1 Bouwstenen warmteprogramma
Tekst van het document
Informatienota
Onderwerp Bouwstenen warmteprogramma Nummer Portefeuillehouder Programma/beleidsveld Afdeling Auteur Telefoonnummer Email Kernboodschap
2024/2078761 Berkhout, R.A.H. 5.2 Energie ECDW Jongh, I. de idejongh@haarlem.nl Dit jaar krijgt de Transitievisie Warmte (TVW) uit 2021 de geplande update in de vorm van een warmteprogramma. Hierin beschrijft de gemeente in welke wijken en buurten ze de komende 10 jaar aan de slag gaat met het aardgasvrij maken en op welke manier, met een doorkijk naar warmteoplossingen voor de hele stad. Zo weten bewoners en ondernemers tijdig waar ze aan toe zijn. Het warmteprogramma bouwt voort op de door de raad vastgestelde kaders en uitgangspunten uit de TVW: duurzaamheid, betrouwbaarheid, betaalbaarheid en samen met de stad. Daarnaast wordt met het warmteprogramma geanticipeerd op de verwachte Wet collectieve warmte (WCW, de nieuwe warmtewet) en de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (WGIW). Ook wordt gebruik gemaakt van de sinds 2021 opgedane ervaringen, ervaringen van andere gemeentes en de expertise van adviesbureaus.
In het warmteprogramma worden de volgende bouwstenen verder uitgewerkt: 1) Schaalgrootte warmtegebieden, 2) Keuze warmtebedrijf 3) Financieringsstrategie 4) Afwegingskader voor de keuze van de warmteoplossing ter vervanging van aardgas 5) voornemen tot inzet van de aanwijsbevoegdheid Met deze Informatienota Bouwstenen warmteprogramma wil het college haar voorkeuren op enkele te maken keuzes in het warmteprogramma bespreken met de raad, zodat deze bij de uitwerking kunnen worden meegenomen.
Behandelvoorstel voor commissie
Het college stuurt de Informatienota 'Bouwstenen warmtetransitie’ ter bespreking naar de commissie Beheer.
Kenmerk: 2024/2078761
1/15
Relevante eerdere besluiten
-
Besluit college d.d. 28 januari 2025
Informatienota Besluitvorming warmtetransitie 2025 , collegevergadering van 17 december 2024 (2024/2067186) Transitievisie Warmte, raadsvergadering van 1 juli 2021 (2021/254262); Uitvoeringsagenda Haarlemse Transitievisie Warmte, collegevergadering van 21 april 2023 ((2023/405029); Gewijzigde oprichting publiek Warmtebedrijf Haarlem (2024/1954586), collegevergadering van 21 januari 2025 Oprichting Haarlems warmtenetwerkbedrijf (HWN), collegevergadering van 25 mei 2021 ((2021/281537);
1. het college stelt de informatienota aan de commissie vast. de secretaris,
Kenmerk: 2024/2078761
de burgemeester,
2/15
1. Inleiding Van Transitievisie warmte (TVW) naar warmteprogramma Haarlem heeft de ambitie om in 2040 aardgasvrij te zijn. De gemeente heeft bij het aardgasvrij maken van de stad de regierol van de rijksoverheid gekregen. Elke gemeente is verplicht om uiterlijk 31 december 2026 een warmteprogramma te hebben vastgesteld. In het warmteprogramma beschrijft een gemeente welke aanpak de komende 10 jaar wordt gevolgd voor het aardgasvrij maken van wijken en buurten. Hiermee worden de ambitie, uitgangspunten en instrumenten voor deze transitie weergegeven. Het warmteprogramma bouwt voort op de Transitievisie warmte (TVW) die is vastgesteld in 2021. Waar staan we nu Het warmteprogramma bouwt voort op de vigerende TVW. In de huidige TVW staan 4 centrale uitgangspunten t.a.v. duurzaamheid, betrouwbaarheid, betaalbaarheid en samen met de stad. In de TVW staan ook acht leidende principes t.a.v. 1) bundeling van de vraag, 2) initiatieven van bewoners, 3) natuurlijke transitiemomenten, 4) nabijheid infrastructuur, 5) basisisolatie aanwezig, 6) werk met werk maken, 7) betaalbare oplossingen binnen handbereik en 8) beoogde einddatum 2040. De uitgangspunten en leidende principes van de TVW uit 2021 worden overgenomen bij het uitwerken van het warmteprogramma. Met de TVW is ook een Bronnenstrategie door de Raad vastgesteld.
Deze bronnenstrategie is eveneens uitgangspunt voor het warmteprogramma. Sinds de TVW 2021 zijn netcapaciteit, nieuwe wetgeving en beschikbaarheid van gas belangrijker aspecten waarmee bij het opstellen van het warmteprogramma rekening moet worden gehouden. Netcapaciteit; De verschillende warmteoplossingen vragen ieder een andere capaciteit van het elektriciteitsnet: zo heeft een warmtenet een lagere belasting van het net dan heel veel individuele all electric warmtepompen. De mogelijke warmteoplossingen zijn hiermee mede-afhankelijk van de beschikbare netcapaciteit en het tempo van netverzwaring. Ook leiden verschillende warmteoplossingen en -brontypes tot een ander ruimtebeslag binnen en buiten het gebied. Gezamenlijk integraal programmeren met netbeheerders is cruciaal om te borgen dat uitvoeringsplannen ook qua netcapaciteit haalbaar en uitvoerbaar zijn. Ook streeft de gemeente met partners naar het voorkomen van desinvesteringen in gasleidingen. Door gezamenlijk te programmeren kan groot onderhoud of vervanging van gasleidingen worden voorkomen in gebieden die binnen 10 jaar waarschijnlijk van het aardgas af gaan. Nieuwe wetgeving De Wet Collectieve Warmte (Wcw) die naar verwachting 1 januari 2026 in werking treedt, regelt dat warmtebedrijven voor meer dan 50% in publieke handen moeten zijn.
Deze publieke warmtebedrijven mogen ook de gehele ‘warmteketen’ uitvoeren: van warmtebron, netwerk en eindlevering naar de klant. Hierdoor ontstaan publieke integrale warmtebedrijven. Door het publieke
Kenmerk: 2024/2078761
3/15
karakter kunnen andere eisen aan rendementen en daarmee betaalbaarheid worden gesteld. De Wet Gemeentelijk Instrumenten Warmtetransitie (Wgiw), ook met een verwachte inwerkingtreding op 1 januari 2026, schrijft voor dat voor elke buurt de voorkeurs warmteoplossing op basis van laagste maatschappelijke kosten en laagste eindgebruikerskosten in beeld wordt gebracht. Ook maakt de Wgiw het voor gemeenten mogelijk om gebieden aan te wijzen waar de levering van aardgas wordt beëindigd. Deze zgn. aanwijsbevoegdheid is met tal van waarborgen omkleedt en kent een zorgplicht voor gemeenten. Beide wetten worden in de tekst verder toegelicht. Beschikbaarheid van (groen) gas In de TVW 2021 zat een beperkte toepassing van (groen) gas nog in de bronnenstrategie. Omdat de toekomstige beschikbaarheid meer onzeker is geworden is geadviseerd om bij de actualisatie het voornemen voor inzetten van (groen) gas waar mogelijk te wijzigen in een andere duurzame bron. Het college gaat het advies van het Rijk opvolgen en voert nader onderzoek uit naar alternatieve warmteoplossingen voor met name het historische centrum.
2. Kernboodschap Dit jaar krijgt de Transitievisie Warmte (TVW) uit 2021 de geplande update in de vorm van een warmteprogramma. Hierin beschrijft de gemeente in welke wijken en buurten ze de komende 10 jaar aan de slag gaat met het aardgasvrij maken en op welke manier, met een doorkijk naar warmteoplossingen voor de hele stad. Zo weten bewoners en ondernemers tijdig waar ze aan toe zijn. Het warmteprogramma bouwt voort op de door de raad vastgestelde kaders en uitgangspunten uit de TVW: duurzaamheid, betrouwbaarheid, betaalbaarheid en samen met de stad. Daarnaast wordt met het warmteprogramma geanticipeerd op de verwachte Wet collectieve warmte (WCW, de nieuwe warmtewet) en de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (WGIW). Ook wordt gebruik gemaakt van de sinds 2021 opgedane ervaringen, ervaringen van andere gemeentes en de expertise van adviesbureaus. In het warmteprogramma worden de volgende bouwstenen verder uitgewerkt: a. schaalgrootte warmtegebieden b. keuze warmtebedrijf c. financieringsstrategie d. afwegingskader voor de keuze van de warmteoplossing ter vervanging van aardgas e. voornemen tot inzetten van de aanwijsbevoegdheid
Kenmerk: 2024/2078761
4/15
Met deze Informatienota Bouwstenen warmteprogramma wil het college haar voorkeuren op enkele te maken keuzes in het warmteprogramma bespreken met de raad, zodat deze bij de uitwerking kunnen worden meegenomen. 3. De bouwstenen voor het warmteprogramma De voorgenomen bouwstenen voor het uitwerken van het warmteprogramma zijn: a. schaalgrootte warmtegebieden b. keuze warmtebedrijf c. financieringsstrategie d. afwegingskader voor de keuze van de warmteoplossing ter vervanging van aardgas e. voornemen tot inzetten van de aanwijsbevoegdheid Het college is tot keuzes gekomen op basis van de uitgangspunten en de leidende principes uit de TVW. De beoogde bouwstenen worden hieronder uitgewerkt. a. Schaalgrootte warmtegebieden De gemeente geeft vanuit haar regierol in het warmteprogramma de gebieden in de stad aan waar publieke warmtenetten worden ontwikkeld (en waar vooralsnog niet). Het college stelt op basis van de kansrijke ‘warmtenetgebieden’ één groot warmtekavel samen en stelt dat met het warmteprogramma vast. Ramplaankwartier en de Waarderpolder vormen hierop een uitzondering. De ontwikkelzones binnen de warmtekavel worden na de inwerkingtreding van de WcW onderdeel van de warmtekavel. Toelichting: Een warmtekavel is in de toekomstige Wet Collectieve Warmte (WCW) omschreven als 'een aaneengesloten gebied waarvoor een warmtebedrijf is of kan worden aangewezen'.
Daarmee kan het college bepalen of, waar en wanneer in haar gemeente wordt gekozen voor een warmtenet. Voor een warmtekavel moet onder de WCW een publiek warmtebedrijf worden aangewezen. Het warmtebedrijf maakt een kavelplan, ontwerp, fasering en bronnenplan. Er zijn 2 opties mogelijk: - Een groot warmtekavel in één keer vaststellen en na de aanwijzing van een warmtebedrijf per deelgebied een gedetailleerd plan uitwerken. Dit heeft de voorkeur van het college. - Het alternatief is het vaststellen van een kleine warmtekavel of meerdere kleine kavels en dit telkens met een deelgebied uitbreiden. Om de schaalvoordelen en optimale uitrolvolgorde te kunnen bereiken, wil het college alle geschikte gebieden in de stad tot één warmtekavel bundelen. Eén groot warmtekavel en dus één warmtebedrijf heeft grote voordelen. Voor het Warmtebedrijf, voor de gemeente en voor de inwoners van Haarlem.
Kenmerk: 2024/2078761
5/15
Voordeel voor het warmtebedrijf, want het warmtebedrijf kan efficiënt werken: Het publieke warmtebedrijf • Heeft schaalvoordeel bij het ontwikkelen van de kavel • Krijgt investeringszekerheid voor een langere termijn • Kan een kavelplan voor het gehele gebied opstellen en zelf beoordelen welke ‘uitrolvolgorde’ economisch het meest gunstig is • Kan aansluiten bij de renovatieplannen van de woningcorporaties, de plannen van Liander (verzwaring elektranet) en groot onderhoud van de gemeente in het hele gebied • Kan per project (deelgebied) in het warmtenet gebied een businesscase opstellen Voordeel voor de gemeente en de inwoners: Naast de voordelen voor het warmtebedrijf zet het college met het toewijzen van alle warmtenetaansluitingen aan één bedrijf in op het realiseren van maximale betaalbaarheid voor alle bewoners in de warmtekavel. Ook kunnen grootschalige duurzame bronnen worden ontwikkeld: zo is bijvoorbeeld geothermie een zeer duurzame en goedkope bron bij een minimum van ca. 8.000 aansluitingen.
• Eén partner om mee samen te werken, minder afstemming en betere sturing op uitvoering • Beste mogelijkheid om maximale betaalbaarheid te realiseren voor alle bewoners in de warmtekavel • Geen verschillen in tarieven tussen warmtekavels • Grootschalige duurzame bronnen kunnen worden ontwikkeld: zo is bijvoorbeeld geothermie een zeer duurzame en goedkope bron bij een minimum van ca. 8.000 aansluitingen De voordelen van een grootschalige kavelstructuur worden nog eens in kaart gebracht door het adviesbureau Fakton (bijlage 4). Deze voordelen wegen op tegen de risico’s van het toewijzen van de gehele warmtekavel aan één warmtebedrijf. Hierbij speelt met name • de vraag of meerdere partijen door extra uitvoeringskracht kunnen zorgen voor versnelling van de uitrol van warmtenetten . Meerdere partijen zullen daarbij een beroep moeten doen op dezelfde uitvoeringscapaciteit in de markt. • gebrek aan concurrentie is, gezien de toewijzing van warmtenetgebieden door een aanwijsprocedure, geen overweging.
b. keuze warmtebedrijf Voor het ontwikkelen van het ene grote warmtekavel en het aansluiten van de woningen wordt één warmtebedrijf aangewezen. Het college overweegt hiervoor het Warmtebedrijf Haarlem (WBHa) te kiezen. Toelichting Bij de aanwijzing van een publiek warmtebedrijf kan Haarlem kiezen uit twee varianten, namelijk:
Kenmerk: 2024/2078761
6/15
-
-
Het publieke Warmtebedrijf Haarlem, waarin de gemeente voor 50% aandeelhouder is. De overige 50% van de aandelen is in handen van Firan, het dochterbedrijf van Alliander. Het Warmtebedrijf Haarlem ontwikkelt momenteel het warmtenet in Meerwijk. Deze optie heeft de voorkeur van het college. Het publieke warmtebedrijf HVC. Dit warmtebedrijf is onderdeel van de HVC groep. Gemeente Haarlem is, door de overeenkomst over afvalverwerking, een van de 50 aandeelhouders van het moederbedrijf HVC, maar heeft geen aandeel in de mogelijke ontwikkeling van warmtenetten binnen het Haarlems warmtekavel.
Het college overweegt de warmtekavel toe te wijzen aan het Warmtebedrijf Haarlem. Het college heeft met instemming van de raad in 2021 besloten tot de oprichting van het Haarlems netwerkbedrijf. Het bedrijf is actief in de ontwikkeling van het eerste cluster van het warmtenet in Schalkwijk. Dit cluster wordt aangelegd in Meerwijk. Vooruitlopend op de WCW krijgt dit bedrijf de rol van integraal warmtebedrijf. De statuten worden hierop aangepast. Het college heeft hiervoor het voorstel ‘Gewijzigde oprichting publiek Warmtebedrijf Haarlem (2024/1954586) voor zienswijze aan de commissie bestuur gestuurd. Bij de keuze voor een warmtebedrijf voor de stad speelt een aantal overwegingen. Zo is de mate van directe sturing die de gemeente heeft verschillend tussen HVC en WBHa. Bij HVC is deze sturing mogelijk vanuit de ‘reguliere’ gemeentelijke regierol. Bij WBHa kan de gemeente beter sturen op ruimtelijke inpassing, tariefstelling en indexering, afstemming met groot onderhoud en de agenda van de corporaties, met name door de (veel) grotere aandeelhoudersrol. Dit geldt ook bij het werken aan draagvlak in de stad en de koppeling aan de gemeentelijke inspanningen ten aanzien van isoleren van de woningvoorraad in een integraal aanbod. Ten slotte werkt het college al geruime tijd aan de ontwikkeling van het warmtenet in Meerwijk en Schalkwijk.
Voor de uitrol van het warmtenet in de gehele wijk Schalkwijk werd in 2018 al een samenwerkingsovereenkomst gesloten. De besluitvorming rondom de oprichting van het Warmtebedrijf Haarlem (WBHa, toen nog Warmte Netwerkbedrijf Haarlem WNHa) werd in 2020 en 2021 doorlopen) Op dit moment laat de minister een verkenning uitvoeren naar de uitvoeringskracht van warmtebedrijven (Kamerbrief over verkenner warmtebedrijven | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl). Het college volgt deze, en andere, landelijke ontwikkelingen nauwlettend en zal de uitkomsten ervan betrekken bij het warmteprogramma.
Kenmerk: 2024/2078761
7/15
c. financieringsstrategie Bij de realisatie van warmtenetten ontstaat een aantal complexe financiële vragen. De gemeente ontwikkelt in de uitwerking van het warmteprogramma een financiële strategie op de volgende onderwerpen: 1. De gemeente doet als aandeelhouder van het warmtebedrijf een (renderende) investering in de ontwikkeling en aanleg van warmtenetten. Dat doen we door een aandelenstorting in het warmtebedrijf. 2. Mogelijk moet de gemeente bij een onderhoudsproject in de stad anticiperen op een toekomstig distributienet. Dan moet worden afgewogen of alvast een transportleiding met het onderhoudsproject wordt aangelegd. Voor dit type investeringen worden nog criteria opgesteld. 3. Mogelijk ontstaat de behoefte aan een voorziening voor de extra kosten die moeten worden gemaakt voor het verleggen van kabels en leidingen, of het vervroegd afschrijven van rioleringen voor de aanleg van warmtenetten. Deze kosten zijn mogelijk niet renderend. 4. We onderzoeken de noodzaak van financiële waarborgen om de haalbaarheid van (deel)projecten te vergroten. Zo kan het college bijvoorbeeld garantstellingen afgeven aan het warmtebedrijf, voorafgaand aan het door het rijk in te stellen waarborgfonds. Toelichting: Voor de ontwikkeling van warmtenetten is de betaalbaarheid voor bewoners en financiële haalbaarheid van doorslaggevend belang.
Middelen van het Rijk en van de gemeente zijn hiervoor nodig. In het warmteprogramma zal de mate van renderend en/of niet renderend investeren nader worden uitgewerkt. Investering in de ontwikkeling en aanleg van warmtenetten Het warmtebedrijf ontwikkelt en realiseert warmtenetten en neemt deze vervolgens minimaal 30 jaar in exploitatie. De investeringen van het bedrijf worden in ieder geval binnen deze periode, maar naar verwachting eerder, terugverdiend. De aandeelhouders van het warmtenet maken een rendement. Dit rendement wordt gebruikt om de kosten en risico’s af te dekken. Wanneer het rendement hoger is dan benodigd voor een publiek bedrijf wordt dit ofwel gebruikt om de tarieven te verlagen, ofwel voor de verdere realisatie van warmtenetten in de stad. De omvang van de investering (kapitaalstorting) die de gemeente maakt als aandeelhouder bedraagt maximaal 15 % van het benodigde kapitaal van het warmtebedrijf1. De kapitaalstorting heeft geen invloed op de beschikbare financiële ruimte voor andere investeringen, omdat de baten en lasten per saldo nihil of positief zijn door het rendement van het warmtebedrijf. Mogelijk zijn groot onderhoud projecten aanleiding om alvast vooruitlopend op een toekomstig warmtenet een transportleiding aan te leggen.
1 het kapitaal van het warmtebedrijf bestaat voor maximaal 30% uit eigen vermogen. Hiervan brengt de gemeente de helft
(15%) in. De rest van het vermogen bestaat uit vreemd vermogen (geleend geld).
Kenmerk: 2024/2078761
8/15
Verleggen van kabels en leidingen of vervroegd afschrijven van riolering Wanneer een project daadwerkelijk tot uitvoering komt, moeten voor de aanleg van het warmtenet mogelijk rioleringen of kabels en leidingen worden verlegd. Deze moeten dan vervroegd worden afgeschreven. Deze kosten zijn niet rendabel te maken en moeten worden gedekt door het warmtebedrijf of gemeente. Subsidiëren en garantstellen Een warmtenet is een monopolie. Om de negatieve effecten hiervan te bestrijden zet het college zich in om door de hele stad eenduidige tarieven voor warmte te hanteren. Ook voor de indexering van de tarieven en de aansluitkosten voor bewoners is de inzet één eenduidig systeem. Omdat de aanleg van warmtenetten in sommige wijken duurder zal zijn dan in andere, ontstaat per project al dan niet een tekort (onrendabele top). Het college verkent de mogelijkheid voor een voorziening om tezamen met andere partijen (rijk, warmtebedrijf) de voorwaarden voor alle wijken gelijk te trekken. Het rijk richt een waarborgfonds in voor warmtenetten. Doordat dit fonds een aantal belangrijke risico’s van projecten kan overnemen, worden de rentepercentages onder de leningen van het warmtebedrijf lager. Vooruitlopend op dit waarborgfonds kunnen middels collegebesluiten mogelijk nog garanties worden verstrekt.
d. Afwegingskader voor de keuze voor de infrastructuur ter vervanging van aardgas In de Wgiw is voorgeschreven dat de duidelijk goedkoopste warmteoplossing de voorkeur heeft. Echter, als kosten vergelijkbaar zijn, dan wordt op basis van een afwegingskader een keuze gemaakt volgens deze redenering: Als twee of meer warmteoplossingen in kosten vergelijkbaar zijn, wordt op basis van het afwegingskader een keuze gemaakt voor het wel of niet ontwikkelen van een warmtenet. De gemeente heeft de voorkeur voor een publiek warmtenet als: - er maatschappelijk nut voor een publiek midden-temperatuur warmtenet is; én - er zicht is op een haalbare business case voor zo’n warmtenet. Wordt niet aan deze voorwaarden voldaan, dan heeft de gemeente de voorkeur voor all-electric (individuele of klein collectieve) warmteoplossingen. Toelichting: Een warmteprogramma bestaat op hoofdlijnen uit: • •
Een overzicht van de energie-infrastructuur die ter vervanging van aardgas wordt ingezet en een indicatie van de kosten (de WAT). Locaties waarvoor de gemeente de komende 10 jaar de aanwijsbevoegdheid zou willen inzetten (de WANNEER).
Kenmerk: 2024/2078761
9/15
Op basis van de voorgeschreven rekenmethodiek uit de Wgiw en een afwegingskader komt in het warmteprogramma een kaart met de voorkeurs-warmteoplossingen in de stad. Alle woningen in Haarlem moeten op termijn van het aardgas af. Naast een goed geïsoleerde woning is een alternatief voor de aardgasgestookte CV -ketel nodig. Voor sommige wijken zijn individuele oplossingen, zoals een warmtepomp, hiervoor het beste alternatief. In andere wijken lijkt een warmtenet meer voordelen te hebben. Om te bepalen in welke wijken wel of niet een warmtenet wordt ontwikkeld, is onderzoek gedaan naar oplossingen met de laagste nationale kosten (kosten voor het realiseren van de oplossing) en welke oplossingen de laagste kosten voor de eindgebruiker hebben over 30 jaar (TCO, total cost of ownership). Hierbij is rekening gehouden met de kosten van isoleren en van aansluiten op de nieuwe warmtebron. Het staat bewoners in warmtenetgebieden overigens vrij om wel of niet aan te sluiten bij het warmtenet mits het eigen alternatief even duurzaam is (opt out regeling). De Wgiw schrijft voor dat de laagste kosten (laagste maatschappelijk kosten en laagste kosten voor de gebruiker) de keuze voor een warmteoplossing in hoofdzaak bepalend zijn. Een warmteoplossing is duidelijk de goedkoopste als deze minimaal 20% goedkoper is dan het alternatief.
Als dit verschil kleiner is, dan zijn de kosten vergelijkbaar en wordt een voorlopige voorkeursoplossing gekozen op basis van een afwegingskader. Het afwegingskader legt de nadruk op het maatschappelijk nut en de haalbaarheid van een collectieve oplossing: Er is sprake van maatschappelijk nut als: - In een buurt veel slecht isoleerbare woningen (monumenten) staan; en/of - Woningen/percelen overwegend te krap zijn om all-electric installaties te plaatsen; en/of - Financieel draagkracht in een buurt overwegend laag is waardoor de financiering voor (extra) isolatie en de all-electric installaties voor bewoners een grote drempel kan zijn; en/of - De sociale capaciteit in buurten overwegend laag is wat grote mate van ontzorging wenselijk maakt; en/of - De capaciteit op het elektriciteitsnet blijvend ontoereikend is voor individuele warmteoplossingen. Ook moet er zicht zijn op een haalbare business case op basis van de huidige financiële instrumenten van het Rijk. Indicatoren voor een haalbare business case zijn: - Organiseerbare warmtevraag (hoog percentage corporatiebezit en/of gemeentelijk vastgoed en/of een bewonersinitiatief met draagvlak voor een warmtenet) - Inpassing in de ondergrond/bovengrond tegen beperkte extra kosten; - Hoge warmtevraagdichtheid - Nabijheid van bronnen - Indicatie van een lage/geen onrendabele top uit het rekenmodel
Kenmerk: 2024/2078761
10/15
Een eerste beeld op kaart (zie bijlage 3) Een impressie van de resultaten van de rekenmethodiek uit de Wgiw en de toepassing van het afwegingskader is afgebeeld op de kaart in bijlage 3. In een warmteprogramma hoeft alleen gekozen te worden tussen een all-electric infrastructuur en een warmtenet-infrastructuur en die twee hoofdcategorieën staan daarom op de kaart. Verdere keuzes per buurt/wijk (zoals bronnen en temperaturen) worden in Kavelplannen en Uitvoeringsplannen uitgewerkt. De volgende richtingen staan op deze eerste impressie, namelijk: All-electric / kleinschalige collectieve oplossingen Gebied in onderzoek
Midden-temperatuur warmtenet
Zonnewarmtenet Ontwikkelgebieden
In deze gebieden moeten bewoners en ondernemers kiezen voor een individuele (bodem)warmtepomp. Daarbij zijn ook kleinschalige collectieve initiatieven van bv VVE’s of een bewonersinitiatief mogelijk. Denk aan een gezamenlijke WKO of een nieuw zonnewarmtenet. De gemeente heeft hier geen plannen voor een publiek warmtenet. Vanwege de zeer beperkte beschikbaarheid van groen gas, worden voor dit gebied alternatieven onderzocht. Het streven is hierover meer duidelijkheid te geven in het warmteprogramma. Het onderzoek loopt. Dit is het gebied waar de gemeente één warmtekavel van wil maken voor de ontwikkeling van een publiek warmtenet. Het warmtebedrijf zal aan bewoners en ondernemers een warmtenetaansluiting aanbieden, maar er is altijd vrijheid om te kiezen voor een individuele warmtepomp. In dit gebied wordt het Zonnewarmtenet onderzocht. In de ontwikkelgebieden zit veel nieuwbouw en sloop-nieuwbouw en dat wordt aardgasvrij ontwikkeld. Er wordt wel onderzocht of deze gebieden aan het warmtekavel kunnen worden toegevoegd, zodat het publieke warmtebedrijf hier passende (lage temperatuur met koeling) collectieve warmteoplossingen voor kan ontwikkelen.
e. Inzet van de aanwijsbevoegdheid In het Klimaatakkoord is afgesproken dat Nederland in 2050 stopt met het gebruik van aardgas in de gebouwde omgeving. Deze afspraak wordt wettelijk vastgelegd in de Wet Gemeentelijke Instrumenten Warmtetransitie (Wgiw). Om aan deze wet te voldoen, moeten (op termijn) alle wijken aangewezen worden waar de aardgaslevering wordt beëindigd. Voor deze aanwijzing moet worden voldaan aan de waarborgen en zorgplicht uit de Wet Gemeentelijke Instrumenten Warmtetransitie en moet een gewijzigd Omgevingsplan worden vastgesteld door de gemeenteraad. In het warmteprogramma moet het voornemen om waar deze aanwijsbevoegdheid wordt ingezet, worden opgenomen.
Kenmerk: 2024/2078761
11/15
Toelichting: Met de inwerkingtreding van de Wgiw (Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie) krijgt de gemeenteraad de mogelijkheid om locaties aan te wijzen waar op termijn de aardgaslevering stopt en een duurzame warmtevoorziening de basis wordt. Inzetten van de aanwijsbevoegdheid heeft grote gevolgen voor bewoners, bedrijven en organisaties in het gebied. Daarom stelt de Wgiw een aantal waarborgen in2. De wettelijk vastgelegde waarborgen hebben betrekking op haalbaarheid en betrouwbaarheid, het stellen van een redelijke termijn, de kosteneffectiviteit en betaalbaarheid en de gevolgen voor de energie-infrastructuur. De waarborgen sluiten goed aan bij de uitgangspunten die de raad heeft vastgesteld in de vigerende Transitievisie Warmte. Het college wil de mogelijkheid om de aanwijsbevoegdheid in te zetten verder uitwerken in het warmteprogramma. Hierbij zijn een paar belangrijke overwegingen: - Het inzetten van de aanwijsbevoegdheid is een zorgvuldig en langdurig proces en kost daarmee jaren. Eerst moet het gebied benoemd zijn in het warmteprogramma (eens in de 5 jaar), dan moet met intensieve wijkparticipatie een uitvoeringsplan gemaakt worden, dan moet de procedure voor het wijzigen van het omgevingsplan doorlopen worden en dan moet nog minimaal 8 jaar voor de uitvoering gegeven worden. In het meest optimistische scenario kost dit proces al minimaal 10 jaar.
Dat pleit ervoor om al in dit warmteprogramma gebieden te benoemen waarvoor de gemeente het voornemen uitspreekt voor aanwijzing. - Met de aanwijsbevoegdheid als stok achter de deur kan worden voorkomen dat het gasnetwerk in de toekomst tegen hoge kosten voor een gering aantal aansluitingen in stand moet worden gehouden; - De aanwijsbevoegdheid helpt de haalbaarheid en betaalbaarheid van collectieve warmtenetten te verbeteren, netcongestie tegen te gaan en toe te werken naar een duurzamere, onafhankelijke en rechtvaardige warmtevoorziening.; - In gebieden waarvoor de voorkeursoplossing ‘all-electric’ is, is meer flexibiliteit mogelijk om te isoleren en over te stappen op natuurlijke momenten (zoals bij renovaties en vervanging van de cv-ketel), omdat er geen sprake is van een collectieve business case. In het kort zijn dit de stappen (zie ook deze 4 stappen in de praatplaat Wgiw in bijlage 2) : Stap 1
warmteprogramma opstellen: Hierin staat onder andere in welke gebieden de gemeente de aanwijsbevoegdheid wil inzetten. Het is een voornemen van het college tot aanwijzing. In de wet is vastgelegd dat het toepassen van deze aanwijsbevoegdheid voor buurten/wijken via het Omgevingsplan alleen is toegestaan als het voornemen tot aanwijzing is vastgelegd in het warmteprogramma. Het is feitelijk de eerste aankondiging
2Deze zijn vastgelegd in de Bgiw, Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie. De meeste waarborgen zijn van
toepassing op de wijziging van het omgevingsplan en de onderbouwing die de gemeente daarvoor o.a. in een uitvoeringsplan moet neerleggen.
Kenmerk: 2024/2078761
12/15
dat de gemeente de haalbaarheid, betaalbaarheid, kosten-efficiëntie en de energieinfrastructuur, met de bewoners, ondernemers en andere stakeholders gaat onderzoeken en uitwerken in een gebiedsgericht Uitvoeringsplan. Het voornemen tot aanwijzen heeft als enige gevolg dat de gemeente met de buurt een Uitvoeringsplan gaat maken. Stap 2
Uitwerken in Uitvoeringsplan: De haalbaarheid, betaalbaarheid, kosten-efficiëntie en de energie-infrastructuur van dat voornemen wordt onderbouwd en uitgewerkt in een gebiedsgericht Uitvoeringsplan. In deze fase wordt intensief met de omgeving geparticipeerd. Het Uitvoeringsplan bevat de motivering en onderbouwing om het Omgevingsplan te kunnen wijzigen. Hiervoor staat een indicatieve periode van 2 jaar.
Stap 3
Omgevingsplan wijzigen: De Raad is altijd de sleutel tot het daadwerkelijk inzetten van de aanwijsbevoegdheid door het wijzigen van het Omgevingsplan. Maak je als gemeente gebruik van de aanwijsbevoegdheid? Dan bepaal je door het opnemen van regels in het omgevingsplan wanneer en hoe de wijk van het aardgas afgaat en welk duurzaam alternatief voor aardgas wordt gekozen. Deze planregels zijn bindend voor bewoners, gebouweigenaren (van woningen en utiliteitsbouw) en bedrijven binnen het aangewezen gebied. Het besluit tot wijziging van het omgevingsplan is een bevoegdheid van de gemeenteraad.
Stap 4
Uitvoering: Na vaststelling van het omgevingsplan start de uitvoering. Hiervoor stelt de gemeente een redelijke termijn (minimaal 8 jaar) vast voordat de levering van aardgas stopt.
4. Consequenties Als gekozen wordt voor één-kavel-aanpak met één warmtebedrijf gaan ook mogelijk kansen op samenwerking en het delen van risico's, lokale kennis en capaciteit tussen Warmtebedrijf Haarlem en HVC verloren. De mogelijke nadelen hiervan wegen echter geenszins op tegen de voordelen van de integrale aanpak en de positie die de gemeente als aandeelhouder in kan nemen. In een deel van de ontwikkelzones binnen de warmtekavel worden warmteoplossingen in de openbare ruimte verwacht. Dit is bijvoorbeeld het geval in gebieden waar de capaciteit in de ondergrond voor de aanleg van WKOs beperkt is. Hierdoor moeten warmtesystemen voor verschillende ontwikkelaars worden geclusterd. Deze gebieden worden toegevoegd aan de warmtekavel met een samenhangende warmteoplossing. Dit is geen probleem; het warmtebedrijf kan binnen de kavel verschillende warmtesystemen toepassen. Nieuwbouw/ontwikkelzones die zich binnen het beoogde warmtekavel bevinden, worden daarmee onderdeel van de kavel. Hierdoor worden de warmteoplossingen in deze gebieden onderdeel van het
Kenmerk: 2024/2078761
13/15
publieke systeem. Bewoners in deze zones kunnen hierdoor rekenen op vergelijkbare ‘publieke’ voorwaarden voor hun warmte en hun tapwater, en gemeente kan hierdoor beter sturen op de ruimtelijke inpassing. Het Ramplaankwartier is geen onderdeel van het door het college aan te wijzen warmtekavel. Het gebied wordt door de stichting ZLT Ramplaan ontwikkeld en kan een eigen leveringsvergunning krijgen. Ook het bedrijventerrein Waarderpolder heeft een aparte positie. Voor dit gebied wordt een concessie aan een commercieel warmtebedrijf (Polderwarmte) voor 30 jaar onderzocht. Na deze periode vervalt het warmtenet aan de gemeente.
5. Vervolg De bouwstenen in deze informatienota geven de voorkeur en voornemens van het college aan op een aantal thema’s. Tezamen met de eerder vastgestelde TVW vormen zij de basis voor het nieuwe warmteprogramma. Participatie is verplicht vanuit de Omgevingswet, en zal dan ook een belangrijk onderdeel worden van het warmteprogramma. We geven het participatieproces vorm volgens het recent vastgestelde participatiebeleid (‘Verordening participatie en uitdaagrecht gemeente Haarlem 2024’). De communicatie wordt integraal georganiseerd. De gemeente Haarlem is heel blij dat er initiatiefnemers zijn die zich inzetten voor het verduurzamen van hun buurt en het enthousiasmeren van medebewoners. En inwoners nemen steeds vaker het initiatief bij de energietransitie. Met de bewonersinitiatieven wordt daarom intensief geparticipeerd om te komen tot het warmteprogramma. Daarnaast organiseert de gemeente inloopbijeenkomsten voor bewoners en ondernemers, werksessies met corporaties en netbeheerders, inzet van het Digipanel en tot slot, de formele ter inzagelegging. Verder gaat het college o.a. aan de slag met: -
Uitvoeren van een Milieueffectrapportage
-
Alternatieve warmteoplossingen voor het historische centrum onderzoeken
-
Met partners een integrale programmering maken
-
Financieringsstrategie verder uitwerken
-
De warmteoplossingenkaart verder uitwerken
-
Opstellen van het concept-warmteprogramma
Kenmerk: 2024/2078761
14/15
In het vervolgproces kan de Raad de volgende producten verwachten: In februari kan een technische sessie worden aangeboden. Optioneel kan een werkbezoek aan een andere gemeente worden georganiseerd. In september wordt het eerste concept-warmteprogramma vastgesteld en vrijgegeven ter inzage (6 weken). In november/december wordt op basis van de zienswijzen uit de stad het warmteprogramma voorlopig vastgesteld en voorgelegd aan de gemeenteraad voor advies via de zware voorhangprocedure (max 8 weken). Ook hiervoor is een technische sessie op verzoek mogelijk. In januari 2026 wordt de zienswijze van de raad door het college verwerkt in het warmteprogramma, waarna het definitief wordt vastgesteld door het college en wordt gepubliceerd.
6. Bijlagen 1. Tijdlijn bestuurlijk proces warmtetransitie 2025 2. De praatplaat WGIW 3. Concept kaart warmteinfrastructuur Haarlem 4. Advies Fakton: Kavelstrategie en publiek warmtebedrijf gemeente Haarlem
Kenmerk: 2024/2078761
15/15