Was-wordt tabel wijzigingen beleidsregels maatschappelijke ondersteuning
Tekst van het document
Was-wordt tabel wijzigingen Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Haaksbergen (Kleine) tekstuele aanpassingen ter bevordering van de leesbaarheid of plaats wijzigingen door toevoegingen van artikelen of leden zijn niet opgenomen in de was-wordt tabel. Artikel
Was
Wordt
Motivering
2
De bepalingen participatie en zelfredzaamheid waren nog niet opgenomen in de beleidsregels.
1. Op grond van de Wmo 2015 gaat het bij participatie om het actief deelnemen aan het maatschappelijke verkeer. Dat wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat hij zich kan verplaatsen.
Het tweede prestatieveld van de Wmo 2015 is het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische en psychosociale problemen, zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving. In de huidige beleidsregels is niet onderbouwt wat participatie en zelfredzaamheid inhoudt.
2. Op grond van Wmo 2015 gaat het bij zelfredzaamheid om het in staat zijn van het uitvoeren van: • De noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL); en • Een gestructureerd huishouden. Algemene dagelijkse levensverrichtingen zijn handelingen die mensen dagelijks in het gewone leven verrichten, met inbegrip van persoonlijke verzorging. Voor de zelfredzaamheid van mensen zijn de volgende algemene dagelijkse levensverrichtingen van belang: • In en uit bed komen; • Aan- en uitkleden; • Bewegen; • Lopen; • Gaan zitten en weer opstaan; • Lichamelijke hygiëne (wassen); • Toiletbezoek; • Eten/drinken; • Medicijnen innemen;
1
• Ontspanning; • Sociaal contact; Er kan sprake zijn van ondersteuning bij algemeen dagelijkse levensverrichtingen die nauw samenhangt met de ondersteuning die is gericht op behoud of verbetering van zelfredzaamheid. Deze ondersteuning wordt geleverd aan mensen met een zintuiglijke beperking, een verstandelijke beperking of met psychiatrische problematiek. Het gaat bij deze groepen meer om het ondersteunen bij algemene dagelijkse levensverrichtingen zoals wassen en aankleden, dan het daadwerkelijk overnemen er van (bijvoorbeeld aan een aansporing om onder de douche te gaan). Bij de beoordeling in hoeverre iemand zelfredzaam is op het gebied van de ADL wordt nadrukkelijk gekeken naar: “het bieden van ondersteuning bij het laten uitvoeren van deze handelingen door de inwoner zelf’. Het voeren van een gestructureerd huishouden omvat de zorg voor: • Het schoon en op orde houden van het huishouden; • Het kunnen beschikken over schoon beddengoed en schone kleding. 1. Het college verstaat onder eigen kracht dat de inwoner eerst kijkt in hoeverre hij zelf, of samen met zijn sociaal netwerk indien dat mogelijk is, een bijdrage kan leveren aan het verbeteren van zijn situatie.
Het college is van oordeel dat het heel normaal is dat je je inspant om je eigen situatie te verbeteren of dat je iets doet voor een partner of familielid die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving. Daarbij heeft de gemeente de
3. Het college verstaat onder eigen kracht dat de inwoner eerst kijkt in hoeverre hij zelf, of samen met zijn sociaal netwerk indien dat mogelijk is, een bijdrage kan leveren aan het verbeteren van zijn situatie. Het college is van oordeel dat het heel normaal is dat je je inspant om je eigen situatie te verbeteren of dat je iets doet voor een partner of familielid die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving. Daarbij heeft de gemeente de verantwoordelijkheid om te bevorderen dat burgers en hun omgeving hun eigen probleemoplossend vermogen benutten en versterken en daardoor niet of zo min mogelijk aangewezen raken op maatschappelijke ondersteuning. Inwoners komen pas in aanmerking voor
Vanuit rechtszekerheid, en ter voorkoming van willekeur, moet de gemeente duidelijk vastleggen hoe de eigen kracht van de inwoners beoordeeld worden. Om meer concreet te kunnen bepalen onder welke voorwaarden een maatwerkvoorziening wordt ingezet, is er een checklist toegevoegd. Het deze checklist wordt de eigen kracht beoordeeld.
2
3
verantwoordelijkheid om te bevorderen dat burgers en hun omgeving hun eigen probleemoplossend vermogen benutten en versterken en daardoor niet of zo min mogelijk aangewezen raken op maatschappelijke ondersteuning.
een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan: • gebruikelijke hulp van partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (zie artikel 3) • de ondersteuning vanuit het eigen sociale netwerk • het aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten Het college beoordeelt de eigen kracht aan de hand van de volgende elementen: • het hebben van huisgenoten (Wie zijn zorgdragend en wie zijn zorgbehoeftig?) • in hoeverre mantelzorg de nodige hulp en ondersteuning kan bieden • het hebben van een sociaal netwerk en de bereidheid/het in staat zijn van dit netwerk om te helpen • of er sprake is van gebruikelijke hulp • vaardigheden en mogelijkheden om hulp te bieden • beschikbaarheid om hulp te bieden (bijvoorbeeld door werk of school) • mate van planbaarheid van de benodigde zorg • het ontstaan van overbelasting • overige individuele omstandigheden
7. Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of andere volwassen huisgenoot overbelast is of dreigt te raken, wordt van hem of haar geen bijdrage verwacht. Eventuele (dreigende) overbelasting staat toepassing van deze beleidsregels niet in de weg, wanneer er voor de partner, ouder, volwassen kind
7. Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of andere volwassen huisgenoot overbelast is of dreigt te raken, wordt van hem of haar geen bijdrage verwacht. Eventuele (dreigende) overbelasting staat toepassing van deze beleidsregels niet in de weg, wanneer er voor de partner, ouder, volwassen kind en/of andere volwassen huisgenoot eigen mogelijkheden zijn om de overbelasting op te heffen. Voor zover de (dreigende) overbelasting
Het college stelt vast of wel of niet sprake is van gebruikelijke hulp. Hierbij moet het college goed onderzoeken of de individuele huisgenoten/partners ook daadwerkelijk de gebruikelijke hulp kunnen bieden. Om (dreigende)
3
en/of andere volwassen huisgenoot eigen mogelijkheden zijn om de overbelasting op te heffen. Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke hulp in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten.
7
De maatwerkvoorziening Huishoudelijke Ondersteuning wordt ingezet als een inwoner niet meer op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met behulp van zijn sociale netwerk zijn huis schoon en leefbaar kan houden. Huishoudelijke taken worden dan overgenomen door een huishoudelijke hulp. Het resultaat schoon
wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke hulp in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten. Bij (dreigende) overbelasting geldt het volgende: • er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de inwoner • als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de inwoner, moet de huisgenoot eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen • bij aanvraag van een individuele maatwerkvoorziening bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen • als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de huisgenoot verwacht • voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke hulp in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten De maatwerkvoorziening Huishoudelijke Ondersteuning wordt ingezet als een inwoner niet meer op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met behulp van zijn sociale netwerk zijn huis schoon en leefbaar kan houden.
Huishoudelijke taken worden dan overgenomen door een huishoudelijke hulp. Het resultaat schoon en leefbaar huis wordt hiermee bereikt. Onder een leefbaar huis wordt verstaan dat een inwoner gebruik moet kunnen maken van de woonruimten die nodig zijn voor het normale
overbelasting beter te beoordelen is er een checklist toegevoegd.
Hoeveel huishoudelijke ondersteuning een inwoner nodig heeft is afhankelijk van verschillende factoren en wordt dus afgestemd op de situatie van de inwoner. Deze uitleg is toegevoegd aan de beleidsregels.
4
8
en leefbaar huis wordt hiermee bereikt. Onder een leefbaar huis wordt verstaan dat een inwoner gebruik moet kunnen maken van de woonruimten die nodig zijn voor het normale gebruik van de woning. Het huis dient zodanig leefbaar te zijn dat geen vervuiling plaatsvindt en zo een algemeen aanvaardbaar basisniveau van een leefbaar huis wordt gerealiseerd. Voor de berekening van de hoogte van de huishoudelijke ondersteuning wordt gebruik gemaakt van het normenkader zoals opgenomen in bijlage 1. 1. De maatwerkvoorziening begeleiding ondersteuningsbehoefte 1 heeft als doel om de zelfredzaamheid van de inwoner te stimuleren en tekorten daarin aan te vullen. De ondersteuning is gericht op het uitvoeren van dagelijkse handelingen en vaardigheden. 2. Binnen de maatwerkvoorziening begeleiding ondersteuningsbehoefte 1 zijn drie niveaus te onderscheiden, namelijk niveau A, niveau B en niveau C. 3. Kenmerken van inwoners en /of situaties die onder de niveau A vallen: • er is geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek; • er is sprake van een stabiele (ontwikkel) context; • de inwoner en/of het cliëntsysteem kan afspraken
gebruik van de woning. Het huis dient zodanig leefbaar te zijn dat geen vervuiling plaatsvindt en zo een algemeen aanvaardbaar basisniveau van een leefbaar huis wordt gerealiseerd. Voor de berekening van de hoogte van de huishoudelijke ondersteuning wordt gebruik gemaakt van het normenkader zoals opgenomen in bijlage 1. De daadwerkelijk in te zetten ondersteuning (activiteiten en frequenties) wordt afgestemd op de situatie van de cliënt en daarom kan er in de praktijk afgeweken worden van de normentijden.
•
•
De maatwerkvoorziening begeleiding individueel heeft als doel te bevorderen, te behouden en /of te compenseren van zelfredzaamheid en participatie zodat de inwoner zo lang mogelijk in de eigen leefgebieden kan blijven. Begeleiding kan in de vorm van begeleiding individueel en dagbesteding plaatsvinden. Voor de maatwerkvoorziening begeleiding individueel zijn er twee producten: begeleiding individueel basis en begeleiding individueel plus.
De volgende uitgangspunten zijn voor begeleiding individueel van toepassing: •
inzet van de individuele begeleiding is zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig. Daarmee wordt bedoeld: o bij basis wordt eerst gekeken of de ondersteuning in de sociale basis kan worden opgelost; o bij plus wordt eerst gekeken of de ondersteuning door inzet van begeleiding basis kan worden opgelost;
Het voorliggend veld optimaal inzetten. De ingekochte ondersteuning moet aansluiten op het voorliggend veld binnen gemeenten. We willen een betere inrichting van en samenwerking met het voorliggend veld en meer aandacht voor preventie (sociale basisinfrastructuur). We willen meer sturen op samenwerking tussen de aanbieders in het voorliggend veld en tussen het voorliggend veld en gecontracteerde aanbieders, bijvoorbeeld dagbesteding informeel en formeel onder dak. We bieden (binnen de contracten) mogelijkheden voor gecontracteerde aanbieders om aan te sluiten bij lokale ontwikkelingen in een specifiek gebied (een dorp, een wijk, buurt, een kern of een buitengebied). Dit moet het open afschalen van
5
maken over het moment van de ondersteuning; • de kans op risicovolle situaties en/of escalatie is gering; • de inwoner heeft voldoende inzicht, kan veranderingen in eigen ondersteuningsbehoefte signaleren en hierop reageren; • de inwoner is gemotiveerd om ondersteuning te ontvangen. 4. Kenmerken van inwoners en /of situaties die onder niveau B vallen: • er kan sprake zijn van gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning; • de kans op risicovolle situaties en/of escalatie is aanwezig maar niet groot; • de inwoner kan veranderingen zelf signaleren, maar is onvoldoende in staat om hierop te reageren; • de motivatie van de inwoner voor het volgen van de ondersteuning is wisselend. 5. Kenmerken van inwoners en /of situaties die onder niveau C vallen: • er is meestal sprake van matige of ernstige gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de
•
•
•
de aanbieder leidt (indien mogelijk) de inwoner toe naar zelfredzaamheid of passende ondersteuning in de sociale basis en/of het sociale netwerk; de begeleiding vindt in principe plaats in de omgeving waar de inwoner woont. Afhankelijk van de individuele casus kan er ook gebruik worden gemaakt van begeleiding op afstand, bijvoorbeeld door middel van (beeld)bellen; Begeleiding individueel basis is bedoeld voor inwoners met een verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperking. Er moet sprake zijn van matige beperkingen in de zelfredzaamheid op één of meerdere leefgebieden.
ondersteuning makkelijker maken (meer kennis/inzet naar de voorkant, toegang, lichte ondersteuning, voorliggend veld).
De inwoner voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken: • • • • • • • •
de inwoner heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig; de inwoner kan de behoefte/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken; de inwoner is gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken; de inwoner heeft redelijk inzicht in de eigen (on)mogelijkheden; er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek bij de inwoner; de leefsituatie is redelijk stabiel. Er is geen of slechts een geringe kans op risicovolle situaties en/of escalatie; de inwoner is in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag. Kenmerken van inwoners en /of situaties die onder begeleiding individueel basis vallen:
6
uitvoering van de ondersteuning; • de ondersteuning is niet routinematig; • er is geen stabiele (ontwikkel) context; • er is hoog risico op escalatie/gevaar; • met de inwoner is het niet mogelijk om afspraken te maken over de planning doordat de situatie sterk wisselend is en onvoorspelbaar; • voortdurend is herziening van de planning van de ondersteuning nodig; • de inwoner kan veranderingen zelf in het geheel niet signaleren; • er kan verscherpt toezicht nodig zijn; • de inwoner is structureel niet of nauwelijks te motiveren tot het volgen van de ondersteuning. 6. Het college kent de maatwerkvoorziening begeleiding ondersteuningsbehoefte 1 groepsgericht en/of individueel toe.
•
•
•
•
de inwoner heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig: o met een positieve en motiverende benadering en aanmoediging komt de inwoner tot resultaat en neemt verantwoordelijkheid voor de eigen vooruitgang. o met een herinnering, een voorbeeld, oefenen of een instructie kan de inwoner een taak volbrengen of een haalbare vaardigheid eigen maken. o de inwoner kan door middel van informatieverstrekking, verkennen van opties en ondersteunende gesprekken tot juiste beslissingen komen. de inwoner kan de behoefte/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken: o onder begrijpelijk maken wordt ook verstaan dat de inwoner de ander begrijpt. o de inwoner kan aangeven wat hij of zij bedoelt. Dit kan ook non-verbaal of met een hulpmiddel (spraakcomputer). o alleen een taalbarrière is geen reden voor inzet vanuit de Wmo. de inwoner is gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken o De inwoner is gemotiveerd om te werken aan de ondersteuningsvraag en staat open voor feedback van de professional. o De inwoner komt afspraken voldoende na om de resultaten te behalen. de inwoner heeft redelijk inzicht in de eigen (on)mogelijkheden o De inwoner heeft een (beperkt) realistisch beeld van eigen problematiek. Het staat het behalen van de gestelde resultaten nauwelijks in de weg. Hij of zij staat open
7
voor feedback om overschatting of onderschatting te kunnen bijsturen. • er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek bij de inwoner o De inwoner vertoont soms gedrag dat onvoorspelbaar of niet passend kan zijn. De professional moet alert zijn op signalen en kunnen bijsturen. Het gedrag kan negatieve invloed hebben op de persoon zelf of zijn of haar omgeving. Er is geen/gering risico op escalatie. • de leefsituatie is redelijk stabiel. Er is geen of slechts een geringe kans op risicovolle situaties en/of escalatie o Er is problematiek op één of meerdere leefgebieden zoals bijvoorbeeld financiën, sociale contacten, dag invulling, persoonlijke zelfzorg. Er is geen acute interventie noodzakelijk om escalaties te voorkomen. • de inwoner is in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag o Er zijn afgesproken contactmomenten met de professional en hoe er eventueel tussendoor gecommuniceerd wordt (bijvoorbeeld een telefoontje of berichtje). Voor de inwoner is dit voldoende om de resultaten te behalen zonder dat er aanvullende interventies noodzakelijk zijn. Kenmerken van inwoners en /of situaties die onder begeleiding individueel plus vallen: • de inwoner heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig o met een intensieve en proactieve benadering komt de inwoner tot resultaat door middel van motiveren, inspireren en
8
•
ondersteunen. Intensief gaat over de methodische benadering en niet over de frequentie. o de inwoner heeft bij herhaling aanmoediging, positieve feedback en ondersteuning nodig om verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen vooruitgang. o de inwoner heeft in grote mate sturing/toezicht nodig om een taak te volbrengen. o het aanleren van vaardigheden vraagt van zowel de inwoner als professional veel geduld en doorzettingsvermogen. De leermethodes die gebruikt worden zijn afgestemd op de inwoner. o de inwoner heeft in grote mate ondersteuning nodig om tot een juiste beslissing te kunnen komen. Zonder ondersteuning overziet de inwoner de risico’s niet en maakt de inwoner beslissingen die een negatieve invloed kunnen hebben op zijn of haar functioneren of dat van de omgeving. de inwoner kan de behoefte/ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken o hier wordt ook onder verstaan dat de inwoner moeite heeft om de ander te begrijpen. o het is moeilijk voor de inwoner om aan te geven wat hij of zij bedoelt, of wat hij of zij nodig heeft. Er wordt een extra beroep gedaan op de professional, want er moet met grote regelmaat een vertaalslag gemaakt worden.
9
•
•
•
de inwoner is wisselend gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken o de inwoner vindt het moeilijk om afspraken na te komen en feedback van de professional aan te nemen. De inwoner trekt bijvoorbeeld alles in twijfel en legt de verantwoordelijkheid buiten zichzelf. Dit is een terugkomend kenmerk. De professional moet beschikken over methodische kennis en vaardigheden om samen met de inwoner de resultaten te halen. de inwoner heeft beperkt of geen inzicht in de eigen (on)mogelijkheden o de inwoner heeft geen of beperkt realistisch beeld van de eigen problematiek. De inwoner is tot minder in staat dan wat hij denkt (overschatting) of inwoner kan op eigen kracht of in samenwerking met anderen meer dan hij denkt (onderschatting). Hierdoor blijft de inwoner in de problemen komen. De professional moet dit tekort compenseren om escalatie en/of verwaarlozing te voorkomen. de inwoner vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag. Er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek o de inwoner is moeilijk te lezen waardoor het gedrag onvoorspelbaar of ongepast is o de professional moet alert zijn op signalen en direct actie ondernemen om escalatie te voorkomen. o ernstige gedragsproblematiek kan gericht zijn op de omgeving of op de persoon zelf. De risico’s van het gedrag zeggen iets over de ernst.
De ernst wordt bepaald door de combinatie van hoe vaak het voorkomt (frequentie) en de omvang van
10
9
1. De maatwerkvoorziening begeleiding ondersteuningsbehoefte 2 heeft als doel om de zelfredzaamheid van de inwoner te stimuleren en tekorten daarin aan te vullen. De ondersteuning is gericht op het helpen overzien van dagelijkse handelingen en vaardigheden (regie) en het leeftijdsadequaat uitvoeren van
het risico (impact). Zeer regelmatig is niet alleen in aantallen vast te leggen, maar het gaat ook om de mate waarin het ontregelend is. • de leefsituatie is niet stabiel en/of er is een grote kans op risicovolle situaties en/of escalaties o de inwoner is niet stabiel in zijn leefsituatie, denk hierbij aan zaken die de bestaanszekerheid raken. Bijvoorbeeld financiële problematiek, dreigende uithuiszetting, dakloosheid, werkloosheid en verwaarlozing. Er zijn interventies noodzakelijk om escalaties te voorkomen. o de dynamiek van het gezin/netwerk en de complexiteit van problematiek van verschillende gezinsleden kan hierin een rol spelen. • de inwoner is niet in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag o de inwoner heeft aanvullende interventies nodig naast de afgesproken contactmomenten met de professional en afspraken over hoe er eventueel tussendoor gecommuniceerd wordt. Dit is noodzakelijk om niet vast te lopen in het dagelijks leven. o dit is een structureel terugkerend patroon van de inwoner 1.Voor de maatwerkvoorziening dagbesteding zijn er twee producten: dagbesteding basis en dagbesteding plus. De volgende uitgangspunten zijn voor dagbesteding van toepassing: • inzet van dagbesteding is zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig. Daarmee wordt bedoeld: o bij basis wordt eerst gekeken of de ondersteuning in de sociale basis kan worden opgelost;
Het voorliggend veld optimaal inzetten. De ingekochte ondersteuning moet aansluiten op het voorliggend veld binnen gemeenten. We willen een betere inrichting van en samenwerking met het voorliggend veld en meer aandacht voor preventie (sociale basisinfrastructuur).
11
dagelijkse handelingen en vaardigheden. 2. Binnen de maatwerkvoorziening begeleiding ondersteuningsbehoefte 2 zijn drie niveaus te onderscheiden, namelijk niveau A, niveau B en niveau C. 3. Kenmerken van inwoners en /of situaties die onder de niveau A vallen: • er is geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek; • er is sprake van een stabiele (ontwikkel) context; • de inwoner kan afspraken maken over het moment van de ondersteuning; • de kans op risicovolle situaties en/of escalatie is gering; • de inwoner heeft voldoende inzicht: kan veranderingen in eigen ondersteuningsbehoefte signaleren en hierop reageren; • de inwoner is gemotiveerd voor het volgen/ontvangen van ondersteuning. 4. Kenmerken van inwoners en /of situaties die onder de niveau B vallen: • er kan sprake zijn van gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning;
o
bij plus wordt eerst gekeken of de ondersteuning door inzet van dagbesteding basis kan worden opgelost; • de aanbieder leidt (indien mogelijk) de inwoner toe naar zelfredzaamheid of passende ondersteuning in de sociale basis en/of het sociale netwerk; • dagbesteding vindt fysiek plaats in groepsverband, op een specifiek daarvoor ingerichte locatie, buiten de woonsituatie/woning van de inwoner; 2. Dagbesteding basis is bedoeld voor inwoners met een verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperking. Er moet sprake zijn van matige beperkingen in de zelfredzaamheid op één of meerdere levensgebieden. De inwoner voldoet aan meerdere van de volgende kenmerken: • de inwoner heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig; • de inwoner kan de behoefte/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken; • de inwoner kan beperkt of geen inzicht in de eigen beperkingen hebben, maar dit zorgt niet voor belemmeringen; • de inwoner vertoont redelijk constant gedrag. Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek. 3. Dagbesteding plus is bedoeld voor inwoners met ernstige en/of meervoudige verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperkingen. Er moet sprake zijn van ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid op meerdere levensgebieden. De
We willen meer sturen op samenwerking tussen de aanbieders in het voorliggend veld en tussen het voorliggend veld en gecontracteerde aanbieders, bijvoorbeeld dagbesteding informeel en formeel onder dak. We bieden (binnen de contracten) mogelijkheden voor gecontracteerde aanbieders om aan te sluiten bij lokale ontwikkelingen in een specifiek gebied (een dorp, een wijk, buurt, een kern of een buitengebied). Dit moet het open afschalen van ondersteuning makkelijker maken (meer kennis/inzet naar de voorkant, toegang, lichte ondersteuning, voorliggend veld).
12
•
de kans op risicovolle situaties en/of escalatie is aanwezig, maar niet groot; • de inwoner kan veranderingen zelf signaleren, maar is onvoldoende in staat om hierop te reageren; • de motivatie van de inwoner voor het volgen van de ondersteuning is wisselend. 5. Kenmerken van inwoners en /of situaties die onder de niveau C vallen: • er is meestal sprake van matige of ernstige gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning; • de ondersteuning is niet routinematig; • er is geen stabiele (ontwikkel) context; • er is hoog risico op escalatie/gevaar; • met de inwoner is het niet mogelijk om afspraken te maken over de planning doordat de situatie sterk wisselend is en onvoorspelbaar; • voortdurend is herziening van de planning van de ondersteuning nodig;
inwoner voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken: • de inwoner heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig; • de inwoner kan de behoefte/ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken; • de inwoner heeft beperkt of geen inzicht in de eigen beperkingen, wat zorgt voor belemmeringen en intensievere ondersteuning; • de inwoner vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag; er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek; • de inwoner is snel (psychisch) uit balans en kan moeilijk omgaan met veranderingen. 4. Kenmerken dagbesteding basis De inwoner heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig: • de inwoner heeft een positieve benadering en aanmoediging nodig om tot activiteit te komen. • een gestructureerd programma aangevuld met een instructie of voorbeeld is voldoende voor de inwoner om een taak te volbrengen. • de inwoner heeft een aanmoediging nodig om mee te doen in het groepsproces. • door middel van oefenen, herhaling en aanmoediging kan de inwoner een haalbare vaardigheid eigen maken. De inwoner kan de behoefte/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken • onder begrijpelijk maken wordt ook verstaan dat de inwoner de ander begrijpt. • de inwoner kan aangeven wat hij of zij bedoelt. Dit kan ook non-verbaal of met een hulpmiddel (spraakcomputer).
13
•
de inwoner kan veranderingen zelf in het geheel niet signaleren; • er kan verscherpt toezicht nodig zijn; • de inwoner is structureel niet of nauwelijks te motiveren tot het volgen van de ondersteuning. 6. Het college kent de maatwerkvoorziening begeleiding ondersteuningsbehoefte 2 groepsgericht en/of individueel toe.
•
alleen een taalbarrière is geen reden voor inzet vanuit de Wmo.
De inwoner kan beperkt of geen inzicht in de eigen beperkingen hebben, maar dit zorgt niet voor belemmeringen: • de inwoner heeft een realistisch of beperkt realistisch beeld van eigen problematiek. Het staat het behalen van de gestelde resultaten nauwelijks in de weg. Hij of zij staat open voor feedback om overschatting of onderschatting te kunnen bijsturen. De inwoner vertoont redelijk constant gedrag. Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek: • de inwoner vertoont soms gedrag dat onvoorspelbaar of niet passend kan zijn. Het gedrag kan negatieve invloed hebben op de persoon zelf of zijn of haar omgeving. Er is geen/gering risico op escalatie. • gedragsproblematiek matig van aard is bij te sturen middels interventies van de professional op de dagbesteding en heeft weinig tot geen consequenties voor de deelname van de inwoner aan de dagbesteding. De inwoner verstoort het groepsproces niet of nauwelijks. 5. Kenmerken dagbesteding Plus De inwoner heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig • de inwoner heeft om tot activiteit te komen een intensieve en proactieve benadering nodig, die gericht is op motiveren, inspireren en activeren.
14
•
•
•
bij het uitvoeren van een taak (die gekoppeld is aan de te behalen resultaten) is bij herhaling sturing en/of toezicht nodig. de inwoner heeft moeite om mee te doen met het groepsproces. Dit heeft een negatieve invloed op het groepsproces en de inwoner zelf. De inwoner heeft gedurende de dag meerdere momenten ondersteuning nodig. het aanleren van vaardigheden vraagt van zowel de inwoner als professional veel geduld en doorzettingsvermogen. Dit is een terugkerend patroon bij de inwoner. De leermethodes die gebruikt worden zijn afgestemd op de inwoner.
De inwoner kan de behoefte/ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken • hier wordt ook onder verstaan dat de inwoner moeite heeft om de ander te begrijpen. • het is moeilijk voor de inwoner om aan te geven wat hij of zij bedoelt, of wat hij of zij nodig heeft. Er wordt een extra beroep gedaan op de professional, want er moet met grote regelmaat een vertaalslag gemaakt worden. • alleen een taalbarrière is geen reden voor inzet vanuit de Wmo. De inwoner heeft beperkt inzicht in de eigen beperkingen, wat zorgt voor belemmeringen en intensievere ondersteuning: • de inwoner heeft beperkt of geen realistisch beeld van de eigen problematiek. De inwoner is tot minder in staat dan wat hij denkt (overschatting) of inwoner kan op eigen kracht of in samenwerking met anderen meer
15
dan hij denkt (onderschatting). Hierdoor blijft de inwoner in de problemen komen. De professional moet dit tekort compenseren om escalatie en/of passiviteit te voorkomen. De inwoner vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag; er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek. • de inwoner is moeilijk te lezen waardoor het gedrag onvoorspelbaar of ongepast is. • de professional moet alert zijn op signalen en direct actie ondernemen om escalatie te voorkomen. • ernstige gedragsproblematiek kan gericht zijn op de omgeving of op de persoon zelf. • de risico’s van het gedrag zeggen iets over de ernst. De ernst wordt bepaald door de combinatie van hoe vaak het voorkomt (frequentie) en de omvang van het risico (impact). Zeer regelmatig is niet alleen in aantallen vast te leggen, maar het gaat ook om de mate waarin het ontregelend is • ernstige gedragsproblematiek heeft consequenties voor de deelname van de inwoner en/of groepsleden. Er is ondersteuning nodig om dit te compenseren. De inwoner is snel (psychisch) uit balans en kan moeilijk omgaan met veranderingen • bij een inwoner ontstaan grote problemen door kleine (dagelijkse) veranderingen buiten de vaste structuur. Het lukt de inwoner niet om zich aan te passen aan deze kleine veranderingen. Hierdoor raakt de inwoner bijvoorbeeld in de stress, wordt emotioneel, of
16
11
15
1. Met wonen en verblijf zet het college een maatwerkvoorziening in voor inwoners ter vervanging van de eigen thuissituatie.
1. De maatwerkvoorziening vervoer maatschappelijke deelname heeft als doel het lokaal verplaatsen per vervoermiddel in de eigen woon- en leefomgeving. Onder lokaal verplaatsen verstaat het college verplaatsingen in een straal van 25 kilometer rond de woning en binnen de landsgrenzen. Buiten dit gebied kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het bovenregionale vervoer, dat Valys in opdracht van het ministerie van VWS verricht.
kan zich op een andere manier niet meer beheersen. Uitwerking beschermende woonomgeving 1. Gemeenten zijn op grond van de WMO verantwoordelijk voor het bieden van een beschermde woonomgeving voor mensen die niet zelfstandig, al dan niet met ambulante ondersteuning, thuis kunnen wonen. Dit geldt ook voor mensen met een licht verstandelijke beperking, hierna LVB en voor mensen met GGZ grondslag. De beoordeling tot een beschermde woonomgeving verloopt via Cimot Enschede. 1. De maatwerkvoorziening vervoer maatschappelijke deelname heeft als doel het lokaal verplaatsen per vervoermiddel in de eigen woon- en leefomgeving. Onder lokaal verplaatsen verstaat het college verplaatsingen in een actieradius van 25 kilometer vanaf de woning en binnen de landsgrenzen. Hiermee wordt de afstand over de weg van de woning tot de gewenste locatie bedoeld. Buiten dit gebied kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het bovenregionale vervoer, dat Valys in opdracht van het ministerie van VWS verricht.
De toegang en plaatsing voor doelgroep Licht verstandelijke beperking (LVB) wordt vanaf 1 januari 2025 toegevoegd aan de centrum- gemeentetaken en verloopt via Cimot Enschede. Hierdoor is er meer overzicht op een beschermende woonomgeving voor deze doelgroep.
Het begrip ‘straal’ is aangepast naar ‘actieradius’. In de huidige beleidsregels staat beschreven dat voor de maatwerkvoorziening vervoer maatschappelijke deelname inwoners zich kunnen verplaatsen in een straal van 25 kilometer rond de woning. Er is enige onduidelijkheid over hoe dit begrip moet worden uitgelegd. Conform contractuele afspraken met de aanbieder moet dit zo worden uitgelegd dat inwoners een individuele actieradius van maximaal 25 kilometer hebben. Om meer duidelijkheid te scheppen is de term straal aangepast naar actieradius. Hiermee wordt de afstand over de weg van de woning tot de gewenste locatie bedoeld.
17