CConstaterende datHaaksbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing tbv buitenplanse afwijking Eibergsestraat 211 21-09-2021 (anoniem)

Gemeenteraad 30 november 2022, gemeente HaaksbergenBij agendapunt: Afgeven van een definitieve verklaring van geen bedenkingen ten behoeve van de sloop en nieuwbouw van emissiearme pluimveestallen op het perceel Eibergsestraat 21124.215 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsvergunning WABO Buitenplanse Afwijking Eibergsestraat 211 7481 HJ HAAKSBERGEN

Opdrachtgever:

Datum: 21 september 2021 (versie 2) Uitvoerende:

Ruimtelijke onderbouwing Initiatiefnemer:

Initiatieflocatie:

Eibergsestraat 211 7481 HJ HAAKSBERGEN

Opdrachtnemer:

Rapportage:

Definitief 21 september 2021 (versie 2)

2

Inhoud 1. INLEIDING .................................................................................................................. 5 1.1 AANLEIDING EN DOEL ................................................................................................. 5 1.2 PLANGEBIED ............................................................................................................ 5 1.3 PLANOLOGISCHE SITUATIE ........................................................................................... 6 1.4 LEESWIJZER ............................................................................................................. 8 2. PLANBESCHRIJVING .................................................................................................... 9 2.1 HUIDIGE SITUATIE ..................................................................................................... 9 2.2 GEWENSTE SITUATIE ................................................................................................ 11 3. BELEIDSKADER ......................................................................................................... 14 3.1 RIJKSBELEID .......................................................................................................... 14 3.2 PROVINCIAAL BELEID ...............................................................................................

17 3.3 GEMEENTELIJK BELEID .............................................................................................. 20 4. MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN ........................................................................... 24 4.1 GEUR .................................................................................................................. 24 4.2 AMMONIAKEMISSIE / WAV / BEHV .......................................................................... 25 4.3 GELUID ................................................................................................................ 26 4.4 LUCHTKWALITEIT .................................................................................................... 27 4.5 BODEM ................................................................................................................ 28 4.6 GEZONDHEIDSASPECTEN ........................................................................................... 29 4.7 WATERHUISHOUDING .............................................................................................. 31 4.8 ARCHEOLOGIE & CULTUURHISTORIE ............................................................................ 34 4.9 VERKEER EN PARKEREN............................................................................................

36 4.10 BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING ................................................................................ 36 4.11 EXTERNE VEILIGHEID .............................................................................................. 37 4.12 KABELS EN LEIDINGEN ............................................................................................ 38 5. UITVOERBAARHEID .................................................................................................. 39 5.1 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID .............................................................................. 39 5.2 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID ........................................................................ 39

3

BIJLAGE 1 PLATTEGRONDTEKENING BEOOGDE BEDRIJFSOPZET ....................................... 40 BIJLAGE 2 BOUWPLAN HERBOUW PLUIMVEESTALLEN .................................................... 41 BIJLAGE 3 BESLUIT MER-BEOORDELING .......................................................................... 42 BIJLAGE 4 VERGUNNING WET NATUURBESCHERMING .................................................... 43 BIJLAGE 5 AERIUS-BEREKENING (AANLEGFASE) ............................................................... 44 BIJLAGE 6 AERIUS-BEREKENING (WNB) ........................................................................... 45 BIJLAGE 7 RAPPORT AKOESTISCH ONDERZOEK................................................................ 46

4

1. Inleiding 1.1

Aanleiding en doel

is voornemens het pluimveebedrijf gelegen aan het Eibergsestraat 211 te Haaksbergen verder te ontwikkelen. In de beoogde bedrijfsopzet worden 4 bestaande en verouderde stallen voor het huisvesten van vleeskuikens vervangen door 3 nieuwe stallen voor het houden van vleeskuikens. Deze vervanging van de stallen vindt plaats binnen het thans geldende bouwvlak. Door het verwijden van de bestaande 4 stallen (met asbestdaken) en het realiseren van de drie nieuwe stallen wordt het leefoppervlakte van de vleeskuikens vergroot (welzijnstechnische verbetering / Beter Leven) en wordt de milieubelasting (toepassen emissiearme staltechniek) de milieubelasting verminderd. In de gewenste situatie wordt hierdoor de maximale bebouwing binnen het geldende bouwvlak vergroot met ongeveer 1.100 m2, van maximaal 7.650 m2 naar 8.748 m2. Voornoemde ontwikkeling is destijds, in het kader van de MER-beoordeling en vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming, afgestemd met de medewerkers van de gemeente Haaksbergen en de ODT. Op basis hiervan is aangegeven dat, naar verwachting en gelet op de milieuwinst, planologische medewerking kan worden verleend aan het beoogde project. Gedurende het traject is ambtelijk besproken dat de beoogde ontwikkeling met een omgevingsvergunning buitenplanse afwijking (art. 2.12 lid 1, sub a onder 30 Wabo) kan worden aangevraagd.

Het is aan de initiatiefnemers om te motiveren dat de omgevingsvergunningsaanvraag voldoet aan een ‘goede ruimtelijke ordening’. Onderhavige ruimtelijke onderbouwing (ROB) voorziet hierin.

1.2

Plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Eibergsestraat 211 te Haaksbergen. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Haaksbergen, sectie G, nummer 1690. In onderstaande afbeelding is de een luchtfoto van het pluimveebedrijf opgenomen. Een schets van de beoogde uitbreiding en nieuwbouw (beide grijs gearceerd) is weergegeven in afbeelding 2. De gronden van het plangebied zijn momenteel reeds actief in gebruik als erf / ondergrond van stallen voor het houden van vleeskuikens.

5

Afbeelding 1&2 Luchtfoto huidige situatie + situatieschets gewenste situatie

1.3

Planologische situatie

Op grond van de geldende bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Haaksbergen (vastgesteld op 22 april 2015) is het perceel gelegen in ‘agrarisch gebied’. Voor de locatie Eibergsestraat 211 te Haaksbergen is de bestemming “agrarisch bedrijf” toegekend inclusief een bijbehorend bouwvlak en de nadere aanduiding “intensieve veehouderij”. Ter plaatse is het op grond van dit bestemmingsplan toegestaan om een pluimveehouderij te exploiteren.

6

De beoogde bedrijfsopzet / realisatie van de nieuwe bebouwing (herbouw 3 nieuwe stallen) ligt binnen het vastgestelde bouwvlak. Op grond van het vigerende bestemmingsplan heeft het perceel tevens de gebiedsaanduidingen ‘luchtvaartverkeerszone’ & ‘reconstructiegebiedextensiveringsgebied’. In onderstaande afbeelding is een kaartuitsnede van de plankaart behorende bij het bestemmingsplan opgenomen.

Afbeelding 3 Kaartuitsnede plankaart vigerend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Het bestaande bouwvlak bestaat uit 2 onderling verbonden delen met een oppervlakte van ongeveer (1.000 + 15.000 =) 16.000 m2. Op grond van het vigerende bestemmingsplan heeft het perceel daarnaast de bouwaanduiding “specifieke bouwaanduiding-afwijkende maatvoering 5. Op basis van deze aanduiding, gelet op het gestelde in het bestemmingsplan (artikel 4, lid 1, onder a, sub 7), de maximale oppervlakte van de bebouwing maximaal 7.650 m2 bedragen. In de gewenste situatie kunnen de vervanging van de 4 stallen binnen het geldende bouwperceel plaatsvinden binnen het geldende bouwvlak, maar dient de omvang van de bebouwing te worden vergroot. De omvang van de bestaande 4 stallen omvat momenteel een oppervlakte van in totaal 2.592 m2. In de beoogde bedrijfsopzet bedraagt de oppervlakte van de drie nieuwe stallen in totaal (24,4 x 52,4 + 24,4 x 52,4 + 24,4 x 46,4 =) 3.690 m2. Gelet op voornoemde wordt in de gewenste situatie de mate van bebouwing binnen het bouwvlak vergroot met ongeveer 1.100 m2 van maximaal 7.650 m2 naar 8.748 m2. In het geldende bestemmingsplan is voor deze vergroting geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Gelet hierop wordt voor onderhavig project een aanvraag voor een omgevingsvergunning onderdelen milieu, bouw en een buitenplanse afwijking (art. 2.12 lid 1, sub a onder 30 Wabo) ingediend.

7

1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie opgenomen. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader met bijbehorende randvoorwaarden uiteengezet. Hoofstuk 4 bevat een beschrijving van de relevantie omgevings- en milieuaspecten en de toetsing (haalbaarheid) van de beoogde bedrijfsopzet hieraan. In het laatste hoofdstuk wordt ingegaan op de economische- en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

8

2. Planbeschrijving 2.1

Huidige situatie

2.1.1 Ligging veehouderij en inrichting perceel Het agrarisch bedrijf / pluimveebedrijf van aan de Eibergsestraat 211 te Haaksbergen ligt in het agrarisch buitengebied van Haaksbergen. In de directe omgeving van de veehouderij is geen bebouwde kom aanwezig. Het omliggende gebied kan worden getypeerd als ‘agrarisch’ met verspreid liggende agrarische bedrijven / veehouderijen en enkele (burger-) woningen van derden en een bos-/natuurgebied. De bebouwde kom van Rietmolen is gelegen op een afstand van ongeveer 1,5 kilometer in westelijke richting. De locatie wordt goed en eenvoudig ontsloten via de Eibergsestraat en (nieuwe) N18 en de ontsluiting van de pluimveehouderij vindt dan ook via dit wegenstelsel plaats. De ligging van de veehouderij (rode bullet) ten opzichte van omliggende bestemmingen is in onderstaande afbeelding opgenomen. De gele, oranje en groene vlakken duiden respectievelijk woon-, horeca- en bos/natuurbestemmingen aan. De omliggende agrarische bestemmingen (bouwvlakken) zijn niet gekleurd en derhalve blanco weergegeven.

Afbeelding 4 Ligging veehouderij t.o.v. omliggende bestemmingen (bron: ruimtelijke plannen.nl)

9

Op het perceel zijn drie stallen aanwezig voor het houden van vleeskuikens. Daarnaast zijn er binnen het bedrijf een opslag voor vaste mest, paardenstallen/berging, opslag akkerbouwproducten (gebouw) annex berging en twee bedrijfswoningen aanwezig.

Sleufsilo (opslag maïs) 4 “oude” / te slopen kuikenstallen 3 bestaande (emissiearme) kuikenstallen Paardenstal + -bak / berging

Bedrijfswoning nr. 211

Afbeelding 5 Indeling perceel (bron: streetsmart/2020)

2.1.2 Bouwvlak Het huidige (gekoppelde) bouwvlak heeft een oppervlakte van ongeveer (1.000 + 15.000 =) 16.000 m2. Het geldende bouwvlak is toereikend om de gewenste situatie te realiseren.

2.1.3 Maximale bebouwing IV De maximale bebouwing ten behoeve van de pluimveehouderij aan de Eibergsestraat 211 te Haaksbergen (“intensieve veehouderij”) bedraagt momenteel 7.650 m2. De oppervlakte van de 4 te slopen stallen bedraagt in totaal 2.592 m2.

2.1.4 Milieuvergunning Voor onderhavig pluimveebedrijf is op 22 april 2014 een rechtsgeldige omgevingsvergunning Wabo (milieu/revisie) verleend voor het houden van 152.728 vleeskuikens (in 7 stallen) en 2 volwassen paarden. De ammoniakemissie op basis van deze vergunning bedraagt 5.071,4 kg per jaar.

10

2.2

Gewenste situatie

2.2.1 Beoogde bedrijfsontwikkeling Zoals reeds beschreven wenst Vier bestaande stallen voor het houden van vleeskuikens te slopen. Het betreffen hier vier oude stallen, die zijn uitgevoerd met een traditionele huisvesting en zijn voorzien van een dakbedekking bestaande uit asbest. Op de locatie van deze bestaande stallen worden vervolgens 3 nieuwe stallen voor het huisvesten van vleeskuikens gerealiseerd. Deze 3 stallen hebben een capaciteit van 46.720 vleeskuikens. Deze drie stallen worden emissiearm uitgevoerd (reductie ammoniak en fijn stof) door het toepassen van warmtewisselaars (RAV E 5.11 // BWL 2010.13V7 + E 7.6 // BWL 2011.02V6). Een plattegrondtekening van de beoogde bedrijfsopzet/ c.q. -ontwikkeling is toegevoegd als bijlage 1. Het gewenste bouwplan is hieronder weergegeven alsmede als bijlage 2 opgenomen:

Afbeelding 6 Gewenste bouwplan // 3 nieuwe emissiearm stallen

11

2.2.2 Bouwvlak Het bestaande (gekoppelde) bouwvlak heeft een oppervlakte van ongeveer (1.000 + 15.000 =) 16.000 m2. Het geldende bouwvlak is toereikend om de gewenste situatie / 3 nieuwe stallen te realiseren.

2.2.3 Maximale bebouwing IV In de gewenste situatie kunnen de 3 nieuwe stallen binnen het geldende bouwperceel worden gerealiseerd, maar dient de omvang van de bebouwing te worden vergroot. De omvang van de bestaande 4 stallen omvat momenteel een oppervlakte van in totaal 2.592 m2. In de beoogde bedrijfsopzet bedraagt de oppervlakte van de drie nieuwe stallen in totaal (24,4 x 52,4 + 24,4 x 52,4 + 24,4 x 46,4 =) 3.690 m2. Gelet op voornoemde wordt in de gewenste situatie de mate van bebouwing binnen het bouwvlak vergroot met ongeveer 1.100 m2 van maximaal 7.650 m2 naar 8.748 m2.

2.2.4 Milieuvergunning Voor de beoogde bedrijfsopzet dient een nieuwe Omgevingsvergunning Wabo (onderdeel milieu, bouw & afwijken RO) te worden aangevraagd.

2.2.5 MER-beoordeling Voor de beoogde nieuwe bedrijfsopzet (totaal 160.000 vleeskuikens) in 6 stallen (3 bestaande emissiearme stallen // 113.280 stuks en 3 nieuwe emissiearme stallen // 46.720 stuks) is in 2018 reeds een aanmeldnotitie voor een MER-beoordeling ingediend. Op 20 september 2018 heeft het college van B&W van Haaksbergen bepaalt dat voor dit project // deze bedrijfsopzet geen MER behoeft te worden opgesteld. Het betreffende besluit (publicatie Staatscourant) is toegevoegd als bijlage 3.

2.2.6 Vergunning Wet Natuurbescherming Voor de beoogde nieuwe bedrijfsopzet (totaal 160.000 vleeskuikens) in 6 stallen (3 bestaande emissiearme stallen // 113.280 stuks en 3 nieuwe emissiearme stallen // 46.7200 stuks) is op 30 juli 2018 reeds een nieuwe vergunning op grond van de Wet Natuurbescherming aangevraagd. Op 6 december 2018 heeft het college van GS van Overijssel de gevraagde vergunning verleend en deze is thans onherroepelijk. Het betreffende besluit (vergunning WNB) is toegevoegd als bijlage 4. In de beoogde situatie is er sprake van een afname van de ammoniakemissie / depositie.

12

De Aerius-verschilberekening (vergund WNB 208 – gewenst) is als bijlage aan deze notitie toegevoegd. Gelet op de resultaten van de bijbehorende AERIUS-berekening (bijlage 6), treden er in de beoogde situatie geen significant negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden op ten opzichte van de referentiesituatie. Gelet op het gestelde in de Wet natuurbescherming vormt het aspect stikstofdepositie dan ook geen weigeringsgrond voor het realiseren van de gewenste opzet.

13

3. Beleidskader 3.1

Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op d.d. 13 maart ‘12 inwerking getreden. Deze structuurvisie vervangt de Nota Ruimte. De structuurvisie geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op Rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw Rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de structuurvisie schetst het Rijk ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028. De leidende gedachte in de SVIR is ruimte maken voor groei en beweging. De SVIR is de eerste Rijksnota die de onderwerpen infrastructuur en ruimte integraal behandelt. In de SVIR richt het Rijk zich vooral op decentralisatie. De verantwoordelijkheid wordt verplaatst van Rijksniveau naar provinciaal en gemeentelijk niveau. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Het Rijk stelt derhalve geen specifieke regels voor (compacte) agrarische ontwikkelingen, zoals het oprichten van een pluimveestal. Met het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning buitenplanse afwijking, zijn geen nationale belangen in het geding. De SVIR vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde bedrijfsontwikkeling.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Rijk legt met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de nationale ruimtelijke belangen juridisch vast. Enerzijds betreft het de belangen die reeds in de (ontwerp-) AMvB Ruimte uit 2009 waren opgenomen en anderzijds is het Barro aangevuld met onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het besluit is op d.d. 30 december ‘11 in werking getreden. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. Ter bescherming van deze belangen zijn reserveringsgebieden, begrenzingen en vrijwaringszones opgenomen. In het besluit is aangegeven op welke wijze bestemmingsplannen voor deze gebieden moeten zijn ingericht. Indien geldende bestemmingsplannen niet voldoen aan het Barro dan moeten deze binnen drie jaar na inwerkingtreding van het besluit zijn aangepast.

14

Bij besluit van d.d. 28 augustus ‘12 (inwerking getreden op d.d. 1 oktober ‘12) is het Barro aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen hoofdinfrastructuur (reserveringen voor hoofdwegen en landelijke spoorwegen en vrijwaring rond Rijksvaarwegen), de elektriciteitsvoorziening, het regime van de herijkte ecologische hoofdstructuur en waterveiligheid (bescherming van primaire waterkeringen en bouwbeperkingen in het IJsselmeergebied). Het Barro doet geen specifieke uitspraken over zaken die in onderhavig plan worden geregeld en vormt daarmee geen belemmering.

3.1.3 De ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking (verder: 'de Ladder') is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De uitgangspunten hierbij zijn dat de ontwikkeling voorziet in een behoefte, en dat de ontwikkeling in eerste instantie in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Artikel 3.6 lid twee Bro omschrijft de ladder als volgt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien". Voor de Ladder is dus een onderzoek nodig die uit twee stappen bestaat: 1. Is sprake van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’?; 2. Als hier sprake van is, dan moet motivering plaats vinden volgens de Ladder: Vind de ontwikkeling plaats binnen het bestaand stedelijk gebied die in die behoefte kan worden voorzien? De toepassing van de Ladder is medebepaald door uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS). De ABRS heeft in een 'overzichtsuitspraak' op d.d. 28 juni ‘17 op een rij gezet hoe de Ladder gebruikt moet worden.

Hiermee wordt houvast geboden aan de rechtspraktijk. De laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Artikel 1.1.1 Bro definieert een stedelijke ontwikkeling als “een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”. De beoogde uitbreiding/ oprichting van agrarische gebouwen wordt niet aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Omdat er bij onderhavig plan geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, is een motivering van het plan volgens de Ladder niet nodig. De duurzaamheidsladder uit artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro vormt om die reden dan ook geen belemmering voor het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning buitenplanse afwijking.

15

3.1.4 Nationaal waterplan 2 Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het plan is een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van het watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Uitgangspunt is het streven naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. De beoogde uitbreiding/ oprichting van agrarische gebouwen heeft geen directe invloed op de wateropgave gerelateerd aan het Nationaal waterplan 2. Het plan vormt om die reden dan ook geen belemmering voor het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning buitenplanse afwijking. In paragraaf 4.6 wordt plan specifiek getoetst aan het aspect ‘waterhuishouding’.

3.1.5 Wet Natuurbescherming In de Wet natuurbescherming staan beschermingsregels voor de Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Vanwege de inwerkingtreding van deze wet op 1 januari 2017 zijn de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet komen te vervallen. Zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming zijn nu in de Wet natuurbescherming geregeld. Het Natura 2000-gebied ‘Buurserzand & Haaksbergerveen’ is gelegen op een afstand van circa 4 kilometer ten oosten van onderhavige pluimveehouderij. Het project kent in relatie tot de Wet natuurbescherming een aanleg- en gebruikersfase. Wat betreft de aanlegfase (bouw + sloop van de stallen), er is een berekening met AERIUS-calculator uitgevoerd waarbij de stikstofbronnen tijdens deze fase in beeld zijn gebracht. In de berekening is uitgegaan van een ‘worst case’ benadering. De rijroute van het verkeer is weergegeven van de bouwplaats tot waar het verkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld. Voor de vrachtwagens is gerekend met een euro 5 dieselmotor. In de berekening is uitgegaan van 2 type bronnen. Stationaire bronnen, bijvoorbeeld de kraan en de betonpomp en de verkeersbronnen, deze bronnen bestaan uit vrachtwagens die materiaal brengen en auto’s/bestelauto’s van de aannemer die werkzaam zijn op de bouw. De bouwperiode voor de beoogde bedrijfsopzet bedraagt circa 6 maanden.

De ingevoerde stikstofbronnen tijdens de aanlegfase zijn in onderstaande tabel weergegeven.

16

Tabel 1 Overzicht bronnen in aanlegfase (bouw en sloop) Type activiteit Voertuig Brandstofverbruik Stationaire bron tijdens bouwfase

Kraan, bouwkraan, verreiker, schovel, betonpomp

5.000 liter (totaal)

Aantal bewegingen --

Aankomende en vertrekkende bouwvakkers

Auto/ bestelbus

300

Aan-/afvoer materiaal

Vrachtwagens

120

Uit de resultaten van de AERIUS berekening blijkt dat het slopen van de bestaande stallen en het bouwen van de nieuwe stallen niet zal leiden tot een significant negatief effect op de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar, de AERIUS-berekening is opgenomen in bijlage 5. Voor de beoogde nieuwe bedrijfsopzet (totaal 160.000 vleeskuikens) is op 6 december 2018 een nieuwe vergunning op grond van de WNB verleend door het college van GS van Overijssel. de gevraagde vergunning verleend en deze is thans onherroepelijk. Het betreffende besluit (vergunning WNB) is toegevoegd als bijlage 4. Op basis van deze nieuwe WNB-vergunning is sprake van een ruime afname van de ammoniakemissie á (5.071,4 – 4.164,5 =) 906,9 kg per jaar en hierdoor ook sprake van ruime afname van de ammoniakdepositie. De bijbehorende Aerius-berekening is bijgevoegd als bijlage 6. Gelet op voornoemde kan worden gesteld dat in de gewenste situatie, door een afname van de ammoniakemissie, ter plaatse van het Natura 2000-gebied ‘Buurserzand & Haaksbergerveen’ een aanzienlijke verbetering zal optreden.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie en Omgevinsgverordening In de Omgevingsverordening staan de regels die bij de Omgevingsvisie Overijssel horen. Gemeenten en waterschappen krijgen zoveel mogelijk ruimte om binnen die regels hun plannen te maken. De provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening worden actueel gehouden met een jaarlijkse actualisatieronde. Eerder vastgestelde beleidswijzigingen worden dan verwerkt. Provinciale Staten hebben de Actualisatie 2018-2019 op 13 november 2019 gewijzigd vastgesteld. Deze Actualisatie is op 1 december 2019 in werking getreden. In de betreffende Omgevingsvisie is ten aanzien de agrarische sector het volgende opgenomen: De agro- en foodsector is een belangrijke pijler onder de regionale economie van Overijssel: de sector is goed voor 10% van de toegevoegde waarde en 6,8% van de werkgelegenheid in onze provincie. Agro en food omvat alles rond voedsel: zowel de primaire productie als het bewerken, verwerken, vermarkten en de distributie van voedsel. De landbouw is als primaire producent een belangrijke schakel in de keten.

17

Daarnaast levert de landbouw met het ‘beheer’ van het landschap een belangrijke bijdrage aan de kwaliteiten en gebruiksmogelijkheden van het landelijk gebied. Wij bieden ruimte voor de agro- en foodsector om zijn concurrentiepositie te verbeteren en verbinden daaraan een aantal Overijsselse kwaliteitsvoorwaarden. Ondernemers kunnen ruimte voor ontwikkeling verdienen door te investeren in aanvullende kwaliteitsvoorwaarden op het gebied van ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit. Op deze manier stimuleren we om innovatief te ondernemen en zo proeftuin en etalage van vernieuwing te zijn. Gemeenten nemen de kwaliteitsvoorwaarden mee in hun ruimtelijk afwegingskader en vergunningverlening. Toepassing van de aanvullende kwaliteitsvoorwaarden is, net als toepassing van de KGO, maatwerk en in evenwicht met de bedrijfsgroei. Bedrijfsontwikkeling en nieuwvestiging van agrarische bedrijven is alleen mogelijk op bestaande agrarische locaties. De agro- en foodsector maakt een transitie door. Wij ondersteunen die transitie door ruimte te bieden voor ontwikkeling in ruil voor kwaliteit. Door onze aanvullende kwaliteitsvoorwaarden bij bedrijfsontwikkeling geven we ruimte om innovatief te ondernemen en zo proeftuin en etalage van vernieuwing te zijn. Agrarische bedrijven zijn een essentiële schakel in de hele voedselketen.

In de gewenste situatie is sprake van een ontwikkeling binnen een bestaand pluimveebedrijf en binnen een bestaand bouwvlak. Door de sloop van vier bestaande traditionele stallen (met een dakbedekking bestaande uit asbest) en de herbouw van drie nieuwe emissiearme stallen voor vleeskuikens inclusief ruimt afname van de ammoniakemissie & -depositie wordt een bijdrage geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit. Het beoogde ontwikkelings- en bouwplan voldoet derhalve aan het gestelde in de geldende provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening van Overijssel. ‘Jong heide- en broekontginningslandschap’ De locatie ligt op basis van de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’ in het ‘Jong heide- en broekontginningslandschap’. De grote oppervlakte aan (voormalige) natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht. Aanvankelijk kleinschalig en min of meer individueel door keuterboertjes, later werd de ontginning planmatig en grootschalig aangepakt (tot in de jaren 60 van de 20e eeuw).

De grote natte broekgebieden ondergingen een vergelijkbare ontwikkeling, waardoor de natte en de droge jonge ontginningen nu gelijkenis vertonen. Ten opzichte van omliggend essen- en hoevenlandschap zijn de landbouwontginningen relatief grote open ruimtes, deels omzoomd door boscomplex. Erven liggen als blokken aan de weg geschakeld. Als ontwikkelingen plaats vinden in de agrarische ontginningslandschappen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende ruimtematen.

18

Onderhavig project en bouwplan vindt plaats op de locatie van de huidige bebouwing en tevens binnen het bestaande bouwvlak. Op basis van het beoogde bouwplan wordt de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse verbeterd en het voornemen past dan ook binnen de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’.

3.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van natuur- en landbouwgebieden met hoge natuurwaarden. Het NNN heeft als doel het behouden, beschermen en versterken van de rijkdom aan plant- en diersoorten (biodiversiteit). Hiermee dragen we bij aan (inter-)nationaal vitaal stelsel van natuurgebieden. De realisatie van natuurdoelen gaat zo veel mogelijk samen met het versterken van de landbouw, de regionale economie en de wateropgaven. De NNN begrenzing van Overijssel is als verordening opgenomen in de Overijsselse Omgevingsverordening. Op 13 november 2019 hebben Provinciale Staten van Overijssel een geactualiseerde Omgevingsvisie en Omgevinsgverordening vastgesteld. De NNN maakt onderdeel uit van de Zone Ondernemen met Natuur en Water (Zone ONW). Naast de begrenzing van de NNN bevat de dataset tevens de Zone ONW gebieden buiten de NNN. Hier is het beleid gericht op ruimte te creëren voor economische ontwikkelingen zoals de landbouw, recreatie en natuurgebonden woon- en werklocaties.

Het pluimveebedrijf aan de Eibergsestraat 211 is niet gelegen in een beschermd (natuur-) gebied zoals bijvoorbeeld NNN-natuurgebieden of beschermd grootschalig open landschap. De pluimveehouderij is gelegen op een afstand van ongeveer 100 meter van het NNN in oostelijke richting.

19

In de gewenste situatie wordt de afstand tot het NNN niet verkleind. Nu in de gewenste situatie sprake is van een ruimte afname van de ammoniakemissie- en -depositie, zal ter plaatse van het NNN een aanzienlijke verbetering optreden.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie 2030 Haaksbergen De gemeenteraad van Haaksbergen heeft op 5 maart 2014 de ‘Structuurvisie 2030, Haaksbergen: Groenste dorp van Twente’ gewijzigd vastgesteld. De structuurvisie is een toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente Haaksbergen voor de periode tot 2020 en geeft een doorkijk naar 2030. De visie geeft aan hoe de gemeente omgaat met de thema’s infrastructuur, platteland, economie, wonen en duurzaamheid. Er zijn voor de komende jaren negen ambities opgenomen: 1. Verbeteren van de relatie en verzachten van de overgangen tussen dorp en buitengebied. 2. Een sfeervol groen centrum met de Markt als stralend middelpunt. 3. Stimuleren van een gezonde plattelandseconomie en op peil houden van de ecologische en cultuurhistorische kwaliteiten van het buitengebied. 4. Versterken van de cultuurhistorische kwaliteit van de dorpsstructuur. 5. Benutten van de toeristische potentie van de samenhang tussen dorp en landschap. 6. Versterken van de veelzijdigheid van de Haaksbergse economie. 7. Verbreden van het aanbod aan woonmilieus. 8. Op peil houden en concentreren van het voorzieningenniveau. 9. Verduurzamen en beleefbaar maken van het watersysteem.

In onderhavige situatie geval is met name punt 3 van belang: Stimuleren van een gezonde plattelandseconomie en op peil houden van de ecologische en cultuurhistorische kwaliteiten van het buitengebied Voor de kwaliteit van het buitengebied is een gezonde plattelandseconomie van groot belang. In het reconstructieplan zijn doelen geformuleerd om de ruimtelijke structuur van de landbouw te verbeteren voor de grondgebonden landbouw en intensieve veehouderij. Het overige agrarische gebied is verwevingsgebied en extensiveringsgebied. Daar wordt verbreding van de plattelandseconomie naar recreatie en toerisme, kleinschalige bedrijvigheid en lokale energieproductie gestimuleerd. Dit sluit niet uit dat op plekken die daarvoor geschikt zijn, toch nog een mate van schaalvergroting kan plaatsvinden. De beoogde ontwikkeling van zijnde de exploitatie van een duurzaam gezinsbedrijf in de vorm van pluimveehouderij, voldoet aan de beoogde doelstellingen. De ontwikkeling draagt bij aan een gezonde plattelandseconomie. De ontwikkeling vindt daarnaast plaats ter plaatse van de bestaande bebouwing en binnen het huidige erf / bouwvlak.

20

3.3.2 Landschapsontwikkelingsplan Haaksbergen en HvT De gemeenten Haaksbergen en Hof van Twente hebben een gezamenlijk landschapsontwikkelingsplan laten opstellen (vastgesteld mei 2005). Het landschapsontwikkelingsplan biedt een samenhangende visie op landschapskwaliteit en bouwstenen en inrichtingsprincipes voor landschapsontwikkeling. In de landschapsontwikkelingsvisie is het toekomstbeeld geschetst en de ontwikkeling per legenda-eenheid aangegeven. Hoofddoel van de visie is het onderscheid en de diversiteit tussen de landschapseenheden te vergroten en de samenhang te verbeteren met gerichte investeringen voor de toekomst. Op de visiekaart ligt het plangebied in het dekzandgebied en is aangemerkt als veldontginningslandschap. Het veldontginningslandschap komt in grote eenheden voor op het plateau en de stuwwal waar voor behoud en versterking van het landschapspatroon wordt gepleit. Dit betekent behoud van de open verkaveling van het uitgestrekte veld met zichtbare ontginningsgrenzen. De erfbeplanting is vrij besloten rondom een strak en regelmatig opgezet erf. In de gewenste situatie wordt het bestaande erf qua vorm en omvang niet gewijzigd. Op het achtererf wordt 4 bestaande “verouderde” stallen vervangen door 3 nieuwe moderne pluimveestallen. In de gewenste situatie wordt de erfbeplanting en/of de laanbeplanting niet gewijzigd.

Door de herbouw van de stallen wordt een bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van het aanwezige landschap.

3.3.3 Beeldkwaliteitsplan Buitengebied Haaksbergen Algemeen Het beeldkwaliteitsplan buitengebied Haaksbergen geeft uitvoering aan de ambitie van de gemeente om meer mogelijk te maken in het buitengebied en tegelijkertijd de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen en waar mogelijk verbetering te stimuleren/eisen. De landbouw als traditionele beheerder van het landschap zit in “zwaar weer” en het landschap dreigt te verruigen en verrommelen. De gemeente Haaksbergen wil het beeldkwaliteitsplan als aanvulling op het Bestemmingsplan Buitengebied inzetten als instrument om de ruimtelijke kwaliteit in et buitengebied te waarborgen en heeft in het plan de volgende doelstellingen opgenomen: 1. het dient als instrument om sturing te geven aan nieuwe ontwikkelingen. Ruimtelijke kwaliteit is daarbij leidend; 2. het dient als inspiratiebron en zorgt voor een breed draagvlak bij gebruikers, belanghebbenden, ambtenaren en bestuurders om de ten doel gestelde ruimtelijke kwaliteit te realiseren en te handhaven. Het maakt hen meer bewust van de streekeigen kwaliteiten van het landschap en architectuur, en geeft inspiratie hoe de (nieuwe of te wijzigen) bebouwing landschappelijk verankerd kan worden; 3. het dient als gemeentelijk toetsingskader voor de beoordeling van welstandsaspecten van aanvragen omgevingsvergunning. Bouwplannen dienen aan de volgende 2 criteria te voldoen: 1.

landschapscriteria, waar de situering van de gebouwen, het erf in het landschap, en de erfinrichting deel van uit maken; 2. bebouwingscriteria, waar de hoofdvorm en maatvoering, gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik en detaillering deel van uitmaken. 21

De landschapscriteria zijn toegesneden op de in de gemeente Haaksbergen aanwezige landschapstypen. Volgens de Integrale gebiedsuitwerking landelijk gebied Haaksbergen (d.d. 11 november 2008) bestaat het landschap uit vier typen. In onderhavige situatie is het veldontginningslandschap van toepassing. De bebouwingscriteria zijn onderverdeeld in categorieën, die betrekking hebben op de functie van de betreffende bouwplan. De verschijningsvorm houdt namelijk direct verband met de functie van de bebouwing. De volgende functie is in onderhavige situatie van toepassing: agrarische bedrijven: stallen . In het genoemde beeldkwaliteitsplan zijn hiervoor de volgende aandachtspunten opgenomen:

In de gewenste situatie wordt ter vervanging van de 4 bestaande stallen 3 nieuwe pluimveestallen gerealiseerd. Hierbij is, mede gelet op het landschap, omgeving en beeldkwaliteit, bewust gekozen voor 3 nieuwe stallen in plaats van bijvoorbeeld 1 of 2 grote nieuwe stallen. Hierbij is aansluiting gezocht bij de 3 bestaande stallen op het voorerf. De uitstraling, uitvoering en bouwhoogtes sluiten goed aan bij de bestaande bebouwing en hierdoor ontstaat een geclusterde bebouwing met een gelijkwaardige uitstraling. Het gewenste bouwplan is hieronder weergegeven alsmede als bijlage 2 opgenomen:

22

Afbeelding 6 Gewenste bouwplan // 3 nieuwe emissiearm stallen

De beoogde bedrijfsopzet en het geldende bouwplan voldoen hierdoor aan de gestelde regels in het beeldkwaliteitsplan voor het buitengebied van Haaksbergen. Het project is derhalve in overeenstemming met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid.

23

4. Milieu- en omgevingsaspecten 4.1

Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor de Omgevingsvergunning (onderdeel milieu) voor het aspect geurhinder van dierenverblijven en veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen geurhinder. Voor dieren met geuremissiefactoren (zoals vleeskuikens) wordt door middel van het verspreidingsmodel V-stacks de geuremissie uit de veehouderij omgerekend naar geurbelasting op de geurgevoelige objecten in de omgeving van de veehouderij. Op grond van de Wgv bedraagt de normstelling ter plaatse van een woning van derden in de bebouwde kom of in het buitengebied van Haaksbergen respectievelijk 3 of 14 OUE/m3. In de directe omgeving is geen bebouwde kom aanwezig en de maatgevende burgerwoningen van derden zijn gelegen aan de Eibergsestraat 262 en 264 en de Vloedsteegweg 1-Z. Uit de berekening blijkt dat ter plaatse van de omliggende woningen ruimschoots kan worden voldaan aan de geurnormering (max. 5,4 OU). Tabel 2 Resultaten V-stacks2020 berekening beoogde bedrijfsopzet

24

Volgens de Wet geurhinder en veehouderij dient bij het houden van paarden de volgende minimale afstanden in acht te worden genomen: Categorieën Woning in de bebouwde kom

Afstand in acht te nemen 100 meter

Werkelijke afstanden >> 100 meter → niet binnen invloedssfeer gelegen

Woning buiten de bebouwde kom Woning behorende bij veehouderij van derden

50 meter

50 meter

>> 50 meter → burgerwoning Eibergsestraat 262 >> 50 meter → agrarische bedrijfswoning Eibergsestraat 207

In de directe omgeving zijn diverse (vm.) agrarische bedrijven/veehouderijen van derden gelegen. De afstand tussen onderhavige veehouderij en deze omliggende agrarisch bedrijven (o.a. aan de Eibergsestraat 207 en 213) bedraagt meer dan 200 meter. Hierdoor wordt voldaan aan de geldende vaste afstand van 50 meter ten opzichte van een agrarisch bedrijfswoning van derden. Het aspect “geur” vormt derhalve geen belemmering om de gewenste bedrijfsopzet te realiseren.

4.2

Ammoniakemissie / WAV / BEHV

Gedeputeerde Staten van Overijssel hebben, op grond van de Wav, binnen de Ecologische Hoofdstructuur (NNN) de “zeer kwetsbare natuurgebieden” vastgesteld. De veehouderij aan Eibergsestraat 211 te Haaksbergen is gelegen op ongeveer 80 meter van het NNN // zeer kwetsbaar natuurgebied gelegen. De veehouderij ligt hierdoor op grond van de Wav in de zone van 250-meter van een zeer kwetsbaar natuurgebied. Hierdoor dient op grond van de Wav het ammoniakemissieplafond te worden vastgesteld. Dit plafond wordt vastgesteld op basis van de bestaande rechten / rechtsgeldige vergunning. De gecorrigeerde ammoniakemissie van de bestaande rechten bedraagt als volgt: • 152.728 vleeskuikens x 0,045 (gecorrigeerde emissiefactor BHV / bestaande stallen / kolom A) = 6.872,8 kg NH3 De vergunde ammoniakemissie op basis de vergunning uit 2014 bedraagt als volgt: • 39.448 vleeskuikens x 0,068 =

2.682,5 kg

• 113.280 vleeskuikens x 0,021 = 2.378,9 kg Totaal = 5.061,4 kg NH3 De vergunde ammoniakemissie is lager dan de berekende gecorrigeerde maximale ammoniakemissie.

25

De maximale ammoniakemissie in de gewenste situatie mag derhalve maximaal (de laagste waarde) 5.061,4 kg bedragen. In de gewenste situatie (incl. paarden) bedraagt de totale ammoniakemissie “slechts” maximaal 3.402,6 kg. Hierdoor is sprake van een ruime afname van de ammoniakemissie en wordt voldaan aan het gestelde in de Wav. De ammoniakemissie afkomstig van onderhavige veehouderij vormt, gelet op het gestelde in de Wet ammoniak en veehouderij, dan ook geen weigeringsgrond voor het realiseren van de gewenste opzet. Op 25 juni 2015 is het Besluit emissiearme huisvesting gepubliceerd in het Staatsblad (2015, nr. 317). Op 1 augustus 2015 is dit besluit formeel in werking getreden In het besluit huisvesting is aangegeven dat de ammoniakemissie uit huisvestingssystemen niet hoger mag zijn dan de daarvoor geldende maximale emissiewaarde. Voor paarden zijn in dit besluit geen drempelwaarden opgenomen. Voor vleeskuikens zijn in tabel 1 van het Besluit ammoniak emissiehuisvesting veehouderij maximale emissiewaarden opgenomen van 0,045 kg voor huisvesting in bestaande stallen (voor 1/1/2015) en 0,035 kg in nieuwe stallen (0,024 kg vanaf 1/1/2020). In de gewenste bedrijfsopzet worden alle 6 stallen (3 bestaande en 3 nieuwe stallen) uitgevoerd met een warmtewisselaar (BWL 2010.13V7).

Dit huisvestingssysteem heeft een ammoniakemissiefactor van 0,021 kg NH3 per vleeskuiken en voldoet hierdoor aan alle geldende normstellingen. Dee wijze van huisvesting kan worden beschouwd als BBT+. De gevraagde situatie voldoet hierdoor aan het gestelde in de Wet ammoniak en veehouderij en de Besluit Emissiearme Huisvesting / BBT. Het aspect “ammoniak” vormt derhalve geen belemmering om de gewenste bedrijfsopzet te realiseren

4.3

Geluid

De Wet geluidhinder (Wgh) vormt een belangrijk juridisch kader voor het Nederlandse geluidbeleid. Daarnaast beschikt de gemeente Haaksbergen over een gemeentelijk geluidbeleid. Op basis van dit geluidbeleid bedraagt de streefwaarde 40 dB(A) en de grenswaarde 50 dB(A). Ten behoeve van onderhavig project is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Adviesbureau Geurts b.v.). Met het onderzoek is de bedrijfssituatie berekend en getoetst aan de relevante wetgeving. De onderzoeksrapportage is opgenomen als bijlage 5. Uit het onderzoek is in de RBS de volgende geluidsbelasting ter plaatse van de omliggende woningen naar voren gekomen:

26

Uit dit onderzoek blijkt dat in de gewenste situatie (ongewijzigd) wordt voldaan aan de geldende normstelling. Het aspect “geluid” vormt derhalve geen belemmering om de gewenste bedrijfsopzet te realiseren

4.4

Luchtkwaliteit

Ten behoeve van de gewenste bedrijfsopzet is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Onderzocht is of in de gewenste situatie op de beoordelingslocaties, voldaan kan worden aan de grenswaarden zoals deze zijn opgenomen in de Wet Luchtkwaliteit // ministeriële regeling “Beoordeling luchtkwaliteit 2007” (Rbl). Om de uitstoot van met name fijn stof inzichtelijk te maken zijn, conform de gestelde eisen uit de Wet luchtkwaliteit, representatieve beoordelingspunten gesitueerd ter plaatse van woningen van derden. Deze emissie van fijn stof kan, gelet op het gestelde in de Regeling Beoordeling Luchtkwaliteit 2007 (Rbl), op basis van de meest recente inzichten, worden berekend met behulp van het rekenprogramma + verspreidingsmodel ISL3a. In de Wet luchtkwaliteit is voor fijn stof (PM10) een grenswaarde van 40 ug/m3 (jaargemiddelde) opgenomen. De daggemiddelde grenswaarde (50 ug/m3) mag in principe op basis van het genoemde regelgeving maximaal 35 dagen per jaar worden overschreden. In het Besluit emissiearme huisvesting veehouderijen (versie 25 juni 2015) is voor vleeskuikens de volgende drempelwaarden opgenomen ten aanzien van de emissie van fijn stof bij de realisatie van nieuwe stallen: Omschrijving diercategorie

Drempelwaarde g/PM10/jr/dierplaats

Vleeskuikens

16

De bestaande stallen 1, 2 en 3 worden niet voorzien van een (aanvullende) huisvestingssyteem voor de reductie van fijn stof. In de gewenste bedrijfsopzet worden de drie nieuwe stallen / nieuwe dierplaatsen direct uitgevoerd met een luchtmengsysteem voor het drogen van de strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar (BWL 2010.13V7 + BWL 2011.02V6). Door het toepassen van de warmtewisselaar (BWL 2011.02V6) wordt de emissie in deze stallen gereduceerd met 31%. In de beoogde bedrijfsopzet bedraagt de emissie PM10 per kuikenplaats derhalve 15 g/jaar en wordt voldaan aan het gestelde in het Besluit emissiearme huisvesting veehouderijen. Verspreidingsmodel ISL3a Uit de resultaten van de berekening ISL3a blijkt, dat in de gewenste situatie /bedrijfsopzet ter plaatse van de maatgevende woningen de jaargemiddelde concentratie alsmede het aantal overschrijdingsdagen als volgt bedraagt:

27

Uit de berekeningen blijkt dat in de gewenste situatie ruimschoots wordt voldaan aan de geldende normstelling /grenswaarden (40 ug/m3 + 35 overschrijdingsdagen). Het aspect “luchtkwaliteit / fijn stof” vormt derhalve geen belemmering om de gewenste bedrijfsopzet te realiseren

4.5

Bodem

In het toetsingskader voor de bodem wordt gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient inzicht te worden gegeven in de bodemkwaliteit, waarbij dient: - Beoordeelt te worden of de bodem geschikt is voor de beoogde bestemming; - Te worden beschreven welke beoogde maatregelen worden getroffen; - In de exploitatieopzet de kosten van eventuele saneringsmaatregelen te worden meegenomen. Op grond van de beschikbare informatie (nota bodembeheer Emmen, 2012) wordt ter plaatse van het plangebied geen bodemverontreiniging verwacht. Ter plaatse van het plangebied zijn momenteel reeds 4 pluimveestallen aanwezig en wordt de grond gebruikt als agrarisch erf. Daarbij wordt het toekennen van de gewenste ontwikkeling niet ingegeven voor de realisatie van een gebouw en bouwwerken met een verblijfsduur van langer dan twee uur per dag. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is dan ook niet nodig. Bovendien zijn / worden ter plaatse de volgende bodembeschermende maatregelen getroffen:

• • • •

Activiteit stallen / houden van kuikens opslag spoelwater spoelplaats opslag ontsmettings- / reinigingsmiddelen

Maatregel vloeistofkerende / mesdichte vloeren opslag in mestdichte kelder vloeistofkerende vloer werkvoorraad in dichte kast

•

opslag bestrijdingsmiddelen

werkvoorraad in dichte kast

•

opslag medicijnen

werkvoorraad in dichte kast

•

opslag kadavers

tonnen in koeling op vloeistofkerende vloer

•

dieselolie noodstroomaggregaat

dicht reservoir / vloeistofkerende vloer 28

•

berging / werkplaats

vloeistofkerende vloer

•

opslag veevoeder

dichte productbestendige kunststof silo’s

•

opslag smeerolie

vaten in lekbak

•

opslag CCM

sleufsilo / beton

• mestplaat mestdichte vloer Gelet op bovenstaande zijn voor alle bodembedreigende activiteiten voldoende maatregelen getroffen. Op grond van de Nederlandse Richtlijn Bodemrisico is er hierdoor sprake van een aanvaardbaar verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging (cat. I). Het aspect “bodem” vormt derhalve geen belemmering om de gewenste bedrijfsopzet te realiseren

4.6

Gezondheidsaspecten

Veevoeder Binnen de veehouderij wordt alleen gebruik gemaakt van veevoeder / grondstoffen, die voldoen aan de kwaliteitseisen (GMP-HACCP). Het veevoeder c.q. grondstoffen bevatten derhalve geen gevaarlijke componenten. De opslag van het veevoer vindt plaats in hiervoor bestemde productbestendige (bulk)silo’s + sleufsilo. De opslag en toepassing van veevoeder / grondstoffen brengt dan ook geen ontoelaatbare risico’s met zich mee. Uitval stroom en brandveiligheid De stallen zijn voorzien van een alarminstallatie. Indien de omstandigheid zich voordoet dat de stroomvoorziening of ventilatie uitvalt, wordt de veehouder automatisch gewaarschuwd en wordt er een noodstroomaggregaat in werking worden gezet. Het noodstroomaggregaat kan voor het bedrijf tijdelijk de elektriciteitsbehoefte opvangen. Er wordt binnen het bedrijf alleen gebruik gemaakt worden van goedgekeurde installaties. Om de gevolgen van een eventuele brand te beperken zijn maatregelen getroffen in de vorm van het aanbrengen van brandblussers en brandwerende voorzieningen. De brandblussers worden jaarlijks gekeurd. Daarnaast zijn er in de bedrijfsgebouwen en stallen vluchtwegen aanwezig in verband met het mogelijk uitbreken van brand. Om storingen en calamiteiten te voorkomen wordt het ventilatiesysteem periodiek gecontroleerd door een erkend installatiebedrijf.

Bedrijfsongevallen Om bedrijfsongevallen te beperken worden diverse maatregelen getroffen. In het algemeen kan worden gesteld dat bij het gebruik van machines, tractoren, werktuigen, machines, ventilatiesysteem etc. specifieke voorschriften gelden die worden bijgeleverd en waarvan de veehouder dan wel het personeel kennis neemt voor gebruik.

29

Bij het verplaatsen van grote groepen dieren en/of het verrichten van veterinaire handelingen wordt vrijwel altijd met meerdere personen tegelijk samengewerkt. Het risico op ongevallen wordt tevens verkleind door met deskundig personeel te werken. Vervoersverbod Het gevolg van vervoersverboden, als gevolg van bijvoorbeeld een uitbraak van Vogelgriep etc., is dat er geen aan- en afvoer van dieren plaats kan plaatsvinden op het bedrijf. Het mogelijke gevolg is dan ook dat de aanwezige dieren mogelijk voor langere tijd dan normaliter binnen de inrichting zullen verblijven. Door een ruime bedrijfsopzet en de relatieve grote leefoppervlaktes van de dieren is de opvangcapaciteit van onderhavige veehouderij relatief groot. Bij een zeer lang aanhoudende periode van het niet kunnen afleveren van de dieren kan eventueel een noodopvang (noodhuisvesting) worden gerealiseerd. Feitelijke welzijnsproblemen zullen hierdoor bij de dieren niet ontstaan. Gezondheidsaspecten Binnen onderhavige veehouderij worden maatregelen getroffen om de risico’s op een uitbraak van dierziekten zoveel mogelijk te beperken. Om de risico’s op het bedrijf te beperken c.q. te voorkomen is het bedrijf zodanig opgezet, dat bezoekers niet direct in de stallen kunnen komen. Personen die de stallen willen bezoeken/betreden dienen zich te houden aan strikte hygiëneregels (o.a.

gebruik van bedrijfskleding, een hygiënesluis, toepassen ontsmettingsmiddelen etc.). Binnen de pluimveehouderij aan de Eibergsestraat 211 te Haaksbergen worden (bedrijfsmatig) alleen vleeskuikens gehouden. Hierdoor is er sprake van een gespecialiseerd bedrijf met slechts één diersoort. Op basis hiervan worden de risico’s op de verspreiding van dierziekten al in grote mate beperkt. Binnen de veehouderij worden de volgende maatregelen getroffen in het kader van de dier- en volksgezondheid en om de verspreiding van dierziektes te voorkomen: • Binnen een afstand van < 200 meter van het emissiepunt van de kuikenstallen is geen woning van derden aanwezig; • Binnen de veehouderij wordt bedrijfsmatig slechts één diersoort (vleeskuikens) gehouden; • Professionele begeleiding door adviseurs, dierenarts en voerleverancier; • Er wordt per jaar een bedrijfsbehandelingsplan op het gebied van het gebruik van diergeneesmiddelen opgesteld in samenwerking met de begeleidende dierenarts; • De begeleidend dierenarts bezoekt periodiek het bedrijf; • Zeer beperkt / geen antibiotica gebruik; • De periodieke controle op de algehele gezondheidsstatus van het bedrijf; • Strikte hygiënemaatregelen; • Er is geen sprake van een vrij uitloop.

De dieren worden inpandig gehouden; • De stalruimtes voldoen aan de modernste eisen en technische inzichten; • De gewenste bedrijfsopzet voldoet (ruimschoots) aan de geldende milieuwet- en regelgeving (o.a. tan aanzien van geur, luchtkwaliteit, ammoniak, geluid etc.). 30

Het aspect “gezondheid en verspreiding van dierziekten” vormt derhalve geen belemmering om de gewenste bedrijfsopzet te realiseren

4.7

Waterhuishouding

Relevant beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen.

De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. Waterschap Rijn en IJssel werkt hierbij vanuit het Waterbeheerplan 2016-2021 waarin het taakgebied, de doelen en de maatregelen die het waterschap t/m 2021 voor ogen heeft, staan beschreven. Een kompas voor de langere termijn biedt de Watervisie 2030. Beide documenten bieden een samenwerkingsagenda voor ieder die op het gebied van water een belang of betrokkenheid heeft. Het waterbeleid van het waterschap is met name gericht op een duurzame aanpak van het waterbeheer: geen afwenteling, herstel van de veerkracht van het watersysteem, streven naar een meer natuurlijker waterbeheer, zoeken naar meer ruimte voor water, water toepassen als ordenend principe middels het gebruik van waterkansenkaarten en water langer vasthouden mede door flexibeler peilbeheer.

31

Ook het streven naar een betere waterkwaliteit als onderdeel van duurzaamheid is een belangrijk speerpunt (tegengaan van lozingen, minder belasting van het water en het zoveel mogelijk tegengaan van diffuse verontreinigingen). De twee belangrijkste onderdelen van het waterplan worden gevormd door: • het tekort aan waterberging in het landelijk gebied; • de inpassing van inrichtingsmaatregelen binnen de maatregelen voor de Kaderrichtlijn Water. Invloed op waterhuishouding Binnen dit project worden geen wooneenheden gerealiseerd. De toename van het verharde oppervlak bedraagt ongeveer 1.100 m2. Het plangebied bevindt zich niet binnen een primair watergebied of een stedelijk watercorridor. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Huishoudelijk afvalwater Het beleid is erop gericht dat huishoudelijk afvalwater dient te worden geloosd op de gemeentelijke riolering. Er is een gemeentelijk vuilwater-riool aanwezig waarop de afvoer van huishoudelijk afvalwater afkomstig van de bedrijfswoning is aangesloten. Bedrijfsafvalwater Het bedrijf loost geen bedrijfsafvalwater op de gemeentelijke riolering. Afvalwater uit stallen wordt geloosd op een opvangput. Dit afvalwater wordt vervolgens na iedere mestronde per as afgevoerd en over de beschikbare landbouwgronden uitgereden.

Hemelwater Het beleid van de gemeente Emmen en het waterschap is erop gericht het hemelwater af te koppelen van de riolering en te lozen op oppervlaktewater of zo mogelijk te laten infiltreren in de bodem. Voor lozing van het hemelwater dient in principe waterberging op eigen terrein gerealiseerd te worden. Als regel wordt genomen dat 10% van het te verharden oppervlak moet worden ingericht voor hemelwaterberging. In deze situatie kan bergingscapaciteit gevonden worden in de aanleg van een zaksloot ten westen van de nieuwe stal. Deze ligt op eigen grond. Watertoets Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

32

Waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel ontwikkeld waarmee met een aantal vragen in beeld te brengen is welke wateraspecten relevant zijn en met welke intensiteit het watertoetsproces doorlopen moet worden. De vragen zijn gericht op de locatie van de ruimtelijke ontwikkeling en welke veranderingen er mogelijk worden gemaakt. Voor de gewenste ruimtelijke ontwikkeling worden de effecten van de ontwikkeling per waterthema afgewogen. De relevante waterthema’s worden door middel van de watertoetstabel geselecteerd en moeten vervolgens, indien relevant, nader worden toegelicht.

Afbeelding 7 Watertoets WRIJ

Het plan leidt tot een geringe toename van het verhard oppervlak (ongeveer 1.100 m2). In de huidige situatie wordt het hemelwater afkomstig van de daken van de stallen ter plaatse in de bodem geïnfiltreerd. In de gewenste situatie blijft deze situatie gehandhaafd. Naast de 3 nieuwe stallen worden 2 wadi’s aangelegd. In deze 2 wadi’s wordt het hemelwater van de drie nieuwe stallen en de erfverharding opgevangen / gebufferd. Ter plaatse kan (ongewijzigd) alle hemelwater in de bodem infiltreren. In de gewenste situatie wordt het hemelwater afkomstig van de nieuwe verharding (3.690 m2 á 80 liter/m2 =) 295,2 m3 opgevangen in deze wadi’s tussen de stallen. De beide wadi’s hebben een omvang van ongeveer 40 x 2,5 meter met een opvang van minimaal 1 m. De buffercapaciteit van beide wadi’s is hierdoor > 300 m3. 33

Afbeelding 8 situering Wadi’s (totaal 300 m3)

4.7

Archeologie & cultuurhistorie

Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. Met het in werking treden van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in september 2007 is het verdrag wettelijk verankerd en is de Monumentenwet 1988 herzien. Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, die de Wamz en de Monumentenwet 1988 heeft vervangen. Een belangrijk archeologisch doel van de wetgeving is om het archeologisch erfgoed ter plekke te behouden. Daarom is het verplicht om vroegtijdig in het proces van de ruimtelijke ordening rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en hierin een afweging te maken. De gemeente Haaksbergen heeft een eigen archeologische beleidsadvieskaart vormgegeven. Een uitsnede van de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Haaksbergen is opgenomen in de navolgende afbeelding.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12054598/2