Raadsvoorstel Wijziging van de gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Twente
Tekst van het document
Raadsvoorstel Raadsvergadering
d.d. 10 juli 2024
nr.
Onderwerp: Wijziging van de gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Twente
Voorstel: 1. Toestemming te verlenen aan het college tot wijziging van de gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Twente.
Inleiding / aanleiding Haaksbergen kent zeven gemeenschappelijke regelingen waarbij een openbaar lichaam of bedrijfsvoeringsorganisatie is ingericht. Per 1 juli 2022 is het wetsvoorstel “Versterken van de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen” in werking getreden. De wet versterkt de positie bij besluitvorming en de controlerende rol van raden, door de raden meer inspraak te geven bij het treffen van gemeenschappelijke regelingen en bij het nemen van besluiten door de besturen daarvan. De wet betreft een wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). De wetswijziging is aanleiding om tot wijziging van de gemeenschappelijke regelingen over te gaan. De raden van de deelnemende gemeenten en/of het algemeen bestuur van het deelnemende openbare lichamen zijn in de gelegenheid gesteld op de ontwerpregelingen zienswijzen in te dienen, alvorens hen om toestemming wordt verzocht (definitief) tot wijziging over te gaan. Voor een aantal gemeenschappelijke regelingen zijn allereerst zienswijzen ingediend en voor een aantal is reeds in de raadsvergadering van 27 maart jl. en 29 mei jl. toestemming tot wijziging verleend. Op 29 november 2023 heeft uw raad een zienswijze ingediend op het ontwerp voor de wijzigingsregeling van de Omgevingsdienst Twente (ODT).
Na behandeling van alle ingediende zienswijzen in het algemeen bestuur van de ODT, vragen wij thans aan de raad toestemming te verlenen om de regeling daadwerkelijk te wijzigen. Bestuurlijk / wettelijk kader Gemeentewet Algemene wet bestuursrecht Wet gemeenschappelijke regelingen Gemeenschappelijke regelingen Motie ter versterking van de positie van de raden in gemeenschappelijke regelingen d.d. 29 juni 2022 Raadsbesluit van 27 september 2023 en 29 november 2023 tot het indienen van zienswijzen op de ontwerpregelingen Argumenten 1.2 De zienswijze van gelijkluidende strekking aan de besturen van alle gemeenschappelijke regelingen is niet door alle besturen overgenomen. Ook het ODT heeft de zienswijze niet overgenomen. De afwegingen zijn aanvaardbaar en geven geen aanleiding om toestemming aan de regelingen te onthouden. Bij motie van 29 juni 2022 riep u het college op de mogelijkheid tot het instellen van adviescommissies bij de algemeen besturen aan de orde te stellen. Op 11 januari 2023 is er een kennissessie van de Pagina 1 van 4
Twenteraad over de nieuwe wet geweest. Door raadsleden van de 14 Twentse gemeenten is daar gediscussieerd over de instrumenten in de nieuwe wet, waaronder de gemeenschappelijke adviescommissie. Er werd door de verschillende deelnemers verschillend gedacht over het nut en de noodzaak van een gemeenschappelijke adviescommissie. Het instellen van een adviescommissie betreft een wettelijke mogelijkheid, die ook bestaat indien het onderwerp (nog) geen regeling heeft gevonden in de gemeenschappelijke regeling. Nadien hebben de gr-en de te wijzigen regelingen in ontwerp aangeboden voor zienswijzen. In het voorstel omtrent het indienen van een zienswijze hebben wij de raad in kennis gesteld dat de raden van Hof van Twente en Dinkelland met een motie hebben verzocht te onderzoeken of de Twenteraad als mogelijk platform voor een gemeenschappelijke adviescommissie voor een gemeenschappelijke regeling kan dienen. De raad van Rijssen-Holten riep met een motie op een gemeenschappelijke adviescommissie als bedoeld in art. 24a van de Wgr in te stellen. Niet alle gr-en hadden de mogelijkheid om een gemeenschappelijke (raden)adviescommissie in te stellen in de ontwerpregeling opgenomen.
Met het oog op eenduidigheid en kenbaarheid van deze wettelijke mogelijkheid stelden wij de raad als zienswijze voor om de mogelijkheid tot het instellen van een adviescommissie specifiek in de ontwerpregelingen op te nemen. De raad besloot op ons voorstel een zienswijze in te dienen, om in de regelingen een facultatieve bepaling op te nemen over het instellen van een gemeenschappelijke adviescommissie. De gemeenten Tubbergen en Dinkelland riepen in hun zienswijzen op om via de Twenteraad een gemeenschappelijke adviescommissie in te stellen. De gemeente Borne heeft een zienswijze ingediend om juist geen adviescommissie in te stellen. De gemeente Hengelo geeft aan deze bij beleidsarme regelingen niet te willen opnemen. De Omgevingsdienst Twente, heeft evenals eerder SamenTwente en de Veiligheidsregio Twente, de zienswijze van Haaksbergen niet overgenomen. Zij hanteren als algemeen uitgangspunt in hun regelingen niet datgene te regelen, waarin de wet al voorziet. In dit geval biedt de Wet gemeenschappelijke regelingen in artikel 24a de ruimte voor het algemeen bestuur om op voorstel van de gezamenlijke raden van de deelnemende gemeenten om een adviescommissie in te stellen. De afweging dat gr-en willen vasthouden aan het uitgangspunt om niet datgene te regelen wat bij wet geregeld is, is aanvaardbaar.
Weliswaar leidt het niet tot uniformiteit tussen alle regelingen, maar dat is begrijpelijk als enkele regelingen vanuit bovenstaand uitgangspunt zijn opgebouwd. De afweging is niet in strijd met het algemeen belang of met de wet, nu de wet zelf nog immer de ruimte biedt om een gemeenschappelijke adviescommissie in te stellen. Met name lag aan het voorstel voor uw zienswijze de gedachte ten grondslag om de kenbaarheid van de wettelijke mogelijkheid van een gemeenschappelijke adviescommissie te vergroten. Het is aan de deelnemende raden om per gemeenschappelijke regeling te bepalen of het wenselijk is een adviescommissie in te stellen. Op het moment dat alle deelnemende raden deze wens uitspreken, wordt het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling gevraagd de adviescommissie in te stellen. Het initiatief om dit verzoek te doen ligt dus bij de raden en kan op elk gewenst moment gedaan worden. Wel is het van belang dat de deelnemende raden dit verzoek allemaal steunen, als één van de deelnemende raden van die gemeenschappelijke regeling niet instemt met een adviescommissie, komt die er niet. Uiteindelijk is een unaniem besluit van alle raden daarvoor nodig. In de Twenteraad is het onderwerp aan de hand van de moties enkele keren geadresseerd. 1.3
De bepalingen omtrent uittreding van de regeling is uitgewerkt en biedt thans een helder kader.
De Wet gemeenschappelijke regelingen heeft altijd bepaald dat in de gemeenschappelijke regeling bepalingen moeten worden opgenomen omtrent wijziging, toetreding, uittreding en opheffing. Hoewel de Wgr derhalve voorschreef dat in de gemeenschappelijke regeling ook afspraken moesten worden gemaakt omtrent uittreding, heeft de Wgr nimmer voorgeschreven hoe de gevolgen van uittreding bepaald moesten worden. In veel gemeenschappelijke regelingen werden echter geen afspraken gemaakt, of slechts enkele procesafspraken. In de jurisprudentie is daarom een berekeningswijze Pagina 2 van 4
ontwikkeld voor de kosten van uittreding, wanneer de gemeenschappelijke regeling zelf niets daaromtrent bepaalt. Met de wetswijziging van 2022 is aangescherpt dat in de gemeenschappelijk regeling de gevolgen van uittreding moeten worden geregeld. In elk geval moeten in de gemeenschappelijke regeling worden geregeld (dit kan dus niet doorgeschoven worden naar een overeenkomst of uittreedregeling): - de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden; - de gevolgen voor het vermogen van het samenwerkingsverband; - de gevolgen voor het vermogen van de deelnemende gemeenten (zowel de uittreder als de overblijvende gemeenten). Bij voorwaarden kan onder andere gedacht worden aan een opzegtermijn of een verbod de eerste jaren na toetreding/treffen van de gemeenschappelijke regeling uit te treden. Ook het besluitvormingsproces is een onderdeel van de voorwaarden voor uittreding, net als andere procedurele afspraken. Dat zijn bepalingen die al regelmatig in gemeenschappelijke regelingen voorkomen. Bij vermogensrechtelijke gevolgen gaat het om de financiële kant van de uittreding, maar ook om de overname van contracten (huurovereenkomsten, arbeidsovereenkomsten, inkoopcontracten e.d.). In de gemeenschappelijke regeling zal bepaald moeten worden hoe hiermee omgegaan wordt én hoe de uittreedkosten berekend moeten worden.
Daarbij zal vooral van belang zijn welke kosten toerekenbaar zijn aan de uittredende partij. Vaak wordt gekozen voor het principe dat de uittreder de kosten van de uittreding betaalt. Bij dat principe past het niet dat de uittreder meer kosten betaalt dan strikt noodzakelijk is. De uittredingssom is geen boete om uittreding praktisch onmogelijk te maken. Wat verder van belang is, is om ook reëel te kijken hoe lang een samenwerkingsverband nodig heeft zich aan te passen. Kosten kunnen niet tot in de eeuwigheid der dagen aan de uittreder worden toegerekend. In de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat men daarbij uit van een termijn van maximaal vijf jaar.1 Het is niet aangewezen om in de gemeenschappelijke regeling expliciete bedragen te noemen. Die bedragen kunnen immers per deelnemer verschillen, maar ook per periode. Een vaste uittreedsom zou ertoe leiden dat eventuele meerkosten boven dat bedrag niet door de uittreder, maar door het samenwerkingsverband en daarmee door de overblijvende deelnemers moeten worden gedragen. In de gr van de ODT is voorzien in een (wettelijke verplichte) uittredingsregeling die voldoet aan de aanscherping uit de wet en de jurisprudentie van de Afdeling. Uittreding vindt plaats per 1 januari, met inachtneming van een opzegtermijn van een jaar.
Daarbij worden de consequenties van uittreding betrokken over de periode van vijf jaren na uittreding. Overigens zij opgemerkt dat de uittredingsregeling onverlet laat dat iedere gemeente verplicht is om zogenoemde “basistaken” bij een omgevingsdienst onder te brengen. 1.4
De samenwerking op grond van de regeling wordt eens in de vijf jaren geëvalueerd.
Een zienswijze van de gemeente Hengelo en de provincie Overijssel leidt ertoe dat het AB besloten heeft in de regeling een terugkerende evaluatie na het verstrijken van een periode van vijf jaren op te nemen. 1.5
Evenals bij een aantal andere gr-en zijn in de gemeenschappelijke regeling van de ODT ambtshalve wijzigingen aangebracht. Deze brengen geen beleidsinhoudelijke wijzigingen met zich.
Een aantal gr-en –zo ook de ODT- hebben tezamen met de verplichte wijzigingen krachtens de wet, ambtshalve wijzigingen opgenomen. Deze zijn volgens de toelichting en onze beoordeling, niet van beleidsinhoudelijke aard. Zij leiden niet tot een uitzetting van taken of tot een uitzetting van lasten. Zij
1 ABRvS 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1198
Pagina 3 van 4
zijn in de aanbiedingsbrief met bijlagen toegelicht. Deze zijn ook bij dit besluit en het raadsvoorstel opgenomen. Risico’s Vervolgproces: Het college maakt het besluit om de regeling te wijzigen en uw verleende toestemming kenbaar aan het algemeen bestuur van de Omgevingsdienst Twente.
Bijlagen: - Aanbiedingsbrief tot wijziging van de gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Twente - Beslisnota AB tot wijziging van de gemeenschappelijke regeling - Te wijzigen gemeenschappelijke regeling - Memo met zienswijzen AB ODT 5 april 2024 - Wijzigingstabel na zienswijzen Fysiek, ter inzage in raadsbibliotheek: Digitaal: -
Burgemeester en wethouders
dr. R. Toet secretaris
mr. drs. R.G. Welten burgemeester
Aldus vastgesteld tijdens de openbare raadsvergadering d.d. datum.
R. Meinen griffier
mr. drs. R.G. Welten voorzitter
Pagina 4 van 4