CConstaterende datHaaksbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Zienswijze 1

Gemeenteraad 10 juli 2024, gemeente HaaksbergenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling grondexploitatie Buurse De Noor Oost en bestemmingsplan ‘Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening De Noor-Oost’1.547 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aangetekend per Falk Courier Aan de gemeenteraad van de gemeente Haaksbergen Blankenburgerstraat 28 7481 EB HAAKSBERGEN Tevens per aangetekende e-mail: gemeente@haaksbergen.nl

Den Haag, 29 januari 2024 Ons dossiernummer: Betreft: Telefoonnummer: Email: Uw kenmerk:

Ontwerpbestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening de Noor – Oost,

ZIENSWIJZE “BUURSE EN ST. ISIDORUSHOEVE, PARTIELE HERZIENING DE NOOR – OOST” Geachte raad, Namens de heer

(hierna: cliënt), wonende aan het adres , dien ik hierbij tijdig een zienswijze in tegen het ontwerpbestemmingsplan “Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening de Noor – Oost” voor de realisering en ontwikkeling van vijf rijwoningen. Het ontwerp ligt vanaf 21 december 2023 tot en met 31 januari 2024 en is derhalve tijdig ingediend. Het voorgenomen besluit wordt aangehecht als bijlage 1. Het plan voorziet in de realisatie van vijf rijwoningen en heeft betrekking op het gebied ten noordoosten van De Noor 49 te Buurse. Cliënt woont direct tegen het plangebied aan en heeft de volgende opmerkingen bij het ontwerp.

1. Verkeersituatie onvoldoende onderzocht Uit de toelichting op het bestemmingsplan volgt dat de ‘beperkte’ toename van verkeersbewegingen door gebruik van de woningen via de huidige infrastructuur kan worden afgewikkeld en dat een aanvullend onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Cliënt kan zich met laatstgenoemd standpunt niet verenigen. Te meer nu het ontwerpbestemmingsplan voor woningbouw gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid in het betreffende plangebied. Zo is niet de bestaande verkeersintensiteit en de toekomstige verkeersintensiteit in beeld gebracht, of de nadelige gevolgen van deze verkeersstromen. Zeker nu er een basisschool in de directe nabijheid aanwezig is, bestaat er aanleiding om een gedegen verkeersonderzoek uit te voeren. Cliënt betoogt tevens dat De Noor zich kenmerkt als een gedeeltelijk doodlopende en reeds overbelaste smalle straat (zie afbeelding 1.1).

Afbeelding 1.1 Het verlengen van de bestaande doodlopende weg en de aanleg van een keerlus worden als onvoldoende beschouwd om te waarborgen dat een potentieel gevaarlijke verkeerssituatie wordt voorkomen. Het is evident dat de toegangsweg naar het betreffende plangebied aanzienlijk beperkt is voor doorgaand verkeer. In het specifieke gedeelte van de route van de weg De Noor in de richting van het plangebied is de weg dusdanig smal dat de doorgang van een auto, in combinatie met aanwezige vuilnisbakken en/of een auto vanuit tegenliggende richting, ongetwijfeld een verkeersonveilige situatie zal genereren. Ondanks bezorgde reacties van leden van diverse partijen in de gemeente over de te smalle toegangsweg – die als gevaarlijk wordt beschouwd en in geval van calamiteiten ontoereikend is – wordt toch vastgehouden aan het voorgenomen plan. Bovendien dient de wegbreedte op grond van de Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom 2021 minimaal 4,6 meter te bedragen indien sprake is van een tweerichtingsverkeersweg. Het voorliggend plan voldoet niet aan de vereiste normen. Verkeersveiligheid is een ruimtelijk relevant aspect en in dit geval is zonder gedegen onderzoek naar het verkeer het ontwerpbestemmingsplan onzorgvuldig voorbereid.

2.

Aantasting woonen rechtszekerheidsbeginsel

leefklimaat

en

strijd

met

het

Met het ontwerpbestemmingsplan worden de vijf woningen zeer dicht tegen de woning/tuin van cliënt aan gerealiseerd (zie afbeelding 1.2).

Afbeelding 1.2 De geplande groenstrook aan de westzijde van het plangebied, bedoeld als afscherming voor de bestaande woningen, schiet tekort in het waarborgen van een adequaat woon- en leefklimaat. De woningen en tuinen worden slechts op een afstand van vijf meter gerealiseerd van de woning van de cliënt, terwijl de oorspronkelijk aangegeven afstand voor de woningen en tuinen op zeven meter was gesteld. Cliënt is van mening dat de nieuw te bouwen woningen dusdanig dicht bij zijn woning en tuin worden geplaatst, dat dit afbreuk doet aan zijn recht op privacy. Bovendien is tijdens het vooroverleg met cliënt gesproken over de beoogde ontwikkeling van vier woningen. Echter, tot zijn verbazing wordt momenteel een plan ter inzage gelegd waarin de voorgestelde ontwikkeling vijf woningen betreft. Hoewel de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft geoordeeld dat er geen inherent recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht, behoort dit aspect afdoende behandeld te zijn door specifieke bouwhoogten op te nemen in het bestemmingsplan. Hieruit kan worden afgeleid dat de gemeenteraad bij de opstelling van het bestemmingsplan reeds een zorgvuldige afweging heeft gemaakt met betrekking tot het beperken van het uitzicht.

In dit geval heeft de raad echter nagelaten maximale bouwhoogten op te nemen in het ontwerpbestemmingsplan en derhalve nagelaten een afweging te maken met betrekking tot het (beperken van) uitzicht. Het is voor cliënt dus – los van de maximale goothoogte en dakhelling - volstrekt onduidelijk hoe hoog er gebouwd mag worden, hetgeen in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Uit de toelichting op het ontwerpbestemmingsplan volgt (paragraaf 5.2.2) dat voor de bestemming wonen er maximaal vijf woningen mogen worden gebouwd, met een goothoogte van maximaal vier meter. Voor het overige en voor zover relevant, gelden de regels uit het moederplan ‘Bestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve’. Ook in het moederplan staan echter geen (maximale) bouwhoogten genoemd voor de voor ‘wonen’ aangewezen gronden. Gelet op de dichte afstand van het plangebied tot de woning van cliënt en het ontbreken van maximale bouwhoogten heeft de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het uitzicht van cliënt en een inbreuk op zijn privacy.

3. Alternatieven locaties onvoldoende onderzocht Zoals terecht in de toelichting op het bestemmingsplan is opgenomen in paragraaf 3.2.3, zijn bestemmingsplannen (grond van het eerste lid van artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel 2017: hierna: omgevingsverordening) van toepassing op stedelijke ontwikkelingen, mits er overtuigend is aangetoond dat er redelijkerwijs geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwde gebied, en dat herstructurering of transformatie geen haalbare oplossingen bieden. Bovendien dienen alle mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaande bebouwde gebied optimaal benut te zijn. Uit de toelichting op artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening volgt dat sterk wordt gestuurd op het principe ‘inbreiding gaat voor uitbreiding’. Door middel van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 2.1.3) wordt de verplichting opgelegd om voor stedelijke functies eerst de mogelijkheden te benutten binnen gebieden die al een stedelijke functie hebben, voordat een claim mag worden gelegd op gebieden die nu nog een groene functie hebben. Voor de Groene Omgeving geldt een variant op de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik die erop gericht is om eerst zoveel mogelijk bestaande erven en bebouwing te gebruiken voordat meegewerkt mag worden aan nieuw ruimtebeslag op de Groene Omgeving.

Cliënt meent dat in dit geval betere stukken grond beschikbaar zijn voor de bouw van vijf woningen dan in het voorliggend plan. Eveneens is cliënt op de hoogte van voornemens binnen het recent geaccordeerde bestemmingsplan 'Buurse-zuid' om meerdere nieuwe woningen te realiseren ten zuiden van Buurse. Dit initiatief stuitte volgens cliënt gedeeltelijk op weerstand van de Provincie, vermoedelijk vanwege de aanwezigheid van het Essenlandschap. Het valt op dat een soortgelijke omstandigheid zich lijkt voor te doen op de actuele locatie, waar ook het Essenlandschap aanwezig is. Ook wil cliënt de gemeenteraad, dan wel de gemeente Haaksbergen, verzoeken het onderzoek dat ten grondslag ligt aan de keuze voor de betreffende locatie openbaar te maken. Cliënt heeft namelijk vernomen dat een extern adviesbureau eerder een ongunstig advies heeft uitgebracht met betrekking tot het plan om op de huidige locatie woningen te bouwen. Dit onderzoek is niet opgenomen in de toelichting. Geconcludeerd dient te worden dat het plan in strijd is met artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening. Indien het plan niet wordt aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling, dient vooralsnog de behoefte aan de mogelijk gemaakte ontwikkeling in het kader van de uitvoerbaarheid van het voorliggende plan te zijn onderbouwd.

In dat kader betoogt cliënt dat ten onrechte niet is gemotiveerd waarom woningbouwontwikkeling niet eerst mogelijk is gemaakt bij de inbreidingslocatie (donkerbruin) in Buurse Zuid (zie afbeelding 1.3).

Afbeelding 1.3 4. Afwijken milieuzonering onvoldoende gemotiveerd Cliënt meent verder dat in de toelichting op het bestemmingsplan in paragraf 4.2 onvoldoende toereikend is gemotiveerd waarom wordt afgeweken van de richtafstand van 50 meter die volgt uit de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Het tweede veld van de plaatselijke voetbalvereniging ligt naast het plangebied en grenst nagenoeg meteen aan de twee nieuw te realiseren woningen. De motivering om af te wijken van de richtafstand is volgens cliënt onvoldoende toereikend. Zo wordt gesteld dat er al bestaande woningen binnen de 50 meter afstand van de voetbalvereniging en velden liggen. Dat is geen argument om daarom maar meer ontwikkelingen mogelijk te maken binnen de 50 meter richtafstand. Verder wordt toegelicht dat de sportvelden niet altijd in gebruik zijn. Ook dit argument kan geen standhouden nu van de maximale planologische invulling moet worden uitgegaan. Cliënt meent dat hier in strijd is gehandeld met het motiveringsbeginsel. 5. Soortenbescherming niet voldoende onderzocht Tenslotte meent cliënt dat ten onrechte geen Quick Scan is verricht ten aanzien van de soortenbescherming. Cliënt meent dat in het plangebied vleermuizen aanwezig zijn.

De enkele stelling in paragraaf 4.9 van de toelichting dat het plangebied niet als functioneel leefgebied dient voor beschermde dieren is onvoldoende om nader onderzoek uit te sluiten. Hiermee is in strijd gehandeld met artikel 3:4 Awb en artikel 3:46 Awb. 6. Afronding Cliënt verzoekt u rekening te houden met bovenstaande zienswijze en het voorliggend plan niet, ofwel niet in de huidige vorm, vast te stellen.

Met vriendelijke groet,

Bijlage 1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14269851/1