05 Bijlage 4 (publiceerbaar)
Tekst van het document
Kenmerk: 2025/712210 Advies van de commissie bezwaarschriften aan de gemeenteraad van de gemeente Haarlem Bezwaarden Datum bestreden besluit Datum bezwaarschrift Inhoud bestreden besluit
: en : 4 november 2019 : 9 oktober 2025 : het gedeeltelijk opheffen van geheimhouding op grond van de Gemeentewet
De samenstelling van de commissie is: Voorzitter : mevrouw mr. E.M. van Bennekom Leden : mevrouw mr. L.M. Greben mevrouw mr. S.A. van Dijk De commissie wordt ambtelijk ondersteund door de secretaris, de heer mr. T.F. Baars. I. Feiten en omstandigheden Op 22 december 2018 heeft op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) verzocht om openbaarmaking van onder meer een rapport van GvB Integrity Services B.V. van 22 oktober 2018, dat is opgesteld naar aanleiding van een integriteitsmelding rond de herinrichting van de Dreef (hierna: integriteitsrapport). Bij besluit van 8 januari 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders (hierna: college) op grond van de Gemeentewet geheimhouding opgelegd ten aanzien van het volledige integriteitsrapport. Bij besluit van 31 januari 2019 heeft de raad de geheimhouding bekrachtigd. Het college heeft het Wob-verzoek van van 22 december 2018 tevens opgevat als een verzoek om opheffing van de geheimhouding van het integriteitsrapport. Het college heeft het verzoek doorgezonden aan de raad. Bij besluit van 4 november 2019 heeft de raad de geheimhouding opgeheven voor die delen van het integriteitsrapport die niet zouden kunnen leiden tot het herkennen van betrokken personen. Op 15 oktober 2022 hebben bezwaarden de raad opnieuw verzocht om de geheimhouding van delen van het integriteitsrapport op te heffen.
Bij besluit van 16 februari 2024 heeft het college het verzoek afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), omdat sprake is van een herhaald verzoek en nieuwe feiten en omstandigheden ontbreken. Op 19 februari 2024 hebben bezwaarden bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 februari 2024. Bij besluit op bezwaar van 1 oktober 2024 heeft de raad het besluit van 16 februari 2024, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten. Bij uitspraak van 7 oktober 2025 heeft de rechtbank Noord-Holland het beroep van tegen het besluit op bezwaar van 1 oktober 2024 ongegrond verklaard. Op 9 oktober 2025 hebben bezwaarden bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 november 2019.
2025/712210 2 II. Juridisch kader De wet- en regelgeving die voor de beoordeling van het bezwaar belangrijk is, staat in de bijlage bij dit advies. III. Overwegingen van de commissie 1. Op 9 oktober 2025 hebben bezwaarden, naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank, bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 november 2019. De bezwaartermijn van zes weken was toen al ruimschoots verstreken. Bezwaarden stellen in hun bezwaarschrift dat zij vóór de uitspraak van de rechtbank niet wisten dat het ‘mogelijk is een verlaat bezwaar in te dienen’. 2. Een bezwaar dat na het verstrijken van de bezwaartermijn wordt ingediend, moet in beginsel nietontvankelijk worden verklaard. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. 3. Beoordeeld moet worden of in het onderhavige geval sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 van de Awb. De rechtbank heeft zich hierover reeds uitgelaten in haar uitspraak van 7 oktober 2025. De rechtbank overweegt het volgende: 13. De rechtbank stelt vast dat de raad in het opheffingsbesluit van 4 november 2019 geen bezwaarclausule heeft opgenomen. Eiser zegt nooit gewezen te zijn op het kunnen maken van bezwaar tegen het raadsbesluit. Hij zou bezwaar hebben gemaakt als hij daartoe de kans had gehad.
Wat eiser probeert met zijn verzoek van 15 oktober 2022 is om daar alsnog (inhoudelijk) tegen op te komen. De vraag is of hierbij sprake is van een nieuw feit dat de raad ertoe had moeten bewegen het besluit (inhoudelijk) te heroverwegen. 14. De rechtbank trekt hier een parallel met de (nieuwe) lijn in de rechtspraak over de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding van een bezwaarschrift. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als de overschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend én het bezwaarschrift is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Voor de invulling van het begrip 'zo spoedig mogelijk' wordt thans een termijn van zes weken gehanteerd waarbinnen dan alsnog bezwaar kan worden gemaakt. 15. Op 18 mei 2022 heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep van eiser met zaaknummer HAA 19/5726, betreffende de besluitvorming van het college over het Wobverzoek van 22 december 2018. De rechtbank heeft in die uitspraak overwogen: "De rechtbank dient in deze procedure uit te gaan van de juistheid van het raadsbesluit van 4 november 2019.
Dat eiser, naar hij stelt, onvoldoende is voorgelicht over de mogelijkheid rechtsmiddelen aan te wenden tegen het raadsbesluit, is niet iets dat de rechtbank in deze procedure kan betrekken." Hieruit volgt dat eiser in ieder geval al gedurende de in 2019 aangespannen beroepsprocedure over het Wob-verzoek had kunnen weten dat hij een rechtsmiddel kon aanwenden tegen het besluit van 4 november 2019 en dat had hem ertoe moeten bewegen zo spoedig mogelijk alsnog actie te ondernemen. Eiser heeft echter pas
2025/712210 3 gereageerd op 15 oktober 2022. Gelet daarop kan niet worden volgehouden dat eiser zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd van hem alsnog een poging heeft gedaan tegen het besluit op te komen. 4. De commissie is het met de rechtbank eens dat in het onderhavige geval geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding en maakt de overwegingen van de rechtbank tot de hare. Daarbij merkt de commissie voor de volledigheid op dat gedurende de beroepsprocedure over het Wob-verzoek van 22 december 2018 is bijgestaan door . 5. Gelet op het bovenstaande is de commissie van oordeel dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Omdat de commissie van oordeel is dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, heeft zij op grond van artikel 7:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb afgezien van het horen van bezwaarden. IV. Advies De commissie adviseert de raad om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Dit betekent dat het bezwaarschrift niet inhoudelijk wordt behandeld.
Haarlem, 14 januari 2026
De voorzitter, mevrouw mr. E.M. van Bennekom
De secretaris, de heer mr. T.F. Baars
2025/712210 4 Bijlage – Juridisch kader Algemene wet bestuursrecht Artikel 4:6 1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. 2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking. Artikel 6:11 Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft nietontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Artikel 7:3 1. Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien: a. het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, (…) (…)