CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

08. KN Bijlage 3 Duurzaamheidsbegroting

gemeenteraad 8 juli 2021, gemeente HaarlemBij agendapunt: Vaststellen Kadernota 2022 en Voortgangsrapportage 20219.243 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Duurzaamheidsbegroting Bijlage: Kadernota 2022

Duurzaamheidsbegroting

2

Inhoudsopgave 1.

Waar komen we vandaan?

4

2.

Wat is een Duurzaamheidsbegroting?

6

3.

De opgave, een blik vooruit

7

4.

Strategische analyse: CO2-uitstoot, nu en in de toekomst 8

5.

6.

4.1

Inzicht in CO2-uitstoot in Haarlem

8

4.2

Een blik op de toekomst

9

Strategische analyse: transitiepaden

12

5.1

Gebouwde omgeving

13

5.1.1

Algemeen

13

5.1.2

Woningen

13

5.1.3

Publieke dienstverlening

14

5.2

Verkeer en vervoer

15

5.3

Hernieuwbare energie

16

5.4

Mogelijke aanvullende transitiepaden

17

Verdieping: de gemeentelijke organisatie

17

6.1

CO2 prestatieladder

17

6.2

Verbonden partijen

19

7.

Duurzaamheid begrotingsinstrumenten

20

8.

Besluitvorming

21

Bijlage 1 Scenario’s

22

Bijlage 2 Richting een brede duurzaamheidsbegroting

24

3

1.

Waar komen we vandaan? Het coalitieprogramma 2018-2022 bevat de volgende ambitie: “We werken toe naar een klimaatbegroting. Duurzaamheid moet altijd een beoordelingscriterium zijn voor investeringen en nieuw beleid.” In de Kadernota 2018 is het coalitieprogramma als volgt vertaald: “Duurzaamheid is het centrale thema voor de komende jaren. Duurzaamheid moet altijd een beoordelingscriterium zijn voor investeringen en voor nieuw beleid. Het college stelt voor om in de planning & control-documenten een duurzaamheidsparagraaf op te nemen, beginnend in de Programmabegroting 2019-2023. Van daaruit wordt in de komende jaren gewerkt aan het opstellen van een klimaatbegroting. In de Programmabegroting 2019- 2023 is er voor het eerst een duurzaamheidsparagraaf verschenen en in overeenstemming met de opdrachten van de raad (geformuleerd in deze duurzaamheidsparagraaf) heeft het college: (1) Onderzocht welke duurzame ontwikkelingsdoelstellingen (SDG) voor gemeente Haarlem van belang zijn en op welke selectie van doelstellingen de gemeente zich kan richten. (2) Onderzocht op welke wijze de duurzaamheidsdoelstellingen kunnen worden vertaald naar een praktisch toepasbaar, betrouwbaar en relevant integraal afwegingskader voor beleid en begroting en verantwoording.

Uit de onderzoeken en in bespreking met de Raad, bleek dat de praktische toepasbaarheid van de SDG’s beperkt is voor een duurzaamheidsbegroting en verantwoording (zie: 2019/457078) . Het CBS concludeerde daarbij dat “het niet haalbaar is om een directe koppeling te maken tussen SDGs en de begroting van de gemeente Haarlem” (2019/457078). De huidige beschikbare SDGmeetinstrumenten bieden geen basis voor effect en/of impact monitoring van de begroting en beleid. In de Kadernota 2019 is hierop het stappenplan 'Duurzaamheid centraal' vastgesteld, waarin is aangekondigd te beginnen met het klimaat, en wanneer mogelijk en verantwoord, de duurzaamheidsbegroting te verbreden naar sociale en economische dimensies. De Programmabegroting 2020-2024 informeerde de Raad over twee belangrijke stappen uit dit stappenplan; (1) De ontwikkeling van een afwegingskader Duurzaamheid; (2) De uitwerking van de mogelijkheden voor het opzetten van een 'revolverend fonds energiebesparing' (RFE). In 2020 zijn pilots gestart aangaande het afwegingskader Duurzaamheid en de Raad besloot het RFE voor het eerst toe te passen op het ledverlichting project (2019/93821). In de Bestuursrapportage 2020 is hierop de reserve Energiebesparing opgericht, en is er aangegeven dat als gevolg van de toepassing van het RFE op het ledverlichting project er jaarlijks € 182.000 aan de reserve wordt toegevoegd.

4

In de informatienota (bij de kaderbrief 2021) is concreet gemaakt voor welke uitstoot Haarlem verantwoordelijk is, hierbij heeft het college opdracht gegeven om deze analyse jaarlijks te actualiseren als onderdeel van de duurzaamheidsbegroting. Bij de programmabegroting 2021-2023 is het stappenplan doorrekening gepresenteerd, de stappen die nodig zijn om op hoofdlijnen het voorgenomen duurzaamheidsbeleid door te rekenen. Daarnaast is de opdracht gegeven een proefopstelling te maken van duurzaamheidsindicatoren. Door al deze stappen te zetten werkt de organisatie aan een situatie waarbij de gemeente de “duurzaamheidsopgave” steeds beter en op verantwoorde wijze kan vertalen naar kwantitatief onderbouwde impactanalyses, klimaatdoelstellingen en om duurzaamheid als afweging mee te nemen in beleids- en keuzeprocessen, inclusief voldoende aandacht voor doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid en investeringen. De versterkte focus op opgavegericht werken en doelmatigheid en doeltreffendheid heeft ook al zichtbare opbrengsten. De gemeente stelde een duidelijke opgave voor de productie van hernieuwbare energie vast en beoordeelt vanuit de 750 TJ doelstelling nu hoe deze optimaal behaalt kan worden. Een tweede voorbeeld is de zichtbare dialoog met de Raad over het verduurzamen van het gemeentelijk vastgoed.

Waarbij de Raad zelf expliciet de keuze maakte voor het kosten efficiënte scenario voor het verduurzamen van het gemeentelijk vastgoed. Bovenstaande voorbeelden laten zien dat een duurzaamheidsbegroting meer is dan enkel een document, de duurzaamheidsbegroting is een samenstel van een begrotingsdocument en instrumenten ten bate effectief en kostenefficiënt klimaatbeleid. Dit bredere kader wordt in het volgende hoofdstuk verder toegelicht. Al met al is het ontwikkelen van een duurzaamheidsbegroting een heel karwei gebleken, en zal de begroting ook in ontwikkeling blijven. Toch kan de gemeente Haarlem hierbij wel al met trots spreken over de eerste echte Haarlemse Duurzaamheidsbegroting die impact heeft.

5

2.

Wat is een Duurzaamheidsbegroting? Een “duurzaamheidsbegroting” is een instrument voor het gemeentebestuur van Haarlem om tot een efficiënte besluitvorming te komen over een doelmatige en doeltreffende inzet van middelen, en hierover verantwoording af te leggen aan de Raad. Het belang van integrale afweging staat hierbij centraal. Besluitvorming dient bij voorkeur plaats te vinden op één moment en op dat moment dient alle relevante informatie over het budgettaire beeld, de voortgang richting de doelstellingen, de huidige inzet van middelen, en alternatieve allocaties van middelen bekend en beschikbaar zijn. Besluitvorming die aan deze criteria voldoet, leidt in het algemeen tot de beste uitkomsten in termen van (brede) welvaart. Dit vereist een goed werkende begrotingscyclus, maar ook voldoende informatie over de effecten en effectiviteit van overheidsbeleid. Dit is niet anders voor de duurzaamheidsbegroting. De duurzaamheidsbegroting biedt dan ook meer dan enkel een cijfermatig inzicht in de CO2-uitstoot. Het biedt het kader waar binnen duurzaamheidsdoelstellingen geformuleerd kunnen worden; zodat de gemeente zo beheerst, doelmatig en doeltreffend als mogelijk kan toewerken naar deze doelstellingen, hierover kan rapporten en verantwoording afgelegd aan de Raad. Net zoals een de financiële begroting van de gemeente.

Deze methode wordt ook aanbevolen door internationale organisaties zoals de OECD1, het IMF2 en ook de Europese Commissie3. In tabel 1 zie je dat er stappen zijn gezet in alle strategische fasen van een begrotingscyclus: Stap Strategische planning en raamwerk

Begrotingsvoorbereiding, en begroting

Begrotingsuitvoering, monitoring en verantwoording

Voorbeeld • Beleidsrelevante CO2-raming. Wat is de verwachte CO2-uitstoot als de gemeente niets doet, of bijvoorbeeld de energiestrategie succesvol uitvoert? • Faciliterende begrotingsraamwerk. Hoe kunnen we onnodige administratieve handelingen en restricties beperken en wenselijk gedrag bevorderen? (RFE) Stappen die nog gezet kunnen worden: • Doelstellingen en voortgangsindicatoren. • Ambtelijke en bestuurlijke transitiepaden en verantwoordelijkheden ( Good practise: Gemeente Amsterdam). • Integratie doelstellingen en afwegingskader in P&C cyclus en formats. • Ex ante impact analyse: • Doorrekening beleid en maatregelen van de gemeente • CO2 uitstoot/€ als kengetal betrekken bij investerings- en beleidsopties • Consistente CO2-rekenregels, kengetallen en CO2-emissiefactoren • Duurzaamheidsbegroting, bij kadernota en begroting: • Strategische analyse doelstellingen en historische CO2-uitstoot, indicatoren en verwachte impact maatregelen. • Document geeft een neutraal overzicht van voortgang richting doelstellingen, het maakt geen onderdeel uit van een “beleidsagenda”. • • •

Monitoren implementatie maatregelen en voortgang Indicatoren Haarlem in Cijfers Beleidsevaluatie: • CO2-uitstoot een onderdeel uit laten maken standaard criteria beleidsevaluatie

1 https://www.oecd.org/environment/green-budgeting/ 2 https://climatefinancenetwork.org/wp-content/uploads/2020/11/1.-IMF_Claude_Some-thoughts-from-IMF-on-

Green-Budgeting-1.pptx 3 https://ec.europa.eu/clima/policies/budget/mainstreaming_en

6

Zoals eerder besloten start de gemeente met een “groene duurzaamheidsbegroting” die zich richt op klimaatdoelstellingen (reductie van CO2-uitstoot). Voortbouwend op deze ervaringen kan de gemeente toewerken naar een duurzaamheidsbegroting die vanuit het oogpunt brede welvaart start, en dan uitsplitst naar dimensies van brede welvaart, zoals natuurlijk kapitaal en klimaat. In bijlage 2 is een proefopstelling gemaakt met informatie uit de CBS regionale monitor brede welvaart en hoe deze informatie kan worden benut in alle fasen van de begrotingscyclus. Leeswijzer In deze Duurzaamheidsbegroting wordt kort stil gestaan bij de opgave voor gemeente Haarlem. Meer informatie treft u in hoofdstuk 3. Vervolgens wordt inzicht gegeven in de huidige impact van de gemeente Haarlem op het klimaat, de voortgang van richting een klimaat neutrale gemeente en de mate waarin de maatregelen van de gemeente hieraan bijdragen. Meer informatie hierover treft u in hoofdstuk 4. Dit wordt gevolgd met een analyse op de transitiepaden, hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 wordt een verdiepende analyse op de eigen organisatie gepresenteerd. Tot slot wordt kort stil gestaan bij het begrotingsinstrumentarium. Meer informatie hierover treft u in hoofdstuk 7.

De Klimaatbegroting is biedt meer dan alleen een cijfermatig inzicht in de CO2-uitstoot, het biedt het kader waar binnen klimaatdoelstellingen geformuleerd kunnen worden; zodat de gemeente zo beheerst, doelmatig en doeltreffend als mogelijk kan toewerken naar deze doelstellingen, hierover kan rapporten en verantwoording afgelegd aan de Raad. Net zoals een de financiële begroting van de gemeente. Een belangrijk beleidsdocument voor de gemeente Haarlem is de Haarlemse Routekaart Duurzaamheid. De routekaart is een ambitiedocument met een lange termijn visie op de energietransitie en een strategie voor de korte termijn. De routekaart bevat de huidige beleidsvisie van de gemeente voor het reduceren van CO2-uitstoot en hoe deze wordt uitgewerkt in doelstellingen en beleid. De feitelijke gevolgen van het geïmplementeerde beleid zullen zichtbaar worden in de duurzaamheidsbegroting.

3.

De opgave, een blik vooruit Reductie van de CO2-uitstoot speelt een belangrijke rol in de duurzaamheidsthema’s Energie, Mobiliteit en Circulaire Economie. Nederland heeft in de klimaatwet vastgelegd dat de CO2-uitstoot in 2030 met 49 procent omlaag moet en in 2050 zelfs met 95 procent. In het Klimaatplan heeft het kabinet concrete maatregelen aangekondigd richting de voorgenoemde klimaatdoelstellingen. De maatregelen komen grotendeels voort uit de 600+ maatregelen die in Klimaatakkoord zijn aangekondigd door 100+ stakeholders. Instituties zoals het Centraal Planbureau, Planbureau voor de Leefomgeving, het CBS, en de Raad van State analyseren mogelijke maatregelen en monitoren de (verwachte) voortgang richting de klimaatdoelstellingen. De klimaatdoelstellingen zijn opgesplitst naar de sectoren elektriciteit, gebouwde omgeving, mobiliteit, industrie en landbouw en landgebruik. Per sector zijn in het klimaatakkoord en het klimaatplan van de rijksoverheid, verschillende soorten maatregelen aangekondigd. Bijvoorbeeld door toename van de productie van hernieuwbare energie en de sluiting van kolencentrales zal de netto CO2-uitstoot in de elektriciteitssector dalen, met als uiteindelijke doel een klimaatneutraal elektriciteitssysteem in 2050.

Vervolgens zal door het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving en de overstap naar een klimaatneutraal elektriciteitssysteem, de gebouwde omgeving ook klimaatneutraal kunnen worden. Uit bovenstaande voorbeelden blijkt dat de gemeente Haarlem niet hoofdzakelijk aan zet is om de CO2-uitstoot in alle sectoren in Haarlem te reduceren. Sterker nog, de gemeente kan een eigenaar van een woonhuis niet verplichten om bijvoorbeeld zonnepanelen op de daken te leggen of inwoners verplichten een elektrische auto te kopen. Wel kan en moet de gemeente voor alle sectoren de voortgang richting de klimaatdoelstellingen faciliteren en stimuleren. Zo wordt

7

bijvoorbeeld de horeca al jaren ondersteund met een duurzaamheidsscan, kan de gemeente via duurzame inkoop de vraag naar duurzame investeringen bevorderen en kan de gemeente via zeroemissie zones in de vervoerssector scherpe keuzes maken richting de klimaatdoelstellingen. De gemeente Haarlem heeft tot nu toe nog geen zuiver numerieke klimaatdoelstelling, zoals bijvoorbeeld een 55% reductie van CO2-uitstoot in 2030. De gemeente is voornemens deze doelstellingen vast te stellen in de nieuwe Haarlemse Routekaart Duurzaamheid. Een lineaire afname van de emissies vanaf het huidige niveau naar nul in 2050 zou een reductie van circa 50 procent in 2030 betekenen ten opzichte van 1990. Echter om rekening te houden met het feit dat de ‘eerste’ reducties sneller zijn te realiseren dan latere, zou het doel voor 2030 hoger moeten liggen. Hierdoor sluit het doel van ten minste 55 procent reductie in 2030 ongeveer aan op het nulemissiedoel in 2050. Het hebben van een numerieke doelstelling kan helpen, maar kent ook risico’s als deze niet correct worden ontworpen en gemonitord. Kleine wijzigingen kunnen een ogenschijnlijk forse impact hebben op de CO2-uitstoot in het komende jaar, maar kunnen ook weer ongedaan gemaakt worden door andere ontwikkelingen in de jaren daarna.

Deze fluctuaties maken nu eenmaal integraal onderdeel uit van de internationale, nationale en Haarlemse klimaatopgave die zich uitstrekt over de periode tot 2050. De klimaatopgave is fors, zo blijkt ook uit deze duurzaamheidsbegroting. De gemeente Haarlem gaat met deze begroting verder dan veel andere gemeenten. De gemeente beoogt duurzaamheid te versleutelen in de haarvaten van de beleids- investeringen en besluitvormingsprocessen van de gemeente via onder andere het afwegingskader duurzaamheid, door klimaatinvesteringen te versnellen via het Revolverend Fonds Energiebesparing (RFE), en vooral ook door een objectieve klimaatmonitoring en verantwoording in het voorliggende document. De duurzaamheidsbegroting zoals gepresenteerd in dit document bevat transparante trend-, scenario- en impact analyses op basis van statistische informatie van het CBS, onderzoeksinformatie van PBL en andere objectieve bronnen zoals de lijst CO2-emissiefactoren.

4.

Strategische analyse: CO2-uitstoot, nu en in de toekomst In de strategische analyse wordt cijfermatig inzicht gegeven in: belangrijke ontwikkelingen in de CO2-uitstoot in heel Haarlem (4.1) en een toekomstscenario analyse (4.2). Dit wordt gevolgd met een analyse op de transitiepaden, belangrijke sectoren, zoals de gebouwde omgeving (5.1) en mobiliteit (5.2). De peildatum voor deze gegevens is: 1 mei 2021.

4.1 Inzicht in CO2-uitstoot in Haarlem Er is een goed beeld van waar de CO2-uitstoot als gevolg van het energiegebruik in Haarlem plaatsvindt. De duurzaamheidsbegroting hanteert dezelfde sectorale indeling als het klimaatakkoord, het klimaatplan en ook de RWS-klimaatmonitor. Een groot aandeel van de directe CO2-uitstoot in gemeente Haarlem komt voort uit de sterke afhankelijkheid van het soort gebruikte energie (veelal fossiele energiebronnen zoals aardgas en geen hernieuwbare energiebronnen) waarmee de gebouwde omgeving wordt verwarmd en voorzien wordt van elektriciteit. Een tweede belangrijke bron van uitstoot is mobiliteit doordat het overgrote deel van het vervoer gebruikt maakt van fossiele brandstoffen. Met gebruik van CO2-emissiefactoren kan het gebruik van bepaalde hoeveelheden soorten energie worden omgerekend naar kilo’s CO2-uitstoot en is het dus mogelijk om - op het eerste oog - onvergelijkbare eenheden zoals mobiliteit en verwarming van woningen onderling vergelijkbaar te maken.

8

Tabel 4.1 maakt inzichtelijk dat de sectoren gebouwde omgeving en verkeer en vervoer hebben het grootste aandeel in de totale CO2-uitstoot, door de jaren heen schommelt dit aandeel rond de 91%. Haarlem kent geen grote industrieën of afvalverwerkingsbedrijven zoals in Amsterdam en ook geen landbouwsector zoals in de Haarlemmermeer. Tabel 4.1 Gebouwde omgeving Verkeer en vervoer Industrie, Energie, Afval en Water Landbouw, bosbouw en visserij Totale CO2-uitstoot

2015

2016

2017

2018

2019

496.139

465.630

446.263

437.411

414.059

74%

73%

74%

72%

73%

113.059

111.696

109,347

110,614

110,798

17%

18%

18%

18%

20%

56.664

58.637

50.101

54.788

42.422

9%

9%

8%

9%

7%

534

455

1.252

1.131

886

0.1%

0.1%

0.2%

0.2%

0.2%

666.396

636.148

606.963

603.944

568.165

De CO2-uitstoot in Haarlem is door de jaren heen fors gedaald. Tabel 4.2 maakt inzichtelijk dat tussen 2015 en 2019 de totale CO2-uitstoot is gedaald met 15% en de CO2-uitstoot per inwoner met 17%. Tabel 4.2 Totale CO2-uitstoot

2015

2016

2017

2018

2019

666.396

636.148

606.963

603.944

568.165

-5%

-9%

-9%

-15%

4,0

3,8

3,.8

3,5

-5%

-10%

-11%

-17%

Daling t.o.v. 2015 Totale CO2-uitstoot per inwoner

4,3

Daling t.o.v. 2015

Tabel 4.3 laat zien dat de daling tussen 2017 en 2019 van CO2-uitstoot door aardgas en elektriciteit voor 93 procent te verklaren is door een dalende CO2-emissiefactor voor elektriciteit, en maar voor 7 procent door lager energieverbruik. Met andere woorden, in recente jaren is de daling van CO2uitstoot grotendeels toe te schrijven aan het feit dat elektriciteit steeds schoner wordt geproduceerd, en in minder mate aan lager energiegebruik of lager aardgasgebruik binnen de stadsgrenzen. Tabel 4.3

Energiegebruik

CO2-emissiefactor

Aardgas

4%

0%

Elektriciteit

3%

93%

4.2 Een blik op de toekomst Uit de informatie in paragraaf 4.1 blijkt dat daling van CO2-uitstoot grotendeels toe te wijzen is aan duurzamere productie van elektriciteit en energiebesparing, waarschijnlijk is de groei van CO2uitstoot deels afgevlakt doordat recent nieuwbouwprojecten aardgasvrij zijn gebouwd-. Om kwantitatief inzicht te krijgen in de mogelijke impact van bepaalde actierichtingen zijn een aantal scenarioanalyses gemaakt. De waarde van scenario-analyse is niet zozeer gelegen in de precieze uitkomsten van een bepaald scenario, maar in het inzichtelijk maken van bepaalde actierichtingen

9

voor Haarlems duurzaamheidsbeleid. Bijvoorbeeld, wat zou de CO2-uitstoot zijn in 2030 als in Haarlem 10.000 extra woningen4 zijn bijgebouwd, echter zonder aardgasvrije wijken in Haarlem? Bijlage 1: bevat transparante informatie over de aannames per scenario. Scenario A: CO2-uitstoot Haarlem in 2030, zonder lokaal duurzaamheidsbeleid Scenario A maakt inzichtelijk wat de CO2-uitstoot zou zijn in Haarlem op basis van de ramingen van Planbureau van de Leefomgeving (PBL) voor energiebesparing, de vergroening van elektriciteit door het sluiten van bijvoorbeeld kolencentrales, schonere vormen van transport zoals de groei van elektrische autos; en de bouw van 10.000 extra woningen in Haarlem. In dit scenario daalt CO2uitstoot met 34% tussen 2017 en 2030, met als beste uitkomst 48% en een slechtste uitkomst 31%. Dit scenario gaat dus alleen op als het Klimaatakkoord volledig wordt uitgevoerd. De beste uitkomst vereist, volgens de analyse door het PBL van de effecten van het Klimaatakkoord, een stapeling van meevallers in het gedrag van burgers en bedrijven.

Scenario A: CO2-uitstoot in 2030, zonder lokaal beleid 600000 500000 95%

400000

69%

91%

66%

300000

52%

200000 100000 0 2017

2018

2019

2030

Gebouwde omgeving

Industrie, Energie, Afval, Water

Landbouw, bosbouw en visserij

Verkeer en vervoer

Uitstoot als % van 2017

Bandbreedte

* De daling is berekend ten opzichte van het jaar 2017 en niet 1990 zoals opgenomen in het Klimaatakkoord. Alhoewel er wel inschatting is van de totale CO2-uitstoot in 1990 (700 kiloton CO2), is er op dit moment nog geen informatie bekend over de sectorale CO2-uitstoot in Haarlem in 1990. Vanwege het ontbreken van goede verdeelfactoren het niet mogelijk de IPCC-indeling voor CO2 ruimtelijk toe te delen. Deze informatie is echter wel nodig voor de scenario berekeningen. Het wordt verkend of deze sectorale informatie kan worden gepresenteerd bij begroting 2021.

Scenario B: CO2-uitstoot Haarlem in 2050, zonder lokaal klimaatbeleid Scenario B maakt de verwachte CO2-uitstoot in Haarlem inzichtelijk als de nationale klimaatdoelstellingen voor 2050 worden gehaald zoals een klimaatneutrale elektriciteitsvoorziening, 95% reductie van de CO2-uitstoot in de sectoren verkeer en vervoer, industrie en landbouw; echter zonder Haarlems duurzaamheidsbeleid voor de gebouwde omgeving zoals aardgasvrije wijken. De CO2-uitstoot zou dalen naar ongeveer 37%5 ten opzichte van de CO2uitstoot in 2017. Dit scenario is zuiver hypothetisch omdat de nationale klimaatdoelstelling niet gehaald zou worden zonder Haarlems klimaatbeleid. Daarnaast maakt het PBL geen ramingen na 2030. Dit scenario bevat geen bandbreedte omdat het gebaseerd is op de enkelvoudige numerieke doelstellingen van het Rijk en niet op basis van daadwerkelijke ramingen van bijvoorbeeld PBL. 4 PBL verwacht dat het gemiddelde elektriciteitsgebruik per jaar voor een all-electric woning gemiddeld 4.500 kWH

is in 2030. 5 Er is in dit scenario geen bandbreedte gehanteerd omdat het een scenario berust op een enkelvoudige numerieke doelstelling en er ook geen ramingen van PBL zijn voor de periode na 2030.

10

Scenario B: CO2-uitstoot in 2050, zonder lokaal beleid 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 37%30% 20% 10% 0%

600.000 500.000

100%

400.000 94%

300.000 200.000 100.000 2017

2018

2019

2050

Gebouwde omgeving

Industrie

Landbouw

Verkeer en vervoer

Uitstoot als % van 2017

Scenario C: Haarlemse energiestrategie voor de gebouwde omgeving, 2040. Scenario Haarlemse energiestrategie6. Volgens dit scenario zal de CO2-uitstoot in 2040 voor de gebouwde omgeving met 81%5 dalen ten opzichte van 2017, conform optie 1b van de energiestrategie. De sterkte daling wordt verklaard door de wending van aardgas naar elektriciteit en tenminste een energielabel C voor utiliteitsbouw. Dit scenario gaat uit van dat de voorgenomen acties en maatregelen uit de energiestrategie volledig en succesvol worden doorgevoerd.

Scenario C: Haarlemse energiestrategie

100%

400.000 80%

98% 300.000

60%

93% 200.000

40%

100.000

20% 19% 0%

2017

2018 Gebouwde omgeving

2019

2040 Uitstoot als % van 2017

Scenario B & C Een gecombineerde doorrekening van de scenario’s van de Haarlemse energiestrategie en de nationale klimaatdoelstellingen voor 2050 duidt een mogelijke 91% daling van de CO2-uitstoot in 2050, ten opzichte van 2017. Dit scenario gaat uit van klimaatneutrale elektriciteit en 95% reductie van de uitstoot in de sectoren verkeer en vervoer, industrie en landbouw. De resterende CO2uitstoot in de gebouwde omgeving komt voort uit resterend gasgebruik.

6 De Haarlemse energiestrategie is opgesteld in 2019, sindsdien zullen er ongetwijfeld nieuwe ontwikkelingen

voorgedaan die een bepaalde impact hebben op het verwachte energiegebruik in 2040. Dit scenario is louter een illustratief voorbeeld van de mogelijke impact van een bepaalde strategie.

11

Scenario B en C: Haarlemse energiestrategie en nationale klimaatdoelstelling 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 9% 10% 0%

600.000 500.000

94%

100%

400.000 300.000 23%

200.000 100.000 2017

5.

2018

2019

Gebouwde omgeving

Industrie

Verkeer en vervoer

Uitstoot als % van 2017

2040

2050

Landbouw

Strategische analyse: transitiepaden In het nationale klimaatakkoord zijn sectorale doelstellingen geïdentificeerd om de CO2-uitstoot te reduceren in de sectoren elektriciteit, industrie, gebouwde omgeving, landbouw en landgebruik en mobiliteit. Zo moet bijvoorbeeld in de elektriciteitssector 20.2 MTON minder CO2 worden uitgestoten, voor de industrie is dit 19.4 MTON en de gebouwde omgeving moet 3.4 MTON leveren. Per sector is een transitiepad opgesteld met maatregelen die genomen worden om de klimaatdoelstellingen te halen. De verschillende transitiepaden zijn onderling verbonden, bijvoorbeeld de sector elektriciteit moet schonere energie gaan produceren wat vervolgens wordt gebruikt door de gebouwde omgeving om aardgasvrije woningen te verwarmen of verlichten. In de klimaatmonitor wordt per sector (en onderliggende subsectoren en branches; op basis van CBS SBI classificatie) veel informatie gepubliceerd over het historische energiegebruik en CO2uitstoot voor provincies en gemeente, dus ook voor de gemeente Haarlem. De informatie in de klimaatmonitor is nuttig omdat het als datafundament kan fungeren om beleid mee te ontwerpen en evalueren. Het voordeel van deze sectorale aanpak en het gebruik van de informatie in de Klimaatmonitor is dat zo aansluiting kan worden gezocht bij (in)nationale afspraken en statistische informatie.

Het ligt daarom voor de hand om eenzelfde sectorgewijze benadering te hanteren voor het ontwerpen van gemeentelijke klimaatdoelstellingen. Voorts kan dan voor iedere doelstelling een transitiepad met maatregelen worden opgesteld waarmee de gemeente de doelstellingen wil halen. De transitiepaden kunnen worden ingebed met bestuurlijke en ambtelijke verantwoordelijkheden, (sub) doelstellingen en beleids- en investeringsplannen om de doelstellingen te halen. Vervolgens kan over de voortgang van de transitiepaden gerapporteerd worden in de duurzaamheidbegroting. Er wordt in paragraaf 5.1 t/m 3 een voorzet gedaan van drie transitiepaden. In paragraaf 5.4. wordt een beschrijving geven van mogelijke aanvullende transitiepaden.

12

Echter is er op moment van schrijven sprake een hoge mate van bestuurlijke onzekerheid in afwachting van een nieuw kabinet en een nieuw regeerakkoord. Het kan zijn dat het Rijk klimaatbeleid intensiveert en bijvoorbeeld ook verder gaande maatregelen wil treffen in de gebouwde omgeving. Dit maakt dat het technisch ontwerpen van sectorale doelstellingen nu niet opportuun is. Bovendien is een klimaatdoelstelling een politiek-bestuurlijke keuze. De duurzaamheidbegroting voorziet vervolgens de gemeente met de instrumenten om bijvoorbeeld kosteneffectief toe te werken naar bepaalde duurzaamheidsdoelstellingen en hierover te rapporteren aan de gemeenteraad.

5.1 Gebouwde omgeving 5.1.1 Algemeen Tabel 5.2.1 maakt inzichtelijk dat woningen de voornaamste bron van CO2-uitstoot zijn binnen de sector gebouwde omgeving. 2015

2016

2017

153.926

141.058

134.296

Tabel 5.2.1.1 Commerciele dienstverlening

31%

28%

27%

260.456

249.456

241.306

52%

50%

49%

81.757

75.116

70.661

16%

15%

14%

% van totaal Woningen % van totaal Publieke dienstverlening % van totaal

20187

20197

236.729

226.259

65.344

58.502

5.1.2 Woningen Tabel 5.2.2.1 laat zien dat de daling tussen 2017 en 2019 van CO2-uitstoot door woningen grofweg voor 91% is te verklaren door een dalende CO2-emissiefactor voor elektriciteit. Hoger aardgasverbruik heeft de daling van CO2 met 2% afgevlakt. Publieke dienstverlening laat een breder beeld zien, de CO2-uitstoot is gedaald met 46% als gevolg lager energiegebruik. Tabel 5.2.2.1

Woningen

Publieke dienstverlening

Energieverbruik

CO2-emissiefactor

Energieverbruik

CO2-emissiefactor

Aardgas

-2%

0%

24%

0%

Elektriciteit

10%

91%

22%

54%

Stadswarmte

1%

0%

In tabel 5.2.2.2 wordt voor energielabels is een duidelijk trend zichtbaar richting hogere energielabels. Dit is waarschijnlijk deels te verklaren doordat alle nieuwbouwwoningen tenminste label A hebben en veel woningen ook steeds beter worden geïsoleerd. Tabel 5.2.2.2 A t/m A++

Groei 2019 – 2020 2017

2018

2019

2020

Aantallen

Percentage

3.182

5.231

7.514

9.474

6.292

198%

7 Voor 2018 en 2019 is nog geen data beschikbaar over het elektriciteitsgebruik in de commerciële dienstverlening

subsectoren groot- en detailhandel en auto reparaties en vervoer en opslag. De onzekerheidsmarge voor de berekening van de mutatie is daardoor zo groot dat geen berekening is gemaakt voor deze sector.

13

B

3.519

4.190

4.335

4.772

1.253

36%

C

8.217

9.572

9.599

10.428

2.211

27%

D

6.278

6.889

6.711

6.597

319

5%

E

5.846

6.459

6.630

6.386

540

9%

F t/m G

7.687

7.716

7.168

7.367

-320

-4%

Totaal

34.729

40.057

41.957

45.024

10.295

30%

5.1.3 Publieke dienstverlening Tabel 5.2.3.1 maakt inzichtelijk in welke mate de daling van CO2-uitstoot in de verschillende overheidssectoren is toe te schrijven aan lager energieverbruik of een dalende CO2-emissiefactor. Bijvoorbeeld, de daling van de CO2-emissie van de gemeente zelf is voor 69 procent toe te schrijven aan lager energieverbruik en 31 procent aan een lagere CO2-emissiefactor. Dalend energieverbruik kan worden verklaard door bijvoorbeeld het isoleren van gebouwen / verledden van openbare verlichting en is dan ook een succesvol gevolg van gemeentebeleid. Een dalende CO2-emissiefactor komt doordat elektriciteit steeds schoner wordt geproduceerd, door bijvoorbeeld het sluiten van kolencentrales, nationale wind of zee projecten maar ook meer zonneenergie. Tabel 5.2.3.1 Overheid (gemeente) Onderwijs Gezondheid en welzijn Kunst, amusement en recreatie Overige publieke dienstverlening

Energieverbruik

CO2-emissiefactor

Aardgas

29%

0%

Elektriciteit

40%

31%

Aardgas

42%

0%

Elektriciteit

6%

53%

Aardgas

10%

0%

Elektriciteit

-3%

93%

Aardgas

16%

0%

Elektriciteit

5%

79%

Aardgas

43%

0%

Elektriciteit

15%

41%

Het is de verwachting dat de CO2 -uitstoot nog sterker zal dalen als gevolg van het verduurzamen van het strategisch vastgoed van de gemeente. Tabel 5.2.3.2 maakt inzichtelijk dat de CO2-uitstoot van de sector publieke dienstverlening zal dalen met 2.3% als gevolg van de 9 miljoen euro tranche voor het verduurzamen van het gemeentelijk vastgoed. De totale daling wordt voor 88% verklaard door besparingen op aardgas en 12% door besparingen op elektriciteit. De daling van de CO2uitstoot zal door de transitie van aardgas naar elektriciteit door de tijd heen alleen maar groeien omdat de CO2-emissiefactor van elektriciteit sterker zal dalen ten opzichte van de CO2emissiefactor van aardgas.

2017

2018

Voor verduurzaming 2019

CO2-uitstoot elektriciteit

39.843

37.102

30.569

30.204

12%

CO2-uitstoot aardgas

30.818

28.609

27.838

26.654

88%

Totale CO2-uitstoot

70.661

65.711

58.202

56.857

Tabel 5.2.3.2

Daling CO2-uitstoot publieke sector

Na verduurzaming 2019

Aandeel daling, in %

-2.3%

14

5.2 Verkeer en vervoer8 De totale CO2-uitstoot door verkeer en vervoer is 110,799 ton CO2 in 2019, 19 procent van de totale CO2-uitstoot in Haarlem. Tabel 5.2.1 maakt inzichtelijk dat 76.5% van de CO2-uitstoot plaatsvindt binnen de bebouwde kom, 20.7% op de buitenwegen en slechts 2.8% toegerekend wordt aan snelwegen. Bezien vanuit het soort vervoer komt 68.4% van de CO2-uitstoot door personenauto’s, waarvan 52.3% binnen de bebouwde kom. Vervolgens is de CO2-uitstoot van bestelauto’s 13.2% van het totaal, en zware bedrijfswagens circa 8.2%. Tabel 5.3.1

CO2-uitstoot, % totaal, 2019 Bebouwde kom

Buitenwegen

Auto(snel)wegen

Totaal

Autobus

4,4%

0,2%

0,0%

4,6%

Bestelauto

9,4%

3,3%

0,5%

13,2%

Personenauto

52,3%

14,5%

1,6%

68,4%

Tweewielers

2,2%

0,5%

0,0%

2,7%

Zware bedrijfsvoertuigen

8,2%

2,1%

0,6%

11,0%

Totaal

76,5%

20,7%

2,8%

De lichte daling van CO2-uitstoot van de sector verkeer en vervoer is grootste deels te verklaren doordat nieuwere personenauto’s steeds zuiniger worden en doordat steeds meer mensen elektrische personenauto’s gebruiken. Opvallend is de groei van de CO2-uitstoot door bestelauto’s en zware bedrijfsvoertuigen. Tabel 5.3.2

Verschil 2015 en 2019, ton CO2 Bebouwde kom

Buitenwegen

Auto(snel)wegen

0

-1

-1

Autobus Bestelauto

1.347

681

91

Personenauto

-5.728

-1.553

-168

Tweewielers

146

28

4

Zware bedrijfsvoertuigen

446

211

26

Tabel 5.2.3 maakt inzichtelijk dat het groeiende gebruik van elektrische personenauto’s ook zichtbaar in de groei van het aantal (semi) publieke laadpalen voor elektrische auto’s. Op basis van de huidige openbare informatie is niet mogelijk om de groei te vergelijken met het aantal elektrische auto’s in Haarlem. Het deel van de elektrische auto’s gebruikt wordt als leaseauto is niet in Haarlem geregistreerd. Tabel 5.3.3

2015

2016

2017

2018

2019

2020

(semi) publieke laadpunten

112

155

202

258

481

610

8

De informatie in deze paragraaf volgt uit de RWS Klimaatmonitor. RWS maakt een inschatting op basis van modelmatige aannames in eigen verkeersmodellen, de precieze percentages kunnen daardoor afwijken van de feitelijke situatie.

15

5.3 Hernieuwbare energie Elektriciteit speelt een sleutelrol in de energietransitie. Door de overgang naar een aardgasvrije stad en de groei van het aantal elektrische voertuigen is er veel meer elektriciteit nodig. Deze elektriciteit moet duurzaam worden opgewekt. Het vergroenen van het opwekken van elektriciteit in Nederland, waar Haarlem via de RES een bijdrage aan levert, zorgt voor een groei van hernieuwbare elektriciteit en daarom een daling van CO2-uitstoot als gevolg van het verbruik van elektriciteit. Gemeente Haarlem heeft op 10 december 2020 aan de commissie beheer het actieplan schone energie gepresenteerd (2020/0891686). Het actieplan is een indicatief voorbereidingstraject voor de uitvoering van de RES NHZ. In 2022 is de verwachting dat het actieplan kan worden herijkt, er meer duidelijkheid is aangaande de door het Rijk beschikbaar gestelde middelen en er hierop een strategische programmering kan volgen. Op dat moment kunnen de beleidsinstrumenten/concrete uitwerking van de maatregelen ook meegenomen worden in de raming en/of monitoring via de duurzaamheidsbegroting. Tabel 5.4.1 maakt inzichtelijk dat door de jaren heen het aandeel hernieuwbare elektriciteit dat is geproduceerd gestaag stijgt van 1,7% in 2015 naar 3,0% in 2018.

Grafiek 5.4.2 maakt de historische ontwikkeling van hernieuwbare zonnestroom en windenergie (in TJ) inzichtelijk, en de opgave richting 2030 zoals die gepresenteerd is in het actieplan schone energie. Tabel 5.4.1

2015

2016

2017

2018

1,7

1,9

2,3

3,0

% hernieuwbare elektriciteit

5.4.2 Hernieuwbare electriciteit (TJ) 700

660

600 500 400 300 200

90

58 Nihil

100 0 2015

2016

2017

2018

2019

2030

Zonnestroom in TJ, realisatie

Zonnerstroom in TJ, doelstelling

Windstroom in TJ, realisatie

Windstroom in TJ, doelstelling

16

5.4 Mogelijke aanvullende transitiepaden De bovenstaande analyses hebben betrekking op de directe en indirecte uitstoot; uitstoot binnen de gemeentegrenzen van Haarlem en uitstoot die gerelateerd is aan het elektriciteits- en stadswarmteverbruik in de stad. De mogelijkheden tot het verminderen van CO2 uitstoot als gevolg van consumptie in Haarlem wordt uitgewerkt o.a. in Haarlem Circulair. Denk hierbij aan materialen die we gebruiken in de bouw, consumptieartikelen en voedsel dat we consumeren. Voor de eigen gemeentelijke organisatie kan er middels de CO2 prestatieladder wel al een verdiepend inzicht gegeven in de uitstoot waarbij ook aandacht is voor uitstoot in de keten (zie 6.1) ook middels het inkoopbeleid wordt er ingezet op het verminderen van uitstoot in de gehele keten. In eerste instantie heeft de duurzaamheidsbegroting betrekking op klimaatmitigatie (en dus het reduceren van de CO2-uitstoot in Haarlem). Het kan stap voor stap verbreed worden naar andere onderwerpen zoals klimaatadaptatie en circulaire economie. Een bredere toepassing van het afwegingskader Duurzaamheid en vormgeving van de duurzaamheidsparagraaf in bestuurlijke besluitvorming waar ook informatie over klimaatadaptatie en materiaalgebruik wordt gepresenteerd kan op termijn zorgen dat ook deze gegevens kunnen worden meegenomen in de Duurzaamheidsbegroting.

Een mogelijke aanvulling op de huidig benoemde transitiepaden is bijvoorbeeld een transitiepad klimaatadaptatie of een transitiepad duurzaam werken in de stad. Een andere mogelijkheid is het transitiepad Gebouwde omgeving uiteen te laten vallen in een transitiepad: publieke gebouwde omgeving, wonen en commerciële gebouwde omgeving. Van belang is de transitiepaden zo te ontwerpen dat voor iedere sectorale doelstelling een transitiepad met maatregelen kan worden opgesteld waarmee de gemeente de doelstellingen wil halen. De transitiepaden kunnen worden ingebed met bestuurlijke en ambtelijke verantwoordelijkheden, (sub) doelstellingen en beleids- en investeringsplannen om de doelstellingen te halen. Vervolgens kan over de voortgang van de transitiepaden gerapporteerd worden in de duurzaamheidbegroting. De raad geeft het college de opdracht; Een advies op te stellen aangaande de in te richten transitiepaden en bijhorende bestuurlijke en ambtelijke verantwoordelijkheden (september 2021).

6.

Verdieping: de gemeentelijke organisatie 6.1 CO2 prestatieladder Deze paragraaf beschrijft de CO2-uitstoot als gevolg van activiteiten van de gemeentelijke organisatie Haarlem, waarvan het energiegebruik ook deels plaatsvindt buiten Haarlem. Deze informatie volgt uit de CO2-prestatieladder en ziet toe op duurzame bedrijfsvoering en inkoop van de organisatie. De CO2-Prestatieladder is een instrument voor duurzaamheid dat bedrijven en

17

overheden helpt om hun CO2-uitstoot en de kosten te verlagen. De Stichting klimaatvriendelijk Aanbesteden en Ondernemen (SKAO) is eigenaar van dit initiatief. De CO2-Prestatieladder bestaat uit 5 niveaus. Begin 2021 heeft de gemeentelijke organisatie zich gecertificeerd op niveau 3. Tot en met het derde niveau ga je als organisatie zelf aan de slag via allerlei projecten om de CO2-uitstoot van de organisatie omlaag te krijgen. In 2018 was de totale emissie van de gemeentelijke organisatie (scope 1,2 en business travel) 1.626,07 ton CO2. In 2019 is de uitstoot gedaald naar 1.583,61 ton CO2. Deze daling is met name het gevolg van een daling in het gasverbruik en diesel brandstofverbruik. Tabel 6.1. geeft inzicht in de CO2 footprint van de gemeentelijke organisatie voor het jaar 2019.

Tabel 6.1 Gemeentelijke organisatie

Overzicht CO2-emissies

Type emissiestroom scope 1

Aantal

Eenheid

2019 Heel jaar Conversiefactor (g CO2 per eenheid)

Uitstoot (ton CO2)

Gasverbruik

782.428 m3

1.884

1.474,1

93%

Warmtelevering biomassa (pallets)

111.180 KG

35

3,9

0%

395 liter

3.230

1,3

784 liter

2.740

2,1

8.465 liter

2.728

23,1

Brandstofverbruik wagenpark - diesel

310 liter

3.230

1,0

0%

Brandstofverbruik wagenpark - benzine

11.827 liter

2.740

32,4

2%

Brandstofverbruik bedrijfsmiddelen diesel Brandstofverbruik bedrijfsmiddelen benzine Brandstofverbruik wagenpark - natural gas

Type emissiestroom scope 2

Aantal

Elektriciteitsverbruik - groene stroom

6.455 kWh

Elektriciteitsverbruik - wagens

Type emissiestroom business travel Zakelijk vervoer - gedeclareerde kilometers Zakelijk vervoer - openbaar vervoer

Eenheid 9.496.143 kWh

Aantal

Eenheid 114.194 km 341.157 km

Totaal scope 1

1.537,9

Conversiefactor (g CO2 per eenheid)

Uitstoot (ton CO2)

0% 0% 1%

0

-

0%

556

3,6

0%

Totaal scope 2

4

Conversiefactor (g CO2 per eenheid)

Uitstoot (ton CO2)

195 36

22,3 12,3

1% 1%

Zakelijk vervoer - internationale treinreizen

6.868

km

36

Vliegreizen <700 km

2.616 km

297

0,8

0%

Vliegreizen 700-2500 km

32.703 km

200 Totaal business travel

6,5

0%

0,2

0%

42

18

Totale emissies scope 1, 2 & business travel

1.583,61

6.2 Verbonden partijen Ten behoeve van het jaarverslag 2020 is er een uitvraag geweest naar alle verbonden partijen aangaande Duurzaamheid. In het jaarverslag 2020 zijn de resultaten per verbonden partij opgenomen. Het thema duurzaamheid en energietransitie krijgt aandacht bij alle Haarlemse verbonden partijen, dit in meer of mindere mate afhankelijk van de aard van de activiteiten en doelstelling van de partij. De meeste verbonden partijen hebben beleid op duurzaamheid en verschillende energiebesparende maatregelen getroffen, maar zijn niet gecertificeerd via de CO2 prestatieladder noch hebben ze de kwantitatieve impact in termen van CO2-reductie inzichtelijk. Spaarnelanden NV en het Patronaat zijn tot dusver de enige partijen die gecertificeerd zijn op de CO2 prestatieladder. Cocensus en SRO geven aan de intentie te hebben zich te laten certificeren, andere verbonden partijen hebben deze intentie niet. De uitvraag naar duurzaamheid van de Haarlemse Verbonden Partijen is als vast onderdeel opgenomen in de paragraaf verbonden partijen. In een jaarverslag wordt verantwoording afgelegd aan de raad over de realisatie van beleidsvoornemens. Hierdoor is naast de bestaande uitvraag die zich richt op de realisatie, ten behoeve van aansluiting, een uitvraag van de beleidsvoornemens nodig.

De raad besluit: • De beleidsvoornemens op het gebied van duurzaamheid uit te vragen bij de verbonden partijen conform de definitie van verbonden partijen in het Besluit Begroting en Verantwoording. Daarnaast is de informatiebehoefte van de gemeente ook afhankelijk van de aard van de activiteiten, de duurzaamheidsimpact en mate van invloed van de gemeente op de verschillende partijen. Van deelnemingen, waar de gemeente een aanzienlijk belang heeft en met een relatief grote impact liggen de informatievereisten hoger. Denk hierbij aan partijen als Spaarnelanden NV, Werkpas en SRO. De gemeente verlangt van deze partijen om betrouwbare gegevens aangaande duurzaamheid/CO2 footprint te ontsluiten. Hierbij gaat het ten minste om basisnormen: zoals het registreren en besparen van gas, water, elektra en brandstoffen.

De raad besluit: • Te differentiëren in de vereisten in de verantwoording uitvraag aan Verbonden partijen aangaande duurzaamheid; • Een minimum basisnorm op te stellen aan de duurzaamheid informatievereisten voor verbonden partijen waar de gemeente een aanzienlijk belang heeft en met een relatief grote impact .

19

7.

Duurzaamheid begrotingsinstrumenten De gemeente Haarlem gaat met deze begroting verder dan veel andere gemeenten. De gemeente beoogt duurzaamheid te versleutelen in de haarvaten van de beleids- investeringen en besluitvormingsprocessen van de gemeente via onder andere het afwegingskader duurzaamheid, door klimaatinvesteringen te versnellen via het Revolverend Fonds Energiebesparing (RFE), en vooral ook door een objectieve klimaatmonitoring en verantwoording in het voorliggende document. In deze paragraaf wordt kort stilgestaan bij bovengenoemde instrumenten: Afwegingskader duurzaamheid. Om een goede afweging te kunnen maken tussen beleidsopties inzicht nodig in de effectiviteit van beleid en de beleidsalternatieven voor huidig beleid. Hiervoor zijn de afgelopen periode met pilots geëxperimenteerd hoe een afwegingskader Duurzaamheid toe te passen en duurzaamheidsparagraaf in bestuurlijke besluitvorming vorm te geven. (Bijlage) Kosteneffectiviteit. Voor een goede integrale afweging en om te kunnen sturen op koste efficiëntie van maatregelen is het nodig om te weten waar een euro de grootste bijdrage aan het behalen van de beleidsdoelen biedt. In kader van de duurzaamheidsbegroting is om die reden in eerste plaats op verschillende dossiers gewerkt met de ratio: CO2/€. Een goed voorbeeld hiervan is de prioritering van het verduurzamen van strategisch vastgoed.

Kosteneffectiviteit kan ook worden geanalyseerd wanneer verschillende investeringsopties worden ontworpen in het kader van Duurzaam GWW. Faciliterend begrotingsraamwerk. Naast de beschikbaarheid en kwaliteit van informatie verdient ook het daadwerkelijk gebruik van deze informatie op de momenten dat besluiten worden genomen aandacht. De ervaring leert dat in de jaarlijkse besluitvormingsronden vooral actuele budgettaire problemen en politieke wensen de aanleiding vormen voor herprioritering. De focus ligt sterk op het komende jaar en de korte termijn, terwijl voor de kwaliteit van de uitgaven een langetermijnperspectief gewenst is. Er is een revolverend fonds energiebesparing ingesteld om tegemoet te komen aan dit langetermijnperspectief en belemmeringen weg te nemen om renderende investeringen in duurzaamheid te doen. 2021

2022

2023

2024

2025

2026

182

182

182

182

182

182

0

0

0

0

0

0

182

364

546

728

910

1.092

Tabel: Reserve Energiebesparing (2020) Toevoeging Straatverlichting Onttrekking

Eindstand per 01/01

20

8.

Besluitvorming De raad besluit: • Het college de opdracht te geven, een advies op te stellen aangaande de in te richten transitiepaden en bijhorende bestuurlijke en ambtelijke verantwoordelijkheden (september 2021). • De beleidsvoornemens op het gebied van duurzaamheid uit te vragen bij de verbonden partijen conform de definitie van verbonden partijen in het Besluit Begroting en Verantwoording. • Te differentiëren in de vereisten in de verantwoording uitvraag aan Verbonden partijen aangaande duurzaamheid; • Een minimum basisnorm op te stellen aan de duurzaamheid informatievereisten voor verbonden partijen waar de gemeente een aanzienlijk belang heeft en met een relatief grote impact.

21

Bijlage 1 Scenario’s In deze bijlage worden alle (cijfermatige) aannames transparant inzichtelijk gemaakt voor de verschillende scenario’s in paragraaf 4.5:   

  

Voor alle scenario is de daling van de CO2-uitstoot berekend als % van de CO2-uitstoot in 2017. De historische data over het energiegebruik komt uit de RWS Klimaatmonitor. De informatie voor CO2-emissiefactoren in 2030 volgt uit de Klimaat en Energieverkenning (KEV) 2020 van PBL. KEV is een jaarlijkse publicatie waarin ook ieder jaar de (landelijke) ramingen voor energiegebruik en CO2-emissiefactoren worden geüpdatet op basis van nieuwe informatie over bijv. overheidsbeleid maar ook ontwikkelingen in de private sector als wel exogene ontwikkelingen zoals bijvoorbeeld lager energiegebruik door COVID-19. Door de sectorale indeling als uit de RWS Klimaatmonitor en KEV te gebruiken borgt de gemeente consistentie met (in)ternationale klimaatafspraken zoals het klimaatakkoord. Op basis van de informatie in de Klimaatmonitor en KEV is de gemeente in staat bij iedere Kadernota CO2-ramingen op te stellen zoals in deze duurzaamheidsbegroting. Zodra de planning van duurzaamheidsmaatregelen zoals een concrete planning voor het aardgasvrij maken van wijken concreet is, kunnen hiervoor ook beleidsrijke CO2-ramingen worden opgesteld. Scenario Scenario A: CO2-uitstoot Haarlem in 2030, zonder lokaal duurzaamheidsbeleid

Aannames   

Scenario B: CO2-uitstoot Haarlem in 2050, zonder lokaal klimaatbeleid

 

 Scenario C: Haarlemse energiestrategie voor de gebouwde omgeving, 2040

Scenario B & C: Haarlemse energiestrategie en de nationale klimaatdoelstelling.

10.000 nieuwe all-electric woningen, 4.500 kWh per jaar in 2030. Energiegebruik voor de sectoren gebouwde omgeving (excl. woningen), industrie en landbouw en landgebruik gelijk aan 2019. CO2-emissiefactor in 2030 cf PBL KEV 2020 o Aardgas, 1.785 kg CO2 per m3 o Elektriciteit, 0.12 kg CO2 per kWh Jaarlijkse energiebesparing 2020 - 2030 in %, cf PBL KEV 2020 o Bovenkant bandbreedte 1,1% o Raming 0,9% o Onderkant bandbreedte 0,7% CO2-uitstoot verkeer en vervoer in 2030 cf PBL KEV 2020 o Bovenkant bandbreedte -12,03%, t.o.v. 2019 o Raming -11,39%, t.o.v. 2019 o Onderkant bandbreedte -10,13%, t.o.v. 2019. 10.000 nieuwe all-electric woningen. CO2-emissiefactor in 2050 o Aardgas, 1,884 kg CO2 per m3 o Elektriciteit, 0.00 kg CO2 per kWh CO2-uitstoot industrie, landbouw en verkeer en vervoer: -95%. Energiegebruik gebouwde omgeving o Elektriciteit, 611.111.094 kWh o Aardgas, 25.782.440 m3 o Hernieuwbaar gas, 6.822.400 m3 o Warmtenet MT, 568.000 GJ CO2-emissiefactoren o Aardgas, 1,884 kg CO2 per m3 o Hernieuwbaar gas, 0,00 kg CO2 per m3 o Warmtenet MT, 0,6 kg CO2 per GJ o Elektriciteit, 0,06 kg CO2 per kWh. Energiegebruik gebouwde omgeving conform scenario C. o Elektriciteit, 611.111.094 kWh o Aardgas, 25.782.440 m3 o Hernieuwbaar gas, 6.822.400 m3 o Warmtenet MT, 568.000 GJ

22

CO2-emissiefactoren voor de gebouwde omgeving cf scenario B, CO2emissiefactoren is warmtenet MT nihil zal zijn. o Aardgas, 1,884 kg CO2 per m3 o Hernieuwbaar gas, 0,00 kg CO2 per m3 o Warmtenet MT, 0,0 kg CO2 per GJ o Elektriciteit, 0,00 kg CO2 per kWh. CO2-uitstoot voor de sectoren industrie, verkeer en vervoer en landbouw gelijk aan 95% van CO2-uitstoot in 2017.

23

Bijlage 2 Richting een brede duurzaamheidsbegroting Algemeen Duurzaamheid, brede welvaart en het begrotingsproces Het gemeentebestuur bepaalt welke doelen het graag wil bereiken. Wat de doelen moeten zijn, is onderwerp van politieke discussie tijdens de verkiezingen en tijdens de formatie. De begroting is vervolgens een belangrijk middel dat bestuurders in handen hebben om hun doelen te bereiken. Daarmee verdeelt het bestuur immers het beschikbare geld. Aan doelen die belangrijk worden gevonden wordt meer geld toebedeeld en aan doelen die minder belangrijk worden gevonden minder. De gemeente kiest ervoor om duurzaamheid als afweging stapsgewijs te verankeren in het begrotingsproces. De gemeente is hiervoor gestart met het klimaat, en is voornemens ook andere dimensies van duurzaamheid hierbij te betrekken. Bijvoorbeeld de duurzame omgang met menselijk kapitaal of economisch kapitaal. Deze brede benadering voor duurzaamheid komt voor een groot deel terug in de brede welvaartsbenadering. Brede welvaart betreft de kwaliteit van leven in het hier en nu en de mate waarin deze ten koste zou kunnen gaan van de kwaliteit van leven van latere generaties. Brede welvaart in Haarlem De informatie in de CBS regionale Monitor Brede Welvaart9 schetst een ontwikkeling van de brede welvaart in Haarlem op basis van 32 statistische indicatoren.

De indicatoren bieden in gezamenlijkheid een blik op verschillende aspecten van brede welvaart. Het gaat bijvoorbeeld om actuele inzichten in welzijn, welvaart, economie, arbeid en gezondheid, maar ook bijvoorbeeld ontwikkeling van menselijk en sociaal kapitaal naar de toekomst toe. Brede welvaart en budgettaire besluitvorming Iedere generatie gemeentebestuur bepaalt welke doelen het graag wil bereiken om zo de (brede) welvaart te vergroten. Wat de doelen moeten zijn voor een nieuw gemeentebestuur, is het onderwerp van politieke discussie. De begroting is vervolgens een belangrijk middel dat het gemeentebestuur in handen heeft om de doelen te bereiken. Daarmee verdeelt het bestuur immers het beschikbare geld. Aan doelen die belangrijk worden gevonden wordt meer geld toebedeeld en aan doelen die minder belangrijk worden gevonden minder. Op deze manier geeft een gemeentebestuur kleur aan de visie op brede welvaart. Integrale budgettaire besluitvorming is een voorwaarde om goed te kunnen kiezen en dat de gemeente keuzemogelijkheden tegen elkaar kan afwegen. In de kadernota stelt het gemeentebestuur de kaders en in de begroting wordt gepubliceerd hoe deze kaders worden ingevuld. Dit proces zorgt voor stabiliteit, voorkomt dat de begroting continu wordt bijgesteld en geeft voldoende tijd voor een goede voorbereiding en invoering van maatregelen.

Tijdens momenten van financiële en of bestuurlijke crisis of grote onzekerheid komt dit proces snel onder druk te staan. Deels is dit onvermijdelijk, maar het heeft een prijs omdat verschillende keuzes minder goed tegen elkaar afgewogen kunnen worden. Dit kan ten koste gaan van de kwaliteit van besluitvorming, de

9

https://dashboards.cbs.nl/rmbw/regionalemonitorbredewelvaart/

24

kwaliteit van de gemeentelijke financiën en – last but not least – de kwaliteit van beleid van de gemeente als publieke dienstverlener aan de Haarlemse gemeenschap. Om effectiever te kunnen sturen op brede welvaart in rustige en roerige tijden, zou de gemeente de benadering van brede welvaart door het CBS kunnen gebruiken als kader om maatschappelijke prioriteiten te stellen. Bij Kadernota kan op basis van de CBS regionale monitor voor brede welvaart een strategische analyses worden gepubliceerd van recente ontwikkelingen van brede welvaart. Vervolgens kan bij begroting het gemeentebestuur een beleidsreactie op deze geanalyseerde ontwikkelingen publiceren. Op welke dimensies en criteria scoort de gemeente relatief slecht en wat is de oorzaak hiervan? Wat doet de gemeente nu al en wat gaat de gemeente extra doen om de brede welvaart te vergroten?

Kadernota

Begroting

•CBS indicatoren voor brede welvaart •Strategische analyse

•Beleidsreactie van de gemeente •Per dimensie en per beleidsterrein

Kanttekening De informatie in de CBS regionale monitor voor brede welvaart geeft langs de lijnen van bepaalde indicatoren informatie over verschillende dimensies van de brede welvaart. Deze indicatoren zijn derhalve niet direct om te zetten in directe beleidsacties of investeringen. Wel kan de indicatoren set een anker vormen voor een verdiepende en strategische analyse in de verschillende dimensies van brede welvaart waarmee politieke kleuring kan worden gegeven aan de invulling van brede welvaart. Brede welvaart in Haarlem In deze paragraaf is voorbeeld informatie opgenomen over de brede welvaart in Haarlem. Alhoewel de CBS regionale monitor voor brede welvaart nog volop in ontwikkeling is, geeft de monitor beleidsrelevante informatie over ontwikkelingen die een directe relatie hebben met brede welvaart. Algemeen beeld Grafiek X.1 maakt inzichtelijk hoe Haarlem scoort ten opzichte van andere gemeenten op de 32 indicatoren voor brede welvaart, in het ‘hier en nu’ en ‘later’. Het valt op dat gemeente Haarlem op 55% indicatoren minder goed scoort dan de helft op de indicatoren, waarvan 43% van de indicatoren aangeven dat Haarlem bij de 25% minst presterende gemeenten hoort.

25

Grafieken X.2 en X.3 maken inzichtelijk dat in het ‘hier en nu’ Haarlem een gebalanceerd beeld laat zien, maar dat in het ‘later’ een gemiddelde lage score heeft. De dimensies en indicatoren waarop Haarlem niet goed scoort worden in de verdiepende analyse nader toegelicht.

Hier en nu

34%

34%

16%

16%

Later

9% 18% 64%

9%

Brede welvaart ‘hier en nu’ Tabel X.1 laat zien hoe Haarlem in welk jaar scoort op welke indicator, hoe het scoort ten opzichte van andere gemeenten en of er sprake is van een significante ontwikkeling ten opzichte van het voorgaande jaar. Op de website van het CBS is per indicator aanvullende informatie te vinden, zoals de historische ontwikkeling en ook meer informatie over de definitie van de indicator of de specifieke databron. Onderaan de tabel worden enkele voorbeeld scores besproken. Dimensie

Indicator

Jaar

NIveau

Kwartiel10

Significante ontwikkeling

10

Kwartiel 1 betekent dat Haarlem bij de beste 25% scoort, kwartiel 2 bij de beste 25% tot 50%, kwartiel 3 bij de slechtste 50% tot 75% en kwartiel bij de slechtste 25% van Nederland. Op de CBS-website

26

Welzijn

Tevredenheid met het leven

2019

85,7%

4

Tevredenheid met vrije tijd

2019

71,5%

4

Materiele welvaart

Mediaan besteedbaar inkomen

2018

26.700

3

Gezondheid

Overgewicht

2016

43,9%

1

Levensverwachting mannen

2016

78,8

4

Levensverwachting vrouwen

2016

82,3

4

Ervaren gezondheid

2016

78,5%

2

Personen met ≥ 1 langdurige ziekten of aandoeningen Nettoarbeidsparticipatie

2016

31,6%

2

2019

71,1%

2

-0,3 %-punt *

Brutoarbeidsparticipatie

2019

73,5%

1

-0,5 %-punt *

Hoogopgeleide bevolking

2019

46,2%

1

2,9 %-punt *

Werkloosheid

2019

3,3%

4

-0,3 %-punt *

Tevredenheid met reistijd van en naar het werk Tevredenheid met woonomgeving Tevredenheid met woning

2019

79,7%

4

2018

84,1%

1

2018

83,6%

2

Afstand tot sportterrein (km)

2015

0,8

1

Afstand tot basisschool (km)

2019

0,5

1

Afstand tot cafes e.d. (km)

2019

0,6

1

Contact met familie, vrienden of buren Vertrouwen in instituties

2019

74,3%

2

2019

67,0%

1

Vertrouwen in anderen

2019

72,0%

1

Vrijwilligerswerk

2019

46,5%

3

Vaak onveilig voelen in de buurt

2019

2,2%

3

Aantal ondervonden delicten

2019

35,8

4

1%*

Geregistreerde misdrijven

2019

53

4

2*

Natuurgebied per inwoner

2015

0

4

Emissies van fijnstof naar lucht

2018

59.500

4

Afstand tot openbaar groen

2015

0,4

1

Natuur- en bosgebieden

2015

2,3%

4

Broeikasgasemissies per inwoner

2018

2,5

1

Kwaliteit van zwemwater binnenwateren

2019

4

3

Arbeid en vrije tijd

Wonen

Samenleving

Veiligheid

Milieu

1,3% *

2,1 %-punt *

-0,9 %-punt

Tabel X.2 laat zien dat Haarlem voor welzijn in het hier en nu, laag scoort vergeleken met andere gemeenten, het verschil met het de gemiddelde score in Nederland wordt ogenschijnlijk niet kleiner. Welzijn

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Tevredenheid met leven

Nederland

83.6

84.6

82.9

85.2

85.4

85.7

87.3

233/250

Haarlem

82.2

83.2

83.9

84.3

84.6

84.6

85.7

Verschil

-1.4

-1.4

1

-0.9

-0.8

-1.1

-1.6

Tevredenheid met vrije tijd

Nederland

75.7

75.3

74.4

74.1

74

73.9

74.2

231 / 246

Haarlem

72.9

72.9

72.3

71.2

71.7

72

71.5

https://dashboards.cbs.nl/rmbw/regionalemonitorbredewelvaart/ is meer informatie te vinden over de precieze score ten opzichte van andere gemeenten.

27

Verschil

-2.8

-2.4

-2.1

-2.9

-2.3

-1.9

-2.7

Voor alle indicatoren van de dimensie veiligheid scoort Haarlem relatief slecht. Tabel X.3 laat zien dat het aantal ondervonden delicten en het aantal geregistreerde misdrijven structureel daalt, maar dat Haarlemmers zich relatief onveiliger zijn gaan voelen in hun eigen woonomgeving. Desalniettemin is het aantal ondervonden delicten en geregistreerde misdrijven hoger dan het landelijk gemiddelde. Veiligheid Vaak onveilig voelen in de buurt 26/40

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Nederland

1.8

1.8

1.7

1.5

1.5

1.4

Haarlem

1.4

2.3

1.2

1.6

2.9

2.2

Verschil

-0.4

0.5

-0.5

0.1

1.4

0.8

Aantal ondervonden delicten

Nederland

35.9

33.7

31.8

31.2

26.8

23.7

46/52

Haarlem

52.1

43.5

39.8

45.2

35.1

35.8

Verschil

16.2

9.8

8

14

8.3

12.1

Geregistreerde misdrijven

Nederland

66

61

58

55

49

46

47

313/352

Haarlem

76

70

66

62

52

51

53

Verschil

10

9

8

7

3

5

6

De indicatoren voor de kwaliteit van de leefomgeving vragen ook om een nadere duiding. Tabel X.4 laat zien dat de emissie van fijnstof naar lucht in Haarlem relatief hoog is (307/355 in 2018) en de kwaliteit van zwemwater van binnenwateren relatief laag (164/230). De relatief lage scores voor natuurgebied, en natuur- en bosgebieden wordt voor Haarlemmers (deels) gecompenseerd door de aanwezigheid van natuur en bosgebieden in de directe omgeving. Tabel X.8, Milieu

2013

2014

2015

Natuurgebied per inwoner

Nederland

30

381/381

Haarlem

0

Verschil

-30

Emissie van fijnstof naar lucht, 307/355

Haarlem

Natuur- en bosgebieden

Nederland

57.40 0 14.8

323/393

Haarlem

2.3

Verschil

-12.5

Kwaliteit zwemwater binnenwateren 164/230

2016

2017

2018

60.10 0

59.50 0

2019

Nederland

4

3

3

3

3

4

4

Haarlem

3

3

3

3

3

3

3

Verschil

-1

0

0

0

0

-1

-1

Brede welvaart ‘later’ Tabel X.1 laat zien hoe Haarlem in welk jaar scoort op welke indicator, hoe het scoort ten opzichte van andere gemeenten en of er sprake is van een significante ontwikkeling ten opzichte van het voorgaande jaar. Onderaan de tabel worden wederom enkele voorbeeld scores besproken. Dimensie

Indicator

Jaar

Niveau

Kwartiel

Economisch kapitaal

Gemiddelde schuld per huishouden Mediaan vermogen van huishoudens Particuliere zonne-energie

2018

116.100

3

2018

45.400

4

2018

130

4

Natuur en bosgebieden

2015

2,3%

4

Natuurlijk kapitaal

Significante ontwikkeling 2.2 % *

27.3 % *

28

Bebouwd terrein

2015

59%

4

Emissie van fijnstof naar lucht

2018

59.500

4

-

-

Fosfaatuitscheiding landbouw Stikstofuitscheiding landbouw Menselijke kapitaal

Sociaal kapitaal

-

-

Arbeidsduur per week

2019

-

-

Hoogopgeleide bevolking

2016

0.5

1

Levensverwachting mannen

2016

78.8

4

Levensverwachting vrouwen

2016

82.3

4

Ervaren gezondheid

2016

78,5%

2

Sociale cohesie

2019

6,1

2

29

Dit is een uitgave van gemeente Haarlem, 21 mei 2021

Tekst: Michelle van Geffen,

________________________________ Postbus 511 2003 PB Haarlem Tel. 14 023 haarlem.nl 30

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12272539/1