4.1
Onderzoeksmethode
23
4.1.1 4.1.2 4.1.3
De eerste stap De tweede stap Slotbeschouwing
23 24 25
4.2
Beoordelingsmethodiek milieuthema’s
26
4.3
Beoordelingsschaal
33
5
Referentiesituatie
35
5.1
Huidige situatie gemeente
35
5.2
Autonome ontwikkelingen
35
5.3
Beleidskader
36
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
iii
Projectgerelateerd
6
Alternatieven
43
6.1
Toelichting alternatieven
43
6.2
De alternatieven samengevat
53
7
Wijktypen
54
7.1
Toepassing wijktypen
54
7.1.1 7.1.2
Wat een wijktype is Wijktypen uit de Klimaateffectatlas als basis
54 55
7.2
Wijktypen in Haarlem
55
7.2.1
Toelichting wijktypen Haarlem
57
7.3
Kenmerken van de Haarlemse wijktypen
60
8
Milieuthema’s
64
8.1
Geluid en trillingen
64
8.1.1 8.1.2 8.1.3
Beleidskader geluid en trillingen Geluidhinder Trillingen
64 66 84
8.2
Straling
88
8.2.1 8.2.2
Beleidskader straling Elektromagnetische straling
88 88
8.3
Bodem
94
8.3.1 8.3.2
Beleidskader bodem Bodemkwaliteit
94 95
8.4
Water
106
8.4.1 8.4.2 8.4.3 8.4.4
Beleidskader water Oppervlaktewater Grondwater Drinkwater
106 107 114 127
8.5
Luchtkwaliteit
136
8.5.1
Beleidskader luchtkwaliteit
136
8.6
Natuur en biodiversiteit
143
8.6.1 8.6.2 8.6.3 8.6.4
Beleidskader natuur en biodiversiteit Beschermde soorten Beschermde gebieden Stikstofdepositie en Natura 2000
143 145 153 163
8.7
Circulariteit
169
8.7.1 8.7.2
Beleidskader circulariteit Circulair en totaal materiaalgebruik
169 170
8.8
Ruimtelijke kwaliteit
177
8.8.1 8.8.2 8.8.3 8.8.4
Beleidskader ruimtelijke kwaliteit Zichtbaarheid en beleving Bovengronds ruimtegebruik Ondergronds ruimtegebruik
177 179 186 191
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
iv
Projectgerelateerd
8.9
Archeologie en cultuurhistorie
197
8.9.1 8.9.2 8.9.3
Beleidskader archeologie en cultuurhistorie Archeologie Cultuurhistorie
197 199 204
8.10
Omgevingsveiligheid
213
9
Slotbeschouwing
216
9.1
Conclusies effectbeoordelingen
216
9.1.1 9.1.2
Generieke effectbeoordelingen Effectbeoordelingen per wijktype
216 220
9.2
Aandachtspunten en mitigerende maatregelen
248
9.3
Leemten in kennis
251
9.4
Monitoring en evaluatie
253
10
Bijlagen
256
10.1
Bijlage 1: Wijktypen in de gemeente Haarlem
256
10.2
Bijlage 2: Lijst met bronnen
261
Bijlagen Bijlage 1: Wijktypen in de gemeente Haarlem Bijlage 2: Lijst met bronnen Bijlage 3: Beschrijving alternatieven Bijlage 4: Aandachtspunten buurtniveau
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
v
Projectgerelateerd
Samenvatting Het planMER bij het Warmteprogramma van de gemeente Haarlem is opgesteld om de warmtetransitie te ondersteunen. Volgens de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) zijn gemeenten verplicht vast te leggen hoe zij willen dat de gemeente aardgasvrij wordt. Gemeenten leggen dit vast in het warmteprogramma. Nadat het warmteprogramma is vastgesteld wordt de warmtetransitie verder uitgewerkt in uitvoeringsplannen per gebied. In het warmteprogramma van de gemeente Haarlem staat per buurt aangegeven wat het voorkeursalternatief voor de overstap naar aardgasvrij is. Deze keuze is gebaseerd op factoren zoals nationale kosten, ruimtegebruik, belasting van het elektriciteitsnet en effecten op de leefomgeving. Het planMER brengt de milieueffecten van verschillende alternatieven voor het aardgasvrij maken van gebouwen in kaart. Deze informatie is meegenomen in de afweging om per buurt tot een voorkeursalternatief te komen. Daarmee draagt het planMER bij aan transparantie in het besluitvormingsproces en helpt het om risico’s en negatieve effecten beter te beheersen en te beperken.
Onderzochte alternatieven De gemeente Haarlem onderzoekt vijf verschillende warmtevoorzieningen om naar een aardgasvrije stad toe te werken. De gemeente is tot deze alternatieven gekomen op basis van haar eigen bronnenstrategie (2025), behorende bij het warmteprogramma. Er zijn drie collectieve alternatieven en twee individuele alternatieven. Bij ieder alternatief horen warmtebronnen, energie-infrastructuur en aansluitingen in gebouwen. 1. 2. 3. 4. 5.
Grootschalig middentemperatuur warmtenet Decentraal middentemperatuur warmtenet Zeer laagtemperatuur warmtenet Individuele luchtwarmtepomp Individuele bodemwarmtepomp
Grootschalig middentemperatuur warmtenet Een grootschalig middentemperatuur (MT) warmtenet brengt warm water van één of meerdere centrale warmtebronnen naar gebouwen via een netwerk van leidingen. Een MT-warmtenet heeft een temperatuur van tussen de 55 en 75°C en wordt meestal gevoed met midden temperatuurbronnen. Warmtebronnen die in de gemeente Haarlem een rol kunnen gaan spelen zijn onder andere geothermie, datathermie, aquathermie (Thermische Energie uit Oppervlaktewater (TEO) en
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
1
Projectgerelateerd
Thermische Energie uit Afvalwater (TEA) en restwarmte. Voor een aantal van deze warmtebronnen zijn al zoekgebieden gedefinieerd. Ook zijn voor een warmteoplossing op MT-warmtebronnen elektroboilers nodig, warmtebuffers en piek en back-up ketels. De warmtebronnen bevinden zich voornamelijk aan de randen van de stad, terwijl warmtenetten in de wijken worden aangelegd. Decentraal middentemperatuur warmtenet Decentrale middentemperatuur (MT) warmtenetten werken op vergelijkbare wijze als grootschalige MT-warmtenetten, met aanvoertemperaturen tussen de 55 en 75 °C. Het belangrijkste verschil is dat warmte lokaal wordt opgewekt met kleinschalige bronnen in en rond de wijken. Voorbeelden van bronnen zijn bodemenergie, aquathermie, droge koelers en collectieve warmtepompen. De benodigde installaties worden meestal geplaatst in kleine warmtestations in de buurt, die elk hun eigen net van warmte voorzien. Voor dit alternatief is nieuwe infrastructuur nodig op buurtniveau, waaronder distributieleidingen, warmtebuffers, onderstations en hulpwarmteketels. De opwaardering van lage temperatuurbronnen naar MT gebeurt zo dicht mogelijk bij de bron. De geleverde warmte kan direct worden gebruikt voor ruimteverwarming en warm tapwater. Omdat koeling niet mogelijk is, is dit alternatief alleen geschikt voor woningen met voldoende isolatie en elektrisch koken.
Daarnaast is er een sterke afhankelijkheid van elektriciteit door onder andere warmtepompen en elektroboilers. Voor de uitvoering in Haarlem is de verwachting dat dit grotendeels past binnen de geplande uitbreidingen van het middenspanningsnet, al zijn aanvullende transformatorhuisjes wel noodzakelijk. Zeer laagtemperatuur warmtenet Zeer-laagtemperatuur (ZLT) warmtenetten leveren warmte aan gebouwen met temperaturen rond de 20 °C. De warmte wordt aan het gebouw geleverd via een afgifteset, meestal geplaatst in de meterkast. Bij ZLT-warmtenetten zal de warmte in het gebouw moeten worden opgewaardeerd met bijvoorbeeld een kleine warmtepomp of elektrische boiler, waarna deze vooral kan worden gebruikt voor verwarming en warm tapwater. Voor de warmteafgifte is, naast uitgebreide isolatie, aanpassing van het verwarmingssysteem in het gebouw vaak nodig, zoals de installatie van vloerverwarming. ZLT-warmtenetten bieden ook de mogelijkheid tot koeling, mits het warmteafgiftesysteem hierop is aangepast. De potentiële warmtebronnen lijken sterk op die van decentrale middentemperatuur warmtenetten, zoals bodemenergie, gecombineerd met bronnen voor regeneratie zoals aquathermie, lokale restwarmte, droge koelers of zonthermie. Qua infrastructuur is het
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
2
Projectgerelateerd
ruimtebeslag en de aanleg vergelijkbaar met midden temperatuur warmtenetten, maar de leidingen zijn van kunststof in plaats van staal met isolatie. Individuele luchtwarmtepomp Een luchtwarmtepomp onttrekt warmte uit de buitenlucht en gebruikt daarbij (veel) elektriciteit om een gebouw te verwarmen. Sommige typen kunnen ook actief koelen. Bij volledige toepassing in Haarlem is vrijwel zeker verzwaring van het elektriciteitsnet nodig, zowel van het laagspanningsnet als het middenspanningsnet. Dit geldt vooral als woningen niet voldoende geïsoleerd zijn en daardoor een hogere warmtevraag hebben. Het alternatief omvat individuele warmtepompinstallaties in elk gebouw, bestaande uit warmtepomp, boiler, buffervat en buitenunit. Daarnaast zijn ongeveer 550 extra transformatorhuisjes noodzakelijk en ook uitbreiding van middenspannings- en hoogspanningsstations is nodig. Deze netverzwaring is essentieel om het elektriciteitsnet geschikt te maken voor grootschalige inzet van luchtwarmtepompen in Haarlem. Individuele bodemwarmtepomp Een bodemwarmtepomp benut warmte uit de bodem en elektriciteit om gebouwen te verwarmen. Deze warmtepompen kunnen vaak ook passief koelen. Bij volledige toepassing in Haarlem is bijna zeker verzwaring van het elektriciteitsnet nodig, vooral als gebouwen onvoldoende geïsoleerd zijn.
Deze verzwaring geldt voor het laagspanningsnet, middenspanningsnet en mogelijk ook het hoogspanningsnet. De piekvraag aan elektriciteit is bij bodemwarmtepompen doorgaans lager dan bij luchtwarmtepompen, waardoor de netverzwaring mogelijk minder omvangrijk is. Een belangrijk aandachtspunt is het ondergrondse ruimtebeslag. Per woning of gebouw is minimaal één bodemlus nodig van 7,5 bij 7,5 meter, met een aanlegduur van één tot twee dagen per lus. Bij grootschalige inzet van gesloten bodemenergiesystemen moet rekening gehouden worden met interferentie tussen systemen die elkaars rendement negatief beïnvloeden. Haarlem heeft hiervoor verordeningen vastgesteld om optimale benutting van bodemenergie te waarborgen. Voor de netverzwaring zijn extra transformatorhuisjes en bekabeling benodigd.
Beoordelingskader en methode In dit planMER worden de milieueffecten van de vijf warmtevoorzieningen onderzocht en met elkaar vergeleken. Per milieuthema zijn analyses gedaan naar mogelijk milieueffecten op basis van onder andere literatuuronderzoek, (openbare) geografische data en ‘expert judgement’. De analyses zijn veelal kwalitatief en zijn kwantitatief waar dat mogelijk is. In dit planMER zijn de milieueffecten op generiek niveau, op het niveau van wijktypen en op buurtniveau bepaald. Met generieke milieueffecten worden de algemene milieueffecten van de alternatieven bedoeld die bij een alternatief altijd voorkomen, los van het zoekgebied of een specifieke locatie. 22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
3
Projectgerelateerd
De generieke effectbeoordeling is op een hoog abstractieniveau gebeurd. Er zijn immers in het warmteprogramma geen ontwerpen of detailuitwerking per gebied beschikbaar, alleen een voorkeursoplossing, eventueel in combinatie met een potentiële warmtebron. De impact van warmtevoorzieningen naar aardgasvrij verschilt per buurt. De gemeente Haarlem telt in totaal 111 buurten. Gezien het detailniveau van een warmteprogramma wordt in dit planMER onderzoek gedaan naar ‘wijktypen’; een bundeling van buurten op basis van vergelijkbare kenmerken. In de uitvoering van het Warmteprogramma kunnen, waar nodig, milieueffecten nader worden onderzocht voor specifieke buurten (onderdeel van het opstellen van Uitvoeringsplannen). Dit resulteert in een beoordeling per milieuthema, per alternatief en per wijktype. Daarbij is onderscheid gemaakt in de aanleg- en gebruiksfase. Tot slot is er voor elke buurt een beoordeling gedaan op basis van specifieke (geografische) informatie per buurt, behorend bij de milieuaspecten. Zie hiervoor het onderstaande kader. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om buurten die bijvoorbeeld qua kenmerken afwijken van het wijktype, om specifiek beleid dat van toepassing is in een bepaalde buurt of archeologische waarden die in bepaalde buurten voorkomen. Onderzochte milieuthema’s De volgende milieuthema’s zijn in dit planMER onderzocht: Thema
Aspect
Indicator
Fase
Geluidhinder
Toename van het geluid op de gevels van geluidgevoelige gebouwen
Aanleg en gebruik
Hinder door trillingen
Hinder of schade door trillingen bij de aanleg
Aanleg en gebruik
Straling
Elektromagnetische straling
Toename van laagfrequente geluid en elektromagnetische straling
Aanleg en gebruik
Bodem
Bodemkwaliteit
De impact op biologische, chemische en fysische bodemkwaliteit
Aanleg en gebruik
Oppervlaktewater
Thermisch effect op waterleven (voornamelijk relevant in het geval van thermische energie uit oppervlaktewater) en effecten door wateronttrekking
Aanleg en gebruik
Geohydrologische impact op grondwaterkwaliteit en kwantiteit
Aanleg en gebruik
Thermische impact op grondwaterkwaliteit
Aanleg en gebruik
Geluid en trillingen
Water Grondwater
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
4
Projectgerelateerd
Luchtkwaliteit
Natuur en biodiversiteit
Drinkwater
Impact op kwaliteit van drinkwater in nabijgelegen leidingen
Aanleg en gebruik
Luchtkwaliteit en stikstofdioxide
Uitstoot van fijnstof en stikstofdioxide
Aanleg en gebruik
Beschermde soorten
Impact op beschermde soorten
Aanleg en gebruik
Beschermde gebieden
Impact op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-, NNN- en Natuurnetwerk Haarlem-gebieden
Aanleg en gebruik
Circulair materiaal gebruik
Hergebruik bestaand materiaal
Aanleg en gebruik
Totaal materiaal gebruik
Hoeveelheid materiaal dat in totaal nodig is
Aanleg en gebruik
Zichtbaarheid en beleving
Verrommeling van de buitenruimte
Aanleg en gebruik
Bovengronds ruimtegebruik en inpasbaarheid openbare ruimte
Totaal benodigd bovengronds ruimtegebruik en inpasbaarheid in de openbare ruimte
Aanleg en gebruik
Ondergronds ruimtegebruik
Inpasbaarheid in de grond
Aanleg en gebruik
Archeologische waarden
Behoud archeologische waarden
Aanleg en gebruik
Cultuurhistorische waarden
Behoud cultuurhistorische waarden en erfgoed
Aanleg en gebruik
Externe veiligheid
Externe veiligheid met betrekking tot geothermie
Aanleg en gebruik
Circulariteit
Ruimtelijke kwaliteit
Archeologie en cultuurhistorie
Externe veiligheid
De effecten worden met plussen en minnen op een zevenpuntschaal beoordeeld (van ++ naar --, zie) ten opzichte van de referentiesituatie. Voor de indicatoren waarvoor een (zeer) negatief effect verwacht worden, zal in het planMER ook een beoordeling worden gegeven na mitigerende en/of compenserende maatregelen. Score
Toelichting
++
Zeer positief effect ten opzichte van referentiesituatie.
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
5
Projectgerelateerd
+
Positief effect ten opzichte van referentiesituatie.
0/+
Licht positief effect ten opzichte van referentiesituatie
0
Neutraal/geen effect ten opzichte van referentiesituatie.
0/-
Licht negatief effect ten opzichte van referentiesituatie
-
Negatief effect ten opzichte van referentiesituatie.
--
Zeer negatief effect ten opzichte van referentiesituatie. Geen beoordeling mogelijk en/of onbekend en/of niet van toepassing
De uitkomsten Bij de uitvoering van de verschillende warmtealternatieven worden diverse negatieve milieueffecten verwacht. Onderstaande tabel toont de generieke beoordeling van de alternatieven per milieuthema. Na de tabel zijn de uitkomsten kort toegelicht.
Thema
Aspect
Geluidhinder Geluid Trillingen
Straling
Bodem
Elektromagnetische straling
Bodemkwaliteit
Oppervlakte water
Water
Grondwater
Drinkwater
Luchtkwaliteit
22 september 2025
Luchtkwalitei
Aanleg-/ Gebruiksfas e
Alternatief 1
Alternatief 2
Alternatief 3
Alternatief 4
Alternatief 5
Aanleg
0/-
-
-
0
0/-
Gebruik
0
0/-
0/-
--
0
Aanleg
0/-
0/-
0/-
0
0/-
Gebruik
0
0
0
0/-
0
Aanleg
0
0
0
0
0
Gebruik
0
0
0
0
0
Aanleg
0/-
0/-
0/-
0
0
Gebruik
Geen beoordeling mogelijk
Geen beoordeling mogelijk
0/-
0
Geen beoordeling mogelijk
Aanleg
0
0
0
0
0
Gebruik
-
0/-
0/-
0
0
Aanleg
0/-
-
-
0
--
Gebruik
0/-
-
-
0
0/-
Aanleg
0
0
0
0
0
Gebruik
0/-
0/-
0
0
0
Gebruik
0/+
0/+
0/+
0/+
0/+
Aanleg
0/-
0/-
-
-
-
BK8237-MI-RP-250906-1154
6
Projectgerelateerd
Beschermde soorten Natuur en biodiversiteit
Circulariteit
Gebruik
0
0
0/-
0/-
0/-
Aanleg
0/-
0/-
0/-
0
0/-
Gebruik
0
0
0
0
0
Stikstofdepo sitie en Natura 2000gebieden
Aanleg
Geen beoordeling mogelijk
Geen beoordeling mogelijk
Geen beoordeling mogelijk
Geen beoordeling mogelijk
Geen beoordeling mogelijk
Circulair en totaal materiaalgebruik
Aanleg en gebruik
0
0
-
0/-
0/-
Aanleg
-
-
0/-
-
-
Gebruik
-
-
--
--
0/-
Bovengronds ruimtegebruik
Aanleg en gebruik
-
-
0/-
-
-
Ondergronds ruimtegebruik
Aanleg en gebruik
-
-
-
0/-
--
Archeologie
Aanleg en gebruik
0/-
-
-
0/-
--
Cultuurhistorie
Aanleg en gebruik
0/-
-
--
--
--
Omgevingsveiligheid
Aanleg en Gebruik
Geen beoordeling mogelijk
Geen beoordeling mogelijk
Geen beoordeling mogelijk
Geen beoordeling mogelijk
Geen beoordeling mogelijk
Beschermde gebieden
Zichtbaarheid en beleving Ruimtelijke kwaliteit
Archeologie en cultuurhistorie
Omgevingsveiligheid
Op basis van de uitkomsten kan worden gesteld dat alle alternatieven overwegend (licht) negatieve effectbeoordelingen op de verschillende milieuthema’s krijgen ten opzichte van de referentiesituatie. De meest negatieve effectbeoordelingen gelden voor de milieuthema’s ruimtelijke kwaliteit, archeologie en cultuurhistorie. Daarbij geldt dat de meest negatieve effectbeoordelingen op deze thema’s van toepassing zijn bij de alternatieven 3 (zeer laagtemperatuur warmtenet, 4 (luchtwarmtepomp) en 5 (bodemwarmtepomp). Daarnaast scoort alternatief 4 (luchtwarmtepomp) ook negatief vanwege de mogelijke geluidhinder in de gebruiksfase en scoort alternatief 5 (bodemwarmtepomp) negatief op het thema grondwater in de aanlegfase. Richting uitvoering van de warmtetransitie zijn er mitigerende maatregelen mogelijk om de negatieve effecten van deze alternatieven zoveel mogelijk te beperken. In paragraaf 9.2 zijn de mitigerende maatregelen toegelicht. Alternatief 1 Grootschalige middentemperatuur warmtenetten (alternatief 1) leiden tot verstoring van oppervlaktewater door TEO-installaties, aantasting van de ruimtelijke kwaliteit door grootschalige
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
7
Projectgerelateerd
aanlegwerkzaamheden en grote bovengrondse installaties aan de randen van de stad, alsook tot verhoogde druk op de ondergrond en risico's voor de omgevingsveiligheid. Alternatief 2 Decentrale middentemperatuur warmtenetten (alternatief 2) veroorzaken geluidhinder tijdens de aanleg en kunnen grondwaterproblemen met zich meebrengen door de vele ondiepe boringen. Ook de ruimtelijke kwaliteit wordt negatief beïnvloed door verstoringen in de openbare ruimte en de behoefte aan bovengrondse installaties in buurten, terwijl archeologie en cultuurhistorie risico lopen door bodemverstoring. Alternatief 3 Zeer laagtemperatuur warmtenetten (alternatief 3) kennen vergelijkbare knelpunten met betrekking tot geluidshinder, grondwater en aantasting van ruimtelijke kwaliteit, archeologie en cultuurhistorie, met als aanvulling een negatieve score op circulariteit vanwege de korte levensduur van individuele warmtepompen in woningen. Alternatief 4 Bij individuele luchtwarmtepompen (alternatief 4) zijn met name geluidshinder door buitenunits in de gebruiksfase en een forse negatieve impact op de ruimtelijke kwaliteit en cultuurhistorie door de benodigde uitbreiding van het elektriciteitsnet en zichtbare installaties significant. Daarnaast worden beschermde diersoorten verstoord door geluid, trillingen en aantasting van verblijfplaatsen.
Alternatief 5 Tot slot leiden individuele bodemwarmtepompen (alternatief 5) tot zeer negatieve effecten op het grondwater door het grote aantal boringen, een aanzienlijk ondergronds ruimtebeslag met circa 80.000 bodemlussen, en negatieve gevolgen voor archeologie, cultuurhistorie en beschermde soorten door verstoringen tijdens aanleg en aanpassingen aan gebouwen.
Beoordeling per wijktype Historische binnenstad In de historische binnenstad zullen naar verwachting alle onderzochte alternatieven negatieve effecten hebben op meerdere milieuthema’s. De hoge woningdichtheid en de aanwezigheid van vele cultuurhistorische en archeologisch waardevolle elementen leidt tot knelpunten op de thema’s ruimtelijke kwaliteit en archeologie en cultuurhistorie. Nagenoeg alle alternatieven scoren op de milieuthema’s negatief tot zeer negatief. Tuindorp In de tuindorp wijken uit de jaren ’30 worden voor alle alternatieven op meerdere milieuthema’s negatieve effecten verwacht. Deze zijn voor meerdere thema’s overigens minder negatief ingeschat dan voor de historische binnenstad, omdat de woningdichtheid in de tuindorpwijken iets lager ligt en er bredere straten aanwezig zijn.
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
8
Projectgerelateerd
Volkswijk In de volkswijk zullen naar verwachting alle onderzochte alternatieven negatieve effecten hebben op meerdere milieuthema’s. Ook hier hangen deze vooral samen met de grote mate van verharding en hoge woningdichtheid, wat leidt tot een verhoogd risico op cumulatieve effecten voor bijvoorbeeld het thema water. Vooroorlogse woonwijk In de vooroorlogse woonwijken zullen naar verwachting alle onderzochte alternatieven negatieve effecten hebben op meerdere milieuthema’s. Deze effecten zijn minder ingrijpend dan in de historische binnenstad en de volkswijk, doordat de straten hier gemiddeld wat breder zijn en er sprake is van meer ruimtelijke variatie in de bebouwing. Het lage percentage openbare ruimte zorgt echter voor een verhoogde gevoeligheid bij ruimtelijke ingrepen. Naoorlogse woonwijk In naoorlogse woonwijken worden voor alle alternatieven negatieve milieueffecten verwacht, maar deze effecten zijn doorgaans minder negatief dan in oudere, dichter bebouwde wijken zoals de historische binnenstad of volkswijken. Dit komt doordat naoorlogse wijken vaak ruimer opgezet zijn, waardoor sommige milieueffecten zoals geluid minder zwaar uitvallen. Tuinstad laagbouw In tuinstad laagbouw zullen de meeste onderzochte alternatieven (licht) negatieve effecten hebben op meerdere milieuthema’s.
Het effect is echter niet zo groot als bij de andere wijktypen, omdat kenmerken van dit wijktype over het algemeen leiden tot lage milieurisico’s. Tuinstad hoogbouw In tuinstad hoogbouw zullen de meeste onderzochte alternatieven (licht) negatieve effecten hebben op meerdere milieuthema’s. Het effect is echter niet zo groot als bij de andere wijktypen, omdat kenmerken van dit wijktype over het algemeen leiden tot (middel)lage milieurisico’s. De grootste negatieve effecten van de alternatieven (voornamelijk 1, 2 en 3) zijn te verwachten op het grondwater. Hoogbouw In wijktype hoogbouw zullen de meeste onderzochte alternatieven negatieve effecten hebben op meerdere milieuthema’s. Dit heeft te maken met het lage percentage openbare ruimte en relatief hoog percentage verharding. De alternatieven zullen het grootste negatieve effect hebben op de ruimtelijke kwaliteit. Bloemkoolwijk In de bloemkoolwijk zullen de meeste onderzochte alternatieven (licht) negatieve effecten hebben op meerdere milieuthema’s. Het effect is echter niet zo groot als bij de andere wijktypen, omdat kenmerken van dit wijktype over het algemeen leiden tot middelhoge milieurisico’s. De grootste negatieve effecten van de alternatieven zijn te verwachten voor het milieuthema ruimtelijke kwaliteit.
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
9
Projectgerelateerd
Bedrijventerrein In wijktype bedrijventerrein zullen de meeste onderzochte alternatieven (licht) negatieve effecten hebben op meerdere milieuthema’s. Vooral op het thema ruimtelijke kwaliteit zullen er negatieve effecten zijn. Bedrijventerrein Waarderpolder heeft relatief weinig openbare ruimte, waardoor de impact van de alternatieven op zichtbaarheid en beleving negatief uitpakt. In de praktijk kan het overigens zo zijn dat het effect positiever bijgesteld kan worden, omdat het bedrijventerrein ‘slechts’ wordt gebruikt voor bedrijvigheid en niet voor dagelijkse bewoning en recreatie. Dit kan de ervaring van overlast beperken. Villawijk In de villawijk zullen de meeste onderzochte alternatieven (licht) negatieve effecten hebben op meerdere milieuthema’s. Het effect is echter niet zo groot als bij de andere wijktypen, omdat kenmerken van dit wijktype over het algemeen leiden tot lage en middelhoge milieurisico’s. De grootste negatieve effecten van de alternatieven zijn te verwachten voor het milieuthema ruimtelijke kwaliteit. Een nuancering hierop is dat de meeste villawijken beschikken over relatief grote ruimtes om gebouwen heen. In de praktijk kan dit ertoe leiden dat de effectbeoordeling voor ruimtelijke kwaliteit voor de alternatieven 3 en 4 positiever kan worden bijgesteld. In vervolgonderzoek kan dit worden onderzocht.
Vinex wijk In de vinex wijk zullen de meeste onderzochte alternatieven (licht) negatieve effecten hebben op meerdere milieuthema’s. De grootste negatieve effecten van de alternatieven zijn te verwachten voor het milieuthema ruimtelijke kwaliteit, omdat er in dit wijktype relatief weinig openbare ruimte beschikbaar is. Groen In wijktype groen zullen de meeste onderzochte alternatieven (licht) negatieve effecten hebben op meerdere milieuthema’s. Het effect is echter niet zo groot als bij de andere wijktypen, omdat kenmerken van dit wijktype over het algemeen leiden tot lage milieurisico’s. Divers In wijktype divers zullen de meeste onderzochte alternatieven (licht) negatieve effecten hebben op meerdere milieuthema’s. Het effect is echter niet zo groot als bij de andere wijktypen, omdat kenmerken van dit wijktype over het algemeen leiden tot (middel)lage milieurisico’s. Vernieuwd In wijktype vernieuwd zullen de meeste onderzochte alternatieven (licht) negatieve effecten hebben op meerdere milieuthema’s. Het effect is echter niet zo groot als bij de andere wijktypen, omdat kenmerken van dit wijktype over het algemeen leiden tot lage en middelhoge milieurisico’s. De grootste negatieve effecten van de alternatieven zijn te verwachten voor het milieuthema ruimtelijke kwaliteit.
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
10
Projectgerelateerd
Aandachtspunten en mitigerende maatregelen In hoofdstuk 9 zijn de voornaamste aandachtspunten en mitigerende maatregelen per milieuthema genoemd. In de vervolgfase van de warmtetransitie is het nodig de mitigerende maatregelen toe te passen als een milieueffect zich voordoet. Ook is systematische monitoring nodig om te bepalen of milieueffecten zich in de praktijk daadwerkelijk voor (kunnen) doen en hoe/of deze effectief worden gemitigeerd. Meer over monitoring is te lezen in paragraaf 9.4. Hieronder staan de aandachtspunten en mitigerende maatregelen samengevat: Geluidhinder Geluidhinder van alternatieven 1 en 2 is beperkt, maar installaties zoals warmteoverdrachtstations moeten voldoen aan strenge geluidsnormen (max. 40 dB(A) bij gevoelige gebouwen). Voor alternatieven 3 en 4 moet worden gemonitord of buitenunits aan de gemeentelijke geluidsrichtlijnen voldoen; zo nodig zijn maatregelen zoals omkasting of stillere warmtepompen nodig. Straling Bij alternatieven 3, 4 en 5 (uitbreiding elektriciteitsnet) gelden richtlijnen voor magneetvelden. Als deze worden gevolgd, zijn geen negatieve effecten te verwachten. Bodem Geothermie kan de bodemtemperatuur beïnvloeden. In sommige gebieden in Haarlem is sprake van bodemverontreiniging; bij werkzaamheden zijn mitigerende maatregelen verplicht, zoals afdekken of afvoeren van vervuilde grond en werken onder begeleiding.
Oppervlaktewater Alternatieven 1 en 2 kunnen lokaal de temperatuur en ecologie van watergangen beïnvloeden door lozing van koud water of inzuiging van plankton/vislarven. Maatregelen zoals filters en lage inzuigsnelheden zijn wenselijk. Cumulatieve effecten in de stedelijke context moeten worden meegenomen. Grondwater Onttrekking of injectie van grondwater (zoals bij HTO en WKO) kan leiden tot zettingen, paalrot bij oude funderingen, en schade aan natuur of archeologie. Bij bemaling tijdens aanleg is extra aandacht nodig voor deze risico’s. Luchtkwaliteit Alle alternatieven vervangen aardgasinstallaties door (vrijwel) emissieloze technieken, wat de luchtkwaliteit in de stad verbetert. Geen extra maatregelen nodig. Beschermde soorten In Haarlem zijn beschermde soorten (zoals vleermuizen, huismussen, gierzwaluwen) gevoelig voor verstoring bij aanleg en isolatie. Per buurt moeten maatregelen worden genomen, zoals behoud van verblijfplaatsen en planning buiten het broedseizoen. Extra aandacht is nodig bij isolatie naar energielabel B. 22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
11
Projectgerelateerd
Beschermde gebieden Natura 2000- en NNN-gebieden rond Haarlem zijn gevoelig voor verstoring en stikstofdepositie. Effecten verschillen per buurt; bij projecten nabij deze gebieden zijn mogelijk extra onderzoeken en maatregelen nodig. Circulariteit Duurzaam en circulair werken is belangrijk, vooral bij de aanleg van nieuwe warmtenetten. Hergebruik van bestaande netten is nu nog beperkt. Ruimtelijke kwaliteit Alle alternatieven vragen ruimte en kunnen de ruimtelijke kwaliteit beïnvloeden. Een integrale afweging per gebied is nodig. Archeologie en cultuurhistorie Negatieve effecten op archeologische en cultuurhistorische waarden zijn mogelijk, vooral in de binnenstad. Zorgvuldige inpassing is vereist. Omgevingsveiligheid Bij geothermieboringen bestaat risico op gasontsnapping (blow-out). Locatiekeuze en risicoanalyse zijn belangrijk; houd minimaal 100 meter afstand tot kwetsbare gebouwen
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
12
Projectgerelateerd
1
Inleiding
Dit is het planMER dat is opgesteld bij het warmteprogramma van de gemeente Haarlem. Het planMER geeft een overzicht van de mogelijke milieueffecten van de Haarlemse overgang naar een aardgasvrije gemeente; de warmtetransitie. In dit hoofdstuk wordt toegelicht wat een warmteprogramma is en waarom deze wordt opgesteld. Ook wordt toegelicht wat het doel en rol is van de mer-procedure bij het warmteprogramma.
1.1
Het warmteprogramma
Dit jaar krijgt de Haarlemse Transitievisie Warmte (TVW) uit 2021 de geplande update in de vorm van een ‘warmteprogramma’. Hierin beschrijft de gemeente in welke wijken en buurten ze de komende tien jaar aan de slag gaat met het aardgasvrij maken van gebouwen en op welke manier dit wordt gedaan. Hierbij hoort een doorkijk naar warmtevoorziening (dit is een techniek die als duurzaam alternatief dient voor aardgas) voor de hele stad. Zo weten bewoners en ondernemers tijdig waar ze aan toe zijn. Het warmteprogramma bouwt voort op de door de gemeenteraad vastgestelde kaders en uitgangspunten uit de TVW: duurzaamheid, betrouwbaarheid, betaalbaarheid en samen met de stad. Daarnaast wordt met het Warmteprogramma geanticipeerd op de verwachte Wet collectieve warmte (Wcw, de nieuwe warmtewet) en de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw). De gemeente wijst in het warmteprogramma voorgenomen Warmtekavels aan.
1.2
Waarom een warmteprogramma
We zitten midden in een warmtetransitie die niet alleen invloed heeft op de manier waarop we onze gebouwen verwarmen en van warm water voorzien, maar op onze hele leefomgeving. Dat we zo’n grote verandering doormaken, heeft te maken met het snel veranderende klimaat en de wens om de aarde leefbaar te houden voor toekomstige generaties. Daarnaast zijn de gasprijzen nog steeds hoog en is de ontwikkeling van de gasprijs onzeker. Steeds meer huishoudens kunnen hun energierekening niet of nauwelijks betalen. Bovendien willen we niet meer afhankelijk zijn van gas uit het buitenland. Dit alles samen maakt dat we onze gebouwen anders gaan verwarmen. We willen dat huizen goed verwarmd blijven, dat mensen weten waar ze aan toe zijn en dat warmte betaalbaar is. Het warmteprogramma volgens de Wgiw De verplichting van het warmteprogramma wordt beschreven in de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) en het bijbehorende (ontwerpbesluit)-Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw).
Een warmteprogramma als bedoeld in artikel 4.32 van het ontwerpbesluit bevat in ieder geval een overzicht van de locaties waarvoor in het omgevingsplan een warmtetransitiegebied kan worden aangewezen, het aantal gebouwen (uitgedrukt in woningequivalenten) die op die locaties aanwezig zijn en het aantal gebouwen waarin methaangas wordt gebruikt voor milieubelastende activiteiten die op die locaties worden verricht, een overzicht van de toegedachte energie-infrastructuur ter vervanging van de aansluiting op methaangas voor de gebouwen per locatie, een beschrijving van de toegedachte energieinfrastructuur, een beschrijving van de verwachte indicatieve warmtebehoefte van de gebouwen.
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
13
Projectgerelateerd
1.3
Juridische grondslag voor een planMER
Het warmteprogramma wordt een verplicht programma onder de Omgevingswet vanaf januari 2026, het moment dat de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) in werking treedt. Een programma onder de Omgevingswet is mer-plichtig wanneer het programma een kader vormt voor besluiten voor mer-(beoordelings)plichtige projecten (zie ook Omgevingswet artikel 16.36). In het warmteprogramma worden de contouren van bepaalde projecten, zoals de aanleg van warmtenetten, warmtebronnen of andere infrastructuur, al in wezenlijke mate bepaald. Het warmteprogramma voor Haarlem is aan te merken als ‘kaderstellend’ voor later te nemen besluiten over dit soort projecten. Met de term ‘kaderstellend’ wordt kort gezegd bedoeld dat in het programma richtinggevende keuzes worden gemaakt voor toekomstige besluitvorming die nodig is voor de uitvoering warmteprogramma. Bij kaderstelling gaat het met name om regels over ligging, aard, omvang en gebruiksvoorwaarden van projecten; die regels moeten van belang zijn voor mogelijk optredende milieugevolgen.
Voorbeelden van mer-(beoordelings)plichtige projecten waarvoor het kader wordt gesteld • Geothermische boringen (enkel voornemen scanonderzoek) (Categorie B4 Bijlage V Omgevingsbesluit) • Buisleidingen voor stoom of warm water (Categorie J9 Bijlage V Omgevingsbesluit) • Mogelijk ook: Hoogspanningsleidingen (Categorie J8 Bijlage V Omgevingsbesluit) • Mogelijk ook: Werkzaamheden voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater (Categorie K1 Bijlage V Omgevingsbesluit)
Het warmteprogramma beschrijft in welke buurten de gemeente (laagtemperatuur-, middentemperatuur- en hoogtemperatuur-) warmtenetten als duurzame warmtevoorziening ziet (op dezelfde manier als in de eerdere TVW van de gemeente is gedaan). Dat acht de gemeente dermate concreet dat we kunnen spreken van kaderstelling voor te nemen besluiten voor projecten. Voorbeeld van zo’n project is de aanleg van een buisleiding. Hetzelfde geldt als in het warmteprogramma uitspraken worden gedaan over (zoek)locaties voor het realiseren van geothermiebronnen. Daarnaast beschrijft de gemeente in het warmteprogramma in welke gebieden de aanwijsbevoegdheid voor het beëindigen van de levering van aardgas (instrument onder de Wgiw) mogelijk wordt ingezet gedurende de uitvoeringsperiode van dit eerste warmteprogramma. Wanneer de aanwijsbevoegdheid in gang wordt gezet, worden gebouweigenaren verplicht om voor een bepaalde datum van het aardgas af te gaan en over te stappen naar een aardgasvrije warmtevoorziening. Tot slot kan de planMER-plicht ontstaan als bij het warmteprogramma, vanwege mogelijk significant negatieve effecten op Natura 2000-gebied, een passende beoordeling moet worden opgesteld. In de buurt van Haarlem ligt immers het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid. Het warmteprogramma is dus een omgevingsprogramma.
Ervan uitgaande dat het programma kaderstellend is, geldt de verplichting om een planMER op te stellen. Ook is een planMER niet uitgesloten vanwege een mogelijke plicht een passende beoordeling op te stellen.
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
14
Projectgerelateerd
1.4
Doel van de mer-procedure bij het warmteprogramma
Met de milieueffectrapportage (mer) worden de milieueffecten van een plan of project in beeld gebracht, voordat de overheid daar een besluit over neemt. Het doel van de mer-verplichting is om te verzekeren dat de milieubelangen een volwaardige plaats krijgen in de besluitvorming over plannen, programma’s en projecten. Besluiten over activiteiten met ingrijpende gevolgen voor het milieu kunnen pas verantwoord worden genomen als de verwachte milieugevolgen van tevoren goed bekend zijn. Daarom dient te worden verzekerd dat de mogelijke milieugevolgen van voornemens al tijdens de planvorming zo volledig mogelijk in beeld worden gebracht. De onderzoeksresultaten van de mer staan in het milieueffectrapport (MER). In het geval van strategisch onderzoek bij plannen en programma’s wordt gesproken over een ‘planMER’ (een MER, behorend bij een plan of programma, zoals het warmteprogramma). De afkorting “mer” gaat dus over de procedure, terwijl met de afkorting “MER” het uiteindelijke milieueffectrapport wordt bedoeld. Dit is vastgelegd in artikel 16.4 in de Omgevingswet en hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het planMER geeft daarmee al in een vroeg stadium inzicht in de gevolgen en haalbaarheid van projecten, of welke aandachtspunten daarbij in acht genomen moeten worden.
1.5
Rol van de milieueffectrapportage bij het warmteprogramma
De gemeente Haarlem weegt voor alle buurten de mogelijke duurzame alternatieven voor de warmtevoorziening af en kiest een voorkeursoplossing om iedere buurt aardgasvrij te maken. Technisch en financieel onderzoek is hiervoor de basis. Om te komen tot een voorkeur voor een duurzame warmtevoorziening per buurt is gekeken naar laagste kosten en technische haalbaarheid. Om ook de milieueffecten van de warmtevoorziening op de leefomgeving in beeld te brengen, is dit planMER opgesteld. Informatie uit het planMER helpt om de mogelijke milieueffecten van de warmtetransitie in overzicht te brengen, waaronder de impact op luchtkwaliteit, geluid, bodem, water en biodiversiteit. Het planMER maakt de mogelijke risico’s en negatieve effecten inzichtelijk. Waar risico's bestaan op milieueffecten, zijn mitigerende maatregelen nodig om deze te beperken. Deze mitigerende maatregelen neemt de gemeente mee naar de gebiedsgerichte aanpakken, om toe te werken naar een zo optimaal mogelijk ontwerp voor de definitieve warmtevoorziening. De inzichten uit het planMER zijn daarmee ook een integraal onderdeel in de buurtgerichte aanpakken waarbij ontwerpen steeds concreter worden gemaakt. Zo kunnen de risico’s en effecten beter beheerst en gemitigeerd worden, wat bijdraagt aan een duurzamere en verantwoorde uitvoering van het Warmteprogramma.
Naast dat dit planMER beslisinformatie levert voor het warmteprogramma wordt hiermee ook voldaan aan de mer-plicht die geldt omdat er sprake is van kader stellende keuzes. Daarnaast zorgt een planMER voor transparantie in het besluitvormingsproces en biedt het de mogelijkheid voor bewoners en andere stakeholders om te reageren op voorgestelde keuze.
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
15
Projectgerelateerd
1.6
Leeswijzer
Het vervolg van dit rapport gaat verder in op een aantal parallelle processen die plaatsvonden terwijl het voorliggende planMER werd opgesteld. Deze processen hebben geleid tot nieuwe inzichten voor het planMER. In het hoofdstuk is benoemd om welke inzichten het gaat en hoe deze zijn meegenomen. Hoofdstuk 3 bevat meer informatie over het warmteprogramma van de gemeente Haarlem en aspecten die relevant zijn voor dit planMER. In hoofdstuk 4 is de methodiek van dit planMER toegelicht en in hoofdstuk 5 wordt de referentiesituatie van de warmtetransitie in de gemeente Haarlem toegelicht. Hoofdstuk 6 bevat informatie over de alternatieven die in dit planMER worden onderzocht en hoofdstuk 7 bevat informatie over de verschillende wijktypen die in Haarlem voorkomen. Vanaf hoofdstuk 8 volgen de effectbeoordelingen per milieuthema en in hoofdstuk 9 volgen de conclusies van deze beoordelingen in de vorm van de slotbeschouwing. Nadere informatie is te vinden in de bijlage van dit planMER.
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
16
Projectgerelateerd
2
Parallelle processen
Terwijl het voorliggende planMER werd opgesteld speelden een aantal andere processen die tot nieuwe inzichten hebben geleid voor dit planMER. Als eerste werd ook in andere gemeenten een soortgelijke mer-procedure doorlopen en is daar lering uit getrokken voor de gemeente Haarlem. Daarnaast lag de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) bij het voorliggende planMER ter inzage en zijn daarop zienswijzen ingediend die in het planMER zijn verwerkt. In dit hoofdstuk zijn de samenhangende processen toegelicht en is aangegeven tot welke inzichten dit heeft geleid.
2.1
Reacties op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau
Een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) is een plan van aanpak voor een uit te voeren meronderzoek. Het beschrijft wat onderzocht wordt en hoe; het voornemen, alternatieven daarvoor, de milieueffecten en aanpak voor het onderzoek. De NRD voor dit planMER heeft 4 april tot en met 9 mei 2025 ter inzage gelegen, waarbij belanghebbenden schriftelijk hebben kunnen reageren. Op de NRD zijn drie zienswijzen binnengekomen. De reacties zijn ingediend door het Hoogheemraadschap van Rijnland, Provincie Noord-Holland en de Omgevingsdienst IJmond. Er zijn geen zienswijzen binnengekomen vanuit bewoners of ondernemers in de gemeente. Hieronder zijn de binnengekomen zienswijzen toegelicht en is aangegeven hoe met de binnengekomen zienswijzen op de NRD in het planMER rekening is gehouden. Provincie Noord-Holland Zienswijze
Antwoord
De Provincie Noord-Holland geeft aan zich te herkennen in de te onderzoeken thema’s en ziet geen aanvullende thema’s.
Niet van toepassing
Hoogheemraadschap Zienswijze
Antwoord
Het Hoogheemraadschap van Rijnland vraagt of al bekend is wat de potentiële geothermielocaties zijn en of deze in beeld kunnen worden gebracht.
Er zijn zoekgebieden in beeld. Deze locaties zijn beschreven in hoofdstuk 6.1.
Omgevingsdienst IJmond Zienswijze
22 september 2025
Antwoord
BK8237-MI-RP-250906-1154
17
Projectgerelateerd
De Omgevingsdienst IJmond stelt een aantal inhoudelijke vragen ten aanzien van de thema’s geluid, bodem en natuur. •
•
•
•
•
2.2
De Omgevingsdienst vraagt of de warmtetransitie ook effect heeft op klimaatadaptatie en hittestress.
De Omgevingsdienst geeft aan het onderwerp externe veiligheid te missen.
Het lijkt erop dat er niet wordt ingegaan op de cumulatieve geluidseffecten en de hinderbeleving die veroorzaakt (kan) worden door het gebruik van benodigde installaties en warmtepompen. Wordt er getoetst aan de geluid- en trilling grenswaarde uit het Omgevingsplan? Komt er een analyse van/naar bekende bodemverontreinigingen en eventuele effecten daarvan op de haalbaarheid van de alternatieven? Wordt er ook onderzoek gedaan naar de effecten op/instandhouding van populaties van beschermde diersoorten?
De gemeente Haarlem zal in het warmteprogramma bovenal ingaan op het onderwerp 'warmte'. De toekomstige ‘koudevraag’ is geen onderdeel van het warmteprogramma. Bepaalde warmtevoorzieningen bieden echter wel kansen om aan de toenemende koude-vraag te voldoen. In andere beleidsdocumenten speelt koude en tegengaan van hittestress wel een rol, bijvoorbeeld in beleidsstukken met betrekking tot klimaatadaptatie en groen. Het thema externe veiligheid wordt in dit planMER beschouwd voor de warmtebron geothermie. Het voornaamste risico met betrekking tot externe veiligheid is het risico op een blow-out. Dit risico wordt onder externe veiligheid in een projectMER in een later stadium verder onderzocht. Er wordt in dit planMER ingegaan op cumulatieve geluidshinder. Ook wordt ingegaan op hinder door trillingen. Er wordt getoetst aan grenswaarden in het gemeentelijke actieplan. In dit planMER is onderzocht waar bodemverontreiniging te verwachten is en waar mogelijk effecten zijn op de bodem. Er worden niet concreet suggesties gedaan over de haalbaarheid van alternatieven. Er zijn aandachtspunten beschreven. Er is in dit planMER kwalitatief onderzoek gedaan naar de effecten op instandhouding van populaties en beschermde diersoorten.
Samenhang met andere gemeenten
Iedere gemeente in Nederland dient een warmteprogramma op te stellen. Meerdere gemeenten in Nederland zullen in het warmteprogramma ook kaderstellend zijn voor te nemen besluiten over projecten, zoals het aanleggen van warmtenetten. Voor meerdere gemeenten in Nederland geldt daarom dat een planMER moet worden opgesteld. Meerdere gemeenten in Nederland zijn de merprocedure al gestart en een aantal gemeenten hebben het planMER al opgesteld. De eerste
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
18
Projectgerelateerd
gemeente in Nederland die een planMER opstelde bij de warmtetransitie was de gemeente Utrecht. Het planMER werd in mei 2025 gepubliceerd en in juni 2025 voorzien van een advies van de Commissie mer. De conclusie van dit advies was dat het MER ‘’ veel goede en relevante milieu-informatie geeft voor de afweging voor het aardgasvrij maken van de gemeente’’. Desondanks concludeert de Commissie ook dat er nog belangrijke informatie ontbreekt en dat het nodig is om aanvullingen te doen op het gebied van geothermie, ruimtegebruik, geluid en trillingen, drinkwater en cultuurhistorie en archeologie. Ook geeft de Commissie aan dat duidelijk moet worden gemaakt in hoeverre nietwoningen (zoals bedrijfspanden en maatschappelijke panden) worden meegenomen in het planMER en dat de indeling van wijktypen niet aansluit bij de opgave en keuzes in de warmtetransitie. Met dit advies in het achterhoofd, is in samenspraak met de gemeente Haarlem besloten dat de mer bij het Haarlemse warmteprogramma dezelfde methodiek volgt als de mer bij de beleidsnota warmte van de gemeente Utrecht. Dit planMER bevat ook basisinformatie over milieueffecten in de warmtetransitie die in iedere gemeente in Nederland van toepassing is. In het voorliggende planMER zijn ten opzichte van de NRD en op basis van het planMER van Utrecht een aantal aanpassingen gedaan: •
Het planMER richt zich op het vergelijken van alternatieven ten opzichte van de referentiesituatie, maar ook op het vergelijken van alternatieven onderling. Het vergelijken van alternatieven onderling past bij de scope van het warmteprogramma. Immers, in het warmteprogramma zijn op basis van technische en economische analyses keuzes gemaakt over de voorkeursalternatieven in de warmtetransitie. Dit planMER vult deze analyses aan met milieu-informatie over de alternatieven.
•
Bij het opstellen van dit planMER is zoveel mogelijk gebruikgemaakt van bestaande methoden en al beschikbare informatie. Deze informatie is op basis van ‘expert judgement’ gecontroleerd en aangescherpt met lokale data en informatie over de gemeente Haarlem. In hoofdstuk 4 is meer te lezen over de toegepaste methodiek.
•
De indeling van wijktypen op basis van de Klimaateffectlas is toegepast als basis voor de indeling. De wijktypen zijn aangevuld met lokale kenmerken, zoals energielabels, bouwjaar, bouwtype, gebouwdichtheid op basis van woningequivalenten. Op deze manier is zoveel mogelijk aangesloten bij warmtetransitie relevante onderwerpen, maar is ook aangesloten bij voor milieuthema’s relevante (geografische) onderwerpen die door de Klimaateffectatlas al zijn onderzocht.
•
Er is, anders dan in de NRD beschreven, geen kwantitatief geluidsonderzoek uitgevoerd. Wel is gebruik gemaakt van eerder uitgevoerd geluidsonderzoek naar warmtepompen door Haskoning, is verwezen naar andere onderzoeksresultaten en is semi-kwantitatief onderzoek gedaan naar risico op geluidsoverlast aan de hand van weglengte, straatbreedte en woningequivalenten.
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
19
Projectgerelateerd
Anders dan in de NRD beschreven is ook geen kwantitatief onderzoek gedaan naar totale circulaire materialen en totaal materiaalgebruik. Dit omdat detailinformatie over ontwerpen nog onbekend is. De in dit planMER gehanteerde aanpak sluit aan bij het uitwerkingsniveau van het warmteprogramma. •
Er zijn in het warmteprogramma nog geen detailontwerpen bekend. Wel zijn er voor een aantal warmtebronnen, namelijk geothermie, datathermie, thermische energie uit lucht en aquathermie, zoekgebieden gedefinieerd. In dit planMER zijn deze zoekgebieden nader onderzocht als onderdeel van een analyse naar lokale aandachtspunten. Specifiek voor geothermie is omgevingsveiligheid als milieuthema toegevoegd.
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
20
Projectgerelateerd
3
Scope warmteprogramma gemeente Haarlem
Het warmteprogramma gaat over het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving: woningen, kantoren, bedrijfsgebouwen en maatschappelijk vastgoed. Het warmteprogramma gaat niet over het verduurzamen van de mobiliteit, landbouw of industrie. Verder zijn er onderwerpen die samenhangen met, of randvoorwaardelijk zijn voor, het warmteprogramma, maar in het planMER beperkt of niet aan bod komen. In dit hoofdstuk wordt de scope van het warmteprogramma nader toegelicht.
3.1
Een warmteprogramma
Zoals eerder toegelicht moeten alle woningen in Haarlem op termijn van het aardgas af. De gemeente heeft bij het aardgasvrij maken van de stad de regierol van de rijksoverheid gekregen. Elke gemeente is verplicht om uiterlijk 31 december 2026 een warmteprogramma te hebben vastgesteld. In het warmteprogramma beschrijft een gemeente welke aanpak de komende tien jaar wordt gevolgd voor het aardgasvrij maken van wijken en buurten. Hiermee worden de ambitie, uitgangspunten en instrumenten voor deze transitie weergegeven. Het warmteprogramma bouwt voort op de TVW die is vastgesteld in 2021. Het warmteprogramma bestaat op hoofdlijnen uit • Een overzicht van de energie-infrastructuur die ter vervanging van aardgas wordt ingezet en een indicatie van de kosten (het WAT); • Locaties waar de gemeente de komende 5 jaar aan de slag gaat (het WANNEER); • De aanpak voor deze geselecteerde gebieden (het HOE).
3.2
Warmtevoorziening
Hoe de gemeente aardgasvrij wordt, verschilt per buurt. De gemeente onderzoekt vijf warmtevoorzieningen die voor Haarlem voor de hand liggen om op in te zetten. Een warmtevoorziening is een techniek die als duurzaam alternatief voor aardgas dient. De gemeente onderzoekt de volgende warmtevoorzieningen: 1. 2. 3. 4. 5.
Grootschalig middentemperatuur (MT) warmtenet. Decentraal middentemperatuur (MT) warmtenet. Zeer laagtemperatuur (ZLT) warmtenet. Individuele luchtwarmtepomp Individuele bodemwarmtepomp.
Naast een goed geïsoleerd gebouw is een alternatief voor de aardgasgestookte cv-ketel nodig. Voor sommige buurten zijn individuele warmtevoorzieningen, zoals een warmtepomp, hiervoor het beste alternatief. In andere buurten heeft een collectieve warmtevoorzieningen, zoals een warmtenet meer voordelen. In het warmteprogramma wordt – daar waar mogelijk – een voorkeursvoorziening naar aardgasvrij per buurt opgenomen. Deze wordt met een kaart opgenomen in het warmteprogramma. De 22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
21
Projectgerelateerd
voorlopige voorkeursvoorziening op deze kaart is tot stand gekomen op basis van technische en financiële analyses.
3.3
Waar het planMER niet over gaat
Er zijn een aantal onderwerpen en technieken die in het PlanMER niet worden uitgewerkt. Het gaat om netcongestie, koude en hernieuwbare gassen. Hieronder volgt een toelichting. Netcongestie In Nederland en ook in Haarlem hebben we te maken met netcongestie. Netcongestie houdt in dat er meer elektriciteit wordt opgewekt of gevraagd dan het elektriciteitsnet aankan, wat leidt tot overbelasting. Een mer-procedure is gericht op het beoordelen van milieueffecten, of breder gezegd leefomgevingseffecten. Rekening houden met netcongestie is een randvoorwaarde voor het warmteprogramma, maar wordt niet gezien als een milieu- of leefomgevingseffect dat het gevolg is van het programma zelf. Daarom stuurt het warmteprogramma juist aan op netbewust programmeren en netbewuste systemen. Netcongestie wordt om die reden niet als zelfstandig thema meegenomen in het beoordelingskader van het planMER. Wel wordt, zo nodig, in het planMER rekening gehouden met een scenario waarin onvoldoende netcapaciteit beschikbaar is om de aanleg van (elektrische) warmtevoorzieningen uit te voeren. De mogelijke netuitbreiding is meegenomen in de verschillende alternatieven en de beoordeling daarvan. Ook is straling als milieuthema meegenomen in verband met de nodige netverzwaring.
In het geval netverzwaring nodig is zal gebruik moeten worden gemaakt van fossiel aangedreven materieel, wat kan leiden tot extra emissies naar de lucht. Dit wordt niet meegenomen in dit planMER, maar wordt onderzocht bij netverzwaringsprojecten. Voor dit planMER wordt ervan uitgegaan dat netverzwaring wordt gerealiseerd alsook een duurzame warmtevoorziening. Koude en hitte De gemeente Haarlem zal in het warmteprogramma bovenal ingaan op het onderwerp 'warmte'. De toekomstige koude vraag is geen onderdeel van het warmteprogramma. Bepaalde warmtevoorzieningen bieden echter wel kansen om aan de toenemende 'koude'-vraag te voldoen. In het planMER zal op kwalitatieve wijze stil worden gestaan bij ‘koude’. Ook in andere beleidsdocumenten speelt koude en tegengaan van hittestress een rol, bijvoorbeeld in beleidsstukken met betrekking tot klimaatadaptatie en groen. Hernieuwbare gassen Hernieuwbare gassen zijn gassen zoals groen gas of waterstof. Deze zullen op de middellange termijn echter geen rol spelen in de verwarming van de gebouwde omgeving. Vanwege de verwachte schaarste en hoge prijzen zullen deze hoogstens een optie zijn voor de piekvoorziening van warmtenetten en bedrijven (voor proceswarmte).
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
22
Projectgerelateerd
4
Methodiek van het planMER
Het milieuonderzoek wordt uitgevoerd aan de hand van twee stappen. Iedere stap bestaat uit meerdere onderdelen. In dit hoofdstuk is de methodiek per stap toegelicht. Ook is in dit hoofdstuk de opbouw van de onderzoeken en de manier van beoordelen van de milieueffecten in het toegelicht.
4.1
Onderzoeksmethode
Het doel van het planMER is om inzichtelijk te maken welke milieueffecten ontstaan bij het toepassen van een bepaalde warmtevoorziening in de gemeente Haarlem. De aanpak van de milieuonderzoeken sluit aan bij het abstractieniveau van het warmteprogramma. Per milieuthema zijn analyses gedaan naar mogelijk milieueffecten op basis van onder andere literatuuronderzoek, (openbare) geografische data en ‘expert judgement’. De analyses zijn veelal kwalitatief en zijn kwantitatief waar dat mogelijk is. De wijze waarop de analyses zijn uitgevoerd is per milieuthema aangegeven in de navolgende paragrafen in dit hoofdstuk. Figuur 4-1 laat de verschillende onderzoekstappen zien die tijdens het opstellen van dit planMER zijn uitgevoerd. Hierna is van iedere stap een nadere toelichting gegeven.
STAP 1
STAP 2
Referentiesituatie
Beschrijving alternatieven
Kenmerken wijktypen
Generieke effectbeoordeling per alternatief
Effectbeoordeling rekening houdend met wijktypen
Locatie specifieke aandachtspunten
Figuur 4-1: Onderzoeksmethode
4.1.1
De eerste stap
Referentiesituatie Als eerste stap is de referentiesituatie wat betreft de warmtetransitie bepaald. De referentiesituatie is de huidige situatie inclusief autonome ontwikkelingen. Ook is de referentiesituatie voor elk milieuthema uitgewerkt. De referentiesituatie wat betreft de warmtetransitie is terug te lezen in hoofdstuk 5. De referentiesituatie per milieuthema is uitgewerkt in hoofdstuk 8.
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
23
Projectgerelateerd
Beschrijving alternatieven In het planMER worden meerdere alternatieven voor het warmteprogramma naast elkaar onderzocht en met elkaar vergeleken. Alternatieven zijn alternatieve mogelijke uitwerkingen van keuzes in het programma, waarmee onderzocht kan worden of bepaalde keuzes (milieu-) vooren/of nadelen hebben. Een alternatief is realistisch als het technisch haalbaar, betaalbaar en vergunbaar is en als het een invulling geeft aan de doelstelling van het programma. Door meerdere mogelijke alternatieven te onderzoeken in het planMER wordt het plan of programma zorgvuldig afgewogen. Het onderzoeken van alternatieven is een essentieel onderdeel van de mer-procedure. Definiëren van wijktypen De gemeente Haarlem telt in totaal 111 buurten. Idealiter worden de milieueffecten van al deze buurten individueel onderzocht, maar dit is tijdrovend en kan in een latere fase van de warmtetransitie nader worden beschouwd. Daarom wordt in dit planMER onderzoek gedaan naar ‘wijktypen’; een bundeling van buurten op basis van vergelijkbare kenmerken. In dit planMER is in hoofdstuk 7 terug te lezen welke wijktypen in de gemeente Haarlem zijn onderscheiden.
4.1.2
De tweede stap
Generieke effectbeoordeling per alternatief Na het bepalen van de referentiesituatie voor elk thema, zijn de generieke milieueffecten in overzicht gebracht. Met generieke milieueffecten worden de algemene milieueffecten van de alternatieven bedoeld die bij een alternatief altijd voorkomen, los van het zoekgebied of een specifieke locatie. De generieke effectbeoordeling is op een hoog abstractieniveau gebeurd. Er zijn immers in het warmteprogramma geen ontwerpen of detailuitwerking per gebied beschikbaar, alleen een voorkeursoplossing, eventueel in combinatie met een potentiële warmtebron. De analyse is een kwalitatieve beoordeling op basis van ‘expert judgement’, bestaande informatie over milieueffecten van alternatieven. Waar nodig zijn de effectbeoordelingen ondersteund met indicatieve berekeningen. Beoordeling per wijktype De impact van warmtevoorzieningen naar aardgasvrij verschilt per buurt. De gemeente Haarlem telt in totaal 111 buurten. Gezien het detailniveau van een warmteprogramma wordt in dit planMER onderzoek gedaan naar ‘wijktypen’; een bundeling van buurten op basis van vergelijkbare kenmerken. In de uitvoering van het Warmteprogramma kunnen, waar nodig, milieueffecten nader worden onderzocht voor specifieke buurten (onderdeel van het opstellen van Uitvoeringsplannen). Dit resulteert in een beoordeling per milieuthema, per alternatief en per wijktype.
Daarbij is onderscheid gemaakt in de aanleg- en gebruiksfase. Voor alle wijktypen in Haarlem zijn aan de hand van een GIS-analyse de unieke kenmerken van de wijktypen inzichtelijk gemaakt. Het gaat hierbij om kenmerken zoals de gemiddelde breedte van 22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
24
Projectgerelateerd
straten per wijktype, gemiddeld percentage groen, verharding en openbare ruimte per wijktype, gemiddelde weglengte per wijktype en gemiddelde woningequivalent (WEQ) per hectare per wijktype. Op basis van deze kenmerken van wijktypen zijn bepaalde aannames gedaan over de mogelijke milieueffecten. Op buurtniveau kunnen de gemiddelde kenmerken afwijken. In het kader hieronder is samengevat wat de aannames zijn. In hoofdstuk 7 is meer te lezen over de kenmerken van wijktypen. Aannames milieueffecten op basis van gemiddelde kenmerken wijktypen • Hoe smaller de gemiddelde straatbreedte, hoe hoger de kans is op negatieve effecten (geluid, bodem, ruimtelijke kwaliteit, drinkwater) voor aanleg van een warmtenet. • Hoe dichter gebouwen gemiddeld op elkaar staan en hoe hoger het aantal WEQ’s, hoe groter de kans op negatieve effecten (geluid, bodem, circulariteit, grondwater). • Hoe meer openbare ruimte, hoe minder kans op negatieve effecten (ruimtelijke kwaliteit, geluid).