Zienswijzenota bestemmingsplan uitbreiding Uzin Utz anoniem
Tekst van het document
Bijlage inzake de beoordeling van de ingebrachte zienswijze op het ontwerp van het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Stepelerveld, fase 1, partiële herziening Uitbreiding Uzin Utz. ” 1. Inleiding Het ontwerp van het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Stepelerveld, fase 1, partiële herziening Uitbreiding Uzin Utz” heeft betrekking op een gedeelte van de bedrijfskavel van het bedrijf op bedrijventerrein Stepelerveld. Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een bedrijfsgebouw met een hoogte van maximaal 42 meter. Deze hoogte van de poederfabriek is nodig vanwege het productieproces. Er zijn vanwege deze specifieke hoogte van het bedrijfsgebouw criteria opgesteld die erop gericht zijn om voldoende beeldkwaliteit te garanderen. Deze criteria zijn in een afzonderlijke notitie “Beeldkwaliteitsparagraaf Uzin Utz Haaksbergen” vastgelegd. Het ontwerpplan en vorengenoemde beeldkwaliteitsparagraaf hebben met ingang van 17 september 2021 tot en met 28 oktober 2021 voor een periode van zes weken voor iedereen ter inzage gelegen met de mogelijkheid voor het indienen van een zienswijze. Hiervan is door één persoon gebruik gemaakt. 2. Zienswijze Op het ontwerp van het bestemmingsplan is een zienswijze ingediend door Maatschap Baumeister, gevestigd aan de Stepelerveldweg 31, 7483 PJ Haaksbergen. De zienwijze is gedateerd 26 oktober 2021 en binnengekomen d.d. 27 oktober 2021.
Hierna volgt een samenvatting van de zienswijze, de beoordeling daarop en voorzien van een conclusie. Samenvatting a. Door reclamant wordt gesteld dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid nog altijd onvoldoende is gemotiveerd. De uitbreiding van de bouwhoogte van 16 naar 42 meter is onvoldoende onderzocht omdat het een uitbreiding betreft van het volume van het bedrijventerrein. Door reclamant wordt gesteld dat het aannemelijk is dat deze uitbreiding relevante milieu- en omgevingseffecten heeft, zoals bijvoorbeeld een toename van stikstofdepositie. Het enkel opstellen van aanvullende beeldkwaliteitscriteria is volgens reclamant dan ook onvoldoende. b. De minimale afstand tot de naastgelegen perceelsgrens is onvoldoende gewaarborgd. In artikel 3.2.1 sub d staat dat de afstand van een gebouw tot enige perceelgrens niet minder dan 4 meter mag bedragen, tenzij deze grens wordt gevormd door een openbare weg in welk geval deze afstand niet minder dan 12 meter mag bedragen. Voorts staat in artikel 2.1.1 dat gemeten moet worden tot de kadastrale zijgrens van het perceel. c. Een dergelijke verruiming van het bestemmingsplan trekt grotere bedrijven aan en dit heeft dwingende invloed op het gevestigde beleid. Er wordt gewezen op de contractuele afspraak tussen het bedrijf en de gemeente over de realisatie van een nieuwe verbindingsweg.
Dit heeft desastreuze gevolgen voor het agrarische bedrijf. Reclamant is van mening dat het bestemmingsplan wel erg gemakkelijk buitenproportioneel wordt verruimd. Beoordeling Ad a. Zoals wij ook al in onze beantwoording op de inspraakreactie van reclamant hebben toegelicht wordt met dit bestemmingsplan de onderliggende bestemming niet gewijzigd. Het betreffende perceel heeft een bedrijfsbestemming en deze bestemming blijft ongewijzigd. De maximale toegestane milieucategorie behorende bij deze bedrijfsbestemming blijft eveneens ongewijzigd. Het is om die reden voldoende om ten aanzien van de relevante milieu- en omgevingsaspecten te verwijzen naar het nu geldende bestemmingsplan. De bouw van een poedertoren is niet wezenlijk anders dan de bouw van bijvoorbeeld een reguliere bedrijfshal. Het uitvoeren van aanvullend onderzoek is niet nodig en een toename van stikstof zoals door reclamant wordt aangehaald is niet aan de orde. Een bouwwerk met een hoogte van 42 meter is daarentegen wel bepalend voor de ruimtelijke uitstraling naar de omgeving waarin deze wordt gerealiseerd. En dit geldt zeker ook voor reclamant die met zijn
1
agrarische grond en opstallen aan het bedrijventerrein grenst. Wij zijn ons hiervan bewust en om die reden zijn er dan ook afzonderlijke criteria opgesteld die ervoor moeten zorgen dat de poedertoren voldoende uitstraling krijgt en daarmee op een goede manier in relatie tot de directe omgeving wordt ingepast. Ad b. Het is ons niet helemaal duidelijk wat reclamant bedoeld met de opmerking dat minimale afstanden tot de naastgelegen perceelsgrens onvoldoende zijn gewaarborgd. De in de planregeling genoemde minimale afstand van 4 meter ten opzichte van de naastgelegen perceelgrens is van toepassing op situaties waarbij bedrijfskavels aan elkaar grenzen. In dergelijke gevallen dienen de bedrijfsgebouwen 4 meter uit de perceelgrens gerealiseerd te worden. Dat is hier niet aan de orde. In dit geval grenst de bedrijfskavel aan alle zijden aan een openbare weg. Er geldt dan een afstand van maar liefst 12 meter die met toepassing van een afwijkingsmogelijkheid naar 5 meter kan worden teruggebracht. De afstand wordt inderdaad gemeten vanuit de perceelgrens van de bedrijfskavel tot de gevel van het bedrijfsgebouw. Ad c. Ook in de beantwoording op de inspraakreactie van reclamant hebben wij toegelicht dat met deze planwijziging geen andere grotere bedrijven worden aangetrokken.
Met dit plan wordt enkel een gedeelte van de bedrijfskavel van het bedrijf planologisch gewijzigd door het verruimen van de bouwhoogte. Deze bouwhoogte is noodzakelijk vanwege het productieproces van mengen van grondstoffen tot een eindproduct, een productieproces dat is gebaseerd op de werking van zwaartekracht. Ook de contractuele afspraak die met het bedrijf is gemaakt met betrekking tot de verbindingsweg heeft niets te maken met het aantrekken van andere grotere bedrijven. Deze mogelijke nieuwe verbindingsweg staat los van voorliggend bestemmingsplan dat enkel ziet op het verruimen van de bouwhoogte. In de gemeentelijke structuurvisie (en in het bijzonder de nadere gebiedsuitwerking die daarop heeft plaatsgevonden) is de toekomstige ruimtelijke structuur van deze gemeente beschreven. Hierin is het gebied Stepelerveld aangewezen als het gebied voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijfskavels met aandacht voor een rechtstreekse ontsluiting op de Kolenbranderweg. Wij benadrukken nogmaals dat nut en noodzaak van deze verbindingsweg nog nader moet worden onderzocht en in samenhang met de ontwikkeling van een nieuwe voorraad aan bedrijfskavels moet worden bezien. Wij begrijpen uiteraard de zorgen die reclamant heeft over de gevolgen voor de agrarische bedrijfsvoering van zijn bedrijf. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding het plan aan te passen.
2