06 Bijlage 5 - Advies van de bezwaarschriftencommissie (publiceerbaar)
Tekst van het document
Kenmerk: 2025/554875 Advies van de commissie bezwaarschriften aan de gemeenteraad van de gemeente Haarlem Bezwaarde Gemachtigde Datum bestreden besluit Datum bezwaarschrift Inhoud bestreden besluit
: : de heer mr. B. Wernik : 28 mei 2025 : 1 juli 2025 : het afwijzen van het inleidend verzoek tot het houden van een referendum over het ontwerp raadsbesluit ‘Ruimte voor mensen en mobiliteit. Parkeren in Haarlem’
De samenstelling van de commissie is: Voorzitter : mevrouw B.C. Stuifbergen Leden : mevrouw mr. C.L. Brinks mevrouw dr. J. Jansen De commissie wordt ambtelijk ondersteund door de secretaris, de heer mr. T.F. Baars. I. Feiten en omstandigheden Op 27 maart 2025 heeft de raad besloten om de Referendumverordening gemeente Haarlem 2022 (hierna: Referendumverordening), die op 18 juli 2024 buiten werking was gesteld, weer in werking te stellen op de eerste dag na die van bekendmaking. Ook heeft de raad die dag besloten om de Verordening tot wijziging van de Referendumverordening gemeente Haarlem 2022 vast te stellen, waarin staat dat deze in werking treedt op de tweede dag na die van bekendmaking. Op 3 april 2025 is de Verordening tot wijziging van de Referendumverordening gemeente Haarlem 2022 in het Gemeenteblad gepubliceerd, waardoor deze op 5 april 2025 in werking is getreden. Op 6 mei 2025 heeft (hierna: bezwaarde) een inleidend verzoek tot het houden van een referendum over het ontwerp raadsbesluit ‘Ruimte voor mensen en mobiliteit. Parkeren in Haarlem’ ingediend. Op 28 mei 2025 heeft de raad besloten om dit verzoek af te wijzen. Hieraan heeft de raad een advies van de referendumcommissie van 19 mei 2025 ten grondslag gelegd. Op 3 juni 2025 is het besluit van de raad bekendgemaakt aan bezwaarde. Op 1 juli 2025 heeft de heer mr. B.
Wernik (hierna: gemachtigde) namens bezwaarde een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van de raad. Op 31 juli 2025 heeft de raad schriftelijk op het bezwaar gereageerd. II. Hoorzitting De commissie heeft op 11 augustus 2025 een hoorzitting gehouden waarvoor bezwaarde, gemachtigde en de raad zijn uitgenodigd.
2025/554875 2 Aan de hoorzitting hebben deelgenomen: • bezwaarde; • gemachtigde; • mevrouw mr. M.F.A. Dankbaar, namens de raad; • mevrouw mr. S. Miltenburg, namens de raad; • de heer J. Meindersma, namens de raad. Tijdens de hoorzitting is – zakelijk weergegeven – het volgende gezegd: Gemachtigde Gemachtigde geeft aan dat de raad het inleidend verzoek tot het houden van een referendum over het ontwerp raadsbesluit ‘Ruimte voor mensen en mobiliteit. Parkeren in Haarlem’ heeft afgewezen op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder j, van de Referendumverordening, omdat naar het oordeel van de raad op 6 maart 2024 reeds een referendum is gehouden over hetzelfde onderwerp. Gemachtigde stelt dat beoordeeld moet worden of dit artikel inderdaad in de weg staat aan inwilliging van het verzoek. Daarbij kan volgens hem in het midden worden gelaten of het referendum op 6 maart 2024 ging over hetzelfde onderwerp. Naar het oordeel van gemachtigde is met name van belang of dit referendum mag worden betrokken bij de toetsing aan artikel 2, tweede lid, aanhef en onder j, van de Referendumverordening.
Gemachtigde voert aan dat uit artikel 88 van de Grondwet en aanwijzingen 5.63 en 5.64 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (hierna: Aanwijzingen) blijkt dat als hoofdregel geldt dat een verordening onmiddellijke werking heeft en dat afwijkingen van deze hoofdregel in de verordening moeten worden neergelegd. Verder voert hij aan dat in de Referendumverordening geen overgangsrecht is opgenomen. Gelet hierop komt gemachtigde tot de conclusie dat bij de toetsing aan artikel 2, tweede lid, aanhef en onder j, van de Referendumverordening enkel mag worden gekeken naar referenda die na de inwerkingtreding van dat artikel zijn gehouden. Anders zou het artikel volgens hem terugwerkende kracht hebben. Gemachtigde stelt dat in de schriftelijke reactie van de raad van 31 juli 2025 staat dat artikel 2, tweede lid, aanhef en onder j, van de Referendumverordening is toegevoegd om een nieuw parkeerreferendum te voorkomen. Volgens hem klopt dat niet. Hij betoogt dat het juist de bedoeling was dat er een nieuw parkeerreferendum zou worden gehouden. Ter onderbouwing voert hij aan dat de burgemeester tijdens de raadsvergadering op 30 januari 2025 heeft gezegd dat eerst de Referendumverordening weer in werking moet treden voordat het nieuwe parkeerbeleid wordt vastgesteld.
Verder voert hij aan dat de burgemeester tijdens de vergadering van de commissie Bestuur op 6 maart 2025 heeft gezegd dat er een referendum moet worden gehouden, indien er voldoende ondersteuningsverklaringen worden ingediend. Mevrouw Dankbaar Mevrouw Dankbaar voert aan dat artikel 2, tweede lid, aanhef en onder j, van de Referendumverordening alleen geldt voor referendumverzoeken die dateren van na de inwerkingtreding van de gewijzigde Referendumverordening. Zij stelt dat het artikel dus geen terugwerkende kracht heeft. Dat bij de toetsing aan het artikel ook moet worden gekeken naar referenda die vóór de inwerkingtreding van het artikel zijn gehouden, maakt dat volgens haar niet
2025/554875 3 anders. Mevrouw Dankbaar stelt dat artikel 2, tweede lid, aanhef en onder j, van de Referendumverordening niet is toegevoegd om een nieuw parkeerreferendum te voorkomen, maar om een ‘loop’ van referenda over hetzelfde onderwerp te voorkomen. Commissielid mevrouw Jansen Mevrouw Jansen vraagt mevrouw Dankbaar om te reageren op de stelling van gemachtigde dat uit hetgeen de burgemeester naar voren heeft gebracht kan worden opgemaakt dat het juist de bedoeling was dat er een nieuw parkeerreferendum zou worden gehouden. Mevrouw Dankbaar Mevrouw Dankbaar geeft aan dat het voor haar lastig is om daarop te reageren, omdat zij niet weet wat de burgemeester precies heeft gezegd. Wel merkt zij op dat er überhaupt geen parkeerreferendum had kunnen worden gehouden, indien de Referendumverordening langer buiten werking was gesteld. Het in werking stellen van de Referendumverordening maakte een referendumverzoek over het nieuwe parkeerbeleid mogelijk. Gemachtigde Gemachtigde voert aan dat in de toelichting op artikel 2, tweede lid, aanhef en onder j, van de Referendumverordening staat dat deze bepaling als doel heeft om in de toekomst een ‘loop’ van referenda over hetzelfde onderwerp te voorkomen.
De woorden ‘in de toekomst’ maken volgens hem duidelijk dat bij de toetsing aan dit artikel enkel moet worden gekeken naar referenda die na de inwerkingtreding van het artikel zijn gehouden. Commissielid mevrouw Brinks Mevrouw Brinks merkt op dat gemachtigde heeft gewezen op aanwijzingen 5.63 en 5.64 van de Aanwijzingen. Verder merkt zij op dat aanwijzing 5.61, eerste lid, van de Aanwijzingen luidt: ‘Een nieuwe regeling is niet slechts van toepassing op hetgeen na haar inwerkingtreding voorvalt, doch ook op hetgeen bij haar inwerkingtreding bestaat, zoals bestaande rechtsposities en verhoudingen (onmiddellijke werking).’ Zij vraagt gemachtigde of in het onderhavige geval niet juist laatstgenoemde aanwijzing relevant is. Gemachtigde Gemachtigde stelt dat op basis van de genoemde aanwijzingen overgangsrecht had moeten worden opgenomen in de Referendumverordening. Als voorbeeld noemt hij het aanpassen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel. Het voorstel is om de geldigheidsduur terug te brengen van vijf naar drie jaar. Dat kan volgens hem ook niet zonder overgangsrecht, omdat mensen anders plotseling hun verblijfsvergunning zouden kwijtraken. Gemachtigde betoogt dat bij de uitleg van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder j, van de Referendumverordening moet worden gekeken naar de bedoeling van de raad.
Hij stelt dat daarbij de uitlatingen van de burgemeester en de toelichting op het artikel relevant zijn. Volgens hem was voor iedereen duidelijk dat er opnieuw een parkeerreferendum zou kunnen worden gehouden.
2025/554875 4 Mevrouw Dankbaar Mevrouw Dankbaar voert aan dat de vergelijking met het aanpassen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel niet opgaat, omdat in het onderhavige geval geen bestaande rechten worden aangetast. Mevrouw Dankbaar wijst erop dat dezelfde raad die de Referendumverordening heeft vastgesteld, ook het inleidend verzoek tot het houden van een referendum over het ontwerp raadsbesluit ‘Ruimte voor mensen en mobiliteit. Parkeren in Haarlem’ heeft afgewezen. Commissielid mevrouw Brinks Mevrouw Brinks vraagt wat precies wordt bedoeld met een ‘loop’ van referenda. Mevrouw Dankbaar Mevrouw Dankbaar antwoordt dat daarmee wordt gedoeld op herhaalde referenda over hetzelfde onderwerp. Zij stelt dat het beleid vastloopt als meerdere keren een referendum moet worden gehouden over hetzelfde onderwerp. III. Juridisch kader De wet- en regelgeving die voor de beoordeling van het bezwaar belangrijk is, staat in de bijlage bij dit advies. IV. Bezwaren, kort samengevat Blijkens artikel 88 van de Grondwet en aanwijzingen 5.63 en 5.64 van de Aanwijzingen geldt als hoofdregel dat een verordening onmiddellijke werking heeft. Er zijn twee andere mogelijkheden: terugwerkende kracht en eerbiedigende of uitgestelde werking. Indien wordt beoogd om af te wijken van de hoofdregel, moet dit uitdrukkelijk in de verordening worden bepaald.
De Referendumverordening kent geen overgangsrecht en uit de toelichting op de Referendumverordening kan worden opgemaakt dat terugwerkende kracht niet is beoogd, aangezien expliciet wordt verwezen naar de toekomst. Geconcludeerd moet worden dat artikel 2, tweede lid, aanhef en onder j, van de Referendumverordening ‘vanaf datum inwerkingtreding alleen kan zien op onderwerpen die spelen na datum inwerkingtreding en derhalve geen gevolgen kan hebben voor onderwerpen van voor datum inwerkingtreding’. Dat op 6 maart 2024 een referendum is gehouden over de ‘Nota Uitwerking parkeerregulering: Uitbreiding betaald parkeren in Haarlem’, kan dus geen reden zijn om het inleidend verzoek tot het houden van een referendum over het ontwerp raadsbesluit ‘Ruimte voor mensen en mobiliteit. Parkeren in Haarlem’ af te wijzen. V. Overwegingen van de commissie Inleidende overwegingen 1. Bij besluit van 28 mei 2025 heeft de raad het inleidend verzoek tot het houden van een referendum over het ontwerp raadsbesluit ‘Ruimte voor mensen en mobiliteit. Parkeren in Haarlem’ afgewezen op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder j, van de Referendumverordening. Dit artikel luidt: ‘Onderwerp van een referendum is een ontwerp raadsbesluit, met uitzondering van besluiten die naar het oordeel van de raad gaan over een onderwerp waarover in de afgelopen vier jaar een referendum is gehouden.’
2025/554875 5 2. Aan het besluit van 28 mei 2025 heeft de raad een advies van de referendumcommissie van 19 mei 2025 ten grondslag gelegd. In het advies overweegt de referendumcommissie dat in 2024 een referendum is gehouden over de ‘Nota Uitwerking parkeerregulering: Uitbreiding betaald parkeren in Haarlem’, dat naar aanleiding van dit referendum is besloten om de nota in te trekken, dat vervolgens een participatief traject is opgestart en dat de opbrengst van dit traject mede de inhoudelijke basis vormt voor het ontwerp raadsbesluit ‘Ruimte voor mensen en mobiliteit. Parkeren in Haarlem’. Verder overweegt de referendumcommissie: ‘Hoewel de nieuwe nota op enkele punten is aangepast ten opzichte van de eerder voorgelegde nota – denk aan het verhoogde omslagpunt voor gereguleerd parkeren (van 85% naar 95%), het gefaseerd invoeren van vergunningenplafonds en het toegevoegde stoplichtmodel – blijft de kern van het beleid onverminderd gericht op de uitbreiding van gereguleerd parkeren in Haarlem. Naar het oordeel van de referendumcommissie is daarmee sprake van beleidsmatige continuïteit. De aanpassingen zijn inhoudelijk relevant, maar zijn niet van zodanige aard dat gesproken kan worden van een nieuw ‘onderwerp’. Het voorliggende besluit betreft hetzelfde onderwerp als waarover in 2024 reeds een referendum is gehouden.’ Reikwijdte van het geschil 3.
Bezwaarde heeft niet bestreden dat de ‘Nota Uitwerking parkeerregulering: Uitbreiding betaald parkeren in Haarlem’ en het ontwerp raadsbesluit ‘Ruimte voor mensen en mobiliteit. Parkeren in Haarlem’ over hetzelfde onderwerp gaan. Ook anderszins ziet de commissie geen reden om daaraan te twijfelen. 4. Bezwaarde heeft zich op het standpunt gesteld dat de raad artikel 2, tweede lid, aanhef en onder j, van de Referendumverordening onjuist heeft toegepast. Hij betoogt dat bij de toetsing aan dit artikel enkel mag worden gekeken naar referenda die na de inwerkingtreding van het artikel zijn gehouden. Dat op 6 maart 2024 een referendum is gehouden over de ‘Nota Uitwerking parkeerregulering: Uitbreiding betaald parkeren in Haarlem’, kan volgens hem dus geen reden zijn om het inleidend verzoek tot het houden van een referendum over het ontwerp raadsbesluit ‘Ruimte voor mensen en mobiliteit. Parkeren in Haarlem’ af te wijzen. 5. Gelet op het bovenstaande ziet de commissie zich voor de vraag gesteld welk overgangsrecht van toepassing is op artikel 2, tweede lid, aanhef en onder j, van de Referendumverordening. Het toepasselijke overgangsrecht 6. De commissie stelt voorop dat de Aanwijzingen, waarnaar bezwaarde heeft verwezen, niet van belang zijn bij het beantwoorden van de vraag welk overgangsrecht geldt.
De Aanwijzingen hebben betrekking op regelingen die onder ministeriële verantwoordelijkheid tot stand komen en zijn dus niet van toepassing op gemeentelijke verordeningen (vergelijk een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 12 juli 2022, ECLI:NL:CBB:2022:407, r.o. 9.2). Of de Aanwijzingen op juiste wijze zijn gevolgd bij de totstandkoming van een regeling, is bovendien niet relevant voor de interpretatie van een
2025/554875 6 eenmaal vastgestelde regeling (zie een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 september 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:7047, r.o. 17). 7. De commissie is van oordeel dat de bewoordingen, de strekking en de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder j, van de Referendumverordening bepalend zijn voor het antwoord op de vraag welk overgangsrecht geldt. Naar het oordeel van de commissie maken de door de leden van de raad en de door de leden van het college naar voren gebrachte opvattingen tijdens de behandeling van het raadsvoorstel ‘Wijziging Referendumverordening gemeente Haarlem 2022’ (2024/2140778) deel uit van de totstandkomingsgeschiedenis van het artikel. De commissie vindt hiervoor steun in twee uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling), te weten een uitspraak van 31 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4763, r.o. 3.1) en een uitspraak van 9 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2910, r.o. 5.1 en 5.2). 8. De commissie overweegt dat er in beginsel drie soorten overgangsrecht bestaan: onmiddellijke werking, terugwerkende kracht en eerbiedigende of uitgestelde werking. Bij onmiddellijke werking is een regeling niet slechts van toepassing op hetgeen na haar inwerkingtreding voorvalt, maar ook op hetgeen bij haar inwerkingtreding bestaat, zoals bestaande situaties, rechtsposities en verhoudingen.
Door het verlenen van terugwerkende kracht aan een regeling worden de in die regeling voorziene rechtsgevolgen gerekend te zijn ingetreden vanaf een tijdstip voorafgaand aan de inwerkingtreding van de regeling. Een nieuwe regeling kan ook een daarvóór geldende regeling blijvend (eerbiedigende werking) of voor een bepaalde periode (uitgestelde werking) van toepassing laten. 9. Het betoog van bezwaarde dat bij de toetsing aan artikel 2, tweede lid, aanhef en onder j, van de Referendumverordening enkel mag worden gekeken naar referenda die na de inwerkingtreding van dat artikel zijn gehouden, komt erop neer dat het artikel uitgestelde werking heeft. In dat geval zou de uitzonderingsgrond namelijk pas vanaf vier jaar na de inwerkingtreding van de gewijzigde Referendumverordening kunnen worden toegepast. 10. Ter onderbouwing van zijn betoog verwijst bezwaarde naar de toelichting op artikel 2, tweede lid, aanhef en onder j, van de Referendumverordening, waarin staat: ‘Deze bepaling heeft als doel om in de toekomst een ‘loop’ van referenda over hetzelfde onderwerp te voorkomen.’ De woorden ‘in de toekomst’ wijzen volgens hem op uitgestelde werking.
Daarnaast verwijst bezwaarde naar uitspraken van de burgemeester tijdens de raadsvergadering op 30 januari 2025 en de vergadering van de commissie Bestuur op 6 maart 2025, waaruit volgens hem kan worden opgemaakt dat het de bedoeling was dat er een nieuw parkeerreferendum zou worden gehouden. 11. Voor zover hier van belang, heeft de burgemeester tijdens de raadsvergadering op 30 januari 2025 het volgende gezegd: ‘Ik weet waar u in ieder geval op doelt, want u maakt zich zorgen dat als het precies gaat zoals in de jaarraadsagenda staat rond het parkeerbeleid, dan dreigt dat fout te lopen met het
2025/554875 7 referendum en dat zal worden aangepast.’ (Transcript van de raadsvergadering van gemeente Haarlem d.d. 30 januari 2025, p. 5) ‘Ik heb net verteld en dat was volgens mij het punt waar het u om ging, we gaan dus niet voordat we de referendumverordening vaststellen, het parkeerbeleid vaststellen.’ (Transcript van de raadsvergadering van gemeente Haarlem d.d. 30 januari 2025, p. 6) ‘Ik heb het net al aangegeven. De referendumverordening is op een later tijdstip ingezet. Dat betekent dat de afspraak met de raad dat wij eerst een referendumverordening hebben en dan het parkeerbeleid zouden vaststellen, maakt dat pas in april het parkeerbeleid aan de orde komt en niet in maart, zoals in deze raadsjaaragenda staat.’ (Transcript van de raadsvergadering van gemeente Haarlem d.d. 30 januari 2025, p. 7) 12. Voor zover hier van belang, heeft de burgemeester tijdens de vergadering van de commissie Bestuur op 6 maart 2025 het volgende gezegd: ‘Het punt is, want dat kan ik ook omdraaien. Ik denk dat in beide gevallen waarin burgers dat hebben aangevraagd die drempel, deze hogere drempel, geen enkel probleem was geweest. Dus dan is het aan de raad om te zeggen: we vinden het een zwaar instrument en dus mag er ook best wel wat geëist worden aan handtekeningen. Het moet uitnodigend zijn? Dat woord gebruikt u. Het moet uitnodigend zijn.
Je moet als het ware mensen verleiden om te zeggen van kom, vraag ook eens een referendum aan. Nou, dat is niet het gevoel hoe het college ernaar kijkt. Het college zegt: het is een instrument van burgers als iets echt hoog zit en ze zeggen: daar gaan we voor in beweging komen. Dan halen ze handtekeningen op. En dan blijkt dat dit leeft in de stad. En dan wordt er een referendum gehouden. Dat is onze redenering.’ (Transcript van de commissie Bestuur van de gemeente Haarlem d.d. 6 maart 2025, p. 21) 13. In hetgeen bezwaarde heeft aangevoerd ziet de commissie geen grond voor het oordeel dat artikel 2, tweede lid, aanhef en onder j, van de Referendumverordening uitgestelde werking heeft. Naar het oordeel van de commissie zijn de woorden ‘in de toekomst’ onvoldoende om te kunnen concluderen dat uitgestelde werking is beoogd. De commissie acht aannemelijker dat deze woorden zijn gebruikt, omdat het gaat om een nieuwe uitzonderingsgrond. Ook de aangehaalde uitspraken van de burgemeester wijzen er naar het oordeel van de commissie niet op dat uitgestelde werking is beoogd. De uitspraken van de burgemeester tijdens de raadsvergadering op 30 januari 2025 maken geen deel uit van de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder j, van de Referendumverordening.
Tijdens deze vergadering is namelijk niet het raadsvoorstel ‘Wijziging Referendumverordening gemeente Haarlem 2022’ behandeld, maar de Raadsjaaragenda voor het jaar 2025. Verder zien de uitspraken van de burgemeester tijdens de vergadering van de commissie Bestuur op 6 maart 2025 niet op artikel 2, tweede lid, aanhef en onder j, van de Referendumverordening, maar op het vereiste aantal ondersteuningsverklaringen voor een referendumverzoek.
2025/554875 8 14. Ook anderszins ziet de commissie geen aanknopingspunten voor het oordeel dat artikel 2, tweede lid, aanhef en onder j, van de Referendumverordening uitgestelde werking heeft. Het raadsvoorstel ‘Wijziging Referendumverordening gemeente Haarlem 2022’ is behandeld tijdens de vergaderingen van de commissie Bestuur op 6 maart 2025 en 20 maart 2025 en de raadsvergadering op 27 maart 2025. De commissie heeft de transcripten van deze vergaderingen gelezen. Niets wijst erop dat ervan werd uitgegaan dat het artikel uitgestelde werking zou hebben en niemand heeft geopperd om aan het artikel uitgestelde werking te verlenen. 15. De commissie is van oordeel dat artikel 2, tweede lid, aanhef en onder j, van de Referendumverordening onmiddellijke werking heeft, hetgeen betekent dat bij de toetsing aan het artikel ook moet worden gekeken naar referenda die vóór de inwerkingtreding van dat artikel zijn gehouden. De commissie vindt hiervoor steun in de bewoordingen van het artikel, aangezien van een andere bedoeling niet blijkt. Verder zou het buiten beschouwing laten van referenda die vóór de inwerkingtreding van het artikel zijn gehouden, betekenen dat in de vier jaar na inwerkingtreding van het artikel nog herhaalde referenda kunnen worden gehouden, terwijl de strekking van het artikel juist is om herhaalde referenda te voorkomen.
Ook laten verschillende bijdragen tijdens de raadsvergadering op 27 maart 2025 zien dat ervan werd uitgegaan dat het artikel onmiddellijke werking zou hebben. Ter illustratie verwijst de commissie naar bijdragen van de heer Kuin, mevrouw Klazinga en de heer Rademaker: De heer Kuin: ‘Ik ben wel benieuwd, want de loop, er ligt een totaal nieuw parkeerplan. Dat is heel anders. Er is een referendum geweest. Is het dan niet raar dat de burgers vervolgens daar niets over zouden kunnen zeggen?’ (Transcript van de raadsvergadering van gemeente Haarlem d.d. 27 maart 2025, p. 35) Mevrouw Klazinga: ‘Laten we het parkeerreferendum als voorbeeld nemen. Stel dat er dit jaar geen nieuw beleid hierover genomen, besloten wordt. Bij de verkiezingen van 2026 straf de inwoner de zittende coalitie potentieel af. Laten we stellen dat dat gebeurt. Er komt daarna een coalitie met duidelijke tegenstanders van dat voorgestelde parkeerbeleid. Dus is wat de VVD betreft niet de bedoeling dat die nieuwe coalitie, zonder het risico van een referendum, tot nieuwe besluitvorming over parkeren over kan gaan.’ (Transcript van de raadsvergadering van gemeente Haarlem d.d. 27 maart 2025, p. 37) De heer Rademaker: ‘Nu wordt het nog moeilijker gemaakt om een referendum te houden. Ik noem een voorbeeld. Geen tweede referendum binnen vier jaar over hetzelfde onderwerp.
Handig wanneer je straks een waardeloos parkeerbeleid door de strot wil duwen, dat totaal geen recht doet aan de uitslag van het vorige referendum.’ (Transcript van de raadsvergadering van gemeente Haarlem d.d. 27 maart 2025, p. 37-38) 16. Nu uit bovenstaande bijdragen blijkt dat de heer Kuin, mevrouw Klazinga en de heer Rademaker het niet geheel eens waren met het voorgestelde artikel, merkt de commissie op dat zij – samen met anderen – amendementen hebben ingediend. Deze amendementen zijn echter niet aangenomen.
2025/554875 9 17. Tot slot merkt de commissie nog het volgende op. Dat bij de toetsing aan artikel 2, tweede lid, aanhef en onder j, van de Referendumverordening ook moet worden gekeken naar referenda die vóór de inwerkingtreding van het artikel zijn gehouden, betekent niet dat het artikel terugwerkende kracht heeft. Het voorziene rechtsgevolg, namelijk dat er geen referendum kan worden gehouden over een ontwerp raadsbesluit dat naar het oordeel van de raad gaat over een onderwerp waarover in de afgelopen vier jaar een referendum is gehouden, werkt immers niet terug. Alleen nieuwe referendumverzoeken kunnen aan het artikel worden getoetst. Conclusie 18. Alles overwegende is de commissie van oordeel dat de raad terecht en op goede gronden heeft besloten om het inleidend verzoek tot het houden van een referendum over het ontwerp raadsbesluit ‘Ruimte voor mensen en mobiliteit. Parkeren in Haarlem’ af te wijzen. De commissie adviseert de raad dan ook om het besluit van 28 mei 2025 in stand te laten. 19. Bezwaarde heeft verzocht om een proceskostenvergoeding op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat de commissie van oordeel is dat het bestreden besluit niet hoeft te worden herroepen, adviseert zij de raad om dit verzoek af te wijzen. VI.
Advies De commissie adviseert de raad om: • het bestreden besluit in stand te laten; • het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Haarlem, 18 augustus 2025
De voorzitter, mevrouw B.C. Stuifbergen
De secretaris, de heer mr. T.F. Baars
2025/554875 10 Bijlage – Juridisch kader Referendumverordening gemeente Haarlem 2022 Artikel 2 (…) 2. Onderwerp van een referendum is een ontwerp raadsbesluit, met uitzondering van besluiten: (…) j. die naar het oordeel van de raad gaan over een onderwerp waarover in de afgelopen vier jaar een referendum is gehouden; (…) Algemene wet bestuursrecht Artikel 7:15 (…) 2. De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. (…) Grondwet Artikel 88 De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt. Aanwijzingen voor de regelgeving Aanwijzing 5.61 1. Een nieuwe regeling is niet slechts van toepassing op hetgeen na haar inwerkingtreding voorvalt, doch ook op hetgeen bij haar inwerkingtreding bestaat, zoals bestaande rechtsposities en verhoudingen (onmiddellijke werking). 2. Indien beoogd wordt af te wijken van het eerste lid, wordt dit uitdrukkelijk bepaald. Aanwijzing 5.62 1. Aan een regeling wordt slechts terugwerkende kracht verleend, indien daarvoor een bijzondere reden bestaat. 2.
Door het verlenen van terugwerkende kracht aan een regeling worden de in die regeling voorziene rechtsgevolgen gerekend te zijn ingetreden vanaf een nader aangeduid tijdstip voorafgaande aan de inwerkingtreding van die regeling. 3. Aan belastende regelingen wordt, behoudens in uitzonderlijke gevallen, geen terugwerkende kracht toegekend. 4. Bij een regeling mag een feit dat vóór haar inwerkingtreding is geschied, niet strafbaar of zwaarder strafbaar worden gesteld.
2025/554875 11 Aanwijzing 5.63 1. Het verlenen van terugwerkende kracht geschiedt niet door de regeling in werking te laten treden op een tijdstip dat in het verleden ligt. 2. Voor het verlenen van terugwerkende kracht wordt een van de volgende modellen gebruikt: A. Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking [op / met ingang van ...; zie aanwijzing 4.21] en werkt [ten aanzien van artikel... / de artikelen...] terug tot en met... B. Deze wet / Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. In dat besluit kan worden bepaald dat [artikel ... / de artikelen ... van] deze wet / dit besluit [terugwerkt / terugwerken] tot en met [... / een in dat besluit te bepalen tijdstip] [, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld]. 3. Indien dit voor de duidelijkheid van de beoogde rechtsgevolgen van terugwerkende kracht nodig is, worden meer gespecificeerde bepalingen opgenomen. 4. In de toelichting wordt vermeld om welke reden en tot en met welk tijdstip het verlenen van terugwerkende kracht noodzakelijk is of kan zijn. Aanwijzing 5.64 1.
Een nieuwe regeling kan een daarvoor geldende regeling blijvend (eerbiedigende werking) of voor een bepaalde periode (uitgestelde werking) van toepassing laten op nader aangeduide feiten of verhoudingen, dan wel blijvend of voor een bepaalde periode gelding toekennen aan door een daarvoor geldende regeling in het leven geroepen rechten of verplichtingen. 2. Bij het verlenen van eerbiedigende of uitgestelde werking of het toekennen van gelding aan door een eerdere regeling in het leven geroepen rechten of verplichtingen blijkt uit de regeling duidelijk welke rechtsgevolgen beoogd worden.