06 Bijlage 4 Randvoorwaarden eisen en wensen
Tekst van het document
strategy x design
te verminderen. Hiervoor wordt de ruimte zo ingericht dat de zichtbaarheid van fietsers verbeterd; goede zichtlijnen, voldoende opstelruimte, goede markeringen, obstakelvrij en goed verlicht. 4. Als onderdeel van de G200 dient het bestaande fietspad (het Veerpad ) parallel aan het spoor aan de noordzijde van het plangebied verbeterd te worden en aan te takken aan de noordzijde van het station Haarlem Spaarnwoude de fietsenstallingen en de Jan van Krimpenweg richting centrum 5. Het bestaande vrijliggende fietspad voorlangs de hoofdingang van IKEA, blijft als fietsroute gehandhaafd. 6. Aan de zuidzijde dienen de regionale doorfietsroutes van zowel de F200 en de F205 aan te sluiten op de fietsroute richting de hellingbaan van de nieuw te bouwen fietsbrug en aan te sluiten op de fietsenstallingen aan de noord- en zuidzijde van het station Haarlem Spaarnwoude. Wens 1. Als onderdeel van de F205 aan de noordzijde van het plangebied, is er de wens omlangs de Jan van Krimpenweg in noord-zuid richting een vrijliggend fietspad te realiseren, die conflictvrij van bus, auto- en vrachtverkeer, gerealiseerd wordt en aansluit op de Oudeweg/Waarderweg in noordelijke richting.
4.7.5 Fietsparkeren en stalling scootmobielen
Fietsparkeren en stalling van scootmobielen is een integraal onderdeel van de ontwerpopgave.
Bewoners en werknemers worden gestimuleerd om de fiets inpandig te parkeren, zodat de buitenruimte beschikbaar blijft voor andere doeleinden. Opstelplekken voor bezoekers zijn logisch gelegen, goed toegankelijkheid en in voldoende mate aanwezig zijn. Voor de programmatische kaders van de OV-fietsenstalling op de stationspleinen, zie paragraaf 4.7.9 van deze bijlage. Eisen 1. Voldaan wordt aan de fietsparkeernormen en de kwaliteitseisen fietsparkeren, zoals verwoord in de Nota parkeernormen. 2. Voldaan wordt aan het Haarlemse Fietsbeleid 2023 waarin staat opgenomen dat, rondom OVknooppunten, kwalitatieve goede en geclusterde voorzieningen nodig zijn, die voorzien in de verwachte groei van reizigers. Uitgangspunt voor het toepassen van collectieve fietsenstallingen is de Haarlemse beleidsregel bergingen bij nieuwe woongebouwen en het Handboek fiets- en scooterparkeren (staat vermeld in HIOR). 3. Aanvullend op de nota parkeernormen en de beleidsregel bergingen geldt: a. De entree tot inpandig fietsparkeren intern koppelen aan de hoofdentree van woningen. b. De fietsenstalling is toegankelijk, aantrekkelijk en bereikbaar vanuit de buitenruimte, waardoor bewoners en werknemers gestimuleerd worden fietsen inpandig te stallen. 4.
Afzonderlijke ruimte bij entree voor het stallen van scootmobielen, bakfietsen en andere voertuigen met afwijkende maten dient conform de nota parkeernormen uitgevoerd te worde
Hart voor Oostpoort | Masterplan | Bijlage 4 - Randvoorwaarden, eisen en wensen
16
5. Het ontwerp van de stallingen voldoet aan de eisen in paragraaf 4.10.4 van deze bijlage en de betreffende beeldkwaliteitscriteria in hoofdstuk 5 en bijlage 5 van het Masterplan.
4.7.6 Autoparkeren
Vanwege de ligging bij trein- en busstation Haarlem Spaarnwoude, biedt Hart voor Oostpoort een woonmilieu waarbij het autobezit laag kan blijven. Uiteraard moet voor de te realiseren woningen en voorzieningen wel voldaan worden aan het Haarlems parkeerbeleid, dat uitgaat van parkeren op eigen terrein. Voor de programmatische kaders van de P+Rgarage, zie paragraaf 4.7.9. van deze bijlage. Algemene eisen 1. Voldaan wordt aan de parkeernormen, zoals verwoord in de Nota parkeernormen. 2. De parkeeropgave wordt in of onder de gebouwen opgelost, parkeren op maaiveld is aan de zuidzijde beperkt toegestaan. 3. Voor de uitvoering van de parkeergarages gelden de normen uit de NEN 2443. 4. Uitritten parkeergarages zijn verkeersveilig ontworpen volgens de CROW-richtlijnen. 5. Adressen binnen het plangebied worden uitgesloten van openbare parkeerrechten, op deze adressen kunnen geen parkeervergunningen worden aangevraagd. Eisen gehandicaptenparkeerplaatsen 1. Voor ontwikkelingen waarin functies komen met een sociaal-maatschappelijk karakter met een parkeerbehoefte van minimaal 15 parkeerplaatsen, moet minimaal 2% daarvan worden ingericht als
strategy x design
algemene gehandicaptenparkeerplaats, met een minimum van 1. 2. Gehandicaptenparkeerplaatsen moeten binnen een loopafstand van maximaal 100m liggen van de ingang van het betreffende gebouw, gemeten vanaf de parkeerplaats en voldoen aan de gestelde afmetingen beschreven het HIOR. Eis parkeergarages woongebouwen 1. Voor de parkeerbehoefte van bewoners worden alle parkeervakken voorbereid op leidingdoorvoeren voor oplaadpunten. 2. Het ontwerp van de garages voldoet aan de eisen in paragraaf 4.10.5 van deze bijlage en de betreffende beeldkwaliteitscriteria in hoofdstuk 5 en bijlage 5 van het Masterplan.
4.7.7 Bushaltes
De bushaltes ten noorden en zuiden van station Haarlem Spaarnwoude worden zodanig ingepast en ontworpen dat ze samen met de rest van de openbare ruimte een hoge gebruiks- en verblijfskwaliteit krijgen. Eisen 1. De bushaltes zoals verbeeld in de proefverkaveling in hoofdstuk 3 van het Masterplan, worden parallel aan de uitwerking het stedenbouwkundig plan in het schetsontwerp openbare ruimte uitgewerkt, zie paragraaf 6.5. 2. De bushaltes sluiten in functioneren, ruimtelijke opzet en materialisering nauwkeurig aan op de rest van de openbare ruimte en de omliggende bebouwing. 3. Tijdens het ontwerpproces wordt met de provincie en het vervoersbedrijf afstemming gezocht
over de benodigd perronlengte, benodigde laadplekken, wachtruimtes en voorzieningen voor buschauffeurs etc. 4. Bushaltes dienen toegankelijk ontworpen te worden volgens de CROW-richtlijnen en de CROW Richtlijn Toegankelijkheid. 5. Benodigde trafokasten en rustruimte voor buschauffeurs (indien hierin wordt voorzien), worden niet in de openbare ruimte, maar in de omliggende gebouwen geplaatst, zie ook paragrafen 4.5.4 en 4.10.7 van deze bijlage en de beeldkwaliteitscriteria in hoofdstuk 5 en in bijlage 5 van het Masterplan.
4.7.8 Treinstation
Hart voor Oostpoort heeft als uitgangspunt dat het treinstation Haarlem Spaarnwoude niet ingrijpend aangepast hoeft te worden. Kleine aanpassingen zijn wel noodzakelijk om in de nieuwe situatie met bebouwing aan de noord- en zuidkant, een goede toegang tot de perrons te garanderen. In het stedenbouwkundig schetsontwerp is een HOVreservering opgenomen. Eisen 1. Aanpassingen aan de toegangen tot de perrons zoals verbeeld in de proefverkaveling in hoofdstuk 3 van het Masterplan, worden parallel aan de uitwerking het stedenbouwkundig plan uitgewerkt in het schetsontwerp hoofdinfrastructuure, zie paragraaf 6.5 van het Masterplan. 2. De aangepaste toegangen sluit in functioneren, ruimtelijke opzet en materialisering nauwkeurig aan op de rest van de openbare ruimte en voldoen aan de Richtlijn Toegankelijkheid.
Hart voor Oostpoort | Masterplan | Bijlage 4 - Randvoorwaarden, eisen en wensen
17
3. In afstemming met ProRail wordt de locatie bepaald voor fundering van de fietsbrug over het spoor op het perron. 4. Bij werk rondom het station dient voldaan te worden aan de ontwerpvoorschriften van Prorail en NS zoals verwoord OVS 2023 5. Openbare ruimte en bebouwing wordt zo ingericht dat een uitbreiding van het HOV niet onmogelijk gemaakt wordt
4.7.9 Voorzieningen OV-Knooppunt
Hart voor Oostpoort wordt een hoogwaardig OVknooppunt waarbij de overstap van fiets en auto naar trein en bus zo comfortabel mogelijk opgelost wordt. Op de twee stationspleinen komt een OVfietsenstalling. Voor de overstap van auto naar trein en bus is in het parkeerprogramma aan de noordzijde ruimte voor een P+R opgenomen. Eisen 1. De P+R voorziening beschikt over minimaal 150 parkeerplaatsen. 2. De P+R voorziening beschikt over minimaal 5% van de plaatsen voor mindervaliden. 3. De P+R voorziening beschikt over een duidelijke en veilige ontsluiting en in- en uitritconstructie. 4. De P+R voorziening beschikt over een maximale loopafstand van 250 meter op het station Haarlem Spaarnwoude. 5. De P+R voorziening moet beschikken over een eigen opgang inclusief slagboom voor de P&R bezoeker. 6. De P+R voorziening voldoet aan NEN 2443 (parkeervoorzieningen) en het BBL (Besluit
strategy x design
bouwwerken leefomgeving) 7. De Stations-fietsenstalling op de twee stationspleinen beschikt over opstelplekken voor bakfietsen, scooters en andere buitenmaatfietsen. De stalling is ook voor deze (zwaardere) vervoersmiddelen goed toegankelijk vanaf de omliggende fietspaden, conform de eisen van Prorail en NS zoals opgenomen in het Programma van Eisen stationsomgeving (bijlage 6 van het Masterplan). 8. De entrees van OV-fietsenstalling en P+R-garage zijn goed zichtbaar en vindbaar vanaf de fiets- en autoroutes naar station Haarlem Spaarnwoude. 9. De OV-fietsenstalling en P+R-garage voldoen aan de relevante eisen voor stallingen en garages in de paragrafen 4.7.5, 4.7.6, 4.10.4 en 4.10.5 van deze bijlage en aan de beeldkwaliteitcriteria in hoofdstuk 5 en bijlage 5 van het Masterplan Wens 1. Voor de buschauffeurs wordt bij het busstation ook een rustruimte in een van de gebouwen opgenomen.
4.7.10 Toegankelijkheid calamiteitendiensten
Politie, ambulance en brandweer dienen te allen tijde toegang te hebben tot de openbare ruimte en de gebouwen. Het mobiliteitsplan, het ontwerp openbare ruimte, het ontwerp van de hoofdinfrastructuur en de gebouwontwerpen zullen beoordeeld worden door de nood- en hulpdiensten op basis van de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid VRNHN 2021. Hieronder volgen de kaders met betrekking tot toegankelijkheid op hoofdlijnen.
Eisen 1. Alle gebouwen zijn goed bereikbaar voor calamiteitendiensten, waarbij de voertuigen op minimaal 10m van de hoofdentree van de gebouwen kunnen komen. 2. Eventuele verhoogde maaivelden in de openbare ruimte zijn goed toegankelijk voor voertuigen van hulpdiensten. Maatgevend hierbij is een 25-tonsbrandweerauto met een asdruk van 11,5 ton: zowel het dek als de hellingbaan moeten hierop berekend zijn. 3. Eventueel doodlopende straten hebben aan het einde een keermogelijkheid voor voertuigen van hulpdiensten. 4. Toegangen tot de entrees van gebouwen dienen altijd een vrije doorgang voor brancards te hebben (onder andere van belang bij entrees waar de mogelijkheid bestaat dat de toegang wordt belemmerd door wild geparkeerde fietsen en scooters). 5. Calamiteitendiensten kunnen middels een transponder eventuele zakpalen centraal bedienen (systeem conform centrum Haarlem). 6. Calamiteitendiensten dienen met een pasje poorten en hekken tot collectieve binnenterreinen, garages en stallingen open te krijgen. 7. Bij de ingebruikname van de gebouwen (bij de sleuteloverdracht) is de openbare ruimte rond de gebouwen opgeleverd en toegankelijk voor de hulpdiensten.
Hart voor Oostpoort | Masterplan | Bijlage 4 - Randvoorwaarden, eisen en wensen
18
4.7.11 Laden & lossen, verhuisdiensten, pakketbezorging, personenvervoer, et cetera.
In het plangebied worden woningen en voorzieningen toegevoegd. Deze functies generen logistieke stromen (afval, pakketleveringen, verhuizingen, enz.). Uitgangspunt is dat deze ‘reguliere’ logistieke stromen zo veel mogelijk aan de randen van het plangebied worden afgewikkeld. Eisen 1. Foutief gebruik van de openbare ruimte (zoals parkeren, laden en lossen op trottoir of fietspad, enz.) wordt onmogelijk gemaakt op een vriendelijke manier én door het aanbieden van goede parkeervoorzieningen. 2. Verhuisdiensten moeten tot 20m van een (hoofd) entree kunnen komen. 3. Bij elke ontwikkeling wordt aangegeven hoe de logistiek (opvangen bezoek, ontvangen pakketjes/ thuisbezorgdiensten, ophalen afval, etc.) wordt georganiseerd, zonder afwenteling op de openbare ruimte.
4.8 Openbare ruimte Deze paragraaf geeft de kaders voor de inrichting en het ontwerp van de openbare ruimte. De kaders zijn onderverdeeld in de volgende thema’s: 1. Sociaal veilig 2. Ondergrondse ruimte 3. Groenkwaliteit 4. Maaiveldinrichting 5. Afvalinzameling Het ontwerp van de openbare ruimte wordt getoetst
strategy x design
aan onderstaande randvoorwaarden, eisen en wensen. Hoofdstuk 5 en bijlage 5 van het Masterplan geeft de beeldkwaliteitscriteria voor de inrichting en vormgeving van openbare ruimte.
4.8.1 Sociaal veilig en toegankelijk
Een stad dient te allen tijde zo veilig mogelijk te zijn voor verschillende gebruikers en bewoners. Op straat moet iedereen zich welkom voelen, zich vrij en zelfstandig durven te bewegen en te verblijven. Zeker een stationsomgeving wat door veel verschillende mensen gebruikt wordt, dient dus zo veilig mogelijk te zijn en te voelen.
6. Stel een BLVC-plan op: bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid en communicatie, met ook aandacht voor sociale veiligheid. 7. De openbare ruimte wordt voor iedereen toegankelijk ontworpen (design for all) en voldoet aan de inrichtingseisen toegankelijkheid uit het HIOR en publicatie 337 - Richtlijn Toegankelijkheid van het CROW. 8. Er dient rekening gehouden te worden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking (5.162 Bkl).
Eisen 1. De openbare ruimte wordt sociaal veilig ontworpen en voldoet aan het Politiekeurmerk Veilig Wonen Nieuwbouw.
9. De openbare ruimte wordt deels ingericht met uitnodigende onderdelen om te bewegen en sporten. (Haarlems Sport akkoord 2.0)
2. ’s Avonds wordt de openbare ruimte voldoende verlicht, met name de routes naar het treinstation en de bushaltes. Dit wordt aangetoond met een verlichtingsplan en lichtberekening. Zie voor specifieke richtlijnen Beleidsplan Openbare Verlichting.
Wens 1. Verbinding met de Veerplas is een sociaal veilige verbinding voor alle doelgroepen, zodat het natuurgebied echt toegevoegde waarde heeft voor deze nieuwe wijk.
3. Neem het verlichtingsontwerp integraal op in het ontwerp openbare ruimte en niét pas bij de (standaard)toets om aan het Beleidsplan Openbare Verlichting te voldoen. 4. Alle plekken in de openbare ruimte zijn goed zichtbaar vanaf de openbare ruimte en vanuit de omliggende bebouwing (voldoende zichtrelaties, ‘ogen op straat’, geen afschermende beplanting). 5. Bij verdere uitwerking van de openbare ruimte worden oplossingen getoetst aan het Handboek Veilig Ontwerp en Beheer.
2. Maak bij de verdere uitwerking een beheerplan per fase, afgestemd op eigenaarschap.
4.8.2 Ondergrondse ruimte, kabels en leidingen
De ondergrondse ruimte is schaars. De bodem wordt slim en effectief ingericht, waardoor ruimte ontstaat voor het ondergrondse netwerk voor de energietransitie. Ondergronds moet extra plek gemaakt worden voor klimaatadaptatie en infrastructuur voor de energietransitie.
Hart voor Oostpoort | Masterplan | Bijlage 4 - Randvoorwaarden, eisen en wensen
19
Eisen 1. Aan het begin van de planvorming rekening houden met huidige bezetting van ondergrondse ruimte voor kabels en leidingen, inclusief een warmtenet, ruimtebehoefte bodemenergiesystemen, boomwortelpakketten, hemelwaterberging en grondwatervoorzieningen. 2. Het doen van een Klic-melding om de mogelijke aanwezigheid van kabels en leidingen te inventariseren en eventuele maatregelen te treffen in overleg met de leidingbeheerder(s). 3. In de boven- en ondergrond moet voldoende ruimte gereserveerd worden voor de aanwezige kabels en leidingen en wat er nieuw bij komt. Zo nodig energietransitie faciliteren in ondergrond. 4. Eisen m.b.t. aanleg en plaatsing kabels & leidingen zijn opgenomen in het HIOR. 5. Bij nieuwbouw komen bovengrondse voorzieningen (zoals transformatorhuisjes, warmteoverdrachtstations en POP-stations) niet in de openbare ruimte. Zie paragraaf 4.10.6 van deze bijlage. 6. In de openbare ruimte mogen bronputten van een WKO en (bijbehorende) warmteleidingen enkel door het aangewezen warmtebedrijf worden aangelegd en geëxploiteerd. Wensen 1. Het wordt technisch mogelijk gemaakt om bomen in nabijheid van kabels en leidingen te planten voor een maximaal resultaat voor klimaatadaptieve inrichting, verblijfskwaliteit, flora en fauna en identiteit. 2. Kiezen voor innovatieve ruimtebesparende
strategy x design
oplossingen.
4.8.3 Groenkwaliteit
In paragraaf 4.5.1 van deze bijlage staan de relevante eisen voor de ecologische waarde van de toe te voegen beplanting. Deze paragraaf richt zich op inrichtings-, beheer- en onderhoudsaspecten. Eisen 1. Inrichting openbare ruimte volgens het ‘groen, tenzij’-principe: groen, tenzij dit in afweging met andere belangen zoals verkeersfunctie, ondergrond, toegankelijkheid of sociale veiligheid niet de beste oplossing is. 2. Er dient voldoen te worden aan de beplantingseisen in hoofdstuk 7 van het HIOR. 3. Het ontwerp van het groen moet passen bij het beheer- en onderhoudsniveau. 4. In beeld en beleving van het groen zijn de hoofdbomenstructuur en de hieraan gekoppelde ecologische verbinding volgens het Natuur Netwerk Haarlem herkenbaar en integraal opgenomen in het ontwerp openbare ruimte.
4.8.4 Maaiveldinrichting
De gemeente zet in voor een aangename, veilige en inclusieve stationsomgeving met directe en logische wandel- en fietsroutes. Ook wordt gestreefd naar een openbare ruimte met een herkenbare samenhang en een eigen signatuur. Eisen 1. Alle materialen, formaten, standaarddetails, objecten, meubilair en armaturen, kleuren en verbanden zijn eenduidig voor het gehele gebied
conform het HIOR. 2. Er dient voldoen te worden aan de betreffende eisen in het HIOR en het Technisch Programma van Eisen van de gemeente Haarlem. 3. Bestaande structuren vanuit Zuiderpolder en Waarderpolder worden naar en door het plangebied getrokken zodat er logische wandelen fietsroutes ontstaan.
4.8.5 Afvalinzameling
Voor alle bewoners en gebruikers moeten op loopafstand voldoende containers aanwezig te zijn om op een duurzame manier afval te deponeren. Afvalinzameling leidt niet tot gevaarlijke verkeerssituaties. Eisen 1. Voor een doelmatig afvalstoffenbeheer en bescherming van het milieu, geldt het Uitvoeringsbesluit afvalstoffenverordening. 2. Locatiebepaling van (semi)ondergrondse containers en van opstelplaatsen voor mini(rol) containers, gebeurt in overleg met Spaarnelande en de gemeente. Hierbij geldt dat iedere locatie optimaal toegankelijk is voor inzamelwagen als voor bewoners. De gebruikelijke plaats is in de parkeer-/voorzieningenstrook. 3. De kosten voor de plaatsing van afvalvoorzieningen betalen de ontwikkelende partijen. Hierover worden in de anterieure overeenkomsten afspraken gemaakt. 4. De richtlijn voor de loopafstand naar een container voor restafval is maximaal 125 m. In uitzonderingsgevallen kan een afstand van maximaal 250 m (artikel 4 lid 8 Uitvoeringsbesluit)
Hart voor Oostpoort | Masterplan | Bijlage 4 - Randvoorwaarden, eisen en wensen
20
geaccepteerd worden. 5. Het plaatsen van een ondergrondse vuilcontainer (OGVC) moet voldoen aan de eisen in Richtlijnen inzamelmiddelen en -voorzieningen afval. 6. Het inrichten van aanbiedplaatsen voor particulier afval gebeurt volgens de richtlijnen uit het HIOR om de ruimtelijke impact van deze containers te beperken: 7. Containers staan nooit dominerend of te zichtbaar in de openbare ruimte, maar worden met overige nutsvoorzieningen, meubilair en fietsparkeerplekken gegroepeerd geplaatst in groenblauwe voorzieningenstroken. 8. Containers worden geplaatst buiten (potentiële) boomkronen. 9. Bedrijfsafval wordt op eigen terrein en niet zichtbaar vanaf de openbare ruimte, gestald. Voor commerciële en maatschappelijke voorzieningen die niet beschikken over een achterterrein, betekent dit dat deze een inpandige opslagruimte voor bedrijfsafval hebben. Alleen de toegangen tot deze ruimten zijn zichtbaar vanaf de openbare ruimte.
4.9 Collectief en privaat maaiveld Deze paragraaf geeft de kaders waaraan de inrichting van het collectief en privaat maaiveld binnen en rond de gebouwen moet voldoen. De kaders zijn onderverdeeld in de volgende thema’s: 1. Overgangszone tussen openbare ruimte en gebouw 2. Overgangszone bij woningen 3. Collectieve binnenterreinen 4. Speel- en sportvoorzieningen
strategy x design
bijlage. Hoofdstuk 5 en bijlage 5 geeft de beeldkwaliteitscriteria voor privaat en collectief maaiveld. Samen met onderstaande randvoorwaarden, eisen en wensen worden de maaiveldontwerpen hieraan getoetst. Voor de kaders met betrekking tot vergroenen van de (collectieve) daken, zie paragraaf 4.10.7 van deze bijlage.
4.9.1 Overgangszone tussen openbare ruimte en gebouw
De overgangszone tussen straat en gebouw is een belangrijk onderdeel van de ontwerpopgave. De inrichting ervan is namelijk van grote invloed op het straatbeeld en of mensen zich er prettig voelen. En een goed ontworpen openbare ruimte faciliteert ontmoetingen en het verblijf. De inrichting en afmeting van deze zone bepaald ook of bewoners en gebruikers voldoende privacy ervaren zodat de plinten van gebouwen een levendige uitstraling krijgen, zie ook paragraaf 4.10.2 van deze bijlage. Eisen 1. Tussen de openbare ruimte en privéterrein moet een duidelijke scheiding zijn i.v.m. aansprakelijkheid. 2. Tussen de openbare ruimte en het gebouw wordt in principe een private (groen)strook van minimaal 2 meter breed aangelegd. Plantsoorten afstemmen op de te realiseren soortencategorieën, zie paragraaf 4.5.1 van deze bijlage. 3. Bij de (hoofd)entrees van appartementen- en voorzieningengebouwen worden op eigen terrein voldoende opstelplekken voor fietsen van bezoekers geplaatst, zie paragraaf 4.7.4 van deze
4. Balkons, dakoverstekken en dergelijken steken maximaal 1 meter over de private (groen)strook heen waardoor voldoende neerslag voor het groen gegarandeerd is.
4.9.2 Overgangszone bij woningen
Woningen op de begane grond van de bouwblokken krijgen bij voorkeur voortuinen met hagen of heesterstroken als erfafscheiding. Dit is positief voor het groene straatbeeld en het creëren van voldoende afstand tot de straat voor privacy in de woning. Het bevordert ook (informele) contacten tussen bewoners (zie ook paragraaf 4.10.1 van deze bijlage). Eisen 1. Uitgangspunt bij woningen op de begane grond van de bouwblokken is een voortuin of terras met een diepte van minimaal 2 meter gemiddeld (afhankelijk van de oriëntatie ten opzichte van de zon). Wensen 1. Erfafscheidingen in de vorm van een haag of heesterstrook, plantsoorten afstemmen op de te realiseren soortencategorieën, zie paragraaf 4.5.1 van deze bijlage. 2. Daar waar nodig kan voor de haag of heesterstrook een opstaande rand of laag muurtje geplaatst worden.
4.9.3 Collectieve binnenterreinen
De woonkwaliteit in Hart voor Oostpoort zal voor een belangrijk deel bepaald worden door de kwaliteit van de binnenterreinen van de
Hart voor Oostpoort | Masterplan | Bijlage 4 - Randvoorwaarden, eisen en wensen
21
bouwblokken. Voor de inrichting wordt ook het ‘Groen, tenzij’-principe toegepast. Bij woningen die grenzen aan het binnenterrein, is de private buitenruimte altijd integraal onderdeel van het totale buitenruimteontwerp. Eisen 1. Een collectief binnenterrein wordt ingericht met het ‘Groen, tenzij’-principe: alleen verharding waar noodzakelijk, ook als het binnenterrein op het dak van een parkeergarage ligt. 2. Een collectief binnenterrein wordt zodanig ingericht dat het maximaal bijdraagt aan het voorkomen van hittestress. Bomen en plantsoorten afstemmen op de te realiseren soortencategorieën, zie paragraaf 4.5.1 van deze bijlage. 3. Het collectieve binnenterrein wordt zodanig ingericht dat het maximaal bijdraagt aan de vereiste waterberging op eigen kavel, zie paragraaf 4.5.3 van deze bijlage. Denk hierbij aan de aanleg van een vijver of wadi. Voor een binnenterrein op het dak van een parkeergarage kan dit bestaan uit een waterbufferende laag (zogenaamde ‘kratjes’) onder het vereiste grondpakket, zie ook paragraaf 4.10.7 van deze bijlage.
cognitieve en sociale ontwikkeling van jonge Haarlemmers van 0 – 19 jaar. De gemeente zet zich in voor voldoende speelruimte en een goede verdeling over de doelgroepen en de wijken met als doel het bieden van ontwikkelkansen op het gebied van bewegen, sporten, ontdekken, ontspannen en ontmoeten. Speelruimte is een belangrijk onderdeel van de gezonde leefomgeving en draagt bij aan de sociale cohesie. Speelruimte wordt integraal ingericht met groen, klimaatadaptatie, ecologie, sport, recreatie en toegankelijkheid Randvoorwaarden 1. Veiligheid en inrichting dienen te voldoen aan Warenwetbesluit Attractie- en Speeltoestellen: Speelplekken moeten veilig en aantrekkelijk zijn. 2. Speeltoestellen en speelconstructies dienen te voldoen aan NEN 1176 en valondergronden aan de NEN1177. Eisen 3. In de collectieve ruimtes van de bouwvelden worden voldoende speelvoorzieningen voor het aantal jonge Haarlemmers aangelegd. Hierbij wordt rekening gehouden met verwachte leeftijdssamenstelling en het aantal jonge Haarlemmers van 0 – 19 jaar in de buurt en wijk.
4. Private buitenruimten (terras) van aangrenzende woningen hebben voldoende diepte met een heldere afbakening, bij voorkeur in de vorm van een heesterstrook. Het is eenvoudig om vanaf het terras op het collectieve binnenterrein te komen.
4. Voor formele speelruimte wordt gerekend met 10 m2 per jonge Haarlemmer (ingericht met als hoofdfunctie spelen), deze wordt aangevuld met informele speelruimte (vrije openbare ruimte waar ook gespeeld kan worden) met 20 m2 per jonge Haarlemmer.
4.9.4 Speelvoorzieningen
5. Speelruimte wordt uitdagend en gevarieerd ingericht voor de doelgroepen 0 – 6 jaar, 6 –
Buitenspelen is belangrijk voor de motorische,
strategy x design
12 jaar en 12 – 19 jaar. Hierbij wordt rekening gehouden met inclusiviteit: speelruimte is voor iedereen, ongeacht leeftijd, gender, achtergrond of beperking. 6. Voor de verdeling van speelruimte wordt rekening gehouden met een maximale loopafstand van 400 meter voor de doelgroepen 0 – 6 jaar en 6 – 12 jaar, inclusief fysieke barrieres zoals gebiedsontsluitingswegen, spoorlijn en watergangen. 7. Voor de verdeling van speelruimte wordt rekening gehouden met een maximale loop/fietsafstand van 1000 meter voor de doelgroep 12 – 19 jaar. 8. Het gemeentelijke beleid zoals beschreven in de het Deelprogramma Speelvriendelijke openbare ruimte en in het HIOR, is de basis voor het maken van uitwerkingsplannen. 9. Speelruimte wordt sociaal veilig ingericht. 10. Geluidoverlast voor omwonenden zo veel mogelijk voorkomen door juiste ontwerp en positionering van speeltoestellen. Indien speelruimte wordt ingericht op eigen grond (VVE en wooncorporatie) wordt duidelijke afspraken gemaakt over onderhoud en beheer. 11. Inclusieve speelruimte waar kinderen samen kunnen spelen en zichzelf kunnen ontwikkelen met voldoende variatie voor alle kinderen en behoefte 12. Het beweegvriendelijker inrichten van de openbare ruimte én toegankelijk maken van buitensportaccommodaties, zodat Zuiderpolder, Oostpoort en Spaarnwoude op natuurlijke wijze verbonden worden.
Zo breng je bewegen voor meer inwoners van verschillende leeftijden van Haarlem dichterbij. (Haarlems Sport akkoord 2.0)
Hart voor Oostpoort | Masterplan | Bijlage 4 - Randvoorwaarden, eisen en wensen
22
Wens 1. Speelruimte aan laten sluiten (complementair in aanbod) op aanwezig aanbod rondom Hart voor Oosterpoort in Zuiderpolder en Spaarnwoude voor de totale doelgroep van 0 – 19 jaar.
4.10 Gebouwen Deze paragraaf geeft de algemene kaders voor de gebouwontwerpen. De kaders zijn onderverdeeld in de volgende thema’s: 1. Sociaal veilig en toegankelijk 2. Gebouwplinten 3. Woongebouwen en entreepartijen 4. Bergingen en stallingsruimten fietsen 5. Parkeergarages 6. Technische ruimten en installaties 7. Vergroenen daken en gevels De gebouwontwerpen worden getoetst aan onderstaande randvoorwaarden, eisen en wensen. Hoofdstuk 5 en bijlage 5 geeft de beeldkwaliteitscriteria voor de vormgeving van de gebouwen.
4.10.1 Sociaal veilig en toegankelijk
Gebouwen zijn zo ontworpen dat ze bijdragen aan een sociaal veilige leefomgeving. Gebouwen dienen voor iedereen goed toegankelijk te zijn. Gebouwen worden zo ontworpen dat bewoners en gebruikers elkaar tegenkomen. Dit bevordert ontmoetingen, herkenning, verantwoordelijkheidsgevoel en sociale controle/veiligheid. Randvoorwaarde 1. Gebouwen zijn toegankelijk voor personen met een beperking en voldoen aan de betreffende
strategy x design
eisen in het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL). Eisen 1. Gebouwen worden sociaal veilig ontworpen en voldoen aan het Politiekeurmerk Veilig Wonen Nieuwbouw. 2. Gebouwen worden zo ontworpen dat bewoners en gebruikers elkaar op een prettige (informele) manier kunnen ontmoeten. Dit draagt bij aan het voorkomen van anonimiteit en streeft inclusiviteit na. Zie daarvoor de aanbevelingen in het rapport van Stipo voor Oostpoort. 3. Gebouwen worden zo ontwerpen dat overlastsituaties (geluid, stank) en aantasting van privacy zo veel mogelijk wordt voorkomen. 4. Sociale woningen en overige wooncategorieën worden niet op gebouwniveau met elkaar vermengd; bewoners ontmoeten elkaar in de openbare ruimte en de collectieve binnenterreinen van een samengesteld bouwblok. 5. Meergezinswoningen hebben een zodanige omvang dat bewoners elkaar herkennen en kunnen leren kennen, zie paragraaf 4.10.3 van deze bijlage. 6. Briefkasten belemmeren de zichtbaarheid van de entreehal vanaf de openbare ruimte niet. Zie ook de beeldkwaliteitscriteria in hoofdstuk 5 en bijlage 5 van het Masterplan. 7. 7. Collectieve binnenterreinen zijn goed toegankelijk voor de beoogde gebruikers. Bij binnenterreinen geldt: open waar het kan en dicht waar het moet. Praktijkvoorbeelden zijn opgenomen in de Veiligheidseffectrapportage (VER).
Wensen 1. Toepassen van de NEN 9120 voor de toegankelijkheid en bruikbaarheid van gebouwen
4.10.2 Gebouwplinten
De juiste programmering en vormgeving van de begane grond gericht op de openbare ruimte – de zogenoemde gebouwplint – draagt bij aan sociale interactie en een prettige leefomgeving waar het zowel overdag, ’s avonds en ‘s nachts sociaal veilig is. Door de dag heen moeten die verschillende gebruikers op verschillende momenten van de dag aan zich binden. Zo ontstaat een levendig gebied. Met als extra doel het gevoel van veiligheid vergroten in dit gebied waar stilte op de loer ligt door de afgelegen ligging. Dit geldt ook voor plinten die grenzen aan collectieve binnenterreinen. Voor de beeldkwaliteitscriteria zie hoofdstuk 5 en bijlage 5 van het Masterplan.
Algemene eisen gebouwplinten 1. Plinten met doods programma zijn niet toegestaan. Denk hierbij aan bergingen, autoparkeren, magazijnen, etc. 2. Plinten met te veel technische ruimten naast elkaar zijn niet toegestaan. Denk hierbij aan ruimten voor trafo’s en WKO’s. Aan de zijde van de hoofdroutes naar het station geen technische ruimten. 3. Eventuele overstekken zijn overzichtelijk en worden in de avonduren goed verlicht zodat overlast en sociale onveiligheid voorkomen wordt. 4. Uitgangspunten Stad op Ooghoogte voor ontwerp en invulling plinten, passend bij Oostpoort.
Hart voor Oostpoort | Masterplan | Bijlage 4 - Randvoorwaarden, eisen en wensen
23
Eisen voorzieningenplinten 1. Conform BBL hebben voorzieningen op de begane grond hebben een rechtstreekse ontsluiting op de openbare ruimte zodat deze direct geactiveerd wordt.
leggen. Voor de eisen van het woonprogramma zie paragraaf 4.4.4 van deze bijlage, voor de beeldkwaliteitscriteria zie hoofdstuk 5 en bijlage 5 van het Masterplan.
2. Plintruimtes die ingezet worden voor commerciële functies hebben een hoge(re) verdiepingshoogte (minimaal 3,5 meter) en deze ruimtes zijn voorbereid op beoogd gebruik (denk aan afzuiging in geval van horeca)
Eisen entreepartijen 1. Een entreepartij is vanaf de openbare ruimte goed vindbaar, bereikbaar en toegankelijk.
Eisen woonplinten 1. Woningen op de begane grond krijgen via hun private buitenruimte een eigen ontsluiting op de openbare ruimte of het collectieve binnenterrein zodat deze direct geactiveerd wordt (zie paragrafen 4.9.2 en 4.9.3 van deze bijlage). Wensen 1. Aan de kant van de openbare ruimte alleen levendige functies. Denk hierbij aan keuken, kantoor of woonkamer. Slaapkamers zijn geen levendige functies en zijn hier niet toegestaan. Dit heeft te maken met het principe eyes on the street en zorgt voor een sociaal veiligere omgeving.
4.10.3 Entreepartijen woongebouwen
De juiste afmeting, vormgeving, inrichting en verlichting van een entreepartij is belangrijk. Niet alleen voor de sociale veiligheid, maar ook voor het bevorderen van (informele) contacten tussen bewoners en gebruikers, waardoor anonimiteit wordt verminderd. Het aantal woningen in een woongebouw moet niet te groot worden; buren moeten elkaar kunnen herkennen en (informeel) contacten kunnen
strategy x design
2. Bij voorkeur 35 maar maximaal 50 woningen ontsluiten op één entreepartij. 3. Rechtstreeks verbinding van entreepartij naar collectieve fietsenstalling en stallingsruimte scootmobielen, zie paragraaf 4.7.5 en 4.10.4 van deze bijlage. Wens entreepartijen 1. Bij de entreepartij extra ruimte creëren voor ontmoeting met een inrichting die daartoe uitnodigt. Afmeting is afhankelijk van de grootte van het gebouw. Het kan bijvoorbeeld een huiselijk ingerichte ruimte naast de entree zijn met een leestafel en stoelen. Deze ruimte vormt geen belemmering voor vluchtroutes.
4.10.4 Bergingen en stallingsruimten fietsen
Fietsenstallingen voor bewoners en gebruikers worden inpandig bij de (hoofd)entrees geplaatst, zie de eisen in paragraaf 4.7.5 van deze bijlage 5. Deze stallingsruimten domineren de plint van het gebouw niet. Als er voor individuele bergingen wordt gekozen, dan zijn deze niet zichtbaar vanaf de openbare ruimte. Eis bergingen
1. Bergingen zijn vanaf de openbare ruimte niet zichtbaar en leiden niet tot een dode plint. Eisen stallingsruimten fietsen 1. Stallingsruimten voor fietsen worden dicht bij de (hoofd)entrees geplaatst zodat deze vanuit de woning snel en eenvoudig te bereiken is. 2. Stallingsruimten voor fietsen worden zodanig gepositioneerd en ontworpen dat ze de gebouwplint niet domineren en niet tot een dode plint leiden. 3. Stallingsruimten worden sociaal veilig ontworpen; zijn overzichtelijk ingericht en bij gebruik goed verlicht.
4.10.5 Parkeergarages
De parkeeropgave voor de woningen en voorzieningen zal binnen de bouwvelden opgelost moeten worden, zie paragrafen 4.4.1 en 4.7.6 van deze bijlage. Op het parkeerterrein tegenover de entree van de Ikea zal ook een parkeergebouw voor de Ikea gerealiseerd worden. Deze parkeerfaciliteiten mogen de leefomgeving van de bewoners en omwonenden niet negatief beïnvloeden door geluid-, stank- en lichtoverlast. Voor de beeldkwaliteitscriteria zie hoofdstuk 5 en bijlage 5 van het Masterplan. Eisen 1. Een gebouwde parkeervoorziening domineert de omgeving niet en veroorzaakt geen geluid-, stanken lichtoverlast voor omwonenden. 2. Parkeervoorzieningen zijn aan de buitenkant van het gebouw niet zichtbaar. 3. Als een parkeergarage onder een binnenterrein wordt geplaatst, dan wordt deze voorzien van
Hart voor Oostpoort | Masterplan | Bijlage 4 - Randvoorwaarden, eisen en wensen
24
een groen dak met voldoende pakketdikte, zie paragraaf 4.10.7 van deze bijlage. 4. Parkeervoorzieningen worden sociaal veilig ontworpen: zijn overzichtelijk ingericht en bij gebruik goed verlicht.
4.10.6 Technische ruimten en installaties
Noodzakelijke ruimten voor trafo’s, WKO-installaties, afvalcontainers e.d. komen op privaat terrein. Vanaf de openbare ruimte zijn deze ruimten zo min mogelijk zichtbaar. Voor beeldkwaliteitscriteria zie hoofdstuk 5 en bijlage 5 van het Masterplan. Randvoorwaarden 1. Geen langdurige blootstelling van personen in de woonsituatie aan magneetvelden vanuit traforuimten boven 0,4uT als jaargemiddelde. 2. Brandwerendheid van traforuimten moet te voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Eisen technische ruimten op de begane grond 1. De ontwikkelende partij inventariseert zo vroeg mogelijk in het ontwerpproces bij de verschillende nuts- en telecombedrijven de behoefte aan technische ruimten voor trafostations, WKOinstallaties, etc. en bijbehorende technische randvoorwaarden, waaronder toegankelijkheid. 2. Technische ruimten voor trafo’s, WKO-installaties (uitgezonderd bronputten), opstelruimten voor (bedrijfs)-afvalcontainers, etc., komen niet in de openbare ruimte, maar in de gebouwen. 3. De afstand tussen inpandige traforuimten en woonruimten voor langdurig verblijf (slaapkamer, woonkamer) bedraagt tenminste 4m (horizontaal en verticaal).
strategy x design
4. Toegangen tot technische ruimten voldoen aan de toegankelijkheidscriteria van de verschillende nutsbedrijven. 5. Toegangen tot technische ruimten veroorzaken geen onveilige situaties of overlast van onderhoudsvoertuigen op fiets- en wandelpaden. Wens technische ruimten op de begane grond 1. Bij voorkeur zijn ruimten die direct grenzen aan traforuimten (horizontaal of verticaal) niet bestemd voor wonen (NPR 8799_2014). Eisen installaties en andere opbouwen op het dak 1. De ontwikkelende partij inventariseert zo vroeg mogelijk in het ontwerpproces wat de omvang van de installaties en ander opbouwen op het dak gaat worden. Denk hierbij aan liftopbouwen, klimaatinstallaties en duurzame energieopwekking. 2. Voor de goedkeuring van het voorlopig en definitief gebouwontwerp moet er een integraal dakontwerp aangeleverd te worden waarbij alle benodigde installaties, opbouwen, etc. in beeld zijn gebracht.
4.10.7 Vergroenen daken en gevels
Zoals in paragraaf 4.5.1 van deze bijlage omschreven staat, worden de gebouwen natuurinclusief ontwikkeld. Voor platte of licht hellende daken betekent dit dat deze als natuurdak uitgevoerd worden. Voor de gevels wordt de ontwikkelaar gevraagd naar vergroeningsmogelijkheden te zoeken en nest- en rustplekken toe te voegen voor de gewenste soortencategorieën. Voor beeldkwaliteitscriteria, zie hoofdstuk 5 en bijlage 5
van het Masterplan. Eisen daken 1. Platte en licht hellende daken worden als natuurdak uitgevoerd, ook als dit samengaat met de plaatsing van zonnepanelen, zie paragraaf 4.5.1 van deze bijlage. (Voor het parkeergebouw van Ikea hoeft niet aan deze eis voldaan te worden als de garage volledig bedekt wordt met zonnepanelen.) 2. Daken die moeten bijdragen aan de opvang van hemelwater krijgen een dakopbouw die voldoet aan de betreffende waterbergingseisen, zie paragraaf 4.5.3 van deze bijlage. 3. Gronddikte is afgestemd op de functie van het dak. Voor (collectieve) leefdaken boven bijvoorbeeld parkeergarages is deze minimaal 100cm boven constructief sterkere delen zoals kolommen, en minimaal 40cm boven de overige dakdelen. Eis gevels 1. Gevels en dakranden krijgen voldoende nestkasten en rustplekken. Aantal en type nestkasten en rustplekken afstemmen op de diersoorten van de gewenste soortencategorieën, zie paragraaf 4.5.1 van deze bijlage. 2. Daar waar mogelijk worden gevels minimaal voorzien van een grondgebonden groensysteem met klimmende plantsoorten passend bij de gewenste soortencategorieën. Wens gevels 1. Integreren van bloembakken aan de balustraden van balkons en galerijen. Dit vergroot niet alleen het groene beeld, maar geeft ook verkoeling, biedt
Hart voor Oostpoort | Masterplan | Bijlage 4 - Randvoorwaarden, eisen en wensen
25
ruimte voor individuele expressie en geeft een gevoel van geborgenheid. Bij voorkeur bewateren met gemeenschappelijk bewateringssysteem gevoed vanuit de vereiste hemelwaterberging.
4.11 Slotbepalingen Op bovenstaande randvoorwaarden, eisen en wensen zijn onderstaande dynamische verwijzing en hardheidsclausule van toepassing. Dynamische verwijzing Waar in de randvoorwaarden, eisen en wensen wordt verwezen naar wetgeving, regelgeving, beleid(sregels) of gelijk te stellen documenten, geldt dat met inbegrip van latere wijzigingen. Hardheidsclausule Er kan door de gemeente gemotiveerd worden afgeweken van eisen vastgelegd in dit Masterplan als een eis leidt tot gevolgen die onevenredig zijn in verhouding tot de met deze eis of ander eisen te dienen doelen.
strategy x design
Hart voor Oostpoort | Masterplan | Bijlage 4 - Randvoorwaarden, eisen en wensen
26
strategy x design