Was-wordt-tabel verordening Jeugdhulp
Tekst van het document
Was-wordt-tabel Wijziging Verordening jeugdhulp Haaksbergen (Kleine) tekstuele aanpassingen ter bevordering van de leesbaarheid of plaats wijzigingen door toevoeging van artikelen of leden zijn niet opgenomen in deze was-wordt-tabel. De term cliënt is door het hele document gewijzigd in jeugdige. Artikel 1
Was (Verordening jeugdhulp Haaksbergen (4.39b1)) In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaand onder: (…) b. gebruikelijke hulp: de normale, dagelijkse hulp die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden; c. hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet; (…)
Wordt (Verordening jeugdhulp Haaksbergen (4.39c)) In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaand onder: (…) b. gebruikelijke hulp: de normale, dagelijkse hulp die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden als invulling van de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen in de zin van artikel 2.3 van de Jeugdwet; c. hulpvraag: behoefte aan jeugdhulp: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet; c. eigen kracht: het vermogen van ouders en/of de jeugdige om het probleem, bijvoorbeeld door de inzet van mensen in het sociale netwerk, vrijwilligers of door het aanspreken van een aanvullende verzekering zelf op te lossen; (..) g. wet: Jeugdwet 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben
Motivering Lid 1: De volgorde van de woorden is iets gewijzigd doordat ze op alfabetische volgorde zijn gezet. Het begrip gebruikelijke hulp is aangepast, omdat de huidige omschrijving niet volledig was. Het begrip eigen kracht is toegevoegd omdat deze nog niet omschreven stond. De term ‘hulpvraag’ is gewijzigd naar ‘behoefte aan jeugdhulp’. Een hulpvraag ontstaat doordat je samen met de jeugdige de behoefte aan jeugdhulp verkent. Er kan van een jeugdige of zijn ouders niet verwacht worden dat zij zich met een concrete hulpvraag melden. Lid 2: Het is niet noodzakelijk om begripsbepalingen letterlijk over te nemen. Door verwijzing naar de Jeugdwet is het duidelijk waar de betekenis van eventueel niet omschreven begrippen gevonden kunnen worden.
2
1. De volgende vormen van overige voorzieningen zijn beschikbaar: (…) d. kortdurende ondersteuning; e. kindertelefoon. 2. De volgende vormen van individuele voorziening zijn beschikbaar: a. ondersteuningsbehoefte 1; b. ondersteuningsbehoefte 2; c. ondersteuningsbehoefte 3 (inclusief ambulante spoedhulp); d. ondersteuningsbehoefte 4 (inclusief enkelvoudige ernstige dyslexiezorg); e. wonen en verblijf; f. structureel vervoer. (…)
3
1. Jeugdigen en ouders met een hulpvraag kunnen het college verzoeken om toekenning van een door het college bij besluit te verlenen individuele voorziening. (…) 3. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende voorziening of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet. (…)
dezelfde betekenis als in artikel 1.1. van de wet. 1. De volgende vormen van overige voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: (…) d. kortdurende ondersteuning; e. kindertelefoon. 2. De volgende vormen van individuele voorziening zijn in ieder geval beschikbaar: a. ondersteuningsbehoefte 1; b. ondersteuningsbehoefte 2; c. ondersteuningsbehoefte 3 (inclusief ambulante spoedhulp); d. ondersteuningsbehoefte 4 (inclusief enkelvoudige ernstige dyslexiezorg); e. wonen en verblijf; f. structureel vervoer naar de jeugdhulplocatie. (…) 1. Jeugdigen en ouders met een hulpvraag kunnen het college verzoeken om toekenning van een door het college bij besluit te verlenen individuele voorziening. 1. Jeugdigen en ouders kunnen een behoefte aan jeugdhulp melden bij het college. Als de jeugdige of zijn ouders daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het verhelderen van de ondersteuningsbehoefte. (…) 3. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke individuele
Lid 1: De woorden ‘in ieder geval’ zijn toegevoegd om het gemakkelijker te maken om voorzieningen toe te voegen en om sneller te kunnen anticiperen op ontwikkelingen. De kindertelefoon is geen voorziening van de gemeente, maar is landelijk geregeld. De kortdurende ondersteuning valt reeds onder de onder a t/m c genoemde voorzieningen en hoeft dus niet apart te worden opgenomen. Lid 2: De voorbeelden bij ondersteuningsbehoefte zijn eruit gehaald, om verwarring over de omvang van deze ondersteuningsbehoefte te voorkomen. De term structureel vervoer is, in lijn met de verordening van Wmo, aangepast naar vervoer naar jeugdhulplocatie. Dit is voor inwoners makkelijker te begrijpen.
Lid 1: De term ‘hulpvraag’ is gewijzigd naar ‘behoefte aan jeugdhulp’. Een hulpvraag ontstaat doordat je samen met de jeugdige de behoefte aan jeugdhulp verkent. Er kan van een jeugdige of zijn ouders niet verwacht worden dat zij met een concrete hulpvraag aan komen kloppen. Lid 3: Aangepast in overeenstemming met de Vng modelverordening. Ook in geval er sprake is van spoedeisendheid, is het nog steeds noodzakelijk om uiteindelijk een onderzoek te doen. De voorziening die in spoedeisende gevallen kan worden ingezet is slechts van tijdelijke aard.
6
voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag van de jeugdige of zijn ouders of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet. (…) (…) (…) 2. Het college kent eveneens een 2. Het college kent eveneens een individuele voorziening toe voor zover met individuele voorziening toe voor zover betrekking tot de jeugdige een verwijzing met betrekking tot de jeugdige een indien zoals bedoeld in artikel 5 van deze een verwijzing zoals bedoeld in artikel 5 verordening is afgegeven. van deze verordening is afgegeven. (…) (…)
7
(…) 3. Het college legt bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb in de beschikking in ieder geval vast: (…)
8 (voorheen 8 lid 1 en 3)
(…) 3. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, kan de jeugdhulp onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk: a. dat deze persoon maximaal het op grond van de Wet langdurige zorg geldende pgb-uurtarief voor hulp van niet-professionele zorgverleners krijgt betaald voor zijn diensten;
(…) 3. Het college legt bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb in de beschikking in ieder geval vast: (…) d. welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; (…) (…) 2. Als een jeugdige of ouder in aanmerking komt voor een individuele voorziening, maar de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, dienst hij daartoe een pgb plan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In het pgb plan is opgenomen; a. de motivatie waarom het naturaaanbod van de gemeente niet passend is en een pgb gewenst is;
Aanpassing ten behoeve van de leesbaarheid.
De voorwaarden aan het pgb moeten ook worden opgenomen in de beschikking, zodat de inwoner weet welke verplichtingen op hem rusten.
Lid 2: In lid 2 is opgenomen welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in het pgb plan. De Jeugdwet noemt in artikel 8.1.1 namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze criteria komen terug in het pgb plan en het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan. Lid 3: Het college moet onderzoeken of jeugdhulp noodzakelijk is en of deze voldoet aan de overige eisen die daaraan gesteld worden. Als deze noodzaak, door verloop van tijd, niet langer is vast te stellen, hoeft het college geen pgb te verstrekken. Het komt dan voor
b. dat deze persoon heeft aangegeven dat de zorg aan de belanghebbende voor hem niet tot overbelasting leidt, en c. dat tussenpersonen of belangbehartigers niet uit het pgb mogen worden betaald.
b. de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt; c. op welke wijze de kwaliteit van de jeugdhulp is gewaarborgd; d. de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief. 3. Het college verstrekt geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. 4. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, kan de jeugdhulp onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk: a. dat deze persoon maximaal het op grond van de Wet langdurige zorg geldende pgb-uurtarief voor hulp van niet-professionele zorgverleners krijgt betaald voor zijn diensten; a. dat deze persoon heeft aangegeven dat de zorg aan de belanghebbende voor hem niet tot overbelasting leidt; en b. indien uit het pgb plan blijkt dat de kwaliteit voldoende gewaarborgd is; c. dat tussenpersonen of belangbehartigers niet uit het pgb mogen worden betaald; d. het niet gaat om een ggzbehandeling;
risico van de jeugdige/ouders zelf dat ze zich niet eerder bij het college hebben gemeld. Lid 4: Het voormalige sub a is verwijderd omdat deze nu (vernieuwd) is opgenomen in artikel 10. Om de kwaliteit van de informele hulp te waarborgen is sub b toegevoegd. Sub d is toegevoegd in lijn met artikel 8.1.1 lid 2 sub c van de Jeugdwet. GGZ is een vorm van jeugdhulp die alleen professionals kunnen bieden. Dit betekent dat dat de professional objectief en onafhankelijk te werk gaat. Het objectief oordeelsvermogen van iemand uit het sociale netwerk wordt altijd beïnvloed door de persoonlijke band met het kind. Sub e is toegevoegd omdat het onwenselijk is dat iemand uit het sociale netwerk een dubbelrol aanneemt, waarbij zowel de jeugdhulp als het beheer van de pgb door dezelfde persoon wordt uitgevoerd. Bij een dubbelrol zal de zorgverlener niet in staat zijn met voldoende afstand en kritisch genoeg de beheerstaken uit te voeren. De uitsluiting van deze dubbelrol is in lijn met jurisprudentie.
9
-
e. deze persoon niet zowel het pgb zal beheren als de jeugdhulp zal verlenen. 1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. 2. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van personen uit het sociaal netwerk van de budgethouder: a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; b. personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; c. personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of
Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Informele hulp is daarbij alle hulp die geboden wordt door personen uit het sociaal netwerk of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen. Het maakt in het geval van het sociaal netwerk niet uit of deze personen een zorg-gerelateerd beroep of opleiding hebben, omdat ze in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Onder de huidige verordening ontstond soms verwarring over welk tarief van toepassing is wanneer iemand uit het sociale netwerk beschikt over een passende opleiding. Uit jurisprudentie volgt dat voor een professional die zorg levert, maar tot het eigen sociale netwerk behoort, het Pgb-tarief voor informele hulp toereikend is, mits dit expliciet in de verordening is opgenomen. Het is derhalve noodzakelijk deze differentiatie op te nemen in de verordening.
10 (voorheen 8 lid 2)
De hoogte van een pgb: a. wordt bepaald aan de hand van een door de jeugdige of zijn ouders opgesteld pgb plan; b. is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede jeugdhulp in te kopen, en (…)
artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. 3. Informele hulp is: a. Hulp die geboden wordt door personen die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2; b. Hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2, maar tot het sociaal netwerk van de jeugdige horen. 1. De hoogte van een pgb: a. wordt bepaald vastgesteld aan de hand van een door de jeugdige of zijn ouders opgesteld pgb plan; b. is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede jeugdhulp in te kopen, en (…) b. wordt berekend op basis van een tarief of prijs: i. waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb de jeugdige of zijn ouders in staat stelt tijdig kwalitatief goede jeugdhulp van derden te betrekken; ii. waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten van derden van wie de jeugdige of zijn ouders de jeugdhulp willen betrekken, en iii. waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen formele en informele hulp (…)
Lid 1: Artikel 10 is een wijziging van het voormalige artikel 8 lid 2. Om de verordening overzichtelijker te maken is besloten de hoogte van het pgb in een apart artikel op te nemen. Het betreft de substantiële materiële norm- en kaderstelling, in de vorm van een berekeningswijze voor het bepalen van de hoogte van pgb’s, die iedere keer als uitgangspunt genomen wordt. Een op basis van deze berekeningswijze vastgesteld budget moet de jeugdige of zijn ouders in staat stellen de jeugdhulp die tot de benodigde individuele voorziening behoort van derden te betrekken. Lid 2: Uit recente jurisprudentie volgt dat gemeenten verplicht zijn voor informele hulp de daarop van toepassing zijnde cao toe te passen (veelal de cao VVT). Lid 2 is in lijn met deze recente jurisprudentie.
11
-
12 (voorheen 9)
(…)
2. De hoogte van het pgb voor informele hulp is bij het bestaan van een dienstbetrekking gelijk aan het hoogste periodiek voor de benodigde hulp in de van toepassing zijnde CAO, vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren. Artikel 11 Kwaliteitseisen formele pgb aanbieders 1. Naast de kwaliteitseisen die gelden op grond van de wet, gelden voor formele pgb aanbieders in ieder geval de volgende eisen: a. aanbieder beschikt over voldoende deskundigheid gericht op de maatwerkvoorziening; b. de verstrekking van de voorzienig is voldoende veilig; c. het leefklimaat en fysieke omgeving zijn schoon, veilig en passend voor jeugdigen; d. aanbieder voert een deugdelijke administratie en goede registratie. 2. Het college kan in beleidsregels een nader invulling van de eisen uit deze verordening en de wet geven. 1. Het college informeert de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening in natura of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. (…)
De kwaliteitseisen, die eerder geheel stonden opgenomen als bijlage bij de beleidsregels, zijn nu gedeeltelijk in de verordening neergezet. De eisen uit de verordening zijn kaderstellend en worden nader uitgewerkt in bijlage 1 van de beleidsregels. De kwaliteitseisen bestaan naast de eisen uit de Jeugdwet.
Lid 1: Het college moet de jeugdige en zijn ouders informeren over de rechten en plichten die komen kijken bij de voorziening en welke consequenties misbruik en oneigenlijk gebruik kunnen hebben. Lid 3: Sub d is toegevoegd omdat de Jeugdwet niet langer van toepassing is indien de jeugdige in een instelling verblijft op grond van de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet.
13 (voorheen 10)
16 (voorheen 12)
3. Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet kan het college een besluit over 2. Onverminderd artikel 8.1.4 van de een individuele voorziening herzien dan Jeugdwet kan het college een besluit over wel intrekken als het college vaststelt dat: een individuele voorziening herzien dan (…) wel intrekken als het college vaststelt dat: d. de jeugdige langer dan acht weken verblijft in een instelling als bedoeld in (…) de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet, of; (…) 5. Als het college een besluit op grond van het tweede derde lid heeft herzien of ingetrokken, kan het college van de 3. Als het college een besluit op grond inwoner en degene die daaraan van het tweede lid heeft herzien of opzettelijk zijn medewerking heeft ingetrokken, kan het college de verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de teveel of ten onrechte genoten individuele geldswaarde vorderen van de teveel of voorziening. ten onrechte genoten individuele voorziening maatwerkvoorziening in (…) natura of het ten onrechte genoten pgb. (…) 1. Het college onderzoekt, al dan niet 1. Het college onderzoekt periodiek, al steekproefsgewijs, of de verstrekte dan niet steekproefsgewijs, of de voorzieningen worden gebruikt dan wel verstrekte voorzieningen worden gebruikt besteed ten behoeve van het doel dan wel besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.
het waarvoor ze verstrekt zijn. gebruik van individuele voorzieningen (…) in natura en pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan. (…) 1. Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, 1. Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. vertrouwenspersoon.
Lid 5: In geval van opzet, mag ook worden teruggevorderd van een derde die heeft meegewerkt aan het misbruik en/of oneigenlijk gebruik.
Het is op grond van artikel 2.9 van de wet verplicht om in de verordening regels op te nemen voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. De nieuwe tekst, die overeenkomt met de Vng-verordening geeft duidelijk invulling aan deze verplichting.
Doordat er in de rest van het artikel reeds wordt aangegeven dat er een onafhankelijke vertrouwenspersoon is waardoor jeugdigen, ouders en
19 (voorheen 15)
(…)
(…)
(…)
(…) 4. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening jeugdhulp van 28 november 2018, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen, de lopende voorziening wordt ingetrokken of beëindigd of tot deze van rechtswege vervalt. 5. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening jeugdhulp van 28 november 2018 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van de Verordening Jeugdhulp van 27 maart 2024, worden afgehandeld krachtens de Verordening Jeugdhulp van 27 maart 2024. 6. Van het in lid 4 en 5 gestelde kan ten gunste van de jeugdige worden afgeweken.
pleegouders zich kunnen laten bijstaan, is het niet noodzakelijk dit dubbel op te nemen. Om goed te voorzien in de overgang van de lopende verordening naar de voorliggende verordening zijn de leden 4 t/m 6 toegevoegd aan de slotbepalingen.