DB bijlage 5b. Verklaring EZK zoutwinning Haaksbergen 171023
Tekst van het document
Onderstaande verklaring wordt als bijlage gehecht aan de overeenkomst tussen de gemeente Haaksbergen en Nobian. Deze verklaring staat op zichzelf, zodat wijzigingen in de overeenkomst geen gevolgen hebben voor de inhoud van deze verklaring en vice versa.
VERKLARING OVER DE PUBLIEKRECHTELIJKE VERPLICHTINGEN VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT TEN AANZIEN VAN DE ZOUTWINNING IN HAAKSBERGEN Ik ben geïnformeerd over de zorgen in de gemeente Haaksbergen over de mogelijke opslag van stoffen in de zoutcavernes van Nobian Salt B.V. (hierna: Nobian) in de gemeente Haaksbergen. Ook heeft de gemeente zorgen over het opruimen van de putten en over de verhaalbaarheid van schade van natuurlijke personen en micro-ondernemingen in het geval Nobian niet wil of kan betalen. Hierover verklaar ik als volgt: De acht cavernes in Haaksbergen zijn ontworpen voor zoutwinning en worden niet gebruikt voor de opslag van stoffen. Dit is in de brief van 28 juni jl. aan de gemeente Haaksbergen bevestigd door de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (hierna: staatssecretaris); het blijkt ook uit het door Nobian bij de staatssecretaris ingediende winningsplan (kenmerk: NH-20221006). Zonder vergunningen is opslag niet mogelijk. Eveneens is dit opgenomen in het ontwerpprogramma energie hoofdstructuur welke het kabinet op 3 juli jl. aan de Tweede Kamer heeft aangeboden (kamerstuk 31239, nr. 380).
Voor de schadeafhandeling geldt dat de buitengerechtelijke schadeafhandeling voor eigenaren van een gebouw met geheel of gedeeltelijke woonbestemming 1 (hierna: Eigenaren) en microondernemingen 2, zoals bedoeld in het Instellingsbesluit Commissie Mijnbouwschade, is belegd bij de door mijn voorganger ingestelde Commissie Mijnbouwschade. In het geval van bijvoorbeeld faillissement kan door natuurlijke personen een beroep gedaan worden op het wettelijke Waarborgfonds mijnbouwschade (artikel 137 Mijnbouwwet). In het geval Nobian niet failliet is maar ondanks een advies van de Commissie Mijnbouwschade weigert schadevergoeding te betalen kan een natuurlijke persoon op grond van de Mijnbouwwet aan mij een voorschot vragen (artikel 140, eerste lid, Mijnbouwwet). De buitengerechtelijke afhandeling van schademeldingen door de Commissie Mijnbouwschade is gericht op het ontzorgen van Eigenaren en/of micro-ondernemingen bij de beoordeling of schade 3 aan gebouw met woonbestemming of van een micro-onderneming door mijnbouw is ontstaan. De Commissie Mijnbouwschade onderzoekt de oorzaak van de schade, schakelt zo nodig expertise in en brengt advies uit over de oorzaak van de schade. De Commissie Mijnbouwschade neemt daarmee in feite de bewijslast van Eigenaren en micro-ondernemingen over.
Als de Commissie Mijnbouwschade adviseert dat zoutwinning de oorzaak is van de schade zal Nobian deze vergoeden. Nobian is de verplichting aangegaan om te voldoen aan het advies van de Commissie Mijnbouwschade en de schade aan de Eigenaren en/of micro-ondernemingen te vergoeden. 4 Voor het geval Nobian failliet is verklaard, betalingsproblemen heeft of opgehouden is te bestaan, zal schade van natuurlijke personen betaald worden uit het bij wet ingestelde Waarborgfonds mijnbouwschade. De staatssecretaris stelt de door het Waarborgfonds mijnbouwschade uit te keren vergoeding ook met behulp van het advies van de Commissie Mijnbouwschade vast. 5 In de gevallen zoals bedoeld in artikel 140, eerste lid, Mijnbouwwet, waaronder begrepen de situatie dat Nobian bedenkingen heeft tegen het advies van de Commissie Mijnbouwschade, ben ik bevoegd om 1 In artikel 1 Instellingsbesluit Commissie Mijnbouwschade wordt niet het begrip ‘natuurlijke personen’ gebezigd, maar gerefereerd aan de ‘eigenaar van een gebouw’. Het gaat dan om een gebouw ‘als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van Woningwet, met een geheel of gedeeltelijke woonbestemming (…)'. 2 Zie voor de definitie van micro-ondernemingen artikel 1 Instellingsbesluit Commissie Mijnbouwschade (in de definitie van ‘gebouw’: (…) of dat eigendom is van een micro-onderneming’ waarna de definitie van micro-onderneming volgt.
3 Zie voor de definitie van schade artikel 1 Instellingsbesluit Commissie Mijnbouwschade. 4
Zie o.a. artikel 3, vijfde en zesde lid en artikel 4, tweede lid van de Overeenkomst landelijke behandeling mijnbouwschade zoutwinning d.d. [20 juni 2021], Bijlage bij Kamerstukken II 2020/21, 32849, nr. 208 . 5 Zie artikel 2, tweede lid, Instellingsbesluit Commissie Mijnbouwschade jo. Artikel 137 e.v. Mijnbouwwet.
op verzoek van natuurlijke personen een voorschot toe te kennen op het door Nobian te betalen bedrag aan schadevergoeding. Dit betreft een voorschot op vergoeding van schade door de mijnbouwonderneming die in beginsel buiten de gevallen als bedoeld in artikel 137 van de Mijnbouwwet valt. 6 Dit verandert indien Nobian failliet zou gaan. De artikelen 137 en 140, eerste lid, van de Mijnbouwwet zijn niet van toepassing op microondernemingen. Het Instellingsbesluit Commissie Mijnbouwschade ziet echter ook op gebouwen die het eigendom zijn van een micro-onderneming. De gemeente Haaksbergen heeft daarom de specifieke zorgen geuit dat schade aan gebouwen van micro-ondernemingen in de gevallen zoals bedoeld in de artikelen 137 en 140 Mijnbouwwet niet vergoed wordt. Ik wil micro-ondernemers dezelfde waarborgen bieden als natuurlijke personen. Om die reden ben ik aanspreekbaar op het stellen van voldoende zekerheid door Nobian voor micro-ondernemingen die in die gevallen een beroep willen doen op schadevergoeding. Ik beoog hiermee microondernemers eenzelfde financiële vangnet te bieden als aan natuurlijke personen, zoals bedoeld in artikel 137 en artikel 140 van de Mijnbouwwet. Een aanpassing van de artikelen 137 en 140, eerste lid, van de Mijnbouwwet op dit punt zou financiële effecten sorteren voor de hele sector en zou bovendien leiden tot het verlenen van staatssteun.
Dit laatste is slechts mogelijk in overeenstemming met de relevante staatssteunkaders. Gelet op de door Nobian uitgesproken wens in gesprekken met ambtenaren van mijn ministerie over het starten van de zoutwinning in de gemeente Haaksbergen en de wil om daarover vergaande afspraken te maken, zal ik op basis van artikel 46, eerste lid, van de Mijnbouwwet bepalen dat Nobian daartoe financiële zekerheid dient te stellen. Daarmee krijgen de micro-ondernemingen dezelfde waarborgen als natuurlijke personen onder de artikelen 137 en 140 Mijnbouwwet. Op grond van de wet is de eerste stap dat ik de Tcbb (of haar opvolger TNO) zal moeten vragen om een inschatting te geven van de mogelijke schade voor micro-ondernemingen in Haaksbergen als gevolg van beweging van de aardbodem als gevolg van het winnen van delfstoffen. Het past niet om tegenover de gemeente Haaksbergen te verklaren over dit traject omdat het gaat om de uitoefening van wettelijke bevoegdheden jegens Nobian. In de Kamerbrief van 26 januari 2023 over nazorg bij Mijnbouw (kamerstuk 32849, nr. 215) is door de staatssecretaris toegelicht dat in het geval dat mijnbouwbedrijven niet aanspreekbaar zijn doordat ze failliet zijn of al een langere tijd Nederland hebben verlaten, het Rijk de zorgplicht overneemt. Bij onverwachte gebeurtenissen kan het Rijk dan de noodzakelijke maatregelen treffen.
Conform de kamerbrief verklaar ik dat het Rijk deze zorgplicht heeft, waaronder mede verstaan het opruimen van de zoutwinningsputten. Uiteraard zal het Rijk deze kosten bij Nobian trachten te verhalen. Deze verklaring is gekoppeld aan de looptijd van het door Nobian ingediende winningsplan (kenmerk: NH-20221006) zoals dat bij instemmingsbesluit door de staatssecretaris zal worden vastgesteld en daarbij opgeteld een termijn van 30 jaar. Indien wetgeving wijzigt en daardoor gunstiger wordt voor Eigenaren en/of micro-ondernemingen in de gemeente Haaksbergen dan worden die onderdelen van de verklaring overbodig en daarom zullen zij vervallen. Deze verklaring betreft een uitleg van geldend Nederlands recht en hierop kunnen (waar van toepassing) natuurlijke personen en/of micro-ondernemingen in de gemeente Haaksbergen zich rechtstreeks beroepen. __________________________________________ mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat,
M.A.M. Adriaansens Minister van Economische Zaken en Klimaat
6
Vgl. MvA I, Kamerstukken I 2001/02, 26219,nr.313b, p. 17 en 18.